CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Sovon Rapport - Natuurbeheer- en zonerings-maatregelen voor 7 aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

Politieke Avond 5 april 2023, gemeente ArnhemBij agendapunt: 22.00 uur - 23.15 uur: Agenderingsverzoek "Recreatief gebruik buitengebied"19.871 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Natuurbeheer- en zonerings­ maatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Veluwe Hoofdrapport

Henk Sierdsema, Henk ten Holt, Susan Martens, Marijn Nijssen & Petra Verburg Sovon-rapport 2020/29

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Veluwe Hoofdrapport

Henk Sierdsema, Henk ten Holt, Susan Martens, Marijn Nijssen & Petra Verburg

Dit is het hoofdrapport voor het project ‘Soortenherstelprogramma beheerplan Natura 2000 Veluwe’ dat wordt uitgevoerd door Sovon Vogelonderzoek Nederland, Stichting Bargerveen en Bureau ZET in opdracht van de provincie Gelderland. Sovon-rapporten 2019/76 (soortprofielen) en 2020/32 (achtergrond) maken onderdeel uit van deze rapportage.

Colofon © Sovon Vogelonderzoek Nederland 2020 Dit rapport is samengesteld in opdracht van de Provincie Gelderland Wijze van citeren: Sierdsema H., ten Holt H., Martens S., Nijssen M. & P. Verburg. 2020. Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe. Bouwstenen Soortenherstel Beheerplan Natura 2000 Veluwe. Hoofdrapport. Sovon-rapport 2020/29. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen. Illustratie omslag: Hoge Veluwe, Henk Sierdsema; Boomleeuwerik, Saxifraga-Kees van Berkel Opmaak: John van Betteray, Sovon Vogelonderzoek Nederland ISSN-nummer: 2212 5027 Sovon Vogelonderzoek Nederland Toernooiveld 1 6525 ED Nijmegen e-mail: info@sovon.nl website: www.sovon.nl Niets uit dit rapport mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar worden gemaakt d.m.v. druk, fotokopie, microfilm, of op welke andere wijze dan ook, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van Sovon.

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

Inhoud Samenvatting

3

1. Inleiding

5

2. De basis op orde 2.1. Inleiding 2.2. Actualisatie kennis over ecologie, knelpunten en maatregelen 2.3. Analyse verspreiding, dichtheden, leefgebieden en populatieverdeling 2.3.1. Inleiding 2.3.2. Potentiele verspreiding en geschiktheid leefgebied 2.3.3. Van geschiktheid leefgebieden naar werkelijke dichtheden

9 9 9 11 11 11 11

3. Beheermaatregelen en hun effectiviteit 3.1. Inleiding 3.2. Onderzoekstappen 3.3. Beheertypologie en beheertypenkaart Veluwe 3.3.1. Beheertypologie: welke beheertypen zijn relevant? 3.3.2. Beheertypenkaart Veluwe: waar ligt het en hoeveel ervan is er? 3.4. Welke toestand en beheermaatregelen zijn gewenst in de beheertypen? 3.5. Inschatting effect gewenste beheermaatregelen 3.6. Effect gewenste beheermaatregelen op de populatie-ontwikkeling

13 13 13 13 13 13 15 18 18

4. Beheermaatregelen: waar en door wie? 4.1. Inleiding 4.2. Onderzoeksstappen 4.3. De meest relevante grondeigenaren/beheerders 4.4. Waar en door wie zijn beheermaatregelen nodig? 4.5. Uit te voeren maatregelen bij optimaal beheer

21 21 21 22 22 25

5. Verstoring, zoneringsmaatregelen en effectiviteit 5.1. Inleiding 5.2. Onderzoeksstappen 5.3. Kaarten met gewenste zonering per soort 5.4. Gewenste recreatiezonering voor de zeven soorten 5.5. Doorrekenen effect optimale recreatiezonering 5.6. Algemene randvoorwaarden voor geslaagde zonering

27 27 27 28 28 28 30

6. Effectiviteit twee sporen voor soortenherstel 6.1. Inleiding 6.2. Natura 2000-doelbereik door natuurbeheermaatregelen 6.3. Natura 2000-doelbereik door gewenste zoneringsmaatregelen 6.4. Gecombineerd effect van beide sporen

33 33 33 33 34

7. Kostenraming beheermaatregelen 7.1. Inleiding 7.2. Ontwikkeling normkostentabel 7.3. Inschatting kosten beheermaatregelen per locatie 7.4. Inschatting totale kosten beheermaatregelen Veluwebreed

35 35 35 35 35

8. Hoofdconclusie en nabeschouwing 8.1. Inleiding 8.2. Hoofdconclusie 8.3. Aanbevelingen

37 37 37 37 1

Sovon-rapport 2020/29

Literatuur

39

Bijlagen bij het hoofdrapport Bijlage 1. Lijst van deskundigen Bijlage 2. Maatregeltabel Bijlage 3. Geschiktheidskaarten Bijlage 4. Populatieverdeling over de geschiktheidsklassen Bijlage 5. Beheertypen, gewenste maatregelen en effecten Bijlage 6. Kaarten met gewenste (recreatie)zonering per soort Bijlage 7. Kosten maatregelen Bijlage 8. Toelichting bij de kostenraming Bijlage 9. Digitaal opgeleverde bestanden

40 41 42 44 51 52 55 61 62 63

Stuivend zand is van groot belang voor het voortbestaan van stuifzanden. In het open zand zelf broeden echter weinig vogels (Het Nationale Park de Hoge Veluwe, Henk Sierdsema)

Nest van een Boomleeuwerik in het Kootwijkerzand. De Boomleeuwerik broedt op de grond en is mede daardoor erg gevoelig voor verstoring (mei 1988, scan van een dia, Henk Sierdsema). 2

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

Samenvatting Ten behoeve van het beheerplan van het Natura 2000-gebied Veluwe is door de provincie Gelderland verzocht om bouwstenen aan te leveren voor een soortenherstelprogramma voor zeven van de tien vogelsoorten waarvoor instandhoudingsdoelstellingen gelden voor Natura 2000-gebied Veluwe. Het gaat om de soorten waarvan in het Beheerplan is vermeld dat deze zich onder of rond het doel bevinden. Van deze zeven soorten heeft alleen de Nachtzwaluw op dit moment landelijk een gunstige staat van instandhouding en voldoet de populatie op de Veluwe aan de instandhoudingsdoelen: de aantallen zitten ruim boven het doel en de aantalsontwikkeling in de afgelopen tien jaar is (zeer) positief. Van twee soorten die geheel of grotendeels afhankelijk zijn van bossen, Wespendief en Zwarte Specht, ligt de huidige populatieomvang in lichte mate onder de doelpopulatie en is bovendien sprake van lange termijn populatieafname. Hoewel de populatie van de Draaihals momenteel nog ver onder die van het aanwijzingsbesluit ligt, is de laatste jaren weer sprake van een populatieherstel. De populatie van de Boomleeuwerik ligt nu ruim onder het doel en blijft afnemen: dit wijkt af van gebieden elders in Nederland waar de soort stabiel is of toeneemt. Dit wijst erop, dat specifieke omstandigheden op de Veluwe tot de afname van de Boomleeuwerik hebben geleid.

Twee soorten, Tapuit en Duinpieper, zijn als broedvogel nagenoeg verdwenen resp. verdwenen van de Veluwe; voor de terugkeer van deze soorten is habitatherstel nodig.

de Veluwe gemaakt met een indeling van het leefgebied in een beperkt aantal geschiktheidsklassen. Van elke klasse is daarna bepaald wat de dichtheid in paren per km2 was rond 1990 en rond 2015. Met behulp van deze informatie is vervolgens voor elke beheerder met meer dan 100 ha grond op de Veluwe in beheer, aangegeven welk deel van de populatie in hun terreinen voorkwam rond 1990 en rond 2015. Met soortspecifieke beheermaatregelen kan er voor worden gezorgd dat de habitatkenmerken in de vorm van vegetatiesamenstelling, boomsoortensamenstelling en structuurkenmerken zo gunstig mogelijk worden. Voor elke soort is in beeld gebracht welke maatregelen en kenmerken kunnen bijdragen aan populatieherstel. Voor de hele Veluwe is vervolgens in beeld gebracht wat de meest ideale terreinkenmerken zijn voor de zeven soorten en welke beheermaatregelen daar bij horen. Alle zeven soorten zijn in bepaalde mate gevoelig voor verstoring door recreatie, militair gebruik en het verkeer. Dit geldt in het bijzonder voor de soorten van open gebied: Duinpieper, Tapuit en Boomleeuwerik. (Recreatie)zoneringsmaatregelen zijn voor deze soorten een belangrijk hulpmiddel bij het populatieherstel. Maar ook voor de andere soorten dragen zoneringsmaatregelen bij aan populatieherstel.

