Bijlage - Minima-effectrapportage gemeente Arnhem 2019
Tekst van het document
Minima-effectrapportage gemeente Arnhem 2019 De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
21 januari 2020
Minima-effectrapportage gemeente Arnhem 2019
De invloed van landelijke en gemeentelijke maatregelen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens
Nibud, Utrecht, 21 januari 2020 In opdracht van de gemeente Arnhem
Voorwoord Het Nibud (Nationaal Instituut voor Budgetvorlichting) is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk. Ons doel is het voorkomen van geldproblemen. Naast het verzamelen, berekenen en bijhouden van basiscijfers, doet of initieert het Nibud ook onderzoek naar andere aspecten over omgaan met geld. Daarbij spelen gedragsaspecten een belangrijke rol. Daarmee kunnen we snel inspelen op maatschappelijke ontwikkelingen. Het Nibud is gespecialiseerd in het maken van de vertaalslag van de verzamelde data en kennis over de huishoudfinanciën in methodes, materialen en tools. Daarbij wordt voortdurend voeling gehouden met de actualiteit en de praktijk van alledag. We gaan uit van drie niveaus van voorlichting en financiële educatie: direct voor consumenten (via onze websites, (social) media, interactieve tools, voorlichtingsmaterialen en hulpmiddelen en de helpdesk), via onderwijs/educatie door derden en door deskundigheidsbevordering van professionals. Als kenniscentrum vervult het Nibud ook een adviesrol naar derden.
Bij dit alles gaat het Nibud uit van een standaardmethode van begroten. Dit resulteert in een reeks voorbeeldbegrotingen met referentiecijfers die zijn gebaseerd op empirisch wetenschappelijk onderzoek. Het Nibud stelt de keuzevrijheid en de eigen verantwoordelijkheid van de huishoudens voorop. Het Nibud geeft gemeenten meer inzicht in het effect van hun minimabeleid. Door middel van een minima-effectrapportage (MER) helpt het Nibud gemeenten het geld bestemd voor minimabeleid, optimaal te besteden. Deze rapportage is uitgevoerd door het Nibud, in opdracht van de gemeente Arnhem. Met dit onderzoek wil de gemeente Arnhem inzicht krijgen in de effecten van haar minimabeleid. De defintieve versie van dit rapport dateert van januari 2020, de cijfers waar mee gerekend is zijn van 2019.
Utrecht, januari 2020
Samenvatting Doel onderzoek Deze minima-effectrapportage geeft weer wat het effect is van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Arnhem. Het doel van dit onderzoek is: ➢ inzicht te geven in de bestedingsruimte van de armste groepen in de gemeente; ➢ inzichtelijk maken welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende (landelijke en lokale) inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed; ➢ eventuele armoedevallen in kaart brengen. De resultaten van de effectrapportage kunnen als basis dienen voor de verdere ontwikkeling van het minimabeleid van de gemeente Arnhem.
Uitgangspunten In deze minima-effectrapportage is voor negen verschillende huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt: Alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) Eenoudergezin met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar) Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (12 en 16 jaar) Paar zonder kinderen Paar met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar) Paar met 2 oudere kinderen (12 en 16 jaar) Eenoudergezin met een zorgvraag Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een zorgvraag Voor elk van deze huishoudtypen is op vier inkomensniveaus een begroting gemaakt: de geldende bijstands/AOW-norm 110 procent van de geldende bijstandsnorm 120 procent van de geldende bijstandsnorm 130 procent van de geldende bijstandsnorm Zo wordt voor de verschillende huishoudtypen op deze inkomensniveaus inzichtelijk wat het effect van landelijke en gemeentelijke maatregelen is op de bestedingsruimte. Bij de uitgaven maken we onderscheid tussen uitgaven uit het basispakket en uitgaven voor sociale participatie: • De uitgaven uit het basispakket zijn alle uitgaven die als noodzakelijk kunnen worden beschouwd. • Het pakket voor sociale participatie is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer.
Resultaten De financiële situatie van huishoudens Alle onderzochte huishoudens hebben op de vier inkomensniveaus voldoende inkomsten om alle noodzakelijke uitgaven uit het basispakket te betalen zonder dat er tekorten ontstaan. Wanneer ook naar de bestedingen voor sociale participatie wordt gekeken, zien we dat het paar met twee oudere kinderen op drie van de vier onderzochte inkomensniveaus de maandbegroting niet rond kan krijgen. Alleen op 120 procent is er een (klein) positief saldo. Alleenstaanden onder de AOW-gerechtigde leeftijd en paren zonder kinderen kunnen de begroting wel rond krijgen, maar de bestedingsruimte op 100 en 110 procent is klein. Als deze huishoudens met extra (onvermijdbare) kosten te maken krijgt, kan dit al snel leiden tot een tekort. Ouderen en eenoudergezinnen kunnen het basispakket en de kosten voor sociale participatie goed bekostigen. Dit geldt ook als er sprake is van een zorgvraag. Ook bij paren met jonge kinderen doen zich geen tekorten voor als de kosten voor het basispakket en de kosten voor sociale participatie zijn gedaan.
Armoedeval In dit rapport wordt onderscheid gemaakt in een uitstroomval en een doorstroomval. Een uitstroomval ontstaat als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op bijstandsniveau. Van een doorstroomval is sprake als een huishouden op een bepaald inkomensniveau minder overhoudt dan op het voorliggende, lagere inkomensniveau. Een uitstroomval zien we alleen bij een alleenstaande die IIT ontvangt en uitstroomt naar een inkomen van 110 procent. Dan is er geen recht meer op IIT en is de bestedingsruimte lager dan op 100 procent. Een alleenstaande met een bijstandsuitkering zonder IIT houdt één euro minder over dan een alleenstaande met een inkomen op 110 procent. Een doorstroomval komt voor bij een paar zonder kinderen en een paar met oudere kinderen, waarvan het inkomen stijgt van 120 naar 130 procent. Dit wordt veroorzaakt door de afbouw van landelijke toeslagen, het wegvallen van het recht op de collectieve zorgverzekering en het wegvallen van voordelen van de GelrePas. Ook een alleenstaande oudere met een zorgvraag houdt op 120 procent meer over dan op 130 procent. Het wegvallen van de GelrePas is hier de belangrijkste oorzaak. Het gaat dan om de kosten voor sociale participatie én de kosten van de maaltijdvoorziening.
Als ook naar een inkomen van 140 procent wordt gekeken, zien we bij paren met jonge kinderen dat er bij een inkomen op 140 procent minder bestedingsruimte is dan op 130, 120 en 110 procent. Bij paren met oudere kinderen is er op 140 procent zelfs minder bestedingsruimte dan op bijstandsniveau (en is er dus sprake van een uitstroomval). Dit wordt veroorzaakt door het wegvallen van het recht op de GelrePas, die voor gezinnen met kinderen doorloopt tot 130 procent.
Positieve aspecten De gemeente Arnhem kent voor alle soorten huishoudens verschillende vormen van inkomensondersteuning die een positief effect hebben op de bestedingsruimte van de inwoners. Specifieke positieve aspecten: De gemeente Arnhem biedt een collectieve zorgverzekering aan, waarmee huishoudens met een laag inkomen uitgebreider verzekerd zijn dan huishoudens met een gemiddelde verzekering. Voor huishoudens met hoge zorgkosten is er een pakket met afgekocht eigen risico. Met de GelrePas creëert de gemeente Arnhem extra ruimte op de begroting voor deelname aan maatschappelijke en recreatieve activiteiten. Dit heeft een positief effect op de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen en het vergroot de kans dat huishoudens met een laag inkomen blijven participeren in de samenleving. De gemeente zet sterk in op de ondersteuning van kinderen: Vanuit de GelrePas zijn diverse vergoedingen mogelijk, onder andere voor sport en het lidmaatschap van een vereniging. Dit is een extra stimulans om kinderen deel te laten nemen aan sportieve en culturele activiteiten. Daarnaast is een vergoeding mogelijk voor schoolgerelateerde kosten en via de Stichting Leergeld kunnen onder andere computers, fietsen en kosten voor schoolkampen en excursies vergoed worden. Personen met een zorgvraag kunnen in de gemeente Arnhem in aanmerking komen voor verschillende vergoedingen.
