CConstaterende datAsten
Koppel je AI →
Document · PDF

Aerius.pdf

Raadscommissie Ruimte 19 oktober 2021, gemeente AstenBij agendapunt: Omgevingsvergunning Deurneseweg 39 (vvgb) (adviserend)19.553 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Milieutechnische aspecten .................................................................................................................... 30 4.1 Milieueffectenrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling .............................................................. 30 4.2 Ammoniak ......................................................................................................................................... 30 4.3 Flora en Fauna ................................................................................................................................... 31 4.3.1 Wet natuurbescherming – landelijk niveau..................................................................................... 31

3

4.2.2 Wet Natuurbescherming: Provincie Noord- Brabant ....................................................................... 32 4.4 Bodem ............................................................................................................................................... 32 4.5 Archeologie ....................................................................................................................................... 33 4.6 Geluid................................................................................................................................................... 34 4.7 Geur ..................................................................................................................................................... 35 4.7.1 Wet geurhinder en veehouderij ..................................................................................................... 35 4.7.2 Omgekeerde werking ..................................................................................................................... 36 4.8 Luchtkwaliteit ...................................................................................................................................... 36 4.8.1 Wet luchtkwaliteit .........................................................................................................................

36 4.8.2 Kleine en grote projecten ............................................................................................................... 38 4.8.3 Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen) ............................................... 38 4.9 Bedrijven en milieuzonering ................................................................................................................. 39 4.10 Externe veiligheid ............................................................................................................................... 39 4.10.1 Algemeen .................................................................................................................................... 39 4.10.2 Plaatsgebonden risico .................................................................................................................. 40 4.10.3 Groepsrisico................................................................................................................................. 40 4.10.4 Besluit externe veiligheid inrichtingen .......................................................................................... 40 4.11 Verkeer en parkeren............................................................................................................................

42 4.12 Gezondheid ......................................................................................................................................... 42 4.13 Waterparagraaf ................................................................................................................................... 43 4.13.1 Rijksbeleid .................................................................................................................................... 44 4.13.2 Provinciaal Waterplan 2016-2021 ................................................................................................. 44 4.13.3 Waterschap Aa en Maas ............................................................................................................... 44 4.13.4 Plan MER...................................................................................................................................... 45 4.13.5 Keur 2015 .................................................................................................................................... 45 4.13.6 Legger .......................................................................................................................................... 45 4.13.7 Gemeentelijk Rioleringsplan (GRP) 2021-2025...............................................................................

46 4.13.8 Afkoppelen afval- en hemelwater ................................................................................................. 47 5.

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid .............................................................................. 49 5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................... 49 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid .................................................................................................... 49 5.2.1 Omgevingsdialoog ......................................................................................................................... 49 1. 2. 3. 4.

Erfbeplantingsplan Quickscan Flora en Fauna Aeriusberekening – aanlegfase buitenbak Bodemonderzoek

4

1. Inleiding 1.1 Aanleiding De paardenhouderij op de Deurneseweg 39 te Ommel is een familiebedrijf wat zich richt op het fokken, opleiden, trainen, wedstrijdklaar maken en het in- en verkopen van pony´s en paarden. Vanuit het verleden lag de hoofdactiviteit vooral op de handel in paarden en pony’s. De bedrijfsopvolging (zoon en partner) welke zelf actief zijn in de wedstrijdsport, willen zich veel meer gaan richten op het opleiden, trainen en wedstrijdklaar maken van (eigen gefokte) paarden. Door het uitbreiden van de bedrijfsactiviteiten en de nadruk meer op de opleiding en training van de paarden te leggen dient er in het bedrijf geïnvesteerd te worden. Het is belangrijk dat er een toekomstbestendig bedrijf wordt opgezegd wat voldoet aan de eisen die nodig zijn voor een goede opfok en trainingslocatie voor de paardenhouderij. Op 10 november 2020 is er een principeverzoek ingediend. Dit verzoek ging over de volgende aspecten: 1. Realisatie buitenbak met een afmeting van 30 x 70 meter, welke grotendeels buiten het bouwvlak komt te vallen. Er is nu nog geen buitenbak op het bedrijf aanwezig. 2. De huidige binnenbak heeft een afmeting van 20 x 40 meter, deze wil men vergroten naar een binnenbak van 20 x 60 meter. 3. Voor de opfok van eigen paarden wil men een nieuwe opfokstal bouwen zodat jonge paarden in eigen beheer kunnen opgroeien. 4.

Voor de realisatie van nummer 1 t/m 3 is het noodzakelijk om het bouwblok te vergroten naar 1,5 ha. Hiervoor is een wijziging van het bestemmingsplan noodzakelijk. Dit principe verzoek is door het college van Burgemeester en wethouders behandeld in haar vergadering van 8 december 2020. Het college heeft positief ingestemd met het principeverzoek.

1.2 Doel van deze ruimtelijke onderbouwing Naar aanleiding van het uitwerken van de plannen waarbij de wens is om de hierboven genoemde punten gefaseerd uit te voeren heeft er overleg plaats gevonden met de gemeente en heeft er tevens een omgevingsdialoog met de buurt plaats gevonden. Naar aanleiding van deze overleggen is besloten om nu alleen de buitenbak te realiseren middels een uitgebreide omgevingsprocedure. Dit is tot stand gekomen doordat de beoogde plannen gefaseerd uitgevoerd worden in een tijdsbestek van circa 7 jaar, waardoor het lastig is deze complete ontwikkeling goed te onderbouwen in een bestemmingsplan. De gemeente heeft geadviseerd om de buitenbak nu alvast te realiseren middels een uitgebreide omgevingsprocedure. Daarnaast is er vanuit de buurt meerdere keren aangegeven dat zij bang zijn dat er op termijn op de locatie van de buitenbak toch gebouwd zou gaan worden, omdat de buitenbak binnen het bouwvlak zou vallen is dat ook niet uit te sluiten. Derhalve wordt nu eerst gekozen voor een uitgebreide omgevingsprocedure voor de realisatie van de buitenbak en worden de andere plannen op een later tijdstip uitgewerkt. Door het werken met een uitgebreide omgevingsprocedure wordt ook direct gehoor gegeven aan de omgevingsdialoog.

1.3 Ligging en begrenzing plangebied De locatie is gelegen in het noordelijke buitengebied van de gemeente Asten. De locatie ligt ten noorden van de kern Ommel aan de Deurneseweg. De Deurneseweg is de verbindingsweg tussen Ommel en Vlierden. Ten noorden van het plangebied liggen agrarische gronden en stroomt de

5

Astense Aa. Aan de oostkant ligt de Deurneseweg. In het zuiden liggen enkele (bedrijfs)woningen en aan de westkant ligt een vleesverwerkingsbedrijf (Plukon). Het plangebied heeft een totaal oppervlak van 31.110m2 en bestaat uit twee kadastrale percelen: Gemeente ATN01 sectie M nummers 1212 & 1629

Figuur 1.1 Begrenzing plangebied

Figuur 1.2 Ligging plangebied

6

1.4 Planologische borging De bedrijfslocatie is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Asten 2016” vastgesteld op 7 augustus 2019. De locatie heeft hierin de volgende bestemmingen: ▪ ▪ ▪

Agrarisch Agrarisch – Agrarisch bedrijf Waarde – Archeologie 2

De locatie kent de volgende aanduidingen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Functieaanduiding – paardenhouderij Gebiedsaanduiding – milieuzone boringsvrije zone Gebiedsaanduiding – overige zone – bebouwingsconcentratie Gebiedsaanduiding – overige zone – recreatief ontwikkelingsgebied Gebiedsaanduiding – vrijwaringszone – radar Gebiedsaanduiding – wetgevingszone – beperkingen veehouderij

Figuur 1.3 uitsnede bestemminsplan bron www.ruimtelijkeplannen.nl

Op de plek van de toekomstige bak ligt de bestemming Agrarisch. Binnen deze bestemming zijn op basis van artikel 3.2.1. paardenbakken buiten het bouwvlak niet toegestaan. Er is geen afwijkingsmogelijkheid opgenomen om toch een paardenbak middels een omgevingsvergunning te realiseren. Derhalve is het noodzakelijk om een uitgebreide omgevingsprocedure te doorlopen.

