AZC21.04.03A 3 Bijlage 1 Eindverslag mbt verantwoording bestrijding coronacrisis tot 1 december 2020.pdf
Tekst van het document
De ketenpartners in de niet-acute zorg zagen in dat afzonderlijke instellingen deze crisis niet konden bezweren en dat Brabantbrede coördinatie en afstemming nodig zou zijn. Deze nieuwe structuur bestond uit bestuurders vanuit de verzorg- en verpleeghuizen, thuiszorg, verstandelijk gehandicaptenzorg en jeugdzorg, GGD en een burgemeester als afvaardiging vanuit het Openbaar bestuur. Het doel van dit overleg was het snel kunnen uitwisselen van beleidslijnen en adviezen tussen organisaties die verantwoordelijk zijn voor de langdurige, niet acute zorg. De door de veiligheidsregio afgekondigde maatregelen in de bestrijding van het coronavirus werden bekrachtigd in regionale noodverordeningen. De eerste noodverordeningen (vanaf 14 maart) in de regio werden opgesteld naar ‘Brabants model’ omdat onze provincie eerder maatregelen afkondigde dan in de rest van het land. Deze noodverordeningen kwamen in gezamenlijkheid met de andere Brabantse veiligheidsregio’s tot stand. Op 15 maart kondigde het kabinet, via MCCb, brede landelijke maatregelen af in de bestrijding van COVID-19. De persconferenties met nieuwe maatregelen volgden sindsdien zeer frequent. De Minister van VWS had aansluitend op de besluiten van het MCCb een aantal 35
P09-00002
aanwijzingen gegeven aan de voorzitters van de veiligheidsregio’s. De uitwerking van de aanwijzingen in landelijke maatregelen vond plaats via regionale noodverordeningen op basis van landelijke model-noodverordeningen. Zie bijlage 5 voor een overzicht van de vastgestelde noodverordeningen. Gelet op de epidemiologische situatie in Brabant, werden de oplopende tekorten van persoonlijke beschermingsmiddelen (PBM’s) half maart in onze regio als zeer nijpend bestempeld door de GHOR en GGD. Als gevolg van de schaarste van PBM’s en de situatie die vroeg om acuut handelen, besloot de regionaal operationeel leider (ROL) een actiecentrum PBM in te richten. Dit actiecentrum was ter ondersteuning van de taken die 2 weken eerder al waren belegd bij een regionaal coördinator PBM’s binnen de veiligheidsregio. Al snel breidde zich dit uit tot een team van ruim 15 personen. De taak van het actiecentrum was om PBM’s centraal in te zamelen en te distribueren naar zorginstellingen in Brabant. De distributie werd uitgevoerd volgens landelijke prioritering van het gebruik van PBM’s in de zorg. De eerste prioriteit lag bij de ziekenhuizen en ambulances, huisartsenposten en daarna pas de VVT. De crisisorganisatie VRBZO nam hierin Brabantbreed een coördinerende en uitvoerende rol op zich.
Deze inzamelingsactie was succesvol, waarna het actiecentrum voor de gehele provincie van medio maart tot eind april een spilfunctie had in de nooddistributie van PBM’s tot het landelijk netwerk voldoende PBM’s had om de zorginstellingen te voorzien. Naast de inzamelingsactie schonken ook verschillende bedrijven in onze regio, waaronder ASML, grote hoeveelheden mondkapjes en overige PBM’s aan zorginstellingen. Ook waren er spontane inzamelacties (burgerinitiatieven) en ontstonden er lokale initiatieven om mondkapjes te maken. Door uitbraken in verpleeghuizen werd landelijk op 19 maart besloten dat bezoek niet langer werd toegestaan om zo kwetsbare bewoners beter te kunnen beschermen tegen besmetting. Dit veroorzaakte in veel gevallen een negatieve impact op de mentale gezondheid van bewoners. Hoe hier het beste mee om kon worden gegaan, was een ethisch dilemma. Als gevolg van deze crisis verergerde ook de (al bestaande) leegstand in verpleeghuizen. Deze toename werd veroorzaakt door overlijdens als gevolg van COVID-19. Maar ook doordat zich, uit angst voor besmetting, minder nieuwe bewoners aanmeldden. Ook was door de enorme toestroom van besmettingen het bijhouden van de juiste data (van besmette personen) binnen alle verschillende zorginstellingen een enorme klus. GGD en GHOR maakten dit op deze schaal nog niet eerder mee.
36
P09-00002
Daarnaast ontstonden er zorgen over de effecten van de uitgestelde reguliere zorg. De
P09-00002
vrijgekomen operatie- en recoveryruimten moesten namelijk worden ingericht als ICafdelingen terwijl het beschikbaar gekomen personeel ter ondersteuning op deze IC’s aan het werk ging. Het reduceren van de reguliere zorg (lees: de te plannen zorg) - en het weer uitbreiden wanneer mogelijk - was gedurende de hele crisis een continu proces. Afhankelijk van de situatie binnen een ziekenhuis werden er meer of minder patiënten voor een behandeling (bijvoorbeeld een operatie) opgeroepen. Dit was ook voor elk ziekenhuis verschillend. Er kon echter vanuit worden gegaan dat als het aantal besmettingen steeg, er twee weken later een stijging van het aantal COVID-19 gerelateerde ziekenhuisopnames plaatsvond. En het zorgde voor een reductie van de aan te bieden reguliere zorg.
Tijdens het weekend van 20/21 maart werd er in Brabant, met de inzet van bijstand vanuit Defensie, met spoed een Regionaal Coördinatiecentrum Overplaatsingen ziekenhuizen bij de meldkamer in Tilburg ingericht. De Brabantse ziekenhuizen konden de grote patiëntenstroom niet meer aan en patiënten werden overgebracht naar ziekenhuizen in andere delen van het land. Colonnes met ambulances kwamen vanuit het noorden van het land om COVID-19 patiënten uit Brabant op te halen. Op 24 maart werd als reactie op de schaarste in PBM’s door het ministerie van VWS, samen met een team van professionals uit ziekenhuizen, academische centra, leveranciers en producenten een gezamenlijk initiatief opgericht: het Landelijk Consortium Hulpmiddelen. Het consortium had de bevoegdheid om contracten te sluiten voor geheel Nederland en ook om PBM’s te distribueren over Nederland. De GGHD/GHOR en ROAZ bepaalden de verdeling van de goederen in deze regio, waarbij zij werden ondersteund door de VRBZO. Om de enorme druk op de zorginstellingen te verminderen, had de GHOR van BrabantZuidoost al eerder contacten gelegd met drie locaties die mogelijk zouden kunnen dienen als cohortlocatie voor COVID-19 patiënten. Een cohortlocatie houdt in dat meerdere patiënten met COVID-19 besmette patiënten in één ruimte worden verpleegd. Dit ontlast andere afdelingen en zorgmedewerkers en bespaart PBM’s.