De eigen bijdrage CAK en de kosten van personenalarmering worden vergoed vanuit de collectieve zorgverzekering, voor de maaltijdvoorziening kan een korting worden verkregen via de GelrePas en aanvullend vervoer wordt vanuit de Wmo tegen een gereduceerd tarief aangeboden. Hiermee blijven de extra kosten als gevolg van de zorgvraag beperkt voor chronisch zieken in de gemeente. In de gemeente Arnhem kunnen huishoudens onder de AOW-leeftijd met een inkomen tot 105 procent van de geldende bijstandsnorm in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. Daarbij is het positief dat de gemeente Arnhem bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag rekening houdt met de gezinssamenstelling. Huishoudens met kinderen ontvangen een hoger bedrag dan alleenstaanden.
Aanbevelingen Verminder niet-gebruik regelingen De gemeente Arnhem kent een ruimhartig minimabeleid: bijna alle onderzochte huishoudtypen kunnen de maandbegroting rond krijgen, met uitzondering van het paar met oudere kinderen. Echter, in de berekeningen is ervan uitgegaan dat alle aanspraken op landelijke en lokale regelingen zijn aangevraagd. Dat is niet voor ieder huishouden een vanzelfsprekendheid. De gemeente Arnhem kan het gebruik van landelijke en lokale regelingen stimuleren door hieraan publiciteit te geven en de toegang tot deze regelingen te vereenvoudigen. Een instrument dat in de gemeente Arnhem wordt ingezet is “berekenuwrecht” . Hiermee worden bewoners gewezen op alle mogelijkheden die er zijn.
Ook voorlichting door intermediairs is vaak doeltreffend. Het is daarbij belangrijk dat de intermediairs bekend zijn met alle regelingen die de gemeente Arnhem te bieden heeft en dat zij ook continu op de hoogte worden gebracht van veranderingen in inkomensondersteunende maatregelen. Stimuleer goed financieel beheer Om rond te kunnen komen van een minimuminkomen is een goed financieel beheer van het huishouden noodzakelijk. Men reserveert om zo nodig grote uitgaven te kunnen doen voor de vervanging van inventaris. We gaan ervan uit dat het huishouden niet leent, zodat er niet nog extra kosten van rente en aflossing bijkomen. Veel huishoudens die van een minimum inkomen moeten rondkomen, voeren een goed financieel beheer, maar een deel ook niet. Voor deze huishoudens is het aan te bevelen cursussen of begeleiding te organiseren. Help energielasten verlagen Het is te verwachten dat de energielasten een groter deel van de woonlasten en daarmee van de totale begroting van minima gaan innemen. Daarnaast blijkt uit onderzoek dat juist minima vaak in minder goed geïsoleerde woningen wonen, waardoor ze ook een hoger verbruik dan gemiddeld hebben. Ook de toekomstige energietransitie zal de nodige kosten met zich meebrengen. Voor bewoners van een huurwoning is nog onduidelijk of de woningbouwcorporaties dit gaan doorberekenen aan hun huurders.
Het Nibud adviseert de gemeente hier aandacht voor te hebben. Huishoudens met een laag inkomen zouden hulp van energieadviseurs of gratis/ goedkope energieboxen aangeboden kunnen krijgen. Producten zoals ledlampen en isolatiefolies, waarvan de aanschafkosten voor deze doelgroep vaak te hoog zijn, terwijl ze een snelle terugverdientijd hebben, zijn dan het meest effectief. In de gemeente Arnhem lopen al verschillende pilots op dit gebied (zoals de inzet van energiecoaches). Houd bij de berekening van de kwijtschelding rekening met overige belastingen Om voor kwijtschelding van gemeentelijke heffingen en waterschapslasten in aanmerking te komen hanteren zowel de gemeente als het waterschap een kwijtscheldingsnorm van 100 procent. Dit is hoger dan de wettelijk voorgeschreven norm van 90 procent. Voor beide (gemeente en waterschap) wordt de betalingscapaciteit apart berekend. Hiermee wordt er van uitgegaan dat het huishouden twee maal over de betalingscapaciteit beschikt, wat uiteraard niet zo is. De gemeente heeft de mogelijkheid de betalingscapaciteit op een andere wijze te berekenen: de regelgeving (Uitvoeringsregeling Invorderingswet 1990, URIW 1990) is zodanig dat bij de berekening van de betalingscapaciteit rekening kan worden gehouden met meerdere belastingaanslagen.
Overweeg het meest uitgebreide pakket van de collectieve zorgverzekering open te stellen voor alle minima De gemeente Arnhem biedt inwoners met een laag inkomen (tot en met een inkomen van 120/130 procent van de geldende bijstandsnorm) een collectieve zorgverzekering aan. Het gaat om de basisverzekering plus een aanvullend pakket en een tandverzekering. Deelnemers zijn met deze verzekering uitgebreider verzekerd dan huishoudens met een gemiddelde zorgverzekering. Door deze uitgebreide verzekering zal het beroep op de bijzondere bijstand lager zijn, wat gunstig uitpakt voor de (uitvoerings)kosten van de gemeente. Ook deelnemers aan de collectieve verzekering zijn beter af: zij krijgen een uitgebreid pakket aan medische kosten vergoed.
Bovendien is in de meest uitgebreide variant (GarantVerzorgd 3) tevens het verplichte eigen risico meeverzekerd. Steeds vaker ontvangen belangengroeperingen signalen dat huishoudens zorg mijden, zodat zij hun eigen risico niet hoeven aan te spreken. Dit is een onwenselijke situatie. Het is daarom positief dat de gemeente Arnhem een pakket aanbiedt waarin het eigen risico is meeverzekerd. Voor dit uitgebreide pakket gelden echter aanvullende specifieke voorwaarden. De gemeente zou kunnen overwegen het pakket aan te bieden aan alle inwoners met een minimuminkomen. Hierbij is het voor de gemeente van belang dat de kosten van de aanboden pakketten in balans zijn: de gemeentelijke bijdrage voor het pakket met afgekocht eigen risico moet niet veel hoger zijn dan de bijdrage voor de goedkopere verzekering, waardoor het voor (bijna) alle huishoudens aantrekkelijk wordt om het eigen risico mee te verzekeren, ongeacht de verwachting die men hierover heeft. Dit leidt tot onnodige hoge kosten voor de gemeente. In de ideale situatie ontstaat een soort zelfregulerend systeem, waarbij juist de huishoudens die veel zorg (denken) nodig (te) hebben, zullen kiezen voor een pakket met afgekocht eigen risico en de overige huishoudens niet. Overweeg een ongedeeld budget voor de kosten van kinderen De gemeente Arnhem zet sterk in op vergoeding van kosten van kinderen.
Zo zijn er diverse vergoedingen vanuit de GelrePas, een vergoeding voor schoolkosten en de mogelijkheden die worden geboden door Stichting Leergeld en het Jeugdfonds Sport en Cultuur. Om het gevoel van bestedingsvrijheid voor huishoudens te vergroten, zou de gemeente kunnen werken met een ongedeeld budget voor zowel schoolkosten als kosten voor maatschappelijke participatie. Dit zou de gemeente bijvoorbeeld kunnen realiseren, door via de GelrePas een vrij besteedbaar budget beschikbaar te stellen. In een dergelijke situatie zijn huishoudens vrij in de keuze in welke mate zij de tegemoetkomingen willen besteden aan schoolkosten en in welke mate aan sport- en culturele activiteiten. Behalve dat een ongedeeld budget de bestedingsvrijheid vergroot, kan dit ook het nietgebruik tegengaan. Teveel verschillende losse regelingen kan het voor inwoners onoverzichtelijk maken, met als ongewenst effect dat een groep huishoudens onterecht geen gebruik maakt van de mogelijkheden die er zijn. Differentieer de individuele inkomenstoeslag In de gemeente Arnhem kunnen huishoudens onder de AOW-gerechtigde leeftijd, die gedurende minimaal drie jaar een inkomen ontvangen van maximaal 105 procent van de geldende bijstandsnorm, in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag.