1.5 Leeswijzer In onderhavige ruimtelijke onderbouwing is in hoofdstuk één een inleiding op het initiatief gegeven, waarin de aanleiding, het plangebied en het vigerend planologische regime is beschreven. In hoofdstuk 2 is een beschrijving opgenomen van de huidige en beoogde situatie. Hoofdstuk 3 beschrijft de haalbaarheid van het plan op basis van het ruimtelijk beleid op Rijks-, provinciaal en gemeentelijk niveau. Hierna worden in hoofdstuk 4 de milieutechnische en planologische aspecten beschreven. De financiële en maatschappelijke uitvoerbaarheid wordt verantwoord in hoofdstuk 5.

7

2. Het initiatief 2.1 Huidige situatie 2.1.1

Het plangebied

Op de locatie is een handel- en africhtingsstal aanwezig die wordt gerund door de familie Martens. In de jaren ’60 was er op de locatie een gecombineerd bedrijf aanwezig met rundvee en pluimvee. Als hobby werden er enkele Welsh pony’s gehouden. Destijds heeft de familie Martens in de loop der jaren het bedrijf langzaam omgevormd naar een complete paardenhouderij. Op de locatie zijn de volgende faciliteiten aanwezig: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Bedrijfswoning. Rijhal van 20 x 40 met kleine ontvangstruimte. Een rij stallen naast de rijhal met boxen, wasplaats, poetsplaats, zadelkamer en voerkamer. Loods gelegen aan de weg met werkplaats, stallingsruimte voor tractoren en machines, opslag en fourage van circa 16 x 45 meter. Loods voor parkeren voertuigen, paarden en ponyboxen van circa 18 x 28. Deze loods is voor een zeer klein deel buiten het bouwblok gerealiseerd. Een onoverdekte stapmolen. Een onoverdekte longeercirkel. Mestplaat en sleufsilo. De overige gronden zijn ingericht als weiland en opgedeeld in verschillende weides. Het huidige bouwblok heeft een oppervlakte van 8850m2. De locatie beschikt over een milieuvergunning voor 15 volwassen paarden, 10 jonge paarden, 5 volwassen pony’s en 5 jonge pony’s.

Figuur 2.1 Foto's huidige situatie

8

2.1.2

Ruimtelijke structuur

Het plangebied is gelegen aan de Deurneseweg 39 te Ommel. Ommel ligt centraal tussen Helmond, Deurne en Asten. In de directe omgeving zijn vanwege de aanleg van de verkeersinfrastructuur grote veranderingen in het landschap aangebracht. Ommel ligt hierdoor bekneld tussen de Rijksweg A67, de provinciale weg N279 en de verbindingsweg tussen Asten en Deurne; de Deurneseweg. Ommel is gelegen op een hogere dekzandrug tussen de twee beekdalen van de Astense Aa en de Beekloop. Op enige afstand zijn twee bos – en natuurgebieden gelegen, de Diesdonk en de Liesselse Bossen. Ommel is een klein dorpje met circa 1100 inwoners (gegevens 2020) en wordt gezien als een oude nederzetting die vroeger ook fungeerde als bedevaartplaats. In de 16e eeuw werd er in Ommel een klooster opgericht. In de oorlog is een groot deel van het gehucht Ommel verwoest. Pas na de wederopbouw is het dorp sterkt gegroeid en ontwikkeld.

Figuur 2.2. Kaart met ruimtelijke structuur bron: www.topotijdreis.nl

Het plangebied is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ommel – Noord’. Deze bebouwingsconcentratie bestaat uit de Kloosterstraat, Ommeldse bos, Deurneseweg en Oostappensedijk. Het gebied wordt als volgt omschreven: “Aan de oostkant van de cluster ligt een open agrarisch landschap met daarachter een bosgebied. Voor het bosgebied ligt het beekdal van de Astense Aa. Het maaiveld loopt hiernaar beneden en het landschap is hier zeer open. Aan de oostkant van de beek staat her en der beek begeleidende beplanting. De agrarische kavel zijn langgerekt en staan loodrecht op de beek. Het bos-/recreatiegebied aan de westzijde van de cluster ligt nagenoeg tegen de bebouwingsconcentratie aan. Aan de noordwestzijde van de concentratie staat een zeer grootschalig gebouwencomplex, dat in maat en schaal buiten de verhouding van het buitengebied valt. Meer naar het zuiden ligt een meer open agrarisch gebied, dat doorkruist wordt door een provinciale weg. Het originele traject van de Ommeldse Bos is afgesloten en middels een rotonde verbonden met de Deurneseweg. Hierdoor is de Ommeldse Bos als ruimtelijke eenheid afgescheiden van de Deurneseweg. Deze verstoorde situatie maakt het gebied ruimtelijk moeilijk beleefbaar en komt zeer onnatuurlijk over. De bebouwingsconcentratie heeft een middelgrootschalig bebouwingskarakter, met veel (agrarische) opstallen.

Het ontbreken van stevige groene structuren en landschappelijk inpassing van de bouwblokken geeft de cluster een rommelig karakter.”

9

2.1.3

Functionele structuur

De directe omgeving van het plangebied wordt gekenmerkt door de verscheidenheid aan verschillende functies. Agrarische bedrijven, overige bedrijven en burgerwoningen wisselen elkaar af. De overige bedrijven bestaan uit een garagebedrijf, een bouwbedrijf en een groot vleesverwerkingsbedrijf. De agrarische bedrijven betreffen voornamelijk grondgebonden bedrijven zoals paardenhouderijen, melkveebedrijven en er ligt nog één intensieve veehouderij. Van de burgerwoningen is één woning aangewezen als waardevol pand.

2.2 Beoogde situatie De initiatiefnemers willen het bedrijf toekomstbestendig maken, waarbij er enerzijds voldaan kan worden aan de behoefte vanuit de markt en de regio om te professionaliseren en de concurrenten bij te kunnen houden. Anderzijds zijn de opvolgers (zoon en vriendin) veel breder georiënteerd in de hippische sector. Zij zijn zowel actief in de wedstrijdsport in de disciplines springen en dressuur en zijn zij ook actief in de fokkerij. Daarmee worden de bedrijfsactiviteiten van de huidige handels- en trainingsstal verder uitgebreid en zijn hiervoor de nodige voorzieningen noodzakelijk. De beoogde buitenbak komt grotendeels buiten het bouwvlak te liggen. Circa 244m2 ligt binnen het bouwvlak en de resterende 1856m2 komt buiten het bouwvlak te liggen.

Figuur 2.3 Ligging nieuwe buitenbak

De locatie beschikt momenteel niet over een buitenbak. Er is alleen een kleine binnenbak aanwezig. Door het verbreden van de bedrijfsactiviteiten in zowel de springsport als de dressuur is het noodzakelijk om minimaal te beschikken over twee bakken. In dit geval gaat het dan om een buitenbak en een binnenbak. Op deze manier kunnen gelijktijdig de springpaarden en de

10

dressuurpaarden getraind worden. In de ene bak zal een springparcours uitgezet kunnen worden zonder dat dat iedere keer opgeruimd hoeft te worden en in de andere bak wordt een dressuurring neergelegd. De buitenbak zal een afmeting krijgen van 30 x 70 meter en komt grotendeels buiten het bouwblok te liggen. Deze afmeting is zowel wenselijk voor het beoefenen van de springsport als de dressuur. Voor de springsport kan er op deze manier een ruim parcours uitgezet worden die voldoet aan dezelfde eisen en omstandigheden van een parcours op wedstrijdniveau. Zeker in deze tijden van corona is het heel belangrijk dat ook thuis doorgetraind kan worden op wedstrijdniveau. Daarnaast is deze afmeting voor de dressuursport wenselijk zodat er in het midden van de bak een wedstrijdring van 20 x 60 meter uitgezet kan worden. Dressuurwedstrijden worden gereden in een ring van 20 x 60 meter. Voor aanvang van de proef wordt er rondom de ring gereden en start een proef direct bij binnenkomst. Daarom is het van belang dat er zowel buitenom als binnen in de ring geoefend kan worden. De bak komt aan de zuidzijde parallel aan de bestaande binnenbak te liggen, voor een deel achter de bedrijfswoning. De buitenbak zal voorzien worden van een viertal lichtmasten met een hoogte van 8 meter.

