Bijlage 5 - Bijenmonitoring Arnhem EIS 2022
Tekst van het document
2022
John T. Smit & Kees Goudsmits
Bestuivers in de gemeente Arnhem: eerste ronde - 2022
Bestuivers in de gemeente Arnhem: eerste ronde - 2022
november 2022 tekst John T. Smit & Kees Goudsmits foto’s John T. Smit, tenzij anders vermeld productie EIS Kenniscentrum Insecten, Leiden rapportnummer EIS2022-21 opdrachtgever Gemeente Arnhem contactpersonen opdrachtgever Robin Driessen contactpersoon EIS John T. Smit foto’s voorpagina Hoofdfoto: Mooi ontwikkeld en structuurrijk stroomdalgrasland nabij de steenfabriek in Meinerswijk met veel bloeiende veldsalie. Foto: Kees Goudsmits. Inzet: Vrouwtje van de knautiabij Andrena hattorfiana, een bedreigde en tevens beoogde doelsoort voor de gemeente Arnhem. Foto: John Smit. foto achterkant Mannetje van de bruine rouwbij Melecta albifrons, een broedparasiet van een typische stadssoort de gewone sachembij Anthophora plumipes; een beoogde aandachtsoort voor de gemeente Arnhem. Foto: John Smit.
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Inhoudsopgave Samenvatting . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Inleiding . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Doel . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Methode . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Bestaande gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Veldwerk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Onderzochte groepen . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 5 Terminologie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 7 Resultaten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Bestaande gegevens . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Veldwerk . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 12 Bespreking enkele bijzondere soorten . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 14 Onderzochte gebieden . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 26 Hotspots en bufferzones . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32 Conclusie . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 38 Aanbevelingen . . . . . . . . . . . . . . . . .
. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 39 Literatuur . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 41 Bijlage 1. Overzicht van de waargenomen bijen in 2022 . . . . . . . . . . . . . . . 42 Bijlage 2. Overzicht van de waargenomen zweefvliegen in 2022 . . . . . . . . . . .44 Bijlage 3. Overzicht van de waargenomen bijen sinds 2000 . . . . . . . . . . . . . 45
1
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Samenvatting Afgelopen seizoen heeft EIS Kenniscentrum Insecten in opdracht van de gemeente Arnhem een viertal gebieden geïnventariseerd op bijen en zweefvliegen: Meinerswijk, park Immerloo, de Koningsheide en de Waterberg. Deze gebieden maken onderdeel uit van het ambitieuze plan van de gemeente, genaamd Living Labs Arnhem, om de biodiversiteit op een structurele manier te monitoren. Dit heeft geresulteerd in een lijst van 134 soorten bijen, waarvan 24 soorten van de Rode Lijsten zelfs een nieuwe soort voor Nederland: de braamtronkenbij Heriades rubicola. Er zijn in totaal 74 soorten zweefvliegen waargenomen, waarvan er drie zeldzaam zijn. Zowel Meinerswijk als park Immerloo zijn zeer rijk aan bijen met respectievelijk 90 en 94 soorten bijen. Aanvullend is er ook een analyse uitgevoerd van de bestaande gegevens van bijen om inzichtelijk te maken of er nog aanvullende gebieden zijn die belangrijk zijn voor bijen of waar populaties van bijzondere soorten aanwezig zijn. Hieruit kwam een drietal gebieden naar voren: de Arnhemse heide, Meinerswijk en de Schaapdijk in IJsseloord. De Arnhemse heide is kort besproken maar verder buiten beschouwing gelaten omdat het terrein beheerd wordt door de Rijksvastgoeddienst en niet door de gemeente Arnhem. De beide andere gebieden worden uitgebreider besproken.
De gemeente Arnhem wil nadrukkelijk de ruimte bieden aan zowel wilde bestuivers als honingbijen, maar wil ook kwetsbare populaties van wilde bijen beschermen tegen onder andere voedselconcurrentie. Daarom is er niet alleen een analyse uitgevoerd naar de hotspots binnen de gemeente, maar ook naar eventuele knelpunten met betrekking tot potentiële voedselconcurrentie met de honingbij. Hiervoor is niet alleen gekeken naar de Rode-Lijststatus en de zeldzaamheidsklasse van de verschillende soorten, maar is per soort ook een inschatting gemaakt van de eventuele concurrentiegevoeligheid op basis van voedselspecialisatie en hoe graag een honingbij op die betreffende plant foerageert. Hier is nog een correctie naar lichaamsgrootte op toegepast, ervan uitgaande dat kleinere soorten (<10 mm) minder gevoelig zijn. Hieruit blijkt dat er verspreid over de gemeente veel plekken zijn waar (zeer) concurrentiegevoelige soorten voorkomen. In dit rapport beperken we ons tot de gebieden die in 2022 zijn onderzocht en dan blijkt dat de meeste concurrentiegevoelige populaties zich bevinden in Meinerswijk, park Immerloo en op de Schaapdijk in IJsseloord. Tijdens de monitoring zijn niet alleen de aantallen wilde bijen genoteerd maar ook de aantallen honingbijen. Hieruit bleek dat net iets meer dan de helft van alle bijen een honingbij betrof: 2.453 honingbijen ten opzichte van 2.391 wilde bijen.
Niet zelden overtrof het aantal honingbijen op een monitoringsbezoek het totale aantal wilde bijen bij elkaar, dit gold vooral voor Meinerswijk en park Immerloo. Gemiddeld genomen werden er per wilde bijensoort per bezoek twee exemplaren waargenomen met een maximum van 50. Bij honingbijen lag dat gemiddelde op 123, met een maximum van 760. Deze grote verschillen in aantallen duiden op mogelijke knelpunten in verband met voedselconcurrentie, zeker op de plekken waar populaties van veel (zeer) concurrentiegevoelige soorten aanwezig zijn, zoals Meinerswijk en park Immerloo.
2
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Inleiding De gemeente Arnhem is enkele jaren geleden begonnen met een ambitieus plan om de biodiversiteit binnen de gemeentegrenzen structureel te gaan monitoren. Dit plan is samengevat in het zogenaamde Living Labs Arnhem, waarin 14 gebieden zijn geselecteerd (Haas 2020). EIS Kenniscentrum Insecten is gevraagd om de monitoring van bijen in deze gebieden uit te voeren. Afgelopen seizoen is hiervan een viertal gebieden onderzocht. Hierbij zijn ook zweefvliegen meegenomen. Deze vormen, naast bijen, eveneens een soortenrijke groep van bestuivers die tevens geschikt zijn als indicatoren van bosecosystemen. De gemeente Arnhem wil nadrukkelijk ruimte bieden aan zowel wilde bestuivers als aan de honingbij en wil, daar waar mogelijk, de biotopen verbeteren en de bloemrijkdom verhogen om beide te bedienen. Tevens wil de gemeente locaties met kwetsbare of bijzondere soorten wilde bestuivers beschermen door onder andere de concurrentiedruk met honingbijen te beperken door het aanwijzen van zogenaamde bufferzones. Deze aanpak is in het verleden ook toegepast in de gemeenten Eindhoven (Raemakers & Faasen 2017) en Amsterdam (Reemer et al. 2020). Om die reden is er naast het veldwerk ook een analyse uitgevoerd van de reeds bestaande data om inzicht te krijgen in eventuele aanvullende belangrijke gebieden voor bijen of potentiële kwetsbare populaties.
Doel Het doel van dit onderzoek is om inzicht te krijgen in de aanwezige bestuiversfauna en eventuele plekken met bijzondere of kwetsbare soorten binnen de gemeente Arnhem. Aanvullend wordt gekeken hoe de biotoop van de onderzochte locaties verbeterd en, indien nodig, beschermd kan worden.
3
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Methode Het onderzoek valt uiteen in twee onderdelen: een analyse van de reeds bestaande gegevens om zicht te krijgen op eventuele belangrijke gebieden of bijzondere soorten, en een veldonderzoek in een viertal gebieden om de diversiteit in kaart te brengen. Voor het veldwerk wordt aangesloten bij de gebieden die geselecteerd zijn voor het Living Labs Arnhem (Haas 2020).
Bestaande gegevens Aan de hand van de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF) en het bestand met landelijke verspreidingsgegevens van bijen zoals aanwezig bij EIS Kenniscentrum Insecten is een analyse uitgevoerd naar de soorten die de afgelopen twee decennia in de gemeente Arnhem zijn waargenomen. Op basis hiervan is gekeken of er nog aanvullende belangrijke (historische) locaties zijn voor bestuivers die nu niet in het veldonderzoek van het Living Lab worden meegenomen. De gebieden die er uitspringen zullen kort behandeld worden en eventuele potentiële aandachtsoorten zullen eveneens besproken worden.
