CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Toelichting Bijlage 22 - Explosievenonderzoek

Politieke Avond 6 december 2023, gemeente ArnhemBij agendapunt: Vaststellen: bestemmingsplan 'Chw Zijdekwartier'16.911 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebied ‘AKZO-terrein te Arnhem’ en Risicoanalyse (RA) voor het toekomstig gebruik van het onderzoeksgebied.

ONDERZOEKSGEBIED:

AKZO-terrein te Arnhem

OPDRACHTGEVER:

KLOKGroep

DATUM:

28-03-2019

TER ACCORDERING MANAGEMENT EN EINDVERANTWOORDELIJKE DIRECTIE:

Ing. F. Pas – Algemeen Directeur Explosive Clearance Group

……………………………………………………... DOCUMENTCODE:

138-019-VO-01

VERSIE:

Definitief

DISTRIBUTIELIJST:

Explosive Clearance Group BV KLOKGroep

Copyright Explosive Clearance Group BV 2019. Niets uit deze rapportage mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm, internet of welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de houders van het auteursrecht. De opdrachtgever mag voor intern gebruik duplicaten maken. 139-019-VO-01

Pagina 3 van 72

Inhoudsopgave 1

INLEIDING ..................................................................................................................... 6

1.1 1.2 1.3 1.4 1.5 1.6

ALGEMEEN ............................................................................................................................ 6 AANLEIDING .......................................................................................................................... 7 DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK ........................................................................................... 8 BRONNEN ........................................................................................................................... 11 HET ONDERZOEKSGEBIED ........................................................................................................ 11 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ONDERZOEKSGEBIED ......................................................... 13

2

HET INDICATIE ONDERZOEK ...............................................................................................14

2.1 INDELING EN OPZET VAN HET ONDERZOEK ................................................................................... 14 2.2 UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE .............................. 14 2.3 EERDER CE-ONDERZOEK ......................................................................................................... 15 2.4 INDICATIES AFKOMSTIG UIT GERAADPLEEGDE LITERATUUR ............................................................... 15 2.5 INDICATIES AFKOMSTIG UIT ARCHIEVEN ...................................................................................... 15 2.5.1 GELDERS ARCHIEF ............................................................................................................................ 15 2.5.2 NATIONAAL ARCHIEF ........................................................................................................................ 16 2.5.3 NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDESTUDIES ................................................... 16 2.5.4 NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE .............................................................................. 17 2.5.5 THE NATIONAL ARCHIVES (LONDEN) ...................................................................................................

17 2.5.6 THE NATIONAL ARCHIVES AND RECORDS ADMINISTRATION (WASHINGTON) ............................................. 18 2.5.7 BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV ........................................................................................................ 18 2.6 GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.............................................................. 19 2.6.1 ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE ................................... 19 2.6.2 ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK ........................... 20 2.6.3 MIJNENVELDREGISTER ..................................................................................................................... 20 2.7 LUCHTFOTO INTERPRETATIE ..................................................................................................... 21 2.7.1 DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE ........................................................................................... 21 2.7.2 METHODIEK ................................................................................................................................... 21 2.7.3 GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE .............................................................

21 2.7.4 INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL ........................... 22

3

RESULTATEN INDICATIE-ONDERZOEK EN AFBAKENING ...............................................................24

3.1 3.2

OVERZICHTSTABEL INDICATIES .................................................................................................. 24 BEELDMATERIAAL EN LUCHTFOTO ANALYSE .................................................................................. 28

4 5

HET CONTRA-INDICATIE ONDERZOEK ...................................................................................35 RISICOANALYSE .............................................................................................................41

5.1 DOEL ................................................................................................................................. 41 5.2 VASTSTELLEN PROJECTGEBIED .................................................................................................. 41 5.3 AANVULLINGEN OP HET UITGEVOERDE VOORONDERZOEK ................................................................ 41 5.4 ANALYSE UITKOMST VOORONDERZOEK ....................................................................................... 41 5.5 VASTSTELLEN LOCATIESPECIFIEKE OMSTANDIGHEDEN ..................................................................... 42 5.5.1 BODEMOPBOUW ............................................................................................................................. 42 5.5.2 BODEMGEBRUIK .............................................................................................................................. 43 139-019-VO-01

Pagina 4 van 72

5.5.3 HISTORISCHE ONTWIKKELING ............................................................................................................. 44 5.5.4 ONDERGRONDSE INFRASTRUCTUUR .................................................................................................... 44 5.5.5 ARCHEOLOGIE ................................................................................................................................. 47 5.6 ARCHIEFONDERZOEK NAOORLOGSE WERKZAAMHEDEN ................................................................... 48 5.7 IDENTIFICATIE TOEKOMSTIG GEBRUIK ......................................................................................... 49

6 7 8 9

LEEMTEN IN KENNIS ........................................................................................................50 CONCLUSIE EN ADVIES .....................................................................................................51 OVERZICHT VAN GEHANTEERDE BRONNEN .............................................................................53 BIJLAGEN .....................................................................................................................60

BIJLAGE 1: CE-BODEMBELASTINGKAART .............................................................................................. 60 BIJLAGE 2: TOELICHTING VERPLICHTE EN AANVULLENDE BRONNEN WSCS-OCE ............................................. 62 BIJLAGE 3: VASTSTELLEN VERDACHT GEBIED EN AFBAKENING IN VOORONDERZOEK ......................................... 65 BIJLAGE 4: SYSTEEM CERTIFICATEN OPSPOREN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN .............................................. 69 BIJLAGE 5: PROTOCOL SPONTANE VONDST ........................................................................................... 70

139-019-VO-01

Pagina 5 van 72

1 INLEIDING Op een onbekend aantal plaatsen in Nederland liggen nog bommen, granaten en andere munitieartikelen uit de Tweede Wereldoorlog. Volgens mondiale, militaire inschatting is van al het explosieve materiaal dat gedurende de Tweede Wereldoorlog (1939-1945) is ingezet, verschoten of afgeworpen, tussen de zeven en vijftien procent om verschillende redenen niet tot ontploffing gekomen of gebracht.

1.1

ALGEMEEN

Hoofdrisico van het werkveld van het opsporen van Conventionele Explosieven (CE) is het onverhoeds aantreffen van deze CE bij het uitvoeren van werkzaamheden in de (water)bodem en/of de ondeskundige en onzorgvuldige omgang met aangetroffen CE. Hierdoor bestaat het gevaar op het ongewenst tot (uit)werking komen van CE en dat kan grote uitwerkingsgevolgen teweegbrengen. De belangrijkste daarvan zijn luchtdruk, schokgolf en scherfwerking, welke een groot gevaar vormen voor de veiligheid en gezondheid van bij het opsporen van CE betrokken werknemers en andere personen. Het voornoemd risico doet zich voor indien voorafgaand aan (bouw)projecten geen/onvoldoende onderzoek wordt gedaan naar de mogelijke aanwezigheid van CE en/of het opsporen van CE op een onzorgvuldige en/of ondeskundige wijze plaatsvindt. In het laatstgenoemde geval doet het risico van het onverhoeds aantreffen van CE zich ook voor zodra na een opsporingsproject met de reguliere (bouw)werkzaamheden wordt gestart. 1 Om spontane vondsten en eventuele daaruit voortvloeiende ongewilde gebeurtenissen te voorkomen, dient de opdrachtgever ervoor te zorgen (inspanningsverplichting) dat in de ontwerpfase – als onderdeel van de Risico-Inventarisatie en Evaluatie (RI&E) – er rekening wordt gehouden met (veiligheids) verplichtingen die gelden in de uitvoeringsfase.

Dat wil onder andere zeggen dat de opdrachtgever (de initiatiefnemer van de werkzaamheden) het mogelijk moet maken dat de aannemer die het werk uitvoert dat op een veilige en gezonde manier kan doen, onder naleving van wettelijke regels en door toepassing van maatregelen uit de voor dat werk geldende arbocatalogus, brancherichtlijnen, stand der techniek en wetenschap. 2 Als gevolg van het voorgaande dient de opdrachtgever er vooraf zorg voor te dragen dat er bij gronden/of waterbodemroerende activiteiten informatie beschikbaar (inventariseren en evalueren) is over de samenstelling van de (water)bodem. Zoals of er bijvoorbeeld sprake is van de vermoede aanwezigheid van CE en/of de identificatie van potentiële risicolocaties.

