Bijlage 3.15 - Spuitzone
Tekst van het document
Project:
Hogeweg Ommel
Onderwerp: Kenmerk: Auteurs:
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen wil/L2025124/2601 J. Wildschut
Datum:
9-1-2026
Bijlagen:
-
1.
Adromi B.V. Reeweg 146 3343 AP Hendrik-Ido-Ambacht T 078 – 684 55 55 F 078 – 684 55 59 algemeen@adromi.nl www.adromi.nl
Inleiding
Onderhavige notitie is opgesteld in opdracht van de gemeente Asten. Dit in verband met het een voorgenomen woningbouwontwikkeling aan de noordzijde van Ommel voor circa 160 nieuwe woningen. Voor de ontwikkeling zal een procedure voor de wijziging van het Omgevingsplan worden doorlopen. Vanwege de ligging nabij agrarische teeltpercelen is door de gemeente verzocht om een onderzoek naar de mogelijke gezondheidsrisico’s van blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen. 1.1. Onderzoek driftblootstelling In het kader van een onderzoek naar driftblootstelling om een korte afstand tussen teeltgronden en driftgevoelige functies te rechtvaardigen dienen de volgende twee vragen te worden beantwoord: 1) Of toevoeging van de nieuwe driftgevoelige bestemmingen tot (verdergaande) potentiële beperkingen leidt bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op omliggende agrarische gronden; 2) Of sprake is een evenwichtige toekenning van functies aan locaties - artikel 2.1 lid 3 onder k van de Omgevingswet) waarbij rekening gehouden moet worden met het belang van het beschermen van de gezondheid in het licht van mogelijk nadelige effecten van driftblootstelling (artikel 2.1, lid 4 van de Omgevingswet). 1.2. Drift, gezondheid, aandachtsafstanden In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties dient ook het gezondheidsaspect in de beschouwing te worden betrokken.
Uit rechtspraak op grond van de Wet ruimtelijke ordening volgt dat in het kader van de goede ruimtelijke ordening per situatie dient te worden beoordeeld of sprake is van een aanvaardbaar risico op blootstelling aan drift (d.w.z. onbedoelde verspreiding van gewasbeschermingsmiddelen buiten het behandelde perceel via de lucht).
Adromi B.V.
Pagina 1 van 33
In deze rechtspraak wordt een aandachtszone geformuleerd van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische percelen waar gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gebruikt1. Indien een kortere afstand wordt aangehouden tussen een gevoelige functie en gronden waar sprake kan zijn van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, dan dient een planologisch besluit volgens genoemde rechtspraak te voorzien in een deugdelijke motivering middels een zogenaamd ‘locatiespecifiek onderzoek’. Vooralsnog kan deze rechtspraak ook als relevant worden beschouwd onder de thans geldende Omgevingswet. Een reguliere menselijke aanwezigheid in de buitenlucht dient hierbij als het bepalende blootstellingsscenario te worden beschouwd. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in een tuin. Blootstelling in een gebouw is niet bepalend, alleen al omdat inpandig geen sprake zal zijn van blootstelling van de huid (druppels) en/of orale blootstelling (hand-mond bewegingen – primair relevant voor kinderen). Alleen indien geen sprake is van relevante aanwezigheid in de buitenlucht, wordt inpandige blootstelling bepalend. Onderhavige onderzoeksnotitie beoogt te voorzien in genoemd onderzoek ter onderbouwing dat een kortere afstand als ruimtelijk aanvaardbaar kan worden beschouwd.
Hierbij is onder meer gebruik gemaakt van de handreiking ‘Aanpak spuitvrije zone bij nieuwbouwprojecten’2, voor zover relevant voor een kinderdagverblijf. In deze notitie wordt enkel het professionele gebruik van gewasbeschermingsmiddelen beschouwd in bedrijfsmatige context. Dat wil zeggen toepassing van middelen die zijn toegelaten voor de professionele markt met een spuitmachine (integrale behandeling van het gehele gewas c.q. perceel). Particulier gebruik en professionele inzet van gewasbescherming in niet agrarisch cq. openbaar gebied (zoals op laanbomen, parkvegetatie, sportvelden, natuurgebieden en begraafplaatsen) is niet beschouwd. 1.3. Invulling van de maximale planologische mogelijkheden Op basis van rechtspraak dient bij het bepalen van de invloed van bedrijfsmatige activiteiten op het woon- en leefklimaat, waaronder ook de invloed toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, te worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale functiemogelijkheden die het Omgevingsplan biedt3. Enkel in uitzonderlijke omstandigheden behoeft geen rekening te worden gehouden met de bestemde mogelijkheden4. De invulling dient verder maximaal te zijn in relatie tot de bestemde teeltmogelijkheden met bijbehorende toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Idem dient rekening te worden gehouden met een maximale invulling van de beoogde gevoelige functies.
1
ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 RVO, Expertteam woningbouw, juni 2025. 3 ABRvS 2 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:650, ABRVS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1840 ov. 14.1 en ABRvS 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3396 4 ABRvS 26 september 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3131 en ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3524 2
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 2 van 33
Doel van deze aanpak is een worstcase benadering waarbij rekening wordt gehouden met toegelaten exploitatiemogelijkheden, zonder dat dit mag leiden tot een woon- en leefklimaat dat niet aanvaardbaar is, gelet op hiermee mogelijk samenhangende gezondheidseffecten (ook op de lange termijn). 1.4. Locatiespecificiteit In deze context is de vraag in welke zin sprake dient te zijn van een locatiespecifiek onderzoek. Aangezien moet worden uitgegaan van een representatieve invulling van de maximale planologische situatie, zal immers sprake zijn van een abstractie van de feitelijk aanwezige situatie. Niet de actuele teelten en de gewasbeschermingsmiddelen die op dit moment worden gebruikt zijn relevant, maar de teelten, middelen en spuitmethoden die representatief zijn. Op dit vlak geldt uiteraard ook dat de regelgeving omtrent toelating en toepassing van gewasbescherming geldt op EU en/of landelijk niveau dus niet locatiespecifiek kan zijn. Consequentie hiervan is dat zowel toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en toegelaten spuitapparatuur een algemene grootheid vormen. Er moet rekening worden gehouden met het gebruik van alle gewasbeschermingsmiddelen die toegelaten zijn op teelten. Deze middelen mogen enkel worden aangebracht met spuitapparatuur die voldoet aan de voorgeschreven technische eisen op die representatieve teelten.
In die zin kan dus niet worden gesproken van locatiespecifieke apparatuur, spuittechnieken of gewasbeschermingsmiddelen. Ook de beoogde ontwikkeling zelf dient vanuit de abstractie van de maximale planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Locatiespecifieke aspecten kunnen uit de aard der zaak dus enkel betrekking hebben op de volgende omstandigheden: - De planologie; - Grondsoort, wateraspecten en teelten op relevante percelen en in de verdere omgeving; - Vorm, afmetingen en onderlinge situering gewaspercelen en driftgevoelige functie(s); - Lokale windomstandigheden. Uiteraard zullen te treffen voorzorgmaatregelen locatiespecifiek zijn.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 3 van 33
2.
Locatie en omgeving
2.1. Bestaande situatie Der beoogde woningbouwlocatie is zoals aangegeven gelegen ten noorden van de kom van Ommel, aan weerszijden van de Kloosterstraat. Ten zuiden/zuidwesten bevindt zich de kom van Ommel. Ten westen en oosten is sprake van agrarische gronden, in het verlengde van de Hogeweg, een zandweg is gelegen. Ten noorden is de N279 gelegen met een klein bebouwingscluster (Kloosterstraat 35 en 38). In de huidige situatie worden de in de ontwikkeling betrokken gronden agrarisch gebruikt. Verwezen wordt naar afbeelding 2.1.
