CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3.12 - Proefsleuvenonderzoek deelgebieden A en C

Raadscommissie Ruimte 10 februari 2026, gemeente AstenBij agendapunt: Voorontwerp omgevingsplan Hogeweg te Ommel (opiniërend) met presentatie18.127 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Hierdoor kan niet worden uitgesloten dat in werkput 16 vergelijkbare paalsporen over het hoofd zijn gezien. In werkput 14 bevindt zich een 85 cm brede greppel (S139) die zich met een bocht naar het oosten afbuigt en mogelijk eveneens deel uitmaakte van de Romeinse nederzetting (Figuur 5-4. S139 wordt doorsneden door rechthoekige, vermoedelijk middeleeuwse greppels (S136 en S141), maar onderscheidt zich door een duidelijk grijzere vulling (Figuur 5-4).

34

Figuur 5-1 Sporenoverzicht plangebied Asten Ommel-Noord.

35

Figuur 5-2 Sporenoverzicht deelgebied A.

36

Figuur 5-3 Sporenkaart werkput 15.

37

Figuur 5-4 Zuidprofiel van werkput 14 met onder het akkerdek de grijze vulling van greppel S139. Vindplaats 4 De jongere sporen in deelgebied A dateren uit de periode middeleeuwen–Nieuwe tijd en bevinden zich in het zuidoostelijke gedeelte, binnen de werkputten 6, 13 en 14 (Figuur 5-5). In dit gebied zijn meerdere greppels aangetroffen met een noordoost–zuidwestelijke of noord–zuidelijke oriëntatie, die vermoedelijk deel uitmaken van verschillende greppelsystemen. De meest westelijke greppel wordt gevormd door de sporen S83, S129 en S142. Het laatstgenoemde greppeldeel maakt in het westen van werkput 14 een rechte hoek en zet zich vervolgens in zuidoostelijke richting voort. Het merendeel van de jongere sporen bevindt zich ten oosten van de greppeldelen S83 en S129. In werkput 6 betreft dit onder meer een waterput (S81), twee greppels (S78 en S82) en een paalkuil (S79). De waterput heeft een diameter van circa 2,15 m en doorsnijdt greppel S82. De put is uitgeboord en heeft een restdiepte van 1,80 m. Op circa 1,50 m diepte zijn houtresten aangetroffen, hetgeen erop wijst dat de waterput vermoedelijk voorzien was van een houten bekisting. In werkput 13 is, ten oosten van greppel S129, mogelijk een tweede waterput (S131) aangetroffen.

Het is echter niet met zekerheid vast te stellen dat het hier daadwerkelijk om een waterput gaat, aangezien het spoor zich gedeeltelijk in de putrand bevindt. Dit spoor is eveneens uitgeboord, maar heeft met een restdiepte van 0,45 m een aanmerkelijk geringere diepte dan waterput S81. Mogelijk betreft het de randzone van een waterput, dan wel een kuil met een andere functie (bijvoorbeeld een potstal). In het oostelijke deel van werkput 14 is een aantal greppels aangetroffen, waaronder een meerfasig exemplaar met een rechte hoek (S135 en S136), alsmede enkele paalsporen en kuilen. Op een hoger niveau in werkput 14, gekoppeld aan de jongste laag van het plaggendek, is een zuidwest–noordoost georiënteerd karrenspoor gedocumenteerd, dat eerder in deelgebied B is waargenomen (Figuur 5-6. Dit spoor kan worden geïnterpreteerd als een restant van de historische landweg die op de kadastrale minuut van 1811-1832 staat afgebeeld. De waterputten, in combinatie met de ligging van de sporen en de afbakenende greppel in het westen, wijst erop dat bij vindplaats 4 sprake is van de randzone van een historisch erf. Dit historisch erf zal zich voor het grootste gedeelte ten zuidoosten van deelgebied A uitstrekken, ter plaatse van het huidige erf aan de Kloosterstraat 35.

Waarschijnlijk is het geen voorloper van dit huidige erf, omdat de historische kaarten uit de eerste helft van de 20 e eeuw hier geen bebouwing laten

38

zien. Mogelijk lag het historische erf aan een voorloper van de landweg die van zuidwest naar noordoosten het plangebied doorkruist.

Figuur 5-5 Sporenoverzicht werkputten 6, 13 en 14.

39

Figuur 5-6 Karrensporen in het noordprofiel van werkput 14. Vindplaats 5 Tot slot is ter hoogte van werkput 2, in de randzone van de venlaagte, een houtskoolmeiler aangetroffen (Figuur 5-2). Dit wijst erop dat deze zone mogelijk is gebruikt voor specifieke activiteiten. Daarnaast kunnen in dit gebied laatprehistorische waterputten worden verwacht, behorend bij de nabijgelegen bewoning uit deze periode. Het algemene beeld voor de late prehistorie in Zuid-Nederland is dat waterputten vooral in of langs de rand van laagtes werden aangelegd, aangezien het grondwater daar relatief gemakkelijk bereikbaar was. Vanwege de hoge verwachting op het aantreffen van waterputten en sporen van bijzondere activiteiten is de randzone van de venlaagte als afzonderlijke vindplaats afgebakend (vindplaats 5). Vindplaats 6 Centraal in deelgebied A zijn twee clusters met sporen aangetroffen (werkputten 3 en 4, en werkput 7) die vermoedelijk uit grofweg de ijzertijd of Romeinse tijd dateren (Figuur 5-2). Het gaat om paalsporen (n =57) en kuilen (n =2). Het merendeel van de sporen was in het vlak goed te herkennen. Hoewel de sporen geen vondstmateriaal opleverden, wijst hun grijs gevlekte vulling en de in de nabijheid verzamelde vlakvondsten van handgemaakt aardewerk (V8, V9, V13, V15, V26 en V29) op een datering in de ijzertijd (mogelijk start late bronstijd).

De cluster ter hoogte van werkputten 3 en 4 kenmerkt zich door een hoge dichtheid aan grondsporen (

40

Figuur 5-7). In het westen van werkput 3 liggen twee kuilen: een langgerekte, 8 cm diepe kuil (S63) en een ronde kuil met een restdiepte van 30 cm (S72). Het merendeel van de grondsporen bestaat echter uit paalsporen die vermoedelijk deel uitmaakten van gebouwstructuren van één of meerdere huisplaatsen. De paalsporen hebben in het vlak een diameter van 40–90 cm; de gecoupeerde exemplaren zijn 20–22 cm diep. De paalsporen liggen dermate uit verband dat geen eenduidige huisplattegrond kon worden vastgesteld. Vermoedelijk wijst dit op verschillende fasen van gebruik en/of bewoning. Binnen vindplaats 4 zijn buiten de paalsporen twee kuilen aangetroffen (werkput 7); een langgerekte kuil (S63) en een ronde kuil (S72). S63 heeft een lichtbruin grijze vulling en is zeer ondiep (restdiepte 8cm). S72 is groter van formaat (diameter van 1 meter), heeft een restdiepte van 30 cm en bestaat uit twee vullingen: een licht bruingrijze (vulling 1) en een bruingrijze vulling (vulling 2). Uit beide kuilen is geen vondstmateriaal geborgen. Een tweede, kleinere cluster ijzertijdsporen bevindt zich ter hoogte van werkput 7 en bestaat uit twee groepjes van twee paalsporen (Figuur 5-11: S91 en S95/ S100). Het lijkt niet om de resten van een gebouw te gaan, maar mogelijk ligt een huisplaats in de nabije omgeving. Beide clusters liggen ten noorden van de inheems-Romeinse nederzetting van vindplaats 1.

Mogelijk betreft het geïsoleerd gelegen erven uit de ijzertijd of Romeinse tijd (vindplaats 6). De grens tussen vindplaatsen 1 en 6 is moeilijk exact te bepalen en daarom in Figuur 6.1 globaal weergegeven.

41

Figuur 5-7 Sporenoverzicht werkputten 3 en 4.

42

Figuur 5-8 Doorsnede van kuil S72 in werkput 3.

Figuur 5-9 Paalspoor S50 uit werkput 3.

43

Figuur 5-10 Laatprehistorische paalsporen in het vlak van werkput 4.

44

Figuur 5-11 Sporenoverzicht werkput 7.