1 Voor nadere info betreffende regelgeving etc. zie: www.explosievenopsporing.nl.

2 Zie ook voor achtergrond Nederland: Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, Inspectie Sociale Zaken en

Werkgelegenheid, Jaarplan 2015 (Den Haag 2014) 18 (http://www.inspectieszw.nl/Images/Jaarplan-InspectieSZW2015_tcm335-359626.pdf); De Inspectie blijft zich inzetten om bij de opdrachtgevers, inclusief gemeenten, indringend concrete aandacht en zorg te eisen voor hun verantwoordelijkheid bij de voorbereidingen voor GWW-projecten. Bijvoorbeeld het veilig opleveren van projectgrond – gevrijwaard van explosieven – en sturing op arbo-aspecten in het opdrachtverlenings-traject.

139-019-VO-01

Pagina 6 van 72

Om het maatschappelijk belang (veiligheid en gezondheid van en rondom arbeid) te waarborgen, is door de overheid gekozen voor een wettelijk verplichte certificatieregeling voor de borging van de kwaliteit/veiligheid van het opsporen van Conventionele Explosieven. Dat wil zeggen dat opsporingswerkzaamheden met betrekking tot CE op grond van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) enkel uitgevoerd mogen worden door de Explosieven Opruimingsdienst Defensie (EOD) en bedrijven die in het bezit zijn van een certificaat voor het opsporen van Conventionele Explosieven. Om dit certificaat te verkrijgen dient het bedrijf (en de EOD) te voldoen aan de eisen zoals gesteld in het “Werkveld Specifiek certificatie Schema voor het Opsporen Conventionele Explosieven: 2012, versie 1” (WSCS-OCE). Het toepassingsgebied van het Certificatieschema is verdeeld in twee deelgebieden: A (Opsporing, inclusief vooronderzoek) en B (Civieltechnisch Opsporingsproces).

3 De doelstelling van dit door het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) vastgestelde certificatieschema is drieledig:  bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden voldoende veilig voor het eigen personeel en derden aanwezig op het project worden uitgevoerd;  bewerkstelligen dat risicovolle werkzaamheden zodanig en met die deskundigheid worden uitgevoerd dat omwonenden veilig zijn en dat de openbare orde en publieke veiligheid wordt gewaarborgd;  bewerkstelligen dat het vooronderzoek en/of de opsporing volgens de gegunde opdracht wordt uitgevoerd en opgeleverd (vast te leggen in het proces-verbaal van oplevering). 4 Explosive Clearance Group B.V. (ECG) is voor beide deelgebieden (A+B) gecertificeerd. 5 Een eerste stap in het opsporingsproces wordt (doorgaans) gevormd door een (historisch) vooronderzoek waarin beoordeeld wordt of een onderzoekgebied VERDACHT of ONVERDACHT is op de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven.

1.2

AANLEIDING

Door KLOKGroep is opdracht verstrekt voor het uitvoeren van een historisch vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van conventionele explosieven in het onderzoeksgebied ‘AKZO-terrein te Arnhem’. Een gedeelte van het AKZO-terrein zal worden herontwiikkeld tot woonwijk. Hierbij gaan de volgende werkzaamheden plaatsvinden: • Slopen, inclusief funderingen tot 1 a 1,5 m-mv; • Saneren op plot 3.2; • Aanbrengen leeflaag op de helft van plot 3.1; 3 Het Werkveld Specifiek certificatie Schema voor het Opsporen Conventionele Explosieven (WSCS-OCE) is een verplicht

procescertificaat voor het opsporen van CE. Het stelt eisen aan de kwaliteit, veiligheid en deskundigheid van het bedrijf en/of organisatie. 4 Werkveld Specifiek certificatie Schema voor het Opsporen Conventionele Explosieven: 2012, versie 1, 107. 5 Het certificaat is opgenomen onder Bijlage 3.

139-019-VO-01

Pagina 7 van 72

•

Herinrichting op 50.000 m2;

•

Nieuwbouw van voornamelijk grondgebonden woningen zonder kelder.

Het vooronderzoek is uitgevoerd volgens de regelgeving zoals vastgelegd in WSCS-OCE.

Figuur 1: Tekening deellocaties AKZO-terrein te Arnhem.

1.3

DOEL VAN HET INDICATIEONDERZOEK

Het onderzoeksdoel en de te volgen werkwijze betreffende een vooronderzoek zijn in het WSCS-OCE als volgt omschreven: ‘Het vooronderzoek heeft tot doel om te beoordelen of er indicaties zijn dat binnen het onderzoeksgebied CE aanwezig zijn, en zo ja, om het verdachte gebied in horizontale en verticale dimensie af te bakenen. Het vooronderzoek bestaat uit zowel het inventariseren als beoordelen (analyseren) van bronnenmateriaal en resulteert in een rapportage en een CE bodembelastingkaart.’ 6

6 WSCS-OCE, 126.

139-019-VO-01

Pagina 8 van 72

Het uitgangspunt van deze studie is het verkrijgen van een, door middel van het verzamelen en verwerken van relevant (historisch) feitenmateriaal, gefundeerd antwoord op de volgende drie kernvragen: 1. Is het onderzoeksgebied of delen hiervan betrokken geweest bij oorlogshandelingen (indicaties) en is er daardoor sprake van een verhoogd risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven, 7 oftewel van VERDACHT gebied? 2. Zijn er gebeurtenissen (contra-indicaties) die een aanwijzing vormen dat een (mogelijk verdacht) gebied of een deel hiervan als ONVERDACHT kan worden aangemerkt? 3. Indien er sprake is van VERDACHT gebied wat is dan de (sub)soort, hoeveelheid, verschijningsvorm van de vermoede Conventionele Explosieven? De indicaties zijn onder te verdelen naar: geografisch herleidbare gebeurtenissen met informatie die een aanwijzing vormen dat het gebied VERDACHT is op Conventionele Explosieven of geografisch herleidbare gebeurtenissen die een aanwijzing vormen dat het gebied als ONVERDACHT kan worden aangemerkt (contra-indicaties). 8 Oorlogshandelingen (in dit geval gebeurtenissen die tot de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven leiden) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals in het navolgende overzicht is weergegeven. 9

7 Het werkveldspecifieke certificatieschema WSCS-OCE heeft betrekking op het opsporen van Conventionele

Explosieven die in de (water)bodem zijn achtergebleven tijdens de Eerste en Tweede Wereldoorlog. CE afkomstig uit de periode na de Tweede Wereldoorlog vallen buiten de onderzoek scope. 8 VERDACHT of ONVERDACHT houdt niet in dat feitelijk vaststaat dat er wel of geen CE liggen, maar geeft antwoord op de vraag of het (op basis van feiten/bronnenmateriaal) aannemelijk is dat in een bepaald gebied CE worden aangetroffen. Enkel door middel van opsporingswerkzaamheden kan de feitelijke aanwezigheid en exacte ligplaats van CE worden vastgesteld. 9 De weergegeven scenario’s zijn exemplarisch en pretenderen geen volledigheid.

139-019-VO-01

Pagina 9 van 72

MOGELIJKE OORZAKEN VOOR ACHTERGEBLEVEN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

LUCHTAANVALLEN

Bombardement

Beschieting met boordwapens

Beschieting met raketten

Vliegtuigcrash/ Inslag V-wapen

GRONDGEVECHTEN

MUNITIE VERNIETIGING

MILITAIR GEBRUIK

MUNITIE OPSLAG

Blindgangers

Springputten en dergelijke

Militair oefenterrein

Munitie fabricage en/of opslag

Munitiedump of stort

Stationering militairen

Munitie inrichtingen

Munitiedump in water

Vliegveld

Incident munitieopslag

(SECUNDAIRE GEVOLGEN)

(bijv. artillerie beschieting)

In stellingen achtergelaten, gedumpt of bedolven

(afzinking)

(explosie)

Vernielingsactiviteiten

Mijnenveld(en)

Figuur 2: Schema met voorbeelden van oorzaken/scenario’s voor de mogelijke aanwezigheid van CE.

Gebeurtenissen die mogelijk geleid hebben tot het uit de bodem verwijderen van Conventionele Explosieven (contra-indicaties) kunnen over het algemeen onderverdeeld worden naar een bepaald(e) oorzaak of scenario, zoals hieronder is weergegeven. MOGELIJKE OORZAKEN VOOR CONTRA-INDICATIES VAN CONVENTIONELE EXPLOSIEVEN

GRONDROERENDE WERKZAAMHEDEN

Ontgravingen

Gronddepositie

BAGGERWERKZAAMHEDEN

OPSPORINGSWERKZAAMHEDEN

EODD en voorgangers

Civiele opsporingsbedrijven

Figuur 3: Schema met voorbeelden van oorzaken/scenario’s voor contra-indicaties betreffende de aan/ afwezigheid van CE.