Afbeelding 2.1: situering plangebied in omgeving (bron: Wissing)
2.2. Beoogde situatie In de beoogde situatie zullen woningen worden gerealiseerd met bijbehorende functies zoals ontsluiting, groen/water en parkeren. De locatie is kadastraal bekend als gemeente Asten, sectie M, nummers 486, 488, 643, 644 en 959 en sectie N, nummer 2451.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 4 van 33
3.
Agrarisch grondgebruik omgeving
3.1. Planologische situatie Krachtens de Omgevingswet en het overgangsrecht van de Omgevingswet geldt een algemeen deel van het Omgevingsplan en daarnaast gelden ook alle onder het oude recht in werking getreden planologische regelingen als onderdeel van het Omgevingsplan. Voor de projectlocatie en de omgeving daarvan gelden de volgende planologische regelingen: - Omgevingsplan gemeente Asten – 30 september 2024 - Asten verzamelplan 2023-1 – 18 juni 2024 - Asten verzamelplan 2019-1 – 6 juli 2021 - Asten verzamelplan 2019-2 – 13 februari 2020 - Asten Parapluplan Wonen 2019 4 februari 2020 - Buitengebied Asten 2016 – 7 augustus 2019 Het bestemmingsplan ‘Buitengebied Asten 2016’ bevat de relevante verbeelding voor de agrarische gronden, in combinatie met de daaropvolgende herzieningen van de planregels. Verwezen wordt naar afbeelding 3.1.1 voor het relevante gedeelte van de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Afbeelding 3.1.1: Uitsnede verbeelding bestemmingsplan ‘Buitengebied Asten 2016’, locatie roze omlijnd, agrarisch bouwperceel oranje omlijnd (bron: DSO)
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 5 van 33
De gronden zelf alsook de gronden ten westen en oosten daarvan zijn voor zover relevant aangeduid voor ‘Agrarisch met waarden’, alsook voor ‘cultuurhistorisch waardevolle akkers en kampontginningen’. Op grond van deze aanduiding is sprake van een algemene agrarische bestemming. Tevens zijn de gronden bestemd voor extensief recreatief medegebruik en bijbehorende voorzieningen (picknicktafels, bankjes e.d.). Uitsluitend de bestaande permanente teeltondersteuning is toegelaten. Op de gronden rondom de ontwikkeling is geen teeltondersteuning aanwezig, zodat dit niet aan de orde is. Nieuwe tijdelijke teeltondersteuning in de vorm van wandelkappen, hagelschermen en schaduwhallen (maximaal 6 maanden per jaar aanwezig) mogen maximaal 2,5 meter hoog zijn. Daarnaast zijn boomteelthekken toegelaten. Op grond van de aanduiding ‘cultuurhistorisch waardevolle akkers en kampontginningen’ geldt een aanlegvergunningplicht voor het ‘beplanten van gronden met houtgewas in het kader van de agrarische wisselteelt’. De bepaling lijkt erop neer te komen dat het permanent beplanten met houtgewas, dus niet in het kader van de wisselteelt, vergunningvrij is. Hoe dan ook dient in de context van de maximale planologie te worden aangenomen dat een dergelijke vergunning verleend zou kunnen worden voor de agrarische gronden rondom het plangebied.
Voor de Kloosterstraat 35 geldt grotendeels een bedrijfsbestemming en voor de Kloosterstraat 38 grotendeels een woonbestemming. In onderhavige context zijn deze bestemmingen niet relevant. 3.2. Grondslag en basisregistratie Aan de Hiept en omgeving is sprake van een zandige grondslag (Hoge zwarte enkeerdgronden; leemarm en zwak lemig fijn zand )5. Dit zijn redelijk vruchtbare, goed doorlaatbare/doorwortelbare gronden. Via de basisregistratie gewaspercelen kan een indruk worden verkregen van het agrarische grondgebruik. Dit betreft in de eerste plaats uiteraard de agrarische gronden gelegen binnen 50 meter tot de beoogde ontwikkeling. Echter in het kader van de vraag wat ter plaatse als invulling van de maximale planologische situatie kan worden beschouwd, is het ook van belang om een indruk te krijgen van het agrarische grondgebruik in de wijdere omgeving. Verwezen wordt naar afbeelding 3.2.1. In de omgeving blijkt overwegend van veehouderijgerelateerde teelten in de vorm van mais, grasland en hiermee samenhangende wisselteelten.
5
https://bodemdata.nl/basiskaarten
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 6 van 33
Afbeelding 3.2.1: uitsnede basisregistratie gewaspercelen 2024, groen ingekleurde percelen betreft gras (bron: PDOK)
Teeltinformatie uit voorgaande jaren6 geeft een vergelijkbaar beeld, met overwegend veehouderijgerelateerd grondgebruik en enige akkerbouw. Verwezen wordt naar afbeelding 3.2.2.
Afbeelding 3.2.2: teelten op perceel ten westen, vanaf 2009 (bron: ArcGisOnline / EZK)
6
https://apps.arcgisonline.nl/gewaspercelen/
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 7 van 33
3.3. Wateraspecten Verwezen wordt naar afbeelding 3.3.5. Blijkens de Legger van het waterschap Aa en Maas is geen sprake van relevante watergangen. De dichtstbij gelegen in de legger opgenomen watergang betreft bevindt zich aan de overzijde van de N279, ten noordoosten. Aanwezige greppels in het gebied en langs wegen zijn niet jaarrond watervoerend. Dit betekent dat er bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen geen rekening moet worden gehouden met een zogenaamde teeltvrije zone, zie hiervoor verder paragraaf 4.2.1. De locatie is blijkens de Omgevingsverordening Noord-Brabant niet gelegen in grondwaterbeschermingsgebied (artikel 7.11 Besluit kwaliteit leefomgeving), zodat op die grondslag beperkingen gelden voor wat betreft de in te zetten gewasbeschermingsmiddelen7.
Afbeelding 2.3.5: uitsnede Legger wateren (bron: Waterschap Aa en Maas)
3.4. Conclusie agrarisch grondgebruik Er is sprake van een agrarische bestemming die tal van teelten toelaat. Hierbij is relevant dat tijdelijke aanplant van met houtgewas aan een vergunningplicht is verbonden, maar dat tevens boomteelthekken zijn toegelaten. Gelet op een en ander behoren opgaande teelten zoals laanbomenteelt of boomgaarden tot de planologische mogelijkheden. 7
Bepaalde gewasbeschermingsmiddelen mogen niet worden gebruikt in grondwaterbeschermingsgebieden.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 8 van 33
Worst case kan wel rekening worden gehouden met fruitboomgaarden, aangezien dat een opgaande teelt is die in principe ook zonder permanente teeltondersteuning vorm kan worden gegeven. Een boomgaard kan daarbij vanuit oogpunt van drift als maximale situatie worden beschouwd om de volgende redenen: 1) Er wordt relatief veel gewasbescherming toegepast; 2) Er wordt relatief veel opwaarts en zijwaarts gespoten (in tegenstelling opgaande teelt in de vorm van boom- en sierteelt waar gewasbescherming overwegend neerwaarts gericht is op onkruidbestrijding); 3) Er wordt ook buiten het volbladseizoen gespoten (tegen schimmels).
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 9 van 33
4.
