CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 - Beroepschriften bestemmingsplan Asten, Prins Bernhardstraat 1

Gemeenteraad 23 september 2025, gemeente AstenBij agendapunt: Herstelbesluit Asten Prins Bernhardstraat 1 (bespreekstuk)16.513 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

www. sumrin. nl a

geborgd , het aantal bouwlagen is niet overgenomen en ook is er geen borging van groene inpassing. Appellant is van mening dat op geen enkele wijze is voldaan aan de Centrumvisie. Zelfs al zou het een suggestie zijn , wat niet blijkt uit de woorden programmatische en ruimtelijke randvoorwaarden , dan nog dient verweerder gedegen te motiveren waarom op geen enkele wijze is voldaan aan de suggestie. 2. 3. 5. = Woonbeleid. Kwantitatief In de plantoelichting bij het ontwerpbestemmingsplan was in paragraaf 3. 3. 4 verwezen naar woonbeleid. Het woonbeleid van de gemeente Asten bestond volgens de toelichting (bij het ontwerp) uit: -=de Woonvisie 2015-2024; -=de Woningbouwmonitor 2022-2031; -=de Versnellingsagenda woningbouw gemeente Asten. Ingevolge dit woonbeleid is het uitgangspunt dat in aansluiting gebouwd. Zowel kwantitatief als kwalitatief.

op

de behoefte wordt

In de plantoelichting van het vastgestelde bestemmingsplan is in paragraaf 3. 3. 4 verwezen naar het woonbeleid. Het woonbeleid van de gemeente Asten bestaat volgens de plantoelichting bij het vastgestelde plan uit: -=de woonvisie 2015-2024; -=de Woningbouwmonitor 2022-2031; -=de Versnellingsagenda woningbouw gemeente Asten. Kortom , het woonbeleid bestond in de ontwerpfase uit exact hetzelfde beleid als bij vaststelling van het bestemmingsplan. Vervolgens was in het ontwerpbestemmingsplan overwogen dat er ¡n de komende 10 jaar 304 woningen (kunnen) worden toegevoegd. Naar aanleiding van de zienswijzen is de plantoelichting aangepast (p. 24). Thans is iri de toelichting van het vastgestelde bestemmingsplan opgenomen dat de kwantitatieve taakstelling voor Asten ¡s dat tot 2023 690 woningen worden toegevoegd. Ook zijn in de plantoelichting van het vastgestelde plan de volgende twee uitsneden uit de Woningbouwmonitor 2022-2031 opgenomen:

Oodrotnne ,

Ti Ksteflttieee

npgeve

st.tn= , sennre , ,, (ntreflen= ,,

£Ocale , fl4stt=

30. =33%= 09U=, 30 405. =055. =335. =355. 325. =205. = 55. =255.

kseolitotieste opgoee

In reactie op de zienswijzen is overwogen dat in de regionale woondeal is vastgelegd dat de gemeente Asten tot en met 2030 minimaal 690 woningen toevoegt. 15

www. sumrin. nl c

Appellant is van mening dat het woonbeleid en de behoefte aan woningen op zeer onzorgvuldige wijze is gemotiveerd. volgens verweerder en plantoelichting s het beleid waaraan wordt getoetst gelijk gebleven maar is op (onverklaarde) wijze de kwantitatieve opgave ineens gewijzigd. De daarbij aangeleverde uitsneden laten bovendien de eerdergenoemde 304 woningen zien. Appellant is van mening dat met de nieuwe plantoelichting wel bevestigd wordt dat met het plan (om 21 woningen te realiseren) niet wordt voldaan aan de kwantitatieve doelstelling van 304. Zoals in de plantoelichting van het vastgestelde plan is overwogen zijn reeds 304 woningen geprogrammeerd. Dit betekent dat met de toevoeging van 21 woningen er meer woningen worden bestemd dan geprogrammeerd. Zulks is dan ook niet meer in geschil. Kwa/itatief Ten aanzien van de kwalitatieve taakstelling merkt appellant op dat er op geen enkele wijze een borging plaatsvindt van de te realiseren woningen. Uit de stukken noch uit de planopzet volgt dat er ca 25% aan sociale huurwoningen worden gerealiseerd. In de plantoelichting van het bestemmingsplan is op geen enkele wijze gemotiveerd waarom het initiatief voldoet aan de kwalitatieve afspraken over woningbouw. In reactie op de zienswijzen wordt erkend dat er in dit bestemmingsplan geen enkele borging plaatsvindt van de woningtypologie.

Verweerder is van mening dat het wel mogelijk is om via een anterieure-/ exploitatie overeenkomst locatie-eisen te stellen. Op deze wijze is er volgens verweerder sprake van borging van de ca 25/o sociale huurwoningen. Appellant is van mening dat verweerder ten onrechte verwijst naar een anterieure overeenkomst voor de borging van sociale huurwoningen. In dit verband wijst appellant erop dat door een derde geen beroep kan worden gedaan op een dergelijke overeenkomst. Als verweerder alsnog besluit geen nakoming te vorderen van deze overeenkomst , staan omwonenden met lege handen (als blijkt dat de parkeerdruk is verhoogd ten opzichte van wat beoogd was). Appellant heeft gewezen op het aspect van de kwalitatieve taakstelling in verband met de onderzoeken naar onder meer de parkeerbehoefte van het initiatief. Als namelijk geen borging plaatsvindt van het type woningen dan kan de initiatiefnemer er uiteindelijk voor kiezen om enkel appartementen in een duurder segment te realiseren. Hiermee zal hij namelijk de hoogste opbrengst genereren. Appartementen in het hoger segment kennen een hogere parkeernorm , waar bij planvaststelling dan geen rekening mee is gehouden. Bovendien geldt dat als er geen borging plaatsvindt van de woningbouwcategorie , aan de kwalitatieve taakstelling van de gemeente nìet kan worden voldaan. Binnenp/anse afwijkingsbevoegdheid meer woningen.

Daarnaast wil appellant in dit kader wijzen op de nogal opmerkelijke binnenplanse afwijkingsbevoegdheid (van de bouwregels) voor het college van B&W van de gemeente Asten.

16

www. sumrin. nl.

