CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

AZC21.04.03A 3 Bijlage 1 Eindverslag mbt verantwoording bestrijding coronacrisis tot 1 december 2020.pdf

Commissie Algemene Zaken en Control 29 april 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Ingekomen stukken, gericht aan de raad: Voor kennisgeving aannemen15.704 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

P09-00002

Verslag COVID-19 Over de periode tot 1 december 2020

1

P09-00002

Colofon Opdrachtgever mw. P. de Kam (directeur VRBZO)

Auteur(s) mw. N. Burgemeester (VRBZO) dhr. R. Ceelen (VRBZO) mw. M. van Doorne (VRBZO) dhr. T. Emmen (VRBZO) mw. M. ten Hout (GGD Brabant-Zuidoost) mw. L. Janssen (VRBZO) mw. J. Kuijk (Gemeente Eindhoven) dhr. P. Lamers (GGD Brabant-Zuidoost) dhr. F. Mesters (VRBZO) dhr. M. Meyer (VRBZO) dhr. B. Oude Hengel (VRBZO) dhr. E. Smeets (VRBZO) mw. F. Vereggen (VRBZO)

Eindredactie mw. M. van Doorne (VRBZO) mw. L. Janssen (VRBZO) 2

P09-00002

3

Voorwoord

P09-00002

Geachte raadsleden, Op 1 december 2020 trad de Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 in werking. Deze wet verving de noodverordeningen van de Veiligheidsregio’s. In dit tweede verantwoordingsverslag vindt u daarom een beschrijving van het verloop van COVID-19 in de Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost over de periode januari tot 1 december 2020. Aanvullend op het eerste tussentijdse verslag, blik ik terug op bijzondere gebeurtenissen en besluitvorming uit het afgelopen jaar. Ik ontkom er niet aan om in herhaling te vallen: het is voor ons allemaal een ontzettend moeilijk jaar geweest. Een overgroot deel van de mensen heeft zich zo goed mogelijk ingezet in de strijd tegen een ongrijpbaar virus en doet dit nog steeds. Dit betekent voor velen minder of geen fysiek bezoek aan kwetsbare familieleden of vrienden, wankelende toekomstplannen, het gemis van collega’s op werk en de weekenden moeten doorkomen zonder sociale uitlaatklep. Daarbovenop komt het tot voorkort uitzichtloze karakter van deze crisis. Ik kan mij voorstellen dat dit samen voor velen een aanslag op hun mentale gezondheid is. Toch heeft deze crisis ons ook laten zien hoe veerkrachtig we met zijn allen zijn. We moeten er opnieuw een extra schep bovenop doen maar ik vertrouw erop dat we dit samen doorstaan. Het vaccineren is gestart. Daardoor vervaagt het uitzichtloze karakter van deze crisis.

Ook al moeten we nu alles op alles zetten om een derde golf te voorkomen: er kómt een moment dat we weer met een veiliger gevoel naar buiten kunnen en onszelf steeds meer bewegingsruimte kunnen geven. Tot die tijd zullen we de schouders er nog onder moeten zetten en deze bittere tijden moeten doorstaan. De maatregelen die er nu liggen zijn er niet voor niks. We kennen allemaal de beelden van zorgmedewerkers die zich vanaf het begin van 2020 met volle kracht inzetten om zieke patiënten te verzorgen en zo de gezondheidseffecten van deze crisis zo veel als mogelijk beperken. Ik heb alle bewondering voor de inzet, kracht en vakkundigheid van alle mensen die in de zorg werken en ben hen erg dankbaar.

4

Aan de andere kant is een aanzienlijk deel van ons ook besmet geraakt met het virus,

P09-00002

maken sommigen een lange herstelperiode door en zijn er mensen die een trieste rouwperiode doormaken omdat zij een dierbare zijn verloren aan het virus. Maar ook mensen met een andere zorgbehoefte kunnen door het nog steeds toenemend aantal coronapatiënten niet terecht voor hun behandeling. De enorme impact van de strengere maatregelen heeft ook zijn weerslag op tal van ondernemingen in de regio zoals de horecagelegenheden en ondernemingen in de cultuursector. Toch wil ik mijn waardering uiten voor iedereen die zich zo hard heeft ingezet en dat nog steeds doet. Zonder een groep over te slaan, hebben ook tal van andere medewerkers zich ingezet en zich in soms moeilijke omstandigheden staande weten te houden. Ik ben ontzettend trots op iedereen die op zijn of haar manier een steentje heeft bijgedragen aan de continuïteit van onze samenleving en, ondanks de corona-moeheid, de maatregelen heeft opgevolgd. Ook binnen Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost kunnen we vertrouwen op een goede samenwerking en collega’s die zich elke dag inzetten om de samenleving ten goede te keren. We maken een intensieve periode door en ik heb enorm veel respect voor iedereen die zich op de voor- en achtergrond inzet. In dit verslag blik ik terug op het afgelopen jaar en wat er in onze Veiligheidsregio heeft gespeeld.

In het volle besef dat deze crisis ook grote gevolgen heeft voor de economie en sociale voorzieningen, wordt de coronacrisis in dit verslag afgebakend als een gezondheidscrisis. Het verslag is geschreven vanuit mijn rol als voorzitter van VRBZO. Daarmee worden in dit verslag vooral de bijzondere situaties uitgelicht die zich op dat gebied het afgelopen jaar in de regio Zuidoost-Brabant voordeden. Hou vol. Alleen samen krijgen we corona eronder. Eindhoven, 29 januari 2021 Voorzitter Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost J.A. Jorritsma

5

P09-00002

6

P09-00002

Inhoud pagina

1

2

Introductie............................................................................................................................................... 8 1.1

Leeswijzer .......................................................................................................................................... 8

1.2

Inleiding .............................................................................................................................................. 9

1.3

Aanleiding ........................................................................................................................................ 11

1.4

Afbakening ...................................................................................................................................... 12

Organisatiestructuren en samenwerking ................................................................................... 13 2.1

Landelijke crisisstructuur ............................................................................................................. 13

2.2

Regionale crisisstructuur ............................................................................................................. 15

2.3

Brabantbrede coördinatie ........................................................................................................... 21

2.4

De zorgketen .................................................................................................................................. 23

2.5

Werkzaamheden van de GGD Brabant-Zuidoost ................................................................... 25

3

Wettelijk kader, verantwoordelijkheden en bevoegdheden ............................................... 28

4

Verloop van gebeurtenissen ........................................................................................................... 31

5

6

7

Bijzondere situaties in Zuidoost Brabant ................................................................................... 44 5.1

Van Rooi Meat ................................................................................................................................ 44

5.2

Luchthaven Eindhoven ................................................................................................................. 45

5.3

Nertsenfokkerijen.......................................................................................................................... 47

5.4

Onderzoeken .................................................................................................................................. 48

5.5

Bijzondere thema’s in het RBT ................................................................................................... 50

Overige ................................................................................................................................................... 53 6.1

Continuïteit van hulpdiensten en vitale sectoren ................................................................. 53

6.2

Meerkosten ..................................................................................................................................... 55

Vervolg ................................................................................................................................................... 56 7.1

Tussentijdse evaluatie .................................................................................................................. 56

7.2

Vervolgproces................................................................................................................................. 57

Bijlagen ........................................................................................................................................................... 58

7

1

Introductie

1.1

Leeswijzer

P09-00002

Dit verslag is een aanvulling op het tussentijdsverslag COVID-19, waarin werd teruggeblikt op de periode tot en met 3 augustus. Gewijzigde of aanvullende teksten over de periode augustus tot 1 december 2020 zijn in kaders geplaatst (zoals deze tekst). Dit kan informatie zijn als chronologische aanvulling omdat bij het schrijven van het eerste verslag deze informatie nog niet bekend was of omdat de toen beschreven tekst actualisatie behoefte. Hoofdstuk 1 opent met een inleiding en beschrijft de aanleiding en afbakening van dit verslag. In hoofdstuk 2 ‘Organisatiestructuren en samenwerking’ wordt kort toegelicht welke organisatiestructuren tijdens de coronacrisis zijn ontstaan in relatie tot de crisisorganisatie van Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost (VRBZO) en voor mij als voorzitter veiligheidsregio. In hoofdstuk 3 worden het wettelijk kader, verantwoordelijkheden en bevoegdheden toegelicht. Hoofdstuk 4, ‘Verloop van gebeurtenissen’, betreft een chronologische weergave van de gebeurtenissen gedurende de coronacrisis. In hoofdstuk 5 worden specifieke situaties voor de regio Zuidoost-Brabant beschreven. Hoofdstuk 6 gaat kort in op de continuïteit van hulpdiensten en kosten. Hoofdstuk 7 beschrijft kort hoe het evaluatietraject van de VRBZO is vormgegeven en geeft informatie over het vervolgproces naar aanleiding van dit verslag.