De tegemoetkoming heeft een gunstig effect op de bestedingsruimte van huishoudens die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen. Huishoudens met een laag inkomen en zeker de huishoudens die niet alle overmijdbare uitgaven plus de uitgaven voor sociale participatie kunnen bekostigen (zie tabel 1), zullen als eerste bezuinigen op de reserveringsuitgaven, omdat deze niet elke maand terugkomen. Dit is een onwenselijke situatie; wanneer dit huishouden dan plotseling voor een grote uitgave komt te staan, zal het schulden moeten gaan maken. Het Nibud adviseert daarom om de regeling in stand te houden. De hoogte van de IIT bedraagt voor paren een alleenstaande ouders 375 euro per jaar en voor alleenstaanden 260 euro per jaar. Er wordt daarmee onderscheid gemaakt tussen
huishoudens met en zonder kinderen. Er wordt echter geen rekening gehouden met het aantal kinderen en de leeftijden van de kinderen. Aangezien de kosten van (oudere) kinderen niet volledig gecompenseerd worden door kindgebonden toeslagen, zou de gemeente kunnen overwegen om per ten laste komend kind een extra bedrag toe te kennen. De gemeente kan zelfs nog een stap verder gaan door voor oudere kinderen een hogere toeslag te verstrekken dan voor jonge kinderen, omdat de kosten van oudere kinderen hoger liggen dan die van jonge kinderen. Personen vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd die langdurig van een laag inkomen moeten rondkomen krijgen geen toeslag. Dit is echter geen groot probleem omdat, zoals in tabel 1 te zien is, de AOW-gerechtigde huishoudens niet met tekorten op de begroting te maken hebben. Hier staat tegenover dat ouderen een steeds groter deel van hun zorgkosten zelf moeten gaan betalen en dat zij meestal niet in staat zijn hun inkomen nog te verhogen. Het Nibud adviseert de gemeente hier in mogelijk toekomstig beleid rekening mee te houden.
Houd aandacht voor paren met oudere kinderen Paren met oudere kinderen kunnen, ondanks de gemeentelijke ondersteuning, op bijna alle onderzochte inkomensniveaus de maandbegroting niet rond krijgen, als zij naast het basispakket de uitgaven voor sociale participatie willen bekostigen. Het Nibud adviseert de ondersteuning voor deze doelgroep voort te zetten en het bestaan van inkomensondersteunende regelingen voor gezinnen met (oudere) kinderen actief onder de aandacht te brengen. Ook verstrekkingen vanuit de individuele bijzondere bijstand (niet in dit onderzoek meegenomen) kunnen dergelijke gezinnen helpen om hun tekorten beperken. In dit laatste geval kunnen alleen noodzakelijke bijzondere kosten vergoed worden, maar het is zeker de moeite waard om ook dit extra onder de aandacht te brengen. Dat paren (en met name paren met oudere kinderen) met tekorten te maken hebben, ziet het Nibud ook bij andere gemeenten en het blijkt ook uit onze landelijke koopkrachtberekeningen. Inzetten op de begeleiding naar werk van tenminste één van beide partners lijkt de eerste stap op weg uit de armoede. Bovendien blijkt een klein baantje van de andere partner veel meer op te leveren dan alleen het maandelijks bruto inkomen: fiscaal houdt een stel meer over als beide partners parttime werken dan als één persoon fulltime werkt.
Echter, het blijft voor gemeenten een lastige opgave om alle tekorten te compenseren. Een structurele oplossing zal, indien politiek gewenst, vanuit het Rijk moeten komen. Een aanzet hiervoor is gegeven in de Miljoenennota voor 2018: voor de bestrijding van armoede onder kinderen is landelijk 100 miljoen euro uitgetrokken, waarvan 85 miljoen naar de gemeenten is gegaan. Dit geld is onder meer bedoeld om schoolreisjes, sportles en muziekles voor kinderen uit arme gezinnen mogelijk te maken. Bovendien is in het huidige regeerakkoord opgenomen dat het kabinet extra middelen beschikbaar stelt voor het voorkomen van schulden en de bestrijding van armoede, in het bijzonder onder kinderen: het kabinet stelt hiervoor 80 miljoen ter beschikking (30 miljoen in 2018 en 25 miljoen in 2019 en 2020). Het merendeel van de middelen (90 procent) zal via een decentralisatie-uitkering beschikbaar worden gesteld aan gemeenten.
Inhoud 1 Inleiding 1.1 Centrale vraag 1.2 Kern minima-effectrapportage 1.2.1 Huishoudtypen 1.2.2 Inkomensniveaus 1.2.3 Armoedeval 1.2.4 Voorbeeld huur 1.3 Leeswijzer 2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding 2.2 Inkomsten 2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie 2.4 Uitgavensoorten 2.5 Voorwaarden aan de begrotingen 2.6 De begrotingen 3 Minimabeleid 3.1 Landelijk beleid 3.2 Lokaal minimabeleid 3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid 3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering 3.2.3 Individuele inkomenstoeslag 3.2.4 Vergoeding schoolkosten 3.2.5 GelrePas 3.2.6 Particuliere fondsen 3.2.7 Kinderopvang en peuteropvang 3.2.8 Individuele bijzondere bijstand 3.2.9 Duurzame gebruiksgoederen 3.3 Huishoudens met een zorgvraag 3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 3.3.2 Collectieve zorgverzekering 3.3.3 Tegemoetkoming Meerkosten Chronisch Zieken en Gehandicapten 3.3.4 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag 4 Resultaten 4.1 Saldo inkomsten min uitgaven 4.2 Tekorten en armoedevallen 4.3 Resultaten bij 140 procent 5 Conclusies en aanbevelingen 5.1 Conclusies 5.2 Aanbevelingen Bijlage 1 | Verantwoording uitgaven Bijlage 2 | Begrotingen Bijlage 3 | Overzicht saldo inkomsten minus uitgaven
1 Inleiding 1.1 Centrale vraag Iedere gemeente beschikt over mogelijkheden om invloed uit te oefenen op de financiële positie van inwoners met lage inkomens. Dat kan bijvoorbeeld door het kwijtschelden van gemeentelijke heffingen en/ of door bijzondere bijstand. Het is echter niet direct zichtbaar wat in de praktijk de effecten van die maatregelen zijn op het budget van verschillende groepen huishoudens. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: Wat is het effect van landelijke en lokale inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen in de gemeente Arnhem? Bekeken wordt welke groepen huishoudens in de gemeente goed profiteren van de verschillende inkomensondersteunende maatregelen en welke groepen minder goed. Ook maakt deze rapportage een eventuele armoedeval inzichtelijk.
1.2 Kern minima-effectrapportage Om tot een antwoord te komen op de centrale vraag, worden voor een aantal veel voorkomende voorbeeldsituaties alle inkomstengeïnventariseerd. Hierbij wordt rekening gehouden met alle landelijke en gemeentelijke inkomensondersteunende maatregelen. Dit inkomen zal in een begroting worden afgezet tegen de minimale uitgaven waarmee huishoudens met een laag inkomen worden geconfronteerd. De minimale uitgaven zijn gebaseerd op de Nibud methode van budgetteren, aangevuld met lokale tarieven en tegemoetkomingen.
1.2.1 Huishoudtypen In deze minima-effectrapportage wordt voor een aantal huishoudtypen de bestedingsruimte inzichtelijk gemaakt. In overleg met de gemeente Arnhem is een keuze gemaakt voor de volgende voorbeeldsituaties: a. Alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd b. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) c. Eenoudergezin met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar) d. Eenoudergezin met 2 oudere kinderen (12 en 16 jaar) e. Paar zonder kinderen f. Paar met 2 jongere kinderen (3 en 5 jaar) g. Paar met 2 oudere kinderen (12 en 16 jaar) h. Eenoudergezin met een zorgvraag i. Alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd) met een zorgvraag
1.2.2 Inkomensniveaus De rapportage laat zien welke effecten de landelijke en gemeentelijke maatregelen hebben op de financiële positie van de huishoudtypen bij verschillende inkomensniveaus.
In overleg met de gemeente Arnhem is in dit rapport gekozen om begrotingen op te stellen met de volgende inkomensniveaus: bijstand of AOW, 110, 120 en 130 procent van de geldende bijstandsnorm.