139-019-VO-01

Pagina 10 van 72

1.4

BRONNEN

Bij het indicatieonderzoek dienen volgens het WSCS-OCE een aantal bronnen verplicht te worden geraadpleegd. In het navolgende overzicht (tabel 1) staat schematisch weergegeven welke bronnen dit zijn en of hieraan bij dit onderzoek gehoor is gegeven. Optionele bronnen dienen in bepaalde, in het certificatieschema vastgelegde, situaties te worden gehanteerd. Daarnaast raadpleegt ECG aanvullend een drietal archieven welke niet zijn opgenomen in het vigerende WSCS-OCE. De conclusie VERDACHT wordt bij voorkeur vastgesteld op basis van twee of meer onafhankelijke bronnen. Een toelichting betreffende de verplicht en aanvullend te raadplegen bronnen is opgenomen in Bijlage 1. BRONNEN CONFORM WSCS-OCE: Inventarisatie eerder onderzoek CE Literatuur Gemeente- en Provinciaal archief Nederlands Instituut voor Militaire Historie NIOD Instituut voor Oorlogs-, Holocaust- en Genocidestudies Explosieven Opruimingsdienst Defensie Luchtfotocollectie Universiteit Wageningen Luchtfotocollectie Topografische Dienst Zwolle Luchtfotocollectie The Aerial Reconnaissance Archives/National Collection of Aerial Photography (Edinburgh) The National Archives (Londen) Bundesarchiv-Militärarchiv (Freiburg) The National Archives (Washington) Getuigen Semistatische archiefdiensten Ministerie Defensie te Rijswijk Nationaal Archief te Den Haag Laurier Military History Archive (Waterloo, Canada)

RAADPLEGEN: GERAADPLEEGD: Verplicht Optioneel              Nvt. Nvt. Nvt.

Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja Ja

Ja Ja Ja Nee Ja Ja Ja

Tabel 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen.

1.5

HET ONDERZOEKSGEBIED

Het onderzoeksgebied betreft een gedeelte van het AKZO-terrein te Arnhem. Het onderzoeksgebied ligt langs de spoorlijn Arnhem – Velp en bestaat uit een parkeerplaats en braakliggend terrein. De totale oppervlakte van het onderzoeksgebied bedraagt +/- 5 hectare. Het AKZO-terrein kent een rijke historie, die op de website www.arnhem.nl uitvoerig wordt omschreven: “Op 8 mei 1911 werd door J.C. Hartogs de NV Nederlandsche Kunstzijdefabriek opgericht. De fabriek vestigde zich aan de Vosdijk, waar een stuk grond in erfpacht werd verkregen van de gemeente Arnhem. In het najaar van 1911 werd begonnen met de ophoging van het erg laaggelegen terrein en in het voorjaar van 1912 werden de fundamenten aangelegd van het eerste fabrieksgebouw, dat in 139-019-VO-01

Pagina 11 van 72

augustus 1912 werd voltooid. In 1912 werd de fabriek in gebruik genomen, waarna na maanden van proefdraaien op 10 juni 1913 de eerste partij kunstzijde kon worden verkocht. Nog voor 1915 werden plannen ontwikkeld voor een aanzienlijke vergroting van de spincapaciteit (verdubbeling) en vergroting van het hoofdgebouw. Zo ontstond de lange vleugel aan de Vosdijk, die haaks aansloot op het oudste gedeelte uit 1912. De AKU/ENKA groeide in korte tijd uit tot een zeer succesvolle onderneming, die vooral ook in de jaren '20 grootschalige uitbreidingen kende. Tussen 1924 en 1928 werd het grote fabriekscomplex ter plekke van de Kernheimstraat gerealiseerd naar ontwerpen van architect Beenker (de huisarchitect van de AKU). Uit deze periode dateert ook de centrale en een groot gebouw ten noorden van het oude hoofdgebouw.” 10

Figuur 4: projectie van het onderzoeksgebied op de Topografische Basiskaart.

10 www.arnhem.nl (13-3-2019).

139-019-VO-01

Pagina 12 van 72

1.6 HISTORISCH-GEOGRAFISCHE INFORMATIE ONDERZOEKSGEBIED Locatieverwijzingen spelen een essentiële rol bij het vaststellen van de relevantie van achterhaalde indicaties. Daarom wordt er gekeken naar de geografische situatie vóór of ten tijde van de oorlog. Om de historische toponiemen te achterhalen, zijn er kadastrale kaarten van de periode 1940-1945 gegeorefereerd. Met behulp van GIS kan het onderzoeksgebied over de toenmalige situatie heen worden gelegd en kan worden afgelezen welke streeknamen er tijdens de oorlog op de kaart stonden. De onderstaande figuur toont een uitsnede van een kaart ter hoogte van het onderzoeksgebied. In het onderzoeksgebied zijn de voormalige fabrieksgebouwen zichtbaar. De omgeving is aangeduid met: Poortstraatje, Plattenburg en Prezikhaaf.

Figuur 5: Uitsnede van een stafkaart uit de Tweede Wereldoorlog.

139-019-VO-01

Pagina 13 van 72

2 HET INDICATIE ONDERZOEK In het indicatie onderzoek wordt op basis van historisch bronmateriaal vastgesteld of het onderzoeksgebied mogelijk betrokken is geweest bij oorlogshandelingen.

2.1

INDELING EN OPZET VAN HET ONDERZOEK

In dit hoofdstuk wordt ten eerste een inventarisatie uitgevoerd naar bij ECG bekende gegevens omtrent eerder uitgevoerd(e) onderzoek(en) naar de aanwezigheid van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied. 11 Vervolgens worden op basis van literatuuronderzoek de oorlogshandelingen die relevant kunnen zijn voor de mogelijke aanwezigheid van CE inclusief datum in de rapportage (chronologisch) weergegeven. Daarop volgt er een opsomming van de bezochte archiefinstanties en de geraadpleegde archiefdelen en worden de eventueel achterhaalde naoorlogse ruimingen van Conventionele Explosieven en daaraan gerelateerde zaken in beeld gebracht. 12 Het merendeel van de uit de archieven achterhaalde oorlogshandelingen/indicaties wordt uiteindelijk in een overzichtstabel weergegeven waarin een indicatie bij voorkeur vanuit het perspectief van meerdere bronnen wordt beoordeeld/geanalyseerd (en waar mogelijk geverifieerd) op de omschrijving van:     

de aard van de oorlogshandeling; het aantal en de soort CE dat tijdens de oorlogshandeling is ingezet; de inslaglocatie van CE; relevantie; herleidbaarheid tot (de directe omgeving van) het onderzoeksgebied

Daarna zullen vanuit een combinatie van bronspecifieke en historische benadering (waaronder de mogelijk reeds achterhaalde indicaties) luchtfoto's uit de Tweede Wereldoorlog geanalyseerd worden om de hierboven aangehaalde omschrijvingen verder te verifiëren en/of te herleiden.

2.2

UITGANGSPUNTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE RELEVANTIE VAN EEN INDICATIE

Bij het beoordelen of de bij het indicatieonderzoek achterhaalde informatie/indicatie relevant is/of kan zijn, wordt een selectiecriterium uit het WSCS-OCE toegepast: ‘Indicaties/contra-indicaties dienen een locatieverwijzing te hebben, aangezien deze essentieel is om te bepalen of de informatie relevant is voor de aanwezigheid van CE in het onderzoeksgebied.’ 13

11 Onder een onderzoek wordt door ECG verstaan: een (opsporings)onderzoek uitgevoerd volgens de regels van de

(voormalige) BRL-OCE of het vigerende WSCS-OCE.

12 In de weergegeven opsommingstabellen zijn tevens indien aanwezig de geraadpleegde archiefstukken die in verband met

het contra-indicatie onderzoek zijn ingezien, opgenomen.

13 WSCS-OCE, 128.

139-019-VO-01

Pagina 14 van 72

Indien de locatieverwijzing (zie ook de paragrafen 1.6 en 1.7) niet feitelijk verwijst naar de omgeving van het onderzoeksgebied of op een andere wijze een relatie met het onderzoeksgebied (bijvoorbeeld op basis van voorkennis) impliceert of van invloed kan zijn, dan wordt de desbetreffende informatie niet in de rapportage opgenomen of als niet relevant beoordeeld en wordt deze verder buiten beschouwing gelaten.