Regelgeving
4.1. Europees beoordelings- en toelatingskader De toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door de Europese verordeningen 1107/2009/EU, 396/2005/EU, 2017/625/EU en 1185/2009/EU en 528/2012/EU. In deze context is Verordening 528/2012/EU (hierna ook: de Biocidenverordening) het meest relevant welke aanvullend geldt op verordening 1107/2009/EU. Met verordening 2018/605/EU zijn aanvullende beoordelingscriteria ingevoerd. Daarnaast geldt richtlijn 2009/128/EU (sustainable use of pesticides - SUD), welke verder aan de orde komt in paragraaf 4.2. Daarbij wordt naast blootstelling via consumptie ook blootstelling bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen beoordeeld, zowel voor betreft toepassers als voor omwonenden, waarbij mensen met een bijzondere kwetsbaarheid bepalend zijn voor de normering (artikel 19 en punt 24 van bijlage VI van de Verordening 528/2012/EU). Voor wat betreft die laatste groep wordt de bescherming van zwangeren en kleine kinderen concreet benoemd (punt 3 van de considerans van deze laatste verordening). De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden betreft de uitwerking van de Biocidenverordening. Krachtens deze wet is het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) ingesteld.
Het Ctgb beoordeelt volgens internationale afspraken en de in genoemde Verordening verankerde criteria of gewasbeschermingsmiddelen en biociden – bij juist gebruik – veilig zijn voor mens, dier en milieu en of ze werkzaam zijn. Op grond van deze beoordeling besluit het college of een middel in Nederland verkocht en gebruikt mag worden. Daarbij stelt het ook duidelijke voorschriften verplicht, die minimaal op het etiket moeten staan (het zogenaamde wettelijk gebruiksvoorschrift). Het gebruiksvoorschrift schrijft niet alleen de toepassingswijze voor (professioneel en/of particulier gebruik, aantal toepassingen per jaar, toepassingsintervallen, veiligheidstermijn – d.w.z. minimale termijn tussen toepassing en oogst etc.), maar hierin is ook aangegeven voor welke doelstellingen en voor welke teelten een middel mag worden ingezet. Relevant daarbij is dat een beoordeling aan de hand van de Verordening ervan uitgaat dat een gewasbeschermingsmiddel geen gevaar voor de volksgezondheid mag opleveren, zonder dat hiervoor aanvullende maatregelen zouden moeten worden getroffen in de vorm van afscherming o.i.d., aangezien in de toelatingsprocedure een reëel, worst case gebruikspatroon dient te worden aangehouden (zie artikel 19, lid 2a van de Verordening 528/2012/EU).
Bij toelating (en bij periodieke herbeoordeling) wordt een gewasbeschermingsmiddel op alle gezondheidsrisico’s beoordeeld8, ook gezondheidsrisico’s op de lange termijn (artikel 19, lid 1 onder b ten iii van de Verordening 528/2012/EU). In ieder geval wordt getoetst op neurotoxiciteit en immunotoxiciteit (artikel 19, lid 4 onder e van de Verordening) en eventuele hormoonontregelende 8
De verordening 1107/2009 is daarbij bedoeld om de menselijke gezondheid als zodanig te beschermen, niet als een regeling om bij toelating van middelen de beoordeling te beperken tot alleen de in de verordening opgenomen beoordelingscriteria, zie HvJ 24 april 2024, ECLI:EU:C:2024:356 ov. 78 e.v. Het niet (volledig) beschouwen van alle mogelijke gezondheidseffecten is om die reden strijdig met het Unierecht. In algemene zin geldt op dat punt, dat een beoordeling of wordt voldaan aan wettelijke voorschriften geen onderdeel vormt van de toetsing van planologische aspecten.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 10 van 33
eigenschappen (bijlage 2 onderdeel 1, 8.9.4 van de Verordening). Verder wordt getoetst op cumulatieve en synergetische effecten (artikel 19, lid 2 onder d van de Verordening). In een uitspraak van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch9, waarbij ingegaan wordt op de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen op lelieteelt, wordt geconcludeerd dat bovenstaande beoordelingen leemtes bevatten, omdat er geen onderzoek is gedaan naar risico’s op neurodegeneratieve ziektes of de risico’s van combinaties van gewasbeschermingsmiddelen. Kennisleemtes zijn een fundamenteel kenmerk van de wetenschap en als zodanig niet per definitie een tekortkoming. De EFSA en het Ctgb erkennen dat dergelijke omissies onderzocht moeten worden. Het Ctgb heeft inmiddels aangeven om het nieuwste toetsingskader, indien deze strenger is in de beoordeling, te gaan gebruiken10. Ook het RIVM en EFSA hebben deze kennisleemtes opgepakt11, zodat in toekomstige (her)beoordelingen dergelijke risico’s meegenomen worden. In planologische context speelt dit alles geen rol, aangezien ervan moet worden uitgegaan dat de wet, waaronder ook het Unierecht, wordt nageleefd12.
Voorgaande betekent dat in maatschappelijk opzicht geen rekening behoeft te worden gehouden met toegelaten gewasbeschermingsmiddelen welke volgens algemeen aanvaarde toxicologische normen en op basis van beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis als schadelijk voor de volksgezondheid mogen worden beschouwd bij toepassing volgens het gebruiksvoorschrift. Dit is anders in de context van planologische besluitvorming, aangezien de Afdeling bestuursrechtspraak het Europese beoordelingskader als niet toepasbaar heeft aangemerkt omwille van wetenschappelijke onzekerheid. Verwezen wordt naar paragraaf 5.1. 4.2. Aanvullende regelgeving Zoals beschreven vormen de Europese verordeningen het wettelijke kader voor de bescherming van de volksgezondheid. Aangezien die verordeningen stellen dat blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen al vanaf de rand van een teeltperceel geen nadelen mag opleveren voor de volksgezondheid zonder extra maatregelen zoals afscherming, is geen sprake van een afstand welke (aanvullend) aangehouden zou moeten worden tot gevoelige functies op buurpercelen.
Dit is evenmin voorgeschreven in het Omgevingsbesluit of in het van toepassing zijnde Omgevingsplan, nu de Nederlandse wetgever gekozen heeft voor hogere eisen aan driftreductie als maatregel ter implementatie van de artikelen 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU (in plaats van bijvoorbeeld extra afstand).
9
ECLI:NL:GHSHE:2025:2043 https://www.ctgb.nl/actueel/nieuws/2025/03/26/ctgb-gaat-nieuw-toetsingskader-sneller-gebruiken 11 https://www.efsa.europa.eu/en/topics/topic/chemical-mixtures https://www.rivm.nl/en/bestrijdingsmiddelen/spark 12 Bij de beoordeling van een planologisch besluit moet ervan worden uitgegaan dat wettelijke voorschriften worden nageleefd. Zie ARRvS 28 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:967 en ARRvS 5 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:337 10
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 11 van 33
De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is inmiddels vervangen door de Omgevingswet en het daarop gebaseerde Besluit activiteiten leefomgeving. In het onderstaande wordt nader ingegaan op de geldende Nederlandse regelgeving. 4.2.1. Besluit activiteiten leefomgeving In artikel 1.3 van de Omgevingswet is onder meer vastgelegd dat deze wet ten doel heeft om een gezonde fysieke leefomgeving te behouden en te bereiken. In artikel 4.723c van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) is aangegeven dat ten minste een driftreducerende techniek dient te worden toegepast van 75%. Bij neerwaarts spuiten mogen de spuitdoppen zich verder ten hoogste 50 cm boven het te bespuiten oppervlak bevinden. In het artikel is voor verschillende teelten een referentietechniek opgenomen ten opzichte waarvan deze driftreductie dient te worden bepaald. In artikel 4.723d Bal zijn teeltvrije zones opgenomen langs watergangen welke afhankelijk van de teelt en de gebruikte driftreducerende techniek 1 meter tot 5 meter breed dienen te zijn. De artikelen 4.723f en 4.723g bevatten uitzonderingen hierop, bijvoorbeeld in de vorm van toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een afgeschermde dop. In artikel 4.723e Bal is bepaald dat niet mag worden gespoten bij een windsnelheid groter dan 5 m/s, met uitzondering van teeltbedreigende situaties of bij inzet van een overkapte beddenspuit.