5.1.2

Deelgebied C

In deelgebied C is slechts een beperkt aantal grondsporen aangetroffen, die alle dateren uit de middeleeuwen-Nieuwe tijd. Het betreft twee greppels (S183, S190) en negen kuilen (S186 en S187 t/m S194). Greppel S190 doorkruist het onderzoeksgebied van zuidwest naar noordoost en komt qua oriëntatie overeen met de historische verkavelingsrichting, zoals zichtbaar op de kadastrale minuut van 1811-1832 (Figuur 2-6). Vermoedelijk betreft het een restant van een kavelgreppel. Iets ten westen van deze greppel is een in werkput 20 een deel van een tweede greppel (S183) aangetroffen, met een breedte van circa 1,8 m, een restdiepte van 34 cm en een noordoost-zuidwest oriëntatie. Omdat de greppel niet is waargenomen in werkputten 18 en 23 lijkt het te gaan om een relatief korte greppel. De functie ervan is onzeker. Beide greppels lijken samen te hangen met de basis van het plaggendek en zullen op zijn oudst uit de late middeleeuwen dateren. Bij de kuilen kan een onderscheid worden gemaakt tussen een zevental langwerpige kuilen (S187 t/m 194) in werkput 23 en een “silo-achtige” kuil (S186) in werkput 21. Op de bodems van de langwerpige kuilen zijn omgekeerde plaggen geplaatst, waarna de kuilen verder zijn opgevuld met brokken B- en C-horizont (Figuur 5-13). Mogelijk gaat het hierbij om mest- of 45

rootkuilen. Op grond van hun scherp begrensde vullingen kunnen deze kuilen worden gedateerd in de middeleeuwen of Nieuwe tijd.

Figuur 5-12 Sporenoverzicht deelgebied C.

46

Figuur 5-13 Doorsnede van kuil S192 met op de bodem de A- en E-horizonten van omgekeerde plaggen.

5.2

Vondst en

Pepijn Stet Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn in totaal 83 vondsten verzameld. Het vondstmateriaal is goed geconserveerd en bestaat voornamelijk uit keramiek (bouwmateriaal en vooral aardewerk), maar ook huttenleem, ijzer, metaalslakken, leisteen, steen en verbrande klei zijn aangetroffen. Het materiaal is zowel uit de grondsporen als de afdekkende bodemlagen verzameld. Al het aardewerk is geanalyseerd. Het overige vondstmateriaal is niet onderzocht omdat het om vondstcategorieën gaat die niet relevant zijn voor het beantwoorden van de onderzoeksvragen. Categorie

Aantal

Gewicht

Handgemaakt aardewerk

31

228

Aardewerk ME-NT

32

374

Romeins aardewerk

4

22

Bouwmateriaal

2

1159

Baksteen

1

280

Hutteleem

1

4

IJzer

4

61

Metaalslakken

3

582

Leisteen

1

5

Steen

3

79

Verbrande klei

1

4

Totaal

83

2798

47

5.2.1

Handgevormd aardewerk uit de late prehistorie en Romeinse tijd

Het proefsleuvenonderzoek heeft een kleine hoeveelheid handgevormd aardewerk opgeleverd (N= 31). Alle scherven zijn aangetroffen ter hoogte van deelgebied A1 (flank dekzandrug). Hiervan zijn vier stuks afkomstig uit sporen, 18 uit de oude akkerlaag (S5020) en negen uit het plaggendek (S5010). Omdat het scherfmateriaal slechts een klein complex betreft en alleen bestaat uit kleine fragmenten (gemiddeld gewicht per scherf 7 gr.), is een scherpe datering ervan onmogelijk. Om die reden zijn de scherven alleen gescand. Omdat het aardewerk hoofzakelijk gemagerd is met potgruis en of zand is een datering in grofweg de ijzertijd (wellicht nog net late bronstijd) en Romeinse tijd aannemelijk.11

5.2.2

Romeins import aardewerk

Tijdens het proefsleuvenonderzoek zijn vier fragmenten Romeins importaardewerk verzameld. Ook deze zijn afkomstig van deelgebied A: twee uit het plaggendek (S5010) en twee uit de oude akkerlaag (S5030). Het aardewerk is onderzocht op aardewerksoort en vormtype (Tabel 5-2).12 Alle vondsten zijn niet nauwkeuriger te dateren dan Romeinse tijd. Vondstnr. 13 zou zelfs ook nog uit de vroege middeleeuwen kunnen dateren. Vondstnr Put Spoor

Aantal

Soort aardewerk Datering

Opmerkingen

2.1

1

5010 1xwand dolium

Romeins

13.3

4

5010 1xwand ruwwandig

Romeins - vroege middeleeuwen Indet.

27.1

11

5030 1xwand indet.

Romeins?

Mogelijk amfora fragment

36.2 17 5030 1xwand gladwandig Romeins Tabel 5-2. Determinatie tabel Romeins importaardewerk.

5.2.3

Aardewerk uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd

Tijdens het onderzoek zijn in totaal 37 scherven aardewerk aangetroffen die dateren uit de middeleeuwen en Nieuwe tijd. Vier aardewerkfragmenten dateren uit de volle middeleeuwen. Twee scherven zijn van Pingsdorf aardewerk. Dit is een type hardgebakken, wat grover gemagerd en aardewerk dat van de 10e tot 13e eeuw werd geproduceerd, voornamelijk in het Duitse Rijnland. Het kenmerkt zich door een versiering met bruinrode motieven. Twee andere volmiddeleeuwse scherven zijn van Paffrath aardewerk. Dit handgemaakte aardewerk is afkomstig uit de productieplaats Paffrath, gelegen op de rechteroever van de Rijn ter hoogte van Keulen. Het verschijnt vanaf 950 en word vervaardigd tot ca. 1250. Echter, het gebruik in Nederland, waaronder Noord-Brabant, kent een hoogtepunt tussen de 11e en de 12e eeuw.13 Een scherf (V13) heeft een blauwgrijs baksel, maar erg klein en daardoor niet scherper te dateren dan 900 – 1400. Er zijn twaalf aardewerkfragmenten uit de late middeleeuwen aangetroffen. Het merendeel van deze fragmenten is afkomstig van grijsbakkend aardewerk (N=10). Dit type aardewerk komt voor vanaf de tweede helft 13 e t/m de 16e eeuw.14 De fragmenten waren typologisch niet nader te dateren. Twee andere laatmiddeleeuwse scherven hebben een harder baksel. De scherf van V7 is van Proto-steengoed.

Dit is een vroege vorm van steengoed dat in grofweg de 13e eeuw in het Rijn- en Maasgebied werd geproduceerd. De scherf V5 is van Bijna-steengoed, dat rond 1300 werd ontwikkeld als een overgangsfase tussen proto-steengoed en echt steengoed. Van het steengoed zijn vier scherven aangetroffen, waaronder fragmenten van een Westerwald kruik, een kruik en mogelijk een pispot van steengoed uit Frechen. De laatste vorm dateert op de overgang van late middeleeuwen naar Nieuwe tijd, de eerste twee kruiken zijn niet scherper te dateren dan 17e – 19e eeuw. 11 Van den Broeke 2012. 12 Bij de determinaties is gebruik gemaakt van Hiddink 2014, Vanvinckenroye 1867/68 & 1991, Haalebos 1990, Oelemann 1914, Stuart 1962

& 1976. 13 Verhoeven 2011a, 137-138 en 154. 14 Verhoeven 2012.

48

Er zijn negen fragmenten roodbakkend aardewerk verzameld. Het betreffen randscherven, waarvan één spaarzaam geglazuurd (V40). Door afwezigheid van verdere typologische kenmerken zijn deze fragmenten niet strakker te dateren dan de Nieuwe tijd. Drie scherven waren zo klein dat ze niet scherper dan middeleeuwen – Nieuwe tijd zijn gedateerd. Het overgrote deel van het aardewerk (N=35) is verzameld uit het plaggendek (S5010, S5017 en S5020) bij de aanleg van het vlak. Zo’n 85% hiervan dateert uit de late middeleeuwen en Nieuwe tijd, hetgeen past bij de algemene ouderdom van plaggendekken in Zuid-Nederland (vanaf 14e eeuw).15 Twee scherven zijn afkomstig uit en (V14 en V24). V14 komt uit greppelspoor 11 van vindplaats 4. V24 heeft een volmiddeleeuwse ouderdom maar is afkomstig uit een verkavelingsgreppel die ook op vroeg 19e eeuwse kaarten is te zien. De ouderdom van één individuele scherf biedt onvoldoende basis om de datering van de betreffende grondsporen op betrouwbare wijze vast te stellen.