Veldwerk Voor het veldwerk is een viertal gebieden geselecteerd, aansluitend bij de gebieden van het Living Lab: Meinerswijk, park Immerloo, Koningsheide en De Waterberg (fig. 1). Aanvankelijk was beoogd om alle gebieden drie keer te bezoeken, in het voorjaar, de voorzomer en de zomer. Per gebied was één dag per ronde begroot, gezien de grootte van de gebieden. Later bleek echter dat het slechts om een deel van de gebieden Meinerswijk en park Immerloo ging, waardoor deze beide gebieden samen op één dag bezocht konden worden. Om die reden is er besloten om de gebieden vaker te bezoeken, waardoor er in totaal vijf ronden hebben plaatsgevonden voor alle vier de gebieden (tabel 1). Het veldwerk is uitgevoerd door met een net rond te lopen op zoek naar bijen en zweefvliegen. Hierbij is vooral gelet op de meest kansrijke plekken, dat zijn vooral bloemen en bloemrijke plekken, maar voor bijen ook potentiële nestelplekken, zoals open en kale grond, dood hout et cetera. Tijdens het veldwerk zijn waar mogelijk de soorten en aantallen in het veld genoteerd. Indien nodig werden dieren verzameld om op een later moment op naam te brengen. De soorten van het aardhommel-complex (aard-, veld- grote veld- en wilgenhommel) zijn in het veld niet betrouwbaar van elkaar te onderscheiden, hiervoor moeten ze gedood en microscopisch onderzocht worden.
Voor deze inventarisatie is dat niet gedaan en is volstaan met de aanduiding ‘aardhommelcomplex’.
Tabel 1 Bezoekdata van de onderzochte gebieden in Arnhem.
Meinerswijk Park Immerloo Koningsheide Waterberg
4
ronde 1 ronde 2 ronde 3 ronde 4 27-mrt 19-apr 15-mei 20-jun 27-mrt 8-mei 4-jun 28-jun 11-apr 24-apr 22-mei 15-jun 11-apr 24-apr 22-mei 15-jun
ronde 5 12-jul 12-jul 4-aug 4-aug
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 1 Ligging van de onderzochte gebieden in de gemeente Arnhem.
Onderzochte groepen Bijen De honingbij is bij iedereen bekend. Deze honingproducerende bij leeft in sociale volken en wordt door imkers gehouden in bijenkasten. Minder bekend zijn de bijna 370 soorten wilde bijen die in Nederland voorkomen. Deze worden niet verzorgd door imkers en moeten zelf zorgen voor hun onderdak. Ook hommels behoren tot de wilde bijen. Wilde bijen nestelen op allerlei plekken. Veel soorten graven zelf hun nest in de bodem, met name op schaars begroeide plekken. Sommige hommels maken gebruik van verlaten muizenholen. Andere soorten nestelen bovengronds in dood hout, waarin andere insecten gangen hebben uitgeknaagd. Ook zijn er diverse soorten die hun nesten in holle takjes en stengels bouwen, en zelfs enkele soorten die uitsluitend nestelen in lege slakkenhuisjes. Hoe meer variatie er in een terrein is aan zulke ‘microstructuren’, hoe meer bijensoorten er een geschikte nestelplek kunnen vinden. Bijen houden van warmte, dus belangrijke voorwaarde voor een geschikte nestelplek is dat deze een flink deel van de dag in de zon moet liggen.
5
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Alle bijen bezoeken bloemen. Zij drinken nectar voor hun eigen energievoorziening en verzamelen stuifmeel als voedsel voor de larven. Met dit stuifmeel vliegen ze naar hun nest, waar ze het in de nestcellen opbergen en er hun eieren op leggen. Veel soorten bijen zijn in bepaalde mate gespecialiseerd in hun bloembezoek. Gespecialiseerde bijen verzamelen bijvoorbeeld alleen stuifmeel op wilgen, schermbloemen, kattenstaart, klavers of heide. Een bij vliegt dagelijks diverse malen op en neer tussen nest en bloemen om voldoende voedsel te verzamelen. Het is dus belangrijk dat geschikte nestelplaatsen niet te ver van de bloemen vandaan liggen.
Zweefvliegen Zweefvliegen kunnen als kleine helikoptertjes stilstaan in de lucht. Veel soorten lijken in uiterlijk op bijen, hommels of wespen, maar steken kunnen ze niet. Zweefvliegen hebben met bijen gemeen dat ze vaak bloemen bezoeken. In tegenstelling tot bijen gebruiken zweefvliegen nectar en stuifmeel echter alleen als voedsel voor de volwassen vliegen, niet voor hun larven. Juist in de voedingsgewoonten van de larven verschillen de 330 Nederlandse soorten zweefvliegen sterk van elkaar. De voedselkeuze van de larven bepaalt in grote mate waar een zweefvlieg voorkomt. Grofweg zijn er vier ecologische hoofdgroepen te onderscheiden: Bladluiseters - Dit zijn predatoren die over kruiden, bomen en struiken lopen en zich voeden met bladluizen. Net als lieveheersbeestjes zijn deze zweefvliegenlarven belangrijke biologische bestrijders van bladluizen. Sommige soorten hebben een breed dieet van uiteenlopende soorten bladluizen, andere zijn kieskeuriger. Planteneters - Deze leven in wortels, stengels en bladeren van planten. Deze soorten zijn sterk gespecialiseerd in bepaalde plantensoorten. Zo zijn er soorten die in fluitenkruid leven, in koninginnekruid of in distels. Water- en modderbewoners - Deze larven voeden zich met bacteriën in nat, rottend materiaal, zoals in de modder langs oevers.
Sommige soorten leven in voedselrijke omstandigheden, terwijl andere juist schoon en minder voedselrijk water prefereren. Ze halen adem door een lange, telescopisch uitschuifbare buis aan het uiteinde van hun achterlijf. Houtmolmbewoners - Net als de water- en modderbewoners voeden deze larven zich met bacteriën, alleen doen houtmolmbewoners dit op allerlei plekjes die met dood hout en oude bomen te maken hebben. Enkele soorten boren zich een weg door dood, rottend hout, andere leven in natte boomholten of in sap dat uit beschadigde boombast vloeit. Een klein aantal soorten laat zich niet in deze hoofdcategorieën vangen. Dit zijn bijvoorbeeld de gewone snuitvlieg Rhingia campestris, die zich in koeienmest ontwikkelt. De verschillende kniksprieten Microdon leven als larve in mierennesten, waar ze afval onderin het nest opruimen.
6
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Terminologie Bijen hiermee worden de bijna 370 Nederlandse soorten wilde bijen, inclusief hommels, aangeduid, daar waar het over de honingbij gaat wordt die ook als zodanig gemeld. Broedparasiet een soort die niet haar eigen nest maakt, maar haar eieren afzet in een nest van een geschikte gastheer. Clypeus het onderste deel van het gezicht, bij mannetjes van sommige soorten bijen is dit geel of wit van kleur. Communaal een nestelwijze waarbij verschillende vrouwtjes gebruik maken van één nestingang, maar wel ieder hun eigen broedcel aanleggen. Nestaggregatie een klein of groot aantal nesten van dezelfde bijensoort bij elkaar in de grond, ieder nest door een eigen vrouwtje aangelegd en bevoorraad. Oligolectisch een bijensoort die stuifmeel verzamelt op één plantensoort of een beperkt spectrum aan nauwverwante plantensoorten. Polylectisch een bijensoort die stuifmeel verzamelt op en breed spectrum aan plantensoorten. Primitief-eusociaal een bijensoort waarbij het vrouwtje - de koningin - overwintert, deze maakt het volgend voorjaar een nest en de eerste generatie bestaat vrijwel geheel uit vrouwtjes die functioneel steriel zijn. Deze vrouwtjes nemen de taak van het stuifmeel verzamelen over van de koningin, die zich vooral bezighoudt met eieren leggen. De volgende generatie bestaat uit geslachtelijke dieren, mannetjes en vouwtjes.
Dit type levenscyclus vinden we vooral bij groefbijen.