In artikel 3. 4 van de planregels is het volgende bepaald: 3. 4. 1 Afwfjken voor het rea//seren van extra woningen Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken voor het rea/iseren van extra woningen , onder de voorwaarden dat: a. De woningbouw past binnen de provincia/e woningbouwprognose; b. De woníngbouw past binnen het gemeente/ijk woningbouwprogramma•, c. Aanwezige cu/tuurhistorische en/of architectonische waarden niet onevenredig worden aangetast; d. Geen sprake is van p/ano/ogische en/of milieuhygiënische be/emmer/ngen , of door middel van noodzake/ijk (milieu)onderzoek is aangetoond dat het plan a/snog uitvoerbaar is; e. Op eigen terrein in de parkeerbehoefte ¡n voldoende mate wordt voorzien , conform de parkeernormen uit de Nota parkeernormen zoals die geldt ten tijde van de ontvangst van de aanvraag (omgevingsvergunning); f. Geen onevenredig nadelige gevolgen voor het woon- of bedrijfsm/lieu ontstaan; g. Het verhaal van kosten van de grondexp/oitatie , a/s bedoe/d in de Wro , verzekerd is; h. Iedere woning een inhoud heeft van ten minste 350 m3. Met deze bevoegdheid staat verweerder het toe aan het college van B&W om op deze locatie middels een laagdrempelige vergunningsprocedure een onbekend aantal woningen (althans 690-304 = 386 woningen) toe te voegen.

In reactie op de zienswijzen wordt overwogen dat deze planregel volgt uit het bestemmingsplan Asten Centrumgebied en dat in tegenstelling tot wat appellant betoogt er niet een onbeperkt aantal woningen wordt toegestaan maar dat dit aantal is beperkt door de provinciale prognoses en het gemeentelijk woningbouwprogramma. Appellant is van mening dat een gemeenteraad bij iedere planvaststelling dient te overwegen of een plan overeenkomstig een goede ruimtelijke ordening is. De gemeenteraad had dan ook in dit geval moeten beoordelen of het opnemen van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voor woningbouw voor een onbekend aantal woningen op deze locatie en voor dit plangebied ruimtelijk aanvaardbaar is. Uit de reactie op de zienswijzen wordt overwogen dat de kwantitatieve woningbehoefte (inmiddels) is gesteld op 690 woningen waarvan er 304 zijn geprogrammeerd. Daarnaast volgt uit de reactie op de zienswijzen dat als beperking van de binnenplanse bevoegdheid geldt dat moet worden voldaan aan het woningbouwprogramma. In wezen komt dat , met de huidige motivering , neer op 386 woningen. In artikel 3. 4. 1 van de planregels is niet voorzien in een aantal woningen waarvoor de afwijkingsbevoegdheid geldt.

Met voornoemde planregel staat verweerder dus in wezen een onbeperkt aantal woningen (althans 690 (woning taakstelling volgens gemeente - 304 (de reeds geprogrammeerde)= 386 woningen toe. Appellant is van mening dat hier sprake is van onzorgvuldige besluitvorming welke tot rechtsonzekerheid leidt.

17

•www.

sumrin. nl.

In dit verband wijst appellant op de vaste jurisprudentie van de Afdeling2 waarin is bepaald dat een ontheffing/vrijstelling voldoende objectief begrensd dient te zijn. Het niet opnemen van het aantal toegestane woningen maakt dat de planregel geen begrenzing kent in dit geval. 2. 3. 6. = Beeldbepaiend pand Markt 19. Het valt appellant op dat met onderhavig plan geen enkele rekening is gehouden met het beeldbepalend pand op Markt 19. Dit pand grenst direct tegen het te ontwikkelingen perceel Prins Bernhardstraat 1. Het perceel aan de Markt 19 heeft ingevolge het vigerend bestemmingsplan •Asten Centrum de bestemming Centrum -1 , de dubbelbestemming Waarde-Cultuurhistorie , de bouwaanduiding karakteristiek. Op basis van het bestemmingsplan Asten Centrum kon ingevolge artikel 4. 4. 2 van de planregels het bevoegd gezag bij een omgevingsvergunning afwijken voor het realiseren van een groter aantal bouwlagen en een grotere goot- en bouwhoogte , onder de voorwaarden dat: a. geen sprake is van monumentale of beeldbepalende bebouwing; b. het verschil in aantal bouwlagen met een belendend perceel , in geval op dat belendend perceel monumentale of beeldbepalende bebouwing aanwezig is , niet meer dan 1 mag bedragen; c. de noodzaak vanuit een goede of doelmatige functionele , stedenbouwkundige , bouwkundige of architectonische inpassing wordt aangetoond; d.

de aanwezige cultuurhistorische waarden iri de omgeving , waaronder het straatbeeld , en het stedenbouwkundig beeld daardoor niet onevenredig worden aangetast; geen onevenredige nadelige gevolgen voor het woonmilieu ontstaan of kunnen e. ontstaan; f. belangen van derden niet onevenredig worden geschaad; g. het aantal bouwlagen ten hoogste 3 mag bedragen en de goot- en bouwhoogte maximaal 10 respectievelijk 15 m mogen bedragen. Indien naast een perceel een beeldbepalend pand aanwezig was , mocht er maar 1 bouwlaag verschil tussen de panden zitten. Met onderhavig bestemmingsplannen wordt van dit beleid afgeweken en wordt op geen enkele wijze verwezen naar het beeldbepalend panci gelegen aan Markt 19 , In paragraaf 5. 11. 2. van de toelichting behorend bij het bestemmingsplan staat het volgende over de Waarde-Cultuurhistorie.

-=

Asten Centrum

Het beleid Ten behoeve van het behoud van cu/tuurhistorisch waardevolle e/ementen structuren wordt het volgende gesteld:

en

1. Gestreefd wordt naar behoud , herstel en versterking van de cultuurhistorische waarden door het tegengaan van versnippering van historische patronen , het zo mogelijk verwijderen van incidente/e objecten zonder enig verband met de oorspronkelijke situatie en het voorkomen van het toevoegen van nieuwe elementen , anders dan bedoeld ter reconstructie van de oorspronkelijke situatie.

AbRvS 31 me

2001 , EcLI:NL:RVS:2001:AB2265. 18

•www. sumrin. nl.

2. Op de binnen de bestemming ge/egen beschermde rijksmonumenten , aangewezen ingevo/ge artikel 3 van de Monumentenwet 1988 , is tevens het dienaangaande bepaa/de uit de Monumentenwet van toepassing. 3. Voorop staat de ¡nstandhouding van de afzonder/ijke monumenta/e en bee/dbepa/ende gebouwen en bouwwerken voor wat betreft kapvorm , hoogtematen en geve/- en raaminde/ing , zoa/s deze zijn vastgelegd in de aanwijzing tot rijks- of , gemeenteljk monument en beeldbepalend pand. De bepa/ingen ¡n de Welstandsnota gelden bij aanpassingen en verbouwingen a/s uitgangspunt. Daarnaast d/ent bij wijzigingen van monumenten advies ¡ngewonnen te worden bij Monumentenzorg en/of een deskundige. 4. Naast de instandhouding van de afzonder/ijke monumenta/e gebouwen en bouwwerken wordt gestreefd naar bescherming van de samenhangende cultuurhistorische waarden en het stedenbouwkundige beeld van de straatwanden. Ook uit dit beleid volgt dat niet alleen naar het beeldbepalend pand zelf moet worden gekeken maar ook hoe omliggende panden en ontwikkelingen de cultuurhistorisch en beeldbepalendheid van een pand kan aantasten (Markt 19). Bovenstaand beleid is overigens ook verwoord in de Omgevingsvisie van Asten.