Vondstnr

Put

Spoor

Aantal

Soort aardewerk

Datering

Opmerkingen

5.1

1

5020 1xwand

Bijna-steengoed (s4)

late middeleeuwen

13.1

4

5010 1xwand

Blauwgrijs (bg)

volle tot late middeleeuwen

2.2

1

5010 1xwand

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

5.1

1

5020 1xrand

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

6.1

6

5020 1xwand

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

13.1

4

5010 1xwand

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

14.1

3

5010 1xrand

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

24.1

10

5017 1xwand

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

32.1

14

5020 1xwand

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

33.1

14

144 1xwand

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

41.1

19

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

45.1

22

5010 1xwand 1xbodem 5010 / voet

Grijsbakkend (g)

late middeleeuwen

6.1

6

5020 1xident

indet.

middeleeuwen

13.1

4

5010 2xwand

indet.

middeleeuwen

31.1

12

5030 1xwand

middeleeuwen

11.1

4

5020 2xrand

indet. kogelpot aardewerk (kp)

39.1

18

5010 1xwand

Pingsdorf (pi)

volle middeleeuwen

46.1

24

190 1xwand

Pingsdorf (pi)

volle middeleeuwen

7.1

7

5020 1xwand

Proto-steengoed

late middeleeuwen

10.1

8

Roodbakkend (R)

Nieuwe tijd

40.1

19

5010 5xwand 3xrand en 5010 wand

Roodbakkend (R)

Nieuwe tijd

43.1

20

5010 1xvoet

Roodbakkend (R)

Nieuwe tijd

10.1

8

5010 1xrand

Steengoed (s2)

Nieuwe tijd

Westerwald kruik

10.1

8

5010 1xrand

Steengoed (s2)

Nieuwe tijd

44.1

20

1xbodem 5010 / voet

Steengoed (s2)

late middeleeuwen - begin Nieuwe tijd

Frechen Pispot? Fr. kruik met glazuur aan binnen en buitenzijde, geduimde voet

volle middeleeuwen

15 Verspay 2022.

49

Paffrath

Met engobe

Spaarzaam geglaarzuurd

6

Conclusie , waardering en advies

6.1

Conclusie

Op basis van de vastgestelde paleolandschappelijke en bodemkundige kenmerken kan worden geconcludeerd dat plangebied Ommel-Noord in een goed geconserveerd, geaccidenteerd dekzandlandschap ligt. Het oosten van deelgebied A (A1) ligt op de flank van de dekzandrug, het westelijke deel (A2) ligt ter hoogte van een venachtige laagte. Deelgebied C in een zone met lager gelegen dekzandgronden. Op het oorspronkelijke hogere deel wijst de overal aangetroffen oude akkerlaag op een beperkte verstoring van het oorspronkelijke oppervlak. Het natuurlijke bodemprofiel (een compacte veldpodzol) is hier weliswaar (vrijwel) volledig opgenomen in het akkerdek, maar buiten enkele greppels zijn diepe verstoringen niet aangetroffen. De onderkant van de oude akkerlaag vormt het archeologisch vlak voor zowel sporen uit de prehistorie en Romeinse tijd, als middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het akkerdek bestaat vermoedelijk voor de helft uit aangevoerd materiaal en heeft geleid tot een goede conservering van onderliggende sporen en akkerlaag. In de venachtige laagte van deelgebied (A2) is eveneens sprake van een goede conservering als gevolg van antropogene ophoging met een akkerdek. Met name aan de randzone van het veen zijn goed geconserveerde sporen en vondsten te verwachten van off-site activiteiten waaronder artefacten van hout en ander organisch materiaal.

Te denken valt aan waterputten, dumplocaties, rituele deposities en andere watergerelateerde vondsten. Voor het veenpakket in de uitblazingslaagte kan nog worden opgemerkt dat deze een mogelijk informatief archief vormt voor vegetatiereconstructies en reconstructies van agrarisch landgebruik, aan de hand van hier te verwachten goed geconserveerde botanische resten (pollen, macroresten). In de dekzandlaagte van deelgebied C ontbreken weliswaar het veen en de oude akkerlaag, maar zijn er geen aanwijzingen voor een hogere verstoringsgraad dan die in deelgebied A. Tijdens het veldwerk in deelgebied A zijn vier vindplaatsen aangetroffen: De noordelijke randzone van een reeds bekende Romeinse nederzetting (vindplaats 1). Hoewel hier geen huisstructuur kon worden geïdentificeerd, wijst de hoge dichtheid aan paalsporen in werkput 15 op de aanwezigheid van minstens één huisplaats. De randzone van een historisch erf met waterputten, kuilen en paalsporen. Waarschijnlijk is het erf omgreppeld (vindplaats 4), Vanwege de hoge verwachting op het aantreffen van waterputten en sporen van bijzondere activiteiten is de randzone van de venlaagte als afzonderlijke vindplaats afgebakend (vindplaats 5). Twee clusters met paalsporen, gelegen ten noorden van de inheems-Romeinse nederzetting van vindplaats 1.

Mogelijk betreft het geïsoleerd gelegen erven uit de ijzertijd of Romeinse tijd (vindplaats 6). In deelgebied C zijn uitsluitend sporen van agrarisch gebruik in de late middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen. Deze sporen zijn niet tot een vindplaats gerekend.

6.2

Waardering

Doel van het proefsleuvenonderzoek was het waarderen van archeologische resten binnen het onderzoeksgebied. Deze waardering dient te leiden tot een advies over de behoudenswaardigheid van de aangetroffen vindplaats(en). De toetsing van een vindplaats op zijn behoudenswaardigheid vindt plaats aan de hand van richtlijnen van de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) waarbij verschillende criteria een rol spelen: belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. Belevingswaarde De belevingswaarde valt uiteen in twee criteria: ‘schoonheid’ en ‘herinneringswaarde’. Omdat dit vooral van toepassing is op zichtbare monumenten, is het aspect belevingswaarde hier niet van toepassing. De waardestelling van de vindplaatsen in deelgebied A van Ommel-Noord vindt dan ook enkel plaats op basis van hun fysieke en inhoudelijke kwaliteit (Tabel 6-4).

6.2.1

Fysieke kwaliteit

Bij de beoordeling van de fysieke kwaliteit van een vindplaats vormen de mate van gaafheid en conservering de belangrijkste maatstaven. Onder ‘gaafheid’ wordt de verstoringsgraad en de stabiliteit van de fysieke omgeving verstaan; onder

50

‘conservering’ de staat waarin archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven. Aan de hand van beoordeling van al deze fysieke criteria komt vast te staan of de archeologische vindplaatsen behoudenswaardig zijn of niet. Een vindplaats wordt op basis van fysieke kwaliteit in principe als behoudenswaardig aangemerkt, indien de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren. Bij een middelmatige tot lage score (vier punten of minder), wordt vervolgens naar de inhoudelijke kwaliteitscriteria gekeken om te bepalen of een vindplaats toch behoudenswaardig is. Indien te verwachten is dat op een van de inhoudelijke criteria ‘hoog’ wordt gescoord, wordt de vindplaats ook in principe behoudenswaardig geacht. Is een dergelijke ‘hoge’ inhoudelijke score niet de verwachting, dan is een vindplaats niet behoudenswaardig. Vindplaatsen 1, 4 en 6 zijn alle gekoppeld aan de oude akkerlaag in top van het dekzandlandschap. Het feit dat deze oude akkerlaag bijna overal nog redelijk tot goed bewaard is gebleven, betekent dat de vindplaatsen slechts in beperkte mate door latere bodemingrepen zijn aangetast. De vindplaatsen kenmerken zich daarom door een hoge fysieke gaafheid (3 punten). Voor de lager gelegen vindplaats 5 geldt eenzelfde hoge gaafheid omdat hier alleen het veen deels is verstoord, en het onderliggende dekzand nog compleet intact is.

De conserveringstoestand van de vindplaatsen 1, 4 en 6 is gemiddeld (2 punten). Het aangetroffen anorganische vondstmateriaal is gefragmenteerd, zoals gebruikelijk bij nederzettingsafval, maar slechts in beperkte mate verweerd. Met betrekking tot organische vondsten en paleo-ecologisch materiaal is weliswaar geen onderzoek gedaan, maar op basis van de gemiddeld lage grondwaterstand (grondwatertrappen VI en VII) worden in ondiepe sporen alleen verkoolde organische resten verwacht. Alleen In diep ingegraven grondsporen die tot onder de grondwaterspiegel reiken kunnen ook verbrande en onverkoolde organische resten verwacht worden. Vindplaats 5 heeft een hoge conserveringstoestand (3 punten) omdat de sporen en vondsten zich in een zuurstofarme context bevinden (in of onder het veen) waardoor organische vondsten en paleo-ecologisch materiaal zowel in onverbrande als verkoolde toestand kunnen voorkomen. Omdat de criteria gaafheid en conservering samen bovengemiddeld (vijf of zes punten) scoren worden de vindplaats 1 en 46 op basis van hun fysieke kwaliteit in principe als behoudenswaardig aangemerkt.