Op grond van artikel 4.723g mogen gewasbeschermingsmiddelen op een talud uitsluitend pleksgewijs en driftvrij toegepast worden. De artikelen 4.723c (driftreductie) en 4.723e (spuiten bij lage windsnelheden) zijn mede bedoeld ter bescherming van de menselijke gezondheid. 4.2.2. Overig Als een bedrijf geen relevante bestrijdingsmiddelen zou toepassen (uitsluitend middelen op basis van zogenaamde laag risico stoffen13 cq. een alternatieve bestrijding van plagen), dan vormt het aspect volksgezondheid geen punt van aandacht. Echter in het kader van deze notitie dient het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen als maximale representatieve invulling van de planologische mogelijkheden te worden beschouwd. Relevant hierbij is verder dat zogenaamde biologische gewasbeschermingsmiddelen14 net zo goed toelating van het Ctgb nodig hebben voor professionele toepassing, waarbij voor die middelen eveneens maximaal acceptabele blootstellingsnormen gelden. Bij bedrijfsmatige toepassing van gewasbeschermingsmiddelen dient te worden voldaan aan het Besluit activiteiten leefomgeving. Hierbij geldt verder dat bepaalde gewasbeschermingsmiddelen enkel voor professionele toepassingen zijn toegelaten en niet voor huis-, tuin- en keukengebruik.
In een dergelijke hobbymatige context zal verder hoogstens sprake zijn van individuele handmatige bespuitingen, niet van integrale behandeling van een perceel (rijbehandeling met een spuitmachine). 13
Gewasbeschermingsmiddel dat blijkens toelating voldoet aan de criteria van bijlage II, punt 5 van Verordening EU/1107/2009. 14 Een biologisch gewasbeschermingsmiddel kan chemisch identiek zijn aan een regulier beschermingsmiddel. Enig verschil is dat het middel en de daarin aanwezige werkzame stoffen een biologische oorsprong hebben en niet zijn gesynthetiseerd.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 12 van 33
4.3. Evaluatie en herziening milieuregelgeving Gelet op de rapportages ingevolge artikel 18 van verordening 528/2012/EU van de Europese Commissie van 7 maart 201615 en 20 mei 202016, zijn er geen aanwijzingen dat al dan niet consumptieve blootstelling aan in de EU toegelaten gewasbeschermingsmiddelen17 gepaard gaat met risico’s voor de menselijke gezondheid, waaronder de gezondheid van kwetsbare groepen. De gezondheidsverkenningen van RIVM uit 201818 en 202019 ondersteunen de conclusie van deze evaluatie20, waarbij in de zogenaamde OBO rapportage van RIVM21 ook niet is gebleken van een grotere blootstelling dan waarvan bij goedkeuring van gewasbeschermingsmiddelen rekening mee is gehouden. Dat geen sprake is van gezondheidsrisico’s wordt ook onderschreven door Bundesinstitut für Risikobewertung - BfR22. Nu in Duitsland ook het Unierecht geldt voor toelating en toepassing van gewasbeschermingsmiddelen, is de situatie in Duitsland representatief te noemen voor Nederland. De Gezondheidsraad23 komt op basis van internationale epidemiologische literatuur tot de conclusie dat gewasbescherming met chemische middelen gepaard kan gaan met gezondheidsschade bij mensen. In lijn daarmee pleit de Gezondheidsraad ervoor dat beter invulling wordt gegeven aan de eisen op basis van het Unierecht bij toelating en herbeoordeling van middelen.
Op dit vlak is relevant dat de gevolgtrekkingen van de Gezondheidsraad onvoldoende zijn toegesneden op de locatiespecifieke omstandigheden in Nederland. Er kan hierbij worden gewezen op de volgende verschillen ten opzichte van de door de Gezondheidsraad aangehaalde internationale studies. - Toegelaten middelen;
15
Report from the commission on the sustainable use of biocides pursuant to Article 18 of Regulation (EU) No 528/2012 of the European Parliament and of the Council concerning the making available on the market and use of biocidal products, COM(2016) 151 https://health.ec.europa.eu/document/download/68a5733b-67b9-4727-a77db2df88b01afb_en?filename=2016_report_sustainableuse_biocides_en.pdf, geraadpleegd op 7 februari 2024 16 Report from the commission on the experience gained by Member States on the implementation of national targets established in their National Action Plans and on progress in the implementation of Directive 2009/128/EC on the sustainable use of pesticides, COM(2020) 204 final, https://food.ec.europa.eu/document/download/e4380b91-8cca-4f0c-b5f4dd9d99692ec6_en?filename=pesticides_sud_report-act_2020_en.pdf geraadpleegd op 8 februari 2024 17 Relevant is te vermelden dat sommige lidstaten een lange opgebruiktermijn hebben gehanteerd voor gewasbeschermingsmiddelen die al lang onder de Biocidenverordening zijn verboden. Blijkens artikel L258-8 IV van de Code Rural hanteerde Frankrijk bijvoorbeeld een opgebruiktermijn tot 1 januari 2022.
Dit betekent dat pas vanaf 1 januari 2022 de Biocidenverordening in volle omvang van toepassing is in Frankrijk, terwijl lidstaten zoals Nederland op basis van reeds voor de Biocidenverordening gehanteerd systeem van periodieke herbeoordeling al vrijwel direct alleen middelen toelieten die onder de Verordening waren (her)beoordeeld. 18 RIVM rapport 2018-0068, Gezondheidsverkenning omwonenden van landbouwpercelen, 2018 19 RIVM report 2020-0056, Health survey on people living in the direct vicinity of agricultural plots: additional analyses, 2020 20 Deze conclusies zijn niet geldig voor landen zoals Frankrijk welke na invoering van de Biocidenverordening een opgebruiktermijn hebben gehanteerd, zie hiervoor paragraaf 4.1 21 RIVM Rapport 2019-0052 Onderzoek Blootstelling Omwonenden (OBO) Bestrijdingsmiddelen en omwonenden Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten 22 Bfr, Fernab vom Feld: Gesundheitliche Beeinträchtigungen durch Abdriften von Pflanzenschutzmitteln sind unwahrscheinlich, Mitteilung Nr. 054/2020 des BfR vom 23. November 2020 zie: https://www.bfr.bund.de/cm/343/fernab-vom-feld-gesundheitliche-beeintraechtigungen-durch-abdriften-vonpflanzenschutzmitteln-sind-unwahrscheinlich.pdf (geraadpleegd op 1 juni 2023) 23 Gezondheidsraad, Gewasbescherming en omwonenden (2020/10)
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 13 van 33
-
Toepassingsvoorschriften (hoeveelheid en concentratie per behandeling, behandelfrequentie etc.); - Wijze van toepassing (zoals met 75% driftreductie, dan wel (worst case) met sproeivliegtuig); - Betreding van gewassen (wandelpaden door gewaspercelen, spelende kinderen in gewaspercelen). Gelet hierop vormt het advies van de Gezondheidsraad goede aanleiding om in Nederlandse context te kiezen voor toepassing van het voorzorgbeginsel in de context van planologische besluitvorming waarbij het aspect driftblootstelling een rol kan spelen. Los hiervan is uiteraard positief indien beter wordt toegezien op naleving van het Unierecht bij toelating van middelen, maar het advies vormt geen aanleiding om te concluderen dat in Nederlandse context sprake is van nadelige effecten voor de gezondheid v.w.b. blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. Het is hierbij duidelijk genoeg dat de Nederlandse wetgever in lijn met deze wetenschappelijke data het beschermingsniveau van de Biocidenverordening afdoende acht, mede nu er overeenkomstig artikel 11 en 12 van richtlijn 2009/128/EU uit voorzorg hogere driftreductie verplicht is gesteld in Nederland.