Hierin staat immers dat één van de speerpunten is het behouden en beter zichtbaar maken van cultuurhistorisch waardevolle panden en structuren , zoals oude bebouwingslinten en -clusters en de daaraan gelegen langgevelboerderijen. Appellant is van mening dat onderhavige ontwikkeling in strijd is met het gemeentelijk beleid over beeldbepalende en cultuurhistorisch waardevolle panden. De ontwikkeling tast het straatbeeld volledig aan. Deze aantasting heeft ook invloed op het pand van appellant welke in dezelfde straat is gelegen. 3.

Milieu hygiënische aspecten.

3. 1. = Geluid. Uit de plantoelichting volgt dat er geen enkel onderzoek is gedaan naar de gevolgen van de komst van detailhandel op het woon-en leefklimaat van appellant. Zoals aangegeven is appellant woonachtig aan de Prins Bernhardstraat 9 te Asten. Hij woont daarmee recht tegenover de te ontwikkelen detailhandelslocatie en woningen. Appellant is mening dat reeds vanwege het ontbreken sprake is van een onzorgvuldig voorbereid plan.

van

enig akoestisch onderzoek

er

Door verweerder is overwogen dat er geen onderzoek is verricht naar de gevolgen van nieuwe detailhandelsmeters nu er volgens verweerder sprake is van een afname (in de beoogde situatie) van het aantal vierkante meters ten opzichte van het bestaande planologisch toegestane aantal m2. Zoals reeds hiervoor aangegeven meet verweerder met bovenstaande redenering met twee maten en klopt het standpunt van verweerder niet.

19

•www.

sumrin. nl.

Appellant is dan ook van mening dat ten onrechte geen onderzoek heeft plaatsgevonden. Als motivering dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening wordt aangegeven dat de planregels zijn opgesteld aan de hand van de VNG-brochure Bedri)ven en milieuzonering 2009. Appellant is van mening dat voor bedrijven uit categorie A en B wordt voldaan aan het uitgangspunt van de handreiking ten opzichte van de woning van appellant , deze is per slot van rekening bouwkundig gescheiden. Appellant blijft echter van mening dat daarmee nog niet kan worden gesteld dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Op een zeer korte afstand s er een geluidgevoelig object aanwezig (ca. 8 meter). Aangezien de VNG-brochure een handvat is , is niet uit te sluiten dat met de komst van meerdere winkels en daarbij gevoegde ondergeschikte horeca er een aantasting zal plaatsvinden van zijn woongenot. De in VNG-brochure opgenomen richtafstanden zijn indicatief en de raad dient deze gemotiveerd toe te passen. Appellant is ook van mening dat het niet had kunnen volstaan naar verwijzing naar de VNGbrochure voor het accepteren van ruimtelijke aanvaardbaarheid. Zoals aangegeven wordt niet slechts één winkel toegevoegd maar meerdere winkels met ondersteunende horeca. Hierbij kan en mag derhalve worden gevreesd voor cumulatie van geluid. Ten onrechte is verweerder in onderhavig plan hieraan voorbij gegaan. 3.

2. =Parkeergarage. In de plantoelichting s aangegeven dat er een parkeergarage zal worden gerealiseerd. Het realiseren van een parkeergarage geeft appellant de nodige zorgen. Ten behoeve van het realiseren van een parkeergarage zullen ingrijpende bouwactiviteiten moeten plaatsvinden. Wellicht dat middels heien en grondwateronttrekking de betreffende garage kan/zal worden gerealiseerd. Uit de omgevingsdialoog volgt dat de initiatiefnemer geen onderzoek heeft gedaan hoe en op welke wijze er werkzaamheden gaan plaatsvinden. In het verslag van de omgevingsdialoog is hierover het volgende opgenomen: Gaan ju///e heien? We weten nog n/et of dat nodfg is. Is er in verband met het bouwen nacht aanstaat Dit weten we nog niet , omdat we grondwaterstand. De buurt geeft -=

van

de ke/der sprake

van

bronbemaling die dag

en

inzicht hebben ¡n de precieze dat bij andere plannen we/ gepompt is. . .

nog geen aan

Appellant ziet in de planregels geen enkele bepaling opgenomen waaruit volgt dat het college enige controle kan uitoefenen op deze werkzaamheden. Daarnaast heeft verweerder geen enkel inzicht in de gevolgen van de parkeergarage op het (grond)water. Appellant vreest aanzienlijke schade als de werkzaamheden niet dan wel onzorgvuldig worden uitgevoerd. In reactie op de zienswijzen wordt aangegeven dat in geval van schade appellant dit in de privaatrechtelijke sfeer dient op te lossen. Dit aspect is volgens verweerder geen ruimtelijk relevant onderdeel.

AbRvS 15 aprii 2020 , ECLI:NL:RVS:2020:1064. 20

www.

sumrin. nt.

Appellant wijst in dit verband op artikel 3. 1. 6 onder b. Besluit ruimtelijke ordening (Bro). In dit artikel is bepaald dat een bestemmíngsplan een toelichting bevat waarin een beschrijving is neergelegd van de wijze waarop in het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. In dit geval is een duidelijke vraag gesteld in verband met de komst van een parkeerkelder en de gevolgen hiervan voor de grondwaterstand. Niet valt in te zieri waarom dit geen ruimtelijk relevant onderdeel is. In het kader van het realiseren van een parkeergarage wijst appellant op hetgeen in artikel 7. 2 van de planregels is opgenomen. Uit deze bepalingen volgt onder meer dat voor een bouwdiepte tot 4m. er geen onderzoeken hoeven plaats te vinden naar de waterhuishouding. Dit is anders als een afwijking (op grond van artikel 7. 2. 3 planregels) moet worden verleend voor een bouwdiepte tot lOm. Appellant verbaast zich er over dat voor ondergronds bouwen dieper dan 4m. er kennelijk wel ruimtelijke relevantie is voor waterhuishouding en bouwen onder eeri diepte van 4m. niet. 3. 2. 1. = Parkeergarage. Reeds in de zienswijzen is aangevoerd dat er in de planregels geen enkele borging is opgenomen dat ook daadwerkelijk de parkeergarage zal worden gerealiseerd. Door verweerder is hierop aangegeven dat het juist is dat hiervoor geen voorwaarde is opgenomen.