1.2.3 Armoedeval Het kan voorkomen dat een huishouden met een hoger inkomen, minder overhoudt dan met een lager inkomen, nadat rekening is gehouden met alle noodzakelijke uitgaven. Bijvoorbeeld doordat er geen recht meer is op inkomensondersteunende regelingen. Als een dergelijke armoedeval zich voordoet binnen de gestelde kaders, dan blijkt dat uit de resultaten van dit onderzoek. Hierbij onderscheiden we twee soorten armoedevallen, namelijk een armoedeval bij uitstroom uit een bijstandsuitkering naar betaald werk (werkloosheidsval/uitstroomval) en een armoedeval bij het meer gaan verdienen (doorstroomval). Bij huishoudens boven de AOW-gerechtigde leeftijd wordt officieel niet gesproken van een armoedeval, omdat deze gewoonlijk geen inkomensstijging meemaken. Toch kan er bij hen ook sprake zijn van een geringere bestedingsmogelijkheid bij een hoger inkomen.
1.2.4 Huur Uit het woononderzoek 2018 van het CBS komt naar voren dat 96 procent van de huishoudens die de bijstandsuitkering als belangrijkste inkomstenbron hebben, in een huurwoning woont. Op basis hiervan gaan we er in deze rapportage vanuit dat huishoudens in een huurwoning wonen. De huur vormt in de meeste huishoudens de hoogste uitgave op de begroting. De huurprijzen in dit onderzoek zijn vastgesteld in overleg met de gemeente, op basis van cijfers van het CBS. We hebben hierbij gekeken naar de gemiddelde huur van inwoners met een inkomen tot 130 procent van het sociaal minimum. Voor een- en tweepersoonshuishoudens komt dit neer op 558 euro per maand, voor meerpersoonshuishoudens rekenen we met een huur van 647 euro per maand.
1.3 Leeswijzer Het rapport is als volgt opgebouwd: In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de onderzoeksmethode. Hoofdstuk 3 geeft een toelichting op de lokale inkomensondersteunende regelingen. In hoofdstuk 4 worden kort de resultaten weergegeven: Wat is de bestedingsruimte van huishoudens met een laag inkomen? En wat zijn de effecten van het minimabeleid op de financiële positie van huishoudens met een laag inkomen? Ten slotte staan in hoofdstuk 5 de conclusies en aanbevelingen. In de bijlagen wordt meer informatie gegeven over bronnen van de referentiecijfers en de inkomensopbouw.
2 Onderzoeksmethode: begrotingen 2.1 Inleiding Om het effect van inkomensondersteunende regelingen op de financiële positie van huishoudens te berekenen, maakt het Nibud gebruik van begrotingen. Uit deze begrotingen zijn de inkomsten en uitgaven van de huishoudens af te lezen. De begrotingen zijn voor groepen van huishoudens. De bedragen in de begrotingen zijn gemiddelden; in werkelijkheid zal de financiële situatie van de individuele huishoudens er anders uitzien. De begroting laat dus niet zien in hoeverre een individueel huishouden een sluitende begroting heeft. Wel wordt duidelijk in hoeverre een groep huishoudens een sluitende begroting heeft. Bij het opstellen van de begrotingen wordt geen rekening gehouden met schulden, omdat daarover niets algemeens te zeggen valt. Schulden komen echter vaak voor onder huishoudens met lage inkomens. Maandbegrotingen Alle begrotingen zijn maandbegrotingen, waarbij de inkomsten en uitgaven zijn omgerekend naar gemiddelde maandbedragen. In de praktijk kunnen er flinke verschillen zijn tussen de maanden van het jaar. Vakantiegeld wordt bijvoorbeeld vaak jaarlijks uitgekeerd, maar wordt in deze rapportage uitgedrukt in een maandelijks bedrag. Het inkomen is in iedere begroting een vast gegeven.
2.2 Inkomsten In deze rapportage worden op vier inkomensniveaus begrotingen opgesteld voor de betreffende voorbeeldhuishoudens: het minimuminkomen (bijstand/AOW-uitkering), 110 procent, 120 procent en 130 procent van de geldende bijstandsnorm. Met bijstandsniveau wordt in deze rapportage bedoeld de norm op grond van de Participatiewet, artikel 5 lid 1 sub c. Uitgangspunt in deze rapportage is het totaal besteedbaar maandinkomen. Dat inkomen bestaat uit alle inkomsten van het huishouden, zoals netto salarissen, uitkeringen, kortingen op de belasting, zorgtoeslag, huurtoeslag, vakantiegeld, kinderbijslag en kindgebonden budget. In de begrotingen is geen rekening gehouden met eigen vermogen of eventuele inkomsten daaruit. Hoe de regelingen doorwerken in de begrotingen en wat de invloed is op het inkomen van de verschillende huishoudens is te zien in bijlage 1. In de rapportage wordt verondersteld dat de huishoudens maximaal gebruik maken van alle inkomensondersteunende regelingen die op hen van toepassing zijn.
2.3 Uitgaven: Basispakket & Sociale participatie De noodzakelijke uitgaven vullen we in via een basispakket met apart een pakket voor sociale participatie. Het basispakket bestaat uit uitgaven die voor elk huishouden niet of moeilijk vermijdbaar zijn. De begroting bestaat uit een pakket aan vrij goedkope artikelen (niet de allergoedkoopste) die algemeen verkrijgbaar zijn. We houden geen rekening met tweedehands artikelen. In bijlage 1 staande uitgangspunten en de samenstelling van de pakketten beschreven. Het basispakket en de sociale participatie zijn op bepaalde punten verschillend voor de diverse huishoudtypen. Een alleenstaande staat immers voor andere kosten dan bijvoorbeeld een gezin met kinderen. Sociale participatie Als voorbeeld heeft het Nibud een pakket aan uitgaven voor sociale participatie opgesteld. Dit pakket is opgesteld in samenwerking met het Sociaal Cultureel Planbureau. Het gaat bijvoorbeeld om uitgaven aan contributies en abonnementen, bezoek ontvangen en op bezoek gaan, vakantie/uitgaan en recreatief vervoer. Sociale participatie wordt door velen als noodzakelijk beschouwd en is in veel gemeenten op de een of andere manier onderdeel van het minimabeleid. De uitgaven voor sociale participatie staan beschreven in bijlage 1.
Persoonlijk onvermijdbare uitgaven Naast de noodzakelijke uitgaven van de pakketten zijn er in individuele gevallen persoonlijk moeilijk of niet-vermijdbare uitgaven. Dit zijn uitgaven die voor een bepaald persoon onontkoombaar zijn. Bijvoorbeeld wanneer iemand een speciaal dieet moet volgen. Voor dit soort uitgaven is vaak een tegemoetkoming mogelijk via gemeentelijk beleid. Deze uitgaven worden in dit rapport niet meegenomen. Uitzondering zijn de huishoudens met een zorgvraag. Hierbij gaan we uit van extra, onvermijdbare uitgaven. Deze staan beschreven in paragraaf 3.3.4. In de begrotingen is geen rekening gehouden met kosten voor een huisdier of voor roken. Deze uitgaven worden niet gezien als noodzakelijk. Echter, relatief veel huishoudens in de onderzochte inkomensniveaus zullen wel met deze kosten te maken hebben. Indien dit het geval is, wordt het saldo op de begroting lager dan in deze rapportage is weergegeven. Het is raadzaam hier rekening mee te houden, zeker waar het gaat om de meest kwetsbare groepen (die ook zonder deze kosten de maandbegroting niet of nauwelijks rond krijgen).
2.4 Uitgavensoorten In alle begrotingen onderscheidt het Nibud drie soorten uitgaven: Vaste lasten: Komen regelmatig terug. Meestal vaste bedragen waar een contract aan ten grondslag ligt. Voorbeelden zijn de huur, energiekosten en verzekeringen. Reserveringsuitgaven: Komen niet regelmatig voor. De hoogte is niet precies bekend. Voorbeelden hiervan zijn de kosten voor inventaris (meubels, apparatuur/witgoed) en kleding. Huishoudelijke uitgaven: Steeds terugkerende uitgaven die maandelijks kunnen variëren. Voorbeelden zijn voeding, was- en schoonmaakartikelen, persoonlijke verzorging. Lokale tarieven In deze rapportage wordt gerekend met minimale bedragen die huishoudens nodig hebben om deze uitgaven te kunnen betalen. Voor de uitgaven is waar mogelijk uitgegaan van lokale tarieven. Voorbeelden hiervan zijn de tarieven voor heffingen, de premie van de collectieve zorgverzekering en de kosten van de peuterspeelzaal. Minimabeleid Als er inkomensondersteunende maatregelen zijn die een vergoeding vormen voor bepaalde uitgavenposten, dan is hier rekening mee gehouden in de begrotingen. De regelingen staan beschreven in het volgende hoofdstuk.