De lichtmasten worden aan de zuidzijde van de bak geplaatst zodat het licht richting het eigen erf en de binnenbak schijnt en er dus geen overlast wordt veroorzaakt voor omliggende woningen, bedrijven en daarmee de verkeersveiligheid niet in het geding komt. Men wil vaak het aantal en de hoogte van de lichtmasten zo laag mogelijk houden. Hierdoor ontstaat echter veel strooilicht en lichtvervuiling omdat een kleine lage lamp een groot oppervlak moet verlichten.. Wanneer het aantal lichtmasten en de hoogte van de lichtmasten wordt vergroot kan een bak veel beter gespecificeerd verlicht worden waardoor het licht goed afgestemd kan worden en er veel minder overlast is van de verlichting en er dus ook minder lichtvervuiling en strooilicht is wat een positief effect heeft op de omgeving en de natuur. Op basis van het vigerende bestemmingsplannen zijn lichtmasten van 6 meter hoog toegestaan. Dit is echter bedoeld voor paardenbakken van maximaal 20 x 60 meter. Onderhavige vergunning richt zich op realisatie van een paardenbak van 30 x 70 meter. OM de gehele bak te kunnen verlichten en geen licht overlast te veroorzaken is een lichtmasthoogte van 8 meter noodzakelijk. De bak wordt uitgevoerd met een eb- en vloed systeem. Een goede paardenbak beschikt over een goede stabiele bodem.

De stabiliteit wordt onder andere bepaald door de vochtbalans in het zandpakket (dit geldt zowel voor een binnen- als buitenbak). Dit kan op twee manieren bereikt worden, door middel van water toevoegen van bovenaf (sproeien) of water toevoegen van onderuit. Dit laatste wordt ook wel een eb en vloed bodem genoemd. De werking van een eb en vloed bodem is gebaseerd op een natuurkundig verschijnsel; de capillaire werking. Ofwel het opzuigend vermogen van (in dit geval) zand. Water wat aan de onderkant van de bodem wordt toegevoegd wordt door middel van natuurlijke capillaire werking naar de toplaag gezogen. Hierdoor ontstaat een toplaag met de gewenste hardheid. Het waterniveau wordt geregeld met een vlotter met niveauregelaar die op de aanvoer van het water is aangesloten. De vlonder reguleert het gewenste niveau van water in de bak. Met regen stijgt het waterpeil in de bodem en zo ook de vlonder in de regenput. Stijgt de vlonder dan wordt automatisch de klep naar de afvoer in de sloot geopend. Het overtollige water wordt zo door afgevoerd naar de naastgelegen nieuwe sloot. In periodes van droogte zakt het waterpeil en werkt de vlonder omgekeerd. De regenput is aangesloten op de waterleiding zakken te vlonder dan wordt de waterleiding geopend en stroomt er leidingwater het drainagesysteem in. Het zandpakket wordt

11

op deze manier vanaf de onderkant voorzien van water, hierdoor is beregenen niet meer nodig en wordt stofoverlast voorkomen. Het doel van de eb en vloed bodem is dat de bodem altijd een goede graad van vochtigheid heeft. De bodem is altijd ‘nat’, hierdoor heeft de bodem de juiste hardheid en dempend vermogen om te voorkomen dat de paardenbenen overbelast worden. De bodem van de rijbak wordt geëgaliseerd. In de huidige situatie is sprake van wat hoogte verschil. Om dit hoogteverschil te overbruggen wordt er maximaal 0,25m van het maaiveld afgegraven. Op de geëgaliseerde bodem wordt een waterdichte folie aangebracht om uitloop van het zandbed naar de ondergrond te voorkomen. Daar bovenop worden de drainage buizen aangebracht. Op de geëgaliseerde grond wordt een zandbed van 0,40 m. aangebracht, waarvan circa 0,02 tot 0,25 onder het maaiveld ligt. Het zandbed wordt gevormd door een specifiek samengesteld zandmengsel. Onder in het zandbed liggen de drainagebuizen met een diameter van 60mm en een onderlinge afstand van 2 meter. De drainagebuizen worden in een samengesteld systeem aangelegd. Zij zijn aan elkaar verbonden en worden aangesloten op de regenput met vlonder met niveauregelaar. De locatie is van de buitenbak is heel bewust gekozen op basis van de volgende overwegingen: ▪ ▪

▪ ▪ ▪ ▪

Dit deel van het perceel ligt het laagst en is daardoor veel natter. Dit is ook duidelijk te zien op de verschillende foto’s. Hierdoor is dit deel van het perceel minder geschikt als weiland. De buitenbak komt direct achter de woning te liggen, dit is mede vanuit veiligheidsoverwegingen zo is er vanuit de woning altijd toezicht op de buitenbak. Mocht er onverhoopt iets gebeuren tijdens een training dan valt dit direct op. Mocht de buitenbak elders achterop het terrein worden geplaatst dan is er geen toezicht. De bak wordt voor een groot gedeelte achter de bedrijfswoning en bijbehorende tuin geplaatst waardoor er niet veel zicht op de bak is vanaf de doorgaande weg (Deurneseweg). Met deze ligging kunnen klanten makkelijk op het terras bij de woning ontvangen worden vanwaar zij een goed uitzicht hebben op de buitenbak. Er is rekening gehouden met de looplijnen van en naar de bak en stallen. Deze locatie is het meest optimaal vanuit de verschillende bedrijfsgebouwen. Door de ligging op deze plek blijft er zo veel mogelijk aaneengesloten weiland behouden.

12

Figuur 2.4 Bestektekening paardenbak

13

Figuur 2.5 Detailtekeningen bodem met werking eb- en vloedsysteem

14

2.3 Zorgvuldige landschappelijke inpassing 2.3.1

Gemeentelijk beleid

Bebouwingsconcentratie Ommel Noord Het doel van deze structuurvisie bebouwingsconcentraties is het bereiken van kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Er is een grote kans op verrommeling van de cluster, door de vele gebouwen en het ontbreken van structurerende beplanting. De nabijheid van de provinciale wegen N279 en N608 zorgen voor een hoog geluidsniveau en maken transformatie naar gevoelige objecten moeilijk. Een knelpunt voor het gehele omliggende buitengebied is het grootschalig bedrijventerrein aan de westzijde. Vanuit de Visie is het volgende voor Ommel-Noord geformuleerd. Dit is de basis voor het opgestelde landschappelijk inpassingsplan uitgewerkt in paragraaf 2.3.2 en volledig opgenomen in bijlage 1.