Zoals al gebleken is uit paragraaf 4.1, gelden er geen afstandseisen ten aanzien van het spuiten van gewasbeschermingsmiddelen nabij driftgevoelige functies omdat bij toelating van middelen wordt uitgegaan van een hoog beschermingsniveau, waarbij een kwetsbare persoon als normpersoon worden aangehouden, gekoppeld aan worst case praktijkcondities (los van de in Nederland geldende voorzorgmaatregel t.a.v. extra driftreductie). Er wordt al met al geen rekening gehouden met een relevant humaan restrisico bij toepassing van gewasbescherming overeenkomstig het Unierecht. Wel heeft de Europese Commissie het initiatief genomen om in het kader van de zogenaamde ‘Green Deal’ de ecologie beter te beschermen tegen gewasbeschermingsmiddelen24. Gelet op het voorgaande is verder duidelijk dat de wetgever de volksgezondheid beschermt via toelating van steeds veiliger middelen (en uitfasering van andere middelen) en op algemene driftreductie25, niet op afstandseisen26 of de genoemde aandachtszone van 50 meter welke in planologische context dient te worden gehanteerd.
24
European Commission, Proposal (final) Regulation on the sustainable use of plant protection products and amending Regulation (EU) 2021/2115, artikel 18, lid 1 en 19, lid 1 25 Voor diverse gewasbeschermingsmiddelen geldt bijvoorbeeld al een eis om aanvullende driftreductie toe te passen (meer dan 75%). Daarnaast kenden diverse waterschappen in met name de waterrijke gebieden subsidieregelingen voor de aanschaf van 99% driftreducerende spuitapparatuur. Hiervoor kan ook subsidie bij RVO worden verkregen: Regeling Europese EZK- en LNV-subsidies (https://www.rvo.nl/sites/default/files/202211/Lijst%20met%20investeringen-Investeringsregeling%20POP3%2B2022_0.pdf) 26 In diverse uitspraken, onder meer ARRvS 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4503 (Meeslouwerpolder), overweegt de Afdeling de noodzaak van wettelijke afstandseisen: “Omdat er geen wettelijke bepalingen gelden over minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop gewassen in de open lucht worden geteeld en woningen, is niet uitgesloten dat ook in de bestaande situatie ter plaatse van de bedrijfswoning die als burgerwoning in gebruik is genomen hinder kan worden ondervonden van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.”
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 14 van 33
4.4. Conclusies 4.4.1. Mate van bescherming In het Unierecht noch in het Nederlandse milieurecht is een verminderde bescherming vastgelegd voor bepaalde situaties of omstandigheden. Het Unierecht kent de volgende beschermingscategorieën: - Consumenten; - Toepassers; - Omwonenden (waaronder begrepen passanten e.d.). Omwonenden worden gelijkelijk beschermd door de Verordening, ongeacht de status of functie van het verblijf of de reden van blootstelling. De vraag of omwonenden wonen in een woning die hoort bij het bedrijf zelf waar gewasbescherming wordt toegepast, dan wel bij een ander agrarisch bedrijf (waar al dan niet gewasbescherming wordt toegepast) of vanwege aanwezigheid op een agrarisch perceel maakt geen verschil voor de mate van bescherming waar deze bewoners/gebruikers aanspraak op hebben krachtens de milieuregelgeving. Hetzelfde geldt voor medewerkers van een bedrijf. Aan deze medewerkers komt eenzelfde bescherming toe, ongeacht of sprake is van medewerkers van een agrarisch bedrijf of een ander bedrijf en ongeacht of sprake is van een agrarisch bedrijf waar ook gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast. Op grond van de milieuregelgeving is de bescherming tegen drift dus niet afhankelijk gesteld van de status of reden van de aanwezigheid in de nabijheid van percelen waar gewasbescherming kan worden toegepast.
De milieuregelgeving gaat uit van een gelijke bescherming van mensen en daarmee van functies. Evenmin is bijvoorbeeld kortdurend verblijf dus noodzakelijkerwijs aanleiding om uit te gaan van verminderde bescherming, hoogstens is dat een kwestie van verminderde gevoeligheid (minder blootstellingstijd en -risico). De milieuregelgeving houdt verder geen rekening met aantallen, d.w.z. dat aan één persoon evenveel bescherming toekomt als aan honderd personen. In lijn daarmee kan in het kader van planologische besluitvorming dus in geen enkele omstandigheid lager beschermingsniveau worden gehanteerd voor bepaalde mensen en functies ten opzichte van andere mensen en functies. Immers voor de milieuregelgeving is iedereen gelijk. De milieuregelgeving werkt daarbij ook twee kanten op in die zin dat zowel toepassers als blootgestelden hier rechten aan kunnen ontlenen. Die rechten dienen in het kader van planologische besluitvorming gerespecteerd te worden27. Het enige wat in het kader van planologische besluitvorming dus relevant kan zijn, is de vraag of een planologisch besluit ertoe leidt dat voorstelbaar is cq. niet kan worden uitgesloten dat zich veranderingen voordoen qua: 27
Zie in strijd met de Verordening op dit punt: ARRvS 22 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4331, nu de Afdeling de rechtsopvatting hanteert dat bepaalde functies en mensen minder bescherming toe zou mogen komen.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 15 van 33
-
de verblijftijd van personen28; de verblijfswijze (zoals binnen of buiten); de kwetsbaarheid van personen (zoals woon- of werkomgeving, kinderen e.d.).
4.4.2. Mate van kwetsbaarheid / blootstelling Zoals gebleken is uit paragraaf 4.4.1, komt aan bewoners en gebruikers van de gronden reeds in de huidige situatie bescherming tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen toe vanuit de milieuregelgeving. De mate van kwetsbaarheid voor drift is primair afhankelijk van de verblijfsduur in de open lucht nabij gewaspercelen en secundair van de specifieke kwetsbaarheid van aanwezige personen. Verwezen wordt naar paragraaf 4.4.1. Als nadere uitwerking hiervan is het volgende van belang. Aangezien de maximale planologie als uitgangspunt moet worden gehanteerd, dient de geldende agrarische bestemming te worden beschouwd als een bestaande potentiële beperking bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Immers, nu de gronden ook gebruikt mogen worden voor extensief recreatief medegebruik, dient rekening te worden gehouden met een bredere menselijke aanwezigheid op deze gronden dan alleen voor het agrarische bedrijf in strikte zin (ploegen, zaaien, oogsten).
Hierbij kan in aanmerking worden genomen dat recreatief gebruik in de regel ook overdag en bij droog weer aan de orde zal zijn, dus opnieuw wanneer ook gewasbescherming zal worden toegepast (er mag niet worden gespoten bij sterke wind, maar toepassing bij regen of op gewas dat nog nat is door dauw of regen zal de effectiviteit van de behandeling sterk aantasten omdat middel verdund zal worden en/of zal wegspoelen). Verder is van belang dat op grond van het voorzorgbeginsel ook naburige agrarische percelen als beperking dienen te worden beschouwd bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Immers als spuitmiddel dat wordt toegepast op het ene perceel ook terecht zou komen op een ander gewas op een naburig perceel, dan kan die oogst worst case worden afgekeurd voor menselijke consumptie. Op grond van bijlage 1 artikel 1 onder 3a en 3c van richtlijn 2009/128/EU vormt het voorkomen van het gezondheidsrisico dat kan ontstaan door blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen die niet op het doelgewas terecht zijn gekomen een concrete uitwerking van het voorzorgbeginsel, waar ook aandacht voor dient te bestaan in het kader van de vakbekwaamheidseisen die gelden om gewasbescherming te mogen toepassen (artikel 5 van genoemde richtlijn jo. artikel 17, lid 1 onder c van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden).