De mogelijke cohortlocaties betroffen Hotel de Postelhoef in Luyksgestel, Hotel Heppie in Mierlo en het Fletcher hotel Helmond. Daarnaast waren er twee locaties in beeld van zorgorganisatie SZW in Son en Breugel. Deze
37
zouden kunnen dienen voor de opname van COVID-19 patiënten die hun ziekte wellicht niet zouden overleven. Voortbordurend op eerder gemaakte afspraken, werd in maart vanuit VRBZO besloten een ondersteunde projectgroep in te stellen die zich zou moeten bezighouden met het operationaliseren van een ‘hotel voor de zorg’. Door de werkgroep is toen in samenwerking met de Zorgboog overleg gevoerd met de locatiemanagers van het Fletcher hotel. Samen is gekeken hoe reguliere hotelkamers zouden kunnen worden ingezet. Uiteindelijk bleken deze inspanningen niet meer nodig omdat de zorgketen, en met name de verpleeg- en verzorgingshuizen, zelf voldoende behandelplaatsen hadden bewerkstelligd. De GGD was ondertussen bezig met het operationaliseren van de eerste teststraat. Deze werd geopend in een parkeergarage en vanaf 6 april al in gebruik genomen. In het begin was deze teststraat enkel bedoeld voor het testen van zorgpersoneel. Op 6 april kwam ook het RBT met bredere bestuurlijke afvaardiging uit de regio voor het eerst bijeen. Deze afvaardiging is in onderling overleg tussen de burgemeesters tot stand gekomen. Tijdens de persconferentie van 6 mei kondigde minister De Jonge aan dat er vanaf 1 juni 30.000 coronatesten per dag door de landelijke GGD’en zouden worden afgenomen.
Dit was een bijzondere aankondiging aangezien het merendeel van de GGD’en hiervan vooraf niet op de hoogte was gebracht. Het was dan ook een enorme klus om tijdig mensen, middelen en locaties beschikbaar te stellen om aan de gestelde eis te kunnen voldoen. De VRBZO heeft de GGD hierin actief ondersteund. Ook werd tijdens de persconferentie van 6 mei de door het kabinet eerder genoemde routekaart gepresenteerd. Hiermee beoogde het kabinet een perspectief te bieden op een geleidelijke versoepeling van de strenge maatregelen. Vanaf 1 juni mochten onder andere horecagelegenheden, concertzalen en theaters met de nodige maatregelen weer open. Ook mochten de basis- en middelbare scholen in de loop van juni de leerlingen weer op school verwelkomen. In het openbaar vervoer werd een mondkapje verplicht omdat daar anderhalve meter afstand niet kon worden geborgd. Na enige tijd bleek deze testlocatie niet meer geschikt voor grootschalig testen. De reden hiervan was hoofdzakelijk dat door het versoepelen van de maatregelen, het winkelend publiek van de binnenstad van Eindhoven weer van de parkeergelegenheid gebruik moest kunnen maken. 38
P09-00002
P09-00002
Kort daarna werd de teststraat op de Antoon Coolenlaan ingericht waar het grote publiek zich vanaf 29 mei kon laten testen. Daarbij werd ook gewerkt aan het opzetten van een tweede teststraat in Eersel die op 20 juni in gebruik werd genomen. Op 24 juni vond een persconferentie van het kabinet plaats waarin het kabinet de verwachting uitsprak dat het aantal besmettingen verder zou dalen. Ook andere versoepelingen die vanaf 1 juli van kracht waren, werden tijdens deze persconferentie bekendgemaakt. De landelijke crisisstructuur werd gedeeltelijk opgeschort. In de zomermaanden werden (bestuurlijke) scenario’s opgesteld voor maanden die zouden volgen. De verwachting was dat de aanpak meer regionaal zou gaan plaatsvinden, gericht op het beheersen van regionale besmettingen en minder met landelijk uniforme maatregelen voor heel Nederland. Begin juli werd het regionaal ontwikkelde ‘Dashboard Corona’ operationeel. Dit dashboard bestond uit een factorenoverzicht opgebouwd uit 5 thema’s: virus, zorg, openbare orde en veiligheid, burgerschap en economie. De presentatie van het actuele beeld door middel van het dashboard zorgde ervoor dat de situatie per regio goed te monitoren was. Dit maakte het vaststellen van regionale maatregelen eenvoudiger.
Aan de hand van verschillende gegevens werd de verspreiding van het virus in de gaten gehouden en bepaalden Rijk, GGD’en, RIVM en veiligheidsregio’s gezamenlijk via het landelijke inschalingsoverleg het risiconiveau per veiligheidsregio.
Op 10 augustus werd een nieuwe noodverordening vastgesteld met daarin de eerste aanscherpingen ten aanzien van studentenintroductieprogramma’s. Op 18 augustus werd in Zuidoost-Brabant de derde testlocatie in Helmond in gebruik genomen.