Tot slot bevat de bijlagensectie een overzicht met relevante cijfers van de GGD BrabantZuidoost (1), een toelichting op de landelijke oversterfte gerelateerd aan COVID-19 besmettingen (2), een beschrijving van de Tijdelijke wet Maatregelen COVID-19 (3), een overzicht van alle relevante overleggen (inclusief samenstelling) (4), een overzicht van de noodverordeningen en bijbehorende handhavingskaders (5) en een overzicht van verleende ontheffingen en overige besluiten (6).

8

1.2

Inleiding

P09-00002

In december 2019 dook in de Chinese miljoenenstad Wuhan (regio Hubei) een nog onbekend virus op. De veroorzaker bleek SARS-CoV-2; een voor de mens destijds nieuw coronavirus. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) gaf de ziekte de officiële naam ‘COVID-19’. Het virus maakt mensen ziek en veroorzaakt onder andere luchtwegklachten, koorts en in ernstige gevallen ademhalingsproblemen. Het virus wordt verspreid door hoesten en niezen. Als andere mensen het virus inademen of via bijvoorbeeld de handen in mond, neus of ogen krijgen, kunnen zij besmet raken met het virus en COVID-19 oplopen. Vanaf half januari 2020 manifesteerde het virus zich in naburige gebieden buiten de regio Hubei. Later traden infecties buiten China op en verspreidde het virus zich snel over de wereld en ook binnen Europa. Sinds 11 maart 2020 erkent de WHO (World Health Organisation) de uitbraak van COVID-19 als een pandemie. De meeste besmettingen werden in deze fase gemeld in de Verenigde Staten, Brazilië en India. In Europa werden het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Italië het hardst getroffen. SARS-CoV-2 was een nieuw virus. Er waren rondom dit virus veel vragen en nog niet alle wetenschappelijke informatie was beschikbaar. Zo bestond bij het RIVM eind januari nog de veronderstelling, op basis van informatie uit China, dat het virus niet makkelijk van mens op mens overdraagbaar zou zijn.

Begin februari was de verwachting dat een verspreiding binnen Nederland relatief klein zou blijven en dat er voldoende testcapaciteit zou zijn. Dat overdracht van het virus ook plaats kon vinden wanneer iemand geen klachten ervoer, werd pas begin maart echt duidelijk. In dezelfde periode dat in de provincie Noord-Brabant (vanuit onderzoek onder patiënten) bekend werd dat de bron van besmettingen niet meer te achterhalen was, werd ook duidelijk dat het toen gehanteerde protocol voor de bestrijding van infectieziekten niet meer afdoende was voor Noord-Brabant. Om een ongecontroleerde uitbreiding van het virus en overbelasting van de zorgcapaciteit te voorkomen, moesten ondanks het gebrek aan informatie en kennis, regionaal en landelijk ingrijpende beslissingen worden genomen. In de maanden daarna groeide de kennis over het virus en de wijze waarop het zich verspreidde. Toch is nog steeds veel onbekend. Er moest voortdurend worden gebalanceerd tussen het beschermen van de volksgezondheid, het borgen van de continuïteit van de zorg, het inschatten van risico’s en het minimaliseren van de maatschappelijke en economische impact.

9

Na een zomerperiode met een relatief laag aantal besmettingen, belandden we eind

P09-00002

september in de tweede golf. Deze tweede golf kenmerkte zich door betere kennis van de verspreiding van het virus, verhoogde testcapaciteit en betere behandelmethodes. Desalniettemin liep het aantal besmettingen hard op en leidde het ook in ZuidoostBrabant tot veel zieken en sterftegevallen. Ook de druk op de zorg nam opnieuw steeds verder toe. Als gevolg moesten er meerdere keren extra maatregelen worden genomen om de verspreiding van het virus weer onder controle te krijgen. De aanwijzing van de minister werd dan vertaald naar een regionale noodverordening en vervolgens ook naar een regionaal handhavingskader. In de tussentijd werd hard gewerkt aan de voorbereidingen voor een nieuwe wet, de Twm (Tijdelijke wet maatregelen COVID-19). Gemeenten, de GGD, veiligheidsregio en ministeries verzetten veel werk om de wet te kunnen realiseren. Dit vroeg om veel voorbereidende ambtelijke en bestuurlijke afstemming. Sinds het uitbreken van de pandemie is er ook hard gewerkt aan de ontwikkeling van een vaccin. Eind november was de hoop gevestigd op het beschikbaar komen van enkele vaccins die in eerder stadium al door het Rijk waren ingekocht. Als eerste werd het vaccin van BioNTech/Pfizer in december goedgekeurd door het Europees Geneesmiddelen Agentschap (EMA). In november was de verwachting dat in januari 2021 kon worden gestart met vaccineren.

In eerste instantie zou worden begonnen met het inenten van de kwetsbare doelgroepen in en door instellingen. Deze strategie is gewijzigd toen het gecompliceerde proces rondom het BioNTech/Pfizer vaccin duidelijk werd. In december vroeg de minister daarom de GGD-en de voorbereidingen voor de eerste inentingen in januari op te pakken. In de periode tot en met 30 november zijn 24.823 inwoners van de regio BrabantZuidoost positief getest. In diezelfde periode zijn er 576 geregistreerde aan COVID-19 overleden personen in de regio te betreuren. 531 van de geregistreerde aan COVID-19 overleden personen waren 70 jaar of ouder. Specifieke cijfers van de GGD en cijfers van het CBS over landelijke oversterfte zijn opgenomen in bijlagen 1 en 2.

10

1.3

Aanleiding

P09-00002

Conform artikel 40 van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) brengt de voorzitter van de veiligheidsregio na afloop van een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis schriftelijk verslag uit aan de raden van de getroffen gemeenten over het verloop van de gebeurtenissen en de besluiten die hij heeft genomen. Hij doet dit in overeenstemming met de burgemeesters die deel uitmaakten van het Regionaal Beleidsteam (RBT). Op 1 december 2020 trad de Tijdelijke wet maatregelen COVID-19 (Twm) in werking (bijlage 3). Deze wet verving de door de voorzitter van de veiligheidsregio vastgestelde noodverordeningen op basis van een ministeriele aanwijzing. De laatst geldende noodverordening (van 18 november 2020) is ingetrokken op het moment dat de nieuwe wet van kracht ging. Op basis van de Tijdelijke wet maatregelen Covid-19 brengt de voorzitter van de veiligheidsregio binnen één maand na inwerkingtreding opnieuw verslag uit. Vanwege zorgvuldigheid van het proces en prioriteiten is wat langer tijd nodig geweest om dit verslag op te kunnen leveren. In samenspraak met de burgemeesters uit het RBT beantwoordt de voorzitter van de veiligheidsregio desgewenst schriftelijk vragen die de raden hebben over dit verslag.