7
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Resultaten Bestaande gegevens Binnen de gemeente Arnhem zijn in de periode 2000-2021 maar liefst 157 soorten bijen waargenomen. Dat is ruim 40% van de totale Nederlandse bijenfauna. Bijlage 3 bevat een overzicht van alle soorten bijen die in de gemeente Arnhem zijn waargenomen. Per soort is het aantal waarnemingen in de periode 2000-2021 (oud) en 2022 weergegeven, indien de soort in 2022 niet is aangetroffen is het laatste jaar weergegeven waarin de soort is waargenomen. Tevens zijn de RodeLijststatus en de zeldzaamheid gegeven afkomstig uit de meest recente Rode Lijst (Reemer 2018). De verspreiding van de waarnemingen uit de periode 2000-2021 is weergegeven in figuur 2. Aanvullend is de verspreiding van de (zeer) zeldzame soorten en soorten van de Rode Lijst weergegeven in figuur 3. Het eerste dat opvalt is dat veel van de natuurgebieden niet of nauwelijks onderzocht zijn en dat de meeste waarnemingen uit het stedelijke gebied komen (fig. 2). Uit het kaartbeeld komt een paar gebieden duidelijk naar voren, met name de Arnhemse heide en Meinerswijk, dit is ook duidelijk zichtbaar bij de zeldzame of bedreigde soorten (fig. 3). Daarnaast zijn er vooral enkele groengebieden die er uitspringen, zoals park Sonsbeek, Klarenbeek en enkele kleinere locaties zoals de heemtuin Presikhaaf en de Paasberg.
In laatstgenoemde gebied betreft het vooral waarnemingen in de woonwijk, verricht door een fanatieke waarnemer met meer dan 60 waarnemingen, vermoedelijk rond zijn huis. Figuur 3 laat zien dat er verspreid over de stad een aantal zeldzame soorten is waargenomen buiten bovengenoemde gebieden maar dat zijn over het algemeen soorten die beter vertegenwoordigd zijn in stedelijke omgeving dan in natuurgebieden of het buitengebied, zoals de blauwzwarte houtmetselbij, andoornbij en de gewone tubebij. Daarnaast zijn er een twee soorten die als zeldzaam te boek staan, maar in Nederland eigenlijk meer een zuidelijke verspreiding hebben en de laatste jaren een duidelijke opmars richting het noorden maken. Dit zijn de klimopbij en de breedbandgroefbij, beide zijn inmiddels al zo noordelijk als Groningen en Friesland waargenomen. Deze waarnemingen laten we verder buiten beschouwing en we beperken ons hier tot de beide genoemde gebieden, Arnhemse heide en Meinerswijk, die kort worden besproken. Op basis van de waargenomen soorten kan een drietal potentiële doelsoorten worden voorgesteld: de knautiabij, de koolzwarte zandbij en de zweefvlieg het zomers doflijfje. Beide bijensoorten staan op de Rode Lijst en beide hebben populaties binnen de gemeente Arnhem, bovendien zijn er duidelijke maatregelen te formuleren die de soorten kunnen helpen.
De locatie van de waarneming van de knautiabij in 2021 wordt niet getoond op de kaart (fig. 2, 3), omdat de gegevens niet mogen worden uitgeleverd. Deze locatie is echter in 2022 bezocht waarbij de knautiabij wederom is aangetroffen Ook dit gebied wordt hieronder kort besproken. Het zomers doflijfje is een zeldzame soort die recent sterk achteruit lijkt te gaan, de soort is vermoedelijk gebonden aan kwel en mogelijk nog aanwezig in Meinerswijk Verder worden enkele herkenbare soorten voorgesteld die in het kader van ‘de andere Arnhemmers’ van Arnhem Zoemt als aandachtsoorten opgenomen kunnen worden. Criteria die bij de selectie een rol spelen zijn de herkenbaarheid in het veld en of ze vermoedelijk een populatie in de gemeente Arnhem hebben. Deze soorten lenen zich uitstekend voor publieksacties. Tabel 2 geeft een overzicht van de genoemde soorten.
8
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 2 Waarnemingen van bijen in de periode 2000-2021.
Figuur 3 Waarnemingen van (zeer) zeldzame bijen of soorten van de Rode lijst, in de periode 2000-2021.
9
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Arnhemse heide Dit gebied is in 2020 uitgebreid onderzocht in opdracht van de Rijksvastgoeddienst in het kader van het onderzoek naar concurrentie tussen wilde bijen en honingbijen (Smit & Zeegers 2020). Dit onderzoek heeft diverse zeldzame en bijzondere soorten opgeleverd, vooral de typische soorten van heideterreinen en enkele van droge schraallanden. De meeste van deze typische soorten zullen buiten de Arnhemse heide hooguit nog voorkomen op de Koningsheide. Het gaat hierbij om soorten als de bremzandbij, glanzende franjegroefbij, grote veldhommel, heidewespbij en de bosmetselbij. De beide andere aangetroffen Rode-lijstsoorten kunnen eventueel ook op andere plekken opduiken. De veenhommel heeft geen duidelijke biotoop en wordt op de meest uiteenlopende terreinen aangetroffen. De paardenbloembij is een soort typisch voor droge schraallanden en rivierdijken en zou ook op andere (hei)schrale graslanden gevonden kunnen worden. Dit terrein is verder buiten beschouwing gelaten omdat het in beheer is bij de Rijksvastgoeddienst en niet bij de gemeente Arnhem.
Meinerswijk Dit uiterwaardengebied is van oudsher vrij goed onderzocht op het voorkomen van bijen, vooral in de laatste twee decennia van de vorige eeuw. Het gebied is vrijwel het hele jaar behoorlijk bloemrijk, het begint met de bloeiende wilgen in het voorjaar tot een keur aan bloeiende kruiden in het najaar. De soortsamenstelling wordt vooral gekarakteriseerd door de typische soorten van het rivierengebied en soorten die aan vochtige bloemrijke graslanden zijn gebonden. Enkele voorbeelden van deze soorten zijn de lichte wilgenzandbij, een van de vele soorten die foerageren op de wilgen in het voorjaar. De halfgladde dwergzandbij heeft hier een goede populatie, een soort die vermoedelijk vooral foerageert op schermbloemen. Ook de beoogde doelsoort de koolzwarte zandbij is hier enkele malen waargenomen en heeft mogelijk een populatie in het gebied. Verder zitten er goede populaties van de groepjesgroefbij en de glimmende smaragdgroefbij, beide soorten zijn ook dit jaar in aantal waargenomen. Een andere zeldzame soort die een populatie heeft in dit gebied is de ogentroostdikpoot. In het verleden is de bijzondere en zeldzame zweefvlieg het zomers doflijfje verschillende keren waargenomen, vooral eind jaren 1990 en begin 2000. In 2014 zijn er nog enkele exemplaren waargenomen, maar de soort is dit seizoen niet aangetroffen.
Deze soort is vermoedelijk gebonden aan kwel, de larven leven van nat organisch materiaal. Mogelijk dat met een gerichte zoekactie deze soort nog terug te vinden is. Tabel 2 Voorgestelde doel- en aandachtsoorten voor de gemeente Arnhem. Doelsoorten zijn zeldzame soorten die een populatie in Arnhem hebben die de moeite van het behouden waard zijn. Aandachtsoorten zijn makkelijk herkenbare soorten, geschikt voor publieksacties.
10
Wetenschapelijke naam Doelsoorten Andrena hattorfiana Andrena pilipes Melanogaster aerosa
Nederlandse naam
Jaar N oud N 2022 Rodelijst Zeldzaamheid
knautiabij koolzwarte zandbij zomers doflijfje
2020 2014
1 7 14
4
Aandachtsoorten Anthophora plumipes Chelostoma rapunculi Macropis europaea Melitta nigricans Melitta tricincta
gewone sachembij grote klokjesbij gewone slobkousbij kattenstaartdikpoot ogentroostdikpoot 2021
56 33 11 25 12
5 1 11 2
Bedreigd zeldzaam Bedreigd zeldzaam zeldzaam
vrij zeldzaam vrij zeldzaam zeldzaam
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Schaapdijk IJsseloord Op deze dijk langs de IJssel is in 2021 een vrouwtje waargenomen van de knautiabij. Op de betreffende dijk zijn enkele plukken beemdkroon aanwezig en bij een bezoek op 7 juni 2022 werden inderdaad 6 exemplaren aangetroffen. De knautiabij is een zeldzame en bedreigde soort die slechts op enkele plekken in het uiterwaardengebied van Gelderland voorkomt (fig. 11). De soort staat op de lijst met prioritaire soorten van de provincie Gelderland (Provincie Gelderland 2015). De knautiabij is oligolectisch op beemdkroon, en verzamelt dus uitsluitend stuifmeel van deze plant. Met gericht beheer is beemdkroon te behouden en wellicht zelfs uit te breiden op deze locatie. Een belangrijke maatregel is een verlate maaidatum gezien de bloeitijd van beemdkroon: mei tot september. De knautiabij vliegt van mei tot en met augustus met een duidelijke piek in juni-juli. Het verdient aanbeveling deze dijk te beheren met het oog op beemdkroon in een poging deze waardplant niet alleen te behouden maar ook te bevorderen. Gezien de verspreiding van de knautiabij in de Geldersche poort kan de gemeente Arnhem een versterkend effect hebben op de Gelderse populatie door het dijkbeheer zowel langs de IJssel als de Rijn af te stemmen op een verdere uitbreiding van beemdkroon en daarmee hopelijk ook de knautiabij.