2.5 Voorwaarden aan de begrotingen Aan de begrotingen worden drie belangrijke voorwaarden opgelegd. 1. Zeer goed met geld kunnen omgaan Een goed overzicht van alle inkomsten en uitgaven is noodzakelijk. Alleen dan kan er voldoende geld opzij worden gezet om onregelmatige uitgaven te kunnen doen. Een gebrek aan goed overzicht kan vaak confronterend zijn en moeilijk te doorbreken. 2. Alle inkomensondersteuning aanvragen Toeslagen en tegemoetkomingen beslaan vaak een groot deel van het totale inkomstenplaatje. Het is daarom voor huishoudens belangrijk om te weten op welke inkomensondersteuning men recht heeft en hoe en waar deze moet worden aangevraagd. Het tijdig doorgeven van gegevens is hierbij belangrijk. En daarmee dus ook een actieve houding. 3. Geen grote persoonlijk onvermijdbare uitgaven hebben Hoge persoonlijk onvermijdbare uitgaven zoals afbetalingen, zorgkosten of een hoge huur, kunnen het moeilijk of onmogelijk maken om een sluitende begroting op te stellen. Als de uitgaven niet omlaag gebracht kunnen worden, dan resteert er niks anders dan om te bezuinigen op overige uitgaven. In het geval van de begrotingen met minimale uitgaven, zoals ze in dit rapport zijn opgesteld, ontstaat het gevaar dat er ook bezuinigd wordt op noodzakelijke uitgaven.
Dit kan er toe leiden dat er totaal geen reserves meer zijn om tegenslagen op te kunnen vangen, dat rekeningen niet meer betaald worden waardoor schulden ontstaan of dat gezondheidsbedreigende omstandigheden ontstaan.
2.6 De begrotingen Volgens de methodiek die hierboven staat beschreven, worden de begrotingen opgesteld. Deze begrotingen staan in bijlage 2.
3 Minimabeleid In dit hoofdstuk worden diverse landelijke en gemeentelijke regelingen voor inkomensondersteuning van minima beschreven. Alleen de regelingen die in de berekeningen zijn meegenomen komen in dit hoofdstuk aan bod. Paragraaf 3.1 beschrijft de landelijke regelingen; in paragraaf 3.2 komen de lokale inkomensondersteunende regelingen aan bod.
3.1 Landelijk beleid Bij het opstellen van de begrotingen worden de landelijke heffingskortingen (algemene heffingskorting, arbeidskorting, inkomensafhankelijke combinatiekorting en de [alleenstaande] ouderenkorting), landelijke toeslagen (zorgtoeslag, huurtoeslag, kinderopvangtoeslag, kindgebonden budget) en de kinderbijslag in de berekeningen opgenomen. Landelijke heffingskortingen Heffingskortingen zijn kortingen op de belasting. Hiermee wil de overheid bepaalde groepen ondersteunen. Denk aan ouders, ouderen en gehandicapten. Door de heffingskorting betalen zij minder belasting. De volgende heffingskortingen (2019) zijn voor de voorbeeldhuishoudens van belang: Algemene heffingskorting Voor iedereen boven de 18 die inkomstenbelasting betaalt, ook als men niet werkt. De algemene heffingskorting bedraagt maximaal 2.477 euro per jaar voor mensen onder de AOW-gerechtigde leeftijd en 1.268 euro vanaf de AOW gerechtigde leeftijd. Arbeidskorting Voor iedereen die betaald werk heeft, ook als men daarnaast nog gedeeltelijk een uitkering ontvangt. De arbeidskorting bedraagt maximaal 3.399 euro per jaar. Inkomensafhankelijke combinatiekorting Voor werkende ouders met kinderen jonger dan 12 jaar. Deze wordt toegekend aan de alleenstaande ouder of aan de minst verdienende fiscale partner. Deze heffingskorting bedraagt maximaal 2.835 euro per jaar.
Ouderenkorting en alleenstaande ouderenkorting Heffingskortingen voor AOW-gerechtigden. De ouderenkorting bedraagt maximaal 1.596 euro per jaar; de alleenstaande-ouderenkorting is 429 euro per jaar. Landelijke toeslagen Toeslagen zijn bijdragen van de overheid om tegemoet te komen in de kosten voor de zorgverzekering, huur of kind(eren). Of een huishouden recht heeft op bepaalde toeslagen, is afhankelijk van een aantal factoren (bijvoorbeeld inkomen). De volgende toeslagen zijn van belang voor de voorbeeldhuishoudens: Zorgtoeslag Zorgtoeslag is een bijdrage van de overheid voor de kosten van de zorgverzekering. Iemand kan aanspraak maken op zorgtoeslag vanaf 18 jaar. Dit geldt voor zowel alleenstaanden als stellen. Het inkomen moet wel onder de inkomensgrens vallen. Een alleenstaande heeft recht op zorgtoeslag bij een toetsinkomen van 29.562 euro of minder. Voor samenwonenden is deze grens 37.885 euro.
Naast de inkomensgrens is er ook een vermogensgrens voor de zorgtoeslag. In 2019 bedraagt deze voor alleenstaanden 114.776 euro en voor paren 145.136 euro. De zorgtoeslag voor een alleenstaande is maximaal 99 euro per maand. Voor een stel is de zorgtoeslag maximaal 192 euro. Hoe lager het inkomen, hoe meer toeslag iemand ontvangt. Huurtoeslag Huurtoeslag is een bijdrage van de overheid in de huurkosten. Huurders van een zelfstandige huurwoning kunnen in aanmerking komen voor huurtoeslag. De hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van het inkomen, het vermogen, de huishoudsamenstelling en de huur. Een- en tweepersoonshuishoudens krijgen boven de 228,62 euro (minimale basishuur) huurtoeslag tot een huur van 424,44 euro. Voor een huur boven dit bedrag wordt 65 procent van de huur tot 607,46 euro vergoed (651,03 euro voor driepersoonshuishoudens of meer). Alleenstaanden of ouderen/hulpbehoevenden krijgen boven deze huur tot een huur van maximaal 720,42 euro vervolgens nog 40 procent vergoed. Voor ouderen is de minimale basishuur enkele euro’s lager. De basishuur is inkomensafhankelijk waardoor de huurtoeslag daalt bij een hoger inkomen. Vanaf een inkomen van 22.700 euro heeft een alleenstaande geen recht meer op huurtoeslag (22.675 euro vanaf AOW-leeftijd). Voor meerpersoonshuishoudens is de inkomensgrens 30.825 euro (30.800 euro vanaf AOW-leeftijd).
De vermogensgrens voor de huurtoeslag van 30.360 euro is strenger dan voor de zorgtoeslag. Kinderopvangtoeslag Kinderopvangtoeslag is een tegemoetkoming in de kosten van kinderopvang. De kinderopvangtoeslag is geregeld in de Wet Kinderopvang. De wet geldt voor dagopvang voor kinderen van 0 tot 4 jaar en buitenschoolse opvang voor basisschoolkinderen. Maar ook voor opvang door ouderparticipatiecrèches of gastouders via een gastouderbureau en voor de peuterspeelzaal. Informele opvang door familie of kennissen valt hier dus niet onder. Om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen moet de instelling zijn aangemeld bij het Landelijk Register Kinderopvang. Ook moeten, in het geval van paren, beide ouders werken, tenzij er een re-integratietraject wordt gevolgd. De vergoeding wordt berekend over een maximaal uurtarief van 8,02 euro voor kinderen tot vier jaar (dagopvang) en van 6,89 euro voor kinderen in de basisschoolleeftijd (buitenschoolse opvang). Wanneer iemand per uur meer dan dit bedrag betaalt, ontvangt hij of zij over dit extra deel geen toeslag. Er gelden grenzen voor het totaal aantal uren waarvoor kinderopvangtoeslag aangevraagd kan worden. Kindgebonden budget Iedereen met kinderen jonger dan 18 jaar kan in aanmerking komen voor het kindgebonden budget. Dit is een maandelijkse, inkomensafhankelijke bijdrage in de kosten van kinderen.
