Bijlage 3 - Toelichting
Tekst van het document
Circulaire materialen zijn ook gezondere materialen zonder toxische stoffen die een negatieve impact kunnen hebben op de gezondheid van gebruikers. Gekozen wordt voor materialen die herbruikbaar of recyclebaar zijn aan het einde van de gebruiksduur. Door toepassing van een materialenpaspoort voor de gebouwen wordt gezorgd dat dit ook daadwerkelijk gaat gebeuren. Extra duurzaamheidsmaatregelen worden meegenomen bij de verdere uitwerking van het plan.
3.9
Hitte
Het is de ambitie van gemeente Arnhem om de negatieve effecten van vooral langdurige hitte zoveel mogelijk tegen te gaan. Het gaat dan om de effecten op mensen (gevoelstemperatuur, gezondheid en welbevinden) én om de effecten op techniek en infrastructuur (wegen, bruggen, technische installaties enzovoorts). Beleid gemeente Arnhem In de gemeentelijke “Structuurvisie Arnhem 2020 doorkijk 2040 (gewijzigd 2022)” heeft de gemeente verschillende beleidsambities geformuleerd, te weten: het veiligstellen en benutten van deze potenties van de stad met betrekking tot koeling (de aanwezige dal- en convectiewinden) wordt als 'beleidslaag' meegenomen bij toekomstige stedelijke ontwikkelingen; voorkómen van verdere opwarming van de stad, in het bijzonder op die locaties waar nu al sprake is van (sterke) opwarming tijdens hittegolven. Verminderen van de hittestress zowel buiten als binnen(shuis) met nadruk op het voorkómen van gezondheidsrisico's bij kwetsbare bevolkingsgroepen. Dit is sterk afhankelijk van de bouwkundige staat van het gebouw. Voor het voorkomen van hittestress is alleen actieve koeling in de woning en een verkoelende omgeving niet voldoende. Oververhitting kan voorkomen worden door het toepassen van onder andere overstekken, zomernachtventilatie en buitenzonwering en door een lichte kleur van het gebouw. Dit bespaart energie en geeft meer comfort in de woning.
Een lijst van verschillende maatregelen die hitte in gebouwen voorkomen staat in de handreiking hitte in bestaande woningen. De stad legt de lat hoog door te streven naar een klimaatbestendige stad onder alle weersomstandigheden. Voor nu en in de toekomst wordt tenminste gestreefd naar prettig toeven binnenen buitenshuis en het vermijden van ongewenste gezondheidsrisico's. Ambitie is dat de stad optimaal gebruik maakt van haar gunstige uitgangssituatie met natuurlijke luchtstromen die zorgen voor koeling en goede luchtkwaliteit in de stad; koeling en luchttoevoer door de 'dalwinden' in Noord, door 'convectiewinden' vanuit de rivierzone en open buitengebied rondom de stad (zie de markeringen op het 38
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
kaartbeeld). Deze ambitie werkt door op verschillende schaalniveaus: stedenbouw, de inrichting van de stedelijke buitenruimte (publieke en private ruimte) en gebouwen met hun binnenklimaat. Het vraagt om een duurzame stedelijke omgeving met een effectief inzetten van groen en water en gericht omgaan met de 'stedelijke morfologie' (locatie en vormgeving van bouwvolumes, open ruimten en corridors). Voor de stad betekent dit concreet: 1. het veiligstellen en benutten van deze potenties van de stad met betrekking tot koeling (de aanwezige dal- en convectiewinden) wordt als 'beleidslaag' meegenomen bij toekomstige stedelijke ontwikkelingen; 2. voorkómen van verdere opwarming van de stad, in het bijzonder op die locaties waar nu al sprake is van (sterke) opwarming tijdens hittegolven. Op de hittekaart zijn dit de donkerrode en rode gebieden. Daarbij wordt gestreefd naar het verminderen van luchtverontreiniging die deels toeneemt door temperatuurstijging en droge periodes. 3. verminderen van de hittestress zowel buiten als binnen(shuis) met nadruk op het voorkómen van gezondheidsrisico's bij kwetsbare bevolkingsgroepen. Dit speelt voor de buitenruimte vooral in de (donker)rode gebieden maar voor gebouwen kan dat overal in de stad zijn. Dit is sterk afhankelijk van de bouwkundige staat van het gebouw.
Op de landelijke hittekaart is voor heel Nederland aangegeven wat het stedelijk hitte eiland effect is. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de meest actuele versie6 van deze hittekaart weergegeven. Op de afbeelding is af te lezen dat in de huidige situatie het effect een opwarming van circa 1,0-1,5 °C is.