Figuur 4 Talud van de Schaapdijk met een vrouwtje knautiabij foeragerend op beemdkroon.
Figuur 5 Waarnemingen van de knautiabij op de Schaapdijk in IJsseloord in 2022.
11
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Veldwerk In de gemeente Arnhem zijn afgelopen seizoen maar liefst 134 soorten bijen en 74 soorten zweefvliegen waargenomen. Onder de bijen bevinden zich 24 soorten van de Rode Lijst (Reemer 2018): ernstig bedreigd (2), bedreigd (4), kwetsbaar (16) en gevoelig (2). Aanvullend zijn er nog enkele zeldzame soorten waargenomen, zoals het tweede Nederlandse exemplaar van de slanksprietmaskerbij Hylaeus gracilicornis en er is zelfs een nieuwe soort voor Nederland waargenomen op de Huissensedijk: de braamtronkenbij Heriades rubicola (fig. 6, 20, 21). Voor de zweefvliegen is er nog geen Nederlandse Rode Lijst en er zijn geen soorten van de Europese Rode Lijst waargenomen, er zijn drie soorten waargenomen die zeldzaam zijn. Tabel 3 geeft een overzicht van de aangetroffen bijzondere soorten. Hieronder worden enkele van de zeldzame of typische soorten behandeld waarvan het duidelijk of aannemelijk is dat er een populatie aanwezig is in Arnhem. Bijlage 1 en 2 geven een overzicht van de waargenomen soorten per deelgebied.
In 2022 zijn 21 soorten bijen waargenomen die de afgelopen twee decennia niet zijn waargenomen, waardoor de totaallijst van bijensoorten dat in de stad Arnhem is waargenomen sinds het jaar 2000 uitkomt op 178 soorten! Bijlage 3 geeft een overzicht van deze soorten, inclusief het aantal waarnemingen in beide perioden en indien de soort dit jaar niet is aangetroffen is het laatste jaar weergegeven waarin de soort is waargenomen.
Figuur 6 Vrouwtje van de braamtronkenbij Heriades rubicola waargenomen op de Huissense dijk in Arnhem, een soort die nieuw is voor Nederland.
12
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Tabel 3 Overzicht van rode lijst-soorten en zeldzame soorten bijen en zweefvliegen die tijdens het veldwerk in 2022 in Arnhem zijn aangetroffen.
Wetenschapelijke naam Bijen Andrena gravida Andrena hattorfiana Andrena helvola Andrena labialis Andrena labiata Andrena lapponica Andrena mitis Andrena semilaevis Andrena strohmella Andrena wilkella Anthophora furcata Bombus jonellus Bombus rupestris Bombus vestalis Chelostoma campanularum Colletes similis Halictus scabiosae Heriades rubicola Hoplitis leucomelana Hylaeus cornutus Hylaeus gracilicornis Hylaeus gredleri Hylaeus incongruus Hylaeus leptocephalus Hylaeus pictipes Hylaeus signatus Lasioglossum brevicorne Lasioglossum laticeps Lasioglossum malachurum Lasioglossum monstrificum Lasioglossum nitidulum Lasioglossum pallens Lasioglossum quadrinotatum Lasioglossum rufitarse Melecta albifrons Nomada fulvicornis Nomada rufipes Osmia caerulescens Osmia leaiana Osmia niveata Sphecodes ferruginatus Stelis breviuscula
Nederlandse naam
Aantal Rode lijst
Zeldzaamheid
weidebij knautiabij valse rozenzandbij donkere klaverzandbij ereprijszandbij bosbesbij lichte wilgenzandbij halfgladde dwergzandbij gekielde dwergzandbij geelstaartklaverzandbij andoornbij veenhommel rode koekoekshommel grote koekoekshommel kleine klokjesbij zuidelijke zijdebij breedbandgroefbij braamtronkenbij zwartgespoorde houtmetselbij gehoornde maskerbij slanksprietmaskerbij zompmaskerbij weidemaskerbij kleine lookmaskerbij kleine tuinmaskerbij resedamaskerbij kortsprietgroefbij breedkaakgroefbij groepjesgroefbij glanzende franjegroefbij glimmende smaragdgroefbij waaiergroefbij kleine bandgroefbij zadelgroefbij bruine rouwbij roodsprietwespbij heidewespbij blauwe metselbij kauwende metselbij zwartbronzen houtmetselbij roestbruine bloedbij gewone tubebij
6 4 1 1 6 2 4 8 1 6 4 2 1 30 2 11 57 3 4 2 1 44 3 2 10 13 1 12 103 1 24 1 2 1 2 3 4 2 1 11 1 2
vrij zeldzaam zeldzaam zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam zeldzaam zeldzaam zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam Gevoelig zeer zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam Bedreigd zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam zeldzaam zeldzaam zeldzaam zeer zeldzaam zeldzaam zeldzaam zeer zeldzaam zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam Ernstig bedreigd zeer zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam zeldzaam zeldzaam zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam Gevoelig zeer zeldzaam Bedreigd zeldzaam Ernstig bedreigd zeer zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam Kwetsbaar vrij zeldzaam Bedreigd zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam zeldzaam Kwetsbaar zeldzaam
Zweefvliegen Chalcosyrphus piger Cheilosia himantopus Pipiza festiva
roodpuntbladloper vroeg hoefbladgitje geelbuikplatbek
5 1 1
zeer zeldzaam zeldzaam zeldzaam
Kwetsbaar Bedreigd
13
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Bespreking enkele bijzondere soorten Doelsoorten Knautiabij Andrena hattorfiana Rode Lijst: Bedreigd. Status: Zeldzaam. Prioritaire soort van de provincie Gelderland. Beoogde doelsoort voor de gemeente Arnhem. Biologie: Oligolectisch op beemdkroon Knautia arvensis, soms ook foeragerend op duifkruid Scabiosa columbaria. Voorkomen: Voorheen vooral beperkt tot Zuid-Limburg, met verschillende populaties in het heuvelland en een verspreid voorkomen op de dijken langs de Grensmaas. Daarnaast is er een handjevol waarnemingen daarbuiten, vooral in het rivierengebied. In de tweede helft van de vorige eeuw is de knautiabij zeer sterk achteruit gegaan en in 2008 is er daarom een beschermingsplan opgesteld. Dit is vooral gericht op biotoopherstel en bevat een keur aan beheeradviezen (Reemer et al. 2008). De belangrijkste oorzaak voor de afname is de achteruitgang van beemdkroon. Deze plant komt vooral voor op plekken buiten natuurgebieden en daarmee vallen ze buiten de reguliere natuurbescherming: wegbermen, randen van weilanden, bermen langs spoor, holle wegen, kanaaldijken en bosranden. De factoren die een rol spelen bij de achteruitgang zijn verruiging en op een verkeerd moment maaien. Wat de knautiabij nodig heeft zijn locaties met 50-500 beemdkroonplanten, het liefst op een zuidelijke expositie, met wat open en kale grond tussen de vegetatie om te kunnen nestelen.
Zweeds onderzoek wees uit dat ze nestelen tussen de kruidenvegetatie en dat de dieren erg plaatstrouw zijn, bovendien vliegen ze nauwelijks plekken over zonder beemdkroon zoals (on)verharde wegen, muren et cetera, zelfs als deze relatief smal zijn: < 10 meter (Larsson & Franzen 2007). Reemer et al. (2008) geven enkele algemene richtlijnen voor het beheer en enkele mogelijke beheermaatregelen (fig. 7).