39
Op 24 augustus begonnen de scholen weer. De weken hieraan voorafgaand was er veel
P09-00002
aandacht voor ventilatiesystemen in scholen. De scholen kregen de opdracht om vóór 1 oktober hun ventilatiesystemen te checken en op orde te brengen aan de hand van de bestaande wettelijke normen voor een gezond binnenklimaat. De minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap riep het Landelijke Coördinatieteam Ventilatie op Scholen in het leven om scholen hierbij te helpen. Het kabinet stelde geld beschikbaar om scholen te helpen om hun ventilatie te verbeteren. Daarbij was ook een adviserende rol voor GGD benoemd door de minister van VWS. Eind augustus begonnen de besmettingscijfers landelijk weer op te lopen met een sterke stijging in september. Met name in de grote steden in de Randstad liepen de cijfers hard op. Daarom werden vanaf 20 september in zes veiligheidsregio’s aanvullende regionale maatregelen ingevoerd. Ook in Zuidoost-Brabant stegen de besmettingscijfers medio september explosief, met name in de regio De Kempen. Het beeld van de virusverspreiding in de regio was diffuus. Er was nauwelijks sprake van aanwijsbare groepen. Het uitvoeren van testen en bron- en contactonderzoek kwam onder druk te staan. Een tekort aan laboratoriumcapaciteit leidde tot oplopende wachttijden voor de uitslagen van coronatesten. De maximale laboratoriumcapaciteit beperkte daarmee ook de maximale testcapaciteit in de teststraten.
De GGD’en steunden elkaar onderling, maar ook dat was met de stijging in besmettingscijfers niet vol te houden. Eind september ging de GGD Brabant-Zuidoost, samen met andere GGD’en, over op een beperkte vorm van bron- en contactonderzoek. Het aantal besmettingen steeg te snel en ‘robuuste’ maatregelen werden noodzakelijk geacht. De regionale aanpak werd losgelaten en vanaf 28 september waren er weer landelijke maatregelen van kracht. Deze maatregelen waren in eerste instantie voor de eerstvolgende 3 weken van kracht. Het maatregelenpakket omvatte onder andere dat: •
het aantal personen per ruimte werd beperkt tot 30;
•
eet- en drinkgelegenheden tot 21.00 inloop mochten hebben en om 22.00 uur de zaak moest sluiten;
. 40
•
bij binnenruimtes met een doorstroom van bezoekers zoals in monumenten,
P09-00002
bibliotheken en musea, bezoek plaatsvond op basis van een reservering per tijdvak. Markten en detailhandel waren hiervan uitgezonderd; •
voor activiteiten buiten, waar geen continue doorstroming van mensen was, een maximum van 40 personen gold;
•
er bij een continue doorstroming van personen buiten, zoals in dierenparken of op markten, er een norm gold voor het aantal bezoekers per vierkante meter.
Er konden uitzonderingen worden gemaakt op het maximum aantal personen voor binnen- en voor buitenactiviteiten. Daarnaast konden veiligheidsregio’s ontheffing verlenen voor het maximum van 30 personen per zaal in gebouwen die van groot belang waren voor de regio. In Zuidoost-Brabant zijn in totaal 18 ontheffingen verleend aan gebouwen die van groot belang voor de regio werden geacht (bijlage 6). Vanaf 29 september (18.00 uur) gold in Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost het dringende advies aan iedereen om zoveel mogelijk mondkapjes te dragen in de publieke gebouwen. Het advies gold voor locaties waar grote concentraties publiek op eenzelfde tijd bij elkaar kwamen, zoals in supermarkten en bouwmarkten. Vanaf 10 oktober kon iedereen gebruik maken van de CoronaMelder-app. Het ministerie van VWS had deze app ontwikkeld als ondersteunend middel om mensen te waarschuwen voor extra risico. De app meldt of je in de buurt bent geweest van iemand die na een test corona blijkt te hebben. Krijg je een melding dan word je geadviseerd om thuis te blijven tot 10 dagen na de datum van het contact. Hoewel de eerste commerciële coronatesten in april al opdoken, nam de hoeveelheid aanbieders van commerciële testen vooral in oktober sterk toe.
41
Op 13 oktober besloot het kabinet om per 14 oktober (22.00 uur) een ‘gedeeltelijke
P09-00002
lockdown’ in te stellen. Het maatregelenpakket omvatte onder andere dat: •
er geen ontheffingen meer werden verleend voor gebouwen van groot belang voor de regio. Eerder verleende ontheffingen waren daarmee ook niet meer geldig of werden ingetrokken;
•
het dragen van een mondkapje in het OV was al verplicht. Nu werd iedereen vanaf 13 jaar dringend verzocht een mondkapje te dragen in publieke binnenruimtes, vooruitlopend op een mondkapjesplicht per 1 december;
•
in het voortgezet onderwijs, MBO en hoger onderwijs iedereen buiten de les een mondkapje moet dragen;
•
alle eet- en drinkgelegenheden hun deuren moesten sluiten, afhalen bleef wel mogelijk;
•
er tussen 20.00 uur – 07.00 uur geen alcohol meer verkocht of bezorgd mocht worden;
•
er door personen vanaf 18 jaar niet met meer dan 4 personen gesport mocht worden.
Tijdens de persconferentie van 13 oktober werd ook een routekaart met 4 risiconiveaus aangekondigd. De routekaart was bedoeld om meer duidelijkheid te bieden over welke maatregelen op welk moment nodig zijn en daarmee ook perspectief richting de toekomst. Eind oktober bereikte het risiconiveau in Zuidoost-Brabant ook het niveau van ‘zeer ernstig’ (het hoogste risiconiveau op de coronakaart). In de regio werden de landelijke maatregelen nauwgezet uitgevoerd en gehandhaafd. Vanaf 10 november voerde de GGD weer een volledig bron- en contactonderzoek uit. Dit was mogelijk door een daling van het aantal positief geteste inwoners en een robuustere landelijke ondersteuning. Medio november breidde de GGD de testcapaciteit uit naar 3.900 testen per dag.
42
In het weekend van 27 november (Black Friday) was er grote winkeldrukte in Eindhoven.
P09-00002
Op zaterdag kreeg de detailhandel met een noodbevel opdracht om vroegtijdig te sluiten. Op 1 december opende de XL testlocatie bij het Eindhovense IJssportcentrum aan de Anton Coolenlaan. Deze kon snel tot stand komen door hulp van defensie. Met de opening van de XL testlocatie steeg de testcapaciteit van de GGD fors. Er konden vanaf 1 december circa vijfduizend testen per dag worden afgenomen, met het vooruitzicht dat in december de testcapaciteit nog verder zou worden uitgebreid naar 9.600 testen per dag. De landelijke maatregelen resulteerden in een geleidelijke afname van het aantal besmettingen. De daling ging beduidend langzamer dan bij de eerste golf. Gedurende de maand november was er echter sprake van een kentering in de situatie, het aantal besmettingen bleef op een zorgelijk niveau en daalde of steeg niet meer. De verwachting bij de inwerkingtreding van de Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 (Twm) is dat de tweede golf nog tot ver in het eerste kwartaal van 2021 kan duren.