Figuur 2.5 Visie voor Ommel Noord bron: Structuurvisie bebouwingsconcentraties gemeente Asten

2.3.2

Erfbeplantingsplan

Voor de vergunning van de paardenbak is het noodzakelijk dat er een erfbeplantingsplan wordt opgesteld. Op basis van de visie bebouwingsconcentraties dienen nieuwe activiteiten op het erf groen ingepast te worden. De gemeente heeft aangegeven dat de uitgebreide omgevingsprocedure in een volgende herziening van het bestemmingsplan (of omgevingsplan) meegenomen wordt in het bouwvlak. Derhalve is het verzoek van de gemeente om nu 50% van het bouwblok rondom in te passen. Het gehele erfbeplantingsplan is opgenomen in bijlage 1. Belangrijk om te vermelden is dat er in het verleden middels een ruimtelijke procedure voor het nieuwbouwen van 2 bedrijfsgebouwen ook een erfbeplantingsplan is opgesteld voor onderhavige locatie. Hiervoor dienen nog een 6 tal bomen te worden gepland aan de Oostappensedijk. Deze aanplant is opgenomen in het erf beplantingsplan. Het erfbeplantingsplan bestaat uit de volgende elementen: aanplant haag rondom buitenbak, aanplant laanbomen, groene inpassing van de voorkant bedrijf en een groene omzoming van achterkant bedrijf.

15

Figuur 2.6 Erfbeplantingsplan

Aanplant haag rondom nieuwe buitenbak. Rondom de buitenbak wordt gekozen om een ligusterhaag (Ligustrum ovalifolium) te planten. Deze liguster is een snel groeiende plant waardoor er in relatief korte tijd een gesloten haag rondom de bak wordt gerealiseerd. Daarnaast blijft deze haag in de winter ook groen, waardoor het hele jaar door het zicht op de bak minimaal zou zijn. Ook is er rekening gehouden met het functioneel gebruik van de bak. In vergelijking met bijvoorbeeld een beukenhaag ‘ritselen’ de bladeren van deze haag veel minder. Het ritselen kan namelijk bij paarden tot schrikreacties leiden. De haag zal bij aanplant een hoogte hebben van circa 0,40 m en uitgroeien tot 1,2m. De buitenbak wordt voorzien van houten omheining. De ligusterhaag wordt hier aan de buitenzijde tegen aan geplant. Hierdoor zal op termijn de omheining niet tot nauwelijks nog zichtbaar zijn. Per strekkende meter zullen 6 planten van circa 40cm geplant worden. Naast de buitenbak wordt een waterbergingsvoorziening gerealiseerd in de vorm van een sloot. Aanplant laanbomen Vanuit de visie bebouwingsconcentratie ligt er de wens om de structuur van de Deurneseweg te versterken door het aanbrengen van extra laanbomen. Aan de voorzijde van het perceel Deurneseweg 39 ligt een sloot, een berm, fietspad (eenzijdig), nog een berm en vervolgens de doorgaande weg.

Deze brede opzet leent zich er uitstekend voor om laanbomen te realiseren. Initiatiefnemers zullen hier een 6-tal laanbomen planten. De soort en de locatie zullen in nader overleg met de gemeente uitgewerkt worden. Door de aanplant van deze bomen wordt een positieve bijdrage geleverd aan het gewenste ruimtelijke beeld van de Deurneseweg.

16

Versterken groen voorzijde van de bedrijfslocatie Aan de voorzijde van het perceel ligt nu nog een braakliggend deel. Dit deel wordt deels gebruikt voor opslag. Hierdoor is het beeld niet zo fraai. Dit is ook een van de aandachtspunten die meermaals uit de omgevingsdialoog naar voren is gekomen. Dit deel wordt ingericht als fruitboomgaard met 6 hoogstammige fruitbomen (appel, peer en kers). Deze nieuwe voortuin wordt omzoomd met een ligusterhaag. De haag zal bij aanplant een hoogte hebben van circa 0,40 m en uitgroeien tot 1,20m. Groene omzoming achterkant bedrijf Aan de achterzijde van het perceel wordt in het verlengde van de mesthoop een beukenhaag van 1,20m hoog geplaatst. Deze beukenhaag ontneemt het zicht op een groot deel van bedrijf vanaf de Ooststappensedijk. Aanplant vanuit oud erfbeplantingsplan Vanuit een ouder erfbeplantingsplan ligt er nog een opgave om 6 eiken aan de Ooststappensedijk te planten. Echter is er op deze locatie te weinig ruimte om deze eiken als volwassen boom uit te laten groeien. In totaal moesten hier 10 eiken komen, 4 zijn hier reeds geplant. Van de 10 worden er nu nog 2 extra bij geplant. Op het deel waar geen ruimte is voor deze beoogde eiken worden 6 hoogstamfruitbomen geplaatst. Beplanting: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

235 strekkende meter aan ligusterhaag, 6 planten per strekkende meter = 1410 planten 43 strekkende meter beukenhaag, 6 planten per strekkende meter = 258 planten 6 hoogstamfruitbomen 6 laanbomen (soortkeuze na overleg gemeente) Nog te realiseren uit eerder beplantingsplan: 2 eiken en 6 hoogstamfruitbomen

17

3. Beleidskader In dit hoofdstuk worden de beleidskaders die van toepassing zijn op de beschreven beoogde ontwikkelingen uit paragraaf 2.2 benoemd en wordt aangegeven hoe de ontwikkelingen passend zijn binnen deze beleidskaders.

3.1 Rijksbeleid 3.1.1

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (13 maart 2012 vastgesteld) omvat het ruimtelijke rijksbeleid tot 2040. Het uitgangspunt van de structuurvisie is voldoende ruimte te bieden voor het versterken van de Nederlandse concurrentiepositie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid. Deze doelstellingen zijn vertaald in de nationale Ruimtelijke Hoofdstructuur (RHS). Deze RHS beslaat de gebieden in Nederland die een belangrijke functie vervullen op het gebied van economie, infrastructuur en verstedelijking, water, natuur en landschap. Ten aanzien van deze gebieden is beleid geformuleerd om de kwaliteiten ervan te behouden. Naast ruimte maken en het versimpelen en verbeteren van omgevingsrecht wordt er ook geïnvesteerd, met name in de capaciteit van de infrastructuur. Prioriteit krijgen de mainports, de Brainports en de Greenports, alsmede de achterlandverbindingen. Opgaven van nationaal belang voor de provincies Limburg en Noord-Brabant zijn onder andere: ▪

▪

▪

Het verbeteren van het vestigingsklimaat van de Brainport Zuidoost Nederland (Brainport Avenue) en Greenport Venlo door het optimaal benutten en waar nodig verbeteren van de (internationale) bereikbaarheid van deze gebieden via weg, water, spoor en lucht (o.a. verdere ontwikkeling Eindhoven Airport). Het borgen van de waterveiligheid en – kwaliteit en zoetwatervoorziening voor de korte termijn (zoals Maaswerken en uitvoering hoogwaterbeschermingsprogramma) en de lange termijn. Binnen het Deltaprogramma wordt deze opgave aangepakt. Het tot stand brengen en beschermen van de natuur (Natuur Netwerk Nederland), inclusief de Natura 2000 gebieden.

De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De regels welke voortvloeien vanuit het Rijk zijn doorvertaald in de provinciale verordening (interim Omgevingsverordening) en het bestemmingsplan van de gemeente. Belangrijk aandachtspunt hierbij zijn de mogelijke effecten op het Natuur Netwerk Nederland.

3.1.2

Nationale Omgevingsvisie

De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is de langetermijnvisie van het Rijk op de toekomstige duurzame leefomgeving. Met de NOVI geeft het kabinet richting aan de grote opgaven die het aanzien van ons land de komende dertig jaar ingrijpend zullen veranderen. Denk aan het bouwen van rond de 1 miljoen nieuwe woningen, ruimte voor opwekking van duurzame energie, aanpassing aan een veranderend klimaat, ontwikkeling van een circulaire economie en omschakeling naar kringlooplandbouw. Alles met zorg voor een gezonde bodem, schoon water, behoud van biodiversiteit en een aantrekkelijke leefomgeving. De NOVI geeft richting door strategische keuzes te maken. Ook maakt de NOVI ruimte voor maatwerk in de regio en werkt gebiedsgericht, dat wil zeggen bij de aanpak van de opgaven worden de kenmerken van het gebied als uitgangspunt genomen. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is een instrument binnen de Omgevingswet. De nieuwe Omgevingswet maakt de regels eenvoudiger, biedt ruimte aan ontwikkeling en beschermt de

18

leefomgeving. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet is bedoeld. Deze visie is nu nog niet geldig, de ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de Novi.