2.3

EERDER CE-ONDERZOEK

Conform de proceseisen vooronderzoek zoals opgenomen in het WSCS-OCE, heeft ECG een inventarisatie gemaakt van reeds uitgevoerd CE-onderzoek door zowel ECG als derden. In het verleden is er door T&A Survey reeds historisch onderzoek verricht ter hoogte van de spoorlijn en door ECG ter hooge van station Presikhaaf.

2.4

INDICATIES AFKOMSTIG UIT GERAADPLEEGDE LITERATUUR

Om een beeld te krijgen van oorlogshandelingen in en nabij het onderzoeksgebied heeft ECG de relevante literatuur geraadpleegd. Een compleet overzicht van de geraadpleegde literatuur is opgenomen in het overzicht van gehanteerde bronnen in hoofdstuk 8. De achterhaalde indicaties worden in tabel 4 (paragraaf 3.1) beoordeeld op relevantie en herleidbaarheid.

2.5

INDICATIES AFKOMSTIG UIT ARCHIEVEN

De nadruk bij het indicatieonderzoek ligt bij het raadplegen van de diverse archieven op het bestuderen van de stukken van de luchtbeschermingsdienst, de stukken over aangetroffen/geruimde CE en oorlogsschaderapporten. In dit hoofdstuk wordt per archiefinstelling aangegeven welke archieven er zijn geraadpleegd. Wanneer er relevante informatie is achterhaald, is deze opgenomen in de tabel in Hoofdstuk 3. 2.5.1

GELDERS ARCHIEF

In het Gelders Archief te Arnhem zijn diverse archieven geraadpleegd. Het gaat om de secretariearchieven van de gemeente Arnhem, het archief van de Dienst Gemeentewerken, het archief van AKZO Nobel Fibers en een Documentatiecollectie WOII. Verder is het archief van het Militair Gezag Gelderland geraadpleegd. Het Militair Gezag (MG) was een orgaan dat in de bevrijde delen van Nederland een interimbestuur moest vestigen zolang er een oorlogstoestand heerste en de regering het gezag nog niet kon overnemen. Het MG hield zich onder meer bezig met het herstel en handhaving van de veiligheid en het weer op gang brengen van het maatschappelijk leven. Dit hield ook in, dat men zich bezighield met luchtbescherming, het herstellen van oorlogsschade, explosievenopruiming etc. Stukken omtrent deze onderwerpen kunnen relevant zijn voor het vooronderzoek.

139-019-VO-01

Pagina 15 van 72

2.5.2

NATIONAAL ARCHIEF

In het Nationaal Archief (NA) is archief 2.04.53.15 Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946 geraadpleegd. De Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen werd naar aanleiding van de Wet tot Bescherming van de Bevolking tegen Luchtaanvallen, die in 1936 in werking trad, opgericht. De taak van dit overheidsorgaan was de gemeentelijke activiteiten op dit terrein te begeleiden en te controleren. Toen in 1942 de Duitse bezetter de wet verving door de Luchtbeschermingsverordening kwam de luchtbescherming sterker onder controle te staan van de bezetter. De archiefstukken beslaan diverse onderwerpen betreffende de luchtbeschermingsdienst, waaronder door gemeenten ingestuurde rapporten betreffende Geallieerde luchtactiviteiten. Tevens is archief 2.13.210 Commissie van Proefneming met hierin opgenomen afgedwaalde archiefbescheiden van onderdelen van de Artillerie-Inrichtingen en Artillerie onderdelen, (1814-) 1867-1942 geraadpleegd. De Commissie van Proefneming (CvP) was een instelling die zich bezighield met proeven betreffende wapens en artilleriegeschut. In de archiefstukken zijn ook staten opgenomen betreffende plaatsen waar mogelijk onontplofte projectielen zijn gevonden, die wel of niet geruimd zijn, in het begin van de oorlog.

Ook 2.13.71 Archieven van het Ministerie van Defensie te Londen [1940-1941]; Ministerie van Oorlog te Londen [1941-1945]; Departement van Oorlog: Bureau Londen [1945-1947], (1933) 1940-1947 (1974) is geraadpleegd met betrekking tot mogelijk relevante gegevens voor het onderzoeksgebied. Dit betreft het archief van het ministerie van Defensie (later Oorlog) dat vanaf 14 mei 1940 in Londen was gevestigd. Het hield zich onder meer bezig met luchtvaart, militaire operaties en inlichtingen uit Nederland. Ook een onderzoek naar het verloop van de Meidagen van 1940 en de voorbereiding van de terugkeer naar Nederland behoorde tot het takenpakket. Het Bureau Londen hield zich na de bevrijding bezig met de afwikkeling van zaken in Engeland, waarna het in 1947 werd opgeheven. In het NA is het tot slot het archief 2.04.110 Korps Hulpverleningsdienst van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, 1945-1974 geraadpleegd. Het Korps Hulpverleningsdienst (HVD) nam vanaf juli 1947 de taken van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D.) over. Eind juli 1947 werd de H.V.D. verantwoordelijk voor het ruimen van explosieven die in de civiele sector werden aangetroffen en vanaf januari 1948 ook voor het ruimen op militaire objecten en terreinen. In 1971 werd de taak van de H.V.D. overgedragen aan de EOD.

14 Door middel van het raadplegen van delen van het archief van de Hulpverleningsdienst is getracht inzicht te verkrijgen in mogelijke ruimingen van CE in de periode van ca. 1947 tot en met het begin van de jaren ’70 van de vorige eeuw. 2.5.3

NIOD INSTITUUT VOOR OORLOGS- HOLOCAUST- EN GENOCIDESTUDIES

In het NIOD is het archief van ‘Generalkommissar für das Sicherheitswesen en Höhere SS- und Polizeiführer’ Hanns Albin Rauter (1892-1949), die was belast met ‘de openbare orde en veiligheid’ in 14 J. van Woensel, Vrij van explosieven. De geschiedenis van het EOCKL en zijn voorgangers, 1944-2004 (Meppel 2004) 107

en 142.

139-019-VO-01

Pagina 16 van 72

Nederland, en het archief van het Departement van Justitie tussen 1940 en 1945 geraadpleegd, respectievelijk archief 077 Generalkommissariat für das Sicherheitswesen (Höhere SS-und Polizeiführer Nord-West), (1938) 1940-1945 en 216k Departement van Justitie (1935) 1940-1945 (1950). 2.5.4

NEDERLANDS INSTITUUT VOOR MILITAIRE HISTORIE

De collectie 575 Duitse verdedigingswerken en inundaties van Nederlands Grondgebied in de oorlog / Rapporten van militaire aard vanuit bezet Nederland aan Bureau Inlichtingen Londen (collectie 575) 1940-1945 van het Nederlands Instituut voor Militaire Historie (NIMH) in Den Haag is geraadpleegd. 2.5.5

THE NATIONAL ARCHIVES (LONDEN)

De vluchtgegevens (Daily Logs) van de Geallieerde Second Tactical Air Force (2nd TAF), een onderdeel van de Royal Air Force (RAF), zijn bestudeerd op relevante informatie. De vluchtgegevens uit de Daily Logs met de daarin aangehaalde coördinaten zijn door middel van geallieerde stafkaarten herleidbaar naar een locatie. Een met vier cijfers aangeduid coördinaat uit het zogeheten Nord de Guerre coördinatenstelsel beslaat een kaartvierkant van 1000 bij 1000 meter. Indien een locatie met zes of acht cijfers wordt aangeduid, is het mogelijk een specifiekere positie binnen het desbetreffende kaartvierkant aan te geven. Opgemerkt dient te worden dat door verschillende oorzaken de coördinaataanduidingen, informatie over bommenlast en gevechts- of bombardementsbeschrijvingen af kunnen wijken van de werkelijke gebeurtenissen en locaties. Derhalve wordt deze bron enkel als aanvullende bron bij overige indicaties gebruikt (bij voorkeur in combinatie met luchtfoto’s). ECG beschikt tevens over War Diaries van Canadese eenheden die de omgeving van het onderzoeksgebied hebben bevrijd. In de War Diaries kan met Nord de Guerre coördinaten worden verwezen naar locaties waar oorlogshandelingen hebben plaatsgevonden.