Voor de zes van de zeven soorten die zich onder de instandhoudingsdoelstelling bevinden is daarom in beeld gebracht in hoeverre verstoringszonering kan bijdragen aan het populatieherstel.

Het behoud en/of herstel van vogelpopulaties op de Veluwe berust op drie pijlers (sporen): 1) herstel van de bodemkwaliteit 2) beheermaatregelen 3) terugdringen van verstoring

Tenslotte is berekend in hoeverre beheermaatregelen en zoneringsmaatregelen, afzonderlijk en gezamenlijk, kunnen bijdragen aan het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de zeven soorten, en is een globale raming van de uitvoeringskosten van de beheermaatregelen gemaakt.

In dit rapport wordt ingegaan op de effecten van beheermaatregelen en van verstoringszonering op de zeven Natura 2000-soorten. Verbetering van de bodemkwaliteit is voor de meeste soorten nodig voor het duurzaam bereiken van de doelstellingen, maar valt buiten het bestek van dit project. In de nabeschouwing in hoofdstuk 8 doen we hiervoor een suggestie voor een no regret-maatregel die op korte termijn kan worden getroffen.

Resultaten van het onderzoek Van de zeven soorten bevindt zich momenteel alleen de populatie van de Nachtzwaluw ruim boven het instandhoudingsdoel en is sprake van een positieve trend. Voor de overige zes soorten zijn extra maatregelen nodig om populatieherstel te bevorderen.

Met behulp van broedvogelkarteringen uit de periode 1988-2018 is voor elke soort in beeld gebracht wat de meest en minst belangrijke deelgebieden waren of zijn. Naast een gedetailleerde verspreidingskaart is voor elke soort een geschiktheidskaart van 1

In de tabel (zie volgende pagina) is voor de 7 soorten het gecombineerde effect op de populatie (‘verschil %’) van de gewenste natuurbeheer- en zonerings-

De soort is opgenomen in de lijst van zeven soorten omdat volgens het Beheerplan de soort onder de populatiedoelstelling zou zitten.

3

Sovon-rapport 2020/29 Soort Wespendief Nachtzwaluw Draaihals Zwarte Specht Boomleeuwerik Tapuit Duinpieper

Huidige populatie

Verschil (%)

94 1000 40 390 1700 9 0

22 28 58 23 68 123 n.v.t.

Toekomstige populatie 115 1276 63 480 2862 20 0

maatregelen weergegeven. Het gecombineerde effect – de berekende toekomstige populatie - is daarin ook afgezet tegen de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten.

Doel 100 610 ‘hervestiging’ 400 2400 100 hervestiging

recht als doel hervestiging vermeld. Er wordt in de praktijk naar een duurzame populatie gestreefd. Wanneer voor de Draaihals wordt uitgegaan van een populatieomvang van 100 paar zoals geformuleerd in het gebiedendocument van 2006 zijn de maatregelen van het tweede en derde spoor niet voldoende om een dergelijke doelpopulatie te bereiken, maar dragen daar wel aan bij. In tegenstelling tot Duinpieper en Tapuit lijkt herstel van de populatie momenteel een reële optie indien op alle drie de sporen wordt ingezet.

Met het gecombineerd treffen van de maatregelen uit spoor 2 en 3 kunnen de doelpopulaties voor drie van deze zes soorten worden behaald: dit zijn Boomleeuwerik, Wespendief en Zwarte Specht. Voor de Boomleeuwerik leidt dit waarschijnlijk tot een duurzame populatie, maar dat is minder waarschijnlijk voor Wespendief en Zwarte Specht omdat hiervoor waarschijnlijk ook het eerste spoor (herstel van bodemkwaliteit) van belang is voor duurzaam populatieherstel.

De kosten van de noodzakelijke beheermaatregelen voor spoor 2 bedragen ruim elf miljoen per jaar. Een groot deel van deze kosten zijn echter nu al verwerkt in bestaande SNL-beheervergoedingen. Wanneer de nadruk wordt gelegd op prioritaire, en vaak additionele maatregelen, dan bedragen de extra beheerkosten ca. 1,5 miljoen euro per jaar. Naar verwachting kan hiermee al 70-90% van de doorgerekende te verwachten populatie-effecten worden bereikt.

Voor de overige drie soorten (Duinpieper, Tapuit en Draaihals) geldt dat, hoe belangrijk het treffen van de maatregelen voor deze soorten ook is, daarmee alleen het bereiken van de instandhoudingsdoelstelling nog niet in beeld is. De Duinpieper is als broedvogel verdwenen van de Veluwe (en elders in Nederland), terwijl de Tapuit ook bijna verdwenen is als broedvogel. Dit maakt allereerst hervestiging nodig, hetgeen met veel onzekerheden omgeven is. Herstel van de doelpopulatie van deze twee soorten lijkt op dit moment in de nabije toekomst dan ook niet waarschijnlijk. Voor de Draaihals is onte-

Het terugdringen van de verstoring is van belang voor alle soorten. Met name voor de Boomleeuwerik is deze van groot belang voor het bereiken van de doelpopulatie en mogelijk ook voor de hervestiging van Duinpieper en Tapuit. Maar ook voor de overige soorten draagt zonering bij aan populatieherstel.

Op de overgang van stuivend zand naar stuifzandheide is een zone te vinden met veel zandhaarmos, buntgras en korstmossen. Dit habitat is het belangrijkste broeden foerageergebied voor Duinpieper en Tapuit. Het is ook van grote betekenis voor de Boomleeuwerik. De vegetatie hier is erg gevoelig voor betreding (foto Saxifraga-Marijke Verhagen). 4

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

1. Inleiding Aanleiding onderzoek De provincie Gelderland is verantwoordelijk voor het bereiken van de natuur- en biodiversiteitsdoelstellingen in het Natura 2000-gebied Veluwe. Voor de Veluwe is daartoe een Natura 2000-beheerplan opgesteld dat op hoofdlijnen aangeeft welke maatregelen de provincie wil treffen.

in bijlage II van die richtlijn, en de vogelsoorten waarvoor Vogelrichtlijngebieden zijn aangewezen. In het Aanwijzingsbesluit voor de Veluwe zijn de Natura 2000-gebiedsdoelen voor de Veluwe opgenomen. Voor 18 habitattypen, zeven habitatsoorten en tien vogelrichtlijnsoorten van de Veluwe gelden instandhoudingsdoelstellingen. Daarbij gaat het om doelen als instandhouding, kwaliteitsverbetering of uitbreiding van bepaalde habitattypen (bijv. eikenbos of droge heide) en verbetering van het leefgebied van bepaalde soorten (bijv. Zwarte Specht).

Eén van die maatregelen is het opstellen en uitwerken van concrete herstelprogramma’s voor een aantal habitattypen en leefgebieden van vogelsoorten van de Veluwe. Uitvoering van de herstelprogramma’s moet op termijn leiden tot herstel, uitbreiding en kwaliteitsverbetering van habitattypen en het behalen van de instandhoudingsdoelstellingen voor de soorten op de Veluwe. Een belangrijk onderdeel van de herstelprogramma’s voor de Veluwe zijn de – nader te bepalen – maatregelen die kunnen of moeten worden getroffen voor zeven soorten van de Europese Vogelrichtlijn waarvoor de Veluwe is aangewezen als Natura 2000-gebied. De provincie heeft behoefte aan een aantal bouwstenen waarmee zij in staat gesteld wordt om tot een effectief en efficiënt herstelprogramma voor deze soorten te komen. Mede om te waarborgen dat zij hierbij gebruik maakt van de meest actuele wetenschappelijke kennis over de ecologie van de soorten, te treffen maatregelen in hun leefgebieden en de effectiviteit en kosten daarvan, heeft de provincie een consortium van Sovon, Stichting Bargerveen, Bureau ZET en Bosgroep Midden-Nederland een onderzoeksopdracht verstrekt. Voordat verder wordt ingegaan op de inhoud van de opdracht en de op te leveren bouwstenen, wordt eerst de context van de opdracht geschetst.

De Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn zijn in Nederlandse wetgeving geïmplementeerd (waaronder in de Wet natuurbescherming) en voor de Nederlandse situatie uitgewerkt (Natura 2000-doelendocument). Allereerst zijn nationale doelen voor habitats en soorten bepaald, gebaseerd op onder andere staat van instandhouding en internationaal belang. Voor habitats en soorten zijn op grond van de regels van beide richtlijnen gebieden aangewezen als Natura 2000-gebied en voor elk Natura 2000-gebied zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd, en zijn maatregelen uitgewerkt die per Natura 2000-gebied in een beheerplan zijn opgenomen. Voor elk Natura 2000-gebied wordt een beheerplan opgesteld, zo ook voor de Veluwe. Het beheerplan is te zien als een uitwerking van de instandhoudingsdoelstellingen voor het Natura 2000-gebied in omvang, ruimte en tijd. Het Natura-2000 beheerplan geeft aan waar de natuur verder wordt ontwikkeld zodat wordt voldaan aan de Natura 2000-doelstellingen. Om de instandhoudingsdoelstellingen te halen moeten habitats en leefgebieden worden uitgebreid en moeten knelpunten worden opgelost. In het beheerplan staat beschreven hoe de provincie Gelderland de doelen wil bereiken. Er zijn 3 beheerplanperioden van 6 jaar voorzien.

Context van de opdracht Met een omvang van bijna 90.000 hectare is de Velu­we één van de grootste natuurgebieden van Neder­land. De Veluwe is ook een zeer waardevol natuur­gebied met internationaal belangrijke natuur­ waarden. Daarom is de Veluwe ingevolge de Vogel­ richt­lijn en Habitatrichtlijn aangewezen als één van de 162 Nederlandse Natura-2000 gebieden.

Het Beheerplan Natuur 2000 Veluwe (december 2017) is begin 2018 vastgesteld door de provincie Gelderland, het Ministerie van LNV en het Natura 2000 is een Europees netwerk van waardevol- Ministerie van Defensie. Mede in verband met de le natuurgebieden. Het doel van Natura 2000 is om aanzienlijke omvang van de Veluwe is het Natura de natuurkwaliteit en soortenrijkdom (biodiversiteit) 2000-beheerplan een plan op hoofdlijnen en moein de natuur in heel Europa te behouden. De lidstaten ten nadere uitwerkingen worden gedaan zoals het van de Europese Unie hebben hiertoe afgesproken dat opstellen van herstelprogramma’s voor habitats en zij alle maatregelen nemen die nodig zijn om een gun- soorten. Hiervoor zijn in het beheerplan deze maatstige staat van instandhouding van soorten en habiregelen opgenomen: tattypen van communautair belang te realiseren. Het • M17 Opstelling herstelprogramma’s boshabitats betreft de habitattypen zoals opgenomen in bijlage I en boshabitatsoorten van de Habitatrichtlijn, de soorten zoals opgenomen • M18a Opstelling herstelprogramma’s voor soorten 5

Sovon-rapport 2020/29

van open habitattypen De vogelsoorten waarop het herstelprogramma voor boshabitats en – soorten (M17) zich richt zijn Wespendief, Draaihals en Zwarte Specht. Het herstelprogramma voor open habitattypen (M18a) richt zich op Nachtzwaluw, Boomleeuwerik, Duinpieper, Roodborsttapuit, Tapuit en Grauwe Klauwier. Instandhoudingsdoelstellingen en trends 7 vogelsoorten De onderzoeksopdracht richt zich niet op IJsvogel, Roodborsttapuit en Grauwe Klauwier omdat wordt aangenomen dat daarvoor geen specifieke herstelmaatregelen nodig zijn.

•

Voor de zeven overige soorten geeft onderstaande tabel een schatting van het aantal territoria in 19982000 en 2013-2015 en de populatietrend in de periode 1990 en 2018. De laatste kolom van de tabel geeft het Natura 2000-doel voor de Veluwe weer. Met uitzondering van Nachtzwaluw vertonen alle soorten op de Veluwe een afname en/of worden de doelen momenteel niet gehaald. Toelichting: • De Duinpieper is als broedvogel inmiddels helemaal uit Nederland verdwenen. Voor deze soort is hervestiging op de Veluwe het doel. • De Tapuit kende de achterliggende decennia een sterke afname zowel in Nederland als op de Veluwe. Er kwamen tussen 2013 en 2015 op de Veluwe nog maar zeer weinig broedparen voor, slecht 5 tot 10% van het Natura 2000-doel. Bij gericht onderzoek in 2018 werden geen broedgevallen meer gevonden op de Veluwe. In 2018 (en 2019) was nog wel een territorium aanwezig. • De Boomleeuwerik is de meest voorkomende van de zeven soorten, maar ook voor deze soort wordt

•

•

•

het doel niet gehaald. In het licht van de neergaande trend op de Veluwe, vormt de instandhoudingsdoelstelling een aanzienlijke opgave. Hoewel er sinds 2000 in Nederland ook sprake is van een afname, is de lange-termijntrend nog steeds positief. Op de Veluwe zijn zowel de korte- als langetermijntrend van de Boomleeuwerik negatief. Dat maakt extra duidelijk dat op de Veluwe specifieke maatregelen voor deze soort nodig zijn. Voor de Draaihals geldt op dit moment hervestiging als Natura 2000-doel voor de Veluwe. De instandhoudingsdoelstelling “hervestiging” is gebaseerd op misinterpretatie van trendinformatie. De Draaihals is op de Veluwe nooit weggeweest als broedvogel. In dit onderzoek gaan we uit van het streven naar een duurzame populatie van de Draaihals. In het gebiedendocument van november 2006 werd nog een instandhoudingsdoelstelling van ten minste 100 broedparen verwoord. Voor een duurzame populatie zijn ten minste 50 succesvol reproducerende broedparen noodzakelijk (IBN-DLO 1996, ‘Versnippering van de natuur in Nederland’). Een actualisatie van het instandhoudingsdoel bij actualisatie van het aanwijzingsbesluit is dan ook dringend gewenst. De Nachtzwaluw heeft de afgelopen jaren in Nederland als geheel en op de Veluwe een sterke toename laten zien. Het Natura 2000-doel voor de Nachtzwaluw wordt ruim gehaald. Aanvullende maatregelen lijken niet nodig.

Voor de Zwarte Specht geldt dat het doel niet meer gehaald wordt. Gezien de negatieve trend in de aantalsontwikkelingen zijn soortgerichte maatregelen noodzakelijk voor het behalen van de instandhoudingsdoelstelling. Voor de Wespendief is de situatie vergelijkbaar met die van de Zwarte Specht, maar komt de omvang van de huidige populatie bijna overeen met de instandhoudingsdoelstelling.

Tabel 1.1. Trends en instandhoudingsdoelstellingen vogelrichtlijnsoorten. Trend periode

Nederland 1998-2000 2013-2015 1990-2018*

Duinpieper Tapuit Boomleeuwerik Draaihals Nachtzwaluw Zwarte Specht Wespendief

25-30 600-800 5000-6000 > 50-65 950-1150 1100-1600 500-650

Veluwe ca. 1990 ca. 2015 1990-2018

0 verdwenen ±50 210-310 sterke afname ±110 4300-5300 toename* ±2500 35-75 Afname ±180 2500-3100 sterke toename ±400 700-1000 Afname ±450-500 360-440 Afname ±100-120

0 verdwenen 9** vrijwel verdwenen ±1700 afname ±40 sterke afname ±1000 sterke toename ±390 stabiel/afname**** ±95 afname

N2000-doel Veluwe Hervestiging 100 2400 ‘Hervestiging’*** 610 400 100

* Deze trend is gebaseerd op langjarige telreeksen geïndexeerd in 1990 en kan afwijken van de periodeschattingen 1998-2000 en 20132015 die zijn gebaseerd op atlasonderzoek. ** Getallen op basis van broedvogelmonitoring. Anno 2018 was de populatie verder afgenomen naar nul. *** Het hervestigingsdoel van de Draaihals is op basis van misinterpretaties tot stand gekomen. De soort is echter nooit verdwenen van de Veluwe. **** De BMP-trend toont geen significante afname, maar andere bronnen (grootschalige karteringen, vogelatlas) duiden op afname.

6

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

Afbakening opdracht: drie sporen voor soortenherstel: Zicht op de oorzaken van de achteruitgang van de soorten biedt handvatten om te komen tot herstel. Aan de (veelal) ongunstige populatieontwikkeling van zes van de zeven vogelsoorten in de afgelopen decennia liggen diverse en per soort (deels) verschillende oorzaken ten grondslag. De twee belangrijkste oorzaken zijn de jarenlange te hoge stikstofbelasting van het gebied waarvan de effecten stapelen in de bodem en de toegenomen verstoring door onder meer recreatie. Op basis hiervan zijn als de drie belangrijkste sporen voor soortenherstel te onderscheiden: 1. Herstel bodemkwaliteit: maatregelen om de, onder meer door stikstofdepositie, ernstig aangetaste kwaliteit van de bodem te herstellen2 (zie onder meer Vogels et al. 2006; ). 2. Natuurherstelmaatregelen: maatregelen in natuurterreinen gericht op herstel, inrichting en beheer van het leefgebied van de zeven soorten. 3. Zoneringsmaatregelen: maatregelen gericht op het beperken van de verstoring van de zeven soorten in hun leefgebieden.