Figuur 7 Overzicht van de belangrijkste richtlijnen en beheermaatregelen voor het behoud van de knautiabij. Overgenomen uit: Reemer et al. (2008).
14
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 10 Huidige verspreiding van de Figuur 11 Verspreiding van de knautiabij in de Gelderse poort. knautiabij in Nederland.
Figuur 8 Vrouwtje knautiabij Andrena hattorfiana, foeragerend op beemdkroon.
Figuur 9 Mannetje knautiabij Andrena hattorfiana, op beemdkroon. De karakteristieke witte clypeus is duidelijk zichtbaar.
15
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Recent heeft de kanuatiabij, specialist van beemdkroon, zich wat meer uitgebreid, met nog steeds verspreid over Zuid-Limburg verschillende populaties, net als langs de Grensmaas, tevens zijn er enkele kleine populaties in de Biesbosch en in Zeeuws Vlaanderen (fig. 10). Ook in de Gelderse poort heeft de soort zich uitgebreid en komt vooral voor langs de Rijn en de Waal (fig. 11). Er zijn ook enkele geïsoleerde populaties langs de Neder-Rijn en in het Rijnstrangengebied evenals op de Schaapdijk in Arnhem en enkele nabij Wageningen en in Velp in de tuin van Hogeschool Larenstein. Idealiter worden deze populaties versterkt en verder uitgebreid en wordt het beheer ten behoeve van beemdkroon verder doorgevoerd naar de dijken in het rivierengebied teneinde de knautiabij hier te behouden en de populaties onderling te verbinden. De belangrijkste bronpopulatie van de knautiabij in de Gelderse poort bevindt zich op het Tolkamerdijkje nabij Lobith. Hier is tevens een goede populatie aanwezig van de zeer zeldzame en kwetsbare broedparasiet van de knautiabij de knautiawespbij Nomada armata. Zodra deze broedparasiet zich uitbreid in de Gelderse poort is dat een teken dat het ook goed gaat met de knautiabij. Koolzwarte zandbij Andrena pilipes Rode Lijst: Bedreigd. Status: Zeldzaam. Beoogde doelsoort voor de gemeente Arnhem.
Biologie: Vermeend polylectisch maar heeft een zeer sterke voorkeur voor kruisbloemigen. Voorkomen: Verdwenen uit grote delen van het land en tegenwoordig vrijwel beperkt tot het rivierengebied (fig. 12). De soort is sterk afhankelijk van dynamische milieus met pioniersstadia waar voldoende kruisbloemigen groeien en voldoende open en kale grond is om in te nestelen. Vroeger werden dat soort plekken ook nog wel aangetroffen op ruderale terreinen in het stedelijke en buitengebied. Tegenwoordig lijken het vooral de rivieren te zijn die nog zorgen voor voldoende dynamiek (Raemakers 2007). Ze nestelen in kale open grond, solitair of in nestaggregaties. In Arnhem is de koolzwarte zandbij vooral gevonden in Meinerswijk en in de wijk aan de overkant van de Rijn (fig. 13). De eerste waarnemingen stammen uit halverwege de jaren 1990 en in totaal is er een dozijn waarnemingen gedaan sindsdien. Afgelopen seizoen is er specifiek op gelet in Meinerswijk, maar helaas kon de soort niet vastgesteld worden. Het lijkt er dus op dat het slechts een kleine populatie betreft, waarbij maar af en toe een exemplaar wordt waargenomen. Zomers doflijfje Melanogaster aerosa Status: Zeldzaam. Beoogde doelsoort voor de gemeente Arnhem. Biologie: De larven van doflijfjes zijn aquatisch en leven in modder of ondiep water.
De telescopische adembuis is voorzien van een scherp, naaldachtig uiteinde waarmee ze in plantenwortels boren om zuurstof te verkrijgen. De volwassen dieren zijn vooral te vinden in vochtige terreinen, vaak op kleigrond. Daarnaast zijn er enkele waarnemingen van heideterreinen op zandgrond. Voorkomen: Tegenwoordig slechts een handvol vindplaatsen verspreid over de zuidoostelijke helft van ons land, met enkele waarnemingen op heideterreinen en vooral in het rivierengebied. In Arnhem is de soort herhaaldelijk in Meinerswijk gevonden en mogelijk is daar nog steeds een populatie aanwezig. De beste locaties zijn de plekken waar kwel aanwezig is.
16
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 12 Huidige verspreiding van de Figuur 13 Vindplaatsen van de koolzwarte zandbij in Arnhem in de periode 2000-2022.. koolzwarte zandbij in Nederland.
Figuur 14 Vrouwtje van de koolzwarte zandbij Andrena pilipes op een kruisbloemige. Foto Johan van ‘t Bosch.
Figuur 15 Mannetje zomers doflijfje Melanogaster aerosa. Foto Dick Belgers CC-BY.
17
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Halfgladde dwergzandbij Andrena semilaevis Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Zeldzaam. Biologie: Polylectisch, maar wordt in Nederland vooral aangetroffen op schermbloemen. Voorkomen: Vooral in het oostelijk rivierengebied en Zuid-Limburg, daarbuiten verspreid waargenomen. Waarnemingen: In Arnhem zijn zowel in Meinerswijk als in park Immerloo goede populaties van deze soort aanwezig. Breedbandgroefbij Halictus scabiosae Status: Zeldzaam aldus de Rode Lijst (Reemer 2018), maar neemt de laatste jaren snel toe. Biologie: Polylectisch, maar wordt in Nederland vooral aangetroffen op grote centaurie, tevens bekend van beemdkroon, braam, cichorei, distels, koolzaad en diverse soorten streepzaad. Voorkomen: Was voorheen beperkt tot Zuid- en Midden-Limburg, maar neemt in rap tempo toe de laatste jaren en is inmiddels zelfs al aangetroffen in de noordelijke provincies. Waarnemingen: In Arnhem zijn in totaal bijna 60 exemplaren aangetroffen in 2022, vooral in park Immerloo, maar ook in Meinerswijk en langs de Schaapdijk. Op deze laatste locatie zijn ook enkele nesten aangetroffen onderaan een talud van opgewerkte grond (fig. 18, 19). Braamtronkenbij Heriades rubicola Status: Zeer zeldzaam. Biologie: Oligolectisch op grote composieten zoals Jacobskruiskruid. Nestelt in holle stengels, waarschijnlijk vooral in braam en accepteert vermoedelijk ook bijenhotels.
Voorkomen: Niet eerder in Nederland aangetroffen. Het is een zuidelijke soort die de afgelopen jaren ook in de ons omringende landen is opgedoken. Waarnemingen: Op de Huissensedijk zijn in totaal 3 vrouwtjes op twee verschillende datums waargenomen, alle drie foeragerend op Jacobskruiskruid. Er is een kort natuurbericht verschenen over deze vondst: https://www.naturetoday.com/ intl/nl/nature-reports/message/?msg=29836. Slanksprietmaskerbij Hylaeus gracilicornis Status: Zeer zeldzaam. Biologie: Polylectisch en nestelt, net als de meeste andere maskerbijen, in holle stengels en soms andere bestaande holten. Voorkomen: Ooit één keer eerder in Nederland waargenomen in 1961 in Emmen, Drenthe. In Europa lijkt de soort een meer noordelijke verspreiding te hebben. Waarnemingen: Er is één mannetje waargenomen op de Waterberg, in de bosrand op de open strook onder de hoogspanningskabels. In het buitenland wordt de soort vooral aangetroffen in schrale bosranden.
18
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 16 Vrouwtje halfgladde dwergzandbij Andrena semilaevis. Foto Menno Reemer.
Figuur 17 Vrouwtje breedbandgroefbij Halictus scabiosae.
Figuur 18 Vrouwtje breedbandgroefbij Halictus scabiosae in de ingang van haar nest, nabij de Schaapdijk.
Figuur 19 Talud nabij Schaapdijk met verschillende nesten van de breedbandgroefbij.
Figuur 20 Vrouwtje braamtronkenbij Heriades rubicola, met de karakteristieke lichte haarvlekken op het gezicht. Foto: Kees Goudsmits.
Figuur 21 Vrouwtje braamtronkenbij Heriades rubicola.