139-019-VO-01

Pagina 17 van 72

2.5.6

THE NATIONAL ARCHIVES AND RECORDS ADMINISTRATION (WASHINGTON)

ECG beschikt over diverse archiefdelen uit The National Archives and Records Administration in Washington (NARA II). In deze archieven is informatie te vinden over door de Amerikaanse luchtmacht uitgevoerde luchtaanvallen op Nederlands grondgebied. Daarnaast zijn er gegevens te achterhalen met betrekking tot het type vliegtuig, de bommenlast en de gebruikte ontstekingsmechanismen. 2.5.7

BUNDESARCHIV-MILITÄRARCHIV

Het Militärarchiv is een onderdeel van het Duitse Bundesarchiv en is gehuisvest in Freiburg im Breisgau. Deze instelling beheert onder meer het archiefmateriaal en documenten van de Duitse strijdkrachten en het Ministerie van Defensie. Uit de periode van het Deutsches Reich 1933-1945, beheert het onder meer de archieven van de Reichswehr, Wehrmacht en Waffen-SS. Opgemerkt dient te worden dat de archieven door verschillende oorlogsactiviteiten ernstig hebben geleden. De schade aan de collecties wordt als volgt omschreven door het Militärarchiv: “Die Überlieferungen aus der Zeit bis 1945 haben durch Kriegseinwirkungen erhebliche Verluste erlitten. Die Unterlagen der zentralen Dienststellen der Wehrmacht und der Heeresführung, der Dienststellen und der Truppen des Heeres unterhalb der Divisionsebene sowie der Luftwaffe und der Waffen-SS sind weitgehend verlorengegangen. Dagegen haben die Masse der Kriegstagebücher der Kommandobehörden des Heeres und der Divisionsstäbe bis 1943 sowie das Archivgut der Marine den Krieg überdauert. Ebenso blieb das Archivgut der wehrtechnischen Einrichtungen und Dienststellen der Wehrmacht nahezu vollständig erhalten. Der größte Teil der Akten der Preußischen Armee wurde 1945 mit dem Brand des Heeresarchivs Potsdam vernichtet.” 15 ECG heeft de beschikking over een aantal Lageberichten van de Duitse Luftwaffenführungsstab uit de periode 1940-1941.

In deze rapporten, die per dag werden opgesteld, werd informatie verzameld omtrent de voortgang van de strijd in de verschillende oorlogsgebieden.

15 https://www.bundesarchiv.de/DE/Content/Artikel/Benutzen/Hinweise-zur-Benutzung/benutzen-hinweise-militaerische-

unterlagen.html (geraadpleegd: november 2018).

139-019-VO-01

Pagina 18 van 72

2.6

GEMELDE EN GERUIMDE EXPLOSIEVEN EOD EN M.M.O.D.

ECG heeft de ruimingen van Conventionele Explosieven in of nabij het onderzoeksgebied uit het archief van de Explosieven Opruimings Dienst Defensie (EOD) te Soesterberg bestudeerd. De EOD is eigenaar van twee archieven: het Mijnenveldregister en het archief met de ‘Uitvoeringsopdrachten (UO’s)’ – ook betiteld als ‘Melding Opdracht Ruimrapportage Afdoening (MORA’s)’; de zgn. ruimrapporten. Dit laatstgenoemde archief bevindt zich in het Semistatisch archiefdiensten Ministerie Defensie (SSA) te Rijswijk. Een nadeel van deze bron is dat deze niet volledig is: over de meldingen/ruimingen tussen 1940-1944 en 1947/1948-1971 zijn bij de EOD en het SSA nauwelijks gegevens beschikbaar. 2.6.1

ARCHIEF UITVOERINGSOPDRACHTEN EXPLOSIEVEN OPRUIMINGSDIENST DEFENSIE

ECG heeft een overzicht van de UO’s/MORA’s van het onderzoeksgebied en het omliggende gebied van de EOD ontvangen. 16 De omschrijvingen van de locaties zijn inclusief spelfouten en dergelijke letterlijk overgenomen. Uit de praktijk is gebleken dat door de EOD en haar voorgangers het dichtstbijzijnde adres in de omgeving van de vindplaats als locatie aanduiding wordt gehanteerd. Dit kan betekenen dat het gemelde of geruimde object op een locatie (bijvoorbeeld in akkerland achter het vermelde adres) is gevonden zodat naderhand slechts bij benadering de locatie kan worden aangegeven. Om de door de EOD opgegeven adressen en plaatsaanduidingen te lokaliseren is door ECG gebruik gemaakt van Google Earth & Maps. Er heeft geen controle plaatsgevonden of de hieraan ontleende adresgegevens corresponderen met mogelijk in de loop van de jaren veranderde huisnummering, straatnamen of perceelindelingen. Verder zijn te globale locatieaanduidingen en ruimingen waarbij geen CE zijn aangetroffen (bijvoorbeeld “schroot”) niet meegenomen. MELDING NR.:

DATUM:

LOCATIE:

AANGETROFFEN:

19730907

26-4-1973

1 x rookgranaat van 2” mortier

19732518 19741653 19760631

7-6-1974 18-3-1976

Velperweg 32B. Arnhem. Achter schutting. Beeldhouwerstraat 69, Arnhem Merwedestraat, Arnhem Vosdijk, Arnhem. Bij tennisbaan.

19831848 19890786 19890967

10-4-1989

19892110

-

19892017

19-6-1989

19920453

2-3-1992

19962342

11-11-1996

7x RKG v 25 ponder, leeg 1 x handgranaat nr 1 scherf (Oud-Hollands) 1 x brisantgranaat van 25 ponder met schokbuis Langs spoorlijn A-Z in volkstuin 1x Rkg ... van 25 pr Oude Velperweg, Arnhem 1x bg v 75 mm, m/sb M48 serie, verschoten Rijbaan Velperweg, Arnhem. Ligt 1 x brisantgranaat van 25 ponder met midden op de rijbaan. schokbuis Maria van Gelrestraat 97, 1x hgr mills 36 Arnhem Merwedestraat, Arnhem. Nabij 1 x brisantpantsergranaat van 5 cm zonder speelterrein bodembuis Schavenmolenstraat, Arnhem 1 x brisantgranaat van 25 ponder met schokbuis no 119, verschoten Velperweg, Arnhem 1 x brisantgranaat van 25 ponder met schokbuis no 117, verschoten

16 Om een zo nauwkeurig mogelijk beeld te kunnen schetsen of een gebied bloot heeft gestaan aan een bepaald soort

oorlogshandelingen (grondgevechten, beschietingen, bombardementen etc.), hanteert ECG een afbakening van ca. 250 meter rondom het onderzoeksgebied bij het aanvragen van de meldings- en ruimrapporten.

139-019-VO-01

Pagina 19 van 72

MELDING NR.:

DATUM:

LOCATIE:

AANGETROFFEN:

20010139

2-2-2001

Beeldhouwerstraat 69, Arnhem

20010143 20061148

5-2-2001 19-7-2006

Beeldhouwerstraat 69, Arnhem Presikhaaf park, Arnhem

1 x lichtgranaat van 2” mortier zonder grondkardoes Zelfde melding als 20100139. 1 x brisantgranaat van 3,7” met restant tijdschokbuis, verschoten.

Tabel 2: Meldingen en ruimingen van mogelijke conventionele explosieven in (de omgeving van) het onderzoeksgebied door de EODD.

Uit het bovenstaande overzicht blijkt dat er na de oorlog op een aantal locaties in de omgeving van het onderzoeksgebied munitie is geruimd. Het gaat hoofdzakelijk om brisantgranaten. De vondsten kunnen niet tot het onderzoeksgebied worden herleid. 2.6.2

ARCHIEF M.M.O.D. SEMISTATISCHE ARCHIEFDIENSTEN MINISTERIE DEFENSIE RIJSWIJK

In het Semistatisch Archief van Defensie te Rijswijk bevindt zich eveneens het archief van de Mijn- en Munitieopruimingsdienst (M.M.O.D). Deze dienst was in de periode 1945-1947 verantwoordelijk voor het opruimen van mijnen en achtergelaten munitie. Het archief bestaat uit meldingen, kaarten, plattegronden en ruimingsrapporten uit diverse Nederlandse gemeenten. De achterhaalde indicaties uit deze archiefdelen zijn opgenomen in de indicatietabel in Hoofdstuk 3. 2.6.3

MIJNENVELDREGISTER

Na de oorlog zijn de mijnenvelden in Nederland (voor zover bekend) in kaart gebracht in zogenaamde “mijnenboeken”. Deze mijnenkaarten zijn in het bezit van de EOD. ECG heeft bij de EOD navraag gedaan of er voor de onderzoeksgebieden mijnenvelden zijn gedocumenteerd. Indien er mijnenvelden zijn geregistreerd, dan zijn deze met rood ingetekend op de kaart. Uit de door de EOD aangeleverde gegevens blijkt dat er geen mijnenvelden in het onderzoeksgebied zijn geregistreerd.