11

1.4

Afbakening

P09-00002

Dit verslag blikt terug op het verloop van gebeurtenissen en besluiten over de periode van januari tot 1 december 2020. Deze afbakening volgt uit de inwerkingtreding van de Twm COVID-19 per 1 december 2020. Dit houdt in dat ontwikkelingen na die datum niet in dit verslag zijn opgenomen. De niet-gemarkeerde teksten komen uit het eerste tussentijdse verslag, waarin werd teruggeblikt tot en met 3 augustus. De blauw-gemarkeerde teksten zijn een aanvulling op het eerste verslag voor de periode van 4 augustus tot 1 december. De focus van dit verslag is de coronacrisis als zijnde een gezondheidscrisis. En dan vooral de impact daarvan op de regio Zuidoost-Brabant. De aanpak van de coronacrisis is een samenspel van een groot aantal organisaties zoals politie, gemeenten, veiligheidsregio, GGD en organisaties binnen de zorgketen. Het zwaartepunt van deze verslaglegging ligt op de rol en bevoegdheden van de voorzitter veiligheidsregio binnen dit complexe landschap van betrokken instanties en partners. Diverse overleggen en besluiten in de publieke gezondheid vielen onder de bevoegdheid van de Directeur Publieke Gezondheid (DPG). Daar waar ik als voorzitter veiligheidsregio bevoegd was conform de Wet publieke gezondheid (Wpg) is dit opgenomen in dit verslag.

12

2

Organisatiestructuren en samenwerking

2.1

Landelijke crisisstructuur

P09-00002

Toen begin maart in Nederland het aantal besmettingen en ziekenhuisopnames toenam, werd de nationale crisisstructuur geactiveerd. Dit gebeurde met sturing door de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb) onder voorzitterschap van de minister-president. Voor een goede afstemming tussen kabinet en veiligheidsregio’s overlegde het Veiligheidsberaad (overleg van de 25 voorzitters veiligheidsregio’s) frequent met de Minister van Justitie en Veiligheid en nam de voorzitter van het Veiligheidsberaad deel aan de vergaderingen van het MCCb. De VRBZO nam een ambtelijke, voorbereidende rol op zich ten aanzien van mijn voorbereiding als voorzitter veiligheidsregio op het Veiligheidsberaad. Nadat de verspreiding in Nederland toenam en de instroom van patiënten in ziekenhuizen en op de IC’s snel groeide, trof het MCCb steeds strengere maatregelen. De implementatie van de (kabinets)maatregelen realiseerden we door het gebruik van elkaar opvolgende regionale noodverordeningen. Ter ondersteuning van de aanpak van de coronacrisis is op 13 maart een Landelijk Operationeel Team Corona (LOT-C) in het leven geroepen

Tot 1 juli vond de aanpak van het coronavirus plaats binnen de nationale crisisstructuur. De Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding en Veiligheid (NCTV) gaf invulling aan de coördinatie van de besluitvorming over het geheel van maatregelen en voorzieningen die de rijksoverheid had getroffen. In de zomer werd de nationale crisisstructuur afgeschaald. Met het afschalen nam de programmadirecteur-generaal COVID-19 het werk voor een belangrijk deel over. Vanaf oktober werd de acute aanpak van het virus gecoördineerd en gefaciliteerd door de projectdirectie COVID-19 van de NCTV. De programma-DG COVID-19 bestreed de sociaaleconomische gevolgen op de (middel)lange termijn en richtte zich op het herstel. Escalatieladder Eind augustus kwam het kabinet met een regionaal beoordelingssysteem om de verspreiding van het coronavirus tegen te gaan. Een wekelijkse evaluatie bepaalde of het in een veiligheidsregio de goede kant op ging of dat strengere maatregelen noodzakelijk waren.

13

P09-00002 De escalatieladder kende in eerste instantie de drie trappen: waakzaam, zorgelijk en ernstig en is naderhand uitgebreid met zeer ernstig als vierde trap. In de eerste trap kwamen er weinig nieuwe besmettingen bij en was er genoeg zorgcapaciteit. Bij stijging van het aantal nieuwe besmettingen en toename van de druk op de zorg, werd de situatie ‘zorgelijk’. Aanvullende maatregelen waren toen nodig. Als een regio in de situatie ‘ernstig’ of zelfs ‘zeer ernstig’ kwam, was hard ingrijpen nodig. Het aantal besmettingen steeg snel en het bron- en contactonderzoek was niet meer effectief. De beschikbare zorgcapaciteit was dan ook niet meer voldoende. De maatregelen werden toegespitst op de situatie in een regio. Zodra in meer dan drie regio’s de situatie zeer ernstig was, kwamen er landelijke maatregelen. Bijlage 1 bevat een curve van het aantal besmettingen in Zuidoost-Brabant, afgezet tegen de signaalwaardes van de escalatieladder. De escalatieladder heet inmiddels routekaart. Dashboard Het ministerie van VWS besprak ten minste wekelijks de situatie per regio met onder meer vertegenwoordigers van GGD’en, RIVM, veiligheidsregio’s en overige decentrale overheden. Daarbij werd gebruikgemaakt van de gegevens op het zogenoemde coronadashboard. Dat dashboard is te vinden is op de website van het RIVM.

14

2.2

Regionale crisisstructuur

P09-00002

Vanuit Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost werden de ontwikkelingen vanaf januari gemonitord. Daarnaast werd (operationeel) overleg opgestart tussen de Brabantse veiligheidsregio’s om de ontwikkelingen te volgen en te bezien of en zo ja, welke voorbereidingen noodzakelijk waren. Hierin werd samengewerkt met de Directeur publieke gezondheid (DPG) en de GGD. Toen eind januari COVID-19 als A-ziekte werd geclassificeerd door het RIVM, kregen de Minister van VWS en de voorzitter veiligheidsregio op grond van de Wet publieke gezondheid (Wpg) daarmee bevoegdheden in de bestrijding van het virus. De regionale crisisstructuur was en is nog steeds primair gericht op de bestrijding van de effecten van een crisis; de effecten van de grootschalige uitbraak van COVID-19 in dit geval. Deze crisis is een unieke, langdurige crisis. De aanpak heeft grote maatschappelijke, economische en psychosociale gevolgen. De bestrijding van de gevolgen gebeurt bij een ‘normale’ crisis bij voorkeur via de reguliere structuren die zijn voorbereid, vastgelegd in draaiboeken en beoefend. Dit is nu ook zoveel mogelijk gebeurd. Colleges van B&W van gemeenten en wethouders publieke gezondheid speelden hierin een belangrijke rol. Er waren onder andere extra overleggen met wethouders van zorg, van economie en van onderwijs. Ook is overlegd met bijvoorbeeld onderwijskoepels.

Daarbij is rekening gehouden met de maatschappelijke gevolgen en is op een aantal punten voor regionaal maatwerk gekozen. Gesprekken met de burgemeesters in deze regio gaven inzicht in waar het accent van de maatregelen zou kunnen liggen en hoe we de maatregelen konden toepassen. Uitgangspunt daarbij was om oog te houden voor het brede perspectief. Hoe houden we het leefbaar met elkaar? Hoe zorgen we dat we niet in een regelreflex schieten, maar elkaar helpen? Bijlage 4 bevat een overzicht van overleggen binnen de crisisstructuur. Regionaal Beleidsteam (RBT) Op 2 maart werd in Brabant-Zuidoost opgeschaald naar de regionale crisisorganisatie (GRIP 2). Er kwam een relatief smalle kernbezetting van het RBT, bestaande uit de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter, de operationeel leider, de DPG en enkele strategisch adviseurs. Op deze manier kon het team, passend bij de urgentie en dynamiek van de crisis, slagvaardig acteren.

15

Door het RBT werden op 5 maart beleidsuitgangspunten vastgesteld die richtinggevend

P09-00002

waren voor besluiten en handelen: •

we erkennen het RIVM als de autoriteit op het gebied van infectieziektebestrijding. Het landelijke beleid wordt vastgesteld op basis van de adviezen en richtlijnen van het RIVM. Wij geven vervolgens uitvoering aan het landelijke beleid, ook wanneer dit wijzigt in de tijd;

•

we dragen bij aan het zijn van en de uitstraling als één overheid. Zowel in de gelaagdheid van gemeenten, regio, land als in de breedte van overheidsorganisaties stralen we uniformiteit uit. We handelen en communiceren vanuit één kernboodschap en wijken hiervan slechts af in uitzonderlijke gevallen en met goede argumenten;

•

we bevorderen en stimuleren dat het maatschappelijk leven normaal doorgang vindt, tenzij… Als er redenen zijn om af te wijken van deze beleidslijn stemmen we de keuze van afwijken vooraf af. Redenen van afwijken van deze beleidslijn zijn bijvoorbeeld: wanneer de continuïteit van het maatschappelijk leven in het geding komt, wanneer bovenmatig risico van verspreiding van het virus ontstaat, of wanneer de veiligheid van hulpverlening en eigen personeel in gevaar komt.