Onderzoeksconsortium en betrokken experts Het onderzoek is uitgevoerd door een consortium bestaande uit Sovon, Stichting Bargerveen, Bureau ZET en Bosgroep Midden-Nederland. De projectleiding berustte bij Sovon. Naast de leden van het onderzoeksconsortium zijn tal van ecologische experts betrokken in het onderzoek. Een lijst van in het onderzoek betrokken deskundigen is opgenomen in bijlage 1. Karakter en doelgroep van het hoofdrapport In het kader van deze onderzoeksopdracht heeft uitvoerig en methodisch soms complex onderzoek plaatsgevonden. Dit hoofdrapport richt zich vooral op het presenteren en toegankelijk maken van de (tussen)producten van het onderzoek voor degenen die met de programmering aan de slag moeten (provinciemedewerkers) dan wel behoren tot de doelgroepen waarmee de provincie bij de programmering en uitvoering samenwerkt (grondeigenaren/ terreinbeheerders en gemeenten). Daarnaast wordt in een achtergrondrapport verslag gedaan van methodische aspecten en inhoudelijke onderdelen van het onderzoek die vooral voor een wetenschappelijk publiek relevant zijn.

Onderzoek naar herstel van bodemkwaliteit valt buiten het bestek van dit onderzoek. Dit onderzoek richt zich uitsluitend op het tweede en derde spoor: het aanleveren van bouwstenen voor het kunnen programmeren van natuurherstel- en zoneringsmaatregelen door de provincie.

In verband met de grote omvang van sommige tabellen, het grote aantal figuren en de onderliggende GIS-bestanden is het onmogelijk om alle onderzoeksresultaten en – producten volledig op te nemen in dit hoofdrapport. Bij het hoofdrapport horen diverse, separate digitale bestanden waarnaar verwezen wordt. Het hoofdrapport heeft vooral tot doel de weg te wijzen en de (tussen)producten te ontsluiten en toe te lichten. Een lijst met opgeleverde digitale bestanden is opgenomen in bijlage 9.

Voor het derde spoor geldt dat er verschillende belangrijke bronnen van verstoring zijn, waaronder recreatie, laagvliegende helikopters en snelwegverkeer. Het onderzoek heeft zich beperkt tot verstoring door recreatie omdat daarover relatief veel bekend is en er een duidelijk handelingsperspectief bestaat voor de opdrachtgever.

Overzicht (tussen)producten In de volgende hoofdstukken treft u de onderzoeksresultaten aan die bruikbaar zijn als bouwsteen voor het uitwerken van een soortenherstelprogramma, als onderdeel van de herstelprogramma’s voor (1) boshabitats en boshabitatsoorten en (2) soorten van open habitattypen, van het Beheerplan Natura 2000 Veluwe.

Naast de hier genoemde sporen zou nog gedacht kunnen worden aan ontsnipperingsmaatregelen. Dit soort maatregelen is echter niet nodig voor de hier besproken vogelsoorten. Doel en inhoud van de opdracht De verstrekte opdracht heeft tot doel om de provincie Gelderland bouwstenen aan te leveren voor twee herstelsporen – natuur- en zoneringsmaatregelen – zodat de provincie daarmee de noodzakelijke maatregelen voor herstel van 7 vogelsoorten kan programmeren. Belangrijk hierbij is dat de op te leveren bouwstenen gebaseerd worden op de meest actuele en beschikbare wetenschappelijke kennis en inzichten. 2

Achtereenvolgens gaat het om de volgende onderzoeksproducten: Hoofdstuk 2: Basis op orde o Actualisatie kennis over ecologie, knelpunten en maatregelen • Ecologisch Profielendocument • Factsheets zeven vogelsoorten • Kwalitatieve maatregeltabel

Vanzelfsprekend is daarnaast het terugdringen van de te hoge stikstofdepositie door het treffen van bronmaatregelen noodzakelijk.

7

Sovon-rapport 2020/29

o Analyse verspreiding, geschiktheid leefgebieden, dichtheden en populatieverdeling over de geschiktheidsklassen • Kaarten met de abiotische geschiktheid van de leefgebieden voor de zeven soorten • Broedpaardichtheden van de zeven soorten per geschiktheidsklasse van de leefgebieden • Populatieverdeling van de zeven soorten over de geschiktheidsklassen Hoofdstuk 3: Natuurbeheermaatregelen en hun effectiviteit o Beheertypologie en beheertypenkaart Veluwe o Gewenste beheermaatregelen/toestanden per beheertype o Kwantitatief effect gewenste beheermaatregelen/toestanden op de instandhoudingsdoelstellingen per beheertype o Kwantitatief effect gewenste beheermaatregelen/toestanden op populatie-ontwikkeling en Natura 2000-doelbereik Hoofdstuk 4: Natuurbeheermaatregelen: waar en door wie? o Eigendommenkaart Veluwe o Aandelen van de verschillende grondeigenaren in de populaties van de zeven soorten o Te treffen beheermaatregelen: waar op de Veluwe en door wie?

o Te contracteren maatregelen bij optimaal beheer Hoofdstuk 5: Verstoring, zoneringsmaatregelen en hun effectiviteit o Recreatiezoneringskaarten per soort o Combinatiekaart recreatiezonering voor alle soorten o Kwantitatief effect gewenste recreatiezonering op populatie-ontwikkeling en Natura 2000-doelbereik o Algemene randvoorwaarden voor geslaagde zonering Hoofdstuk 6: Effectiviteit van de twee sporen voor soortherstel o Kwantitatief effect gewenste beheermaatregelen/toestanden op populatie-ontwikkeling en Natura 2000-doelbereik o Kwantitatief effect gewenste recreatiezonering op populatie-ontwikkeling en Natura 2000-doelbereik o Gecombineerd kwantitatief effect van beheermaatregelen en recreatiezonering op populatieontwikkeling en Natura 2000-doelbereik - Hoofdstuk 7: Kostenraming beheermaatregelen o (Norm)kosten beheermaatregelen o Inschatting kosten per beheermaatregel en totaal

Op locaties waar veel gelopen wordt verdwijnt de begroeiing van zandhaarmossen. Zonering is daarom van belang om te zorgen dat er zowel open zand als zandhaarmosvegetaties aanwezig zijn in een stuifzandgebied (Kootwijkerzand, foto Saxifraga-Jelmer Reyntjes). 8

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

2. De basis op orde 2.1. Inleiding

nen om de situatie van de zeven vogelsoorten te verbeteren, aangevuld met enkele nieuwe maatregelen waar de soorten (potentieel) baat bij kunnen hebben

Voor uitvoering van het onderzoek waren twee voorbereidende stappen noodzakelijk. Deze zijn samen te vatten als: 1. Ecologisch-inhoudelijke actualisatie van de kennis over de ecologie, knelpunten en maatregelen voor de zeven soorten (paragraaf 2.2) 2. Analyse van huidig voorkomen van de soorten, de geschiktheid van de leefgebieden en de populatieverdeling over de geschiktheidsklassen (paragraaf 2.3)

Deze stap resulteerde in een aantal producten: • Een Ecologisch Profielendocument inclusief een overzicht van kennislacunes. Het Ecologisch Profielendocument is een zelfstandig leesbaar onderzoeksproduct dat vanwege de omvang als een afzonderlijk rapport is opgeleverd (zie: Nijssen et al. - 2019). • Zeven bondige factsheets per soort, gebaseerd op het Ecologisch Profielendocument. De factsheets bevatten de belangrijkste aspecten van de ecologie, knelpunten en te nemen maatregelen per soort. Ze zijn als zelfstandig leesbare, afzonderlijke producten bruikbaar en geschikt voor bredere communicatie dan bovengenoemd Profielendocument. De factsheets zijn separaat ter beschikking gesteld aan de opdrachtgever. • Een maatregeltabel: een kwalitatieve tabel met zowel bewezen effectieve als experimentele maatregelen voor de zeven vogelsoorten in de Natura 2000-habitattypen en leefgebieden. De hoofdlijnen van de tabel worden hieronder toegelicht. De volledige tabel is opgenomen in bijlage 2 van dit rapport.

Op beide voorbereidende onderzoeksstappen wordt hierna ingegaan. Dit hoofdstuk is vooral van belang voor diegenen die geïnteresseerd zijn in de onderbouwing en willen kunnen begrijpen hoe de onderzoeksresultaten in de hierna volgende hoofdstukken tot stand zijn gekomen. In de volgende hoofdstukken wordt geregeld naar de hier uitgewerkte tussenproducten verwezen.