19
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Zompmaskerbij Hylaeus gredleri Status: Zeldzaam. Biologie: Polylectisch, in Nederland vooral waargenomen op schermbloemen. Nestelt vermoedelijk, net als de meeste maskerbijen, in holle plantenstengels. Voorkomen: Vrijwel beperkt tot het zuidoosten van ons land, vooral in oostelijk Noord-Brabant, Zuid-Limburg en het rivierengebied. Waarnemingen: Er zijn in totaal 44 exemplaren waargenomen in Meinerswijk, park Immerloo en op de Huissensedijk. Weidemaskerbij Hylaeus incongruus Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Vrij zeldzaam. Biologie: Polylectisch, nestelt in holle stengels en takjes. Voorkomen: Verspreid over het land, vooral zandgrond, maar lijkt te ontbreken op grote delen van de Veluwe. Waarnemingen: Er zijn drie exemplaren waargenomen, één op de Koningsheide, één in Meinerswijk en één op de Huissensedijk. Kleine lookmaskerbij Hylaeus leptocephalus Rode Lijst: Ernstig bedreigd. Status: Zeer zeldzaam. Biologie: Polylectisch, nestelt in allerlei bestaande holten, niet alleen holle stengels, maar ook grondnesten in steilwandjes, boorgaten in hout en papieren rietjes. Voorkomen: Slechts een handjevol vindplaatsen, vooral in het midden en zuiden van het land. Waarnemingen: Er zijn één mannetje en één vrouwtje waargenomen in de heemtuin van de stadsboerderij, waar ze vlogen op bloeiende kogeldistel. Kleine tuinmaskerbij Hylaeus pictipes Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Vrij zeldzaam.
Biologie: Polylectisch, bezoekt bloemen van een grote hoeveelheid aan plantenfamilies. Ze nestelen op een grote verscheidenheid aan plekken, zo worden plantenstengels gebruikt zoals braam, maar ook leemwanden, voegen in muren en zelfs bijenhotels worden gebruikt mits er nestgangen met een diameter van 2-3 millimeter aanwezig zijn. Voorkomen: Verspreid over het zuidoosten van het land. Wordt voornamelijk in stedelijk gebied waargenomen en daar vooral gevonden in tuinen, parken, en ruderale terreinen zoals spoorwegemplacementen en industrieterreinen. Waarnemingen: Er zijn in totaal 10 exemplaren waargenomen, op één mannetje in Meinerswijk na, allemaal op de Huissensedijk. Groepjesgroefbij Lasioglossum malachurum Status: Zeldzaam. Biologie: Polylectisch. Primitief-eusociaal, dat wil zeggen dat de vrouwtjes overwinteren en de eerste generatie die in het voorjaar uitkomt vrijwel uitsluitend uit functioneel steriele vrouwtjes bestaat die de taken van het stuifmeel verzamelen overnemen van het vrouwtje (de koningin) die overwinterd heeft. De tweede generatie in de zomer bevat uitsluitend geslachtsdieren, zowel mannetjes als vrouwtjes. Voorkomen: Beperkt tot de zuidelijke helft van ons land, vooral in Zuid- en Midden-Limburg en in het rivierengebied.
20
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 22 Mannetje zompmaskerbij Hylaeus gredleri.
Figuur 23 Mannetje weidemaskerbij Hylaeus incongruus.
Figuur 24 Mannetje kleine lookmaskerbij Hyaleus leptocephalus. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 25 Mannetje kleine tuinmaskerbij Hyaleus pictipes.
Figuur 26 Vrouwtje groepjesgroefbij Lasioglossum malachurum.
Figuur 27 Mannetje groepjesgroefbij Lasioglossum malachurum.
21
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Waarnemingen: Er zijn in totaal meer dan 100 individuen waargenomen, uitsluitend in Meinerswijk. Er is een goede populatie aanwezig rondom de steenfabriek, onder andere tussen de klinkers. Maar ook elders in het terrein zijn op kale hellinkjes nestaggregaties gevonden. Glimmende smaragdgroefbij Lasioglossum nitidulum Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Zeldzaam. Biologie: Polylectisch. Nestelt, soms in kolonies, in verticale wanden, zoals in gaatjes in krijtwanden en oude muren. Voorkomen: verspreid over het land, maar vooral in de zuidelijke helft. Waarnemingen: Er zijn 24 individuen waargenomen, uitsluitend rond de oude steenfabriek in Meinerswijk. Zwartbronzen houtmetselbij Osmia niveata Rode Lijst: Kwetsbaar. Status: Zeldzaam. Biologie: Oligolectisch op composieten, vooral Carduoideae (distelachtigen) en Cichorioideae (composieten zonder buisbloemen). Nestelt in dood hout, holle stengels en ook wel in oude muren, accepteert soms bijenhotels. Ze worden vooral gevonden in warme bosranden, opengekapt bos, ruigten, boomgaarden en in stedelijke omgeving. Voorkomen: Verspreid over de zuidoostelijke helft van Nederland, lijkt zich recent voorzichtig uit te breiden. Waarnemingen: Er zijn in totaal 11 exemplaren waargenomen, in Meinerswijk, park Immerloo en de Huissensedijk.
22
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 28 Vrouwtje glimmende smaragdgroefbij Lasioglossum nitidulum.
Figuur 29 Vrouwtje glimmende smaragdgroefbij Lasioglossum nitidulum.
Figuur 30 Vrouwtje zwartbronzen houtmetselbij Osmia niveata.
Figuur 31 Mannetje zwartbronzen houtmetselbij Osmia niveata.
23
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Aandachtsoorten Gewone sachembij Anthophora plumipes Zeldzaamheid: Algemeen. Biologie: Polylectisch, het vrouwtje haalt met haar behaarde tong stuifmeel uit de smalle bloembuis van ruwbladigen als longkruid en sleutelbloemachtigen, maar maakt ook gebruik van lip- en vlinderbloemigen. Nestelt bij voorkeur in wanden of muren, bij uitzondering ook op horizontale vlakken, en vaak in nestaggregaties tot zo’n 150 nesten. Ze zijn uiterst plaatstrouw en nestelen bij voorkeur op de eigen geboorteplaats. Mannetjes vertonen territoriaal gedrag op geschikte voedselplekken. Voorkomen: Heel het land, is een duidelijke cultuurvolger en is beduidend algemener in stedelijke omgeving dan daarbuiten. Grote klokjesbij Chelostoma rapunculi Zeldzaamheid: Vrij zeldzaam aldus de Rode Lijst (Reemer 2018), maar is de laatste jaren sterk toegenomen. Biologie: Oligolectisch op klokjes, maakt klaarblijkelijk vrij gemakkelijk gebruik van aangeplante of verwilderde klokjes. Ze nestelen in gangen in dood hout of in holle stengels en worden ook wel nestelend in bijenhotels aangetroffen. De soort wordt vooral aangetroffen in structuurrijke bosranden, parken en tuinen in stedelijke omgeving. Voorkomen: Tot begin deze eeuw kwam de grote klokjesbij vooral voor in het oosten van ons land, maar tegenwoordig is het een vrij algemene verschijning in het hele land.
Gewone slobkousbij Macropis europaea Zeldzaamheid: Algemeen. Biologie: Oligolectisch op wederik, zowel grote als moeraswederik. Naast stuifmeel wordt ook olie verzameld van deze planten, dit is een noodzakelijk bestanddeel van de voeding van de larven. De vrouwtjes vermengen het stuifmeel dan ook met de olie tot een soort pasta, waarop een eitje wordt afgezet. De slobkousbij is in allerlei biotopen te vinden met natte terreindelen waar wederik aanwezig is: oevers van sloten, beken en plassen, maar ook greppels en taluds en uiterwaarden. Voorkomen: Verspreid over heel Nederland, maar mijdt uitgestrekte zandige terreinen zoals de Veluwe en delen van de duinen. Kattenstaartdikpoot Melitta nigricans Zeldzaamheid: Vrij zeldzaam. Biologie: Oligolectisch op kattenstaart. De vrouwtjes hebben typische groenblauwe stuifmeelklompjes aan de achterpoten na het foerageren. Mannetjes patrouilleren vaak in aantal op groeiplaatsen van grote kattenstaart. Voorkomen: Voorheen vooral beperkt tot het midden en zuiden van ons land maar breidt zich de laatste decennia zowel naar het westen als het noorden uit langs de rivieren. Ogentroostdikpoot Melitta tricincta Zeldzaamheid: Zeldzaam. Biologie: Oligolectisch op ogentroost en helmogentroost, in Nederland vooral aangetroffen op rode ogentroost. De nesten worden gegraven tussen de begroeiing.