Letterlíjk reageert verweerder in de nota van zienswijze als volgt: Dat klopt. Er hoeft ook geen parkeergarage te worden gerealiseerd als op andere wjze , voldaan wordt aan de geldende parkeernota. Het ontwerp van het bouwplan beoogt op dit moment echter om via het realiseren van een parkeergarage ¡nvulling te geven aan de geldende parkeernota. Via de regels van het bestemmingsp/an ¡s geborgd dat alleen een vergunning kan worden verleend als vo!daan wordt aan de - op het moment van aanvraag ge/dende - parkeernota en is geregeld dat een parkeergarage kan worden gerea/iseerd. Appellant is van mening dat verweerder met deze motivering in strijd handelt met de wet- en regelgeving. Bij een bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat kan worden voldaan aan de parkeernorm en op welke wijze dit is beoogd te doen. Uit de plantoelichting volgt duidelijk dat om te kunnen voldoen aan de parkeereisen , er een parkeergarage zal moeten worden gerealiseerd. Als er , zoals door verweerder thans gesteld , geen vereiste is om een parkeergarage te realiseren dan is met de plantoelichting op geen enkele wijze gemotiveerd dat kan worden voldaan aan de vereisten uit de Nota parkeernormen 2016. Het plan is in dat geval onzorgvuldig gemotiveerd , onzorgvuldig voorbereid en bovendien is niet aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. Het plan is dan ook n strijd met artikel 3. 1.

6 Bro en niet overeenkomstig een goede ruimtelijke ordening. In dit kader wijst appellant nog op de beantwoording van de zienswijzen op het punt van type appartement (p. 12/ p. 13 van de nota van zienswijzen). Verweerder verwijst hierin naar de plantoelichting waarin is opgenomen op welke wijze het parkeren ten behoeve van het bouwplan waarvoor het bestemmingsplan is opgesteld plaatsvindt. Verweerder geeft letterlijk aan dat hiermee de uitvoerbaarheid van het plan is aangetoond. Juist het feit dat verweerder thans stelt dat een parkeergarage niet hoeft te worden vastgelegd omdat parkeren ook anders

21

•www. sumrin. nl.

kan worden opgelost , maakt dat de plantoelichting niet overeenkomt met hetgeen door verweerder is bestemd en wordt beoogd. Niet is aangetoond dat het plan uitvoerbaar is. 3. 2. 2. = Ingang. Uit de stukken volgt dat de ngang van de parkeergarage zal worden gerealiseerd aan de zijde van het Burgemeester Ruttenplein. In paragraaf 2. 4 van de piantoelichting s uitgebreid gemotiveerd hoe wordt omgegaan met de gevolgen van het plan op de verkeersstructuur. Onderdeei van dit plan is dat er (om te kunnen voorzien in de parkeerbehoefte) een parkeergarage zal worden gerealiseerd. Daar het realiseren van een in-en uitrit voor verkeer gevolgen kan hebben voor het woon- en leefklimaat van appellant (geluid van autos maar ook het inschijnen van koplampen die in-en uitrijden) , is het zeer relevant om te weten waar de ontsluiting van een dergelijke parkeergarage is beoogd. Eveneens vraagt appellant zich af hoe het zit met de verkeersveiligheid , daar er gereden zal worden over een voetgangers- en fietspad. Dit is immers het feitelijk gebruik van het reeds aanwezige pad. Reeds in de zienswijzen is aangevoerd dat in het bestemmingsplan geen borging van ontsluiting van de parkeergarage is opgenomen op de plek waar deze nu is beoogd. Door verweerder is hierop aangegeven dat het juist is dat hiervoor geen voorwaarde is opgenomen.

Letter!ijk reageert verweerder in de nota van zienswijze als volgt: Dat klopt. Het gaat hier om een bestemmingsp/an en geen omgevingsvergunning. Met bestemmingsplan worden kaders gesteld om bouwplannen te kunnen vergunnen. Omdat parkeren op verschi//ende manieren kan worden uitgevoerd , vinden wij het niet relevant om in het bestemmingsp/an de ingang van de parkeergarage van het beoogde bouwp/an vast te leggen. een

-=

Indien een gemeenteraad ervoor kiest om niet vast te leggen waar een ¡ngang van een mogelijke parkeergarage is beoogd , dient ervan te worden uitgegaan dat een mogelijke parkeergarage kan ontsluiten op iedere (door de initiatiefnemer) gewenste locatie. Hiermee staat verweerder dus toe dat een parkeergarage bijvoorbeeld in de winkelstraat ontsluit. Appellant gaat ervan uit dat verweerder niet de intentie heeft om zulks toe te staan en wil voorkomen dat ontsluiting elders dan beoogd gaat plaatsvinden. Met het opnemen van een aanduiding voor de ontsluiting verplicht verweerder een initiatiefnemer niet automatisch dat er een parkeergarage komt , maar wel dat als er een ontsluiting komt de ontsluiting ervan slechts op één plek mag. Voor appellant is een dergelijke aanduiding ook gewenst. In het geval de ontsluiting namelijk tegenover zijn woning wordt gerealiseerd heeft dit aanzienlijke gevolgen voor zijn woongenot. Door geen aanduiding op te nemen en uitgaande van een planmaximalisatie , dient voor de ruimtelijke onderbouwing van het plan ervan te worden uitgegaan dat een parkeergarage op iedere mogelijke plek kan worden ontsloten. In dat geval dient , uitgaande van een planmaximalisatie berekend te worden voor vele verschillende scenarios wat de ruimtelijke gevolgen daarvan zijn op verkeersveiligheìd maar ook op het goed woon- en Ieefklimaat van omwonenden.

Dit is ten onrechte niet gebeurd , waardoor ook op dit onderdeel het plan in strijd is met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening. 22

tiwww. sumrin. nl.

3. 3. =Evident privaatrechtelijke belemmering. Er is sprake van een evidente privaatrechtelijke belemmering doordat de gemeente Asten de gemaakte afspraken tussen partijen bij vaststeilingsovereenkomst van 27 augustus 2002 (Bijlage 2) naast zich neer legt. Partij bij deze vaststellingsovereenkomst was onder andere de gemeente Asten (burgemeester en wethouders van Asten en de Gemeenteraad van Asten). Tussen partijen zijn diverse afspraken gemaakt. Daar de afspraken in de vaststellingsovereenkomst nog steeds geldend zijn , dient verweerder de gemaakte afspraken in acht te nemen. In reactie op de zienswijzen is aangevoerd dat over deze privaatrechtelijke belemmering nog een procedure loopt. Inmiddels is op 10 januari 2024 (Bijlage 3) vonnis gewezen. Uit dit vonnis blijkt dat niet in geschil is dat sprake is van een tussen partijen geldende vaststellingsovereenkomst. Appellant is van mening dat met de uitkomst van deze procedure rekentng dient te worden gehouden en dat de gemeenteraad het plan derhalve niet op deze wijze had kunnen vaststellen. Appellant zal nog middels een nader schrijven toelichten welke afspraken met onderhavig plan niet worden nagekomen. In ieder geval meent cliënt dat sprake is van een evident privaatrechtelijke belemmering. 3. 4. =Parkeren/ verkeersaantrekkende werking.