43
5
Bijzondere situaties in Zuidoost Brabant
5.1
Van Rooi Meat
P09-00002
Eind mei 2020 kregen de veiligheidsregio en de GGD signalen over mogelijke coronabesmettingen bij inspecteurs van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) en Kwaliteitskeuring Dierlijke Sector (KDS), werkzaam binnen Van Rooi Meat in Helmond. Daarom hield de GGD eind mei steekproeven onder het personeel. Hieruit bleek dat 15% van de medewerkers was besmet was. Dit was voor de GGD aanleiding om meer testen uit te voeren. Op grond van de eerste testresultaten en op advies van de DPG, werd op 28 mei besloten het bedrijf voor enkele dagen te sluiten. In die periode kon een tweede steekproef worden gehouden en moest het bedrijf preventieve maatregelen en reinigingswerkzaamheden laten uitvoeren. Op grond van de tweede testresultaten, werd op 2 juni besloten het bedrijf voor langere tijd te sluiten. Het voltallige personeel ging in die periode in quarantaine. Daarnaast werden maatregelen genomen in de woonsituaties, de werkomgeving en voor het vervoer. Door Van Rooi Meat werd vervolgens een plan uitgewerkt om gefaseerd het productieproces geleidelijk en gecontroleerd op te starten. Gezien de constructieve aanpak van Van Rooi Meat, en op basis van de eerste resultaten van deze geleidelijke opstart, werd op 11 juni besloten dat deze geleidelijke opstart onder voorwaarden kon worden doorgezet tot volledige capaciteit.
Vanaf 13 juni was ongelimiteerde verhoging van de capaciteit mogelijk. Vanaf het begin van de gefaseerde opstart werd de gezondheid van medewerkers dagelijks gecheckt. Over die gezondheidschecks en het ziekteverzuim vond twee keer per week overleg plaats tussen de bedrijfsarts en de GGD. Besloten werd dit contact tot tenminste 31 juli 2020 te continueren. Vanaf 16 juni tot 3 augustus werden geen positieve testresultaten meer gevonden. Naar aanleiding van de berichtgeving in de media begin augustus, besloot het RBT op 3 augustus om onder regie van VRBZO onaangekondigde controles uit te voeren bij Van Rooi Meat. In de periode van 5 augustus tot en met 21 augustus controleerde VRBZO twee keer per dag. Vervolgens werd er na 3 weken nog een steekproef gedaan op 11 september. Er werden geen grote aantallen nieuwe besmettingen meer geconstateerd.
44
5.2
Luchthaven Eindhoven
P09-00002
Luchthaven Eindhoven2 is landelijk aangewezen als luchthaven voor de repatriëring van landgenoten uit het buitenland in geval van calamiteiten. Doordat andere landen reisbeperkingen oplegden, moesten Nederlanders vanuit verschillende landen worden gerepatrieerd. De coördinatie van de evacuatie was in handen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken en werd vormgegeven door het Nationaal CrisisCentrum (NCC) en het Landelijk Operationeel CoördinatieCentrum (LOCC). De uitvoering lag bij de gemeente Eindhoven. Op zondag 2 februari kwamen de eerste evacuees (15 personen) uit Wuhan (China) aan op Luchthaven Eindhoven. In de beschrijving van verantwoordelijkheden bij opvang3 was geen rekening gehouden met de opvang van mensen die een mogelijk risico vormen voor de volksgezondheid. In de praktijk bleek het niet mogelijk een geschikte opvanglocatie te vinden. Er was geen bereidheid onder vakantieparken en hotels in de regio om gerepatrieerden uit Wuhan op te vangen. Daarom is de opdracht voor de opvang, door de gemeente Eindhoven teruggegeven aan het LOCC, dat voor verdere afhandeling heeft gezorgd. Op zondag 9 februari was er wederom een ‘begeleide terugkeer’. Deze keer betrof het 6 personen. De GGD heeft de gerepatrieerden gescreend. Ze gingen 2 weken in (thuis)isolatie en werden in die periode door de GGD gemonitord.
Reguliere vluchten kwamen weer op gang Vanaf april kwam het vliegverkeer weer langzaam op gang met een beperkt aantal vluchten op Luchthaven Eindhoven. Hierbij zaten ook vluchten uit zogenaamde hoog-risicolanden; landen met zeer veel besmettingen. Inkomende reizigers uit de hoog-risicolanden werden verplicht een gezondheidsverklaring in te vullen. Controleurs van VRBZO zagen steekproefsgewijs toe op de ingevulde gezondheidsverklaringen.
2
Eindhoven Airport en Vliegbasis Eindhoven worden hier samen als Luchthaven Eindhoven geduid. Eindhoven Airport is gericht op burgerluchtvaart en Vliegbasis Eindhoven op militair luchtverkeer. 3 Handboek Opvang van evacués uit het buitenland in Nederland (juni 2016)
45
Per medio 2020 werd de uitvoering van de steekproefsgewijze controles overgedragen
P09-00002
aan Eindhoven Airport. De resultaten hiervan werden wekelijks teruggekoppeld aan VRBZO. De veiligheidsregio had periodiek overleg met de ministeries van Infrastructuur en Waterstaat en VWS, waarin ook de controles werden besproken. Op 1 december ging een nieuwe aanwijzing van het ministerie van VWS in over de maatregelen die gelden voor reizigers / luchtvaart. Deze aanwijzing bevatte inhoudelijk geen nieuwe elementen, maar moest opnieuw worden uitgebracht vanwege de inwerkingtreding van de Twm COVID-19 per 1 december. De mondkapjesplicht is per 1 december opgenomen in de ministeriële regeling behorende bij de Twm; dit onderwerp staat dus niet langer in de aanwijzing.