Omwille van landelijke eenduidigheid, om gebruik te kunnen maken van de (informatie)structuren en om duidelijkheid te creëren over de bevoegdheden, werd op 11 maart in Brabant-Zuidoost formeel opgeschaald naar GRIP 4. Operationele afstemming ROT Gedurende de gehele periode vanGRIP-4 was er een Regionaal Operationeel Team (ROT) actief. Dit team zorgde voor de operationele aansturing van de crisisorganisatie en vervulde een adviesfunctie richting het RBT. Het ROT bestond uit vertegenwoordigers van politie, brandweer, geneeskundige hulpverlening, bevolkingszorg en defensie. De Operationeel Leider leidt het Regionaal Operationeel Team (ROT). Daarnaast zijn (en zijn nog steeds) per discipline team die het ROT adviseren en zorgen voor borging van de continuïteit en veiligheid van de hulpverlening en crisisorganisatie. De eerste bijeenkomst van het ROT was op 7 februari en deze bijeenkomsten in reguliere vorm liepen in eerste instantie door tot en met 2 juli.

16

Omdat in de zomerperiode het aantal besmettingen daalde, werd het ROT tijdens de

P09-00002

zomerperiode in afgeslankte vorm gecontinueerd. Deze kleinere overlegvorm werd in september weer uitgebreid. Op 5 oktober vond de eerstvolgende officiële bijeenkomst van het ROT weer plaats. Multi COVID-19 Team In september werd een nieuwe structuur voor de regionale crisisorganisatie van COVID19 vastgesteld. Ongeveer gelijktijdig met het vaststellen van de nieuwe structuur ontstond de ‘tweede golf’ met als gevolg dat er nog niet gewerkt werd in de nieuwe structuur. Het ROT bleef actief. Dit leidde tot een aangepast voorstel voor de operationele structuur van de regionale crisisorganisatie. In deze nieuwe structuur kregen directeur veiligheidsregio en de kantoororganisatie van VRBZO een grotere rol bij de ondersteuning van de crisisorganisatie. De structuur beoogde een robuuste organisatie en een borging van kwaliteit. Daarnaast stonden heldere advieslijnen naar het RBT. Het onderhouden van continuïteit en een sterke verbinding tussen de operationele en bestuurlijke lagen voorop. De multidisciplinaire afstemming op tactisch en operationeel niveau gebeurt binnen het ‘multi COVID-19 team’ (MCT). Het MCT werkt met een maatwerkbezetting van deelnemers passend bij de vraagstukken en doelstellingen van het moment. Aanvullend daarop kunnen partners flexibel aansluiten indien hun expertise nodig is.

Informatievoorziening Snelle communicatie en vertrouwen in elkaar waren belangrijke uitgangspunten voor het delen van informatie en voor het afstemmen van kwesties. Op bestuurlijk niveau gebeurde dat onder meer via het Bestuurlijk Afstemmingoverleg (BAO) en met informatiebrieven. Deze periodieke (aanvankelijk zelfs dagelijkse) informatiebrief naar gemeenten beschreef de actuele situatie in Brabant in zijn algemeenheid en in de regio in het bijzonder. Met deze brief konden de colleges van B&W vervolgens hun gemeenteraad informeren. Periodiek zijn hier ook Brabantbrede, meer op raadsleden toegespitste, bestuurlijke informatiebrieven aan

17

toegevoegd. Ad hoc zijn allerlei specifieke vragen van colleges en raden beantwoord vanuit

P09-00002

zowel veiligheidsregio als GGD. Het informeren van de gemeenten door de periodieke informatiebrieven ging ook na augustus door. Ook ontvingen de colleges van B&W en gemeenteraden het tussentijdse schriftelijk verslag van de voorzitter. Tijdens een digitale, regionale raadsinformatiebijeenkomst op 12 november heb ik hierop een toelichting gegeven. Daarnaast was er ruimte voor vragen en was er een toelichting op actuele ontwikkelingen zoals de Twm. Er werd onder andere stilgestaan bij wat de Twm zou gaan betekenen voor de verdeling van taken en verantwoordelijkheden voor gemeenteraden, colleges, burgemeesters en de voorzitter veiligheidsregio. Ik werd daarbij als voorzitter VRBZO vergezeld door Petra de Kam (directeur VRBZO), en sloten ook Elly Blanksma (plaatsvervangend voorzitter VRBZO en voorzitter van het RBT), Ellis Jeurissen (directeur Publieke Gezondheid) en Ton Emmen (Operationeel Leider corona tijdens de eerste golf) digitaal aan.

Crisiscommunicatie De crisiscommunicatie werd in de eerste maanden uitgevoerd volgens het draaiboek crisiscommunicatie van onze regio. In navolging op de bestuurlijke samenwerking werd ook op het gebied van crisiscommunicatie een taakverdeling gemaakt tussen de drie Brabantse veiligheidsregio’s. VRBZO was eerste aanspreekpunt voor pers voor geheel Brabant. Voor onze regio was inhoudelijk het uitgangspunt: het volgen van de landelijke strategie. Hierbij was aandacht voor informatievoorziening, schadebeperking en betekenisgeving. Regionaal en lokaal was er ruimte zaken toe te voegen aan de landelijke strategie. In september is door VRBZO, gemeenten en de GGD getoetst of de communicatiestrategie nog voldeed. In grote lijnen was dat het geval. Het uitgangspunt bleef dan ook: het volgen van de landelijke communicatie van het Rijk met ruimte voor lokale invulling. Bij gemeenten lag de nadruk in het najaar, naast de communicatie over de maatregelen, op betekenisgeving. De intensieve samenwerking met het Rijk, GGD Brabant-Zuidoost en de twee overige Brabantse veiligheidsregio’s is ook in deze periode doorgezet.

18

Handhaving

P09-00002

Voor de handhaving van de noodverordeningen werkten de veiligheidsregio, gemeenten, politie en Openbaar Ministerie nauw samen. In onze regio lag het accent vooral op de eigen verantwoordelijkheid van burgers en ondernemers. Dit vanuit de gedachte dat we deze crisis als samenleving gezamenlijk bestrijden. Hierin werd de volgende lijn gehanteerd: aanspreken waar mogelijk, waarschuwen waar nodig en handhaven op excessen. Waar in het begin van de crisis vooral de nadruk lag op bewustwording en aanspreken, werd vanaf augustus meer gewaarschuwd. Na verloop van tijd werd het noodzakelijk geacht de handhaving te intensiveren. Er werd overgegaan van de ‘drietrap’ (aanspreken, waarschuwen en beboeten) naar de ‘tweetrap’ (waarschuwen en beboeten). De handhaving vond plaats binnen de kaders van zowel bestuurs- als strafrecht. Hierdoor was het noodzakelijk dat de genoemde partijen voortdurend met elkaar afstemden. De aanwijzing van de minister werd opgevolgd en vertaald in een noodverordening. Vervolgens werd elke nieuwe noodverordening weer vertaald in een bijbehorend handhavingskader. We stonden daarbij voor gezamenlijke regionale uniformiteit in beleid. Maar als lokale omstandigheden het vroegen, wogen we lokale omstandigheden hierin mee. Hierdoor was, binnen de kaders van het geldende handhavingskader, lokaal maatwerk mogelijk.