Voorwaarde is dat iemand zijn of haar kind ‘in belangrijke mate onderhoudt’.
In 2019 ontvangt iemand met een verzamelinkomen tot 20.941 euro het maximale bedrag aan kindgebonden budget. Na dit inkomen wordt de hoogte van het bedrag geleidelijk afgebouwd. Het bedrag aan kindgebonden budget is afhankelijk van het aantal kinderen en de leeftijd van de kinderen. Voor alleenstaande ouders is dit hoger dan voor paren. Het kindgebonden budget voor het tweede kind is lager dan voor het eerste kind en vanaf het derde kind eveneens lager dan voor het tweede kind. Vanaf 12 jaar is het kindgebonden budget hoger. Kinderbijslag Een ouder heeft recht op kinderbijslag voor thuiswonende eigen kinderen, stiefkinderen tot 18 jaar en soms voor pleegkinderen tot 16 jaar. Kinderbijslag wordt eenmaal per kwartaal uitgekeerd. De bedragen worden in het geval van meerdere kinderen bij elkaar opgeteld. De bedragen voor kinderbijslag zijn afhankelijk van de leeftijd van het kind. De kinderbijslag voor een kind van 12 tot 18 jaar bedraagt 314,24 euro. Voor 6 tot 12 jaar en voor 0 tot 6 jaar is het respectievelijk 267,10 euro en 219,97 euro.
3.2 Lokaal minimabeleid Naast de landelijke inkomensondersteunende maatregelen heeft de gemeente Arnhem voor huishoudens met een laag inkomen ook een lokaal minimabeleid. De regelingen die worden opgenomen in de berekeningen komen in de volgende paragrafen aan bod.
3.2.1 Kwijtscheldingsbeleid De gemeente Arnhem kent een kwijtscheldingsregeling voor de gemeentelijke heffingen. De kwijtscheldingsnorm bedraagt 100 procent van het sociaal minimum. Dat wil zeggen dat, afhankelijk van het vermogen, huishoudens met een inkomen rond het sociaal minimum in principe geen gemeentelijke heffingen hoeven te betalen. Bij een inkomen hierboven wordt wel betalingscapaciteit verondersteld. De beleidsvrijheid ten aanzien van het kwijtscheldingsbeleid wordt bepaald door landelijke regelgeving. Hierbij wordt aan gemeenten de mogelijkheid geboden om rekening te houden met de kosten voor kinderopvang en om voor AOW’ers uit te gaan van de netto AOW in plaats van de bijstandsbedragen. De gemeente Arnhem maakt gebruik van de mogelijkheid om uit te gaan van de verhoogde norm voor AOW’ers, maar houdt geen rekening met de kosten voor kinderopvang bij de bepaling van de betalingscapaciteit. Wel worden de bedragen voor kinderopvangtoeslag en het kindgebonden budget vrijgelaten, dus niet meegeteld als inkomen. Bij het waterschap Rivierenland is kwijtschelding mogelijk voor de zuiveringsheffing en de watersysteemheffing ingezetenen. Bij de berekening van de kwijtschelding hanteert het waterschap, net zoals de gemeente, de norm van 100 procent van de toepasselijke norm. De kwijtschelding van de gemeentelijke heffingen en het waterschap worden apart berekend.
Een toelichting op de berekening van de gemeentelijke heffingen staat in bijlage 1.
3.2.2 Collectieve (aanvullende) zorgverzekering Het verzekeren tegen ziektekosten is voor iedereen wettelijk verplicht. Daarom biedt de gemeente Arnhem inwoners met een laag inkomen een collectieve zorgverzekering aan. Het gaat om de basisverzekering plus een aanvullende verzekering en een tandverzekering. Deelnemers kunnen kiezen uit verschillende pakketten bij zorgverzekeraar Menzis: GarantVerzorgd 1, GarantVerzorgd 2 en GarantVerzorgd 3, aangevuld met een keuze uit drie tandverzekeringen te weten GTV250, GTV 500 en GTV 750. In de meest uitgebreide variant (GarantVerzorgd 3) is tevens het verplichte eigen risico meeverzekerd. Voor dit pakket gelden aanvullende specifieke voorwaarden. 1 In de begrotingen rekenen we met de premie van GarantVerzorgd 2 en de goedkoopste tandartsverzekering (GTV 250). Alleen bij de huishoudens met een zorgvraag wordt gerekend met GarantVerzorgd 3. Omdat bij dit pakket het eigen risico is meeverzekerd, wordt voor het huishouden met een zorgvraag de post “eigen risico” op nul gezet. Voor de huishoudens met GarantVerzorgd 2 rekenen we wel een bedrag voor de reservering van het eigen risico, namelijk 32 euro per maand (385 euro/12). Wij gaan ervan uit dat huishoudens met een laag inkomen voor het eigen risico moeten reserveren, omdat zij dit bedrag (mocht dit onverwachts nodig zijn), niet ‘op de plank zullen hebben liggen’.
De totale premie van GarantVerzorgd 2 (inclusief tandverzekering) bedraagt 143,80 euro per maand. In dit bedrag zijn de collectiviteitskorting en de gemeentelijke bijdrage al verrekend. Voor Garant Verzorgd 3 komt de premie uit op 163,30 euro. Om voor deelname aan de collectieve zorgverkering in aanmerking te komen, hanteert de gemeente Arnhem een inkomensgrens van 120 procent van de toepasselijke bijstandsnorm. Voor GarantVerzorgd 3 ligt de inkomensgrens op 130 procent. De kosten van de premie zijn in de begrotingen opgenomen onder de uitgavepost “zorgverzekering”. De zorgtoeslag die huishoudens ontvangen is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
3.2.3 Individuele inkomenstoeslag De individuele inkomenstoeslag in de gemeente Arnhem is bedoeld voor inwoners: ➢ ➢ ➢ ➢ ➢ ➢
tussen de 21 jaar en de AOW-gerechtigde leeftijd; die gedurende een periode van minimaal drie jaar over een inkomen beschikken dat niet hoger is geweest dan 105 procent van de geldende bijstandsnorm; die een vermogen hebben dat niet hoger is dan de in de Participatiewet genoemde vermogensgrenzen; die geen zicht hebben op inkomensverbetering (studenten zijn uitgesloten); die niet gedetineerd zijn op het moment van de aanvraag; die geen maatregel opgelegd hebben gekregen in verband met de arbeidsverplichting gedurende de referteperiode van 36 maanden.
____________________ ➢ ➢ ➢ ➢
De hoogte van de IIT bedraagt voor paren en alleenstaande ouders 375 euro per jaar en voor alleenstaanden 260 euro per jaar. Bij de resultaten van deze rapportage worden de saldi van huishoudens die in aanmerking komen voor de individuele inkomenstoeslag apart gepresenteerd, omdat de IIT niet voor elke inwoner van Arnhem met een laag inkomen geldt.
3.2.4 Vergoeding schoolkosten Voor huishoudens met schoolgaande kinderen (4 tot 18 jaar) en een inkomen niet hoger dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm verstrekt de gemeente een bijdrage in de schoolkosten. Voor kinderen in het primair onderwijs is deze bijdrage 40 euro per schooljaar, voor kinderen in het voortgezet onderwijs is dit 70 euro per schooljaar. De scholen ontvangen een bijdrage per kind. Zij kunnen dit inzetten om de schoolkosten van leerlingen te verlagen. Deze vergoedingen worden verrekend met de post “Onderwijs”.
3.2.5 GelrePas De GelrePas is een Arnhems instrument om de maatschappelijke participatie van inwoners met een laag inkomen te bevorderen. Met de pas worden financiële drempels weggenomen of in ieder geval verlaagd, die bij activiteiten op het gebied van sport en cultuur of op sociaal terrein voor inwoners met een laag inkomen kunnen bestaan. De pas is zowel bedoeld voor volwassenen (18+) als voor kinderen van 4 tot 18 jaar. Het betreft een individuele pas. Om voor de GelrePas in aanmerking te komen mag het inkomen niet hoger zijn dan 120 procent van de geldende bijstandsnorm. Voor gezinnen met kinderen van 4 tot en met 17 jaar geldt een inkomensgrens van 130 procent. Het vermogen mag niet hoger zijn dan het wettelijk vrij te laten vermogen. Studenten met studiefinanciering of scholieren met een WTOS-toelagen zijn uitgesloten van het recht op een Gelrepas (zij worden geacht gebruik te kunnen maken van studentenkortingen). De GelrePas kent diverse vergoedingen: Kinderen krijgen op het onderdeel sport 100 procent vergoed tot maximaal 225 euro per jaar. Op het onderdeel cultuur wordt maximaal 405 euro vergoed, voor ten hoogste één cursus/activiteit per jaar. Voor cultuur geldt een eigen bijdrage van 10 procent. Voor volwassenen wordt 50 procent van de jaarcontributie van een sportvereniging vergoed tot maximaal 225 euro per jaar.