Stedelijk hitte eiland effect (bron: klimaateffectatlas.nl). De gemeente heeft een hitte-attentiekaart gepubliceerd, waarop is te zien wat gedaan kan worden om de opwarming in Arnhem te verminderen of juist het klimaat te beschermen. De meest zinvolle en effectieve maatregelen zijn groen (vergroenen), minder verharding, gebruik maken van ventilatie en dalwinden (verkoeling) en gebruik van materialen die minder warmte vasthouden en in zich opnemen. Op navolgende afbeelding is een uitsnede van de warmtekaart weergegeven, waarbij het plangebied in zwart is omcirkeld. "Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
39
Chw Zijdekwartier
40
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
Hitte-attentiekaart gemeente Arnhem (bron: klimaatadaptatiekaart gemeente Arnhem). De ontwikkellocatie is aangeduid met de klimaatzone 'behoud van de bestaande situatie' (geel). Het plangebied is in de huidige staat versteend, zo goed als onbebouwd en weinig schaduwrijk. Hierdoor is het gebied hitte-gevoelig. De toekomstige gebouwontwikkelingen kunnen, in combinatie met een juist geplaatste maximale groene inrichting van het openbaar gebied, zorgen voor de transformatie naar een gebied met een positief leefklimaat van de openbare buitenruimten waar zon en schaduw elkaar afwisselen. Daarmee wordt de bestaande situatie niet alleen behouden, maar zelfs verbeterd.
3.10
Toets programma aan Rijks- en provinciaal beleid
3.10.1 Rijk De Nationale Omgevingsvisie(NOVI) De NOVI biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; "Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
41
Chw Zijdekwartier
sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. Toetsing Het Rijk zet in de NOVI onder andere in op zorgvuldig ruimtegebruik met aandacht voor het combineren van functies en ruimte voor klimaatadaptatie , waarbij de kenmerken en identiteit van een gebied belangrijk zijn. Het plangebied betreft een inbreidingslocatie binnen Arnhem, waarbij wordt ingezet op een nadrukkelijk verbindende schakel binnen het stadsdeel, met aandacht voor groen en functiemenging.
Het plan is in lijn met het gestelde in de NOVI. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het Rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. Ladder voor duurzame verstedelijking (Bro 3.1.6 tweede lid) Vanuit het Rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd.
Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling 42
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
is volgens het besluit 'een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. SAB heeft een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking7 opgesteld, die als bijlage bij deze toelichting is opgenomen. In deze toets wordt geconcludeerd dat sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Tevens is aangetoond dat deze ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte voor het verzorgingsgebied. Deze behoefte wordt gerealiseerd binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het project de toetsing aan de Ladder positief heeft doorlopen. Conclusie Voorliggend project is niet in strijd met het Rijksbeleid. 3.10.2 Provincie Omgevingsvisieen -verordening Gelderland Op 19 december 2018 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' vastgesteld. Sinds 1 maart 2019 is deze Omgevingsvisie van kracht. De provincie heeft in de Omgevingsvisie een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal gesteld. Gezond en veilig. Dat is een gezonde leefomgeving, schone en frisse lucht, een schoon milieu, een niet vervuilde bodem, voldoende schoon en veilig (drink)water, bescherming van onze flora en fauna. Dat is voorbereid zijn op klimaatverandering, zoals hitte, droogte, bosbranden en overstromingen.
En, dat is aandacht hebben voor verkeersveiligheid en veilige bedrijvigheid. Schoon en welvarend. Dat is een dynamisch, duurzaam en aantrekkelijk woon-, werk- en ondernemersklimaat, goed bereikbaar en met een goed functionerende arbeidsmarkt en dito kennisen onderwijsinstellingen. Maar dat = ook: het tegengaan van schadelijke uitstoot, afval en uitputting van grondstoffen. En: het investeren in nieuwe, alternatieve vormen van energie. Onderdeel van de Omgevingsvisie zijn diverse thematische visieschetsen met de volgende thema's: energietransitie: van fossiel naar duurzaam; klimaatadaptie: omgaan met veranderend weer; circulaire economie: sluiten van kringlopen; biodiversiteit: werken met de natuur; bereikbaarheid: duurzaam verbonden; vestigingsklimaat: een krachtige, duurzame topregio; woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam. De Omgevingsvisie *bevat de strategische ambities voor de lange termijn. De Omgevingsverordening wordt ingezet voor die onderwerpen waarvoor de provincie eraan hecht dat de doorwerking van het beleid van de Omgevingsvisie juridisch gewaarborgd is. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal.