Op 5 augustus heeft het RBT een oproep doen uitgaan aan burgemeesters van gemeenten in de regio om op te treden bij herhaaldelijke of grove overtreding van de coronamaatregelen. Dit kwam voort uit de steeds lossere naleving van de maatregelen, terwijl het virus bezig was met een opmars. Gemeenten gaven, voor zover dit met de beschikbare handhavingscapaciteit mogelijk was, uitvoering aan de bepaalde handhavingslijn. In een aantal gemeenten werden BOA’s en politie bij de handhaving en toezicht ondersteund door een particulier bedrijf.

19

Demonstraties

P09-00002

De lijn bij demonstraties was steeds dat hieraan, ongeacht het thema en de aard hiervan, binnen de mogelijkheden van de coronamaatregelen medewerking werd verleend. De burgemeesters ontvingen daarbij, naast de reguliere afstemming binnen de driehoek, van de dienstdoende DPG een gezondheidskundig advies om te bepalen of en welke beperkingen moesten worden opgelegd. In totaal vonden er tientallen demonstraties plaats in de regio. Het merendeel daarvan in het centrum van Eindhoven.

Afstemming met België Vooral tijdens de eerste weken van de crisis, werd door VRBZO actief contact gezocht met de departementen noodplanning van de aangrenzende Belgische provincies (Antwerpen en Limburg). Dit betrof vooral het krijgen van een indicatie van de ernst van de situatie in België en de door hen te nemen/genomen maatregelen. Zo konden we de mogelijke effecten voor onze regio inschatten. Later is dit contact via de provincie NoordBrabant verlopen en ook op ministerieel niveau opgepakt.

Diverse grensoverschrijdende thema’s kwamen de afgelopen maanden aan bod. Veel hiervan hadden betrekking op de discrepantie tussen de Nederlandse en de Belgische maatregelen. Voor veel inwoners van de grensstreek bleek het lastig dat de maatregelen sterk uiteen liepen. Toen de niet-essentiële winkels in België dicht waren, deden bijvoorbeeld veel Belgen in november in Nederland inkopen voor de feestdagen. Een ander voorbeeld betreft de avondklok die in België al lange tijd geldt. Nederlanders die hier niet van op de hoogte waren, staken ook ’s avonds de grens over om in België te gaan tanken. Dat leidde tot irritatie in België. Op initiatief van gouverneur Berx van provincie Antwerpen vonden op 5 oktober en op 14 december bestuurlijke overleggen plaats met burgemeesters aan weerszijden van de grens, de provincie en de hulpverleningsdiensten. Doel: informatie-uitwisseling en afstemming. Dit droeg bij aan het inzicht in de situatie in beide landen en begrip voor elkaar.

20

2.3

Brabantbrede coördinatie

P09-00002

Om de gezamenlijke Brabantse aanpak te coördineren, werd op 10 maart een interregionaal beleidsteam (iRBT) ingericht. Met dit iRBT kozen de voorzitters van de drie Brabantse veiligheidsregio’s voor een éénduidige aanpak in Brabant. De voorzitters verdeelden de bestuurlijke portefeuilles onderling. Ook ambtelijk maakten de directeuren veiligheidsregio, directeuren publiek gezondheid en de regionale operationele teams van de drie veiligheidsregio’s onderlinge werkverdelingen om de werklast te verdelen en zo uniform mogelijk te acteren. Afstemming vond Brabantbreed plaats, maar besluitvorming bleef regionaal verankerd aangezien het iRBT geen wettelijke status had. Overleg met sectoren In het najaar zijn, net als in de maanden ervoor, overleggen geweest met verschillende sectoren, waaronder de: •

regionale afdeling van Koninklijke Horeca Nederland (Oost-Brabant) met betrekking tot de handhaving van coronamaatregelen in de horeca (waaronder het placeren en registreren van bezoekers);

•

onderwijsinstellingen met betrekking tot de opzet van veilige introductieweken voor nieuwe studenten;

•

cultuursectoren over veiligheidsmaatregelen binnen de verschillende musea, theaters en andere cultuurinstellingen;

•

carnavalsfederaties.

Brabantbreed spreekuur evenementen Eén van de eerste maatregelen tijdens de eerste golf van de crisis was een verbod op evenementen. De termijn van dit landelijke verbod werd uiteindelijk gesteld op 1 september 2020. Dit gaf rust en de branche wist waar zij aan toe was, namelijk géén evenementen in het seizoen 2020. Tijdens de persconferentie van 23 juni bleek echter zeer onverwacht dat het evenementenverbod al per 1 juli 2020 kon worden versoepeld. Om duidelijkheid te bieden omtrent de organisatie van evenementen, namen de 3 Brabantse veiligheidsregio’s gezamenlijk het initiatief voor een online ‘Spreekuur evenementen’. Dit initiatief was er voor alle 62 gemeenten in Brabant.

21

P09-00002 Een vast panel van juristen en evenementenadviseurs beantwoordde vragen over de noodverordening. Dit zorgde voor eenduidigheid in de uitleg en interpretatie van de noodverordeningen op het thema evenementen. Daarnaast bood het de Brabantse gemeenten houvast in de behandeling van vergunningsaanvragen voor evenementen. Brabantbreed Scenarioteam Ook na 3 augustus was het scenarioteam voor de crisisbestrijding van COVID-19 actief. Het team bestond uit beleidsadviseurs uit de verschillende multidisciplinaire kolommen. Zij hielden zich bezig met het aanbrengen van extra focus op het midden- en lange termijn denken. De bestuurlijke scenario’s werden in kaart gebracht en er werd afstemming tussen burgemeesters gerealiseerd. Op basis van de scenario-uitwerkingen van het Scenarioteam konden de burgemeesters met elkaar de (lokale) dilemma’s doorleven en kon er vervolgens afstemming plaatsvinden. Hoewel deze afstemming ook Brabantbreed plaatsvond in het iRBT, bleef de besluitvorming regionaal verankerd in het RBT. De operationele vertaalslag vond plaats in het MCT (en eerder in het ROT).

22

P09-00002 2.4

De zorgketen

De zorgketen, waarin een groot deel van de coronacrisis zich afspeelde, bestaat voor een groot deel uit privaat georganiseerde zorginstellingen waarin slechts beperkte publieke inmenging en sturing mogelijk is. In deze paragraaf vindt u een korte toelichting op een aantal organisaties die een rol hadden in de (regionale) afstemming tussen deze zorginstellingen en/of een rol hadden in de infectieziektebestrijding. GGD De GGD voert taken uit de Wet publieke gezondheid (Wpg) uit, waaronder taken in het kader van de infectieziektebestrijding. Denk hierbij aan monitoring, advisering bij/ bepaling van regionaal bestrijdingsbeleid, bronopsporing, contactonderzoek, vaccinatie, vervoer en afzondering, diagnose/therapie, het treffen van hygiënemaatregelen en voorlichting. GHOR Ten tijde van de coronacrisis heeft de GHOR (VRBZO) de GGD actief ondersteund in de planvorming en uitvoering ten behoeve van het organiseren van de teststraten. De GHOR zorgt voor de coördinatie, aansturing en regie van de geneeskundige hulpverlening bij rampen en crisis. Een groot deel van de uit te voeren taken ligt in de voorbereiding: het maken van afspraken met zorginstellingen, planvorming, opleiden en oefenen. Tijdens een crisis maakt de GHOR deel uit van de regionale hoofdstructuur rampenbestrijding en crisisbeheersing.

De complexiteit van het samenwerken tussen publieke en private betrokken partijen tijdens deze crisis was enorm. Voor meer informatie over thema’s die de zorgcontinuïteit tijdens infectieziektecrises beïnvloeden, wordt verwezen naar het rapport ‘COVID-19: Directeuren Publieke Gezondheid en GHOR over zorgcontinuïteit’ van het Instituut Fysieke Veiligheid (IFV)1. ROAZ In het Regionaal Overleg Acute Zorg (ROAZ) maken de aanbieders van acute zorg in regionaal verband afspraken over een goede samenwerking. Het doel hiervan is de acute zorg te borgen en te verbeteren. Het Netwerk Acute Zorg Brabant (NAZB) coördineert het ROAZ voor Noord-Brabant.