6.2.2

Inhoudelijke kwaliteit

Vindplaatsen die op grond van hun fysieke kwaliteit in principe als behoudenswaardig zijn aangemerkt, worden vervolgens gewaardeerd op hun inhoudelijke kwaliteit. Eerst worden de inhoudelijke criteria ‘zeldzaamheidswaarde’, ‘informatiewaarde’ en ‘ensemblewaarde’ gewogen. Bij een bovengemiddelde score van zeven punten of meer wordt de vindplaats als behoudenswaardig aangemerkt. Is sprake van een lagere inhoudelijke waardering (minder dan zeven punten) dan wordt het criterium ‘representativiteit’ beoordeeld. Blijkt dit van toepassing te zijn dan wordt een voorstel gedaan voor een als behoudenswaardig aan te merken steekproef per categorie. De overige vindplaatsen zijn niet behoudenswaardig. Representativiteit is echter alleen van belang wanneer duurzaam in situ behoud gerealiseerd kan worden. Deze score is vanwege de aard van de planontwikkeling en de omvang van de vindplaatsen daarom niet relevant. Vindplaats 1 Vindplaats 1 (inheems-Romeinse nederzetting) is tijdens het onderzoek van deelgebied B als behoudenswaardig gewaardeerd (8 punten). Hiervoor worden in Cijntje & Tol (2024) de volgende argumenten gebruikt.

Hoewel in de nabijgelegen dekzandeilanden van Deurne en Someren nederzettingen uit de Romeinse tijd reeds grootschalig zijn opgegraven, komen dergelijke vindplaatsen op het dekzandeiland van Ommel slechts spaarzaam voor (zeldzaamheid 2 punten).16 De vindplaats heeft een hoge informatiewaarde (3 punten) dankzij haar uitzonderlijke gaafheid, die onderzoek naar nog weinig bekende elementen, zoals verdiepte stalgedeelten, mogelijk maakt. De ensemblewaarde is eveneens hoog (3) door de aanwezigheid van goed onderzochte Romeinse vindplaatsen op de aangrenzende dekzandeilanden van Deurne en Someren, waardoor inter-site analyse mogelijk is. Ook het feit dat het omringende oorspronkelijke landschap in westelijke, oostelijke en noordelijke richting in belangrijke mate redelijk tot goed bewaard is, draagt bij aan de hoge ensemblewaarde. Dit betekent namelijk dat de in dit landschap aanwezige delen van vindplaats 1 en mogelijk ook andere gelijktijdige complexen zoals grafvelden eveneens in potentie een hoge fysieke kwaliteit hebben. De randzone van vindplaats 1 die in deelgebied A is vastgesteld, vormt een integraal onderdeel van hetzelfde archeologische complex en bezit daarmee een vergelijkbare inhoudelijke kwaliteit. Daarom dient ook deze randzone als behoudenswaardig te worden aangemerkt. 16 De Boer & Hiddink 2009 en 2012; Hakvoort e.a.

2004; Hiddink & De Boer 2009 en 2011; Hiddink 2005, 2007 en 2008.

51

Vindplaats 4 Vindplaats 4 omvat een randzone met waterputten van een erf uit de late middeleeuwen en/of Nieuwe tijd. Historische erven in deze omgeving zijn niet zeldzaam, maar nog niet vaak onderzocht (zeldzaamheid 2 punten). De archeologische resten van het erf kunnen inzicht bieden in de historische bewoning van het buitengebied van Ommel. Goed bewaarde resten van erfelementen kunnen informatie opleveren over bouwtechnieken, erfindeling en mogelijke agrarische of ambachtelijke activiteiten. De vindplaats heeft daarmee een hoge informatiewaarde (3 punten). De ensemblewaarde is eveneens hoog (3 punten) omdat in de regio meer historische erven bewaard zijn gebleven, waardoor vergelijkend onderzoek mogelijk is. Vindplaats 5 Vindplaats 5 betreft een landschappelijke zone waarin sporen van waterputten en sporen van specifieke activiteiten worden verwacht die samenhangen met de nabijgelegen bewoning in de late prehistorie en Romeinse tijd (vindplaatsen 1, 2 en 6). Dergelijke structuren in goede bewaarde natte contexten zijn in de omgeving van het onderzoeksgebied (dekzandeiland van Ommel) maar nauwelijks systematisch onderzocht, zeker niet in combinatie met de bijbehorende bewoning (zeldzaamheid 3).17 De informatiewaarde is hoog (3).

Dankzij de uitzonderlijk goede gaafheid en conserveringstoestand van de vindplaats kan het specifieke gebruik ervan, evenals de relatie met de bijbehorende bewoning, onderzocht worden. De ensemblewaarde is eveneens hoog (3) door de aanwezigheid van goed onderzochte ijzertijd- en Romeinse vindplaatsen op de aangrenzende dekzandeilanden van Deurne en Someren, waardoor inter-site analyse mogelijk is. Vindplaats 6 Vindplaats 6 bestaat uit één of meer verspreid gelegen erven uit de ijzertijd en/of Romeinse tijd. Vindplaats 6 wordt gekarakteriseerd door een hoge inhoudelijke kwaliteit (score: 8 punten), op grond van dezelfde argumenten als die zijn gehanteerd bij de beoordeling van vindplaats 1. Scores Waarden

Criteria

Vindplaats 1

Vindplaats 4

Vindplaats 5

Vindplaats 6

Beleving

Schoonheid Herinneringswaarde Gaafheid Conservering

3 2

3 2

3 3

3 2

Zeldzaamheid

2

2

3

2

Informatiewaarde

3

3

3

3

Ensemblewaarde

3

3

3

3

Representativiteit

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

N.v.t.

Fysieke kwaliteit Inhoudelijke kwaliteit

Tabel 6-1 Waarderingstabel vindplaatsen. Belevingswaarde wordt niet gescoord.

6.2.3

Conclusie

Op basis van een bovengemiddelde inhoudelijke kwaliteit (8 of 9 punten) zijn de in deelgebied A gelegen (delen van) vindplaats 1 en 4-6 als behoudenswaardig gewaardeerd.

6.3

Selectiea dvies

Archol acht de in deelgebied A gelegen (delen van) vindplaatsen 1 en 4-6 behoudenswaardig (Figuur 2-4). Voor alle vier de vindplaatsen wordt in situ behoud geadviseerd. In situ behoud betekent dat de vindplaats in de bodem fysiek beschermd wordt door het nemen van inrichtings-en beheermaatregelen die (verdere) aantasting van de vindplaats voorkomen. Indien in situ behoud niet mogelijk is, dienen de genoemde vindplaatsen ex situ behouden te worden. Ex situ behoud betekent het middels een opgraving documenteren van de archeologische informatie van een vindplaats.

17 De Boer & Hiddink 2009 en 2012; Hakvoort e.a. 2004; Hiddink & De Boer 2009 en 2011; Hiddink 2005, 2007 en 2008.

52

In deelgebied C zijn geen behoudenswaardige resten aangetroffen. Dit deelgebied kan wat Archol betreft in principe worden vrijgegeven voor de voorgenomen ontwikkelingen. Verder wordt geadviseerd om met de vrijgave te wachten totdat een eventuele opgraving van de vindplaatsen is uitgevoerd. In deelgebied A2 (venachtige laagte) zijn geen bodemingrepen voorzien. Wel wordt geadviseerd om ter hoogte van de venachtige laagte) een gericht onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van deposities in of onder het veen omdat niet is uit te sluiten dat deze ter plaatse aanwezig zijn (zie paragraaf 4.2). Gedacht kan worden aan en non-destructief geofysisch onderzoek naar deposities van metalen voorwerpen. Op basis van de bevindingen van het onderzoek neemt de gemeente Asten een formeel besluit.

Figuur 6-1 Plangebied met de behoudenswaardige vindplaatsen 1 en 3-6, de in potentie behoudenswaardige vindplaats 2 en de in principe vrij te geven terreindelen.