Voor cultuur wordt 50 procent van de jaarcontributie vergoed tot maximaal 185 euro euro per jaar. Voor cultuur geldt een eigen bijdrage van 10 procent. Daarnaast zijn er voor kinderen en volwassenen nog diverse andere vergoedingen. Zo zijn er kortingen voor film, theater, musea, etc. Specifiek voor kinderen is er “Ome Joop’s Tour”, waar een vergoeding van 120 euro per kind aan verbonden is. Ook zijn kortingen mogelijk voor zwemabonnementen, cursussen, pasfoto’s en voorzieningen zoals de bibliotheek. Het is lastig om het gebruik van de GelrePas uit te drukken in een bepaald bedrag. Temeer daar kortingen op bijvoorbeeld uitjes ook weer tot extra bestedingen zullen leiden, bijvoorbeeld voor het vervoer er naartoe of versnaperingen ter plaatse.
In overleg met de gemeente Arnhem worden de volgende vergoedingen in de begrotingen doorgerekend: Voor sport en cultuur is in de begrotingen een bedrag opgenomen van 11,50 euro per maand voor kinderen van 4 tot 12 jaar en 17,50 euro per maand voor personen vanaf 12 jaar. Deze bedragen worden in de begroting op nul gezet. Voor vakantie en uitgaan wordt standaard een uitgave opgenomen van 17,50 euro per maand per gezinslid. Vanwege de voordelen van de GelrePas halveren we dit bedrag in de begroting voor Arnhem. (Zie voor de bedragen bijlage 1, onder sociale participatie.)
3.2.6 Particuliere fondsen In de gemeente Arnhem zijn zowel de Stichting Leergeld als het Jeugdfonds Sport en Cultuur actief. Stichting Leergeld De Stichting Leergeld verstrekt (zoveel mogelijk tweedehands) computers, fietsen, fietsreparaties, kosten voor schoolkampen, -excursies en andere schoolactiviteiten. In aanmerking komen in principe kinderen uit gezinnen met een inkomen tot 120 procent van de bijstandsnorm. Computers zijn bedoeld voor kinderen in het voortgezet onderwijs. Wanneer er geen voorzieningen zijn waarop een beroep kan worden gedaan voor het betreffende kind, of wanneer deze voorzieningen niet toereikend zijn, kan aanvullende hulp geboden worden door Leergeld in de vorm van giften in natura (in principe een 2e hands fiets of 2e hands laptop). Direct aan de school dragen zij bij aan de kosten van met name sociale evenementen als schoolkamp en -reis. In overleg met de gemeente worden in de begrotingen de kosten van een laptop en een fiets verrekend voor kinderen op het voortgezet onderwijs. Kinderen op het basisonderwijs kunnen ook in aanmerking komen voor een fiets, wanneer zij meer dan 1,5 kilometer van school wonen. Hier wordt in de begrotingen niet van uitgegaan. Jeugdfonds Sport en Cultuur Het Jeugdfonds Sport en Cultuur vergoedt de contributie voor sport en cultuur voor kinderen die geen gebruik kunnen maken van een GelrePas.
In deze rapportage gaan we ervan uit dat kinderen uit gezinnen met een inkomen tot 130 procent van de geldende bijstandsnorm gebruik (kunnen) maken van de GelrePas. Vergoedingen vanuit het Jeugdfonds worden daarom niet in de begrotingen meegenomen.
3.2.7 Kinderopvang en peuteropvang Op grond van de Wet kinderopvang kunnen ouders van kinderen tot twaalf jaar een tegemoetkoming toegekend krijgen voor de kosten van kinderopvang. Vervolgens resteert een eigen bijdrage voor deze kosten. Voor deze eigen bijdrage kan met de GelrePas een extra korting van 7 euro per maand verkregen worden. Daarnaast krijgen ouders met een inkomen onder 19.433 euro 7 uur van de 14 uur kinderopvang gratis. Een alleenstaande ouder met een inkomen boven bijstandsniveau zal enkele dagen per week werken en dus gebruik maken van de kinderopvang. In deze rapportage wordt bij een inkomen op 110 procent van de bijstandsnorm uitgegaan van 20 uur kinderopvang per week, bij een inkomen op 120 en 130 procent van de norm wordt uitgegaan van 30 uur kinderopvang per week.
Een alleenstaande ouder met een bijstandsuitkering hoeft geen gebruik van de kinderopvang te maken. Wel wordt ervan uitgegaan dat twee maal 7 uur per week gebruik wordt gemaakt van de peuteropvang, waarvan 7 uur gratis. Ook paren zonder werk (met een bijstandsuitkering) of paren waarvan één van beide partners werkt (met een inkomen van 110 tot en met 130 procent van de norm), zullen geen gebruik maken van de kinderopvang, maar van de peuteropvang. Per 1 januari 2018 zijn peuterspeelzalen omgevormd tot kinderdagverblijven. Dit is geregeld in de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk. Hierdoor krijgen sommige ouders die gebruik maken van de peuteropvang recht op kinderopvangtoeslag. Eenverdieners (kostwinnergezin) of werkloze alleenstaande ouders komen niet in aanmerking voor kinderopvangtoeslag. Voor deze ouders geldt in de gemeente Arnhem hetzelfde als voor ouders met recht op kinderopvangtoeslag: bij een inkomen lager dan 19.433 euro krijgen ouders bij minimaal 7 uur peuteropvang, 7 uur gratis. Bovendien is er recht op de extra korting met de GelrePas. De kosten voor kinderopvang en de peuterspeelzaal zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “kinderopvang”. De kinderopvangtoeslag (of de vergoeding die door de gemeente wordt verstrekt) is in de begrotingen opgenomen bij de inkomsten.
3.2.8 Individuele bijzondere bijstand De gemeente Arnhem verstrekt voor bijzondere en noodzakelijke kosten individuele bijzondere bijstand. Het inkomen tot 110 procent van de toepasselijke bijstandsnorm wordt niet als draagkracht aangemerkt; van het inkomen daarboven wordt 25 procent als draagkracht aangemerkt. Voor medische kosten geldt dat 25 procent van het inkomen boven 120 procent van de geldende bijstandsnorm als draagkracht wordt bestempeld. Voor bewindvoeringskosten wordt de helft van inkomen boven de bijstandsnorm als draagkracht beschouwd. De individuele bijzondere bijstand wordt in dit onderzoek niet meegenomen omdat deze sterk afhankelijk is van de persoonlijke situatie. Hiervan uitgezonderd zijn de huishoudtypen met een zorgvraag. Bij deze huishoudtypen gaan we uit van een aantal veronderstellingen (zie ook paragraaf 3.3.3). Indien voor een of meer van deze voorzieningen individuele bijzondere bijstand kan worden aangevraagd, wordt dit meegenomen in de begroting. Overige verstrekkingen vanuit de individuele bijzondere bijstand worden, net als bij de andere huishoudtypen, niet meegenomen.
3.2.9 Duurzame gebruiksgoederen Voor het vervangen van duurzame gebruiksgoederen moeten mensen in principe zelf reserveren. Voor deze kosten kunnen huishoudens met een laag inkomen de Individuele Inkomenstoeslag gebruiken. Wanneer er iets onverwachts gebeurt, bijvoorbeeld een scheiding, of als er beslag op het inkomen ligt, dan hebben mensen niet kunnen reserveren. In dit soort gevallen is bijzondere bijstand mogelijk (zie hierboven). Vergoedingen worden verstrekt op basis van een tweedehandsprijslijst. De bijzondere bijstand voor duurzame gebruiksgoederen wordt in dit onderzoek niet meegenomen, omdat dit afhankelijk is van de individuele omstandigheden.
