CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Schriftelijke inbreng S. Schreutelkamp - betaald parkeren Alteveer/Cranvelt, 81,4% NIET voor regulering d.d. 13-01-2026

Politieke Avond 25 februari 2026, gemeente ArnhemBij agendapunt: Schriftelijk ingezonden reacties - Parkeerbeleid Arnhem 202527.472 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Van: S. Schreutelkamp Verzonden: dinsdag 13 januari 2026 22:59 Onderwerp: betaald parkeren Alteveer/Cranvelt, 81,4% NIET voor regulering. Gelukkigste wijk van Nederland, o.a. bereikbaarheid meegenomen Geachte raadsleden, Er zijn grotere en belangrijkere zaken in de wereld, maar nu moeten we dat even 'parkeren' ;-) Onderstaande tekst heb ik ook naar D66 gemaild. Ben zelf niet bekend met gang van zaken in met dit soort situaties, en begreep later dat dit mailadres ook benut kon worden, vandaar mijn (late) reactie. Wij zijn vooral verrast over de wijze waarop een parkeerbesluit in onze wijk Alteveer tot stand lijkt te komen. De schriftelijke inbreng Wijkraad Alteveer (bijlage) kwam als een enorme verrassing tot ons. Zeker gezien het feit dat in 2019 een enquete is afgenomen onder 586 huishoudens uit de wijk waarbij 81,4% NIET voor regulering parkeerbeleid is (zie bijlage rapportage parkeerprobleem pagina 8). Het lijkt mij overbodig om te zeggen dat dit onderzoek niet genegeerd kan worden of de wijk, en dat de gemeente toch met een degelijke procesmatige aanpak dit onderwerp weer voorzichtig van stal haalt. Enkele punten en feiten om tegen regulering parkeren in te brengen: •

Er wordt vooral gerept over een parkeerprobleem dat komt vanuit Rijnstate. Wij wonen zelf op sweelincklaan 17 en ervaren dat zeker niet. Het is vooral de vraag 'hoe definieren we een parkeerprobleem?' Is dat je auto 1-2x per week niet voor je deur kunnen parkeren overdag, of 20 meter verderop zetten, want die geluiden komen soms wel tot ons. Deze groep eruit filteren zal het geluid voor parkeerregulatie verder afzwakken.

•

In 2023 is onze wijk verkozen tot gelukkigste wijk van Nederland, en dat willen wij graag zo houden. Een van de belangrijkste punten hierin is ook de gunstige locatie, waaronder bereikbaarheid meegenomen wordt. Met betaald parkeren gaat dat niet beter worden (zie rapport grote nextdoor buurtonderzoek, pag 13 bovenaan en tabel 2.6 onderaan pagina 13).

•

Wat gaat dit betekenen voor lokale ondernemers? Om even bij de bakker langs te gaan betaal je voor een brood geen 3,25, maar 3,25 + parkeerkosten. Of je pakket ophalen bij Te Gek Wonen, of de Yoga les bij Cindy https://yogalibra.nl/

•

pagina 14 van parkeerenquete:

Daarnaast blijkt dat de oplossing voor de subjectieve parkeerproblematiek hoofdzakelijk ligt bij de nabijgelegen functies. Burgers’ Zoo, het NOM en Rijnstate kunnen door de realisatie van meer parkeergelegenheid danwel het verlagen van de parkeertarieven op

eigen terrein voorkomen dat de wijk overvol komt te staan. Zolang zij deze stappen echter niet/onvoldoende faciliteren dient de Gemeente Arnhem vooral terughoudend te zijn met het instellen van een parkeerregime in de wijk. Het instellen van een parkeerregime strookt immers niet met de wensen van het grootste deel van de bewoners, met uitzondering van postcode 6815 CH. Ik hoop dat u deze punten kan inbrengen en daarmee onze stem kan vertegenwoordigen! Met vriendelijke groet, S. Schreutelkamp

Sociale cohesie bepalend voor leefbaarheid in buurten Het grote Nextdoor buurtonderzoek 2023

1

Inhoudsopgave Samenvatting belangrijkste bevindingen

4

DEEL I: INLEIDING 1. Inleiding: sociale cohesie in de buurt in theoretisch perspectief

6

DEEL II: KWANTITATIEVE ANALYSE 2. Resultaten van de online enquête 2.1 De meting en interpretatie van de beoordeling van de buurt 2.2 Verschillen in buurtbeoordeling tussen Nederlandse gemeenten 2.3 Verschillen tussen buurten in Nederland 2.4 Uit welke dimensies bestaat de buurtbeoordeling? 2.5 Waarom scoren sommige buurten goed? Verklaringen en verschillen in buurtbeoordeling 2.5.1 Contact met buurtgenoten 2.5.2 Het bieden van hulp aan buurtgenoten 2.5.3 Activiteiten en initiatieven in de buurt 2.5.4 Criminaliteit en onveiligheid 2.5.5 Sociaal vertrouwen 2.5.6 Stad versus platteland, arm versus rijk? 2.5.7 Slotbeschouwing over de rol van cohesie-gerelateerde factoren DEEL III: KWALITATIEVE ANALYSE 3.

Kwalitatieve analyse van twee Amsterdamse buurten 3.1 Keuze voor twee buurten 3.2 Oostelijke Eilanden en Kadijken 3.2.1 Algemene beoordeling van de buurt 3.2.2 Diversiteit 3.2.3 Gentrificatie en ongelijkheid 3.2.4 Contact en verbondenheid met buurtgenoten 3.2.5 De knip en beleid 3.2.6 Overlast in de buurt 3.3 Osdorp Oost 3.3.1 Algemene beoordeling van de buurt 3.3.2 Scheiding tussen gemeenschappen 3.3.3 Sociale waarden en ongelijkheid 3.3.4 Contact en verbondenheid met buurtgenoten 3.3.5 Beleid en veiligheid 3.3.6 Overlast en hangjongeren 3.3.7 Osdorpplein en vernieuwingen 3.3.8 De Wildemanbuurt 3.4 Vergelijking buurten 3.4.1 Algemene beoordeling buurten 3.4.2 Voorzieningen en activiteiten 3.4.3 Contact en verbondenheid

2

8 8 9 11 12 14 14 17 19 20 22 23 25 28 28 29 29 30 31 32 33 34 35 35 36 37 39 41 42 43 45 46 46 46 47

3.4.4 Diversiteit 3.4.5 Sociale waarden 3.4.6 Overlast 3.4.7 Beleid en veiligheid 3.4.8 Conclusie Literatuurlijst Bijlage: aanvullende tabellen en methodologische verantwoording

48 48 49 49 50 52 53

Tabellen Tabel 1.1 - Populaire definities van sociale cohesie Tabel 2.1 – Correlaties van tevredenheid items met het rapportcijfer (N=18.259) Tabel 2.2 – De top 10 hoogst beoordeelde gemeenten op basis van het rapportcijfer (2023) Tabel 2.3 – De top 10 laagst beoordeelde gemeenten op basis van het rapportcijfer (2023) Tabel 2.4 – De top 10 hoogst beoordeelde buurten op basis van het rapportcijfer (2023) Tabel 2.5 – De top 10 laagst beoordeelde buurten op basis van het rapportcijfer (2023) Tabel 2.6 – Factorladingen van acht aspecten buurtbeoordeling (patroonmatrix) Tabel 2.7 – Hoe vaak heb jij contact met je buurtgenoten? (met mensen uit jouw buurt) Tabel 2.8 – Wat is de kwaliteit van het contact met je buurtgenoten? Tabel 2.9 – Welke hulp geef je aan je buurtgenoten? Tabel 2.10 – Frequentie van hulp aan buurtgenoten Tabel 2.11 – Frequentie van activiteiten en initiatieven in de buurt Tabel 2.12 – Heb je in jouw buurt last van criminaliteit? Tabel 2.13 – Hoe vaak voel je je overdag (‘s avonds) wel eens onveilig in jouw buurt? Tabel 2.14 – Gemiddelde buurtbeoordeling, uitgesplitst naar mate van sociaal vertrouwen Tabel 2.15 – Resultaten regressie-analyse: welke factoren verklaren een goede buurtbeoordeling? Tabel 3.1 - Overzicht gemiddelde rapportcijfers van Amsterdamse buurten (2023) Figuren Figuur 2.1 – Relatie tussen frequentie contact met de buren en buurtbeoordeling Figuur

2.2 – Relatie tussen kwaliteit van het contact met de buren en buurtbeoordeling Figuur 2.3 – Relatie tussen frequentie burenhulp en buurtbeoordeling Figuur 2.4 – Relatie tussen frequentie initiatieven en activiteiten en buurtbeoordeling Figuur 2.5 – Relatie tussen ervaarde criminaliteit en buurtbeoordeling Figuur 2.6 – Relatie tussen mate van ervaring van onveilig gevoel in de buurt en buurtbeoordeling Figuur 2.7 – Relatie tussen sociaal vertrouwen en buurtbeoordeling Figuur 2.8 – Gemiddelde rapportcijfer, uitgesplitst naar stedelijkheid en gemiddelde inkomen van buurt

3

De belangrijkste bevindingen samengevat Resultaten van de online enquête Verschillen in Nederland tussen buurten – In de online enquête die verspreid is onder gebruikers van de buurtapp Nextdoor gaven respondenten een rapportcijfer voor hun buurt, dat vooral uitdrukt in hoeverre zij zich thuis voelen in hun buurt. De gemiddelde rapportcijfers van 8.682 respondenten uit 247 verschillende grotere buurten in Nederland leverden een overzicht op met de hoogst en laagst beoordeelde buurten in 2023. De beoordelingen zijn ook op gemeenteniveau vergeleken. In sterk stedelijke gebieden is het gemiddelde rapportcijfer iets lager dan bij respondenten die in landelijk gebied wonen. Wij concluderen dat deze kloof tussen stad en platteland echter vaak wordt overdreven. Het doet er namelijk vooral toe of je in een rijkere of armere buurt woont. Het verschil tussen prettige en minder prettige buurten is veel groter binnen de stedelijke en landelijke gebieden dan tussen de grote steden en het platteland. Het valt op dat er vooral binnen grote steden aanzienlijke verschillen zijn tussen ‘goede’ en ‘slechte’ buurten. Verklaringen voor een hoge beoordeling van de buurt: de rol van sociale cohesie – De enquête bevatte verschillende vragen over de sociale cohesie in de buurt.