53

6.4

Beantwoording onderzoeksvragen

Algemeen (vragen 1-3; vraag 4 n.v.t.): 1. Zijn er, aanwijzingen voor, archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) binnen het onderzoeksgebied aanwezig? 2. In welke mate houden de archeologische sporen en vondsten, indien aanwezig, verband met de aangetroffen vindplaatsen in deelgebied B? 3. Is er een verwachting dat buiten het plangebied nog resten van de aangetroffen sites aanwezig zijn en wat is de verwachting omtrent de fysische en inhoudelijke kwaliteit daarvan? 4. Indien het onderzoek geen archeologische resten of beperkte archeologische fenomenen (bijvoorbeeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Tijdens het veldwerk in deelgebied A zijn vier vindplaatsen aangetroffen: De noordelijke randzone van een reeds bekende Romeinse nederzetting (vindplaats 1). Hoewel hier geen huisstructuur kon worden geïdentificeerd, wijst de hoge dichtheid aan paalsporen in werkput 15 op de aanwezigheid van minstens één huisplaats. Onduidelijk is of de erven volledig of slechts deels binnen deelgebied A liggen. De randzone van een historisch erf met waterputten, kuilen en paalsporen (vindplaats 4). Waarschijnlijk is het erf omgreppeld Dit historisch erf zal zich voor het grootste gedeelte ten zuidoosten van deelgebied A uitstrekken, ter plaatse van het huidige erf aan de Kloosterstraat 35.

Waarschijnlijk is het geen voorloper van dit huidige erf, omdat de historische kaarten uit de eerste helft van de 20e eeuw hier geen bebouwing laten zien. Mogelijk lag het historische erf aan een voorloper van de landweg die in de 19e eeuw van zuidwest naar noordoosten het plangebied doorkruist. Vanwege de hoge verwachting op het aantreffen van waterputten en sporen van bijzondere activiteiten is de randzone van de venlaagte als afzonderlijke vindplaats afgebakend (vindplaats 5). De vindplaats loopt in noordelijke en zuidelijke richting tot buiten het plangebied door. Twee clusters met paalsporen, gelegen op enige afstand van de inheems-Romeinse nederzetting van vindplaats 1. Mogelijk betreft het geïsoleerd gelegen erven uit de ijzertijd of Romeinse tijd (vindplaats 6). In deelgebied C zijn uitsluitend sporen van agrarisch gebruik in de late middeleeuwen en Nieuwe tijd aangetroffen. Deze sporen zijn niet tot een vindplaats gerekend. Gaafheid en conservering van de vindplaatsen: 5. In welke lagen en/of zones bevinden zich gave en goed geconserveerde archeologische resten of waar zijn ze te verwachten? 6. Wat is de mate van conservering en gaafheid van de archeologische resten? De sporen van vindplaatsen 1, 4 en 6 bevinden zich op de flank van een dekzandrug waar overal een oude akkerlaag is aangetroffen.

De aanwezigheid van deze laag wijst op een beperkte verstoring van het oorspronkelijke oppervlak. Het natuurlijke bodemprofiel (een compacte veldpodzol) is hier weliswaar (vrijwel) volledig opgenomen in het akkerdek, maar buiten enkele greppels zijn diepe verstoringen niet aangetroffen. De onderkant van de oude akkerlaag vormt het archeologisch vlak voor zowel sporen uit de prehistorie en Romeinse tijd, als middeleeuwen en Nieuwe tijd. Het akkerdek bestaat vermoedelijk voor de helft uit aangevoerd materiaal en heeft geleid tot een goede conservering van onderliggende sporen en akkerlaag. Vindplaats 5 ligt op de overgang naar de venachtige laagte (A2). Hier is eveneens sprake van een goede conservering als gevolg van antropogene ophoging met een akkerdek. Met name aan de randzone van het veen zijn goed geconserveerde sporen en vondsten te verwachten van off-site activiteiten waaronder artefacten van hout en ander organisch materiaal. Te denken valt aan waterputten, dumplocaties, rituele deposities en andere watergerelateerde vondsten. Voor het veenpakket in de uitblazingslaagte kan nog worden opgemerkt dat deze een mogelijk informatief archief vormt voor vegetatiereconstructies en reconstructies van agrarisch landgebruik, aan de hand van hier te verwachten goed geconserveerde botanische resten (pollen, macroresten).

In de dekzandlaagte van deelgebied C ontbreken weliswaar het veen en de oude akkerlaag, maar zijn er geen aanwijzingen voor een hogere verstoringsgraad dan die in deelgebied A. Perioden en sites: 7. Indien er archeologische resten aanwezig zijn, kunnen er aparte vindplaatsen onderscheiden worden, en zo ja, op welke gronden?

54

8. 9.

Wat is de begrenzing en de ruimtelijke spreiding, zowel in horizontale als verticale zin, van de vindplaatsen en wat is de onderlinge samenhang? Wat is per vindplaats in het plangebied: a. De ligging (inclusief diepteligging) en begrenzing b. De geologische en/of bodemkundige eenheid c. De stratigrafie d. De omvang (inclusief verticale dimensies) e. Aard /complextype / functie f. De samenstelling van de archeologische resten (grondsporen en mobilia) g. De vondst- en spoordichtheid h. De ouderdom, periodisering, typo-chronologische classificatie

Vindplaats 1 (deelgebieden A en B, totaal) Complextype Inheemse nederzetting Datering Late ijzertijd-Romeinse tijd Omvang, ligging 22.000 m², omvat het westelijke, centrale en zuidelijke deel van het plangebied Diepteligging Ca. 24,95 tot 24,25 m +NAP/95-125 cm -mv, gekoppeld aan de oude akkerlaag in de top van het dekzand Centrumcoördinaten 180.355/381.955 Spoordichtheid Hoge spoordichtheid (gemiddeld ruim 1 spoor per 5 m²) Vondstdichtheid Hoog. Vindplaats 4 Datering Complextype Omvang Diepteligging Centrumcoördinaten Spoordichtheid Vondstdichtheid

Late middeleeuwen-Nieuwe tijd Mogelijk erf Ca. 3.200 m², gelegen in het noordwesten van het plangebied binnen vindplaats 1 Ca. 22,95 tot 23,40 m +NAP/130-150 cm -mv 180.115/381.995 Hoog Gemiddeld

Vindplaats 5 Datering Complextype Omvang Diepteligging

late prehistorie-Romeinse tijd Off-site 2000 m², randzone venachtige laagte in deelgebied A Ca. 23,30 tot 24,50 m +NAP/75-110 cm -mv. Vanaf veenlaag.

Centrumcoördinaten Spoordichtheid Vondstdichtheid

180.000/382.100 Laag Laag

Vindplaats 6 Datering Complextype Omvang, ligging Diepteligging Centrumcoördinaten Spoordichtheid Vondstdichtheid

Late prehistorie-Romeinse tijd Bewoning 5.400 m², in het noorden van deelgebied A1. Ca. 23,90 tot 24,60 m +NAP/120-130 cm -mv, gekoppeld aan de oude akkerlaag in de top van het dekzand 180.075/382.065 Hoog Laag

10. Zijn er aanwijzingen voor landgebruik (off-site-patronen) in de zin van onder andere wegen, perceelsindeling, akkers, grondstofwinning, vennen, et cetera? In deelgebied A2 is een met veen gevulde laagte aanwezig met op de overgang naar de dekzandrug aanwijzingen voor specifieke activiteiten (houtskoolmeilers). In het oosten van deelgebied A1 is, gekoppeld aan de jongste laag van het 55

plaggendek, een zuidwest–noordoost georiënteerd karrenspoor gedocumenteerd, dat eerder in deelgebied B is waargenomen. Dit spoor kan worden geïnterpreteerd als een restant van de historische landweg die op de kadastrale minuut van 1811-1832 staat afgebeeld. In deelgebied C zijn resten van de historische verkaveling opgetekend, alsmede een cluster kuilen die mogelijk als mest- of rootkuilen (wp 24) dienst hebben gedaan. 11. Zijn er aanwijzingen voor agrarische en/of ambachtelijke activiteiten? Zo ja, waaruit blijkt dat en welke kenmerken zijn hieraan naar analogie van vraag 9 te geven? De enige aanwijzingen mogelijke aanwijzingen voor agrarische activiteiten zijn de mogelijke potstal uit de late middeleeuwen of Nieuwe tijd in deelgebied A1 (wp 13) en de mogelijke mest- of rootkuilen in deelgebied C (wp 24). Beide elementen dateren uit de late middeleeuwen of Nieuwe tijd. 12. Kunnen meerdere bewoningsfasen (relatief en absoluut) onderscheiden worden? Het onderzoek heeft bewoningsfasen in de ijzertijd (of late bronstijd; vindplaats 6), Romeinse tijd (vindplaats 1) en late middeleeuwen-Nieuwe tijd (vindplaats 4) vastgesteld. 13. Wanneer en waarom zijn de sites en de vindplaats in zijn geheel verlaten of in onbruik geraakt? Hierover zijn geen aanwijzingen verzameld. Landschap en bodem: 14. Wat is de fysiek-landschappelijke ligging van de vindplaatsen (o.a.