Voorkomen: Vooral in het zuidoosten en zuidwesten, lijkt zich de laatste jaren ook in het midden uit te breiden in het rivierengebied.
24
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 32 Mannetje gewone sachembij Anthophora plumipes. Foto Menno Reemer.
Figuur 33 Mannetje grote klokjesbij Chelostoma rapunculi.
Figuur 34 Mannetje gewone slobkousbij Macropis europaea.
Figuur 35 Typische gele masker van het mannetje gewone slobkousbij Macropis europaea.
Figuur 36 Mannetje kattenstaartbij Melitta nigricans op kattenstaart. Foto Menno Reemer.
Figuur 37 Mannetje ogentroostdikpoot Melitta tricincta op rode ogentroost. Foto André van Dam CC-BY-NC-ND.
25
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Onderzochte gebieden Meinerswijk In Meinerswijk zijn in totaal 90 soorten bijen waargenomen, waaronder 12 soorten van de Rode Lijst. Hieronder bevonden zich twee vrouwtjes van de bedreigde kleine bandgroefbij. De overige soorten betreffen allemaal soorten uit de categorie kwetsbaar, waarvan de glimmende smaragdgroefbij een goede populatie heeft in het gebied, hiervan zijn maar liefst 24 exemplaren waargenomen. Er zijn in totaal 48 soorten zweefvliegen, waarvan 3 vrij zeldzaam: tuingitje, veelvlekkorsetzweefvlieg en de grote gevlekte langlijf. Deze laatste twee zijn typische soorten van vochtige hooilanden en uiterwaarden of moerassen met hoog opgaande vegetatie. De steenfabriek en het terrein eromheen vormt een zeer duidelijke hotspot voor bijen in Meinerswijk. Het talud waar deze op staat bestaat uit zand en zavel en bevat veel reliëf en open zandige plekken die uitstekende nestelplaatsen bieden. Daarnaast zijn er veel bodemnestelaars die in de bestrating, tussen de klinkers, hun nesten maken, waaronder de zeldzame groepjesgroefbij (fig. 39). Elders in het terrein liggen ook diverse steilkantjes en dijkjes, wat ideale nestelplekken zijn voor grondnestelende bijen (fig. 40). Om de steenfabriek heen liggen diverse bloemrijke vegetaties met hier en daar ontwikkeling van een schraal stroomdalgrasland (fig. 38).
Opvallend veel vrouwtjes van de glimmende smaragdgroefbij vlogen hier op de bloeiende veldsalie. Er staan zeer veel wilgen in het terrein, maar in het voorjaar vlogen daar hoegenaamd geen bijen en zweefvliegen op, terwijl het normaal gesproken een uitstekende vliegplant is. Wel vlogen er zeer veel honingbijen in het voorjaar op de wilgen. Een verklaring hiervoor is enerzijds dat er ten zuiden van de parkeerplaats een bijenstal staat, anderzijds heeft het gebied van de winter mogelijk deels onder water gestaan heeft waardoor veel van de voorjaarssoorten ontbraken. Niet alleen op de wilgen, maar in het hele gebied waren de bijen en zweefvliegen schaars, op de verslempte klei bloeiden eigenlijk alleen madeliefjes en weinig anders (fig. 41). De winterdijk lijkt aan de zuidzijde bloemrijker en wordt laat gemaaid, de vegetatie lijkt hier nog in ontwikkeling. Hier en daar zijn er mooie braamstruwelen aanwezig, ook in het gebied zelf (fig. 42). Dit biedt goede nestgelegenheid voor stengelnestelende soorten zoals maskerbijen waarvan maar liefst acht soorten zijn waargenomen in dit gebied. Belangrijkste ontbrekende soorten zijn de koolzwarte zandbij Andrena pilipes, waarnaar wel nadrukkelijk gezocht is in het terrein, vooral op een veldje met kruisbloemigen en de zweefvlieg het zomers doflijfje Melanogaster aerosa.
Deze laatste is in het verleden wel in het terrein waargenomen en is vermoedelijk gebonden aan kwel. Mogelijk dat met gerichte zoekacties beide soorten nog wel aan te treffen zijn in Meinerswijk. Verder is de ogentroostdikpoot Melitta tricincta niet waargenomen tijdens de inventarisatie maar dat heeft te maken met de zeer late vliegtijd van deze soort, die daarmee buiten de inventarisatieperiode viel. Van deze soort is zeker een populatie aanwezig in het gebied.
26
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 38 Schraal en bloemrijk stroomdalgrasland met onder andere veel bloeiende veldsalie. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 39 Klinkerpad met een grote hoeveelheid nesten van bijen. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 40 Steilkantje, ideale nestelplek voor sommige soorten bijen. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 41 Voorjaarssituatie Meinerswijk, weinig bloei anders dan wilg en madeliefjes. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 42 Op veel plekken zijn braamstruwelen aanwezig. Foto Kees Goudsmits.
27
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Park Immerloo In park Immerloo en de Huissensedijk zijn in totaal 93 soorten bijen waargenomen, waaronder 14 soorten van de Rode Lijst. Hieronder bevonden zich een man en een vrouw van de ernstig bedreigde kleine lookmaskerbij en een vrouwtje van de bedreigde kauwende metselbij. De overige soorten betreffen één soort uit de categorie gevoelig, de rest uit de categorie kwetsbaar. Er zijn in totaal 46 soorten zweefvliegen waargenomen, waarvan twee zeldzaam; vroeg hoefbladgitje en de geelbuikplatbek en twee vrij zeldzaam lichtklauwzandgitje en de glimmende platbek. Het meest opmerkelijke is de vondst van een nieuwe soort voor Nederland, de braamtronkenbij (fig. 6, 20, 21). Hiervan zijn drie vrouwtjes waargenomen op twee verschillende datums. Deze zuidelijke soort is de afgelopen jaren ook in België waargenomen en het wachten was op de eerste vondst in ons land. Desalniettemin is het een leuke waarneming. De vrouwtjes werden waargenomen op Jacobskruiskruid op de Huissensedijk (fig. 44). Ze nestelen in holle plantenstengels zoals dode braamstengels en zijn mogelijk ook te verleiden om bijenhotels te gebruiken, mits de gaatjes klein genoeg zijn: 2-3 millimeter. In park Immerloo staan veel kolossale wilgen die onmogelijk te bemonsteren zijn, hierdoor zijn mogelijk voorjaarssoorten gemist.
Verder is het een erg structuurrijk en ook behoorlijk bloemrijk gebied met een hoge bijendiversiteit. Er is her en der wat dood hout aanwezig wat nestgelegenheid biedt aan sommige bovengrondsnestelende bijen. In een kluit van een omgevallen boom (fig. 46) werden niet alleen enkele exemplaren nestelend aangetroffen van de zwartbronzen houtmetselbij maar ook enkele nesten van de schoorsteenwesp Odynerus spinipes (fig. 47). Naast ruigte met onder andere braam zijn er veel diverse bloemrijke vegetaties met klavers, fluitenkruid, groot streepzaad, gewone ereprijs en Jacobskruiskruid. Sommige plekken worden laat gemaaid en de dijk wordt laat begraasd wat goed is voor de bloemrijkdom. Het stukje dijktalud bij de manege is kort begraasd met veel open zandige plekjes (fig. 45) waar veel bodemnestelaars aanwezig waren, waaronder de zeldzame breedbandgroefbij (fig. 17). Het sport / recreatieveld wordt minder intensief gemaaid wat een grote bloemrijkdom oplevert met veel madeliefje, paardenbloem en klavers (fig. 43). Hier waren ook veel honingbijen aanwezig. De Huissensedijk heeft op veel plekken nog een vrij dichte begroeiing en lijkt daarmee nog in ontwikkeling naar verschraling. Het kleine randje tussen het fietspad en het hek van de manege was zeer bloemrijk met een hoge diversiteit aan bijen, er stond onder andere wilde peen, knoopkruid, Jacobskruiskruid, pastinaak en wat kamille.
Stuk voor stuk goede bijenplanten.