Dit onderzoek laat zien dat drie aspecten de belangrijkste verklaring geven voor een prettige woonomgeving: goed contact met buurtgenoten, sterk sociaal vertrouwen, en de afwezigheid van criminaliteit en gevoelens van onveiligheid. De frequentie van contact met buurtgenoten doet er helemaal niet meer toe als je rekening houdt met deze factoren. Het geven van hulp aan buren en het frequent plaatsvinden van buurtactiviteiten blijken niet of nauwelijks van toegevoegde waarde. Kortom: het gaat bij de waardering van de buurt vooral om de kwaliteit van contact met buurtgenoten, en niet om de frequentie. Het vaker ontmoeten van buurtgenoten of bieden van hulp aan buurtgenoten heeft op zichzelf geen positieve invloed op de buurtbeoordeling, indien dit niet gepaard gaat met een toename van onderling sociaal vertrouwen, meer prettig contact, en minder criminaliteit en overlast. Tot slot is het opmerkelijk te noemen dat de verschillen tussen stad en platteland kunnen worden toegeschreven aan sociale cohesie: het verklaart waarom respondenten uit landelijke gebieden doorgaans positiever zijn over hun buurt dan respondenten uit de grote steden. Dat rijkere buurten beter beoordeeld worden dan armere buurten kan voor ongeveer de helft verklaard worden door verschillen in cohesie.

Kwalitatieve analyse van twee Amsterdamse buurten In 2023 zijn twee buurten in Amsterdam onderzocht met behulp van een kwalitatieve aanpak. Voor deze studie zijn twee buurten uitgezocht, namelijk een buurt met een lage score en een met een hoge score. De Oostelijke Eilanden/Kadijken in Centrum Oost heeft het hoogste cijfer (7,75) en Osdorp Oost in Nieuw-West een laag cijfer (5,68). Voor beide buurten hebben we sociale cohesie centraal genomen. De Oostelijke Eilanden en Kadijken zijn gekenmerkt door een overwegend witte bevolking. Het contact tussen buren verloopt meestal makkelijk. Ongelijkheid is relatief beperkt, maar er is wel onderscheid tussen bewoners van sociale huurwoningen en koophuizen. Verschillen qua 4

geldbezit kunnen enigszins overbrugd worden dmv gedeelde sociale waarden die samen de verantwoordelijkheid van de buurt waarborgen. Hierbij zien we een overlap van deze sociale waarden. Er is slechts een buurthuis dat slechts in een deel van het gebied een rol speelt. Osdorp Oost wordt gekenmerkt door meer fragmentatie van buurtbewoners. Die fragmentaties zijn van elkaar gescheiden bubbles waar weinig onderling contact is en lopen langs taalverschillen en etnische lijnen. Buurtactiviteiten zijn gefragmenteerd en doorkruisen verschillen tussen generaties (jong en oud). Ontmoetingsplekken zijn beperkt en er zijn weinig activiteiten voor jongeren. Daar domineren onveiligheid en overlast door o.a. plofkraken, (drugs)crimi­naliteit en hangjongeren. Professionals proberen sociaal wantrouwen om te zetten in vertrouwen onder bewoners.

5

DEEL I: INLEIDING 1. Inleiding: sociale cohesie in de buurt in theoretisch perspectief Door buurtgenoten bij elkaar te brengen, kunnen we bijdragen aan een vriendelijkere wereld waarin iedereen een buurt heeft om op te bouwen. Dat is het uitgangspunt dat de Vrije Universiteit Amsterdam en Nextdoor met elkaar delen. In samenwerking met Nextdoor onderzochten dr. Peer Smets en dr. Jasper Muis (afdeling Sociologie) samen met drie junior onderzoekers (Carmen Buijtendorp, Tijn Rümke en Rick Zijlma) de leefbaarheid en sociale cohesie van buurten. Dit onderzoek omvatte de afname van ruim 18.000 online enquêtes in Nederland gedurende de zomer van 2023 onder de gebruikers van buurtapp Nextdoor. Bovendien zijn twee Amsterdamse buurten nader onder de loep genomen in een kwalitatief onderzoek. In dit onderzoeksverslag staan de belangrijkste bevindingen. De centrale vragen van dit onderzoek naar sociale cohesie van buurten zijn: -

-

Welke fysieke en sociale kenmerken van de woonomgeving bepalen hoe bewoners de sociale cohesie en leefbaarheid in hun buurt beoordelen, en hoe denken zij dat deze verbeterd kan worden? Welke rol zien bewoners voor zichzelf ten aanzien van de sociale cohesie in hun buurt en de formulering van adviezen hoe de sociale cohesie verbeterd kan worden?

Meer concreet gesproken, verwijst sociale cohesie naar zaken als prettig contact met buurtgenoten, het verlenen van hulp aan buren en het organiseren van activiteiten in de buurt. Sociale cohesie kan gezien worden als de sociale lijm die de samenleving bij elkaar houdt. In navolging daarvan kunnen we stellen dat het een buurt verbindt (Dekker 2006). Het concept sociale cohesie heeft meerdere definities en heeft de laatste decennia meer aandacht gekregen, zowel in het publieke debat als onder academici (o.a. Schiefer & van der Noll, 2017; Chan et al.,2006; Forrest & Kearns, 2001). Een algemene consensus omtrent het concept sociale cohesie ontbreekt echter. Al met al is het van belang om het concept nader te bekijken. Onder de vele benaderingen van sociale cohesie zijn er drie die tegenwoordig vaak gebruikt worden door beleidsmakers. Deze laten ieder een andere focus zien (zie tabel 1.1). Onderstaande definitie wordt in de academische literatuur ook vaak aangehaald om het concept te omschrijven: ‘Sociale cohesie is een stand van zaken die betrekking heeft op zowel de verticale als de horizontale interacties van de samenleving en wordt gekenmerkt door een reeks houdingen en normen die vertrouwen, een gevoel van verbondenheid en de bereidheid om deel te nemen en te helpen, evenals de gedragsmatige uitingen ervan’ (Chan et al. 2006, p. 290).

Schiefer & van der Noll (2017) geven een heldere overzichtsstudie van benaderingen van sociale cohesie waarin verschillende elementen ontleed kunnen worden. Zij onderscheiden drie essentiële elementen van sociale cohesie: (1) het onderhouden van sociale relaties, (2) identificatie met een bepaalde gemeenschap en het gevoel om ‘erbij te horen’ en (3) verantwoordelijkheids- gevoel voor het algemeen belang. Deze drie elementen komen ook in de bovengenoemde definitie van Chan et al. (2006) naar voren. Vertaald naar sociale cohesie in ons buurtonderzoek ligt de focus op regelmatig en goed contact met elkaar hebben (sociale 6

relaties), het gevoel van verbondenheid met de buurt (identificatie) en zich verantwoordelijk voelen voor het in stand houden en verbeteren van de kwaliteit van de buurt (verantwoordelijkheidsgevoel). Tabel 1.1 Populaire definities van sociale cohesie Raad van Europa (2008)

Canadese Overheid (Jeannotte 2003)

OECD (2011)

Het vermogen van een samenleving om het welzijn van al haar leden te garanderen, ongelijkheden tot een minimum te beperken en marginalisering te vermijden.

Het voortdurende proces van het ontwikkelen van een gemeenschap van gedeelde waarden, gedeelde uitdagingen en gelijke kansen binnen Canada, gebaseerd op een gevoel van vertrouwen, hoop en wederkerigheid onder alle Canadezen.

Een samenhangende samenleving die werkt aan het welzijn van al haar leden, bestrijdt uitsluiting en marginalisering, creëert een gevoel van verbondenheid, bevordert vertrouwen en biedt haar leden de mogelijkheid tot opwaartse mobiliteit.