46
5.3
Nertsenfokkerijen
P09-00002
Eind april maakte het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV) bekend dat er COVID-19 was aangetroffen bij nertsen op fokkerijen in Gemert-Bakel en Laarbeek. In de weken die volgden, werd het virus bij meer bedrijven in de nabije omgeving aangetroffen. Nader onderzoek van het RIVM toonde aan dat het virus kan worden overgedragen tussen nertsen en mensen. Om te voorkomen dat het virus zich verder kon verspreiden via de nertsenfokkerijen, had het Ministerie van LNV een aantal maatregelen afgekondigd en besloot alle nertsen op de besmette bedrijven te ruimen. De ruimingen vonden plaats onder verantwoordelijkheid en leiding van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA). Begin juli stuurde ik namens het bestuur VRBZO een brief aan de Minister van LNV met de oproep om haar bevoegdheid in te zetten en alle nertsenbedrijven in tenminste ZuidoostBrabant preventief te ruimen. Dit om verdere besmettingen te voorkomen en de ontstane onrust bij burgers en ondernemers in de reeds zwaar getroffen regio te beteugelen. De minister antwoordde negatief op dit verzoek en vroeg het OMT-Zoönose (OMT-Z) om advies. Het advies van het OMT-Z was om het huidige beleid aan te houden tot medio augustus. Als na deze periode nog besmettingen zouden worden vastgesteld bij nertsenbedrijven, dan is het advies om de bedrijven in de regio preventief te ruimen.
De minister heeft dit advies als besluit overgenomen. Op de besmette bedrijven is onderzoek gedaan naar de verspreiding van het virus onder de dieren en het risico voor de volksgezondheid. Op basis van dit onderzoek besloot het kabinet eind augustus een verplichte stoppersregeling in te voeren voor alle nertsenbedrijven in Nederland vanaf het voorjaar van 2021. Echter was op het moment van het schrijven van dit verslag bekend dat sinds begin december geen nertsenbedrijven meer actief zijn. Alle besmette nertsenbedrijven zijn geruimd. De niet-besmette bedrijven zijn klaar met het pelzen van dieren.
47
5.4
Onderzoeken
P09-00002
Gezondheid en luchtkwaliteit in Brabant Bij burgers en bestuurders leefden vragen over COVID-19 in relatie tot de leefomgeving, Qkoorts en luchtkwaliteit. Opvallend is dat het gebied dat in het verleden getroffen is door Qkoorts ook relatief zwaar is getroffen door COVID-19. In het maatschappelijk debat werden publicaties van onderzoeken aangehaald op een manier die een oorzakelijk verband veronderstellen tussen omgevingsfactoren en de mate waarin COVID-19 voorkomt. De Minister van LNV vroeg het RIVM om een voorstel tot onderzoek naar de relatie tussen luchtkwaliteit, veehouderij en COVID-19. Het RIVM maakte een opzet voor een onderzoeksvoorstel naar de ernst van het verloop van COVID-19 in relatie tot luchtkwaliteit in Nederland. Indien mogelijk verdiept dit onderzoek zich ook in de relatie tot veehouderij. De GGD denkt hierin actief mee. De Brabantse GGD-en hadden overleg met het RIVM en met het Kennisplatform Veehouderij en humane gezondheid. Dit heeft geleid tot het initiatief voor een meerjarige onderzoeksagenda van gezondheidsdiensten om de effecten en relatie nader te onderzoeken. Het onderzoek is gericht op het verkrijgen van keuzes of beleidsopties. Daarom wordt beoogd de aard van de onderzoeksresultaten aan te laten sluiten bij de behoefte van de regionale en lokale partners. Het doel is dit onderzoek binnen 1 tot 1,5 jaar af te ronden.
Het onderzoeksvoorstel is half september 2020 met ministeries (VWS, IenW en LNV) en wetenschappers besproken. Dit leidde tot aanvullende vragen en opmerkingen die momenteel verder worden uitwerkt. Wanneer de betrokken ministers besluiten over dit voorstel is nog niet bekend. Landelijk panelonderzoek gedrag corona Naast de brede gezondheidsmonitor wordt sinds april/mei 2020 door RIVM/GGD om de 6 tot 8 weken een panelonderzoek uitgezet ten aanzien van corona. Hierin wordt gedrag bevraagd: gaan mensen naar teststraten als ze klachten hebben? Hoe gaan ze zelf om met de maatregelen? En wat zien ze bij anderen? Daarnaast wordt naar bijvoorbeeld de mening over de maatregelen en het vertrouwen in de overheid gevraagd. De resultaten worden na elke meting op het dashboard van de Brabantscan gepubliceerd.
48
Brabantscan
P09-00002
De Brabantscan is een kennisplatform voor gezondheidsinformatie in Brabant en is een initiatief van de drie Brabantse GGD’en. Op basis van het dashboard op de GGD Brabantscan vindt Brabantbrede monitoring plaats. De informatie in het dashboard kan onder andere worden gebruikt door bestuurders en binnen gemeenten. Vanaf 12 november is het dashboard uitgebreid met cijfers en ontwikkelingen rond corona in de eigen gemeente en provincie. Dit is voor iedereen te volgen. Het dashboard laat meer zien dan alleen besmettingen of ziekenhuisopnames. Het geeft inzicht in het gedrag van mensen tijdens de coronacrisis en hun beleving van de beperkende maatregelen. Ook bevat het dashboard factsheets over de relatie tussen COVID-19 en thema’s als gebruik van genotsmiddelen door onze inwoners, leefstijl, eenzaamheid en psychische, fysieke en financiële kwetsbaarheid. PON-monitor De provincie Noord-Brabant vroeg - samen met de Brabantse veiligheidsregio’s - het kennisinstituut PON een periodieke peiling uit te zetten onder Brabanders om de maatschappelijke effecten van het coronavirus in beeld te brengen. Naast de directe en de te verwachten economische effecten, wil de provincie weten hoe Brabanders de aanwezigheid van het virus en de maatregelen daartegen ervaren. In de periode maart tot en met november zijn er zes metingen verricht.
De resultaten hiervan zijn gebruikt voor beeldvorming in de crisisorganisatie, zowel regionaal als provinciaal (iRBT). Onderzoek welzijn en ondersteuning na COVID-19 GGD Brabant-Zuidoost en GGD Hart voor Brabant voerden na de eerste Coronagolf een klein onderzoek uit onder mensen die door corona waren getroffen; mensen die zelf in quarantaine waren, op de Intensive Care lagen of een dierbare verloren. Zij werden geïnterviewd en vulden een aanvullende vragenlijst in. Dataverzameling en analyses zijn afgerond. De resultaten van het onderzoek worden begin 2021 gerapporteerd.