geologie, bodemkunde, geomorfologie, afstand tot water, reliëf)? 15. Hoe is de opbouw van het profiel in bodemkundige zin? Wat zijn de kenmerken van de stratigrafische eenheden? Is er sprake van loopvlakken, begraven bodems, ophogingslagen of cultuurlagen? 16. Wat is de aard en bodemgesteldheid van de laagte in deelgebied A2? Op basis van de vastgestelde paleolandschappelijke en bodemkundige kenmerken kan worden geconcludeerd dat plangebied Ommel-Noord in een goed geconserveerd, geaccidenteerd dekzandlandschap ligt. Het oosten van deelgebied A (A1) ligt op de flank van de dekzandrug, het westelijke deel (A2) ligt ter hoogte van een venachtige laagte. Deelgebied C in een zone met lager gelegen dekzandgronden. De hoogteligging van de sporenvlakken (top C-horizont) in de proefsleuven volgt grotendeels het reliëf van het maaiveld, behalve in deelgebied C, waar het vlak lager ligt door een uitzonderlijk dik akkerpakket. In de venachtige depressie (deelgebied A2) is een veenlaag van 5 tot 15 cm dik aangetroffen, afgedekt door een akkerpakket van ongeveer 50 cm. De top van het veen is deels vermengd met het akkerdek, en daaronder bevindt zich een intact veldpodzolprofiel. Uit boringen blijkt dat de depressie een vlakke bodem heeft zonder dieper middendeel, met een gelijkmatige veendikte.

Onder het veen ligt siltrijk, zeer fijn zand dat zorgt voor een slecht doorlatende bodem, wat leidde tot natte omstandigheden en veenvorming. Het hoge siltgehalte ontbreekt op de hogere dekzanddelen ten oosten van het buiten het ven, ook

niet dieper in het bodemprofiel (>2,0 m -mv. Vermoedelijk is het siltrijke sediment na het ontstaan van de uitblazingslaagte hierin terecht gekomen door lokale verspoeling en verwaaiing van het fijnste materiaal uit de directe omgeving. Op het dekzandplateau (deelgebieden A1 en A2) komt een siltarm zandpakket voor tot een diepte van minstens 2 m, zonder duidelijke sedimentaire of cryoturbate structuren. De bodem is waarschijnlijk gevormd in een leemarm Oud Dekzandlandschap. De bovenlaag bestaat uit een circa 1 m dik akkerpakket met meerdere sublagen die sporen van houtskool bevatten. Aan de basis bevindt zich een oude akkerlaag met handgevormd aardewerk, die in bijna alle sleuven werd aangetroffen. De oorspronkelijke bodem is grotendeels opgenomen in het akkerpakket, al is in één put nog een overgang naar een veldpodzol te herkennen. Op basis van de gemiddelde dikte van veldpodzolen wordt aangenomen dat ongeveer 0,5 m grond is aangevoerd. In deelgebied C is het akkerdek nog dikker, gemiddeld 1,5 meter, en ontbreekt de oude akkerlaag. Onder dit pakket ligt direct de C-horizont of de resten van een veldpodzol met een moerige toplaag. Beide tonen sterke roestverschijnselen, wat wijst op langdurige natte omstandigheden.

De diepe ligging van het onderzochte vlak bevestigt dat hier sprake is van een dekzandlaagte, die door de dikke ophogingslaag in het huidige reliëf niet meer zichtbaar is. 17. Wat is het paleo-ecologische potentieel van het plangebied? Zijn er locaties die voor analyse bemonsterd kunnen worden? Voor het veenpakket in de uitblazingslaagte kan worden opgemerkt dat deze een mogelijk informatief archief vormt voor vegetatiereconstructies en reconstructies van agrarisch landgebruik, aan de hand van hier te verwachten goed geconserveerde botanische resten (pollen, macroresten).

56

18. Kan aan de hand van archeologisch vondstmateriaal uit het akkerdek een uitspraak worden gedaan over de ouderdom en/of de vorming van dit akkerdek? Er zijn onvoldoende vondsten uit het akkerdek die uitspraken over de datering ervan toelaten. 19. Welke postdepositionele processen hebben zich afgespeeld en wat is het effect daarvan op de archeologische resten? Vanaf de late middeleeuwen is door plaggenbemesting een plaggendek ontstaan. De introductie van de plaggenbemesting is niet gepaard gegaan met diepere bodemingrepen, zodat de onderliggende akkerlaag en grondsporen slechts in zeer beperkte mate zijn aangetast geraakt.

57

Literatuur Bakker, H. de & J. Schelling, 1989. Systeem van bodemclassificatie voor Nederland. De hogere niveaus. Wageningen. Ball, E.A.G. & R.M. van Heeringen (red.), 2016. Westelijk Noord-Brabant in het Malta-tijdperk. Synthetiserend onderzoek naar de bewoningsgeschiedenis van het westelijk deel van het Brabants zandgebied. RCE, Amersfoort (NAR 051). Ball, E.A.G. & R. Jansen (red.), 2018. Drieduizend jaar bewoningsgeschiedenis van oostelijk Noord-Brabant. Synthetiserend onderzoek naar locatiekeuze en bewoningsdynamiek tussen 1500 v. Chr. en 1500 n. Chr. op basis van archeologisch onderzoek in het Malta-tijdperk (deel 1/2). RCE, Amersfoort (NAR 061). Boer, E. de, & H.A. Hiddink, 2009: Opgravingen aan de Ter Hofstadlaan te Someren. Een nederzetting en grafveld uit de late ijzertijd en Romeinse tijd en erven uit de volle middeleeuwen, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 37). Boer, E. de, & H.A. Hiddink, 2012: Opgravingen in Waterdael III te Someren Deel 2. Bewoningssporen uit de latere prehistorie, de vroege en volle middeleeuwen, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 50). Broeke, P.W. van den, 2012. Het handgevormde aardewerk uit de IJzertijd en de Romeinse tijd van Oss-Ussen. Studies naar de typochronologie, technologie en herkomst, Leiden. Brunsting, H., 1937: Het grafveld onder Hees bij Nijmegen.

Een bijdrage tot de Kennis van Ulpia Noviomagus, Amsterdam (Archeologische-historische bijdragen 4). Cijntje, D., P. Stet en A.J. Tol, 2024. Een inheems-Romeinse nederzetting op de flank van een dekzandrug Proefsleuvenonderzoek in plangebied Ommel-Noord (Gemeente Asten). Archol Rapport 817 Haalebos, J.K., 1990: Het grafveld van Nijmegen-Hatert. Een begraafplaats uit de eerste drie eeuwen na Chr. Op het platteland bij Noviomagus Batavorum, Nijmegen (beschrijving van de verzamelingen in het provinciaal museum G.M. Kam te Nijmegen 11). Hakvoort, S., F.P. Kortlang & M. Wesdorp, 2004: Archeologisch onderzoek op de Hoge Akkers en de Ripsvelden bij Someren. Bewoning uit de IJzertijd en de Romeinse tijd, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 15). Hiddink, H.A., 2005: Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven in het plangebied Deurne-Binderen Zuid (Groot Bottelsche Akker). (Zuidnederlandse Archeologische Notities 44) ACVU-HBS, Archeologisch Centrum Vrije Universiteit, Amsterdam. Hiddink, H.A., 2007: Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven in het plangebied Deurne-Binderen Zuid, fase 2 (Groot Bottelsche Akker). (Zuidnederlandse Archeologische Notities 103) ACVU-HBS, Archeologisch Centrum Vrije Universiteit, Amsterdam. Hiddink, H.A., 2008: Archeologisch onderzoek op de Groot Bottelsche Akker bij Deurne.

Bewoning uit de Steentijd, IJzertijd, Romeinse tijd, Vroege en Volle Middeleeuwen, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 33). Hiddink, H.A., 2014. Materiaal en Methode 2: Romeins aardewerk van de Zuid-Nederlandse zandgronden. VUHBS/Vrije Universiteit, Amsterdam. Hiddink, H.A., & E. de Boer, 2009: Opgravingen aan de Ter Hofstadlaan te Someren, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 37). Hiddink, H.A., & E. de Boer, 2011: Opgravingen in Waterdael III te Someren I. Grafvelden en begravingen uit de ijzertijd en Romeinse tijd, Amsterdam (Zuidnederlandse Archeologische Rapporten 42). Klooster, E. van der, 2023. Archeologisch bureauonderzoek Kloosterstraat - Hogeweg te Ommel (percelen Asten M 488 en 643), Gemeente Asten. KSP-rapport 23217. Luling, L. van, 2025. Programma van eisen. Asten – Ommel Noord, deelgebieden A en C. Kragten rapport KAR-13.