3.1.3

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) vormt de juridische doorvertaling van het rijksbeleid en is een verdere uitwerking van de Wet ruimtelijke ordening. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Belangrijke punten hierin zijn o.a. het zuinig ruimtegebruik, bescherming van kwetsbare (natuur)gebieden en bescherming van het land tegen klimaatverandering, overstroming en wateroverlast, de uitoefening van defensietaken, toekomstige uitbreidingen van de hoofdinfrastructuur. Provincies dienen deze regels door te vertalen in hun beleid en verordeningen en vervolgens dienen deze regels ook een plek te krijgen in de verschillende bestemmingsplannen, aanpassingsplannen etc. Regels t.a.v. de ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in de gemeentelijke bestemmingsplannen. Deze ruimtelijke onderbouwing schaadt geen nationaal belang. Vandaar dat de regels zoals gesteld in het Barro, niet van toepassing zijn. Onderhavige ontwikkeling is ook niet in strijd met de regels van het Barro.

3.1.4

Ladder duurzame verstedelijking

De Ladder duurzame verstedelijking is een processchema dat alle mogelijke ruimtelijke ontwikkelingen of initiatieven voor stedelijke functies, via beleidskaders begeleidt naar een optimale locatiekeuze. De ladder duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. De motiveringseis om te voldoen aan de ladder duurzame verstedelijking is vervolgens vastgelegd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De ladder heeft als doel te komen tot een zorgvuldig ruimtegebruik waarbij goede afwegingen worden gemaakt waar gebouwd mag worden. Het systeem van de ladder zorgt voor een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming waar wel en waar niet mag worden gebouwd. De ladder is een toetsingsinstrument voor ontwikkelaars en de overheid wat gevolgd moet worden bij ruimtelijke ontwikkelingen. Aan de hand van 3 stappen dient het ruimtelijk vraagstuk gemotiveerd te worden: ▪ ▪ ▪

Bepalen van de regionale vraag naar ruimte Bouwen binnen bestaand stedelijk gebied Bouwen buiten bestaand stedelijk gebied

De beoogde ontwikkeling bestaat uit het uitbreiden van een bestaande paardenhouderij. Deze functie komt niet voor in de opsomming (permanent wonen, kantine, winkels, bedrijventerrein etc.) welke getoetst moet worden aan de ladder duurzame verstedelijking. Derhalve hoeft er geen ladder toets doorlopen te worden.

3.1.5

Visie Paard en Landschap

Op 7 juli 2006 heeft het Ministerie van LNV de visie 'Paard en Landschap' vastgesteld. Het LNV geeft in deze visie aan dat de paardenhouderij een sector in ontwikkeling is, die een groei doormaakt met zichtbare gevolgen voor het landelijk gebied. De doelstelling van de visie is het streven naar een duurzame ontwikkeling van de paardenhouderij in het landelijk gebied. Duurzaamheid staat hierbij

19

voor een duurzame balans tussen mens, milieu en markt in het landelijk gebied. Met name de gemeente en de provincie hebben een rol bij het begeleiden van de ontwikkeling van de paardenhouderij door het wegnemen van belemmeringen en het stellen van eisen ten aanzien van landschappelijke inpassing van bedrijven en voorzieningen. Voor het realiseren van de buitenbak middels deze uitgebreide omgevingsprocedure dient een erfbeplantingsplan opgesteld te worden. Dit plan is uitgewerkt in paragraaf 2.3 en is in lijn met de Visie Paard en Landschap opgesteld.

3.1.6

VNG-richtlijn – ‘Paardenhouderij in het Omgevingsrecht’

De VNG heeft samen met de Sectorraad Paarden een richtlijn voor de paardenhouderij opgesteld in 2008; ‘Handreiking Paardenhouderij en Ruimtelijke Ordening’. Deze is in 2014 geheel herzien in een nieuwe richtlijn ‘Paardenhouderij in het Omgevingsrecht’. Het doel van deze richtlijn is het verschaffen van een instrumentarium waarmee het bevoegd gezag bij rijk, provincie en vooral gemeenten het ruimtelijke beleid voor de paardenhouderij kan vormgeven. Daarnaast dient de handreiking als een informatiebron voor de paardenhouderij en de verschillende partijen die in deze sector werkzaam zijn. Deze richtlijn is het enige beleidsinstrumentarium wat er op landelijk niveau is voor de paardenhouderij. Daarmee is deze richtlijn in de overheids- en advieswereld een veel gebruikt en bekend document voor allen die niet direct thuis zijn in de hippische wereld en hier wel beleidstechnische beslissingen in moeten maken. In de VNG-publicatie is aangegeven welke hippische voorzieningen er per type bedrijf noodzakelijk zijn. De VNG-richtlijn geeft in onderstaande figuur aan dat een buitenbak bij in principe alle type paardenhouderij wenselijk c.q. noodzakelijk is.

De VNGpublicatie geeft de volgende definitie aan de buitenrijbaan: Definitie buitenrijbaan: Niet-overdekte piste voorzien van een bewerkte/aangepaste bodem waar naast training en africhting van het paard eveneens toetsing van prestaties van de combinatie paard en ruiter in diverse disciplines kan plaatsvinden.

Het bedrijf van de initiatiefnemers is een gecombineerde paardenhouderij die zich enerzijds richt op een fokkerij en handelsstal en anderzijds op een africhtingsstal en sportstal. Uit de voorgaande tabel van de VNG-publicatie blijkt dat voor al deze vormen van paardenhouderij een buitenbak normaal is voor de bedrijfsvoering.

20

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 De Structuurvisie 2010 – partiële herziening 2014 betreft een herziening van de op 1 oktober 2010 vastgestelde Structuurvisie ruimtelijke ordening. De partiële herziening is door Provinciale Staten van Noord-Brabant op 7 februari 2014 vastgesteld en is in werking getreden op 19 maart 2014. De provincie kiest voor een ontwikkeling waarin de kwaliteiten van de provincie sturend zijn bij de ruimtelijke keuzes die de komende jaren op de provincie afkomen. Daardoor dragen ontwikkelingen bij aan de kracht en identiteit van Noord-Brabant. De ruimtelijke keuzes geven invulling aan het streven naar ruimtelijke kwaliteit en zijn van provinciaal belang. Dit zijn (voor dit plan van toepassing zijnde); ▪ ▪ ▪ ▪

Vitaal en divers platteland (landelijk gebied); Een robuust water- en natuursysteem; Economische kennisclusters; Beleefbaarheid stad en land vanaf de hoofdinfrastructuur.

De ruimtelijke belangen en keuzes zijn in vier ruimtelijke structuren geordend. Binnen deze structuren worden de belangrijkste maatschappelijke ontwikkelingen opgevangen; samen vormen zij de provinciale ruimtelijke structuur. Voor het buitengebied gelden twee structuren: ▪ ▪

De groenblauwe structuur; is nodig voor goed waterbeheer en biedt mogelijkheden om in te spelen op de effecten van klimaatverandering; De agrarische structuur; bestaat uit twee perspectieven: ten eerste het behouden van agrarische productieruimte in de delen van het buitengebied waar de landbouw leidend is voor nieuwe ontwikkelingen en ten tweede behoud en ontwikkeling van gebieden met een breed georiënteerde, gemengde plattelandseconomie.

Figuur 3.1 bron: www.ruimtelijkeplannen.nl - Accentgebied agrarische ontwikkeling en deels Tracezone Brainport Oost

In figuur 3.1 is een uitsnede weergegeven van de provinciale structurenkaart. Het plangebied is gelegen binnen de agrarische structuur en gedeeltelijk binnen de tracézone Brainport Oost.