1

Instituut Fysieke Veiligheid (2020). COVID-19: Directeuren Publieke Gezondheid en GHOR over zorgcontinuïteit. Arnhem: IFV

23

P09-00002 RONAZ Onder leiding van de GHOR werd op 12 maart een Brabantbreed Regionaal Overleg NietAcute zorg (RONAZ) geïnitieerd. Deze nieuwe structuur bestaat uit bestuurders vanuit de verzorg- en verpleeghuizen, thuiszorg, verstandelijk gehandicaptenzorg en jeugdzorg, GGD en een burgemeester als afvaardiging vanuit het Openbaar bestuur. Het doel van dit overleg is het snel uitwisselen van beleidslijnen en adviezen in organisaties die verantwoordelijk zijn voor de langdurige, niet-acute zorg.

24

2.5

Werkzaamheden van de GGD Brabant-Zuidoost

P09-00002

Testen Mensen met klachten die op het COVID-19 virus konden duiden, werden dringend verzocht in quarantaine te gaan en zich te laten testen. Het testen gaf zicht op de aantallen besmettingen. Daarmee was het een belangrijk middel om de verspreiding van het virus in te dammen. Sinds 6 april werd de eerste teststraat in Eindhoven in gebruik genomen. In eerste instantie enkel voor het testen van zorgpersoneel en later ook voor grootschalig testen. Later volgde ook een teststraat in Helmond, Valkenswaard en Eersel (inclusief een prio-lijn voor zorg- en onderwijspersoneel). Op 1 juni startte (landelijk) het testen voor iedereen met klachten. In oktober werden de teststraten winterbestendig ingericht. In november werd de teststraat in Eindhoven omgebouwd naar een XL-locatie met 26 testlijnen (inclusief twaalf lijnen voor sneltesten), in voorbereiding op de opening op 1 december. Er werd toegewerkt naar een capaciteit van 9.400 testen per dag in Brabant-Zuidoost, conform de landelijke doelstelling. Hiermee kon de testvraag (van aanmelding tot uitslag) binnen een korte termijn worden afgehandeld. Het testen door andere partijen dan de GGD kreeg richting de herfst een vlucht. Vooral in de periode dat het voor de GGD lastig was om aan de grote testvraag te voldoen. Het uitgangspunt van het kabinet was dat alle inzet die een bijdrage leverde aan het indammen van het virus welkom was.

Maar er was wel zorg. Het ministerie had namelijk uitgangspunten uitgevaardigd waar alle testafnemers aan moesten voldoen, vooruitlopend op de richtlijn die het RIVM zou uitvaardigen. Alle testafname-aanbieders moesten werken volgens de daarvoor geldende vereisten. Deze bestonden onder andere uit eisen aan de soort test, de manier van testen en het melden van positieve uitslagen bij de GGD. Dit laatste was noodzakelijk voor het bron- en contactonderzoek. Het ging helaas niet in alle gevallen goed. Bij de GGD zagen ze bijvoorbeeld dat nietgecertificeerde testen werden gebruikt, dat er geen toezicht van een arts was en dat er sneltesten werden toegepast op mensen zonder klachten. Die sneltesten zijn daarvoor echter onvoldoende betrouwbaar.

25

Bron- en contactonderzoek

P09-00002

De GGD voerde bron- en contactonderzoek uit bij mensen die positief zijn getest. Er werd nagegaan met wie de persoon in de dagen voor de test nauw in contact was. Die mensen werden verzocht uit voorzorg in quarantaine te gaan om zo verspreiding van het virus te voorkomen. De afgelopen maanden heeft de GGD steeds moeten schakelen al naar gelang de drukte. Een volledig bron- en contactonderzoek kost per positief geteste persoon gemiddeld zo’n 8 uur. Bij grote drukte werd het bron- en contactonderzoek beperkt. Bij minimaal bron- en contactonderzoek werd aan positief geteste personen gevraagd zelf de mensen te informeren met wie zij in nauw contact waren geweest. De GGD voerde een deel van de onderzoeken zelf uit en besteedde een deel uit. Clusteranalyse Op basis van het bron- en contactonderzoek werden besmettingen ingedeeld in clusters (waaronder leeftijdscategorieën, scholen en bedrijven) en in geografische spreidingen (gemeenten, kernen en wijken). Het doel van deze analyses was om een handreiking voor de betreffende gemeenten te kunnen bieden, om zo het virus doelgerichter te kunnen bestrijden. Het werd echter bij een groeiend aantal besmettingen onmogelijk om deze te relateren aan clusters. GGD-monitor In het najaar van 2020 viel bij ruim 68.000 mensen in de GGD-regio Brabant-Zuidoost een brief op de mat om mee te werken aan de GGD Gezondheidsmonitor.

Dit betrof een uitgebreide vragenlijst met vragen over onder meer algemene gezondheid, welbevinden, leefstijl, woonomgeving en veiligheid. In deze vragenlijst waren ook vragen opgenomen met betrekking tot COVID-19. Doel: het onderzoeken van de impact op verschillende thema’s zoals beweging, genotmiddelen en financiën.

26

Vaccineren

P09-00002

In november werd reikhalzend uitgekeken naar de eerste vaccins. In de door het kabinet vastgestelde vaccinatiestrategie, was voor de GGD een rol weggelegd voor de massavaccinatie van de doelgroep 18-60 jaar zonder medische indicatie. Deze massavaccinatie zou vermoedelijk medio 2021 starten. Informatievoorziening De GGD draagt onder andere bij aan de informatievoorziening; de uitleg over het virus en de toelichting op de gekozen aanpak was aan de Rijksoverheid. De GGD verwijst vooral naar deze informatie en informeert over de uitvoering van de opgelegde taken.

27

3

Wettelijk kader, verantwoordelijkheden en bevoegdheden

P09-00002

Het coronavirus veroorzaakt de ziekte COVID-19. Een ziekte van nationale betekenis waardoor COVID-19 behoort tot de groep A-infectieziekten. Op basis van de Wpg heeft de voorzitter bevoegdheden voor de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A. Dit gebeurt onder leiding van de Minister van VWS. Deze bevoegdheden (volgens letterlijke wettekst) betreffen onder andere: •

het onverwijld in isolatie doen opnemen van een persoon;

•

het onverwijld doen onderwerpen aan een maatregel van quarantaine van een persoon;

•

het controleren van terreinen, gebouwen, vervoermiddelen of goederen bij een gegrond vermoeden van een besmetting en;

•

het bepalen van maatregelen ten aanzien van aankomende schepen of luchtvaartuigen, exploitanten van een burger(lucht)haven en/of vervoersexploitanten.

Er is in deze veiligheidsregio tot 1 december geen gebruik gemaakt van de bevoegdheid om een persoon gedwongen te isoleren of in quarantaine te plaatsen. Dit gebeurde steeds op vrijwillige basis.