In de plantoelichting is een berekentng gemaakt van de parkeerbehoefte en de verkeersaantrekkende werking. Namens appellant is reeds in de zienswijzen aangevoerd dat niet wordt voldaan aan de uitgangspunten van de Nota parkeernormen 2016. Naar aanleiding van de zienswijzen is de plantoelichting aangepast. In de plantoelichting is eerst de parkeerbehoefte van het initiatief berekend. Type appartement en parkeernorm Appellant blijft van mening dat ook hiervoor geldt dat op geen enkele wijze is vastgelegd welk type appartement zal worden gerealiseerd. Om deze reden dient dan ook bij de berekening van de parkeerbehoefte te worden uitgegaan van een worst-case benadering en moet worden uitgegaan van de hoogste parkeernorm. Appellant blijft van mening dat niet langer meer kan worden voistaan met een beredenering welke voor een initiatiefnemer het meest gunstig is en waarover de gemeenteraad geen enkele garantie kan geven. Het is dan ook pertinent onjuist om , zonder daadwerkelijke vastlegging van de woningtypologie , een willekeurig aantal als gekozen parkeerplaatsen toe te staan. In dit geval is de berekening van de parkeernorm des te meer van belang nu , om te kunnen voldoen aan de parkeernorm , een parkeergarage onder de winkels en woningen moet worden gerealiseerd.

Kunnen alle vereiste parkeerplekken niet worden gerealiseerd , dan betekent dit dat het plan niet uitvoerbaar is en dat een bestemmingsplanwijziging niet mogelijk is. Appellant is van mening dat nu het hier gaat om een centrumlocatie er niet te lichtvaardig moet worden omgegaan met de parkeerplaatsen die vereist zijn voor het initiatief. Wordt namelijk een ander plan gerealiseerd , dan zal dit direct gevolgen hebben voor de drukke omgevi ng.

23

.

www.

sumrin. nl.

Afw/jken Nota Parkeernormen ten behoeve van salderen Niet in geschil is (zoals volgt uit de plantoelichting bij het vastgestelde bestemmingsplan) dat het plangebied geen ruimte biedt voor de berekende 57 parkeerplaatsen. In de plantoelichting is het volgende opgenomen: , voor 57 parkeerplaatsen. Het co//ege van B&W wi/ In het p/angebied is geen rumte het planvoornemen echter graag moge/ijk maken , Volgens paragraaf 3. 4 van de Nota Parkeernormen 2016 kan het college van B&W voor ontwikkef/ngen die bijzonder waardevol zijn voor Asten , en d/e niet passen b/nnen de parkeernormen en/of het maatwerk , bes/uiten gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid als bedoeld in artike/ 4:84 A/gemene wet Bestemmingsp/an Asten Prins Bernhardstraat 1 2022 , 31 oktober 2023 15 bestuursrecht (Awb)

Op grond van deze afwijkingsbevoegdheid heeft het college van B&W besloten om van de Nota Parkeernormen 2016 af te wijken en in onderhavige situatie - waarbij het gaat om sloop/nieuwbouw en geen interne functieverandering - het prfncipe salderen toe te passen. Dit houdt in dat de vigerende situatie (zie de tabe/ hieronder) tegen de nieuwe situatie (zie de tabel hierboven) wordt weggestreept. In deze bepaling is het voigende

opgenomen:

3. 4 Afwijkingsbepaling Het college kan voor ontwikkel/ngen die bijzonder waardevol zijn voor Asten , dïe niet passen binnen de parkeernormen en/of het maatwerk , besluiten gebruik te maken van de afwijkingsbevoegdheid a/s bedoe/d in artikel 4:84 A/gemene wet bestuursrecht (Awb). In dit artikel is geregeld dat gehandeld wordt conform een vastgestelde beleidsrege/ tenzij , wegens b/jzondere belangen , de gevolgen van toepassing onevenredig zouden zijn met de door de beleidsregel te dienen doelen. In dat geval is er dus de moge/ijkheid om van de beleidsregel af te wijken /n b/jzondere en onvoorziene omstandigheden die bij het opstel/en van het be/eid niet konden worden voorzien. Deze afwijkingsbepaling is van toepassing op de gehe/e nota en wordt slechts gebruikt indien het vo/doen aan de bepalingen door b/jzondere omstandigheden op overwegende bezwaren stuit. Om te motiveren dat met het bestemmingsplan geen onevenredige parkeerdruk ontstaat en dat overeenkomstig de Nota Parkeernormen 2016 wordt gehandeld , geeft de gemeenteraad aarì dat het college van B&W (op grond van artikel 4:84 Awb) bereid is om af te wijken van de in het beleid opgenomen regels over salderen. Niet wordt afgeweken van andere in de Parkeernota opgenomen uitgangspunten.

Met andere woorden , de gemeenteraad acht het bestemmingsplan uitvoerbaar omdat het college (zonder verder bekende toezegging) zich bereid heeft verklaard om af te wijken van het parkeerbeleid (op het punt van saldering). Uit de plantoelichting van het bestemmingsplan blijkt ook dat na saldering er nog steeds onvoldoende parkeergelegenheid zal worden gerealiseerd. In de parkeernota staat heel duidelijk dat de minimale grens de ondergrens is dat er niet minder parkeerplekken mogen worden gerealiseerd. Nu uit de parkeernota blijkt dat er zelfs na saldering nog steeds 4pp. te 24

www. sumrin. ni.

weinig worden gerealiseerd voidoet het plan niet aan de parkeernota. Nu de berekende 42 parkeerplekken niet op eigen terrein kunnen worden gerealiseerd is het plan niet uitvoerbaar en in strijd met het eigen parkeerbeleid. Ten onrechte is verweerder tot de conclusie gekomen dat het plan overeenkomstig een goede ruimtelijke ordening is. 3. 4. 1. = Beschikbaarheid commerciële doeleinden Uit de thans bekende stukken volgt nog steeds op geen enkele wijze dat de in de parkeergarage te realiseren parkeerplekken openbaar toegankelijk zullen zijn en of blijven. Sterker nog , met een aantal van 21 te realiseren appartementen s het veel eerder aannemelijk dat de 35 (met een parkeernorm van 16, per dure woning) te realiseren parkeerplekken bestemd zijn voor de huidige bewoners van het appartementencomplex en dus nimmer openbaar toegankelijk zullen worden. Appellant is van mening dat , met een parkeerbehoefte van 26pp. voor de commerciële ruimte , aangetoond dient te worden dat op eigen terrein in de parkeerbehoefte van de commerciële ruimte kan/zal worden voorzien. Dan wel dient de openbaarheid van de parkeerplekken planologisch te worden geborgd. Uit de huidige berekening volgt slechts dat er in de parkeergarage 35pp. en op eigen terrein 3pp. worden gerealiseerd.