Bron: Fonseca et al., 2019; 245. Doorgaans verwijst sociale cohesie op buurtniveau naar de mate waarin buurtbewoners zich er thuis voelen, elkaar vertrouwen, bereid zijn elkaar te helpen, normen en waarden delen en in hoeverre buurtbewoners gehecht zijn aan de buurt (Smets & Sneep, 2017). Vervolgens benoemen Schiefer en van der Noll ook nog drie andere aspecten die weliswaar niet tot de kerndefinitie van sociale cohesie behoren, maar wel een zekere spin-off hebben: (4) gedeelde waarden, (5) gelijkheid en (6) welbevinden. Deze aspecten kunnen de kwaliteit van sociale cohesie bevorderen. Het zijn zoals gezegd volgens Schiefer & van der Noll geen essentiële elementen van de definitie van sociale cohesie, maar kunnen wel een belangrijke oorzaak of gevolg hiervan zijn. Dus vertaald naar ons onderzoek: een groot verschil tussen arm en rijk in een buurt, of ongelijkheid tussen buurtbewoners qua waarden, cultuur en religie is niet hetzelfde als veel of weinig sociale cohesie in een buurt. Echter, het kan een negatieve invloed hebben op de ander. Als het gaat om welbevinden kunnen we denken aan bijvoorbeeld verschillen in psychisch welbevinden en fysieke gezondheid bij individuen en groepen. Een gebiedsgerichte aanpak vraagt om een multi-dimensionaal raamwerk voor het in kaart brengen en vormgeven van sociale cohesie in buurten.

Zo’n model kan helpen om potentiële kwetsbaarheden te ontdekken en eventueel bij te stellen. Dit sluit aan bij ons kwalitatief onderzoek naar twee Amsterdamse buurten. Schiefer & van der Noll (2017) stellen voor om een regelmatige rapportage van sociale cohesie in verschillende gemeenschappen te maken, waarbij een gestandaardiseerde aanpak van indicatoren wordt gebruikt. Zo’n cohesie monitor kan een basis leggen voor empirische studies over het gebruik van specifieke indicatoren van sociale cohesie, of een basis leggen voor het samenvoegen van datasets en indicatoren van verschillende bronnen. 7

DEEL II: KWANTITATIEVE ANALYSE 2. Resultaten van de online enquête 2.1 De meting en interpretatie van de beoordeling van de buurt Respondenten kregen in de online enquête de vraag voorgelegd hoe zij hun buurt beoordelen, waarbij zij op een schaal van 1 tot en met 10 een rapportcijfer moesten geven. Op basis van de gemiddelde rapportcijfers gaan we kijken in hoeverre de buurtbeoordelingen verschillen. Maar eerst zullen we meer inzicht geven in de inhoudelijke betekenis van het gegeven cijfer. Wat houdt een laag of hoog cijfer in? Deze vraag kunnen we beantwoorden met vervolgvragen uit onze enquête Tabel 2.1 laat de samenhang (i.e. de correlatie) zien tussen iemands rapportcijfer en een aantal uitspraken die te maken hebben met de beoordeling van de buurt. Een factoranalyse laat zien dat alle zes kenmerken, die iemands tevredenheid met de buurt meten, met elkaar samenhangen en één onderliggende dimensie vormen. De stellingen ​– de zes indicatoren van tevredenheid met de buurt – hangen zoals verwacht ook sterk samen met het rapportcijfer. De verbanden zijn allemaal redelijk sterk tot sterk te noemen, maar sommige indicatoren hangen duidelijk veel sterker samen met het rapportcijfer dan andere indicatoren. De belangrijkste conclusie is dat de uitspraak ‘Ik voel mij thuis in mijn buurt’ veruit de beste inhoudelijke indicator is van het algemene rapportcijfer (r = .67).

Op de tweede plaats komt ‘Het is vervelend om in mijn buurt te wonen’ (r = -.62). De andere vier indicatoren hebben allemaal een minder sterke correlatie met het rapportcijfer. De twee stellingen ‘De woningen in mijn buurt zijn goed onderhouden’ en ‘Ik ben gehecht aan mijn buurt’ zijn het minst sterk gerelateerd aan een laag of hoog rapportcijfer. Tabel 2.1 – Correlaties van tevredenheid items met het rapportcijfer (N=18.259) M

SD

% eens of helemaal eens

Correlatie (r) met rapportcijfer

Ik voel mij thuis in mijn buurt.

4,15

0,95

81,5%

.67*

De bebouwing in mijn buurt is aantrekkelijk.

3,78

0,97

68,2%

.54*

De woningen in mijn buurt zijn goed onderhouden.

3,84

0,95

73,1%

.50*

Het is vervelend om in mijn buurt te wonen.

4,20

0,99

7,4%

-.62*

Als het mogelijk is, verhuis ik uit mijn buurt.

3,99

1,22

14,4%

-.59*

Ik ben gehecht aan mijn buurt.

3,72

1,10

64,8%

.50*

Noot. M = Mean (Gemiddelde); SD = Standaard Deviatie; * p < .001. (tweezijdig).

8

2.2 Verschillen in buurtbeoordeling tussen Nederlandse gemeenten Voordat we de verschillen tussen buurten in ogenschouw nemen, onderzoeken we eerst de verschillen tussen gemeenten: In welke gemeenten zijn onze respondenten het meest en minst positief over hun buurt? Bij de berekening van de gemiddelde rapportcijfers per gemeente hebben we het criterium gehanteerd dat een gemeente minimaal 30 respondenten moet bevatten om een enigszins betrouwbare beoordeling te kunnen vaststellen, hetgeen leidt tot een selectie van in totaal 16.800 respondenten uit 155 gemeenten in Nederland. Relatief kleinere gemeenten en/of gemeenten met een relatief lagere responsgraad in Nederland blijven daarom dus buiten beschouwing bij deze analyse. Het gemiddelde rapportcijfer (M=7,53) van deze groep respondenten is ietsje lager dan van de totale steekproef (M=7,54; SD=1,56; N=18.760), maar dit verschil is niet statistisch significant. Tabel 2.1 en tabel 2.2 laten respectievelijk de tien hoogst beoordeelde en tien laagst beoordeelde gemeenten in Nederland zien, op basis van het gemiddelde rapportcijfer. Het overzicht van alle gemiddelde rapportcijfers is te vinden in een excel-bestand in een online bijlage: https://t.ly/8FH7o De uitkomsten laten zien dat er duidelijke verschillen bestaan tussen de gemeenten.

De hoogst beoordeelde gemeenten van Nederland scoren minstens één punt hoger dan de laagst beoordeelde gemeenten. Niet geheel verrassend is dat plaatsen zoals Laren, Bloemendaal en De Bilt in de top 10 staan. Deze kwamen in onze voorgaande onderzoeken namelijk ook goed uit de bus. Een belangrijke kanttekening bij deze cijfers is dat de verschillen tussen de gemeenten binnen de top-10 nagenoeg allemaal niet statistisch significant zijn, mede vanwege de relatief kleine steekproeven. Dit kan afgeleid worden uit de 95% betrouwbaarheidsintervallen die ook zijn weergegeven in de tabellen. Wel is zonder meer duidelijk dat deze gemeenten significant hoger scoren dan het landelijke gemiddelde (7,5). Ter illustratie: het gemiddelde rapportcijfer van Bloemendaal (in Noord-Holland) ligt ergens tussen 7,8 en 8,6. De conclusie is dat dit inderdaad een relatief hoog beoordeelde gemeente is, want zelfs de geschatte ondergrens (7,8) is al aanzienlijk hoger dan het landelijke gemiddelde. Maar deze gemeente had wel net buiten de top 10 kunnen vallen. Als we de relatief laag beoordeelde gemeenten in ogenschouw nemen (zie tabel 2.2), valt het op dat de regio Rijn­mond met drie relatief laag beoordeelde gemeenten (Rotterdam, Schiedam, Vlaardingen) sterk vertegenwoordigd is. Er zijn echter ook gemeenten die in meer landelijke gebieden liggen.