2.2. Actualisatie kennis over ecologie, knelpunten en maatregelen Een eerste, belangrijke onderzoekstap vormde het actualiseren van de beschikbare kennis over de ecologie van de zeven vogelsoorten, de knelpunten die hun populatie-ontwikkeling negatief beïnvloeden en de (bewezen en experimentele) maatregelen waarmee de populatie-ontwikkeling (mogelijk) gunstig kan worden beïnvloedt. In deze stap heeft een update van de beschikbare ecologische kennis (inclusief noodzakelijk beheer) plaatsgevonden, uitmondend in actueel en wetenschappelijk onderbouwd inzicht in ecologie, knelpunten en bewezen en experimentele maatregelen voor de soorten. Hiermee is een belangrijke basis gelegd voor het vervolg van het onderzoek.

Toelichting Kwalitatieve maatregeltabel De ecologische actualisatie heeft geresulteerd in een tabel met een kwalitatieve inschatting van de effecten van mogelijk te treffen maatregelen per soort. Hieronder is in tabel 2.1 een selectie uit de tabel opgenomen (zie bijlage 2 voor de volledige tabel). In de inleiding (hoofdstuk 1) is benoemd dat in dit onderzoek zowel gekeken wordt naar de potentie van beheermaatrelen als van zoneringsmaatregelen. Beide typen maatregelen zijn in tabel 2.1 opgenomen. De tabel laat in één oogopslag zien wat de meer en minder effectieve maatregelen voor een specifieke soort zijn. Ook wordt duidelijk dat het effect van een maatregel per soort kan variëren.

Hiertoe is allereerst de in het verleden gedocumenteerde kennis van de ecologie van de zeven soorten (bron: Sierdsema et al. 2008) geactualiseerd door middel van literatuurstudie. Vervolgens zijn de actuele wetenschappelijke inzichten getoetst en aangevuld door soortdeskundigen. Dit heeft geresulteerd in een geactualiseerd overzicht van de ecologie van de zeven soorten én de knelpunten voor deze soorten, op de Veluwe en daarbuiten. Bij de knelpunten is vooral gekeken naar de eisen die soorten stellen aan nest- en schuilgelegenheid, voedselbeschikbaarheid en rust. In het verlengde hiervan zijn de al bekende maatregelen in het beheer van natuurterrei-

Bovenstaande kwalitatieve maatregeltabel is in volgende onderzoekstappen verder uitgewerkt, waarbij de effecten van de maatregelen ook gekwantificeerd zijn. Er is eerst gekeken naar het potentiële effect van natuurbeheermaatregelen (h. 3 en h. 4) en zoneringsmaatregelen (h. 5) afzonderlijk en vervolgens naar het gecombineerde effect (h. 6).

9

Sovon-rapport 2020/29 Tabel 2.1 Kwalitatieve effecten van maatregelen op het voorkomen van de 7 soorten.

Zwarte specht

Wespendief

Nachtzwaluw

Draaihals

Boomleeuwerik

Tapuit

Duinpieper

Doel en maatregel

doel populatie / verspreiding 400 doel oppervlak = doel kwaliteit =

100 = =

610 = =

her + +

2400 = =

100 + +

her + +

N2000 doelen

Open bodem

plaggen chopperen/omwerken eggen / zeven

Herstellen bodemkwaliteit

(+) (+)

(+) + (+)

+ (+) (+)

+ (+) +

+ (+) + ? ? ?

bekalking bekalking na plaggen (droog) steenmeel belemen Aanplant rijke strooiselsoorten

? ? ? ? ?

(+) (+) (+) (+) (+)

(+) (+) (+) (+) (+)

(+) (+) (+) (+) (+)

(+) (+) (+) (+)

(+) (+) (+) (+)

integrale begrazing gescheperde begrazing drukbegrazing branden heide maaien opslag verwijderen bos verwijderen voor corridors bos kappen (uitbrieding of windwerking) bos dunnen aangepast beheer bij dunnen/kappen kleine kapvlaktes maken

? ?

? ?

+ +

(+) +

+ +

+ +

Open vegetatie

Bosstructuur / Dood hout

?

(+) (+) + (+)

?

(+) (+) (+) (+) (+)

+ (+) (+) + + + + (+) (+)

ringen (naald)bomen stobben laten staan geen dunning uitvoeren kleine kapvlaktes maken grote kapvlaktes maken beschermen bosverjonging geen biomassa afvoeren

+ + + (+)

+

(+) ‐‐ (+) (+)

omzetten naaldbos in loofbos beuk terugdringen in eikenbos Bosrandbeheer exoten verwijderen aanleggen akkertjes

‐‐ ‐‐ (+) ?

(+) ?

+

handhaving recreatie op wegen en paden afsluiten gebieden recreatieluw maken gebieden Soortspecifieke maatregel*

+ + +

+ + +

+ + +

Kwaliteit habitattype

Lage recreatiedruk

(+) (+)

10

+ (+) (+) + + + (+) + (+)

+ (+) (+) + + +

(+) (+)

+ (+) (+) + + +

(+) (+) (+) (+) + + +

+ (+) (+)

(+)

+

(+)

(+)

+

+

(+) + + +

(+) + +

+ (+) (+)

+

Legenda: + bij doel oppervlak en doel kwaliteit: toename oppervlakte en verbetering kwaliteit van het habitat (biotoop) van de soort + elders in de tabel: positief effect verwacht op kwaliteit habitat voor deze soort (+) mogelijk positief effect op kwaliteit habitat voor deze soort -- negatief effect verwacht op kwaliteit habitat voor deze soort (-) mogelijk negatief effect op kwaliteit habitat voor deze soort ? effect onbekend *) soortspecifieke maatregel: ophangen van nestkasten voor Draaihals her: hervestiging

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

2.3. Analyse verspreiding, dichtheden, leefgebieden en populatieverdeling

geschiktheidskaart met lokale kwalificaties van het leefgebied voor die soort van meest geschikt tot ongeschikt. Ter illustratie is hieronder de betreffende kaart voor de Boomleeuwerik opgenomen. Kaarten van alle soorten zijn opgenomen in bijlage 33.

2.3.1. Inleiding Met behulp van broedvogelkarteringen uit de periode 1988-2018 is voor elke soort in beeld gebracht wat de meest en minst belangrijke gebieden voor de soort waren of zijn. Naast een gedetailleerde verspreidingskaart is voor elke soort een geschiktheidskaart van de Veluwe gemaakt met een indeling van het leefgebied in een beperkt aantal geschiktheidsklassen (zie paragraaf 2.3.2). Van elke klasse is daarna bepaald wat de dichtheid in paren per km2 was rond 1990 en rond 2015 (zie paragraaf 2.3.3). Tenslotte is berekend welk deel van de populatie in de verschillende geschiktheidsklassen voorkwam (zie paragraaf 2.3.4). Dit is gedaan om een beeld te krijgen van het relatieve belang van elke geschiktheidsklasse voor de soort, en om te bepalen of daarin wijzigingen zijn opgetreden in de loop van de tijd. Op basis van dit inzicht kan in latere onderzoekstappen bepaald worden wáár voor elke soort het best maatregelen kunnen worden getroffen. Ook kan hiermee het effect van die maatregelen op de populatieniveaus kwantitatief worden ingeschat.

Het is belangrijk op te merken dat ‘meest geschikt leefgebied’ hier begrepen moet worden als het leefgebied waarin nu (nog) het grootste aantal broedparen gevonden wordt. Het betekent niet dat de kwaliteit van het leefgebied hier optimaal is in de zin van ‘niet meer te verbeteren als leefgebied voor de soort’. De kwaliteit van alle leefgebieden op de Veluwe is op dit moment in meer of mindere mate aangetast en ook binnen het ‘meest geschikte’ leefgebied is verbetering van de kwaliteit mogelijk en nodig. NB: hoewel deze geschiktheidskaarten sterk lijken op de in 2008 gemaakte leefgebiedkaarten (Sierdsema et al. 2008) zijn ze niet bedoeld ter vervanging daarvan. Sinds 2008 hebben zich echter op de Veluwe lokaal biotoopwijzigingen voorgedaan die wel zijn verwerkt in de geschiktheidskaarten, maar nog niet in de leefgebiedkaarten. Een update van de leefgebiedkaarten is dan ook wenselijk. 2.3.3. Van geschiktheid leefgebieden naar werkelijke dichtheden Per geschiktheidsklasse van het leefgebied (ongeschikt tot meest geschikt) is vervolgens voor elke soort berekend wat de dichtheden in het verleden waren (30-40 jaar terug) en wat die heden ten dage zijn. Het gaat hierbij om gemiddelde dichtheden per geschiktheidsklasse gebaseerd op daadwerkelijke metingen in telgebieden.