Ook de aanwezige woningen in de nabijheid van de locatie vormen uiteraard al een bestaande potentiële beperking bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Ongeacht welke afstand als maat wordt gehanteerd bij het bepalen van mogelijk toekomstige beperkingen bij het toepassen van 28
In die strekking ook ABRvS 14 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1575 ov. 11.5.1 dat een fietspad vanwege korte verblijfstijd geen voor driftblootstelling relevante functie zou zijn.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 16 van 33
gewasbeschermingsmiddelen29, is duidelijk dat een kinderdagverblijf op onderhavig perceel geen aanvullende mogelijke beperking van betekenis zal veroorzaken. Gelet op de bestemde situatie die al tal van potentiële spuitbeperkingen insluit, zal de beoogde ontwikkeling niet kunnen leiden tot nieuwe of aanvullende mogelijke spuitbeperkingen voor omliggende agrarische gronden (vraag 1 van paragraaf 1.1). Mogelijke beperkingen zijn inherent verbonden met het toepassen van gewasbescherming. Los van de vraag of sprake zou zijn van aanvullende potentiële spuitbeperkingen of niet dient ook het gezondheidsaspect te worden beoordeeld (vraag 2 van paragraaf 1.1), wat in het vervolg van deze notitie aan de orde komt. 4.4.3. Gezondheidscriteria De algemeen aanvaarde toxicologische normen en de beschikbare relevante en betrouwbare wetenschappelijke en technische kennis (in de bewoordingen van de Biocidenverordening), waarmee wordt vastgesteld of er een risico is voor de volksgezondheid mogen, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling, niet worden benut ter onderbouwing van planologische besluitvorming. Tegelijkertijd is bekend dat de Afdeling ervan uitgaat dat er vanuit planologisch oogpunt geen ruimte is om strengere normen te hanteren zodra er wettelijke blootstellingsnormen zijn vastgesteld30.
Dit zelfs in de situatie dat voldoende wetenschappelijke zekerheid bestaat dat die vastgestelde normen niet voorkomen dat er gezondheidsschade ontstaat31 (en dus in strikte zin niet voldoen aan het uitgangspunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties). Het is niet duidelijk om welke reden de Afdeling de wettelijke blootstellingsnormen voor gewasbeschermingsmiddelen uit het Unierecht niet accepteert. Mogelijk speelt mee dat dat de Afdeling het Europese recht gemakshalve als rechtsfeit blijft beschouwen, ondanks dat het Europese Hof het Unierecht als autonome rechtsorde beschouwt welke voorrang heeft op het nationale recht32. In contrast daarmee gaat de Afdeling er bijvoorbeeld van uit dat luchtkwaliteitsnormen ten aanzien waarvan weinig wetenschappelijk onzekerheid bestaat dat deze de menselijke gezondheid onvoldoende beschermen in de context van planologische besluitvorming dienen te worden gehanteerd33. Deze wettelijke normen zijn daarbij zelfs representatief voor stoffen waarvoor geen wettelijke normen zijn vastgesteld, zoals elementair koolstof en voor cumulatieve aspecten34. Door de Afdeling worden in het kader van de ruimtelijke ordening maatschappelijke sentimenten beschouwd, bijvoorbeeld ten aanzien van ongemakken die mensen kunnen ervaren wanneer ze dicht
29
In een uitspraak van het Hof Den Bosch wordt uitgegaan van 250 meter, zie: 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2043 30 ARRvS 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2833, onder 7.1 31 ARRvS 27 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076 onder 75.3, waar de Afdeling impliciet ook te kennen heeft gegeven dat aspecten van cumulatie, synergisme en aggregatie geen rol spelen voor planologische besluitvorming zodra er wettelijke blootstellingsnormen gelden, ongeacht de vraag of die aspecten zijn meegewogen in de blootstellingsnormen. 32 De bekende arresten Van Gend & Loos en Costa/ENEL. 33 10 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2833, onder 7.1 34 ABRvS 9 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3076, onder 75.3
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 17 van 33
op landbouwpercelen wonen, zoals geur en/of neerslag van deeltjes. Hier zijn geen gevalideerde modellen voor, want bij dat soort risico’s speelt het aspect gezondheid geen rol35.
35
In een recent uitspraak wordt door de Afdeling immers niet langer gesproken van gezondheidsrisico’s die kunnen samenhangen met blootstelling aan drift van gewasbeschermingsmiddelen, maar alleen nog van hinder die hierdoor kan worden veroorzaakt. Zie hiervoor bijvoorbeeld: ARRvS 6 november 2024 ECLI:NL:RVS:2024:4503 (Meeslouwerpolder) ten opzichte van eerdere uitspraken zoals ARRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 (Asdonkterrein) en ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 (Houten)
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 18 van 33
5.
Beoordeling gezondheidsaspecten
5.1. Verspreidings- en blootstellingsmodellen Uit diverse uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak blijkt, dat voorhanden modellen waarmee blootstelling aan drift kan worden geprognosticeerd niet worden geaccepteerd voor planologische besluitvorming. Gewezen kan worden op de zaak Houten36, welke betrekking had op het zogenaamde PRI model. Verder kan worden gewezen op de uitspraak Asdonkterrein Beuningen37 over het zogenaamde EFSA-OPEX model. In andere uitspraken is bevestigd dat het PRI model en het EFSA-OPEX model in het kader van planologische besluitvorming niet worden geaccepteerd. Gelet hierop zullen vooralsnog geen door de Afdeling in planologische context geaccepteerde kwantitatieve uitspraken kunnen worden gedaan over toxicologische aspecten die spelen bij blootstelling aan omgevingsfactoren. Verder is van belang dat de Afdeling hiermee ook de wijze waarop de volksgezondheid wordt beschermd onder het Unierecht afwijst. Per slot van rekening worden gewasbeschermingsmiddelen toegelaten en herbeoordeeld met behulp van het EFSA-model en verdere toxicologische informatie over individuele stoffen en zaken als cumulatie, synergisme, aggregatie en additie.
Tot slot kan worden geconcludeerd dat het niet de taak van de rechter of de wetenschap kan zijn om de politieke keuze te maken in welke mate van blootstelling aan gewasbescherming en welke inherent daaraan gekoppelde mate van restonzekerheid als acceptabel kan worden beschouwd in de context van de bescherming van de volksgezondheid. 5.2. Inpassing zonder kwantitatieve beoordeling Op grond van de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak kan evenwel nog steeds afgeweken worden van de 50 meter middels een deugdelijk locatiespecifiek onderzoek, waarbij kan worden aangetoond dat onder de gegeven omstandigheden ook bij het hanteren van een kortere afstand een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij een gevoelige functie is gegarandeerd. Hierbij is het een vereiste dat dit alles onderzocht wordt door een milieudeskundige38. In een andere uitspraak39 is geoordeeld: “Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn indien (bijvoorbeeld) driftreducerende maatregelen worden getroffen”. In deze uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat, in een situatie dat een agrarisch perceel40 zal grenzen aan een perceel met een gevoelige functie, door het plaatsen en in stand houden van een struweelhaag voldoende is onderbouwd dat deze kortere afstand van 50 meter kan worden aangehouden.