3.3 Huishoudens met een zorgvraag In dit onderzoek worden tevens twee huishoudens met extra zorgkosten onderzocht, namelijk een eenoudergezin en een alleenstaande oudere (AOW-gerechtigd). Hieronder wordt eerst dieper ingegaan op de regelingen van de gemeente Arnhem voor huishoudens met een zorgvraag. Daarna wordt het profiel van dit huishoudtype nader omschreven en wordt bekeken wat het effect van de regelingen is op de maandbegroting van de alleenstaande oudere met een zorgvraag.
3.3.1 Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) De Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) zorgt ervoor dat mensen met een handicap, chronisch zieken en ouderen een zo normaal mogelijk dagelijks leven kunnen leiden. De gemeente bekijkt of hulp nodig is en waarmee iemand het beste is geholpen. Iedere gemeente regelt dit op zijn eigen manier. Naast algemene taken, zoals het vergroten van de leefbaarheid in de gemeente, heeft de gemeente op basis van de Wmo de volgende taken: ➢ ondersteuning van mensen met een lichamelijke, psychische of verstandelijke beperking zodat zij mee kunnen doen aan de samenleving, bijvoorbeeld door begeleiding, zinvolle daginvulling, huishoudelijke verzorging, woningaanpassing, vervoer of een rolstoel; ➢ ondersteuning van mantelzorgers en vrijwilligers, bijvoorbeeld door trainingen, of ondersteuning in het geval dat de mantelzorger ziek is.
3.3.2 Collectieve zorgverzekering Zoals in paragraaf 3.2.2 staat beschreven, kent de gemeente Arnhem een uitgebreide collectieve zorgverzekering waar huishoudens met extra zorgkosten veel profijt van kunnen hebben: GarantVerzorgd 3. Via dit pakket is onder meer het verplicht eigen risico van 385 euro per jaar meeverzekerd, evenals de eigen bijdrage voor Wmo maatwerkvoorzieningen (tot een bedrag van 300 euro per jaar). Voor dit pakket gelden aanvullende specifieke voorwaarden.
3.3.3 Tegemoetkoming Meerkosten Chronisch Zieken en Gehandicapten De tegemoetkoming meerkosten voor chronisch zieken en gehandicapten (TM-CZG) is een gemeentelijke bijdrage van maximaal 155 euro per jaar, om indirecte zorgkosten te compenseren die niet op een andere manier worden vergoed. De TM-CZG is bedoeld voor een inwoner die: o een (gezamenlijk) inkomen heeft tot maximaal 150 procent van het sociaal minimum én o een vermogen heeft tot maximaal 10.000 euro voor alleenstaanden en 20.000 euro voor alleenstaande ouders en gehuwden én o het afgelopen jaar het volledig eigen risico voor de zorgverzekering heeft betaald én o het lopende jaar een eigen bijdrage betaalt aan het CAK voor Wmo hulpmiddelen of zorg thuis.
In deze rapportage gaan we er vanuit dat de huishoudens met een zorgvraag aan de voorwaarden voldoen en dus voor de bijdrage in aanmerking komen. In de begrotingen is deze tegemoetkoming opgenomen bij de inkomsten. 3.3.4 Uitgangspunten huishoudens met zorgvraag Om de begrotingen voor huishoudens met een zorgvraag op te maken, moeten zogenoemde zorgprofielen worden opgesteld. Vervolgens kan bepaald worden welke extra kosten dit huishoudens heeft, en welke vergoedingen daar tegenover staan. De profielen zijn opgesteld door het Nibud, in samenspraak met Ieder(In) 2. Voor de alleenstaande vanaf de AOW-gerechtigde leeftijd geldt het volgende zorgprofiel: • Hartklachten • Bril • Gehoorapparaat • Rollator • Een medicijn dat door (aanvullende) zorgverzekering vergoed wordt • Lichte vorm van incontinentie • Maakt gebruik van de maaltijdvoorziening • 3 uur huishoudelijke verzorging per week • 14 uur persoonlijke verzorging per week • 4 uur verpleging per week • Personenalarmering • Gebruik belbus/collectief vervoer • Woningaanpassing (drempels weg, verhoogde wc) Het profiel voor de alleenstaande onder de AOW-gerechtigde leeftijd ziet er als volgt uit: • Stofwisselingsziekte • Longproblemen • Hoog medicijngebruik (deels eigen bijdrage voor betalen) • Rolstoelgebonden • 2 uur huishoudelijke verzorging per week • 12 uur persoonlijke verzorging per week • 4 uur verpleging per week •
Woningaanpassing (drempels weg, verhoogde WC) • Personenalarmering • Gebruik belbus / collectief vervoer Gezien het bovenstaande, zal de begroting van de huishoudens met een zorgvraag op diverse punten afwijken van de standaardbegrotingen: •
De huishoudelijke verzorging is in de gemeente Arnhem mogelijk als een algemene voorziening of een maatwerkvoorziening. Veruit het grootste deel (85 procent) heeft de huishoudelijke verzorging als een maatwerkvoorziening. Hiervoor betaalt de inwoner een inkomensafhankelijke eigen bijdrage. De eigen bijdrage Wmo is 17,50 euro per vier weken (19 euro per maand), ongeacht het inkomen. De eigen bijdrage wordt betaald vanuit de collectieve zorgverzekering die de gemeente aanbiedt. Er komen daarom geen meerkosten bij voor de huishoudelijke verzorging. ____________________
•
De persoonlijke verzorging en verpleging vallen in het basispakket van de zorgverzekering. Hiervoor komen er dus geen extra kosten bij.
•
De maaltijdvoorziening zorgt voor meerkosten ten opzichte van de situatie waarin de warme maaltijd zelf wordt bereid. De kosten voor een warme maaltijd, bedragen gemiddeld 5,65 euro per maaltijd. Dit is een gemiddelde tussen versmaaltijden en vriesmaaltijden. Voor inwoners die vanwege sociaal-medische redenen niet in staat zijn om zelf een maaltijd te bereiden en die in het bezit zijn van een GelrePas is een vergoeding mogelijk van 2,50 euro op de hoofdmaaltijd. Volgens de Nibud Prijzengids kost een warme maaltijd voor personen van 70 jaar en ouder 2,14 euro per persoon. De meerkosten voor een warme maaltijd bedragen dus 5,65 euro minus 2,14 euro is 3,51. Inwoners met een GelrePas hebben, na aftrek van de vergoeding van 2,50 euro, meerkosten van 1,01 euro per maaltijd. Uitgaande van vijf maaltijden per week, zijn de meerkosten 76,05 euro per maand. Inclusief de korting met de GelrePas wordt dit 21,88 euro per maand. De meerkosten voor de maaltijdvoorziening van de alleenstaande oudere met een zorgvraag zijn in de begrotingen opgenomen onder de post “voeding”.
•
Het huishouden met een zorgvraag maakt gebruik van aanvullend vervoer. In de gemeente Arnhem gelden hiervoor de volgende tarieven: Tarieven Wmo met korting Wmo zonder korting
Opstaptarief € 0,95 € 3,15
Km-tarief € 0,17 € 0,49
Inwoners krijgen een Avan-pas vanuit de wmo met een kilometerbudget. Dan geldt het bovenste tarief. Boven dat budget geldt het onderste tarief. De hoogte van het kilometerbudget is afhankelijk van de vervoersbehoefte van de de inwoners. In het algemeen komt dit neer op 1.500 kilometer per jaar. Dit wordt minder als er ook een andere vervoersvoorziening wordt ingezet, zoals bijvoorbeeld een scootmobiel. In de begrotingen wordt gerekend met vier ritten per maand van 5 kilometer enkele reis, wat neerkomt op 14,40 euro per maand. Daarnaast rekenen we een aantal langere reizen voor bijvoorbeeld het bezoeken van een specialist. Daarbij gaan we uit van 4 ritten per jaar van 50 kilometer enkele reis. Omgerekend per maand gaat dit om een bedrag van 6,30 euro. Totaal gaat het dus om een bedrag van 20,70 euro per maand aan extra vervoerskosten vanwege zorg. Verder gaan we ervan uit dat er geen gebruik wordt gemaakt van de fiets; deze kosten (8,84 euro per maand) zijn daarom uit de begroting van de betreffende huishoudens gehaald. De extra vervoerskosten zijn opgenomen onder de post “vervoer”. •