139-019-VO-01

Pagina 20 van 72

2.7

LUCHTFOTO INTERPRETATIE

Luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog kunnen een bruikbare bron vormen bij het vergaren van informatie betreffende de mogelijke aanwezigheid van Conventionele Explosieven. 2.7.1

DOEL VAN DE LUCHTFOTO INTERPRETATIE

Het primaire doel van de luchtfoto interpretatie is het vaststellen of een gebied zichtbaar betrokken is geweest bij oorlogshandelingen. Met andere woorden: zijn er sporen waarneembaar van kraters, stellingen (militaire werken), vernielde of beschadigde bebouwing en andere oorlogs-gerelateerde handelingen. Ten gevolge van deze constatering kan een inschatting worden gemaakt of er een verhoogde kans bestaat op het aantreffen van achtergebleven Conventionele Explosieven. Luchtfoto’s kunnen in de meeste gevallen als een betrouwbare bron worden geclassificeerd, waarmee tevens indicaties geografisch herleid en geverifieerd kunnen worden. 2.7.2

METHODIEK

Er zijn meerdere typen luchtfoto's, dit heeft onder andere te maken met de opnamehoek. De meest bruikbare voor interpretatie zijn de zgn. verticals. Het interpreteren van deze luchtfoto’s gebeurt op diverse manieren. Eenvoudig gesteld: de foto’s worden zo nauwkeurig mogelijk geanalyseerd op zichtbare verstoringen die mogelijk in verband staan met oorlogshandelingen. Een aantal van de geselecteerde foto’s heeft de overlapping en kwaliteit om het stereoscopisch interpreteren (creëren van diepte voor dimensionaal inzicht door middel van het gebruik beeldparen) mogelijk te maken. Vervolgens worden de luchtfoto's middels georeferentie en georectificatie in ArcGIS zo exact mogelijk gepositioneerd op een recente ondergrond om de resultaten van de luchtfotoanalyse te transponeren naar de hedendaagse situatie. 17 2.7.3

GRENZEN EN MOGELIJKHEDEN VAN LUCHTFOTO INTERPRETATIE

Het hanteren van luchtfoto’s bij explosievenonderzoek wordt sterk beïnvloed door een aantal kwaliteits- en randvoorwaarden:       

Beschikbaarheid van luchtfoto’s van het gebied; Opnamedata; Beeldkwaliteit; Opnamehoogte en (brandpunt van) de gehanteerde lens (schaal); Beschikbare neveninformatie (bijv. bombardements- en aanvalsdata); Ondersteunende technische mogelijkheden (bijv. analoge of digitale interpretatie-systemen); Ervaring van het uitvoerende personeel met interpreteren/analyseren.

17 Afhankelijk van de fotohoek (verticals - split verticals e.d.), vlieghoogte, de schaal, de gehanteerde fotolens, de

beeldkwaliteit, de stabiliteit tijdens de vlucht van het fotograferende vliegtuig, de beschikbare georeferentiepunten, hoogteverschillen in het landschap en de georectificatie, treden er tijdens de georeferentie van de verschillende foto’s afwijkingen (toleranties) van 5 meter tot maximaal 10 meter op.

139-019-VO-01

Pagina 21 van 72

Daarnaast blijft een luchtfoto een momentopname van een situatie die bijvoorbeeld een week, een maand of een jaar later totaal anders zou kunnen zijn. Het is mogelijk dat een bomkrater of een loopgraaf op de ene foto wel, maar op een eerdere of latere luchtfoto niet (meer) zichtbaar is. Tussentijdse herstel- en/of dempwerkzaamheden en camouflage kunnen een vertekend/onvolledig beeld geven. Bovendien kunnen bijvoorbeeld jaargetijden, bebouwing, schaduwwerking, wolken, puin, begroeiing en water een belemmerend effect hebben op het ontlenen van gegevens aan luchtfotografie. 2.7.4

INVENTARISATIE, SELECTIE EN INTERPRETATIE VAN HET GEHANTEERDE BEELDMATERIAAL

Voor dit onderzoek is er door ECG in samenwerking met de Luftbilddatenbank Dr. Carls GmbH een inventarisatie uitgevoerd van beschikbare luchtopnamen in de luchtfotocollecties van Wageningen University (WUR), de Topografische Dienst te Zwolle (TOPO), National Collection of Aerial Photography (NCAP) - The Aerial Reconnaissance Archives (TARA) te Edinburgh (Schotland), en het Laurier Military History Archive (LMHA) te Waterloo (Canada). In de tabel op de volgende pagina zijn de geanalyseerde luchtfoto’s opgenomen en is gemotiveerd waarom foto’s van bepaalde data zijn gebruikt. 18 De resultaten van de luchtfotoanalyse zijn verwerkt in de Indicatietabel in Hoofdstuk 3. In Paragraaf 3.2 zijn twee uitsnedes van luchtfoto’s ingevoegd waarop indicaties van oorlogshandelingen te zien zijn.

18 Bij de selectie van luchtfoto’s is rekening gehouden met: opnamedatum in relatie tot oorlogshandelingen, kwaliteit van

het fotobeeld en de schaal.

139-019-VO-01

Pagina 22 van 72

NR.: DATUM:

SORTIE NR.: SCHAAL (1:X): BEELDNUMMER(S):

1 2

15-10-1940 22-2-1944

3

17-9-1944

4 5 6 7 8 9 10 11 12

19-9-1944 2-10-1944 2-11-1944 19-11-1944 26-11-1944 29-11-1944 23-2-1945 15-3-1945 09-07-1945

13

19-7-1945

14

28-8-1945

H-332 SAV-44649 SAV-358C769 16-1208 400-1168 140-1186 F-704-R 16-1405 16-1430 16-1934 4-1965 3G-TUDS089 3G-TUDS321 106G-LIB285

KWALITEIT:

MOTIVATIE SELECTIE:

ARCHIEF: AANTAL: BEELDPAREN:

30.000 17.000

235, 236 1, 2, 5, 6

Matig Goed

Bombardement 27-6-1940. Bombardement 22-2-1944

NCAP NARA

2 4

1 1

25.000

1, 5

Goed

Bombardement 17-9-1944

NARA

2

-

9.000 15.000 16.000 18.000 10.800 22.000 16.000 7.600 40.000

3028 4015 3003, 4004 361, 364 4003 3210 4074 4012, 4014 5172

Goed Goed Goed Goed Goed Matig Goed Goed Matig

Frontperiode Frontperiode Frontperiode Frontperiode Frontperiode Frontperiode Frontperiode Frontperiode Naoorlogse situatie

TOPO NCAP NCAP NARA TOPO WUR TOPO WUR NCAP

1 1 2 2 1 1 1 2 1

-

40.000

5040

Matig

Naoorlogse situatie

NCAP

1

-

16.000

4087

Goed

Naoorlogse situatie

NCAP

1

-

22

2

TOTAAL Tabel 3: Overzicht van de geanalyseerde luchtfoto’s.

139-019-VO-01

Pagina 23 van 72

3 RESULTATEN INDICATIE-ONDERZOEK EN AFBAKENING 3.1

OVERZICHTSTABEL INDICATIES

In de onderstaande tabel zijn de gegevens opgenomen die zijn achterhaald uit de geraadpleegde literatuur, archiefdelen en luchtfoto’s. In de tabel wordt nagegaan of de indicaties voldoende herleidbaar en relevant zijn voor het onderzoeksgebied. DATUM:

LITERATUUR:

23-6-1940

Bombardement op Arnhem. Getroffen werd de Enkafabriek. 19

27-6-1940

Bombardement op 02.20 uur op Arnhem. Getroffen werd het spoorwegemplacement bij de Enkafabriek. 20

NATIONALE ARCHIEVEN:

Proces-verbaal “Ter plaatse gekomen bleek mij, dat op het afgaande spoor van de spoorlijn Arnhem-Emmerich nabij he blokhuis Velperbroek Aansluiting (VA), met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid door bommen neergeworpen vanuit een vliegtuig, op twee plaatsen de rails waren vernield. In het talud van die spoorlijn aan de noordzijde en in een daaraan grenzende droge sloot, zijn, te oordelen naa de daar gevormde trechters, drie bommen terecht gekomen. Tengevolge hiervan waren 3 groote gaten met een diameter van ongeveer 8 meter en een diepte van ongeveer 2 ½ meter in den grond geslagen. Tevens is een bom gevallen achter perceel Spijkerstraat 315, op ongeveer 5 meter vanaf den achtergevel van dat perceel. Tengevolge van het ontploffen dezer bommen zijn in de Schavenmolenstraat alhier en de diverse daaraan grenzende straten grootendeels de ruiten vernield, terwijl tevens een hoeveelheid dakpannen van die perceelen werd vernield. (…) Ik, verbalisant, voeg hieraan toe dat de ramp heeft plaatsgevonden in het gedeelte der stad, begrensd dor de navolgende straten: de Adolf van Nieuwenaarlaan, de Hoornestraat en het gedeelte van de Spijkerstraat, grenzende aan de spoorlijn Arnhem-Emmerich.” 21