Onderhoud en instandhouding van een dergelijke haag dient daarbij uiteraard te worden verzekerd middels een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) instandhoudingsverplichting. De optie om afscherming toe te passen ten einde een kortere afstand dan 50 meter te rechtvaardigen is ook al in eerdere uitspraken benoemd41. 36
ABRvS 30 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:855 ARRvS 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3023 38 ABRVS 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1353 39 ABRvS 2 november 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3160 40 De uitspraak had betrekking op een agrarische bestemming die tevens boomgaarden en boomteelt toelaat. 41 ABRvS 25 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW3921 37
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 19 van 33
De met deze uitspraak ingezette lijn is in een andere uitspraak bevestigd42. Ook in een uitspraak van 19 maart 2023, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland geoordeeld dat een kleinere afstand kan worden aangehouden, mits dit op basis van zorgvuldig en op locatie toegesneden onderzoek deugdelijk kan worden gemotiveerd43. In de genoemde uitspraken wordt het belang van het aanbrengen van een vanggewas of een andere vorm van afscherming benadrukt in situaties waarin sprake is van een korte onderlinge afstand of zelfs aan elkaar grenzende tuinen en gewaspercelen. Het plaatsen, onderhoud en instandhouding dient ruimtelijk te worden verzekerd. Dit kan door het opnemen van een vergunningvoorschrift of een (voorwaardelijke) bepaling in het omgevingsplan. In een andere recente uitspraak bevestigt de Afdeling dat rekening mag worden gehouden met de afschermende werking die een haag, maar bijvoorbeeld ook aanwezige bebouwing of een dichte erfafscheiding kan bieden44. In deze zaak had de gemeente de kortere afstand dan 50 meter onderbouwd met het soort teelt dat er plaatsvond (met enkel neerwaartse spuittechniek), dat er sprake was van afschermende niet-woonbebouwing, dan wel een schutting met klimplanten en/of een haag aan de zijden waar het woonperceel grensde aan teeltpercelen.
Daarnaast werden door de Afdeling nog de milieuregels aangehaald waaruit blijkt dat er bij toepassing van gewasbeschermingsmiddelen driftreductie moet worden toegepast en dat er bij hogere windsnelheden niet gespoten mag worden. In de context van de geldende regelgeving dient verder te worden afgewogen of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties door voor bestaande functies heel andere gezondheidscriteria te hanteren dan voor nieuwe functies. 5.3. Aandachtzones Zoals aangegeven in paragraaf 1.2 hanteert de Afdeling bestuursrechtspraak standaard een aandachtzone van 50 meter. De afstand van 50 meter is blijkens een uitspraak uit 200245 gebaseerd op het toenmalige beleid van de provincie Gelderland voor de goedkeuring van ruimtelijke ontwikkelingen waarbij gevoelige functies nabij boomgaarden en boomteeltpercelen aanwezig zouden zijn (de ‘Handreiking bestemmingsplannen’ uit 1996)46. Ten tijde van dat beleid gold op grond van artikel 13 van de Bestrijdingsmiddelenwet 1963, het daarop gebaseerde Lozingenbesluit open teelt en veehouderij en de bijbehorende Regeling testmethoden driftarme doppen Lozingenbesluit open teelt en veehouderij, een verplichting om driftreductie toe te passen van minimaal 50%. Op grond van het Activiteitenbesluit c.q.
het huidige Besluit activiteiten leefomgeving dient standaard een driftreducerende techniek te worden gehanteerd van minimaal
42
ARRvS 25 januari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:269 Rechtbank Midden Nederland 19 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1048 44 ARRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1263 45 ABRvS 24 juli 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE5754 46 In civielrechtelijke context wordt uitgegaan van een procesbelang bij aanwezigheid binnen 500 meter tot een gewasperceel, zie: Rechtbank Oost Brabant 19 juli 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3440 43
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 20 van 33
75%, een norm die kortom de helft strenger is geworden47, waardoor bedoelde afstand van 50 meter thans minstens kan worden gehalveerd tot 25 meter. Hierbij is ook van belang dat bedoelde 50 meter werd gehanteerd in een tijd dat gewasbeschermingsmiddelen waren toegelaten welke nu al geruime tijd vanwege herbeoordelingen onder het regime van de Biocidenverordening zijn uitgefaseerd, terwijl nieuwe middelen met een lagere potentiële schadelijkheid en lagere persistentie hiervoor in de plaats zijn gekomen. Bedoelde afstand van 50 meter is gebaseerd op gewasbehandeling bij boomteelt en in boomgaarden. Bij dergelijke teelten is het risico op drift groter, omdat dan opwaarts en zijwaarts kan worden gespoten en bepaalde behandelingen ook plaatsvinden buiten het volbladseizoen, waardoor bladeren in het gewas zelf geen aanvullende driftreductie bieden. In situaties waarin enkel rekening behoeft te worden gehouden met neerwaartse gewasbehandelingen, kan om die reden genoemde afstand nogmaals worden gehalveerd tot 12,5 meter. Alhoewel de Afdeling op dit vlak geen specifieke afstanden noemt, is er steun te vinden in uitspraken dat in situaties waarin enkel rekening moet worden gehouden met neerwaarts spuiten mag worden uitgegaan van een kortere afstand qua mogelijke driftblootstelling48.
Per slot van rekening is in geen van de uitspraken waarin de Afdeling afscherming als goede ruimtelijke ordening heeft geaccepteerd sprake van een afscherming over 50 meter (d.w.z. afscherming op alle posities waar de afstand tussen gewasperceel en driftgevoelige functie minder dan 50 meter bedraagt). Hieruit blijkt dat de Afdeling de 50 metergrens hanteert als aandachtsafstand en niet als normafstand. Driftreductie wordt bereikt door spuitmachines grotere druppels te laten produceren. Grote druppels vallen immers onder invloed van de zwaartekracht uit de lucht, terwijl kleine druppels (nevel) gedurende langere tijd in de lucht zullen blijven hangen en dus een veel groter risico in zich sluiten om zich te verspreiden door de lucht (en ook eerder zullen overgaan in de gasfase of naar een aerosol). Uiteraard kan niet volledig worden uitgesloten dat gedurende het spuitproces toch enige vorm van verneveling optreedt (turbulentie in de lucht, botsingen druppels met gewas etc.). Echter uitgaande van de wettelijke 75% driftreductie kan er zonder meer van worden uitgegaan dat er geen rekening meer hoeft te worden gehouden met relevante blootstelling aan druppeldrift op een afstand van 12,5 meter uit gewassen die neerwaarts worden gespoten en 25 meter bij opwaarts spuiten, waarbij extra driftreductie ook betekent dat minder damp- en aerosoldrift zal kunnen ontstaan.
Blootstelling op die afstanden zal enkel nog kunnen plaatsvinden in de vorm van blootstelling aan dampen en aerosolen. Het gaat hierbij om zeer kleine hoeveelheden. Immers gewasbeschermingsmiddelen worden ook gekozen op een zo laag mogelijke uitdampbaarheid. Mensen staan uitsluitend nog bloot aan deze dampen en aerosolen bij inademing. Relevante doses door opname via de huid of door hand-mond bewegingen zijn uitgesloten. De aanwezige dampen en aersolen zullen steeds verder verdunnen in de lucht. Een vergelijking met blootstelling aan bijvoorbeeld stikstofdioxiden en fijnstof afkomstig van wegverkeer, industrie en veehouderijen gaat maar gedeeltelijk op. Gewasbeschermingsmiddelen breken immers ook relatief snel af onder invloed
47 48
Zie ook paragraaf 4.1. ARRvS 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1263
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 21 van 33
van zonlicht. Stoffen afkomstig van wegverkeer e.d., en de afbraakproducten daarvan, blijven evenwel langer aanwezig in de lucht en verdwijnen hier alleen uit middels neerslag. 5.4. Conclusies Gelet op hoofdstuk 3 is duidelijk dat de milieuregelgeving iedereen gelijkelijk beschermt en dat dat als een gegeven dient te worden beschouwd in de context van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Uit dit hoofdstuk blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak de mate van bescherming die de milieuregelgeving biedt, niet accepteert en in het kader van planologische besluitvorming aanvullende maatregelen eist, dit onder meer in anticipatie op mogelijk toekomstige wetgeving en/of uitspraken van de civiele rechter. Verder blijkt dat de Afdeling bestuursrechtspraak een aandachtsafstand hanteert van 50 meter en vanuit het voorzorgbeginsel akkoord gaat met afscherming als driftreducerende maatregel. Tot slot is gebleken dat de Afdeling akkoord is gegaan met afscherming over een kortere afstand (bijvoorbeeld alleen de gedeelde perceelgrens met een gewasperceel), zodat de 50 meter niet kan worden geïnterpreteerd als afschermingsafstand of normafstand.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 22 van 33
6.