Koningsheide Op de Koningsheide zijn in totaal 45 soorten bijen waargenomen, waaronder zes soorten van de Rode Lijst; de bedreigde rode koekoekshommel, en vijf andere soorten uit de categorie kwetsbaar. Er zijn in totaal 23 soorten zweefvliegen waargenomen, waarvan twee zeldzame soorten. De roodpuntbladloper staat als zeer zeldzaam te boek in de atlas (Reemer et al. 2009), maar is zich de laatste twee decennia zeer sterk aan het uitbreiden over de binnenlandse zandgronden en de duinen van Noord-Holland. De normale fopblaaskop is vrij zeldzaam, maar ook deze is zich de laatste decennia zeer sterk aan het uitbreiden. Beide soorten ontwikkelen zich in dood hout, waarbij de roodpuntbladloper bekend is van vochtige rotte plekken achter de bast van spar en den.
28
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 43 Sport- en recreatieveldje in het park Immerloo is behoorlijk bloemrijk door minder frequent te maaien. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 44 Jacobskruiskruid op de Huissense dijk, waar de braamtronkenbij op gevonden is. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 45 Dijktalud met een schrale en kortgegraasde maar bloemrijke vegetatie. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 46 Wortelkluit van omgevallen boom met diverse zwartbronzen houtmetselbij nestelden in gaten in de klei, en verschillende nesten van de schoorsteenwesp. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 47 Detail van de wortelkluit met diverse schoorsteentjes van de schoorsteenwesp. Foto Kees Goudsmits.
29
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Langs de zuidrand staan veel dode en afstervende fijnsparren (fig. 48), dit is ook de plek waar de roodpuntbladlopers zijn waargenomen. Langs het pad aan de zuidkant is een vrij schrale vegetatie aanwezig met vooral veel zandzegge en maar weinig zandblauwtje, paardenbloem en biggenkruid. Aan de andere kant van het hek, langs de snelweg is het beduidend bloemrijker en is veel braamstruweel aanwezig. Ook onder de hoogspanningsleiding is veel braamstruweel aanwezig en zijn veel bijen en zweefvliegen waargenomen. In het voorjaar bloeit er erg weinig op de Koningsheide, met uitzondering van een enkele paardenbloem. Het merendeel is vrij jong bos met stukken bosbes, hierop zijn ook twee vrouwtjes van de zeldzame bosbesbij waargenomen. Het noordelijke heidestukje heeft een mooi dal met kale zand-grind plekken, die zeer geschikt zijn om te nestelen (fig. 49). Het stukje heide in het centrale deel heeft wat reliëf en mooie mulle zandpaden die goed zijn voor bodemnestelende bijen en wespen (fig. 50). In tegenstelling tot veel van de andere zandpaden in het gebied, waar nauwelijks grondnestelende bijen zijn waargenomen. Het lijkt er op alsof die zandpaden (ruiter of wandelpaden) machinaal geëgaliseerd worden en dat daardoor de grondnestelende soorten ontbreken. Langs de fiets- en wandelpaden zijn ’s zomers wel enige kruiden en bloeiende braamstruwelen te vinden.
Waterberg Op de Waterberg zijn in totaal slechts 39 soorten bijen waargenomen, waaronder vier soorten van de Rode Lijst: de ernstig bedreigde zadelgroefbij en drie soorten uit de categorie gevoelig of kwetsbaar. Er zijn in totaal 34 soorten zweefvliegen waargenomen, waaronder twee vrij zeldzame soorten: het stippelelfje en de onderbroken-bandzweefvlieg. Beide kandidaten voor de Rode Lijst. Het is een mooi en structuurrijk bos, al staan er wel veel exoten als Amerikaanse eik, Amerikaanse krent en Douglasspar. Maar er is ook een perceel mooi oud beukenbos, waar meteen ook de tauvlinder werd waargenomen. Dit is een zeldzame soort die uitsluitend voorkomt in beukenbos en alleen bekend is van de Veluwe, het Rijk van Nijmegen en enkele plekken in Zuid-Limburg. Er is maar weinig dood hout aangetroffen en dit heeft zijn weerslag in de lijst met zweefvliegen; er zijn nauwelijks soorten aangetroffen waarvan de larven een binding hebben met dood hout of sapstromen van bomen. De enige houtsoorten die zijn aangetroffen zijn de doodshoofdzweefvlieg, en de gewone rode bladloper maar die zijn niet perse gebonden aan bos en komen vrijwel overal in Nederland voor. Het bos is zeer schaduwrijk waardoor er maar weinig bloeit, alleen langs de paden staan wat bloeiende kruiden (fig. 51) als fluitekruid en dolle kervel en witte klaverzuring maar ook enkele tuinplanten.
De strook onder de hoogspanningskabels vormt eigenlijk de enige open plek, maar hier groeit vooral veel gras en opslag van Amerikaanse vogelkers en er zijn nauwelijks andere bloeiende planten (fig. 52), met uitzondering van een enkele biggenkruid en vingerhoedskruid. Op deze strook is in de bosrand het mannetje van de zeer zeldzame slanksprietmaskerbij waargenomen, het tweede exemplaar ooit uit Nederland. Uit het buitenland is bekend dat deze soort schrale bosranden prefereert.
30
Smit & Goudsmits Bestuivers in de gemeente Arnhem
Figuur 48 Instortend fijnsparrenperceel aan de zuidkant van de Koningsheide. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 49 Pad over het noordelijke stukje heide, de bodem is hier een mengeling van zand met grind. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 50 Pad langs het stukje heide in het centrale deel, hier bestaat de bodem louter uit zand. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 51 De enige bloeiende planten in het bos op de Waterberg zijn aanwezig langs de paden. Foto Kees Goudsmits.
Figuur 52 Open strook onder de hoogspanningskabels, dit is vrijwel het enige open stuk in dit gebied, maar nog steeds weinig bloemen. Foto Kees Goudsmits.
31
Rapport: EIS kenniscentrum Insecten
Hotspots en bufferzones De gemeente Arnhem wil nadrukkelijk ruimte bieden aan zowel wilde bestuivers als aan honingbijen en wil, daar waar mogelijk, de biotopen verbeteren en de bloemrijkdom verhogen om beide te bedienen. Tevens wil de gemeente locaties met kwetsbare of bijzondere soorten wilde bestuivers beschermen door onder andere de concurrentiedruk met honingbijen te beperken door het aanwijzen van bufferzones. Zowel honingbijen als wilde bestuivers maken aanspraak op dezelfde voedselbronnen – nectar en stuifmeel – en deze zijn niet onbeperkt voorradig waardoor voedselconcurrentie kan optreden. De mate waarin voedselconcurrentie optreedt hangt onder andere af van de voedselbeschikbaarheid, de dichtheid aan honingbijen en dus het aantal honingbijkasten, evenals de afstand tot die kasten. Verschillende onderzoeken tonen aan dat er sterk negatieve effecten optreden op wilde bestuivers tot op ten minste 1.000 meter afstand van de honingbijkasten (Henry & Rodet 2018, 2020, Ropars et al. 2019, Slikboer et al. 2019). Zowel Meeus et al. (2021) als Smit et al. (2021) tonen aan dat de invloedssfeer van honingbijkasten afneemt naarmate de afstand toeneemt en dat dit verband niet-lineair is. Daarnaast laten Smit et al.
(2021) zien dat de invloedssfeer niet alleen afhangt van de afstand en het aantal kasten per locatie, maar ook het aantal locaties waarop deze kasten staan binnen het terrein. Tevens tonen zij aan dat zelfs bij een dichtheid van slechts 4 kasten per vierkante kilometer er nog een invloedssfeer gemeten wordt van 650 meter. Dit onderzoek is uitgevoerd op heideterreinen en heeft geresulteerd in een rekenmodule waarmee het maximum aantal te plaatsen honingbijkasten bepaald kan worden op een heideterrein, op basis van gegevens over totale oppervlakte, oppervlakte bloeiend gewas (heide) en het aantal locaties met honingbijkasten. Deze rekenmodule is te vinden op www.bestuivers.nl/bijenkasten-op-heideterreinen. Deze module is niet zonder meer toe te passen op de situatie in Arnhem, aangezien er geen inzicht is de oppervlakte bloeiend gewas noch over het aantal en de locaties waar honingbijkasten aanwezig zijn. Bovendien laat de veel heterogenere vegetatie binnen een stad zich moeilijk vergelijken met een massief bloeiende heidevegetatie. Daarom sluiten wij aan bij het advies voor een algemene richtlijn van een maximum van 3 honingbijkasten per vierkante kilometer zoals geadviseerd bij heterogene gebieden zonder massaal bloeiend gewas (Steffan-Dewenter & Tscharntke 2000, Van der Spek 2012) zoals ook geadviseerd voor de gemeente Amsterdam (Reemer & Zeegers 2022).