Op basis van hiervan is tenslotte berekend welk deel van de populatie in de verschillende geschiktheidsklassen voorkwam. Dit is gedaan om een beeld te krijgen van het relatieve be-

2.3.2. Potentiele verspreiding en geschiktheid leefgebied De potentiele verspreiding van een soort is – naast andere factoren – in belangrijke mate afhankelijk van de abiotische geschiktheid van de omgeving voor de soort. Voor het in beeld brengen van de potentiële verspreiding van de zeven soorten op de Veluwe is daarom per soort een statistische analyse op basis van een regressiemodel uitgevoerd waarin gegevens zijn opgenomen over de historisch-cumulatieve verspreiding in de afgelopen 40 jaar en over abiotische omgevingskenmerken. Dit resulteert per soort in een

Tabel 2.3 Populatieverdeling over de geschiktheidsklassen voor de Boomleeuwerik Soort

Jaar

Klasse

Oppervlak

Aantal

Veluwe

Aandeel(%)

Boomleeuwerik Boomleeuwerik Boomleeuwerik Boomleeuwerik Boomleeuwerik Boomleeuwerik Boomleeuwerik Boomleeuwerik

1990 1990 1990 1990 2015 2015 2015 2015

1 2 3 4 1 2 3 4

60737 12127 9640 6078 60737 12127 9640 6078

182 243 636 1495 267 230 482 762

2556 2556 2556 2556 1741 1741 1741 1741

7,1 9,5 24,9 58,5 15,3 13,2 27,7 43,7

Betekenis kolommen: Jaar: Periode van ca. 10 jaar rondom het genoemde jaar Klasse: Geschiktheidsklasse Oppervlak: Oppervlak (in ha) van de betreffende klasse Aantal: Aantal territoria (broedparen) in die klasse 3

Veluwe: Totaal aantal territoria in N2000-gebied Veluwe Aandeel: Procentueel aandeel in de betreffende klasse van de Veluwse populatie

In de geschiktheidskaarten in bijlage 3 zijn ook eigendomsgrenzen opgenomen. Dit wordt toegelicht in par. 4.4.

11

Sovon-rapport 2020/29

Figuur 2.1. Geschiktheid van de Veluwse leefgebieden voor de Boomleeuwerik

lang van elke geschiktheidsklasse voor de soort en of daarin wijzigingen zijn opgetreden in de loop van de tijd. De populatieverdeling per geschiktheidsklasse vormt onder meer een belangrijke basis voor de re-

creatiezoneringskaarten per soort in paragraaf 4.3. In tabel 2.3 is ter illustratie een deel van de tabel opgenomen. In bijlage 4 staat de volledige tabel.

12

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

3. Beheermaatregelen en hun effectiviteit 3.1. Inleiding

realiseren van de beheermaatregelen/toestanden in alle beheertypen (paragraaf 3.6).

In dit hoofdstuk - en het volgende - staan de beheermaatregelen centraal. Dit zijn maatregelen die door grondeigenaren/terreinbeheerders op de Veluwe in hun terreinen kunnen worden getroffen. Voor de programmering van beheermaatregelen door de provincie is het allereerst van belang inzicht te hebben in de vraag welke beheermaatregelen voor de zeven soorten kunnen worden getroffen en hoe effectief deze maatregelen zijn in termen van het te verwachten (kwantitatieve) effect op de populatieontwikkeling. Dit hoofdstuk en de bijbehorende onderzoeksproducten geven inzicht in de voor de soorten relevante beheertypen, de gewenste beheermaatregelen en uiteindelijk ook in de maximaal te verwachten effect van beheermaatregelen op de populatie-ontwikkeling. Met andere woorden in de mogelijke bijdrage van het spoor van beheermaatregelen aan het gewenste soortenherstel.

3.3. Beheertypologie en beheertypenkaart Veluwe 3.3.1. Beheertypologie: welke beheertypen zijn relevant? Voor het herstelprogramma voor de zeven soorten zijn niet alleen de als Natura 2000 begrensde habitattypen op de Veluwe van belang. Op de gehele Veluwe kunnen in geschikte terreinen maatregelen worden getroffen die bijdragen aan soortherstel, ook wanneer zij niet kwalificeren als Natura 2000-habitattype. De natuurbeheertypen in het kader van NNN/SNL zijn echter te grof voor het doel van dit onderzoek. Daarom is een beheertypologie ontwikkeld gebaseerd op een verbijzondering van de natuurbeheertypen naar bijvoorbeeld de mate van vergrassing (heide en stuifzand), bodemtype en boomsoortensamenstelling4. Dit leidt tot 22 min of meer belangrijke beheertypen voor de zeven soorten (samen 93% van Natura 2000-gebied Veluwe). De beheertypologie en het overeenkomstige SNL natuurbeheertype waar het betreffende beheertype onderdeel van uitmaakt is hieronder opgenomen in tabel 3.1.

De (vervolg)vraag wáár op de Veluwe en door welke beheerders het best maatregelen getroffen kunnen worden, komt aan de orde in hoofdstuk 4.

3.2. Onderzoekstappen De kwalitatieve maatregeltabel uit paragraaf 2.2 vormt het inhoudelijke vertrekpunt voor dit deel van het onderzoek. De tabel is echter nog niet direct bruikbaar, omdat: (1) de maatregelen nog niet gekoppeld kunnen worden aan de mogelijk geschikte locaties voor beheermaatregelen op de Veluwe en (2) met kwalitatieve inschattingen nog niet gerekend kan worden aan het effect van maatregelen op de populatie-ontwikkeling.

3.3.2. Beheertypenkaart Veluwe: waar ligt het en hoeveel ervan is er? Vervolgens is een beheertypenkaart van de Veluwe (GIS-bestand) gemaakt volgens deze typologie. De beheertypenkaart maakt inzichtelijk welk beheertype waar ligt op de Veluwe. Daarmee ontstaat de mogelijkheid om de maatregelen van de maatregeltabel (zie paragraaf 2.2) concreet te koppelen aan locaties waar de maatregelen uitgevoerd kunnen worden.

Om hierin te voorzien zijn de volgende stappen uitgevoerd in het onderzoek: • Ontwikkelen beheertypologie en Beheertypenkaart (GIS-bestand beheertypen Veluwe) (ligging en omvang) gebaseerd op de beheertypologie (paragraaf 3.3); • Bepalen gewenste (pakket van) beheermaatregelen/toestanden per beheertype (paragraaf 3.4). • Inschatting kwantitatieve populatie-effect van de gewenste beheermaatregelen/toestanden per beheertype (paragraaf 3.5); • Berekening per vogelsoort van het populatieeffect en het Natura 2000-doelbereik door het

Ter illustratie is in figuur 3.1 een kleine versie van de beheertypenkaart opgenomen. De GIS-bestanden die ten grondslag liggen aan de kaart zijn separaat digitaal opgeleverd. De beheertypenkaart maakt niet alleen inzichtelijk welk beheertype waar ligt. Met behulp van het onderliggende GIS-bestand is ook bepaald hoeveel er van elk beheertype op de Veluwe ligt. Dit is nood­ zakelijke informatie bij het berekenen van de te verwachten effecten van maatregelen op de populatie­ ontwikkeling waar we in paragraaf 3.5 op ingaan.

4 De typologie is een combinatie van natuurbeheertypen, Bodemtypen, Habitattypen, LNG7 (Statistiek Landgebruik versie 7, WenR) en de Vierde Bosstatistiek (jaren tachtig).

13

Sovon-rapport 2020/29 Tabel 3.1. Beheertypologie Volgnr.