Deze parkeerplekken zullen in de ogen van appellant gebruikt worden voor de eigenaren van de appartementen met als gevolg dat de berekende 26 parkeerplekken voor de commerciële ruimte wordt afgewenteld op de huidige schaarse parkeerplekken ¡n de omgeving. 3. 4. 2. = Planregel parkeren. In artikel 7. 4 van de planregels is opgenomen dat bij nieuw- of verbouw of wijziging van het gebruik de inrichting van de gronden zodanig dient plaats te vinden , dat wordt voldaan aan de op moment van aanvraag geldende gemeentelijke parkeernormen. Ten aanzien van deze planregel wenst appellant het volgende op te merken. Ten eerste valt op dat voor dit specifieke plan er een parkeergarage zal worden gerealiseerd ten einde te kunnen voldoen aan de parkeernorm. Het is niet voor te stellen dat in geval er sprake is van een gebruikswijziging of een binnenplanse afwijktng voor meer woningen , er meer parkeerplekken op eigen terrein kunnen en zullen worden gerealiseerd. Deze planregel is dan in wezen ook een dode letter aangezien er nimmer meer parkeerplekken zullen worden gerealiseerd en er bovendien niet elders op eigen terrein in parkeerplekken kan worden voorzien.

-=

Ten tweede valt op dat er wordt verwezen naar de ten tijde van de aanvraag geldende parkeernorm. Gelet op de algemene leer over de toepasselijke wet- en regelgeving bij de beoordeling van een vergunningsaanvraag , dient niet als uitgangspunt de aanvraag maar de vergunningverlening te gelden. Om deze reden is de planregel dan ook in strijd met de geldende jurisprudentie over toepasselijkheid van wet- en regelgeving. Ten derde valt op dat in deze planregel wordt verwezen naar geldende gemeentelijke parkeernomen. Appellant is van mening dat de verwijzing op deze wijze te rechtsonzeker is aangezien er geen enkel houvast is voor de omwonenden waarmee men rekening moet houden. Het realiseren van parkeergelegenheid op eigen terrein kan gelet op de huidige parkeernota zelfs worden afgekocht als gevolg waarvan er geen parkeerplekken zullen worden gerealiseerd. Het gevolg van deze onzekere verwijzing naar de parkeernormen heeft tot 25

www.

sumrin. nl e

gevolg dat er mogelijk parkeerproblematiek ontstaat als gevolg van deze nieuwe ontwikkeling. Deze parkeerproblematiek tast het woon- en leefklimaat van de omwonenden waaronder appellant aan. 3. 5. = Omgevingsdialoog. Uit de stukken zoals gevoegd bij de toelichting van het bestemmingsplan volgt dat er wel een omgevingsdialoog is gevoerd. Bestudering van Bijlage 6 van de plantoelichting leert dat de omgevingsdialoog heeft plaatsgevonden maar dat de initiatiefnemer geen reden zag om iets met de input van de omgeving te doen. Appellant is van mening dat de omgevingsdialoog op deze wijze niet zorgvuldig is geweest en er wel degelijk aspecten aanwezig zijn waar door de initiatiefnemer iets mee kan worden gedaan. Daarbij komt dat de wijze waarop de presentatie heeft plaatsgevonden niet als dialoog bestempeld kunnen worden. Appellant kreeg de plannen gepresenteerd en dat was het dan. Door niet in te gaan op hetgeen is aangevoerd over onder meer heien , zorgt de initiatiefnemer ervoor dat er voor de omwonenden veel onzekerheid bestaat en ook dat er kans is op schade aan de omliggende panderi. Door in de dialoog-fase hier uitdrukkelijk niets mee te doen , heeft de initiatiefnemer geen blijk ervan gegeven dat er sprake is van een dialoog. Hiermee is dus niet aan de vereiste van het voeren van een omgevingsdialoog voldaan.

In reactie op de zienswijze geeft verweerder aan dat volgens hen één-op-één gesprekken hebben plaatsgevonden. Appellant bestrijdt dat met hem een één-op-één dialoog heeft plaatsgevonden. Bovendien wijst appellant erop dat bijlage 6 bij de plantoelichting ook laat zien dat er slechts één algemene digitale vergadering heeft plaatsgevonden. Bovendien blijft appellant van mening dat uit deze stukken op geen enkele wijze blijkt dat de initiatiefnemer iets met de op- en aanmerkingen heeft gedaan , er kan derhalve niet van een dialoog worden gesproken. 3. 6. =Water. Blijkens de plantoelichting en gelet op de planregels is er sprake van een toename van verharding. Uit de plantoelichting volgt dat de gemeente Asten (p. 43) als eis stelt dat voor iedere nieuwe m2 verharding gecompenseerd moet worden. In de plantoelichting is overwogen dat in de onderhavige situatie het hemelwater vastgehouden via een combinatie van retentiedaken en infiltratiekratten.

wordt

In artikel 7. 5. 2 van de planregels is bepaald dat als er maatregelen moeten worden getroffen om de ontwikkeling hydrologisch neutraal te kunnen laten plaatsvinden , dan is de initiatiefnemer verplicht deze maatregelen te realiseren en in stand te houden. Appellant gaat ervan uit dat met deze voornoemde planregel wordt getracht om de te nemen maatregelen ten behoeve van het aanbrengen van retentievoorzieningen vast te leggen. Appellant is van mening dat met deze bepaling onvoldoende uitwerking wordt gegeven aan hetgeen over retentie ¡s opgenomen in de plantoelichting. Zo wordt in deze planregel gesuggereerd dat er geen retentie nodig is door op te nemen als. Uit de plantoelichting volgt voldoende dat er retentievoorzieningen moeten worden opgenomen. Daarnaast laat de planregel op zichzelf nog ruimte voor interpretatie. Niet is in de planregels opgenomen wat onder hydrologisch neutraal moet worden verstaan. Gelet op hetgeen in de plantoelichting is 26

www. sumrin. nl.

opgenonlen , is er discussie mogelijk over de hoeveelheid aan compensatie waterschap zou uitgaan van het treffen vari een voorziening vanaf 500 m2 het college elke m2 verharding gecompenseerd wenst te zien.