21

De provincie biedt binnen het landelijk gebied ruimte aan een breed georiënteerde plattelandseconomie met een menging van functies met ontwikkelingsmogelijkheden voor land- en tuinbouw, toerisme en recreatie en verbreding van agrarisch activiteiten met streekproducten, zorgverblijven en recreatief verblijf. Gebieden binnen de zone ‘Agrarische ontwikkeling’ zijn gebieden waar de provincie ruimte en kansen ziet om de agrarische productiestructuur te verduurzamen en te versterken. Met de voorgenomen plannen kan het bedrijf voorzien in de totale opleiding van veulen tot succesvol sportpaard. Alle voorzieningen zijn op het bedrijf aanwezig waarbij het dierenwelzijn een belangrijke rol speelt.

3.2.2 Omgevingsvisie Noord-Brabant Op 14 december 2018 heeft de provincie de Omgevingsvisie Noord-Brabant vastgesteld. Met de omgevingsvisie formuleert de Provincie haar ambitie voor Brabant in 2050. De Provincie ziet een toekomst met een grote verwevenheid tussen stad en land en de bijkomende voor- en nadelen die daaraan kleven. Het plangebied ligt in Oost-Brabant. De omgevingsvisie ziet hier de verbinding met de steden ’sHertogenbosch, Nijmegen en Eindhoven en de verbinding met greenport Venlo. De regio kent een hoge natuurwaarde en tevens veel agrarische activiteit. De Provincie ziet de agrarische sector in deze regio omvormen tot een sector die meer op kwaliteit produceert. De omgevingsvisie geeft tevens de visie weer van de Provincie op haar eigen rol en hoe zij de gewenste ontwikkeling naar 2050 wil stimuleren. De provincie ziet zichzelf als verbinder en als aanjager waar nodig. De landbouw is een belangrijke economische factor die veel exporteert. Ten aanzien van de (intensieve) landbouwsector ziet zij dat de sector een aantal forse uitdagingen heeft en wil de Provincie een rol pakken om van de sector een meer natuurinclusieve sector te maken. De beoogde ontwikkeling op het plangebied past binnen de structuurvisie van de provincie NoordBrabant.

De uitbreiding van het bedrijf met een grote buitenbak draagt bij aan een kwalitatief hippisch bedrijf dat een belangrijke bijdrage levert aan de plattelandseconomie. De paardensport maakt een enorme groei mee. De regio Zuidoost Brabant en Midden-Limburg vormen het hart van de hippische ontwikkeling. Dit heeft onder andere te maken met de kwaliteitsvolle paarden die Nederland te bieden heeft, de goede trainingsaccommodaties en opleidingen van paard en ruiter. De Nederlandse paarden domineren de wereld met de goede sportresultaten. De vraag naar goede Nederlandse paarden is enorm, ze worden over de hele wereld verkocht. In 2013 verkocht Nederland voor ruim €200 miljoen paarden naar het buitenland en sindsdien is een duidelijk stijgende lijn te zien. De markt is zodanig aangetrokken dat men van over de hele wereld naar Nederland komt om paarden te kopen, te trainen en paarden hier op wedstrijden uit te brengen. Het CBS raamde in 2014 dat er in de gehele paardenbranche jaarlijks tussen de € 1,5 en € 2 miljard aan omzet wordt gedraaid. Vooral overige Europese landen, het Midden-Oosten, China en de VS komen naar Nederland voor de kwaliteit. Na voetbal is de paardensport de sport met de grootste economische waarde. De paardensector biedt in Nederland ruim 12.500 fte. Dat de sector groeit zien we ook terug in de huizenmarkt in het landelijk gebied.

Steeds vaker worden VAB-locaties verkocht aan paardenbezitters en omgebouwd tot paardenhouderij. Met name in de regio’s rondom Grandorse/ De Peelbergen (Sevenum) en TOPS Arena (Valkenswaard) is een sterke vraag naar geschikte accommodaties voor de paardenhouderij.

22

3.3 Interim omgevingsverordening Noord-Brabant De nieuwe omgevingsverordening is vastgesteld op 25 oktober 2019. Deze interim omgevingsverordening vervangt de Verordening Ruimte en speelt vast in op de Omgevingswet die naar verluid op 1 januari 2022 in werking zal treden. De omgevingsverordening vervangt tevens de Provinciale milieuverordening, de Verordening natuurbescherming, de Verordening Ontgrondingen, de Verordening ruimte, de Verordening water en de Verordening wegen. Om straks als de Omgevingswet in werking treedt echt klaar te zijn, maakt de provincie eerst een Interim Omgevingsverordening. Deze Interim Omgevingsverordening voegt de bestaande regels over de fysieke leefomgeving zoveel mogelijk samen in één verordening en is beleidsneutraal. Voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet wordt de definitieve Omgevingsverordening vastgesteld. Daarin worden zowel aanpassingen vanwege de Omgevingswet meegenomen, alsook beleidswijzigingen gebaseerd op programma’s. Voor onderhavige ruimtelijke onderbouwing betekent dit dat er op dit moment aan de Interim omgevingsverordening getoetst dient te worden.

Figuur 3.2 Interim Omgevingsverordening - basis kaart landelijk gebied

De locatie is gelegen binnen het landelijk gebied. De paardenhouderij dient aangewend te worden als een overig agrarisch bedrijf. Derhalve is artikel 3.58 van toepassing. Artikel 3.58 overig-agrarisch bedrijf in gemengd landelijk gebied Een bestemmingsplan van toepassing op Gemengd landelijk gebied kan voorzien in uitbreiding van, vestiging van of omschakeling naar een overig-agrarisch bedrijf tot een omvang van ten hoogste 1,5 hectare bouwperceel, als de toelichting een verantwoording bevat dat de ontwikkeling noodzakelijk is voor de agrarische bedrijfsvoering. Het betreft hier de uitbreiding van een bestaande paardenhouderij waarbij de hippische voorziening in de vorm van een buitenbak buiten het bouwblok (zie paragraaf 2.2.) planologisch wordt geborgd. Op dit moment heeft het bouwblok een oppervlak van 8850m2. Het bouwblok wordt niet uitgebreid. In de paragraaf 2.2. wordt de noodzaak van deze voorzieningen voor de bedrijfsvoering en ook het dierenwelzijn nader toegelicht.

23

3.3 Gemeentelijk Beleid 3.3.1 Toekomstagenda Asten 2030 De gemeente Asten heeft haar ruimtelijk en economische toekomstperspectief vastgelegd in deze toekomstagenda. Aan de hand van 6 onderwerpen geeft de gemeente weer waar haar pijlers voor de komende jaren liggen. Deze thema’s zijn: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Transformatie Buitengebied Vitale kernen Centrumontwikkeling Klimaatbestendig en energieneutraal Asten Omgevingswet Vitale democratie

Voor onderhavige ontwikkeling is het thema “Transformatie Buitengebied” het meest van toepassing. De agrarische sector is belangrijk voor de gemeente. Er ligt een opgave voor het verduurzamen van deze sector en ondanks de vele uitdagingen (o.a. stikstof) wil de gemeente dat de boeren goed kunnen blijven ondernemen. Bij de ontwikkeling van het buitengebied is naast de landbouw ook plaats voor andere economische sectoren, zoals recreatie en toerisme, zorg en energieproductie. De gemeente streeft naar een mooi en beleefbaar buitengebied, waarbij het welzijn voor mens en dier belangrijk is. De voorgenomen ontwikkeling heeft als doel het bedrijf toekomstbestendig te maken binnen de opkomende en steeds beter geprofessionaliseerde paardensector. Bij deze ontwikkeling wordt er meer ruimte geboden voor de opleiding en de bewegingsmogelijkheden van het paard. Hoe beter het welzijn van het paard, hoe beter deze presteert wat weer noodzakelijk is om het bedrijf economisch goed te laten draaien.