Het valt verder op dat aller­lei verschillende regio’s van Nederland op deze lijst voorkomen, onder andere Groningen (Eemsdelta), Limburg (Kerkrade) en Noord-Holland (Beverwijk). Het algemene beeld dat we verkrijgen van aantrekkelijke en minder aantrekkelijke plaatsen sluit goed aan bij de uitkom­sten van eerdere onderzoeken naar de ‘beste gemeenten’ die het weekblad Elsevier jaarlijks publiceert. Gemeenten met hoge rapportcijfers komen in het algemeen naar voren als relatief aantrekkelijke gemeenten voor de gemiddelde Nederlander (Deijkers 2021; Louken & Van Eikeren 2022). De resultaten die verkregen zijn door onze online enquête komen echter niet helemaal overeen met het jaarlijkse onderzoek Atlas voor gemeenten, uitgevoerd door onderzoeksbureau Atlas Research. Het laatstgenoemde onderzoek concludeerde onlangs dat Amsterdam de aantrekkelijkste stad is om te wonen in Nederland, en Emmen kwam het slechtste uit de bus.1 Een belangrijk verschil is het feit dat het onderzoek van Atlas Research alleen naar de 50 grootste gemeenten kijkt, terwijl bij ons onderzoek juist gekeken is naar een totaal van 155 Nederlandse gemeenten. Zo staan er in de top tien hoogst beoordeelde 1

https://nos.nl/artikel/2476257-amsterdam-aantrekkelijkste-stad-om-te-wonen-emmen-hekkensluiter

9

gemeenten in tabel 1.1 veelal gemeenten die in het onderzoek van de Atlas niet meegenomen zijn. Bovendien wijken gemeenten op sommige punten af. Zo verschilt de gemiddelde buurtbeoordeling van respondenten uit Emmen (7,4) niet of nauwelijks van respondenten uit Amsterdam (7,3). Dat zou verklaard kunnen worden doordat de manier van beoordelen van Atlas anders is dan de door ons gehanteerde methode. Waar in dit onderzoek gebruik gemaakt is van (subjectieve) indicatoren in een enquête die voorgelegd is aan de inwoners van een plaats zelf, heeft Atlas Research juist gekeken naar objectieve, feitelijke gegevens zoals de aanwezigheid van werkaanbod, culturele voorzieningen, afstand tot groen, horeca en onderwijs. Dit verschil in objectieve en subjectieve data zou ook een verklarende rol kunnen spelen in de differentie van uitkomsten. Tot slot concluderen we dat de gemiddelde scores per gemeente een eerste indicatie geven van de verschillen in buurtbeoordelingen in Nederland, maar ook een grote mate van diversiteit verhullen, die met name naar voren komt in de verschillende buurten in de grotere steden. Tabel 2.2 – De top 10 hoogst beoordeelde gemeenten op basis van het rapportcijfer (2023). Provincie

Gemeente

Gemiddelde

SD

95% BI

N

NB

Goirle

8,47

0,94

8,13 - 8,80

30

UT

De Bilt

8,24

1,04

8,00 - 8,47

73

NH

Bloemendaal

8,21

1,58

7,78 - 8,64

52

UT

Houten

8,19

0,91

7,95 - 8,44

52

UT

Leusden

8,18

0,86

7,96 - 8,39

62

GD

Renkum

8,11

1,31

7,81 - 8,40

76

NH

Laren

8,07

0,83

7,77 - 8,36

30

GR

Het Hogeland

8,03

1,08

7,65 - 8,41

31

ZH

Oegstgeest

8,03

0,80

7,75 - 8,31

31

ZL

Schouwen-Duiveland

8,03

1,78

7,41 - 8,66

31

Noot: analyse is gebaseerd op gemeenten met minstens dertig respondenten.

10

Tabel 2.3 – De top 10 laagst beoordeelde gemeenten op basis van het rapportcijfer (2023). Provincie

Gemeente

Gemiddelde

SD

95% BI

N

GR

Eemsdelta

6,52

2,47

5,64 - 7,39

31

NH

Beverwijk

6,55

1,39

6,06 - 7,04

31

LI

Beekdaelen

6,68

2,50

5,87 - 7,48

37

ZH

Schiedam

6,90

1,72

6,60 - 7,21

124

LI

Kerkrade

6,91

1,83

6,49 - 7,34

71

ZH

Rotterdam

6,94

1,77

6,80 - 7,08

630

GD

Rheden

6,95

1,82

6,50 - 7,41

62

GR

Oldambt

6,97

2,33

6,24 - 7,71

39

LI

Echt-Susteren

7,03

1,81

6,46 - 7,59

40

ZH

Vlaardingen

7,04

1,70

6,58 - 7,49

54

Noot: analyse is gebaseerd op gemeenten met minstens dertig respondenten.

2.3 Verschillen tussen buurten in Nederland Tabel 2.3 en tabel 2.4 laten respectievelijk de tien hoogst beoordeelde en tien laagst beoordeelde buurten in Nederland zien, op basis van het gemiddelde rapportcijfer.2 Bij de bepaling van deze ranglijst hebben we het criterium gehanteerd dat een buurt minimaal 20 respondenten moet bevatten om een enigszins betrouwbaar rapportcijfer te kunnen vaststellen, hetgeen leidt tot een selectie van in totaal 247 buurten (N=8.682) in Nederland. Een excel-bestand met alle gemiddelde rapportcijfers van deze 247 buurten is online te vinden: https://t.ly/c3_Vt De uitkomsten laten zien dat er aanzienlijke verschillen bestaan binnen gemeenten, met name in de grote steden. Ter illustratie: in Amsterdam geldt dat respondenten uit het Oostelijk Havengebied zeer tevreden zijn over hun buurt (M=8,4), terwijl Osdorp-Oost maar net een voldoende scoort (M=5,7). We zien in andere grote steden vergelijkbare tegenstellingen, in ‘s-Gravenhage tussen bijvoorbeeld Laakkwartier en Spoorwijk (M=5,2) en Benoordenhout (M=8,5). En Heerlen en Arnhem zijn wat dit betreft ook interessant. Deze steden hebben weliswaar een aantal zeer prettige buurten (zie tabel 2.4), maar behoren gemiddeld genomen niet tot de best gewaardeerde gemeenten doordat ze ook relatief laag scorende buurten hebben.

2

Wij spreken in dit rapport over ’buurten’, maar onze analyse is gebaseerd op wat het CBS aanduidt als ‘wijken’. Op een lager analyse-niveau zijn namelijk maar weinig respondenten beschikbaar per eenheid. Bovendien sluit dit in veel gevallen waarschijnlijk beter aan bij wat respondenten zelf verstaan onder ‘hun buurt’. Bijvoorbeeld: Amsterdammers zullen vaker aangeven dat ze in de Jordaan (CBS: wijk) wonen dan in de Anjeliersbuurt-Noord of Elandsgrachtbuurt (CBS: buurten binnen deze wijk).

11

Tabel 2.4 – De top 10 hoogst beoordeelde buurten op basis van het rapportcijfer (2023). Gemeente

Buurt

Gem

SD

95% CI

N

Arnhem

Alteveer/Cranevelt

8,89

0,88

8,57 - 9,22

28

Arnhem

Burgemeesterswijk/Hoogkamp

8,84

0,79

8,63 - 9,04

55

Heerlen

Caumerveld-Douve Weien

8,73

0,94

8,34 - 9,12

22

Rijswijk

Steenvoorde-Noord (Wijk 8)

8,52

0,81

8,18 - 8,87

21

Renkum

Oosterbeek Zuidoost

8,50

0,91

8,12 - 8,88

22

's-Gravenhage

Geuzen- en Statenkwartier

8,48

1,16

8,03 - 8,93

25

Utrecht

Oost

8,47

0,86

8,25 - 8,68

62

's-Gravenhage

Benoordenhout

8,45

1,09

8,07 - 8,84

31

Hilversum

Noordwest

8,42

0,95

8,07 - 8,78

27

Amsterdam

Oostelijk Havengebied

8,42

0,81

8,14 - 8,70

31

Noot: analyse is gebaseerd op buurten met minstens twintig respondenten.

Tabel 2.5 – De top 10 laagst beoordeelde buurten op basis van het rapportcijfer (2023). Gemeente

Buurt

Gem

SD

95% CI

N

's-Gravenhage

Laakkwartier en Spoorwijk

5,19

1,50

4,62 - 5,77

26

Bergen op Zoom

Bergen op Zoom-Oost

5,67

1,46

5,08 - 6,25

24

Amsterdam

Osdorp-Oost

5,68

1,84

4,91 - 6,45

22

Rotterdam

Charlois

5,72

2,10

5,23 - 6,22

69

's-Gravenhage

Bouwlust en Vrederust

5,76

1,81

5,05 - 6,47

25

Rotterdam

Delfshaven

6,27

1,84

5,65 - 6,89

34

Eindhoven

Oud-Woensel

6,38

1,64

5,72 - 7,03

24

Eindhoven

Erp

6,38

1,53

5,73 - 7,04

21

Utrecht

Overvecht

6,42

2,02

5,61 - 7,22

24

Haarlem

Europawijk

6,43

2,16

5,51 - 7,35

21

Noot: analyse is gebaseerd op buurten met minstens twintig respondenten.

2.4 Uit welke dimensies bestaat de buurtbeoordeling? Zoals gezegd zijn de rapportcijfers van de buurten gebaseerd op de vraag aan respondenten hoe zij hun buurt over het algemeen beoordelen. Waar denken mensen dan vooral aan? Anders gezegd: welke aspecten van de buurt vinden zij belangrijk bij het bepalen van hun cijfer? We 12

hebben aan respondenten gevraagd welke aspecten zij belangrijk vinden bij het beoordelen van hun buurt. Wij legden acht verschillende aspecten voor – meerdere antwoorden geven was mogelijk – die zijn weergegeven in tabel 2.6. Hieruit kan de conclusie getrokken worden dat een rustige woonomgeving (69%), prettige omgang tussen buurtgenoten (65%) en gunstige locatie (62%) de drie meest belangrijke aspecten zijn. De overige aspecten worden duidelijk minder frequent genoemd. Zijn deze acht verschillende aspecten die wij aan de respondenten hebben voorgelegd terug te brengen tot een kleiner aantal onderliggende dimensies? De uitkomsten van een exploratieve factoranalyse zijn ook weergegeven in tabel 2.6. De gepresenteerde factorladingen die hierin zijn weergegeven kunnen op dezelfde wijze opgevat worden als correlaties: hoe hoger de score, des te sterker het verband tussen het betreffende aspect (het item) en het latente, onderliggende construct. Uit deze analyse valt op te maken dat we minimaal twee onderliggende dimensies kunnen onderscheiden. De eerste dimensie waarop respondenten hun buurt beoordelen bestaat uit bereikbaarheid en voorzieningen. En de tweede dimensie kan samengevat worden als de behoefte aan een rustige, veilige en schone omgeving. Het komt min of meer overeen met een voorkeur voor ’stedelijke ambiance’ (reuring) en voor harmonie (rust).

