Aerius.pdf
Tekst van het document
4.2 Ammoniak Op basis van de Wet ammoniak en veehouderij (Wav)dienen ontwikkelingen binnen een zone van 250 meter van een (zeer) kwetsbaar gebied (bos of natuur). Het uitgangspunt van de Wav is dat verlenen van een omgevingsvergunning milieu voor ammoniak binnen de 250-meter zone niet mogelijk is. Deze vergunning is noodzakelijk bij het vestigen of het uitbreiden van een veehouderij. De Wet ammoniak en veehouderij (Wav) regelt dit: ▪ ▪
Oprichten van een nieuwe veehouderij is niet toegestaan (artikel 4 Wav) Veranderen of uitbreiden van een bestaande veehouderij is niet toegestaan (artikel 6 Wav).
Bedrijven binnen de 250 meter zone mogen hun bedrijf slechts uitbreiden indien de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger is dan het gecorrigeerde emissieplafond. Wanneer de ammoniakemissie op grond van de geldende vergunning lager is dan het gecorrigeerd emissieplafond, mag de ammoniakemissie na uitbreiding niet hoger zijn dan de vergunde ammoniakemissie. Uitzondering hierop betreffen bedrijven waar paarden en schapen worden
30
gehouden of dieren die in het kader van natuurbeheer of biologisch worden gehouden. Met de beoogde ontwikkeling wordt bovendien geen uitbreiding in het aantal paarden dat binnen de inrichting mag worden gehouden mogelijk gemaakt. Het betreft hier een paardenhouderij. Het aspect ammoniak vormt dan ook geen belemmering voor het initiatief.
4.3 Flora en Fauna 4.3.1 Wet natuurbescherming – landelijk niveau Vanaf 1 januari 2017 is de wet Natuurbescherming van toepassing. In deze wet zijn de Flora en Faunawet, de boswet en de Natuurbeschermingswet 1998. Met deze wet geeft Nederland ook uitvoering aan internationale en/of Europese afspraken. Bescherming op gebiedsniveau: Door het Rijk zijn in Nederland Natura2000 gebieden aangewezen. Hiermee wordt uitvoering gegeven aan de Vogelen Habitatrichtlijnen. Voor deze gebieden zijn instandhoudingsdoelstellingen bepaald. Het is verboden zonder vergunning van Gedeputeerde Staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000- gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen.
Figuur 4.1 Locaties natura2000 gebieden t.o.v. plangebied
Bescherming op soortniveau: De Wet natuurbescherming deelt soorten in drie beschermingsregimes in: ▪ ▪
Beschermingsregime soorten Vogelrichtlijn. Dit zijn alle van nature in Nederland in het wild levende vogels (zoals bedoelt in artikel 1 van de Vogelrichtlijn). Beschermingsregime soorten Habitatrichtlijn. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd.
31
▪
Beschermingsregime andere soorten. Dit zijn soorten die genoemd zijn in Bijlage A van de Wet natuurbescherming. Het gaat hier om de bescherming van zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen, kevers en vaatplanten voorkomend in Nederland.
De Wet natuurbescherming maakt invulling van de wet door provincies mogelijk, hiertoe kunnen provincies een eigen invulling geven aan de bescherming van soorten.
4.2.2 Wet Natuurbescherming: Provincie Noord- Brabant Bescherming op gebiedsniveau: Om de instandhoudingsdoelstellingen van de Natura2000 gebieden te bereiken stelt de provincie voor dat gebied een beheerplan op. In dit beheerplan wordt in elk geval omschreven welke instandhoudingsmaatregelen genomen moeten worden en wat de beoogde resultaten hiervan zijn. Bescherming op soortniveau: In de provincie Noord-Brabant is een vrijstelling van artikel 3.10, eerste lid, van kracht. Hiermee is het toegestaan bepaalde soorten te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: ▪ ▪ ▪
▪
De ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daaropvolgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; Bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw; Bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer; Bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied.
Door adviesbureau Kettu is een quickscan Flora en fauna uitgevoerd d.d. 23-2-2021. Voor het opstellen van de quickscan is bureauonderzoek en veldonderzoek uitgevoerd. De quickscan is opgenomen in bijlage 2. Het rapport kent 2 doelstellingen: ▪ ▪
In beeld brengen wat de mogelijke effecten kunnen zijn op omliggende Natura2000gebieden. In beeld brengen welke beschermde flora en fauna mogelijk aanwezig zijn die effecten kunnen ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling.
Naast het bureauonderzoek heeft een veldbezoek plaatsgevonden. Tijdens het veldbezoek zijn alle op de locatie aanwezige biotopen opgenomen. Tijdens het veldbezoek zijn in het plangebied geen beschermde plantensoorten aangetroffen. Deze worden ook niet verwacht gezien het (zeer) intensieve gebruik als weiland voor paarden. Uit de quickscan blijkt dan ook dat voor de aanwezige flora en fauna nader onderzoek niet noodzakelijk is en er geen maatregelen noodzakelijk zijn. Voor de aanlegfase van de buitenbak is een Aeriusberekening gemaakt. Deze is opgenomen in bijlage 3. Hieruit blijkt dat er geen nadelige gevolgen zijn tijdens de aanleg van de buitenbak.