INTERNATIONALE ARCHIEVEN:

Lagebericht 0221 Arnhem (Holland) Anzahl der Bomben: nicht gemeldet. Wirkung: nicht gemeldet. 24

VERMELDE INZET CE (EVT ONTSTEKINGTIJDSINRICHTING):

Afwerpmunitie Engels Brisant

RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED Herleidbaar tot het onderzoeksgebied, De melding wordt echter niet ondersteund door aanvullend bronnenmateriaal zoals literatuur, archiefbronnen of luchtfoto’s. Derhalve wordt de indicatie niet meegenomen in het onderzoek. Uit de archiefbronnen blijkt dat er bommen xijn gevallen in de omgeving van de krijsing van spoorwegen ten zuiden van het onderzoeksgebied, in de wijk Molenbeke en in de Spijkerstraat. Er zijn geen aanwijzingen dat er bommen in het onderzoeksgebied zijn gevallen. Op luchtfoto’s volgend op dit bombardement is geen schade aan het onderzoeksgebied te zien.

Melding Hoofd LBD Arnhem Vliegtuigen van onbekende nationaliteit werpen 6 bommen bij ontmoetingspunt spoorwegen naar 19 Eversteijn, T., Bombardementen en verongelukte vliegtuigen in de periode 10 mei 1940 – 5 mei 1945 (z.p. z.j.) 157. 20 Eversteijn, Bombardementen en verongelukte vliegtuigen, 163.

21 Nationaal Archief (NA), 2.04.53.15 Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946, 69-79 Meldingen en processen-verbaal ontvangen van gemeenten over geallieerde luchtactiviteiten, 1940-1941, Gelderland,

inv.nr. 73.

139-019-VO-01

Pagina 24 van 72

DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN:

INTERNATIONALE ARCHIEVEN:

VERMELDE INZET CE (EVT ONTSTEKINGTIJDSINRICHTING):

Schaal:

Beschrijving: Geen indicaties zichtbaar. Er zijn geen sporen van het bombardement in de nacht van 27 op 28 juni 1940 te zien. Geen indicaties zichtbaar. Raketten Engels 60lbs SAP

Zutphen en Westervoort, waarvan 3 op de spoorweg en 3 ernaast. Linker spoorlijn vernield. Achterhuis Spijkerstraat 315 gedeeltelijk ingestort. 22

Datum luchtfoto: 15-10-1940

Sortienummer:

Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen (..) Ten aanzien van de functionering van den Lbd deelde het Hld mij het volgende mede: Te ca 2.35 meldde de uitkijkpost hem (thuis) bominslag in de richting van de E.N.K.A. Hierop heeft het Hld de politie gebeld om nadere inlichtingen. Vervolgens meldde het wijkhoofd in de betrokken wijk zich telefonisch aan het Hld (thuis) present, onder mededeeling, dat het personeel reeds opkwam. 23 Fotonummer(s):

H-332

235, 236

30.000

22-2-1944 17-9-1944

SAV-446-49 Bombardement door achttien B-17’s op Arnhem. Getroffen werd Klarendal, het militaire kledingmagazijn (de blauwe kazerne) dat gevestigd was boven de Drie Gasthuizen in de Walstraat, de stadsschouwburg evenals het St. Catherinagasthuis, de Menno van Coehorn- en Sachsen Weimarkazerne, de Steenstraat, de Bloemstraat, het Roermondsplein, de wijk Heijenoord, een stenen barakkenkamp van de Duitsers aan de Koningsweg, Boekhorststraat, Maarten van Rossumstraat, Bachlaan, Graswinkelstraat 17, Hertogstraat, Verlengde Prümenlaan, Karthuizerstraat, Steenstraat, Johannaplein, Rosendaalsestraat, Willemsplein, Stalstraat, Beekstraat, Hoflaan, op het plein voor de oude AKU, Hofplein, Geert Grotestraat, Politiebureau, Boulevard Heuvelink, Sonsbeekweg, Bakenbergseweg, Amsterdamseweg, Izaäk Evertslaan, Tuinstraat en Burgers dierenpark, Het Broek, Alteveer, Angerestein, Beekstraat, de Meinerwijksepolder tegenover de Klingelbeek en de Malburgsepontveer. 25

1, 2, 5, 6

17.000 Daily Logs 2nd TAF 8 Typhoons 137 Squadron, 124 Wing Guns at E.765774-764771. Both positions hit. 64 R/P used. 27

RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED

-

Uit het bronnenmaterial blijkt dat er een raketbeschieting op Duitse stellingen heeft plaatsgevonden. Uit de omschrijvingen kan worden opgemaakt dat de stellingen ten zuiden van het onderzoeksgebied hebben gestaan. Op luchtfoto’s van 2 oktober 1944 zijn diverse inslagen te zien in de weilanden ten zuiden van het spoor, welke vermoedelijk zijn veroorzaakt door deze raketaanval. Alle waargenomen inslagen bevinden zich buiten het onderzoeksgebied. Derhalve wordt deze indicatie als niet relevant aangemerkt.

Mosquito Mk FBVI NS946 OM- van het No. 107 squadron te Arnhem Presikhaaf. 26 24 Bundesarchiv-Militärarchiv (BAMA), RL 2-II Generalstab der Luftwaffe/Luftwaffenführungsstab, Lageberichte Nr.292-Nr.298, 23. Juni 1940 - 29. Juni 1940, inv.nr. 211.

22 NA, 2.04.53.15 Archief van het Ministerie van Binnenlandse Zaken: Inspectie Bescherming Bevolking tegen Luchtaanvallen, 1937-1946, 69-79 Meldingen en processen-verbaal ontvangen van gemeenten over geallieerde luchtactiviteiten, 1940-1941, Gelderland, inv.nr. 73. 23 Nationaal Archief, 2.04.53.15, Gelderland, 73. 25 Eversteijn, 2167. 26 Eversteijn, 2174.

27 The National Archives (TNA), AIR 37 Air Ministry: Allied Expeditionary Air Force, later Supreme Headquarters Allied Expeditionary Force (Air), and 2nd Tactical Air Force: Registered Files and Reports, 2ND TACTICAL AIR FORCE: Daily log: Sept.- Oct., sheet 1590, inv.nr. 715.

139-019-VO-01

Pagina 25 van 72

DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN:

INTERNATIONALE ARCHIEVEN:

Datum luchtfoto: 17-9-1944 19-9-1944

Sortienummer:

Fotonummer(s):

Schaal:

SAV-358C-769 16-1208

1, 5 3028

25.000 9.000

2-10-1944

400-1168

4015

15.000

2-11-1944

140-1186

3003, 4004

16.000

19-11-1944

F-704-R

361, 364

18.000

26-11-1944

16-1405

4003

10.800

29-11-1944

16-1430

3210

22.000

23-2-1945

16-1934

4074

16.000

15-3-1945

4-1965

4012, 4014

7.600

12-4-1945

Troepen stonden in Westervoort klaar om Operation Anger te beginnen. (,,,) Daarna opende de artillerie massaal het vuur op Arnhem en het omliggende gebied. Het was duidelijk dat geen enkel risico werd genomen. Ruim zeventig stuks veldgeschut zorgden ook hier weer voor een rookgordijn, terwijl andere batterijen een hevig trommelvuur afgaven. Om de gedachten te bepalen: één batterij van 8 stukken schoot gedurende de eerste tien minuten niet minder dan 640 granaten af; de 25-ponders haalden een gemiddelde van 5 granaten per minuut; raketbatterijen – die stonden er ook bij – vuurden per salvo 350 projectielen tegelijk over de IJssel. 28

Daily Logs 2nd TAF 12 Typhoons 164 Squadron, 123 Wing 88 R/P and cannon on defence posn E.767778. A.R.T.A. House left burning. 29

Sortienummer:

Fotonummer(s):

Schaal:

Beschrijving:

3G-TUD-S089

5172

40.000

De luchtfoto is van lage kwaliteit.

Datum luchtfoto: 9-7-1945

28 Iddekinge, P.R.A. van, Arnhem 44/45: evacuatie, verwoesting, plundering, bevrijding, terugkeer (Arnhem 1981) 287-288. 29 TNA, AIR 37, sheet 3023, inv.nr. 715.