Of nog bondiger: tussen een voorkeur voor de stad of voor het platteland (zie ook: Deijkers 2018, 2021). Zoals onderzoekers Peter Louken en Pim van Eikeren (2022) het uitdrukken: ‘waar de een de ambiance van de stad zoekt, prefereert de ander de harmonie en rust en ruimte van het platteland’. De aspecten ’aantrekkelijke bebouwing’ en ’natuurlijke omgeving’ laden op allebei de bovengenoemde dimensies redelijk zwak, dus passen in feite niet zo heel goed bij elk van de twee onderliggende voorkeuren. Deze zou men eventueel nog apart kunnen onderscheiden. Tot slot is het ook interessant om op te merken dat het aspect ’prettige omgang tussen buurtgenoten’ weliswaar het beste aansluit bij de tweede dimensie (een rustige, schone en veilige omgeving), maar wel een vrij lage factorlading heeft (.48). Dat wil zeggen dat dit aspect vooral belangrijk wordt gevonden door mensen die ook waarde hechten aan een veilige en rustige omgeving, maar dit verband is relatief zwak. En dit aspect hoort ook duidelijk niet bij een voorkeur voor de reuring en goede bereikbaarheid van steden. Dus: de mate waarin iemand belang hecht aan goede voorzieningen en uitgaansmogelijkheden is blijkbaar niet gerelateerd aan het belang dat men hecht aan een prettige omgang met buurtgenoten.

De meest accurate conclusie is dat ‘prettig contact met buurtgenoten’ (sociale cohesie) als aparte, derde dimensie beschouwd moet worden, naast ‘rust’ en ‘reuring’. Tabel 2.6 – Factorladingen van acht aspecten buurtbeoordeling (patroonmatrix) Percentage genoemd

Dimensie 1: Rust

Dimensie 2: Reuring

Aanbod en kwaliteit van voorzieningen (scholen, winkels, horeca, zorg, etc.).

55,6%

0,770

Gunstige locatie, bereikbaarheid (uitvalswegen, openbaar vervoer).

61,8%

0,793

Aantrekkelijke bebouwing (historische en/of ruime bebouwing, goed onderhouden).

36,6%

13

0,327

0,439

Natuurlijke omgeving (recreatie, parken, bos en natuur, strand, binnenwater).

50,9%

0,306

Rustige woonomgeving (geen overlast van omwonenden).

69,0%

0,733

Schone woonomgeving (geen afval op straat).

53,8%

0,780

Veiligheid (geen criminaliteit en vernieling, verkeersveiligheid).

53,4%

0,753

Prettige omgang tussen buurtgenoten (goed onderling contact).

64,6%

0,479

0,393

Noot: Principale Componenten Analyse met oblimin rotatie. Factorladingen kleiner dan 0,3 zijn weggelaten. N=19.832

2.5 Waarom scoren sommige buurten goed? Verklaringen van verschillen in buurtbeoordeling Welke eigenschappen van een buurt verklaren waarom de inwoners hun leefomgeving zo positief of juist minder positief beoordelen? Anders gezegd: welke kenmerken zijn bepalend voor een hogere of lagere beoordeling van de buurt? Voor het beantwoorden van deze vraag richten wij zoals gezegd onze aandacht op sociale cohesie: we brengen vijf verschillende thema’s in kaart die allemaal direct of indirect gerelateerd zijn aan de mate van sociale cohesie in de buurt: (1) de frequentie en kwaliteit van het contact met buurtgenoten, (2) het bieden van hulp aan buren (3) de organisatie van activiteiten en initiatieven in de buurt, (4) ervaren criminaliteit en onveiligheid en (5) sociaal vertrouwen. Bij elk van deze thema’s wordt nagegaan in hoeverre goede buurten en slechte buurten – zoals ervaren door de bewoners – van elkaar verschillen. Stap-voor-stap ontstaat er zo meer inzicht in welke sociale aspecten ervoor zorgen dat sommige buurten in Nederland beter beoordeeld worden dan andere buurten. We onderzoeken bij deze vijf cohesie-gerelateerde thema’s de verbanden op het individuele niveau.

Bijvoorbeeld: zijn res­pondenten die vaak contact hebben met hun buurtgenoten meer tevreden over hun buurt dan res­pondenten die niet of nauwelijks contact hebben? We kunnen vanwege de analyse op individueel niveau gebruikmaken van de volledige steekproef en dus respondenten uit alle buurten in de analyse be­trekken, ongeacht het aantal respondenten per buurt. We onderzoeken geen aanvullende effecten op het macro-niveau. Bijvoorbeeld: zijn respondenten die in buurten wonen waar gemiddeld genomen veel contact is tussen buurtgenoten, meer tevreden dan respondenten die in buurten wonen waar gemiddeld genomen weinig contact is – ongeacht of deze mensen zelf veel of weinig contact hebben met buurtgenoten? Tot slot: door item non-response – sommige respondenten hebben een missende waarde bij een bepaalde vraag – ver­melden we per tabel steeds de betreffende steekproefgrootte per analyse (N). 2.5.1 Contact met buurtgenoten Respondenten geven aan dat ze voornamelijk wekelijks of dagelijks contact hebben met buurtgenoten (zie tabel 2.7). Respectievelijk 33,5% en 29,3% van de ondervraagden heeft wekelijks of dagelijks contact met mensen uit hun buurt. Het komt veel minder vaak voor dat iemand aangeeft ‘nooit’ (3,0%) of slechts ‘enkele keren per jaar’ (11,3%) contact te hebben.

De mate van contact kan gedeeltelijk verklaren waarom sommige mensen de kwaliteit van hun buurt als beter of juist als minder goed ervaren. In figuur 2.1 staat de relatie tussen de 14

frequentie van contact met buurtgenoten en de gemiddelde buurtbeoordeling (i.e. het rapportcijfer) weergegeven. We concluderen hieruit dat naarmate het contact met buurtgenoten toeneemt, de buurtbeoordeling veel positiever is. Respondenten die dagelijks contact hebben met mensen uit de buurt zijn gemiddeld genomen het meest positief (M=7,9), terwijl respondenten die aangeven niet of nauwelijks contact te hebben het laagste scoren. Opvallend is dat slechts weinig contact met buurtgenoten (in plaats van nooit) ook al een sterk gunstig effect lijkt te hebben: indien mensen aangeven ‘enkele keren per jaar’ contact met elkaar hebben, wordt de buurt al ruim een punt hoger gewaardeerd (M=6,8) in vergelijking met de categorie ‘nooit contact’ (M=5,5). Tabel 2.7 – Hoe vaak heb jij contact met je buurtgenoten? (met mensen uit jouw buurt) Frequentie contact

Percentage

Gem score

SD

N

Nooit

3,0%

5,52

2,40

585

Enkele malen per jaar

11,3%

6,83

1,79

2182

Iedere maand

5,1%

7,40

1,43

978

Enkele malen per maand

17,7%

7,43

1,47

3424

Wekelijks

33,5%

7,71

1,33

6467

Dagelijks

29,3%

7,90

1,42

5657

Figuur 2.1 – Relatie tussen frequentie contact met de buren en buurt beoordeling De kwaliteit van het contact met buurtgenoten wordt over het algemeen als prettig ervaren (zie tabel 2.8). Een ruime meerderheid van onze respondenten geeft aan dat het contact ‘prettig’ (62,6%) of ‘zeer prettig’ (21,4%) is. Er zijn daarentegen maar weinig mensen (namelijk: 2,3%) die aangeven dat het contact met buurtgenoten onprettig of zelfs zeer onprettig is. Voorts kunnen we concluderen dat de aard van het contact een sterk verband heeft 15

met de waardering van de buurt (figuur 2.2). De rapportcijfers lopen namelijk sterk uiteen: de beoordeling van de buurt is zeer hoog (M=8,4) als buurtbewoners zeer prettig contact hebben, terwijl zij gemiddeld genomen een duidelijke onvoldoende geven indien zij aangeven dat het contact ‘onprettig’ (M=5,0) of ‘zeer onprettig’ (M=4,6) is. Samengevat: uit de analyse blijkt dat naarmate de kwaliteit van het contact met buurtgenoten toeneemt, de buurtbeoordeling ook significant toeneemt. We kunnen dit verband ook als volgt verwoorden: het percentage respondenten dat aangeeft prettig of zeer prettig contact te hebben met buurtgenoten ligt in goed beoordeelde buurten doorgaans beduidend hoger dan in laag beoordeelde buurten. Tabel 2.8 – Wat is de kwaliteit van het contact met je buurtgenoten? Percentage