3.3.2 Omgevingsvisie Asten De omgevingsvisie Asten is vastgesteld op 5 oktober 2021. Met deze omgevingsvisie heeft de gemeente een richtinggevend document dat aansluit bij de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking zal treden. De omgevingsvisie is tevens een uitwerking van de toekomstagenda 2030.

Figuur 3.3 uitsnede omgevingsvisie kaart

24

De locatie is gelegen binnen het oranje gebied. Dit gebied wordt het ‘boeren buiten’ genoemd. Hierin is het volgende opgenomen: “WAT WILLEN WE KOESTEREN De afwisseling en kleinschaligheid zijn belangrijke waarden die de Boeren Buurten aantrekkelijk maken. De groenstructuren van laanbeplanting, erfbeplanting en singels maken het gebied aantrekkelijk voor bewoners en recreanten. Het behouden van de bolle akkers is van belang vanwege de hoge landschappelijke, cultuurhistorische en archeologische waarde. We koesteren het “buurtgevoel” ende boerenbedrijven die geworteld zijn in het gebied.” WAT WILLEN WE BEREIKEN We willen vitale agrarische bedrijven behouden. Voor stoppende agrariërs is er ruimte voor omschakeling naar niet-agrarische bedrijven. Alle bedrijvigheid is zorgvuldig ingepast in het landschap en met oog voor cultuurhistorische waarden en bewoners van het gebied. HOE GAAN WE DAT BEREIKEN De ambities van deze omgevingsvisie bouwen voort op het gemeentelijke beleid van de afgelopen jaren. Inwoners en ondernemers werken samen de gemeente en andere partijen aan de ontwikkeling van onze Boeren Buurten. Iedereen die wil meewerken aan nog fijner wonen, werken en verblijven in onze gehuchten is van harte uitgenodigd! Ter inspiratie vind je hier voorbeelden van initiatieven die bijdragen aan de gewenste ontwikkeling. ▪

Ontwikkelen paardenrecreatie (routes, verblijfsmogelijkheden, veilige omgeving)

▪

Versterken erfbeplanting, groenblauwe diensten (voedsel- en plukbossen, natuurbegraafplaats)

▪

Herontwikkelen van cultuurhistorisch waardevolle panden, bijvoorbeeld gezamenlijke woonvormen in vrijkomende agrarische bebouwing. Werkgroep starten voor wat te doen met vrijkomende agrarische bebouwing).

Onderhavige ontwikkeling betreft een uitbreiding buiten het bouwblok met een buitenbak behorende bij een bestaande paardenhouderij. Hierdoor ontstaat een duurzaam bedrijf. De agrarische sector is en blijft een belangrijke sector voor de gemeente Asten. De gemeente Asten ziet kansen in de ontwikkeling van paardenbedrijven. Met het landschappelijk inpassingsplan wordt een positieve bijdrage geleverd, ook op gemeentegrond, voor het versterken van de waardevolle landschapselementen.

3.3.3 Structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap De gemeente Asten heeft in 2015 haar structuurvisie kwaliteitsverbetering van het landschap vastgesteld. In deze structuurvisie heeft de gemeente omschreven hoe zij om wil gaan met de kwaliteitsverbetering van het landschap bij ruimtelijke ontwikkelingen. Met dit beleidsdocument sluit de gemeente aan op de provinciale regels voor kwaliteitsverbetering van het landschap. De hoogte van de bijdrage die noodzakelijk is voor de kwaliteitsverbetering wordt afgewogen tegen de ruimtelijke impact van het voorgenomen plan. De impact van een plan wordt gebaseerd op het verschil in planologische mogelijkheden op basis van de volgende aspecten:

25

▪ ▪ ▪ ▪

De grootte van een ontwikkeling (vergroting bouwvlak/bouwvolume); Gebruik maken van nieuw of bestaand terrein/bebouwing; Nadelige effecten voor de omgeving; Gewenste ontwikkeling op basis van beleid.

Heeft een project geen impact dan is geen tegenprestatie nodig. Is er sprake van een kleine / beperkte impact dan is een goede landschappelijke inpassing noodzakelijk. Bij een grote impact is een landschappelijke inpassing plus een bijdrage van €2,- per m2 over de uitbreiding van het bestemmingsvlak bouwvlak noodzakelijk. Onderhavige ontwikkeling betreft de aanleg van een buitenbak van 2100m2. De uitbreiding wordt mogelijk door het doorlopen van een uitgebreide omgevingsprocedure. Er is dan ook geen sprake van het vergroten van het bouwvlak. Er worden dan ook geen bouwmogelijkheden gecreëerd. De gemeente Asten heeft aangegeven dat ondanks dat er geen sprake is van een vergroting van het bouwblok, de ontwikkeling toch gezien wordt als een ontwikkeling met een grote impact. Na overleg is besloten om nu de afdracht van €2,- te betalen en dat de buitenbak bij de eerst volgende herziening in zijn geheel opgenomen zal worden in het bouwvlak. Het gedeelte van het de bak dat buiten het bouwvlak komt te liggen bedraagt 1856m2. Daarmee dient een bijdrage geleverd te worden van €3712,- voor de kwaliteitsverbetering.

3.3.4 Structuurvisie bebouwingsconcentraties Het doel van deze structuurvisie bebouwingsconcentraties is het bereiken van kwaliteitsverbetering van het buitengebied. Voor de ruimtelijke kwaliteit liggen er kansen bij het beter landschappelijk inpassen van de verschillende bouwblokken. De locatie is gelegen binnen de bebouwingsconcentratie ‘Ommel – Noord’. Deze bebouwingsconcentratie bestaat uit de Kloosterstraat, Ommelse Bos, Deurneseweg en Oostappensedijk.

Figuur 3.4 Bebouwingsconcentratie Ommel-Noord

Het plangebied ligt in het noordelijke deel van de bebouwingsconcentratie. De concentratie is door de jaren organisch gegroeid zonder duidelijk onderliggend stedenbouwkundig patroon. Daarom

26

wordt de bebouwingsconcentratie als rommelig beschouwd. Dit wordt versterkt door het ontbreken van duidelijke structurerende beplanting. Ook het vleesverwerkingsbedrijf wordt gezien als een knelpunt in de rommelige structuur. De visie zet in op een structurering van de bebouwingscluster, door het aanbrengen van laanbeplanting. De laanbeplanting dient er zorg voor te dragen dat er een logische ruimtelijke structuur ontstaat tussen de Ommelse Bos en Deurneseweg. Verdichting van de cluster is beperkt toegestaan. Het plangebied is gelegen in het noorden van de bebouwingsconcentratie. De uitbreiding is toegestaan mits deze landschappelijke wordt ingepast en de beplantingsstructuur wordt versterkt. Dit is in het erfbeplantingsplan (zie paragraaf 2.3) uitgewerkt.