Omgevingsaspecten
6.1. Relevante teeltsituaties Zoals beschreven in paragraaf 3.4 is sprake van een algemene agrarische bestemming die tal van teelten toelaat, maar kan teelt in boomgaarden worden beschouwd als maximale planologische situatie, met dienovereenkomstige inzet van gewasbeschermingsmiddelen (integrale gewas- cq. perceelbehandeling met spuitmachine). 6.2. Wind Volgens het artikel 3.83 lid 5 Activiteitenbesluit (oud) en volgens artikel 4.723e Besluit activiteiten leefomgeving mogen er geen gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast bij snelheden hoger dan 5 m/s. Deze windsnelheid komt overeen met windkracht 2 à 3 Beaufort. Alhoewel de overheersende windrichting noordwest gericht is in Nederland, geldt die conclusie niet voor de lage windsnelheden waarbij gewasbescherming mag worden toegepast. Bij deze lage windsnelheden kan de wind in feite uit alle richtingen van de kompasroos komen49, zelfs als rekening wordt gehouden met de gemiddelde windrichting per seizoen50. De positie van een teeltperceel ten opzichte van een gevoelige functie is kortom beperkt relevant in relatie tot driftblootstelling. Hierbij is verder relevant dat de behandeling uit de aard der zaak veel minder effectief is als gespoten wordt bij hogere windsnelheden. Bij hogere windsnelheden zal de drift groter zijn, maar zich ook veel sneller verspreiden en verdunnen in de buitenlucht.
Zie de afbeeldingen 6.1.1 en 6.1.2, waarbij weerstation Eindhoven is aangehouden als meest representatief voor Ommel.
49 50
Zie: https://www.knmi.nl/klimaat-viewer/grafieken-tabellen/windrozen/windroos-eindhoven https://www.weerplaza.nl/weerinhetnieuws/klimaat/wind-in-nederland/6820/
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 23 van 33
Afbeelding 6.1.1: Windroos (bron: KNMI)
Afbeelding 6.1.2: Gemiddelde windrichting in procenten per maand in de periode 1991-2020 (bron: Weerplaza)
6.3. Mate van kwetsbaarheid Zoals gebleken is uit paragraaf 3.4.1, is in de huidige situatie vanwege de geldende bestemmingen, waaronder de agrarische bestemming zelf, al sprake van te beschermen driftgevoelige functies.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 24 van 33
In zoverre behoeft geen rekening te worden gehouden met aanvullende potentiële beperkingen bij de inzet van gewasbescherming in de context van de geldende milieuregelgeving.
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 25 van 33
7.
Maatregelen
Indien er in de context van planologische besluitvorming invulling moet worden gegeven aan het voorzorgbeginsel, dan kan worden gedacht aan volgende maatregelen. Bronmaatregelen: Het gaat hierbij om maatregelen die ertoe leiden dat er zo min mogelijk drift ontstaat. Concreet kan in de meeste teelten door gebruikmaking van driftreducerende apparatuur tot 99% driftreductie worden bereikt. Er kan hierbij ook worden gedacht aan een maatregel waarbij bepaalde teeltvormen (zoals opgaande teelten) worden verboden. Overdrachtsmaatregelen: Dit betreft afschermende maatregelen, zoals ook onderwerp is geweest van diverse uitspraken van de Afdeling (zie paragraaf 5.2). Maatregelen bij de ontvanger: Dit betreft beperkingen aan bijvoorbeeld menselijk verblijf en/of aan het gebruik van gronden waardoor ook extra onderlinge afstand wordt aangehouden. In de gegeven situatie wordt gekozen voor toepassing van een overdrachtsmaatregel middels afscherming 7.1. Overdrachtsmaatregelen -> afscherming Mede gelet op de jurisprudentie welke is aangehaald in paragraaf 5.2, is toepassing van afscherming ook geaccepteerd in het kader van planologische besluitvorming51 teneinde uit voorzorg te zorgen voor extra driftreductie.
Een windhaag vervult daarnaast een extra buffer als het gaat om onverhoopte gebeurtenissen zoals stuur- en bedieningsfouten op de spuitmachine, vergissingen bij het aanlengen van middel en dergelijke. 7.1.1. Algemeen Er zijn de nodige wetenschappelijke gegevens voorhanden als het gaat om de afschermende werking van een windhaag. Verder is van belang dat een windhaag erkend is als driftreducerende techniek; een windhaag staat als zodanig op de ‘lijst met indeling van spuittechnieken in DriftReducerende Techniek-klassen’ (DRT-lijst) van de Technische Commissie Techniekbeoordeling (TCT) van 10 november 202552. Dit geldt voor een windhaag met 90% bladdichtheid. In combinatie met de (wettelijk standaard verplichte) 75% driftreductie van een spuitmachine biedt een haag aanvullend 75% driftreductie, zodat tot 94% driftreductie mogelijk is. Uit andere wetenschappelijke studies kan een hoger driftreducerend effect
51
Vergelijk in dit verband ABRvS 28 november 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3904, waarin is overwogen dat aannemelijk is dat een driftreducerende voorziening bestaande uit dubbele hagen leidt tot een ruime driftreductie. 52 Zie: https://iplo.nl/publish/pages/151722/6-informatieblad-windhaag-20220718.pdf (geraadpleegd op 5 maart 2024)
Adromi B.V.
Gezondheidsrisico blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen
Pagina 26 van 33
van een windhaag worden afgeleid53 en hier wordt in het PRI 201554 ook naar verwezen. Dit betekent dat de 75% driftreductie welke de TCT hanteert, kan worden beschouwd als een conservatief uitgangspunt. 7.1.2. Configuratie op grens teeltgewas In principe is hierbij van belang te kiezen voor een gewas dat een egale dichtheid biedt. Bij een dergelijke bladerdichtheid zal een luchtstroom maximaal worden afgeremd waarbij eventueel aanwezige drift in druppelvorm zo veel mogelijk in de haag zelf zal achterblijven. Elzenhagen, welke traditioneel rond fruitboomgaarden worden aangeplant, bieden bijvoorbeeld al een dergelijke bladerdichtheid. Een te hoge dichtheid zorgt voor een afname in de filterende werking, doordat er niet voldoende lucht door de haag kan stromen55, 56, 57. De dichtheid van een windhaag kan worden gemeten als de optische dichtheid door het bepalen van de optische porositeit: de zichtbaarheid achter/door de haag oftewel de som van de “gaten” in het bladerdek. Dit kan worden gemeten met behulp van een digitale camera, een witte doek achter de haag en specifieke (analyse)software58. Het aansluitend effect van uitdamping uit de haag en aansluitende respiratoire blootstelling wordt verwaarloosbaar geacht, mede nu gewasbeschermingsmiddelen worden toegelaten op hun lage uitdampbaarheid.
Daarnaast is relevant dat uitdamping voornamelijk kan plaatsvinden op een droge zonnige dag, dus op het moment dat afbraak van de betrokken stoffen onder invloed van de zon ook maximaal is59. De meeste middelen worden daarbij verspoten aan het begin van het groeiseizoen wanneer temperaturen nog lager liggen, niet in het warmere oogstseizoen. Er kan voor de verdere configuratie van een haag worden uitgegaan van een overhoogte van 1 meter in situaties waarin sprake is van opwaarts of zijwaarts spuiten. In geval sprake is van uitsluitend neerwaarts spuiten kan worden uitgegaan van een overhoogte van 50 centimeter. In situaties dat