Gem score

SD

N

Zeer prettig

21,4%

8,40

1,14

4001

Prettig

62,6%

7,68

1,24

11.735

Niet prettig, niet onprettig

13,8%

6,43

1,65

2.580

Onprettig

1,7%

5,02

1,86

310

Zeer onprettig

0,6%

4,60

2,66

107

Figuur 2.2 – Relatie tussen kwaliteit van het contact met de buren en buurtbeoordeling

16

2.5.2 Het bieden van hulp aan buurtgenoten Tabel 2.9 laat de verschillende manieren zien waarop respondenten aangeven hun buurtgenoten te helpen. Hieruit blijkt dat drie categorieën van hulp beduidend vaker genoemd worden: het aannemen van pakketjes, het bewaren van de huissleutel, en een oogje in het zeil houden of verzorgen van de planten wanneer buurtgenoten afwezig zijn. Bijna de helft (43,9%) van alle ondervraagden neemt vaak pakketjes aan en ook een groot deel (42,0%) doet dit ‘soms’. Als we de cate­gorieën ‘vaak’ en ‘soms’ samenvoegen (gezamenlijk 69,5%), komt het oogje in het zeil houden op de tweede plaats van meest voorkomende hulp. De sleutel bewaren komt op de derde plaats. Ongeveer een derde van de respondenten (31,6%) geeft aan dit vaak te doen, en een ruime meerderheid (58,8%) doet dit op zijn minst soms. Alle andere vormen van hulp aan buurtgenoten komen bedui­dend minder vaak voor. In tabel 2.10 zijn de gemiddelde buurtbeoor­delingen weergeven, uitgesplitst naar de frequentie van hulp die respon­denten bieden aan hun buurtgenoten (alle vormen van hulp zijn samengenomen). De beoordeling van de buurt is relatief laag (M=6,9) indien buurtbewoners nooit hulp bieden, terwijl het hoogste oordeel (M=7,9) wordt gegeven door de groep mensen die regelmatig hulp bieden.

Er blijkt bij de frequentie van hulp een limiet te zitten aan het positieve effect dat dit kan hebben op de buurtbeoordeling. Opvallend is dat het vaak verlenen van hulp helemaal geen hogere rapportcijfers oplevert dan wanneer dit regelmatig of soms gebeurt. Deze verschillen tussen de gemiddelde rapportcijfers staan ook in een figuur weergegeven (zie figuur 2.3). Hierin valt duidelijker te zien dat de relatie niet-lineair is. Zoals hieruit valt af te lezen, is er sprake van een groot effect bij het geven van enige hulp ten opzichte van het nooit verlenen van burenhulp, maar blijkt de regelmaat van de hulp na een bepaald niveau niet bijzonder veel uit te maken. Anders gezegd: om in de top-10 van best gewaardeerde buurten te komen is het niet zozeer noodzakelijk om een zeer hoge score te behalen qua burenhulp-frequentie – regelmatig hulp bieden in plaats van heel vaak maakt nauwelijks een verschil – maar het is vooral zaak om hierbij niet heel laag te scoren. Er zou gespeculeerd kunnen worden dat het relatief vaak moeten verlenen van hulp aan buurtgenoten in sommige gevallen zelfs als een belasting of als ongewenst ervaren zou kunnen worden ten opzichte van de minder frequente opties ‘soms’ en ‘regelmatig’. Het verschil is echter gering tot verwaarloosbaar.

Ter illustratie laten we tot slot zien dat de relatie tussen burenhulp en de buurtbeoordeling ook op een andere wijze gepresenteerd kan worden: middels een vergelijking van de percentages mensen dat hulp biedt. In de beter gewaardeerde gemeenten zoals De Bilt (72%) en Bloemendaal (78%) ligt het percentage respondenten dat ‘soms’ of ‘vaak’ de sleutel bewaart over het algemeen hoger dan in relatief laag beoordeelde gemeenten zoals Vlaardingen (48%) en Eemsdelta (43%). Maar er zijn ook zeker uitzonderingen op dit algemene patroon. In onze steekproef komt de gemeente Voorschoten (84%) wat betreft het bewaren van de sleutel overigens als beste uit de bus. Dit aspect van sociale cohesie heeft te maken met de mate van stedelijkheid van de buurt: in de zeer sterk stedelijke buurten is het percentage respondenten dat aangeeft soms of vaak de sleutel te bewaren voor de buren het hoogste (59,7%; N=4.976) en bij respondenten die op het platteland wonen juist het laagste (56,1%; N=1.547). Dit verschil zou verklaard kunnen worden door gelegenheid: hoe meer buurtgenoten je hebt, des te groter de kans dat je door iemand om hulp gevraagd zou kunnen worden. Tabel 2.9 – Welke hulp geef je aan je buurtgenoten? Oogje in het zeil houden of planten verzorgen wanneer buurtgenoten afwezig zijn

17

Vaak (3) 22,0%

Soms (2) 45,8%

Zelden (1) 13,6%

Nooit (0) 13,3%

Pakketjes aannemen

43,9%

42,0%

6,4%

3,7%

Oppassen op de kinderen

1,6%

6,6%

11,8%

72,1%

Huisdieren verzorgen of uitlaten

4,9%

19,3%

13,1%

55,4%

Boodschappen doen of koken

2,7%

17,6%

22,2%

57,6%

Klusjes in huis of in de tuin

3,2%

20,6%

21,7%

54,5%

Helpen bij persoonlijke verzorging of verpleging

1,1%

6,9%

14,0%

78,0%

Delen of hergebruiken van spullen (bijv. auto, weggeven van spullen) Bewaren van de huissleutel

5,3%

28,3%

21,8%

44,7%

31,6%

27,2%

9,6%

31,6%

Tabel 2.10 – Frequentie van hulp aan buurtgenoten Percentage

Gem score

SD

N

Nooit

23,5%

6,86

1,86

4.636

Zelden

33,2%

7,63

1,40

6.566

Soms

28,4%

7,84

1,28

5.623

Regelmatig

9,4%

7,89

1,44

1.858

Vaak

2,8%

7,85

1,55

545

Noot: het gemiddelde van negen hulpitems is als volgt in categorieën ingedeeld: Nooit = 0 - 0.6, Zelden = 0.6 - 1.2, Soms = 1.2 - 1.8, Regelmatig = 1.8 - 2.4, Vaak = 2.4 - 3.

Figuur 2.3 – Relatie tussen frequentie burenhulp en buurtbeoordeling

18

2.5.3 Activiteiten en initiatieven in de buurt In tabel 2.11 staat weergegeven hoe vaak respondenten aangeven dat er buurtactiviteiten georganiseerd worden. Gemiddeld genomen is de frequentie hiervan laag. De activiteit die het meeste werd aangevinkt is ‘buurtfeest, -borrel, -barbecue’; ongeveer 46% van de respondenten geeft aan dat dit soms of zelfs vaker plaatsvindt. Daarentegen zegt ongeveer 32% van de respondenten dat er zelden of nooit buurtactiviteiten of -initiatieven in hun buurt plaatsvinden, van welke aard dan ook – bij elk van de zes door ons voorgelegde mogelijke buurtactiviteiten antwoordden zij ‘zelden of nooit’. De buurt-rapportcijfers staan in figuur 2.4 uitgesplitst naar frequentie van activiteiten. Opvallend aan deze figuur is dat de frequentie van gehouden buurtactiviteiten en -initiatieven op een zeker moment niet veel effect (meer) schijnt te hebben op het rapportcijfer. Waar er sprake is van een duidelijk stijging van ruim een halve punt bij het ‘soms’ houden van evenementen ten opzichte van het ‘zelden tot nooit’ houden hiervan, is deze positieve stijging aanzienlijk kleiner bij de toename naar het ‘regelmatig’ en ‘vaak’ houden van activiteiten en initiatieven. Vooral het verschil tussen ‘vaak’ en ‘heel vaak’ is verwaarloosbaar en zelfs in de negatieve richting.

Dit impliceert dat ondanks dat het weleens houden van buurtactiviteiten en initiatieven een positief effect kan hebben op de algemene buurtbeoordeling, een nog hogere frequentie van deze activiteiten op een gegeven moment geen verdere positieve invloed hierop meer heeft. Tabel 2.11 – Frequentie van activiteiten en initiatieven in de buurt Percentage

Gem score

SD

N

Zelden of nooit activiteiten

31,7%

7,02

1,76

5.959

Soms

43,1%

7,66

1,40

8.108

Regelmatig

21,5%

7,94

1,30

4.043

Vaak

2,5%

8,23

1,32

480

Heel vaak activiteiten

1,2%

8,10

1,55

220

Noot: de gemiddelde frequentie van zes buurtactiviteiten (vaak=2; soms=1; zelden of nooit=0) is als volgt in drie categorieën ingedeeld: Zelden of nooit = 0, Soms = >0 - 0.5, Regelmatig = 0.5 - 1, Vaak= 1 - 1.5, Heel vaak = 1.5 - 2.