3.3.5 Bestemmingsplan De bedrijfslocatie is gelegen binnen het bestemmingsplan “Buitengebied Asten 2016” vastgesteld op 7 augustus 2019. De locatie heeft hierin de volgende bestemmingen: ▪ ▪ ▪

Agrarisch Agrarisch – Agrarisch bedrijf Waarde – Archeologie 2

De locatie kent de volgende aanduidingen: ▪ ▪ ▪ ▪ ▪ ▪

Functieaanduiding – paardenhouderij Gebiedsaanduiding – milieuzone boringsvrije zone Gebiedsaanduiding – overige zone – bebouwingsconcentratie Gebiedsaanduiding – overige zone – recreatief ontwikkelingsgebied Gebiedsaanduiding – vrijwaringszone – radar Gebiedsaanduiding – wetgevingszone – beperkingen veehouderij

Figuur 3.5 uitsnede bestemminsplan bron; www.ruimtelijkeplannen.nl

27

De gemeente Asten heeft aangegeven dat ze deze procedure in de toekomst ziet als een vergroting van het bouwblok. Daarom dient artikel 3.7.1 getoetst te worden. 3.7.1 Verandering bestemmingsvlak agrarisch bedrijf Burgemeester en wethouders kunnen de bestemming wijzigen in de bestemming 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' (artikel 4) ten behoeve van vergroting en/of vormverandering van het bestemmingsvlak van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf' al dan niet in combinatie met de wijzigingsbevoegdheid zoals opgenomen in artikel 4.6.5. Hiervoor gelden de volgende voorwaarden dan wel beperkingen: a. bestemmingsvlakken van de bestemming 'Agrarisch - Agrarisch bedrijf', gelegen in of nabij gronden ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - ecologische verbindingszone' mogen worden vergroot, mits het functioneren van de ecologische verbindingszone niet onevenredig wordt aangetast; In de omgeving is een dergelijke aanduiding niet aanwezig. b. de vergroting en/of vormverandering dient noodzakelijk te zijn uit het oogpunt van doelmatige bedrijfsvoering en/of -ontwikkeling, waaronder begrepen het kunnen plaatsen van permanente teeltondersteunende voorzieningen. Dienaangaande wordt advies van de Adviescommissie Agrarische Bouwaanvragen ingewonnen; De noodzaak van de aanleg van de buitenbak is omschreven in paragraven 2.2 en 3.1.6 c.

voor veehouderijen is vergroting van het bestemmingsvlak van de bestemming 'Agrarisch Agrarisch bedrijf' tot een omvang van maximaal 1,5 hectare voor deze bedrijven toegestaan, met dien verstande dat deze gronden niet gelegen zijn ter plaatse van de aanduiding 'wetgevingzone - beperkingen veehouderij'; Het betreft hier een paardenhouderij en geen veehouderij. Op basis van artikel 1.114 wordt een paardenhouderij niet gezien als een veehouderij. d. vergroting en/of vormverandering ten behoeve van geiten- en/of schapenhouderijen en glastuinbouwbedrijven is niet toegestaan; Niet van toepassing het gaat om een paardenhouderij. e. vergroting en/of vormverandering ten behoeve van een pluimveehouderij is alleen toegestaan, mits noodzakelijk in het kader van een verplaatsing uit het gebied ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - urgentiegebied', waarbij een knelpunt wordt opgelost; Niet van toepassing, het gaat om een paardenhouderij. f.

er dient sprake te zijn van een passende bijdrage aan de kwaliteitsverbetering van het landschap, die in ieder geval bestaat uit een zorgvuldige landschappelijke inpassing conform een door de gemeente goedgekeurd erfbeplantingsplan; Zie paragrafen 2.3 en 3.3.3. Er is een landschappelijk inpassingsplan opgesteld en er zal een bijdrage geleverd worden voor de kwaliteitsverbetering.

g. door middel van een onderzoek naar de waterstaatkundige consequenties dient te worden aangetoond dat sprake is van hydrologisch neutraal bouwen;

28

Er wordt niet gebouwd, er wordt een paardenbak voorzien van een eb- en vloedbodem aangelegd. Het functioneren van de eb- en vloedbodem is beschreven in paragraaf 2.2. en de effecten op de waterhuishouding zijn beschreven in paragraaf 4.13. h. een zorgvuldige dialoog is gevoerd, gericht op het betrekken van de belangen van de omgeving bij de planontwikkeling; Deze is gevoerd. Naar aanleiding van de omgevingsdialoog is gekozen om de procedure te veranderen. De eerste insteek was een bestemmingsplanwijziging met bouwblok vergroting. Nu wordt gekozen voor een uitgebreide omgevingsprocedure. Zie hiervoor ook paragraaf 5.2. i.

aangetoond dient te zijn dat er geen sprake is van een toename van de ammoniakdepositie in een Natura2000-gebied, danwel dat de depositie geen gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura2000-gebied; Er wordt enkel een paardenbak gerealiseerd. Een paardenbak is geen dierverblijf met een emissiepunt. Er verandert dan ook niets ten aan zien van de stikstofdepositie. Voor verdere uitleg wordt verwezen naar paragraaf 4.2.

j.

de wijziging mag niet leiden tot een onevenredige aantasting van de in artikel 32 omschreven aanduidingsregels. In artikel 32.21 vrijwaringszone radar is opgenomen dat er niet boven de 65m boven NAP gebouwd mag worden. Daar is hier geen sprake van. In artikel 32.25 zijn regels opgenomen voor beperking van de veehouderij. Het betreft hier een paardenhouderij en geen veehouderij. Op basis van artikel 1.114 wordt een paardenhouderij niet gezien als een veehouderij.

Op de plek van de toekomstige bak ligt de bestemming Agrarisch. Binnen deze bestemming zijn op basis van artikel 3.2.1. paardenbakken buiten het bouwvlak niet toegestaan. Er is geen afwijkingsmogelijkheid opgenomen om toch een paardenbak middels een omgevingsvergunning te realiseren. Op advies van de gemeente wordt de buitenbak planologisch geborgd middels het doorlopen van een uitgebreide omgevingsprocedure waarbij getoetst wordt aan de regels uit artikel 3.7.1. Onderhavige ontwikkeling voldoet aan deze regels.

29

4. Milieutechnische aspecten In dit hoofdstuk wordt het initiatief getoetst aan alle relevante planologische en milieuaspecten.

4.1 Milieueffectenrapportage en vormvrije m.e.r.-beoordeling Op 7 juli is het gewijzigde Besluit Milieueffectenrapportage in werking getreden. Door dit besluit moeten alle ruimtelijke ontwikkelingen na 16 mei 2017 voorzien zijn van een beoordeling. De Milieueffectenrapportage is noodzakelijk om te beoordelen welke significante effecten en invloeden een ontwikkeling op de omgeving kunnen hebben. Een Milieueffectenrapportage is alleen nodig wanneer een plan of project kan leiden tot één of meerdere initiatieven die nadelige invloed hebben op het milieu. Om te bepalen of een Milieueffectenrapportage noodzakelijk is zijn er twee criteria geformuleerd: ▪

▪

Plannen waarvoor een passende beoordeling nodig is in verband met een mogelijk significant negatief effect op Natura 2000 gebieden. Of er een passende beoordeling nodig is, is afhankelijk van de uitkomsten die beschreven worden in de paragraaf Flora en Fauna. Plannen die kaderstellend zijn voor toekomstige m.e.r.- (beoordelings)plichtige besluiten. Een plan is kaderstellend voor een toekomstig m.e.r.- (beoordelings)plichtig besluit indien er sprake is van een overschrijding van de grenswaarden uit de C- of D-lijst van het Besluit m.e.r.

Onder de grenzen uit de C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. geldt sinds 7 juli 2017, echter tevens een m.e.r.-beoordelingsplicht. Dit houdt in dat er bekeken moet worden of er bij het initiatief sprake is van dusdanig bijzondere omstandigheden of milieueffecten dat er toch een m.e.r. moet worden opgesteld. Hierbij wordt gekeken naar de selectiecriteria uit bijlage II en III bij de m.e.r.-richtlijn (2011/92/EU), welke o.a. de omvang van het project, de cumulatie met andere projecten en het gebruik van natuurlijke hulpbronnen betreffen. Onderhavige uitbreiding betreft een uitbreiding van een paardenhouderij zonder dat hierbij dieraantallen worden aangepast en/of uitgebreid. Op basis van C- en D-lijst van het Besluit m.e.r. is een M.E.R.- beoordelingsplichtig pas noodzakelijk bij het houden van 100 paarden of meer. Onderhavig plan maakt enkel de realisatie van een buitenbak mogelijk. Derhalve is een M.E.R.beoordelingsplicht niet aan de orde.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Asten&id=1c34a5c9-d71e-456c-8980-51e789f0b241