nodig is. Het verharding , terwìjl

er

Daarnaast is de wijze waarop de retentie zou moeten plaatsvinden (voorgesteld in Bijlage 7) op geen enkele wijze vastgelegd. Op deze wijze van planologie wordt aan omwonenden een mooi plaatje getoond terwijl dat in werkelijkheid niet hoeft te worden gerealiseerd. ook is de vraag hoe een dakinfiltratie ertoe leidt dat het water ook op de juiste wijze in de grond komt. 3. 7. = Bezonning / daglichttoetreding. In de zienswijzen is er door appellant op gewezen dat er geen onderzoek heeft plaatsgevonden naar de zonlicht- en daglichttoetreding op zijn perceel. Naar aanleiding van deze zienswijzen is een onderzoek verricht en dit onderzoek is toegevoegd aan de plantoelichting. Appellant wenst over dit onderzoek op te merken dat bij het onderzoek enkel data in het voorjaar (maart)/zomer(juni) zijn onderzocht. Daarnaast merkt hij op dat er in het onderzoek (bij de bestaande situatie) ervan is uitgegaan dat het perceel volledig kon worden bebouwd. Zoals hiervoor reeds aangegeven was dit op basis van de planregels niet mogelijk. De bezonningsstudie is op dit punt dan ook onzorgvuldig en had niet ter motivering aan het plan ten grondslag kunnen worden gelegd. Appellant is van mening dat zijn woongenot onevenredig wordt aangetast door de komst van deze hogere bebouwing. Deze bebouwing zal zorgen voor minder daglichttoetreding in de woning en ook minder zonlicht op het perceel.

Gelet op de vaste jurisprudentie van de Afdeling4 dient bij een wijziging van een bestemmingsplan een bezonningsstudie te worden gedaan. Nu in dit geval de gevolgen voor de bezonningssituatie van deze omliggende woningen onvoldoende in beeld z;jn gebracht , is onvoldoende gemotiveerd dat het plan niet leidt tot een onaanvaardbare afname van bezonning. Dit geldt ook voor de daglichttoetreding in de woning van appellant. 4.

Planregels.

Ten aanzien van de planregels wenst appellant , naast hetgeen hierboven reeds is aangegeven , de volgende opmerkingen te maken: A/gemeen. In de planregels is ondersteunende horeca toegestaan. Nu blijkens de vigerende verkeersbestemming terras is toegestaan dient bij de vaststelling van het bestemmingsplan het geluid afkomstig van een terras (welke nu kan worden benut door de nieuwe in het bestemmingsplan opgenomen horeca) te worden meegewogen in de ruimtelijke aanvaardbaarheid. Verweerder is van mening dat nu terras reeds is toegestaan in het vigerende plan , met het onderhavige plan er geen onderzoek hoeft te worden gedaan naar de gevolgen van geluid. Appellant is van mening dat verweerder hiermee miskent dat onder bestemmingspian Asten Centrumgebied ondersteunde horeca in het plangebied niet was toegestaan en derhalve er geen vrees was dat ter plaatse een terras zou worden gevestigd. Horeca wordt nu wel toegestaan en is een gevolg van deze planwijziging. Als gevolg hiervan dient derhalve wel , O. a. AbRvS 16 november 2022 , ECLI:NL:RVS:2022:3312 r.o18.

27

•www.

sumrin. nl.

degelijk onderzoek te worden verricht , Daarbij komt dat bij elk nieuw plan altijd beoordeeld dient te worden of een bepaalde functie ruimtelijk aanvaardbaar is. Onder enkele planregels staat opgenomen ter verduidelijking. Appellant vraagt zich af wat de waarde is van deze ter verduidelijking. Appellant is van mening dat als de planwetgever iets voor ogen heeft , hij dit als zodanig in de pianregels moet verwerken. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit letterlíjk is overgenomen uit het voorheen geldende bestemmingsplan. Appellant is van mening dat niet relevant is of het onder het oude plan op gelijke wijze was opgenomen. Bij de vaststelling van ieder bestemmingsplan dient een gemeenteraad te onderzoeken of het een juist plan is. Appellant ¡s dan ook van mening dat in het belang van rechtszekerheid de planwetgever , indien men iets wenst te bestemmen , dit als zodanig moet worden opgenomen (en niet ter verduidelijking). Artikel 3 In de planregels is onder artikel 3. 2. 1 onder a. opgenomen dat meergezinswoningen zijn toegestaan. In de planregels is hiervan geen definitie opgenomen. De definitie van woning (voor één huishouden) impliceert dat er met de bestemming meergezinswoning meer gezinnen in 1 woning mogen worden gehuisvest. Appellant is van mening dat deze ontwikkeling niet wenselijk is.

Bovendien wijst hij erop dat een dergelijke woning ook gevolgen dient te hebben voor de te verrichten onderzoeken naar onder meer parkeerbehoefte. Verweerder verwijst naar de definitie zoals opgenomen in het bestemmingsplan. l . 59 meergezinswoningen/gestape/de woningen: gebouw , dat meerdere naast e/kaar en/of geheel of gedeeltelijk boven elkaar gelegen woningen omvat en dat qua uiterlijke verschijningsvorm a/s een eenheid beschouwd kan worden. een

Uit deze definitie zou volgen dat het gaat om meerdere woningen die één verschijningsvorm hebben. De definitie leidt volgens appellant tot rechtsonzekerheid. In deze definitie zijn meergezinswoningeri en gestapelde woningI een gebouw. Met andere woorden meerdere woningen zijn volgens de planwetgever een enkelvoud. Dit is voor appellant niet duidelijk en rechtsonzeker. In artikel 3. 2. 2 sub b.

van

de planregels is bepaald:

Het bouwv/ak mag per bouwpercee/ voor ten hoogste het aangeduide bebouwingspercentage worden bebouwd , mits daardoor de belasting van de openbare ruimte voor parkeren , /aden en /ossen en/of opslag niet groter wordt dan de belasting daarvan op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsp/an. Het betreft hier een bouw-regel in het bestemmingsplan. Deze regel zal moeten worden getoetst bij een aanvraag omgevingsvergunning. Aangezien de toevoeging van bebouwing (m2) aan detailhandel per definitie een vergroting betekent van de belasting voor parkeren (aangezien de parkeerkelder niet voor bezoekers is) en laden en lossen en/of opslag , is het niet mogelijk om de bebouwing rechtstreeks te vergunnen. Op dit moment is slechts , volgens de toelichting , 425 m2 aan bebouwing aanwezig. De beoogde situatie is 1. 040 m2. Dit is een aanzienlijk uitbreiding en betekent per definitie een belasting voor parkeren , laden/lossen 28