58

Meurkens, L. & E. Heunks, 2022. Een urnenveld op de Aarlesche Heide opnieuw onderzocht. Resultaten van een archeologisch en aardwetenschappelijk onderzoek in het plangebied Eindhoven‐Wegenstructuur Brainportpark (Gemeentes Eindhoven, Oirschot en Best). Archol-rapport 610. Archol bv, Leiden. Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong, 2003. De ondergrond van Nederland. Houten. Oelmann, F., 1914: Die Keramik des Kastells Niederbieber, Frankfurt a.M. (MRGK1). Pierik, H.J., 2017. Past Human-landscape interactions in The Netherlands. Reconstructions from sand belt to coastal-delta plain for the first millennium AD. Utrecht Studies in Earth Sciences 139. Schokker, J., 2003. Patterns and processes in a Pleistocene fluvio-aeolian environment. Nederlandse Geografen Studies 314. Schokker, J., Weerts, H.J.T., Westerhoff, W.E., Berendsen, H.J.A., Den Otter, C., 2007. Introduction of the Boxtel Formation and implications for the Quaternary lithostratigraphy of the Netherlands. Netherlands Journal of Geosciences / Geologie en Mijnbouw, 86, 197-210. Stouthamer, E., K.M. Cohen & W.Z. Hoek, 2015. De vorming van het land. Geologie en geomorfologie. Zevende geheel herziene druk. Utrecht. Stuart, P., 1962: Gewoon aardewerk uit de Romeinse legerplaats en de bijbehorende Grafvelden te Nijmegen, Leiden (supplement OMROL 43).

Stuart, P., 1976: Een Romeins Grafveld uit de eerste eeuw te Nijmegen. Onversierde sigillata en gewoon aardewerk, OMROL 57, 1-148. Uitgeverij Nieuwland, 2008. Historische Atlas, ca. 1836-1843. Noord-Brabant, schaal 1:25.000. Tilburg. Vanvinckenroye, W., 1967/68. Naamstempels op Terra sigillata van Heerlen. Analytische inventaris van de pottenbakkersmerken op onversierde terra sigillata, PSHAL 103/104, 1-33. Vanvinckenroye, W., 1991: Gallo-Romeins aardewerk van Tongeren, Tongeren/Hasselt (PGRMT 44). Verspay, J., 2022. Het agrarische cultuurlandschap in de middeleeuwen en Nieuwe tijd. In: L. Meurkens & E. Blom, Nederzettingen en graven van de bronstijd tot en met de middeleeuwen en een erf uit de Nieuwe tijd. Resultaten van drie opgravingscampagnes (2016-2019) in het plangebied Veldhoven – Huysackers (gemeente Veldhoven), Leiden/Amersfoort (Archol Rapport 587 / ADC rapport 5950), 64-77. Vos, P., J. Bazelmans, M. van der Meulen & H. Weerts, 2018. Atlas van Nederland in het Holoceen. Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam. Digitaal beschikbaar op www.archeologieinnederland.nl. Westerhoff, W.E., T.E. Wong en E.F.J. de Mulder, 2003. Opbouw van de ondergrond, in: Mulder, E.F.J. de, M.C. Geluk, I.L. Ritsema, W.E. Westerhoff en T.E. Wong (red.): De ondergrond van Nederland, Groningen/Houten, 247-352.

59

Lijst van figuren Figuur 1-1 Ligging plangebied en onderzoeksgebied. Figuur 1-2 Overzicht van het deelgebied A vanuit het zuidwesten richting het noordoosten. Figuur 2-1 Geomorfologische kaart (bron: Alterra). Figuur 2-2 Het plangebied op het Actueel Hoogtebestand Nederland (naar Kortlang & Van Luling 2024, bijlage 7AHN. Figuur 2-3 Bodemkaart (bron: Alterra). Figuur 2-4 Plangebied met de behoudenswaardige vindplaatsen 1 en 3, de in potentie behoudenswaardige vindplaats 2 en het in principe vrij te geven terreindeel. Figuur 2-5 Verspreidingskaart Archeologische waarnemingen (Archis, amateur-meldingen etc) met uitsnede. Figuur 2-6 Historische kaart(en). Figuur 3-1 Sleuvenkaart met nummers en beschreven profielen. In het westen van deelgebied A de landschappelijke boringen met nummers. Figuur 3-2 Deelgebied A. Sleuvenkaart met nummers en beschreven profielen. In het westen de landschappelijke boringen met nummers. Figuur 3-3 Deelgebied C. Sleuvenkaart met nummers en beschreven profielen. Figuur 4-1 Oppervlaktereliëf ter hoogte van de verschillende deelgebieden. Figuur 4-2 Vlakhoogtereliëf van de proefsleuven in de verschillende deelgebieden. Figuur 4-3 Put 1, zuidprofiel. Lithogenetische en bodemkundige opbouw van de uitblazingslaagte.

Figuur 4-4 Lithogenetisch/ bodemkundig profiel ter hoogte van venachtige laagte (put 1) en oostelijke aangrenzende rand van het dekzandplateau (put 2). Voor ligging profiel zie figuur 6.2. Figuur 4-5 Put 4.01, zuidprofiel: representatief bodemprofiel ter hoogte van het dekzandplateau. Figuur 4-6 Put 23.01 noordprofiel. Representatief profiel deelgebied C met een dik antropogeen opgebracht akkerdek en (restanten) van een veldpodzolbodem daaronder. Figuur 5-1 Sporenoverzicht plangebied Asten Ommel-Noord. Figuur 5-2 Sporenoverzicht deelgebied A. Figuur 5-3 Sporenkaart werkput 15. Figuur 5-4 Zuidprofiel van werkput 14 met onder het akkerdek de grijze vulling van greppel S139. Figuur 5-5 Sporenoverzicht werkputten 6, 13 en 14. Figuur 5-6 Karrensporen in het noordprofiel van werkput 14. Figuur 5-7 Sporenoverzicht werkputten 3 en 4. Figuur 5-8 Doorsnede van kuil S72 in werkput 3. Figuur 5-9 Paalspoor S50 uit werkput 3. Figuur 5-10 Laatprehistorische paalsporen in het vlak van werkput 4. Figuur 5-11 Sporenoverzicht werkput 7. Figuur 5-12 Sporenoverzicht deelgebied C. Figuur 5-13 Doorsnede van kuil S192 met op de bodem de A- en E-horizonten van omgekeerde plaggen. Figuur 6-1 Plangebied met de behoudenswaardige vindplaatsen 1 en 3-6, de in potentie behoudenswaardige vindplaats 2 en de in principe vrij te geven terreindelen.

Lijst van tabellen Tabel 1.1 Administratieve gegevens. Tabel 1.2 Samenstelling onderzoeksteam. Tabel 5.1 Sporen per categorie en type. Tabel 5-3. Determinatie tabel Romeins importaardewerk. Tabel 6-1 Waarderingstabel vindplaatsen. Belevingswaarde wordt niet gescoord.

60

Bijlage I Sporenlijst rap_bijlage_sporen diepte

nap (m)

spoor omschrijving

velddatering

1

natuurlijke verstoring

onbekend

22,961

2

natuurlijke verstoring

onbekend

22,924

3

natuurlijke verstoring

onbekend

22,92

4

natuurlijke verstoring

onbekend

22,941

5

natuurlijke verstoring

onbekend

22,935

6

natuurlijke verstoring

onbekend

22,949

7

natuurlijke verstoring

onbekend

22,96

8

natuurlijke verstoring

onbekend

22,963

9

natuurlijke verstoring

onbekend

22,937

10

natuurlijke verstoring

onbekend

22,959

11

natuurlijke verstoring

onbekend

22,96

12

natuurlijke verstoring

onbekend

22,954

13

natuurlijke verstoring

onbekend

22,945

14

natuurlijke verstoring

onbekend

22,965

15

natuurlijke verstoring

onbekend

22,954

16

natuurlijke verstoring

onbekend

22,96

17

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

18

natuurlijke verstoring

onbekend

22,949

19

natuurlijke verstoring

onbekend

22,956

20

natuurlijke verstoring

onbekend

22,976

21

natuurlijke verstoring

onbekend

23,002

22

natuurlijke verstoring

onbekend

23

23

natuurlijke verstoring

onbekend

22,997

24

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

25

natuurlijke verstoring

onbekend

22,968

26

natuurlijke verstoring

onbekend

22,955

27

natuurlijke verstoring

onbekend

22,962

28

natuurlijke verstoring

onbekend

22,971

29

natuurlijke verstoring

onbekend

22,974

30

natuurlijke verstoring

onbekend

22,974

31

natuurlijke verstoring

onbekend

22,967

32

natuurlijke verstoring

onbekend

22,959

33

natuurlijke verstoring

onbekend

22,96

34

natuurlijke verstoring

onbekend

22,932

35

natuurlijke verstoring

onbekend

22,924

36

natuurlijke verstoring

onbekend

22,947

37

natuurlijke verstoring

onbekend

22,93

17

20

61

opmerking

22,976 mogelijke pk. Met hout

22,982 mogelijke pk. Of nv?