19

Figuur 2.4 – Relatie tussen frequentie initiatieven en activiteiten en buurtbeoordeling 2.5.4 Criminaliteit en onveiligheid Een meerderheid van de ondervraagden (53,4%) geeft aan zelden of nooit last te hebben van criminaliteit in de buurt; 33% ervaart een beetje last en 7,4% ernstige last (zie tabel 2.12). Het kan hierbij bijvoorbeeld gaan om vandalisme, inbraak, diefstal, vernielingen en geweldpleging. De overige 6% heeft bij deze vraag de antwoordoptie ‘weet niet, geen antwoord’ aangevinkt. Uit figuur 2.5 valt af te lezen dat er een duidelijk verschil is tussen de drie antwoordcategorieën; waar het verschil tussen ‘zelden tot nooit’ en ‘een beetje’ net iets meer dan een daling van een half punt is, keldert het rapportcijfer met ongeveer twee punten wanneer de criminaliteit als ‘ernstig’ ervaren wordt. Last van criminaliteit heeft dus een sterk verband met het rapportcijfer. Het lijkt er op dat het verschil tussen ‘een beetje’ en ‘zelden tot nooit’ minder invloed heeft. Dit zou verklaard kunnen worden door het feit dat laatstgenoemde categorie ook het woord zelden bevat en ‘zelden’ en ‘een beetje’ enigszins op elkaar lijken. Wanneer zelden en nooit uit elkaar getrokken zouden worden, zou ‘nooit’ een aanzienlijk hogere beoordeling kunnen hebben.

Dit is echter in de huidige enquête niet als aparte categorie onderscheiden, en blijft dit alleen een veronderstelling die eventueel in vervolgonderzoek onderzocht zou kunnen worden. Tabel 2.12 – Heb je in jouw buurt last van criminaliteit? Percentage

Gem score

SD

N

Zelden tot nooit last

53,4%

7,99

1,22

9.972

Een beetje last

33,0%

7,31

1,44

6.155

Ernstige last

7,4%

5,55

2,10

1.379

20

Noot: overige 6,2% is ‘weet niet, geen antwoord’ (M=7,23).

Figuur 2.5– Relatie tussen ervaarde criminaliteit en buurt beoordeling We hebben in onze online enquête ook naar gevoelens van onveiligheid gevraagd, zowel overdag als ‘s avonds (twee afzonderlijke vragen, met elk drie antwoordmogelijkheden). Het overgrote deel van de respondenten (ongeveer driekwart) voelt zich ‘s avonds nagenoeg altijd veilig in de buurt. Daarentegen voelt onge­veer 6 procent van de ondervraagden zich ’s avonds vaak onveilig in hun buurt, en 19 procent soms. We hebben ook gevraagd naar de ervaren onveiligheid overdag. Dat maakt zoals verwacht een verschil: de per­centages liggen dan op respectievelijk 2 procent en 11 procent. Ter vergelijking: de Veiligheidsmonitor 2019 stelt een vergelijkbare vraag – zonder aan te geven of dit overdag of ’s avonds betreft – en concludeerde dat 1 procent van de mensen zich ‘vaak’ en 14 procent zich ‘wel eens’ onveilig voelt in de eigen buurt (CBS, 2020). Tabel 2.13 combineert de twee vragen (overdag en ‘s avonds) en laat zien dat ervaren onveiligheidsgevoelens sterk samenhangen met de beoordeling van de buurt. De rapportcijfers zijn weergegeven in figuur 2.6, die duidelijk laat zien dat ondervraagden die zich veilig voelen voornamelijk in de be­ter beoordeelde buurten wonen.

De groep mensen die zich het meest onveilig voelt in hun buurt, beoordelen hun buurt gemiddeld met slechts een 4,4 (N=402), terwijl de gemiddelde buurtbeoordeling een 7,9 bedraagt bij de on­dervraagden, die zich vrijwel altijd veilig voelen in hun buurt. De conclusie over dit verband kunnen we anders gezegd ook als volgt formuleren: we zien over het algemeen een hoger aandeel (i.e. een hoger percentage) respondenten dat zich onveilig voelt in buurten met relatief lage rapportcijfers en een lager aandeel in de ‘betere buurten’. Ter illustratie: in de Amsterdamse buurt Osdorp-Oost geeft circa 16 pro­cent van de ondervraagden aan zich ’s avonds vaak onveilig te voelen, en 40 procent ‘soms’, terwijl deze percentages in het Oostelijk Havengebied respectievelijk 3 en 18 procent bedragen.3

3

Deze cijfers van twee Amsterdamse buurten ter illustratie van verschillen in ervaren onveiligheid zijn gebaseerd op de gecombineerde Nextdoor buurtonderzoek surveys van 2021 en 2022 (Muis et al. 2022).

21

Tabel 2.13 – Hoe vaak voel je je overdag (‘s avonds) wel eens onveilig in jouw buurt? Percentage

Gem score

SD

N

Zeer zelden

72,6%

7,91

1,24

13.600

Zelden

12,8%

7,20

1,41

2.406

Niet vaak, niet zelden

8,8%

6,52

1,74

1.650

Vaak

3,6%

5,75

1,69

673

Zeer vaak

2,1%

4,41

2,35

402

Noot: twee items over onveilig gevoel 's avonds en overdag (vaak=2; soms=1; zelden of nooit=0) samengevoegd: Zeer zelden = 0 – 0.4, Zelden = 0.4 - 0.8, niet vaak, niet zelden = 0.8 - 1.2, Vaak = 1.2 - 1.6, Zeer vaak = 1.6 - 2.

Figuur 2.6 – Relatie tussen mate van ervaring van onveilig gevoel in de buurt en buurt beoordeling 2.5.5 Sociaal vertrouwen Sociaal vertrouwen is een belangrijke graadmeter voor sociale cohesie en gemeenschapszin. In de enquête vroegen we respondenten in hoeverre zij denken dat mensen meestal behulpzaam proberen te zijn of dat zij meestal aan zichzelf denken. Daarnaast vroegen we ook in hoeverre zij denken dat de meeste mensen in het algemeen te vertrouwen zijn of dat je niet voorzichtig genoeg kunt zijn in de omgang met mensen. Dit zijn dus twee meer algemeen gestelde surveyvragen, waarbij niet specifiek om iemands vertrouwen in zijn of haar buurtgenoten gaat, maar om vertrouwen in an­dere mensen in het algemeen.4 Het is het opvallend dat het antwoord op deze twee vragen – iemands mate van sociaal vertrouwen – sterk samenhangt met de buurtbeoordeling. Dit verband is te zien in tabel 2.14 en ook in figuur 2.7. De gemid­delde beoordeling van de buurt van ondervraagden die heel veel 4

Deze twee vragen zijn overgenomen uit de European Social Survey (ESS).

22

sociaal vertrouwen hebben (M = 8,4) is aanzienlijk positiever dan de beoordeling van de ondervraagden die heel weinig sociaal vertrouwen hebben (M = 5,5). Het verschil van bijna drie punten is opmerkelijk groot.

Tabel 2.14 – Gemiddelde buurtbeoordeling, uitgesplitst naar mate van sociaal vertrouwen Percentage

Gem score

SD

N

Zeer weinig

4,3%

5,45

2,42

790

Weinig

8,7%

6,48

1,86

1596

Niet veel, niet weinig

20,7%

7,10

1,49

3795

Veel

50,9%

7,84

1,15

9333

Zeer veel

15,3%

8,44

1,14

2809

Noot. Gemiddelde score van twee vertrouwen-items (0-10) is als volgt ingedeeld: Zeer weinig = 0 – 2, Weinig = 2 - 4, Niet veel, niet weinig = 4 - 6, Veel = 6 - 8, Zeer veel = 8 - 10.

Figuur 2.7 – Relatie tussen sociaal vertrouwen en buurt beoordeling 2.5.6 Stad versus platteland, arm versus rijk? We hebben tot dusver op basis van onze enquêtegegevens laten zien hoe verschillende indicatoren van sociale cohesie samenhangen met een hogere of lagere beoordeling van de buurt, zoals goed contact met buurtgenoten, sociaal vertrouwen en ervaren veiligheid. In deze laatste paragraaf van dit hoofdstuk zoomen we kort uit op de bredere maatschappelijke context: sociaal-economische macro-factoren. Buurten, wijken en gemeenten in Nederland kunnen aan de hand daarvan op basis van allerlei verschillende kenmerken onderscheiden worden. Twee veelbesproken en voor de hand liggende kenmerken zijn de mate van 23

stedelijkheid en economische ongelijkheid. Oftewel: het verschil tussen de stad en het platteland, en tussen arm en rijk. Uit onder andere het WoonOnderzoek Nederland is bekend dat mensen in sterk stedelijke gebieden over het algemeen wat minder tevreden zijn over hun woonomgeving dan mensen in minder stedelijke gebieden (BZK, 2019). Deze Nextdoor-enquête geeft hetzelfde beeld: het gemiddelde rapportcijfer is in de meest stedelijke gebieden van Nederland lager (M=7,4) dan bij de respondenten die op het platteland wonen (7,7).5 Het vaak besproken verschil tussen ‘stad’ en ‘platteland’ blijkt echter schromelijk overdreven als rekening gehouden wordt met sociaal-economische verschillen in Nederland. Figuur 2.1 laat het verband zien tussen de mate van stedelijkheid en de buurtbeoordeling, gecontroleerd voor de invloed van het gemiddelde inkomen van een buurt.6 De gegevens laten zien dat mensen uit rijke plattelandsgebieden het meest tevreden zijn over hun woonomgeving en mensen uit arme buurten in de grote steden het minst tevreden zijn. Maar de kloof tussen ‘goede’ en ‘slechte’ buurten is veel groter binnen de steden en plattelandsgebieden dan tussen de grote steden en het platteland: de mate van stedelijkheid maakt niet zoveel uit, het doet er vooral toe of je in een rijkere of armere buurt woont.