www. sumrin. nl

opslag. Het bevreemdt appeilant dat met de wijziging van het bestemmingsplan meer detailhandelsoppervlak is beoogd terwijl de voornoemde planregel dit niet rechtstreeks toestaat. Ofwel de gemeenteraad bestemd een beoogd gebruik dat niet door de planregels wordt gedragen ofwel de planregel dient anders te worden geïnterpreteerd. In artikel 3. 3 van de planregels is opgenomen dat Burgemeester en Wethouders nadere eisen kunnen stellen conform 7.3 , Het ontgaat appellant waarom onder 3. 3 wordt verwezen naar een algemeen geldende bouwregel. Dit lijkt dubbelop. Binnenplanse afwijkingsbevoegdheid meer woningen In artikel 3. 4 is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen voor een nog onbepaald aantal woningen. Deze binnenplanse afwijkingsbevoegdheid betreft een afwijking ten behoeve van de bouwregels. Zulks laat het derhalve toe dat er bouwlagen worden toegevoegd aan het bouwplan , dat bouwhoogtes en bebouwingspercentages mogen worden vergroot ten behoeve van een onbekend aantal woningen. Appellant is van mening dat een dergelijke bepaling niet voldoet aan de vereisten van rechtszekerheid en om deze reden dan ook niet mogen worden vastgesteld. Appellant is van mening dat deze planregel niet voldoet aan de eisen van een goede ruimtelijke ordening. Het ontbreken van het aantal woningen in de bevoegdheid van artikel 3.

4 leidt ertoe dat het plan niet voldoet aan de vereiste rechtszekerheid. Het afwijken van de bouwregels betekent bovendien dat de bouwhoogte van het plan onbekend is zolang de bouw van woningen maar mogelijk is. Daarnaast volgt uit de voorwaarden een dynamische verwijzing naar de begrippen woningbouwprognose en woningbouwprogramma. Nu deze beide verwijzingen niet nader zljn gekaderd kan dit tot gevolg hebben dat als het programma wijzigt dan wel de prognose wijzigt (en tegen de wijziging van het programma of de prognose kan geen bezwaar worden gemaakt) er een onbekend aantal woningen kan worden toegevoegd aan het plangebied. In artikel 3. 6. 1 van de planregels is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten aanzien van de functiewijziging voor detailhandel en andere bedrijfsactiviteiten op de verdiepingen. Deze afwijkingsbevoegdheid zal niet meer worden getoetst aan de VNGbrochure bedrijven en milieuzonering. Dit betekent , aangezien er geen voorwaarde in het plan is opgenomen over de toegestane bedrijfsfunctie dat er zeker in het plangebied zonder verdere toetsing , B- en C-functies mogelijk worden gemaakt. Hiermee zal sprake zijn van een onevenredige aantasting van het woongenot. Appellant is van mening dat ook deze planregel onvoldoende rechtszekerheid biedt voor omwonenden. In dit verband wijst appellant Hierin is als volgt overwogen:

op

een

uitspraak

van

de Raad

van

State

van

31 januari 2018.

18. 2. =De Afdeling overweegt dat ¡ngevolge artikel 3.6 , eerste /id , aanhef en onder c , van de Wet ruimte/ijke ordening (hierna: Wro) bij een bestemmingsp/an kan worden bepaald dat bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van bij het plan aan te geven regels. Met deze bepaling kan het bevoegd gezag de bevoegdheid worden gegeven op ondergeschikte onderde/en van het p/an af te wijken. Een AbRvS 31 januari 2018 , ECLI:NL:RvS:2018:339. 29

www. sumrin. nl.

afwijkingsregeling kan siechts betrekking hebben op planrege!s. Niet kan worden afgeweken van de in de verbeelding opgenomen bestemmingen. Toepassing van een afwijkingsrege!ing mag evenmin het effect hebben dat feitelijk de bestemming van gronden wordt gewijzigd. Afwijkingsbevoegdheden dienen door voldoende objectieve normen te worden begrensd. Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad van State deze planregels rechtsonzeker zijn en niet getuigen van

s

appellant dan ook van mening dat goede ruimtelijke ordening.

een

Art/kel 7 Onder paragraaf 7. 2 van de planregels zijn weliswaar bepalingen opgenomen over ondergronds bouwen. Zoals hiervoor reeds aangevoerd zijn deze bepalingen niet verstrekkend genoeg.

Artike/ 9 In artikel 9 is bepaald: 9. 1 Centrum

-

1

Indien niet op grond van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden , /s het bevoegd gezag bevoegd om b/j een omgev/ngsvergunning af te wijken van de regels b/nnen de bestemming Centrum - 1 van het plan voor: a.

b.

de aanleg ofaanpassing groenvoorzien/ngen;

van

parkeer-weg, , water- en/of

c.

d. . . Appellant ¡s van mening dat deze bepaling tot rechtsonzekerheid leidt. Appellant leest deze bepaling als dat kan worden afgeweken van het bestemmingsplan voor de aanleg van parkeervoorzieningen , Appellant vreest dat deze bepaling zal worden gebruikt om af te wijken van de parkeereisen uit artikel 7. 4. De planregel leidt dan ook tot rechtsonzekerheid. 5.

-=

Conclusie.

Het moge duidelijk zijn dat appellant vindt dat sprake is van een onduidetijk en daarmee rechtsonzeker plan. Het plan voldoet niet aan het provinciaal beleid en voldoet ook niet aan het gemeentelijk beleid. Ook wordt in onderhavig plan op geen enkele wijze rekening gehouden met de belangen van appellant en de afspraken welke appellant met verweerder in het verleden heeft gemaakt. Appelrant zal nog ¡n een nader schrijven in gaan op de gemaakte afspraken tussen partijen en zal dan ook toelichten welke consequenties deze afspraken hebben voor onderhavig plan. Het plan is op diverse onderdelen in strijd is met het vereiste van een goede ruimtelijke ordening.

30

www.

sumrin. nl

Sumrin Ik

verzoek

verzoek

ik

u u

het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. Tevens daarbij om verweerder te veroordelen in vergoeding van de proceskosten.

Hoogachtend, Sumrin

advocaten

(geanonimiseerd)

31

e

www.sumrin.nl

e

Raad vanState

RASTER SCHUTBLAD R2

Een in te scannen document begint altijd met een Raster voorloopvei gevolgd door het document. Wanneer het type document uit meerdere documenten bestaat (bijvoorbeeld bijlagen) kunnen er één of meerdere schutbladen toegevoegd worden zodat de documenten separaat opgeslagen worden en te benaderen zijn. Een schutblad moet altijd in combinatie met een Raster voorloopblad gebruikt worden. ,

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=a6ab46da-5f4d-463c-bfb5-3a4434494a35