Op basis van artikel 39 van de Wet veiligheidsregio’s (Wvr) is de voorzitter van de veiligheidsregio in geval van (ernstige vrees voor het ontstaan van) een ramp of crisis van meer dan plaatselijke betekenis (waarvan in het kader van corona sprake is), ten behoeve van de rampenbestrijding en crisisbeheersing bij uitsluiting bevoegd toepassing te geven aan onder andere de volgende (normaal gesproken bij de burgemeester belegde) bevoegdheden: •

het voeren van het bevel over degenen die aan de bestrijding van een ramp deelnemen (artikel 5 Wet veiligheidsregio’s);

•

het uitoefenen van toezicht op de openbare samenkomsten en vermakelijkheden alsmede op de voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven (artikel 174 Gemeentewet);

•

het stellen van voorschriften en beperkingen aan en het verbieden of beëindigen van manifestaties (artikel 5 t/m 9 Wet openbare manifestaties);

•

het uitvaardigen van een noodbevel (artikel 175 Gemeentewet) en;

•

het uitvaardigen van een noodverordening (artikel 176 Gemeentewet). 28

Tenzij de vereiste spoed zich daartegen verzet, neemt de voorzitter van de veiligheidsregio in het kader van bovengenoemde bevoegdheden geen besluiten zonder het RBT daarover te raadplegen. De burgemeesters in de regio tekenden ten aanzien van (voorgenomen) besluiten van de voorzitter geen bezwaren aan. Op basis van de Wpg zorgt de voorzitter van de veiligheidsregio voor de bestrijding van een epidemie van een infectieziekte behorend tot groep A. Dit gebeurt onder leiding van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport die de voorzitter kan opdragen hoe de bestrijding ter hand moeten worden genomen. In dit kader gaf de minister de voorzitters van de veiligheidsregio’s meermaals opdracht hun bevoegdheid om een noodverordening vast te stellen aan te wenden ter uitvoering van de door de minister benoemde maatregelen ter bestrijding van het coronavirus. De taken en bevoegdheden op het gebied van enerzijds de bestrijding van de infectieziekte (Wpg) en anderzijds het handhaven van de openbare orde en veiligheid (Wvr) zijn bij dezelfde partij belegd. Noodverordeningen De ontwikkelingen rondom COVID-19 volgden elkaar in een rap tempo op. Hierdoor moest ook de bestrijding van het virus meebewegen en werd het maatregelenpakket regelmatig in meer of mindere mate aangepast. Soms leidde dit tot snel op elkaar volgende aanwijzingen vanuit de minister.

Daaruit volgde dan ook de aanpassing van noodverordeningen op basis van de aanwijzing. In sommige perioden volgden de noodverordeningen elkaar daarom in een hoog tempo op. Juridische documenten die in de ‘normale situatie’ maanden van uitwerking en consultatie vergen, kwamen nu in enkele dagen tot stand. Hierdoor was het soms noodzakelijk definities aan te scherpen of specifieke gevallen nader te duiden. Deze dynamiek in maatregelen had onlosmakelijk grote impact op de samenleving. Waar sprake was van onzekerheden of duidelijkheden is steeds geprobeerd hieraan, binnen de mogelijkheden, tegemoet te komen. Bij eventuele verschillen die konden ontstaan in de lokale uitvoering faciliteerde de veiligheidsregio een zo goed mogelijke opheldering van interpretatievraagstukken.

29

P09-00002

Ook landelijk is gestreefd naar zo veel mogelijk eenduidigheid. Ondanks het zo duidelijk

P09-00002

mogelijk maken van de maatregelen had de naleving daarvan een enorme impact op de samenleving. En het beperkte de vrijheden van mensen en ondernemers in Nederland. We deden steeds een beroep op ieders gezond verstand. Bij de naleving werd goed gekeken naar de bedoeling van de maatregelen. Het gedrag van de inwoners was overwegend goed; een belangrijk deel van de inwoners leefde de regels na. Desondanks was het op enig moment toch nodig om strenger te handhaven. We beseften ons dat de economie en de maatschappij op (psycho)sociaal vlak harde klappen heeft moeten verduren. Het waren duivelse dillema’s. Echter, voor ons stond het belang van de volksgezondheid en de continuïteit van de zorg voorop.

30

4

Verloop van gebeurtenissen

P09-00002

In januari 2020 werden de signalen over de verspreiding en gevolgen van het coronavirus zorgwekkend. In een voorbereidend multidisciplinair overleg vond vanaf begin februari overleg plaats over de situatie in onze regio. Op dat moment waren er nog geen COVID-19 besmettingen bekend in Nederland. De GGD en RIVM hadden ook geen directe signalen die duidden op een (grootschalige) verspreiding van het virus in het land. Daarmee was het voorbarig om al maatregelen te treffen om verspreiding in te perken. In het overleg werd ook gesproken over de bijzondere positie van Luchthaven Eindhoven als repatriëringsvliegveld. Om uitvoering te geven aan deze taak werd gestart met het organiseren van een opvang- en quarantainelocatie in de regio en het borgen van een goede informatiepositie van diverse ministeries. De voorbereidingen werden naar aanleiding van dit overleg in gang gezet. Op 17 januari 2020 verstuurde het RIVM een eerste bericht naar professionals werkzaam in de infectieziektebestrijding. Er was voldoende aanleiding om in Nederland zorgprofessionals te gaan voorbereiden op het kunnen herkennen en testen van mensen die het nieuwe coronavirus uit het buitenland meebrachten. In januari werden er per veiligheidsregio quarantainelocaties voorbereid en vonden er extra afstemmingsoverleggen vanuit de zorgsectoren plaats.

Op 28 januari maakte de Minister van VWS, op advies van het Outbreak Management Team (OMT) en na consultatie van het BAO (Bestuurlijk Afstemmingsoverleg), COVID-19 meldingsplichtig als A-ziekte. De Minister van VWS gaf leiding aan de bestrijding terwijl de uitvoering van de bestrijding van een A-ziekte werd opgedragen aan de GGD. De maatregelen die in de zorg werden getroffen, waren voornamelijk bepaald door VWS op advies van het RIVM. Tijdens de totstandkoming van deze maatregelen vond regelmatig overleg plaats met regionale GGD’en, ziekenhuizen, verpleeghuizen et cetera. Er was een eenduidig, landelijk beleid wat maakte dat er voor individuele instellingen en organisaties beperkte ruimte was om zelfstandig richtlijnen op te stellen. Op 7 februari werd in Zuidoost-Brabant gestart met een periodiek, multidisciplinair overleg waarbij de hulpverleningsdiensten (GHOR/GGD, politie, Bevolkingszorg/ gemeenten, brandweer en defensie) in de regio spraken over eventuele effecten van een grootschalige uitbraak van COVID-19. Het overleg had als doel om op basis van de door de GGD aangereikte informatie over COVID-19 en de verspreiding van het virus tot op dat moment, een beeld te vormen van mogelijke maatschappelijke effecten en de te nemen maatregelen. De burgemeesters in Zuidoost-Brabant werden via twee informatieberichten, vanuit de Directeur 31

Publieke Gezondheid (DPG) en de veiligheidsregio gezamenlijk, geïnformeerd over de

P09-00002

voorbereidingen die landelijk en regionaal werden getroffen. Op 20 februari en 3 maart is het regionale Coördinatieorgaan Infectieziekten bijeen geweest. De overleggen waren gericht op gezamenlijke beeldvorming, een vooruitblik op mogelijke ontwikkelingen en het krijgen van inzicht in de actuele en verwachte knelpunten van de zorgorganisaties en zorginstellingen in de regio. De GGD was al begonnen met voorbereidingen op eventuele cohortverpleging, met als doel om de lasten voor ziekenhuizen te verlichten en doorstroming van patiënten te bevorderen. Op 27 februari 2020 werd in Nederland een eerste besmetting met COVID-19 vastgesteld bij een patiënt die was opgenomen in het Tilburgse Elisabeth-TweeSteden ziekenhuis. Vanuit de acute zorg werd er direct opgeschaald tot een Brabantbrede coördinatie in de vorm van het ROAZ. Tijdens het regionaal, multidisciplinair overleg op vrijdag 28 februari werd duidelijk dat het niet de vraag was of, maar wanneer in onze regio een besmetting zou worden vastgesteld. Op zondagavond 1 maart stelde de GGD de eerste besmetting in Helmond vast. Op 2 maart werden de colleges van B&W - en via hen de gemeenteraden - geïnformeerd over deze eerste besmetting en over de instelling van de regionale crisisorganisatie. Dit betrof een GRIP 2 waarmee een flexibel regionaal beleidsteam (RBT) werd ingezet.