49
5.5
Bijzondere thema’s in het RBT
P09-00002
Tijdens de vergaderingen van het RBT zijn diverse onderwerpen op tafel gekomen die om afstemming vroegen op bestuurlijk vlak, zoals besluitvorming over openstelling/ toestaan van week- en dagmarkten, campings, recreatie- en vakantieparken, erehagen, uitbreiding van terrassen, kermissen, demonstraties, kleine spontane optredens/ evenementen bij zorginstellingen en kindervakantieweken. De voorzitter heeft hierover met de burgemeesters in Zuidoost-Brabant afgestemd via het Bestuurlijk Afstemmingsoverleg (BAO) en is veelal in het RBT tot besluitvorming gekomen. Op deze onderwerpen hebben tal van overwegingen de revue gepasseerd en was de besluitvorming ingrijpend en complex. In alle gevallen zijn de overwegingen zorgvuldig en integraal beoordeeld aan de hand van criteria als handhaafbaarheid, economische impact, sociale behoefte, congruentie met landelijk beleid, het voorkomen van waterbedeffecten en als belangrijkste: impact op verspreiding van het virus en de belasting van de zorg.
Statement van Brabantse voorzitters om geen carnaval te organiseren Carnaval is een belangrijk onderdeel van de Brabantse cultuur en heeft veel sociale waarde in de samenleving. Daarbij staat carnaval ook bekend om massale bijeenkomsten, dansen en zingen in grote groepen. Tijdens de RBT vergaderingen werden de mogelijkheden en onmogelijkheden van carnaval uitgebreid besproken, waarbij aandacht was voor de diverse onderdelen van het feest. Diverse burgemeesters gingen in gesprek met carnavalsverenigingen om de beelden op te halen vanuit hun perspectief. Hieruit bleek dat meerdere verenigingen al hadden besloten om de festiviteiten komend jaar geen doorgang te laten vinden.
50
Mondkapjesplicht
P09-00002
Ik heb als voorzitter aan iedereen de oproep gedaan om vanaf 29 september (18.00 uur) in de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost zoveel mogelijk mondkapjes te dragen in de publieke gebouwen. Het dringende advies gold voor locaties waar grote concentraties publiek op eenzelfde tijd bij elkaar komen, zoals in supermarkten en bouwmarkten. Dit advies kwam bovenop de extra coronamaatregelen die het kabinet 28 september al aangekondigde. Het ging hierbij vooral om een moreel appèl. Het dragen van mondkapjes werd het gesprek van de dag in de samenleving. Een meerderheid van de mensen steunde het advies om mondkapjes te dragen. Met ingang van de Twm COVID19 werd het dragen van een mondkapje in publieke binnenruimten verplicht. Doorstroomlocaties Een doorstroomlocatie is een locatie waarbij een doorstroom is van bezoekers, zoals in dierentuinen, bibliotheken en musea. Detailhandel was hiervan uitgezonderd, mits zij deurbeleid hanteerden zodat de aanwezigen altijd 1,5 meter afstand tot elkaar konden houden. Ten aanzien van doorstroomlocaties traden de gemeente in overleg met de betreffende locaties en deden de toetsing van een handhaafbaar ontwerp, het maximum aantal toegestane bezoekers, et cetera. De gemeenten hanteerden daarbij de rekennormen van het Event Safety Institute. De gemeente adviseerde de voorzitter van de veiligheidsregio over het te nemen besluit.
De rol van de veiligheidsregio hierin was te adviseren waar nodig onder andere met het oog op de gewenste regionale uniformiteit. Ontheffingsverzoeken Vanaf 28 september werden er landelijke maatregelen van kracht. Zo werd het totaal aantal personen in een ruimte beperkt tot 30. De veiligheidsregio kon echter ontheffing verlenen voor het maximum van 30 personen per zaal in gebouwen die van groot belang waren voor de regio (bijlage 6). Het RBT besloot om geen ontheffingen te verlenen voor samenkomsten in gebouwen van groot belang voor de regio, ‘tenzij’. Een verzoek tot ontheffing kon worden ingediend bij de gemeente van de betreffende ruimte. De burgemeester van die gemeente beoordeelde de aanvraag en leidde deze aanvraag met gemeentelijk advies door naar de voorzitter veiligheidsregio. Ik verleende tot slot wel of geen ontheffing. 51
Met de inwerkingtreding van de Twm konden burgers en bedrijven voortaan bij de
P09-00002
burgemeester een verzoek tot ontheffing indienen om af te mogen wijken van de dan geldende regels. Als een burgemeester overweegt de ontheffing te verlenen, moest de GGD vooraf een gezondheidskundig advies geven. De werkwijze hiervoor werd in november voorbereid, zodat met ingang van december direct kon worden geacteerd bij eventuele verzoeken.
52
6
Overige
6.1
Continuïteit van hulpdiensten en vitale sectoren
P09-00002
Er is continu gemonitord of de continuïteit van de hulpdiensten (brandweer, politie, ambulancedienst, meldkamers) en vitale sectoren (waterschappen, drinkwater, energievoorziening, openbaar vervoer) voldoende kon worden gewaarborgd. Gedurende de afgelopen periode zijn er geen problemen opgetreden ten aanzien van de paraatheid van de hulpdiensten. De bestaande continuïteitsplannen om direct te kunnen anticiperen op een epidemie of pandemie hoefden niet te worden ingezet.
Waar in de eerste periode de aandacht primair was gericht op de continuïteit van de zorg kwamen daar in periode na 1 juli de hulpdiensten, de bedrijfsvoering van de hulpdiensten en de vitale sectoren bij. Binnen de kolom bevolkingszorg ontstond er, mede door de duur van de crisis, druk op zowel de continuïteit van de crisisorganisatie als op de continuïteit van de reguliere processen. Alle hulpdiensten en vitale sectoren werden daarnaast geconfronteerd met de effecten van collega’s die positief waren getest, in afwachting waren van een test of in thuisquarantaine moesten blijven door een positief getest gezinslid of door een melding van de corona-app. Vaak waren deze collega’s klachtenvrij. Maar zonder klachten konden zij geen test aanvragen. De druk werd extra vergroot in de fase van het hoge aantal positief geteste personen. Ondanks de forse extra (preventieve) maatregelen uit de continuïteitsplannen stond de bedrijfsvoering van de meldkamer voor een korte periode extra onder druk. Maar de bedrijfsvoering kwam nooit in gevaar. De aanvullende maatregelen vanuit een speciale werkgroep hadden een positief effect op het terugdringen van de uitval van collega’s. Continuïteit in de zorg Alle ziekenhuizen en zorginstellingen in de regio kampten met een bovenmatig hoog percentage aan ziekteverzuim.