Beheertype

Natuur-beheertype Opmerking

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22

Zandverstuiving Grazig vastgelegd stuifzand Stuifzandheide Droge heide Matig vergraste heide Sterk vergraste heide Vochtige heide Kruidenrijk grasland Voedselarm loofbos op stuifzandbodem Voedselarm naaldbos op stuifzandbodem Dennenbos, voedselarm Overig voedselarm bos Dennenbos, matig voedselrijk Beuken-sparrenbos, matig voedselrijk Overig matig voedselrijk bos Voedselarm loofbos met productie op stuifzand Voedselarm naaldbos met productie op stuifzand Dennenbos met productie, voedselarm Overig voedselarm bos met productie Dennenbos met productie, matig voedselrijk Beuken-sparrenbos met productie, matig voedselrijk Overig matig voedselrijk bos met productie

N07.02 N07.02 N07.01 N07.01 N07.01 N07.01 N06.04 N12.02 N15.02 N15.02 N15.02 N15.02 N15.02 N15.02 N15.02 N16.01 N16.01 N16.01 N16.01 N16.01 N16.01 N16.01

Volgens LGN7 Volgens LGN7

Overwegend eik en berk Overwegend den den eik, den en beuk den beuk, spar, lariks Vooral den en inlandse eik Overwegend eik en berk Overwegend den den spar, den, lariks, eik en beuk den spar, beuk, lariks Vooral den en inlandse eik

Tabel 3.2. Oppervlakte beheertypen op de Veluwe (totaal 81.832 ha, ofwel 93% van het N2000-gebied Veluwe) Volgnr

Beheertype

Oppervlakte (ha)

1 2 3 4 5 6 7 8 9 10 11 12 13 14 15 16 17 18 19 20 21 22

Zandverstuiving Grazig vastgelegd stuifzand Stuifzandheide Droge heide Matig vergraste heide Sterk vergraste heide Vochtige heide Kruidenrijk grasland Voedselarm loofbos op stuifzandbodem Voedselarm naaldbos op stuifzandbodem Dennenbos, voedselarm Overig voedselarm bos Dennenbos, matig voedselrijk Beuken-sparrenbos, matig voedselrijk Overig matig voedselrijk bos Voedselarm loofbos met productie op stuifzand Voedselarm naaldbos met productie op stuifzand Dennenbos met productie, voedselarm Overig voedselarm bos met productie Dennenbos met productie, matig voedselrijk Beuken-sparrenbos met productie, matig voedselrijk Overig matig voedselrijk bos met productie Overig

14

1306 1984 1146 9104 2564 3783 211 1665 1422 6778 2142 2225 6062 2754 4151 842 4162 3923 5305 8465 7381 4458 6619

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

Figuur 3.1. Kaart beheertypen

3.4. Welke toestand en beheermaatregelen zijn gewenst in de beheertypen?

(zoals opgenomen in de kwalitatieve maatregeltabel in paragraaf 2.2) om te zetten in kwantitatieve inschattingen daarvan.

Om de met beheermaatregelen te bereiken populatieontwikkeling van de zeven soorten te kunnen kwantificeren, is het noodzakelijk de kwalitatieve inschattingen van de effectiviteit van maatregelen

Eerst is voor elk beheertype een indicatie gegeven van de na te streven toestand. Voor de kenmerken open zand, vastgelegd stuifzand, structuurrijke hei15

Sovon-rapport 2020/29

Sterk vergraste heide Vochtige heide Kruidenrijk grasland

N07.01 N06.04 N12.02

Voedselarm loofbos op stuifzandbodem

N15.02

Voedselarm naaldbos op stuifzandbodem

N15.02

ve ge tat i ge

erk el d oo dh

ruc

me tb

eh

leg d stg e

osr an d

Aa nd e

N07.01

Aa nd ee lb

Matig vergraste heide

<85

Aa nd ee lb

N07.01

tuu rrij k

stu

Droge heide

>25 >15 <15

Aa nd ee l st

Beschrijving Habitattype 2330 met open zand Habitattype 2330 zonder open zand Habitattype 4030 op duinvaaggrond

Aa nd ee l va

pe nz an d

SNL‐type N07.02 N07.02 N07.01

Aa nd ee lo

Beheertype Zandverstuiving Grazig vastgelegd stuifzand Stuifzandheide

loe mr ijke , gr azi

ifza

eid e

nd

e

Tabel 3.3a. Gewenste toestanden per beheertype – (selectie uit de tabel in Bijlage 5)

>85

40 40 40

Habitattype 4030 op podzolen en leemgrond

>90

30

Habitattype 4030 op podzolen en leemgrond Habitattype 4030 op podzolen en leemgrond, deels habitattype 4010 Habitattype 4010 Habitattype 6230 Bos van overwegend eik en berk op duinvaaggrond Bos van overwegend grove den op duinvaaggrond

>90

30

>90 >90

30 20 20

5

30

5

30

5

>90

de, bloemrijke grazige vegetatie, bosrand met berk, dood hout, oud bos, oude bomen, rijk loof, open ruimte, kapvlakte, bos met productie is het procentuele aandeel binnen het beheertype vermeld. Van de beheertypen van open gebied is tevens vermeld met welk Natura 2000 habitattype de nagestreefde toestand het meest overeenkomt. Van bossen is een globale beschrijving van de belangrijkste boomsoorten vermeld (tabel 3.3a).

10 20 80 80 80 30 80

5 20 10 10 10

10

30 20

20 25

25 25 10 10 10

Be rke n

ter ugb

r

ren ijde

sla gv erw Op

nd de

n

Ma aie n Bra nd en e

g* Be gr

Bra n

30 30

azi n

10 15

en e Egg

SNL‐type N07.02 N07.02 N07.01 N07.01 N07.01 N07.01 N06.04 N12.02 N15.02 N15.02 N15.02 N15.02 N15.02

Plo eg e n

Beheertype Zandverstuiving Grazig vastgelegd stuifzand Stuifzandheide Droge heide Matig vergraste heide Sterk vergraste heide Vochtige heide Kruidenrijk grasland Voedselarm loofbos op stuifzandbodem Voedselarm naaldbos op stuifzandbodem Dennenbos, voedselarm Overig voedselarm bos Dennenbos, matig voedselrijk

nz eve

n

ruk

be gra zin

g

Tabel 3.3b. Gewenste beheermaatregelen per beheertype – (selectie uit de tabel in Bijlage 5)

20 20 20 15 15 15 10 15 15 10 10 5

Vervolgens is op basis van expertkennis een inschatting gemaakt van de uit te voeren beheermaatregelen en hun oppervlakteaandeel (in procenten) per beheerperiode van zes jaar om de gewenste toestand te bereiken (tabel 3.3b). Hiervoor zijn allereerst enkele maatregelen uit tabel 2.1 samengevoegd omdat niet voor elke maatregel afzonderlijk de effecten kwantitatief ingeschat kunnen worden. Dit resulteert in een enigszins ingedikte versie van de maatregeltabel. 16

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

Branden Branden van oudere heidevegetatie in het winterseizoen (% per 6 jaar).

In de tabel zijn alleen maatregelen opgenomen die een positief effect op de zeven soorten hebben. De genoemde maatregelen hebben primair als doel om de vegetatiesuccessie terug te zetten dan wel de (bos) structuur te verbeteren. Alleen de maatregel ‘Rijk loof inbrengen’ heeft naast het verbeteren van de bossstructuur en strooiselkwaliteit op de langere termijn ook positieve effecten op het verbeteren van de bodemkwaliteit5.

Maaien Maaien van (overwegend) oudere heide. Tevens maaien pijpenstro als proef; in het NP De Hoge Veluwe is hier bijvoorbeeld reeds ervaring mee opgedaan, maar zijn nog geen resultaten bekend (% per 6 jaar); zie echter ook ‘branden en drukbegrazing’ hieronder.

De getallen in de kolommen van tabel 3.3a en 3.3b geven aan op welk percentage van het oppervlak van het beheertype de betreffende maatregel moet worden uitgevoerd dan wel de gewenste toestand moet worden bereikt. Hieronder worden de maatregelen inhoudelijk toegelicht. In bijlage 5 zijn de complete tabellen integraal opgenomen. Tabel 3.4 toont de totale oppervlakte aan gewenst beheer voor de gehele Veluwe per zes jaar.

Branden en drukbegrazing Combinatie van branden gevolgd door drukbegrazing van met pijpestro vergraste heidevegetaties (% per zes jaar). Sinds kort wordt de combinatie van branden gevolgd door drukbegrazing gezien als een perspectiefvolle maatregel om met pijpestro vergraste heidevelden weer om te vormen in vegetaties met een flink aandeel heidestruiken (Vogels et al. 2017). Aangezien deze methode het bodemarchief instandhoudt is ze te verkiezen boven chopperen en plaggen. Of de maatregel in alle gevallen hetzelfde resultaat oplevert moet nog blijken in de toekomst. Vooralsnog is in de berekening van de kosten er vanuit gegaan dat deze maatregel in plaats komt van plaggen en/of chopperen.

Beschrijving maatregelen Hieronder wordt beknopt ingegaan op de gewenste beheermaatregelen. Een uitgebreidere beschrijving voor de meeste beheermaatregelen is te vinden op https://www.natuurkennis.nl/hulpmiddelen/beheermaatregelen/. Beheer is maatwerk. Dit betekent dat de informatie uit dit rapport niet zomaar overal kan worden toegepast en er altijd per locatie bepaald moet worden welke (combinatie van) maatregelen op een locatie gewenst en/of mogelijk is.

Opslag verwijderen Verwijderen van opslag van bomen om het dichtgroeien van heide en stuifzand te voorkomen (% per 6 jaar).

In het Ecologisch profielendocument (Nijssen et al.) is te vinden waarom deze maatregelen voor de 7 soorten belangrijk zijn.