139-019-VO-01

Pagina 26 van 72

VERMELDE INZET CE (EVT ONTSTEKINGTIJDSINRICHTING): Beschrijving:

RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED

Geen indicaties zichtbaar. De foto dekt de oostelijke helft van het onderzoeksgebied. Geen indicaties zichtbaar. Ten zuiden van de spoorlijn zijn kraters zichtbaar. Gezien het spreidingspatroon en het aantal kraters zijn deze vermoedelijk afkomstig van de raketaanval door Typhoons op 17 september 1944. Hierbij werden stellingen ten zuiden van de spoorlijn Arnhem – Velp aangevallen. Alle waargenomen kraters bevinden zich buiten het onderzoeksgebied. Geen aanvullende indicaties zichtbaar. Geen aanvullende indicaties zichtbaar. Geen aanvullende indicaties zichtbaar. Geen aanvullende indicaties zichtbaar. Geen aanvullende indicaties zichtbaar. Aan de zuidzijde van de spoorlijn is in de spoordijk een loopgraaf aangelegd. Deze bevindt zich buiten het onderzoeksgebied. Geschutmunitie geallieerd 25 ponder (o.a. rook)

Alle inslagen buiten het onderzoeksgebied. Indicaie beoordeeld als niet relevant.

-

Bij de artilleriebeschietingen was ook het onderzoeksgebied een doelwit. Zie hiervoor de vuurplannen in de volgende paragraaf. Op deze kaarten staan de doelen voor de artillerie ingetekend. Deze indicatie duidt op artilleriebeschietingen op het onderzoeksgebied en is als relevant beoordeeld. De luchtaanval door Typhoons is niet herleidbaar tot het onderzoeksgebied. Indicatie relevant voor het

DATUM:

LITERATUUR:

NATIONALE ARCHIEVEN:

INTERNATIONALE ARCHIEVEN:

19-7-1945

3G-TUD-S321

5040

40.000

28-8-1945

106G-LIB-285

4087

16.000

17-9-1945 18-9-1943 z.d.

z.d.

De fabrieken te Arnhem aan de Tivolilaan en in de Kleefse Waard, herhaaldelijk centrum en mikpunt van gevechtshandelingen, werden in die zeven maanden tijd herschapen in onbruikbare, inwendig leeggeplunderde, uitwendig zwaar gehavende gebouwencomplexen. 33

Weekrapport Mijnploeg Een gedeelte van het terrein van de A.K.U. gechecked. Niets gevonden. 30 Weekrapport Mijnploeg Fabrieksterrein van de A.K.U. gechecked. Niets gevonden. 31 Lijst van beschadigde panden gelegen in de gemeente Arnhem waarvan de herstelkosten bedragen ca 3000 gulden of meer Novalaan 61-63: 7500.Novalaan 51: 2000.Plattenburgerweg 99, 101, 103: 3500.Tivolilaan 46, 52, 58, 60, 62, 102: 2000.- 32 Historie Akzo Nobel In het bijzonder de rayonfabrieken te Arnhem en Ede en de nieuwe rayonvezelfabriek in de Kleefse Waard bij Arnhem hebben het zwaar te verduren gehad, niet alleen door roof van meubilair en machines, materiaal en apparaten, maar ook door vele beschietingen en gevechten in en om de gebouwen. 34

RELEVANTIE ONDERZOEKSGEBIED onderzoeksgebied.

Indicaties relevant voor het onderzoeksgebied.

Er werden bij een zoekactie geen mijnen/explosieven aangetroffen. Er werden bij een zoekactie geen mijnen/explosieven aangetroffen. Indicatie relevant voor het onderzoeksgebied. De beschadigingen aan pande duiden op schade tengevolge van oorlogshandelingen. Relevant voor het onderzoeksgebied. De omschrijvingen duiden op oorlogshandelingen in het onderzoeksgebied.

Tabel 4: Overzichtstabel van indicaties met verwijzingen naar (de omgeving van) het onderzoeksgebied.

30 Gelders Archief (GA), 1037 Militair Gezag in Gelderland, 1941-1948, Dag- en weekrapporten betreffende het opruimen van mijnen en munitie, 1945, inv.nr. 261. 31 GA, 1037, inv.nr. 261.

32 GA, 2197 Secretarie Gemeente Arnhem 1940-1949, Inventarisatie van de oorlogsschade aan gebouwd onroerend goed, inv.nr. 62. 33 GA, 3018 Akzo Nobel Fibers, Publicaties m.b.t. historie en jubilea van Enka-bedrijven, inv.nr. 110. 34 GA, 3018, Publicaties m.b.t. historie en jubilea van Enka-bedrijven, inv.nr. 87.

139-019-VO-01

VERMELDE INZET CE (EVT ONTSTEKINGTIJDSINRICHTING): Er zijn enkele beschadigingen aan het fabrieksgebouw in het onderzoeksgebied te zien. De beschadigingen zijn toe te schrijven aan oorlogshandelingen tijdens de bevrijding in april 1945. Luchtfoto van matige kwaliteit. Geen aanvullende indicaties zichtbaar. Eerste luchtfoto van goede kwaliteit van de periode na de bevrijding van het onderzoeksgebied. Op deze luchtfoto zijn de beschadigingen aan de fabrieksgebouwen duidelijker zichtbaar dan op de vorige luchtfoto’s van juli 1945. Te zien is dat de daken van de fabriek op enkele plekken beschadigd zijn. In de omgeving van het onderzoeksgebied zijn diverse huizen verwoest.

Pagina 27 van 72

3.2 BEELDMATERIAAL EN LUCHTFOTO ANALYSE In de War Diaries van de Britse troepen die Arnhem in april 1945 mede hebben bevrijd, zijn vuurplannen van de Britse artillerie aangetroffen. De kaarten zijn gegeorefereerd in een GIS, waarmee deze op de huidige topografie zijn gelegd. De vuurplannen zijn overzichten van doelen die door de artillerie moesten worden beschoten. Hiervan kan worden afgelezen dat er in en in de nabijheid van het onderzoeksgebied diverse doelen waren aangewezen voor de Britse artillerie. De artillerie moest Arnhem beschieten voorafgaande aan de bevrijdingsoperatie Anger, waarmee Arnhem in april 1945 definitief werd bevrijd.

Figuur 6: Vuurplan van Operation Anger d.d. 11 april 1945. Bron: The National Archives, WO 171 War Office: Allied Expeditionary Force, North West Europe (British Element): War Diaries, Second World War, War Diary R.A., 1945 Jan.-Apr.inv.nr. 4235

139-019-VO-01

Pagina 28 van 72

Figuur 7: Vuurplan van Operation Anger d.d. 11 april 1945. Bron: The National Archives, WO 171 War Office: Allied Expeditionary Force, North West Europe (British Element): War Diaries, Second World War, War Diary R.A., 1945 Jan.-Apr.inv.nr. 4235

139-019-VO-01

Pagina 29 van 72

De onderstaande foto is afkomstig uit de Beeldbank van het Gelders Archief. De foto is genomen in juni 1945 en toont beschadigingen aan het ENKA complex. Een granaat is ingeslagen in de toren, te zien aan het grote gat bij het bovenste raam. Daarnaast zijn er diverse kogelgaten in de voorgevel waar te nemen. Verder zijn de daken aan de linkerzijde van de toren zwaar beschadigd en zijn alle ruiten gesprongen. Figuur 8: Foto van de ENKA toren, juni 1945. Bron: Beeldbank Gelders Archief, 1584 Fotocollectie Nico Kramer.

139-019-VO-01

Pagina 30 van 72

De volgende foto’s zijn genomen in de fabriek zelf. De fabriekshal is zwaar beschadigd.

Figuur 9: Oorlogsschade aan de ENKA fabriek. Bron: Beeldbank Gelders Archief, 1560 Fotocollectie Tweede Wereldoorlog.

139-019-VO-01

Pagina 31 van 72

De volgende foto betreft een opname van de Kernheimpoort, de spoortunnel in de huidige Beeldhouwerstraat. De Duitsers hebben diverse wapens achtergelaten, waaronder een mitrailleur, handgranaten, een panzerfaust en een trommel voor gasmaskers. In de muur is een kogel of ander projectiel ingeslagen.

Figuur 10: Achtergelaten wapens bij de Kernheimpoort, 1945. Bron: Beeldbank Gelders Archief, 1584 Fotocollectie Nico Kramer.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=27dd479e-bcbb-45bb-9fa8-aa094665800d