Normaliter ligt het ziekteverzuim tussen de 4 en 5 procent maar op het moment van schrijven van dit verslag zijn er ook ziekenhuizen en zorginstellingen met een percentage van 10 procent of hoger.
53
Vooral de VVT-sector en gehandicaptenzorg kregen de dienstroosters amper rond. Het
P09-00002
hoge percentage zieken onder het personeel heeft onder andere te maken met het intensieve fysieke contact met de bewoners (onder andere psychogeriatrie-bewoners en verstandelijk gehandicapten). Er werd gezocht naar andere mogelijkheden om de druk op de zorg, vooral in de VVT-sector, nog verder te verlichten. Alle instellingen maken inmiddels gebruik van de huidige mogelijkheden. Denk hierbij aan inzet van Defensie, het Rode Kruis, extra handen voor de zorg, oud personeelsleden en studenten van zorgopleidingen (SUMMA). De VVT-sector en gehandicaptenzorg werkten goed samen met het Brabantbrede RONAZ. Samen zochten zij oplossingen knelpunten waarmee de instellingen werden geconfronteerd.
54
6.2
Meerkosten
P09-00002
De bestrijding van de coronacrisis bracht hoge kosten voor de GGD en de veiligheidsregio met zich mee. Het is juridisch mogelijk de vergoeding van de totale meerkosten door het Rijk te laten plaatsvinden op basis van artikel 62 Wpg en de artikelen 15 en 16 van het Besluit PG. Hierdoor kan de GGD de extra kosten die in 2020 en 2021 worden gemaakt voor uitvoering van de extra taken en opdrachten in het kader van de COVID-19 bestrijding declareren bij het ministerie van VWS. De GGD en de veiligheidsregio dienen een voorlopige opgave van de meerkosten in tot en met juni, plus een raming van de meerkosten voor de periode juli tot en met december, conform de definities uit het AEF-rapport4.
Ook in de periode vanaf augustus belegde minister De Jonge extra taken en opdrachten bij de GGD-en en veiligheidsregio’s. De kosten voor de uitvoering hiervan kwamen in eerste instantie ook voor rekening van de GGD’en en veiligheidsregio’s. Wel kunnen de meerkosten vanwege deze aanwijzingen zowel door de GGD als VRBZO worden gedeclareerd bij VWS. In november zijn de gemeenteraden geïnformeerd hoe dit in de jaarrekeningen wordt verwerkt. Zo worden per programma de gemaakte meerkosten verwerkt. De kosten worden op de reguliere wijze toegelicht; de accountant geeft een controleverklaring af bij de jaarrekening, waarmee ook de meerkosten worden vastgesteld. De jaarstukken van de GGD en de jaarstukken van de veiligheidsregio worden inclusief de verantwoording van de meerkosten en de controleverklaring - na vaststelling door het bestuur van de GGD - voor 1 september 2021 aangeboden aan het ministerie van VWS.
4
De VNG liet onderzoeksbureau AEF ramingen maken naar de gemaakte kosten en gederfde inkomsten van gemeenten als gevolg van de coronamaatregelen. Het rapport is te vinden op de website van de VNG, getiteld ”Financiële bijwerkingen van corona: indicatie van de financiële effecten van de coronacrisis voor gemeenten”.
55
7
Vervolg
7.1
Tussentijdse evaluatie
P09-00002
VRBZO is medio juni 2020 een interne evaluatie gestart. Het traject richt zich op drie prestatie-indicatoren: de eigen bedrijfscontinuïteit, het functioneren van de crisisorganisatie en de rol van VRBZO naar buiten. Deze evaluatie is gaandeweg afgebakend tot de eerste golf van de coronacrisis (de periode maart tot en met augustus 2020). Het evaluatietraject is nog niet afgerond. De Brabantbrede aanpak van de crisis is geëvalueerd met de drie veiligheidsregio’s.
56
7.2
Vervolgproces
P09-00002
Vragen naar aanleiding van dit verslag kunt u tot uiterlijk maandag 1 maart 2021 kenbaar maken bij de veiligheidsregio door een bericht te sturen naar crisis2020@vrbzo.nl Afhankelijk van de inhoud en de hoeveelheid vragen wordt bezien wat de meest passende manier is om u van een antwoord te voorzien. Heeft u eerder vragen, dan kunt u die uiteraard ook adresseren via uw burgemeester.
57
Bijlagen Bijlage 1.
P09-00002 Cijfers COVID-19 in Zuidoost Brabant t/m 30 november 2020
COVID-19 kengetallen inwoners regio Zuidoost-Brabant t/m 30 november 2020 Aantal overledenen
576
Bron: GGD BZO * Bron: RIVM
Aantal afgenomen testen per week:
Percentage positief 25,0 %
16.000 14.000
20,0 % 12.000 10.000
15,0 %
8.000 10,0 %
6.000 4.000
5,0 %
2.000 0,0 %
0 23 25 27 29 31 33 35 37 39 41 43 45 47
23 25 27 29 31 33 35 37 39 41 43 45 47
getest per week: Bron: GGD BZO
Bron: GGD BZO
58
P09-00002
Aantal positief geteste personen per dag en 7-daags gemiddelde:
Bron: RIVM
NB. Het aantal positief geteste personen ligt in de tweede golf hoger dan in de eerste golf van maart-april 2020. Hierbij moet worden aangetekend dat vanaf 1 juni alle inwoners met klachten zich kunnen laten testen. Dat was in de eerste golf dus nog niet het geval.