Bevorderen dood hout Aandeel dood staand hout met een diameter op borsthoogte (dbh) >20 cm (% na 6 zes jaar) Bij voorkeur op elke 5 hectare alle verteringsstadia en verschijningsvormen aanwezig. 30-40 m3/ha als aanbevolen hoeveelheid. Elders minimaal 10 m3/ ha voor weinig eisende soorten tot 50 m3/ha voor “echt” veeleisende soorten. Dit kan worden bereikt door dode bomen niet te verwijderen. Indien dit te traag gaat, kunnen bomen actief worden geringd of omgetrokken.

Ploegen Ploegen van stuifzandbodems zonder duidelijk bodemprofiel met als doel het naar boven brengen van dieper gelegen lagen (1-2 meter) met meer bufferstoffen (% per 6 jaar). Eggen en zeven Verwijderen van planten en organisch materiaal uit de bovenlaag van stuifzanden (% per 6 jaar).

Berken terugbrengen Terugbrengen van loofbomen, in het bijzonder berken, langs bosranden en bospaden. De percentages in open landschappen hebben betrekking op de bosranden in die landschappen. Zowel voor verbetering biodiversiteit als brandvertraging (% randlengte en paden per 6 jaar). Op termijn betekent dit dat in het bijzonder langs bosranden berken weer een gewone verschijning worden in verschillende leeftijdsstadia.

Begrazing Extensieve begrazing door runderen, paarden en/of schapen (%).

Zoals reeds aangegeven in de inleiding vallen maatregelen die primair/alleen gericht zijn op het verbeteren van de bodemkwaliteit buiten het bestek van dit project.

17

Sovon-rapport 2020/29

Ontwikkelen en instandhouding van open ruimtes in bossen Aandeel (blijvende) open plekken (% na 6-12 jaar). Om open ruimten open te houden is regelmatig verwijderen noodzakelijk.

Tabel 3.4. Oppervlakte aan gewenste beheermaatregelen per zes jaar voor het bereiken van de optimale beheertoestand Beheermaatregel Begrazing Berken terugbrengen Branden Branden en drukbegrazing Dood hout bevorderen Eggen en zeven Exoten verwijderen Geen zomervellingen Kapvlaktes maken Maaien Open ruimte vrijhouden Opslag verwijderen Oude bomen laten staan Ploegen Rijk loof inbrengen Verlaging wilddruk

Oppervlak (ha) 14199 8389 1518 1460 1972 987 1907 60253 886 1308 719 3222 11141 428 6354 15063

Kapvlakte Aandeel open ruimten in de vorm van kapvlakten of andere min of meer blijvende open ruimten (%). Geen zomervellingen Aandeel bos zonder zomervellingen (%).

3.5. Inschatting effect gewenste beheermaatregelen Uitvoering van de maatregelen van tabel 3.3 door grondeigenaren/beheerders op de Veluwe leidt, op grond van de beschikbare wetenschappelijke kennis, tot een te verwachten toename (of herstel) van de populaties van de zeven soorten. De toename kan echter niet exact berekend worden omdat de daarvoor benodigde kennis ontbreekt. Daarom is door middel van expert judgement van Sovon en Stichting Bargerveen per beheertype de te verwachten procentuele toename van de populatie van een soort ingeschat, wanneer de maatregelen van tabel 3.3 in die beheertypen uitgevoerd worden. Het gemiddelde van de inschatting door drie deskundigen van Sovon en Stichting Bargerveen is weergegeven in tabel 3.5 (een selectie uit de tabel in Bijlage 5). Deze tabel maakt niet alleen inzichtelijk wat naar verwachting de effecten van een maatregel op de populatieontwikkeling van een soort zijn, maar ook welke specifieke maatregel voor een soort waarschijnlijk het meeste effect sorteert.

Ontwikkelen cq instandhouding van oud bos Aandeel bos (%) in de verouderingsfase en aftakelingsfase (langere termijndoel). Hiervoor is het noodzakelijk dat in beheerplannen wordt begrensd in welke vakken/afdelingen met ouder bos niet of beperkt zal worden gekapt. Behoud van oude bomen Aandeel oude bomen in het oude bos (langere termijn doel). Voor oude en/of afgetakelde bomen geldt 3-10 bomen per hectare als aanbevolen hoeveelheid. Deze bomen kunnen/dienen in terreindelen waarin kapwerkzaamheden plaatsvinden als zodanig gemarkeerd worden. Een soort van ‘natuur-toekomstbomen’ dus.

3.6. Effect gewenste beheermaatregelen op de populatie-ontwikkeling

Exoten verwijderen Oppervlakte-aandeel waar exoten worden verwijderd. Onder exoten wordt hier verstaan boomsoorten die van nature niet op die standplaats thuishoren (% per 6 jaar).

Van belang voor de programmering door de provincie is het verkrijgen van een overkoepelend beeld van de mate waarin de hiervoor beschreven maatregelpakketten per beheertype bijdragen aan het gewenste doelbereik voor de zeven vogelsoorten. Hoe zullen de populaties van de zeven soorten zich naar verwachting ontwikkelen wanneer álle voorgestelde beheermaatregelen in álle beheertypen ook daadwerkelijk zouden worden uitgevoerd? We vatten dit samen als optimaal beheer.

Rijk loof inbrengen Inbrengen van boomsoorten zoals linde en esdoorn, lokaal wellicht hazelaar en haagbeuk, maar ook berk die met hun bladeren zorgen voor een verbetering van de strooisellaag (% per 6 jaar). Verlaging wildstand Percentage verlaging van de wilddruk om regeneratie van bomen en struiken te bevorderen, in het bijzonder voor soorten als vuilboom en lijsterbes.

Het effect van dit optimale beheer op de populatieontwikkeling op de Veluwe is in tabel 3.6 in beeld gebracht door de verwachte procentuele toename van de huidige populaties (zie ook hoofdstuk 1) te 18

Natuurbeheer- en zoneringsmaatregelen voor zeven aangewezen vogelsoorten in Natura 2000-gebied Veluwe

30 30 10

30 30 20 10 10 10

10 30 20 30 50 100

20 20 30 50 100

30 20 20 10 10

50 20 20 10 10

10 20 20 20 30 20 30 20 20 10 10

20 20 10 10

20 20 10 10

20 20 10 10

20 5 5 5 5 10 20 20 5 5 5 5 10 20 20

rte _Sp ech t Zw a

Na cht zw alu w We spe nd ief

iha ls

Dr aa

ml ee uw eri k Bo o

Ta pu it

Beheertype Zandverstuiving Grazig vastgelegd stuifzand Stuifzandheide Droge heide Matig vergraste heide Sterk vergraste heide Vochtige heide Kruidenrijk grasland Voedselarm loofbos op stuifzandbodem Voedselarm naaldbos op stuifzandbodem Dennenbos, voedselarm Overig voedselarm bos Dennenbos, matig voedselrijk Beuken‐sparrenbos, matig voedselrijk Overig matig voedselrijk bos Voedselarm loofbos met productie op stuifzand Voedselarm naaldbos met productie op stuifzand Dennenbos met productie, voedselarm Overig voedselarm bos met productie Dennenbos met productie, matig voedselrijk Beuken‐sparrenbos met productie, matig voedselrijk Overig matig voedselrijk bos met productie

Du inp iep er

Tabel 3.5. Kwantitatief effect van de beheermaatregelen (per soort per beheertype) op de populatie (in procenten)

10 20 20 20 25 25 25 5 10 10 10 10 10 10

Tabel 3.6. Effect van de gewenste beheermaatregelen (‘optimaal beheer’) op de populaties. Soort Wespendief Nachtzwaluw Draaihals Zwarte Specht Boomleeuwerik Tapuit Duinpieper

Huidige populatie

Verschil (%)

Toekomstige populatie

Doel

94 1000 40 390 1700 9 0

9 15 33 12 22 18 n.v.t.

102 1150 53 437 2074 11 0

100 610 hervestiging 400 2400 100 hervestiging

berekenen. Dit is gedaan door met behulp van de kwantitatieve populatie-effecten uit tabel 3.5 per beheertype de procentuele toename te berekenen als gevolg van het treffen van de maatregelen van tabel 3.3a en 3.3b. Vervolgens is voor elke soort de ver-

wachte aantalstoename per beheertype gesommeerd tot een totaal te verwachten toename. Bespreking van deze resultaten vindt plaats in hoofdstuk 6.

19

Sovon-rapport 2020/29

Op locaties waar het stuifzand al wat langer vastligt kan een zandige heidevegetatie ontstaan. Dit habitat is van groot belang voor de Boomleeuwerik (Het Nationale Park de Hoge Veluwe, Henk Sierdsema).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=a2e6a5d9-325a-4220-a92b-0035ae1f2d16