Respondenten uit het rijke platteland zijn zoals gezegd duidelijk het meest tevreden over hun buurt (M=8,2). Maar voor rijke buurten geldt dat respondenten uit zeer sterk stedelijke buurten ook juist opvallend tevreden zijn over hun buurt (M=7,9), in elk geval beduidend meer tevreden dat dan respondenten uit het minder welgestelde platteland. Bij relatief arme buurten maakt het voor iemands tevredenheid over de woonomgeving in sterkere mate uit of je op het platteland of in een grote stad woont. In deze buurten is de tevredenheid met de buurt beduidend hoger op het platteland (M=7,1) dan in de meest stedelijke buurten (M=6,7).

Figuur 2.8 – Gemiddelde rapportcijfer, uitgesplitst naar stedelijkheid en gemiddelde inkomen van buurt 5

Meer details: zie tabel A1 in bijlage. CBS gegevens van buurten en wijken zijn afkomstig van: https://www.cbs.nl/nl-nl/maatwerk/2023/14/kerncijfers-wijken-en-buurten-2021 We gebruikten de data van 2021, want de data van 2022 waren nog niet volledig beschikbaar. Mate van stedelijkheid betreft de variabele “ste_mvs”. 6

24

2.5.7 Slotbeschouwing over de rol van cohesie-gerelateerde factoren We hebben zojuist gezien dat de respondenten uit rijke plattelandsgebieden gemiddeld genomen het meest positief zijn over hun buurt en respondenten uit arme buurten in de grote steden het minst positief zijn. In deze slotbeschouwing gaan we in op de resterende vraag in hoeverre buurten in het rijke platteland hoger scoren omdat de sociale cohesie hier sterker is. Of zijn de buurtbeoordelingen hier juist hoger ondanks dat zij betreft de cohesie-gerelateerde factoren niet of nauwelijks beter uit de bus komen in vergelijking met buurten in de rest van Nederland? Deze vraag kunnen we beantwoorden met een multiple regressie-analyse waarin we alle factoren gezamenlijk in ogenschouw kunnen nemen. Zodoende kunnen we ook evalueren welke aspecten van sociale cohesie die we gemeten hebben de sterkste invloed hebben op de buurtbeoordeling. Tabel 2.15 laat de resultaten zien van regressie-analyses met het rapportcijfer (i.e. de buurtbeoordeling van de respondenten) als afhankelijke variabele. De tweede kolom is gebaseerd op afzonderlijke enkelvoudige regressies en deze uitkomsten herhalen dus de verbanden die in het voorgaande al besproken zijn.

Alle predictoren zijn gehercodeerd op een 0-1 schaal, zodat de b-coëfficienten steeds het maximale effect weergeven, namelijk het verschil in beoordeling tussen de minimum- en maximumwaarde van de verklarende variabele. Zo zien we bijvoorbeeld dat het geschatte rapportcijfer van respondenten die in de meest verstedelijkte buurten van Nederland wonen 0,32 punt lager is dan respondenten die in de minst verstedelijkte buurten wonen. Het gemiddelde inkomen heeft een sterker effect: de geschatte beoordeling van de buurten met een hoog gemiddeld inkomen is bijna één punt hoger (0,96) dan de buurten met een laag gemiddeld inkomen. Vervolgens staan alle effecten van vijf verschillende thema’s die betrekking hebben op sociale cohesie en die we ondervraagd hebben in de online survey. Bij drie variabelen (ervaren criminaliteit, frequentie van activiteiten in de buurt, frequentie van hulp aan buurtgenoten) hebben we zogeheten losse dummy-variabelen aangemaakt, omdat onze beschrijvende analyse erop heeft gewezen dat de effecten hier niet-lineair lijken te zien. Dit is bijvoorbeeld goed te zien bij de rol van burenhulp: als iemand nooit hulp verleent, ligt de gemiddelde beoordeling van de buurt aanzienlijk lager (-0,76) dan bij mensen die soms hulp verlenen. Deze invloed is ook statistisch significant.

Maar er is geen significant verschil in beoordeling tussen ‘soms’ en ‘regelmatig’ (0,10) en evenmin tussen ‘soms’ en ‘vaak’ (0,05). Het eerder vermelde plafond-effect wordt hier dus bevestigd: nog vaker hulp bieden dan ‘soms’ heeft geen toegevoegde waarde voor de waardering van de buurt. De derde kolom presenteert de gezamenlijke effecten van zowel de mate van stedelijkheid van een buurt en het gemiddelde inkomen. Zoals we net al hebben gezien, kunnen we hieruit nogmaals afleiden dat het model voorspelt dat de buurten op het platteland met een hoog inkomen beter gewaardeerd worden. Kan dit positieve (inkomen) en negatieve (stedelijkheid) effect toegeschreven worden aan het feit dat de sociale cohesie over het algemeen lager is in de armere buurten in grote steden? Het antwoord op deze vraag luidt ‘ja’. De uitkomsten in de vierde kolom laten zien dat ongeveer de helft van de invloed van het gemiddelde buurtinkomen wegverklaard wordt – de afname van 0,73 naar 0,38 is bijna een halvering. En het verschil tussen de stad en het platteland is zelfs helemaal verdwenen. Dit is opmerkelijk. Gecontroleerd voor alle onderzochte cohesie-gerelateerde factoren is er geen enkel verschil meer overgebleven in de buurtbeoordeling van respondenten uit de zeer stedelijke gebieden en uit de dorpen op het platteland.

De uitkomsten in vierde kolom laten ook zien welke aspecten de doorslag geven bij een 25

analyse van alle sociale factoren gezamenlijk. De bevindingen kunnen als volgt samengevat worden. Ten eerste, de frequentie van contact heeft geen enkele significante invloed meer, indien rekening wordt gehouden met de kwaliteit van contact met buurtgenoten. Het effect van laatstgenoemde variabele is vrij sterk: de buurt wordt gemiddeld maar liefst 2,38 punt positiever gewaardeerd indien er sprake is van ‘zeer prettig contact’, in vergelijking met ‘zeer onprettig contact’. Ten tweede kunnen we concluderen dat hulp aan buurtgenoten nauwelijks een aanvullende rol speelt, indien rekening wordt gehouden met alle andere factoren. Afgezien van een klein negatief effect van het ‘nooit’ verlenen van hulp (in vergelijking met ‘soms’) leidt meer hulp geven doorgaans niet tot een hogere buurtbeoordeling. Ook buurtactiviteiten spelen maar een beperkte rol: er is weliswaar een duidelijk negatief effect als deze zelden of nooit plaatsvinden (-0,31), in vergelijking met regelmatig, maar als dit ‘vaak’ of ‘heel vaak’ gebeurt leidt dit echter niet tot een meer positieve beoordeling van de buurt. Voorts kunnen we concluderen dat ervaren criminaliteit, gevoelens van onveiligheid en sociaal vertrouwen alle drie een sterke rol spelen. Deze drie facetten kunnen dus voor een groot gedeelte verklaren waarom bepaalde buurten in Nederland beter gewaardeerd worden.

Zo is bijvoorbeeld het geschatte rapportcijfer van buurtbewoners die zich zeer zelden onveilig voelen in hun buurt ruimschoots een punt hoger (1,27) dan bewoners die zich zeer vaak onveilig voelen. Tot slot staan in de vijfde kolom de gestandaardiseerde regressie-coëfficienten vermeld. Aan de hand hiervan kan op een ‘eerlijkere’ manier bepaald worden welke factoren de sterkste invloed uitoefenen, want door de standaardisatie zijn de effecten goed met elkaar te vergelijken. De conclusie luidt dat de kwaliteit van het contact met buurtgenoten, sociaal vertrouwen, onveiligheidsgevoelens, en ervaren criminaliteit duidelijk de vier belangrijkste voorspellers zijn; de andere factoren doen er niet of nauwelijks toe. Al met al kan het regressiemodel met alle factoren gezamenlijk 37,7% van de spreiding in de buurbeoordelingen van de respondenten verklaren. Tabel 2.15 – Resultaten regressie-analyse: welke factoren verklaren een goede buurtbeoordeling? Onafhankelijke variabele

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=f243e9fe-f7f2-466d-a05e-a309744e38ce