rap_bijlage_sporen diepte

nap (m)

spoor omschrijving

velddatering

38

natuurlijke verstoring

onbekend

22,958

39

natuurlijke verstoring

onbekend

22,967

40

natuurlijke verstoring

onbekend

22,987

41

natuurlijke verstoring

onbekend

23,019

42

Houtskoolmeiler

middeleeuwen

43

natuurlijke verstoring

onbekend

44

vlek

onbekend

45

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,369

46

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,38

47

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,449

48

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,437

49

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,423

50

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

51

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,475

52

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,477

53

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,477

54

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,497

55

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,474

56

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,476

57

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,503

58

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,505

59

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

60

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,515

61

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,516

62

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,516

63

kuil

middeleeuwen

64

karrespoor

middeleeuwen

20

24,338 Brandkuil 24,504

10

22

20

8

24,495

24,447

24,509

24,623 24,781

62

opmerking

rap_bijlage_sporen diepte

nap (m)

spoor omschrijving

velddatering

65

natuurlijke verstoring

onbekend

24,516

66

natuurlijke verstoring

onbekend

24,577

67

natuurlijke verstoring

onbekend

24,661

68

natuurlijke verstoring

onbekend

24,686

69

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,69

70

natuurlijke verstoring

onbekend

24,685

71

natuurlijke verstoring

onbekend

24,677

72

kuil

romeinse tijd

73

natuurlijke verstoring

onbekend

74

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24,477

75

vlek

onbekend

23,138

76

vlek

onbekend

23,18

77

greppel

middeleeuwen

23,121

78

greppel

middeleeuwen

23,168

79

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

23,194

80

kuil

middeleeuwen

16

23,298

81

waterput

middeleeuwen

180

23,223 Uitgeboord WP180cm op 150cm hout aangetroffen

82

greppel

middeleeuwen

23,192

83

greppel

middeleeuwen

23,207

84

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

23,192 Mogelijk pk. Spoor zit in putwand.

85

natuurlijke verstoring

middeleeuwen

23,194

86

natuurlijke verstoring

middeleeuwen

23,206

87

natuurlijke verstoring

middeleeuwen

23,232

88

natuurlijke verstoring

middeleeuwen

23,257

89

karrespoor

middeleeuwen

25,11

90

natuurlijke verstoring

middeleeuwen

23,399

91

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

92

natuurlijke verstoring

middeleeuwen

93

vlek

middeleeuwen

94

natuurlijke verstoring

middeleeuwen

95

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

96

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,68

97

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,771

98

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,743

99

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,738

100

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,739

30

opmerking

24,696 24,655

20

23,4 23,382

6

23,499 23,593

16

63

23,711

rap_bijlage_sporen diepte

nap (m)

spoor omschrijving

velddatering

101

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,745

102

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,777

103

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,793

104

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,771

105

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,891

106

vlek

romeinse tijd

107

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

23,964 restand akkerpakket

108

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,024 waarschijnlijk restant akkerpakket

109

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,054

110

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,086

111

greppel

middeleeuwen

24,183

112

greppel

middeleeuwen

24,506

113

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,685

114

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,688

115

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,635

116

kuil

romeinse tijd

24

24,67

117

spitspoor

middeleeuwen

30

24,509 spitsporen. In lijn met karrespoor andere put?

118

spitspoor

onbekend

5

24,478

119

karrespoor

middeleeuwen

120

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,737

121

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,71

122

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,789

123

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,768

124

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,777

125

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

24,812

126

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

127

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

128

natuurlijke verstoring

romeinse tijd

129

greppel

middeleeuwen

130

karrespoor

middeleeuwen

131

kuil

middeleeuwen

132

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

23,272

133

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

23,21

134

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

23,231

135

greppel

middeleeuwen

23,166

136

greppel

middeleeuwen

23,223

137

kuil

middeleeuwen

23,209

22

opmerking

23,946 mogelijke paalkuil

Niet ingemeten. Sporen waren hogerop zichtbaar.

10

24,804 24,798 24,067

40

23,231 23,949

45

64

23,22

2x geboord

rap_bijlage_sporen diepte

nap (m)

spoor omschrijving

velddatering

138

kuil

middeleeuwen

139

greppel

middeleeuwen

32

23,228

140

karrespoor

middeleeuwen

20

23,201

141

greppel

middeleeuwen

23,235

142

paalkuil: grondspoor kuil voor middeleeuwen paal

23,243

143

spitspoor

middeleeuwen

23,243

144

spitspoor

middeleeuwen

23,305

145

greppel

middeleeuwen

23,241

146

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,64

147

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,615

148

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,623

149

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,623

150

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,616

151

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,616

152

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,643

153

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,636

154

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,624

155

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,648

156

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,668

157

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,662

158

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,667

159

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,668

160

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,676

161

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,636

162

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,647

163

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,645

23,239

65

opmerking

rap_bijlage_sporen spoor omschrijving

velddatering

diepte

nap (m)

opmerking

164

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,692

165

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,707

166

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,799

167

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,805

168

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,793

169

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,815

170

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,821

171

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,83

172

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,837

173

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,845

174

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,837

175

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,889

176

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,93

177

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

23,946

178

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

179

kuil

180

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

24

24,663

181

paalkuil: grondspoor kuil voor romeinse tijd paal

14

24,666

182

dierlijke verstoring

onbekend

24

23,696 dierengang

183

greppel

middeleeuwen

34

23,174

184

greppel

middeleeuwen

185

greppel

middeleeuwen

26

23,207 spitsporen of vergravingen langs de greppel

186

kuil

middeleeuwen

66

23,649

187

kuil

middeleeuwen

188

kuil

middeleeuwen

189

kuil

middeleeuwen

190

greppel

middeleeuwen

nieuwe heden)

tijd

13 (tot

24,665 24,654

23,468

23,695 24

23,727 23,699

24

66

23,778 in werkput 25 was de greppel enkel 2cm diep

rap_bijlage_sporen velddatering

191

kuil

middeleeuwen

192

kuil

middeleeuwen

193

kuil

middeleeuwen

23,731

194

kuil

middeleeuwen

23,817

600

kuil

nieuwe heden)

777

natuurlijke verstoring

23,149 18

888

natuurlijke verstoring

22,948 18

999

recente verstoring

23,636 18

tijd

diepte

nap (m)

spoor omschrijving

opmerking

23,832 24

(tot

23,721

24,886 Zichtbaar in plaggendek s5010

5000 laag

onbekend

5005 laag

onbekend

Esdek

5010 laag

onbekend

Esdek

5015 laag

onbekend

Esdek

5017 laag

onbekend

Esdek

5020 laag

onbekend

oud akkerpakket

5021 laag

onbekend

A - horizont

5025 laag

onbekend

23,143 E-horizont

5027 laag

onbekend

B-c horizont

5029 laag

onbekend

A-horizont

5030 laag

onbekend

22,992 C-horizont

5060 laag

onbekend

Veraard veen

5061 laag

onbekend

Veraard veen

5062 laag

onbekend

A-horizont

5063 laag

middeleeuwen

esdek waarin akker pakket is opgenomen

5064 laag

nieuwe heden)

tijd

(tot

67

ophoogpakket

Bijlage II Vondstenlijst rap_bijlage_vondsten vnr categorie

aantal gewicht spoor put vlak vak vul seg

1.1 Aardewerk prehistorisch

1

2

44

2

1

2.1 Aardewerk romeins onbepaald 1

15

5010 1

1

2.2 Aardewerk middeleeuwen

1

2

5010 1

1

3.1 Steen Leisteen

1

5

5010 2

1

1

4.1 Aardewerk prehistorisch

2

38

5020 5

1

1

4.2 Metaalslak

1

139

5020 5

1

1

5.1 Aardewerk middeleeuwen

2

12

5020 1

1

1

6.1 Aardewerk middeleeuwen

2

7

5020 6

1

1

7.1

1

6

5020 7

1

1

8.1 Aardewerk prehistorisch

3

22

5020 7

1

1

9.1 Aardewerk prehistorisch

1

8

5020 7

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=9e65c53c-495c-43f6-af87-ca48e0d79ad3