4.4 Bodem Het onderwerp bodemkwaliteit betreft een landelijk geregelde verplichting; de Wet Bodembescherming. Deze wet maakt onderzoek naar de bodem bij ruimtelijke ingrepen verplicht. Op basis van artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening zijn gemeenten tevens verplicht om in een
32
ruimtelijk plan een paragraaf over de bodemkwaliteit op te nemen. In deze paragraaf dient gemotiveerd te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem. Uitgangspunt van een goede ruimtelijke ordening is dat de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde bestemming en de daarin toegestane gebruiksvormen. Zo mag een eventuele aanwezige bodemverontreiniging geen onaanvaardbaar risico opleveren voor de gebruikers van de bodem en mag de bodemkwaliteit niet verslechteren door grondverzet. Door Lankelma Zuid is bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie van de buitenbak d.d. 23-2-2021 projectnummer 2100134. De volgende conclusies worden hierin getrokken: Algemeen De bodem op de locatie bestaat tot de verkende diepte van 2,9 m-mv overwegend uit matig fijn siltig zand. Met name de bovengrond is humushoudend. In de uitkomende grond zijn geen waarnemingen gedaan die duiden op de mogelijke aanwezigheid van verontreinigende stoffen in de bodem. Tijdens de uitvoering van de veldwerkzaamheden is geen aanvullende informatie naar voren gekomen welke tot een aanpassing van de boorstrategie heeft geleid. Grond In de grondmengmonsters MM1, MM2 (bovengrond) en MM3 (ondergrond) zijn analytisch geen van de onderzochte parameters in verhoogde mate aangetoond. Allen liggen onder de achtergrondwaarden.
Op basis van het Besluit bodemkwaliteit kan de milieuhygiënische kwaliteit van beide bodemlagen indicatief als klasse AW2000 beschouwd worden. Grondwater In het grondwater uit peilbuis PB01 zijn analytisch geen verhoogde concentraties aangetoond. Toetsing hypothese De hypothese ‘onverdacht’ kan op basis van de resultaten worden aanvaard. Nader bodemonderzoek Op basis van voornoemde samenvatting en conclusies is nader bodemonderzoek vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien niet aan de orde. Het aspect bodem vormt derhalve geen belemmering voor de aanleg van de paardenbak.
4.5 Archeologie In 1992 is het Verdrag van Malta ondertekend door de lidstaten van de Raad van Europa. Dit verdrag heeft tot doel het cultureel erfgoed wat zich in de bodem bevindt te beschermen en te behouden. Hierbij moet gedacht worden aan archeologische vondsten en resten, gebruiksvoorwerpen, restanten van oude nederzettingen en grafvelden etc. Het verdrag van Malta heeft geleid tot aanpassingen van de Monumentenwet welke is opgenomen in de Erfgoedwet. Deze Erfgoedwet is in juli 2016 vastgesteld, in deze wet zijn oude wetten en regels die invloed hadden op het cultureel erfgoed gebundeld en op elkaar afgestemd. Op basis van deze wetgeving dient ieder ruimtelijk plan onderzocht te worden naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in de bodem. Voorafgaand aan een plan moet inzichtelijk gemaakt worden welke verwachtingen er zijn en in hoeverre rekening gehouden dient te worden met de aanwezige archeologische waarden. Gemeenten zijn verplicht om hierover kaders te stellen en dit vast te leggen in bestemmingsplannen.
33
Gemeente Asten heeft haar beleid ten aanzien van archeologie vastgelegd in haar bestemmingsplan. Het gehele grondgebied is voorzien van een dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie’ met vervolg cijfers 1, 2 of 3. Gebieden met nummer 1 zijn gebieden met een hoge verwachting, gebieden met nummer 2 hebben een middelhoge verwachting en gebieden met nummer 3 hebben een lage archeologische verwachtingswaarde. De planlocatie is gelegen binnen de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. De gronden hebben dus een middelhoge verwachtingswaarde. Voor de buitenbak geldt dat de bak voorzien wordt van een eb- en vloed bodem. De bodem van de rijbak wordt geëgaliseerd. In de huidige situatie is sprake van wat hoogte verschil. Om dit hoogteverschil te overbruggen wordt er maximaal 0,25 cm van het maaiveld afgegraven. Op de geëgaliseerde bodem wordt een waterdichte folie aangebracht om uitloop van het zandbed naar de ondergrond te voorkomen. Daar bovenop worden de drainage buizen aangebracht De drainage buizen komen op een diepte van maximaal 0,20cm onder het maaiveld te liggen. De zandbodem wordt vervolgens opgehoogd waardoor de bodem iets boven het maaiveld komt te liggen.
Op basis van het bestemmingsplan dienen werkzaamheden die een oppervlak hebben groter dan 250m2 of dieper gaan dan 0,4m onderbouwd te worden met een archeologisch onderzoek. Voor de aanleg van de bak wordt de bodem enkel geëgaliseerd waardoor er door het hoogteverschil maximaal 0,25 cm wordt afgegraven. Op basis van de vigerende regels dient er archeologisch onderzoek uitgevoerd te worden wanneer er dieper gegraven wordt dan 0,40m. Daar is hier geen sprake van. Het uitvoeren van nader onderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
4.6 Geluid Voor het aspect geluid is de Wet geluidhinder (Wgh) van toepassing. Iedere ruimtelijke ontwikkeling die gepaard gaat met het toevoegen van een geluidsgevoelig object dient getoetst te worden aan de Wgh. De Wgh kent voor weg- en railverkeer alsmede voor gezoneerde industrieterreinen
34