De voorzitter zou bij de bestrijding van de effecten van deze crisis optreden als het bevoegd gezag conform artikel 39 Wet veiligheidsregio’s (Wvr). Ook de samenstelling van het RBT werd in het bericht toegelicht. Daarbij werd benoemd dat, naast de voorzitter en adviseurs, ook de burgemeesters van gemeenten waarin besmetting met het coronavirus was vastgesteld, plaatsnamen in het RBT. Al snel werd duidelijk dat in meerdere (zo niet alle) gemeenten in de regio besmettingen zouden gaan optreden. Bij nader inzien werd omwille van efficiëntie en slagvaardigheid gekozen voor een smallere bestuurlijke bezetting van het RBT met de voorzitter, de plaatsvervangend voorzitter en vanaf 6 april vier burgemeesters, geografisch verdeeld over de regio. Op 3 maart waren er 2 besmettingen, in Helmond en Eindhoven en was de GGD al erg druk met het beantwoorden van telefonische vragen. Bij beide besmettingen werd contactonderzoek ingezet. Het ROAZ was opgeschaald naar code oranje, dat meer ruimte oplevert om elkaar in de keten te helpen. Zorgcontinuïteit was daarbij het leidende thema. In afwachting van nadere invulling van provinciale/landelijke regie spraken de partijen in het 32

Coördinatieorgaan Infectiezieken af om te inventariseren wat de voorraad en verwachte behoefte was aan persoonlijke beschermingsmiddelen, om zo te kunnen beoordelen hoe men elkaar kon helpen. Ook is er afgesproken om een gezamenlijk handelingsperspectief op te stellen voor bezoeken aan ziekenhuizen. Op 5 maart stelde RBT beleidsuitgangspunten vast die richtinggevend waren voor besluiten en handelen: •

we erkennen het RIVM als de autoriteit op het gebied van infectieziektebestrijding en volgen de adviezen en richtlijnen van het RIVM op, ook wanneer deze wijzigen in de tijd;

•

we dragen bij aan het zijn van en de uitstraling als één overheid. Zowel in de gelaagdheid van gemeenten, regio, land als in de breedte van overheidsorganisaties stralen we uniformiteit uit. We handelen en communiceren vanuit één kernboodschap en wijken hiervan slechts af in uitzonderlijke gevallen en met goede argumenten;

•

we bevorderen en stimuleren dat het maatschappelijk leven normaal doorgang vindt. Als er redenen zijn om af te wijken van deze beleidslijn stemmen we de keuze van afwijken vooraf af. Redenen van afwijken van deze beleidslijn zijn bijvoorbeeld: wanneer de continuïteit van het maatschappelijk leven in het geding komt, wanneer bovenmatig risico van verspreiding van het virus ontstaat, of wanneer de veiligheid van hulpverlening en eigen personeel in gevaar komt.

Op 6 maart werd bij de GGD duidelijk dat de bron van een besmetting niet meer eenduidig was te herleiden. Deze middag vond afstemming plaats tussen de voorzitter en alle burgemeesters van Zuidoost-Brabant over de actuele stand van zaken van besmettingen, de crisisorganisatie en de beleidsuitgangspunten. Daarnaast kwamen vanuit het ROAZ verontrustende geluiden over een mogelijk ontoereikende ziekenhuiscapaciteit als het aantal besmettingen en patiënten snel zou stijgen. Daarom werd door het RIVM in dat weekend een steekproef gehouden en onderzoek gedaan in Brabant. Hieruit volgde vanuit het RIVM een advies aan iedereen in Brabant om bij verkoudheid, hoesten of koorts sociaal contact tot een minimum te beperken. De 3 voorzitters van de Brabantse veiligheidsregio’s legden hier de basis om voor een gezamenlijke aanpak in Brabant te kiezen. Dit was ontstaan vanuit de behoefte aan een eenduidig beleid en geluid richting de inwoners van de hele provincie Noord-Brabant. Op 8 maart was er overleg met Brabantse zorgpartners en het RIVM. Op diverse plekken was een stijging van de ziekenhuisopnamen zichtbaar en de voorlopige steekproefresultaten 33

P09-00002

gaven reden tot zorg. Het werd duidelijk dat het niet alleen ging over de bestrijding van een pandemie en het beheersen van besmettingen, maar ook over maatregelen om zorg te kunnen blijven leveren. De uitdaging was de continuïteit van de zorg in stand te houden door de instroom van patiënten te minimaliseren en de beschikbaarheid te maximaliseren. Op 9 maart participeerden de 3 Brabantse veiligheidsregio’s in het landelijke bestuurlijke afstemmingsoverleg, de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing (ICCb) en de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing (MCCb). Landelijk bevonden we ons in de eerste fase van indammen, ofwel containment. Containment was er in dit geval op gericht het gemiddeld aantal secundaire besmettingen, veroorzaakt door één besmet persoon, onder de waarde 1 te houden. Al snel groeide de bewustwording over de ernst van de situatie en kwam het besef dat een containmentstrategie voor Brabant niet meer afdoende was. We bevonden ons namelijk al in een verder gevorderd stadium en de verspreiding van het virus leek lastig tegen te gaan. De situatie vereiste daarom een aanpak die meer gericht was op mitigatie: het beheersen van de verspreiding van het virus, zodat de zorg niet overbelast zou raken en de gevolgen voor patiënten zo beperkt mogelijk zouden blijven. In Brabant steeg het aantal besmettingen sneller dan in de rest van Nederland.

Het feit dat het ROAZ Brabantbreed werd georganiseerd, was een reden om binnen de provincie zaken af te stemmen. Dit vroeg om een andere aanpak dan normaal, namelijk om ontwikkelingen en besluiten direct Brabantbreed af te stemmen en te coördineren. Er werd daarom besloten tot één gezamenlijke Brabantse aanpak met als doel de verspreiding te beheersen. Om deze gezamenlijke Brabantse aanpak te coördineren, werd een interregionaal beleidsteam (iRBT) ingericht. Met dit iRBT kozen de voorzitters van de drie Brabantse veiligheidsregio’s voor een éénduidige aanpak in Brabant. Op 10 maart kondigden de voorzitters van de 3 Brabantse veiligheidsregio’s, vooruitlopend op de latere landelijke maatregelen, de Brabantse maatregelen aan. Burgers in Brabant werden opgeroepen tot 7 dagen sociale onthouding. Evenementen tot 1.000 personen werden verboden, publiekssamenkomsten moesten worden beperkt en men werd opgeroepen om thuis te blijven bij klachten. Dit was voor Brabant een duidelijk markeerpunt. Later die week werden er landelijke maatregelen aangekondigd en werd de input uit Brabant meegenomen in die maatregelen. Hierin werd geprobeerd om een balans te vinden tussen enerzijds het indammen van het virus en anderzijds de maatschappelijke en economische impact zo klein mogelijk te houden.

34

P09-00002

Ook landelijk werd de crisis urgenter; diverse veiligheidsregio’s schaalden hun crisisorganisatie op naar GRIP 4. Omwille van landelijke eenduidigheid, om gebruik te maken van de (informatie)structuren en om duidelijkheid te creëren over de bevoegdheden, schaalde Veiligheidsregio Brabant-Zuidoost op 11 maart ook formeel op naar GRIP 4. De druk op de zorg in Brabant nam ondertussen nog steeds in een rap tempo toe. Het zorgstelsel in de ziekenhuizen kwam onder druk te staan. De IC-capaciteit begon vol te raken. Extra IC-capaciteit was noodzakelijk en werd per ziekenhuis uitgebreid. Vanaf 11 maart werd door Defensie bijstand verleend door IC-verpleegkundigen en extra verpleegkundigen beschikbaar te stellen aan de ziekenhuizen. Deze militaire bijstand stopte vanaf 15 juli. Daarnaast is er veelvuldig gebruik gemaakt van de pool van mensen die zich bij VWS hebben aangemeld voor “Extra handen voor de Zorg”. Op 12 maart informeerde de Minister van VWS de Tweede Kamer over een overleg met de voorzitters van de elf ROAZ-regio’s. De ROAZ-regio’s zijn verantwoordelijk voor de continuïteit van zorg en bereiden zich voor op een mogelijk grote belasting van de zorg. Het dilemma van VWS was vooral hoe de regie en de coördinatie in de zorg moesten worden georganiseerd. Onder leiding van de GHOR werd op 12 maart een Brabantbreed Regionaal Overleg NietAcute zorg (RONAZ) geïnitieerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=b9e1a734-94c6-489b-b9d8-6361b03c4bcc