59
Aantal positief geteste personen per 100.000 inwoners per week ten opzichte van de
P09-00002
signaalwaarden van de escalatieladder:
450 400 350 300 250 200 150 100 50 0
signaalwaarde niveau 4 (zeer ernstig) signaalwaarde niveau 3 (ernstig) signaalwaarde niveau 2 (zorgelijk) 27
28
29
30
31
32
33
34
35
36
37
38
39
40
41
42
43
44
Bron: GGD BZO
Ziekenhuisopnames per dag en en 7-daags gemiddelde::
Bron: RIVM
60
45
46
47
48
P09-00002 Overleden als gevolg van COVID-19 per dag en 7-daags gemiddelde:
Bron: RIVM
Totaal aantal overledenen in Zuidoost-Brabant in 2019 en 2020:
Aantal overledenen
350 300 250 200 150 100 50 0
2019
2020
Bron: CBS
61
Bijlage 2.
Beschrijving landelijke oversterfte
P09-00002
Oversterfte5 Het aantal mensen dat is overleden aan COVID-19 is hoogstwaarschijnlijk 50 tot 100 procent hoger dan geregistreerd, volgens het Centraal Bureau voor de Statistiek. Het CBS heeft hiervoor een nieuwe methode gebruikt om de zogeheten oversterfte vast te stellen. Van oversterfte wordt gesproken als er meer mensen overlijden dan normaal in die tijd het geval is. Vanaf het begin van de corona-epidemie nam het aantal overledenen in Nederland snel toe. De oversterfte bedroeg tijdens de eerste zes weken naar schatting 7.260 overledenen. Dit is 40 procent hoger dan wat normaal gesproken kan worden verwacht aan overledenen in die periode. De oversterfte steeg van 10 procent in de eerste twee weken van de epidemie tot circa 55 procent in de vijfde en zesde week. De oversterfte was relatief hoog onder mannen, 75- tot 90-jarigen, bewoners van verpleeg- en verzorgingshuizen en inwoners met een migratieachtergrond. Na de vierde week nam de oversterfte in de zwaarst getroffen regio’s van de corona-epidemie af. Eind november 2020 waren wereldwijd meer dan 62 miljoen mensen positief getest op COVID-19 en waren er ongeveer 1,5 miljoen mensen overleden aan COVID-19.1 In Nederland zijn er tot en met 30 november in totaal 527.523 mensen positief getest en 9.438 personen zijn geregistreerd die als gevolg van COVID-19 zijn overleden.
De daadwerkelijke cijfers zijn waarschijnlijk hoger, omdat niet iedere zieke of overleden persoon kon worden getest op COVID-19. Daarom is een methode ontwikkeld om de oversterfte in te schatten. Van oversterfte wordt gesproken als er meer mensen overlijden dan normaal in die tijd het geval is. Volgens de bijgewerkte statistieken van het CBS overleden tijdens de eerste golf in negen weken tijd (begin maart tot en met begin mei 2020) landelijk bijna 9.000 meer mensen vergeleken met andere jaren. In deze periode was de oversterfte dus 9.000. Vooral in Limburg en Noord-Brabant was de sterfte verhoogd. Landelijk overleden er tussen de eerste en tweede golf (medio mei tot en met medio september) evenveel mensen als verwacht. In de eerste negen weken van de tweede golf (eind september tot en met medio november) was de oversterfte naar schatting 3,900. Relatief gezien overleden in de eerste golf van de coronapandemie 33 procent meer mensen dan normaliter zou worden verwacht, tegen 15 procent in de eerste negen weken van de tweede golf. 5
Geraadpleegde bronnen:
GGD Brabant-Zuidoost (november 2020). CBS (15 mei 2020). Oversterfte tijdens de eerste zes weken van de corona-epidemie. WHO (30 november 2020). Weekly Operational Update on COVID-19. Planbureau voor de Leefomgeving & CBS (juli 2020). Oversterfte corona-epidemie: toepassing van een dynamisch regressiemodel.
62
Bijlage 3.
Beschrijving Tijdelijke wet maatregelen COVID-19
P09-00002
Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 De Twm is met ingang van 1 december jongstleden van kracht. De Twm kent twee belangrijke uitgangspunten. In de eerste plaats wil de tijdelijke wet de wettelijke basis van de virusbestrijding versterken door deze niet langer te baseren op noodverordeningen, maar op wetgeving en ministeriële regelingen. In de tweede plaats wil de tijdelijke wet de positie van het lokale bestuur en de lokale democratie bij het bestrijden van de (gevolgen van) het virus versterken. De Twm legt de bevoegdheden en verantwoordelijkheden ten aanzien van het verlenen van ontheffingen van landelijke regels, het geven van aanwijzingen, bevelen en handhaving bij de bestrijding van COVID-19 bij de burgemeester. Hiermee wordt een terugkeer beoogd naar normale interbestuurlijke verhoudingen. De minister kan overigens besluiten bovengenoemde bevoegdheden bij de voorzitter van de veiligheidsregio te beleggen. De rol van de voorzitter van de veiligheidsregio is met ingang van de Twm vooral gericht op het informeren en coördineren. De voorzitter heeft de plicht om namens alle burgemeesters informatie aan te leveren bij de minister van VWS. Daarnaast zorgt de voorzitter voor de coördinatie binnen de veiligheidsregio. Bevoegdheden komen −indien mogelijk gemaakt door de ministeriële regeling− weer lokaal bij burgemeesters te liggen.
Toch wordt er landelijk, maar ook regionaal, gestreefd naar zoveel mogelijk uniformiteit. In dit krachtenveld is de rol van voorzitter van wezenlijk belang voor de afstemming hierover. Er is gekozen om de huidige structuur en werkwijze zo veel mogelijk vast te houden. In de Twm wordt niet gesproken over een GRIP-procedure, toch is besloten om ‘symbolisch’ de GRIP-4 structuur vast te houden. Dit steunt de voorzitter in zijn coördinerende rol en versterkt die elementen die noodzakelijk zijn in de structuur van de crisisbestrijding ten aanzien van COVID-19.
63
Bijlage 4.
Overzicht relevante overleggen
P09-00002
64
P09-00002
65
Bijlage 5.
Overzicht noodverordeningen en handhavingskaders
P09-00002
66
P09-00002
67
Bijlage 6.
Overzicht ontheffingen en besluiten
P09-00002
68
P09-00002
69