De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, mobiliteit en bodem. De verwachting is dat de Omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Toetsing Raadpleging van de digitale versie van de Omgevingsvisie en -verordening wijst uit dat de gronden van het plangebied binnen het intrekgebied ligt. Intrekgebied De provincie streeft ernaar het grondwater als bron voor de drinkwatervoorziening te beschermen. Voor "Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
43
Chw Zijdekwartier
een effectieve en duurzame veiligstelling van de openbare drinkwatervoorziening maakt de provincie daardoor onder andere gebruik van regelgeving en vergunningverlening. De provincie wil niet dat fossiele energie (aardgas, aardolie, schaliegas of steenkoolgas) gewonnen wordt in de intrekgebieden voor de drinkwatervoorziening. De Omgevingsverordening regelt dan ook dat een bestemmingsplan c.q. ruimtelijke onderbouwing ter plaatse van een intrekgebied niet mag voorzien in een bestemming die de winning van fossiele energie mogelijk maakt. Aangezien voorliggend plan een dergelijke bestemming niet mogelijk maakt is er geen sprake van de winning van fossiele energie en vormt dit verder geen problemen ten aanzien van de drinkwatervoorziening. Stedelijke ontwikkeling Deze ontwikkeling voorziet in een binnenstedelijke ontwikkeling waarbij hoofdzakelijk woningen worden mogelijk gemaakt. Hierdoor is artikel 2.2 van belang.
Uit de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking blijkt dat het beoogde woonprogramma voorziet in een behoefte. Zo is er in Arnhem nog onvoldoende plancapaciteit voorhanden om in de woningbehoefte te kunnen voorzien, zoals in de regionale woonagenda afgesproken. Conclusie Onderhavig plan is niet in strijd met het provinciaal beleid. 3.10.3 Regio Woondeal regio Arnhem - Nijmegen De Woondeal regio Arnhem - Nijmegen (2020) is een samenwerkingsagenda voor de woningbouwopgave in de Groene Metropoolregio Arnhem - Nijmegen. Met deze woondeal worden de krachten van de verschillende overheidslagen gebundeld met als doel het functioneren van de woningmarkt in de regio Arnhem - Nijmegen structureel te verbeteren, de bouwproductie met oog voor circulariteit en duurzaamheid op niveau te brengen en de leefbaarheid te vergroten. Hiertoe leggen het Rijk, de provincie en de regio hun wederzijdse verantwoordelijkheden en inspanningen vast en erkennen zij wederzijds de in deze woondeal opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve opgaven. De woondeal is het startpunt van een langjarig partnerschap tussen regio, provincie en Rijk, in nauwe samenwerking met corporaties, marktpartijen en maatschappelijke partners. In deel 1 van de Woondeal zijn, onder de noemer Kernafspraken, deze afspraken als volgt geordend: 1. Woningbouwopgave en versnelling 2. Betaalbaarheid 3. Groen en circulair 4.
Leefbaarheid 5. Verstedelijking en gebiedsontwikkeling 6. Specifieke doelgroepen en overige thema's
44
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
In deel 2 zijn de afspraken opgenomen over de uitvoering van de woondeal en de samenwerking. Toetsing Tot 2025 is een minimale bouwproductie benodigd van 15.000 nieuwe woningen. De ambitie is echter tot een versnelling van 20.000 woningen te komen. Dat betekent een gemiddelde bouwproductie van 4.000 woningen per jaar tot 2025 in de regio. De beoogde woningbouwontwikkeling op de inbreidingslocatie Zijdekwartier draagt bij aan de regionale woningbouwopgave. Bovenop het tekort is er in het segment van betaalbare woningen ook sprake van een kwalitatieve mismatch tussen vraag en aanbod, vooral in de verhouding tussen eengezinswoningen (overschot) en woningen voor kleinere huishoudens (tekort). Onderhavig plan voorziet onder andere in woningen voor kleinere huishoudens, waaronder appartementen. Het plan geeft daarmee invulling aan de toenemende vraag naar woningen voor kleinere huishoudens. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat 50% van de wooneenheden in het betaalbare segment worden uitgevoerd, waarvan 30% sociaal en 20% middel dure huur en betaalbare koop. Met de ontwikkeling van het Zijdekwartier wordt aangesloten bij verschillende kernafspraken uit de Woondeal. De ontwikkeling is daarmee niet in strijd met de Woondeal regio Arnhem - Nijmegen. Conclusie Onderhavig plan is niet in strijd met het regionaal beleid.
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
45
Chw Zijdekwartier
46
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
Hoofdstuk 4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de verschillende milieu- en omgevingsaspecten waar rekening mee moet worden gehouden. Om de haalbaarheid van het initiatief aan te tonen is voor een deel van deze aspecten onderzoek verricht. In de betreffende paragrafen worden de bevindingen uit de onderzoeken nader toegelicht.
4.2
Geluid
Algemeen De Wet geluidhinder heeft tot doel de mens te beschermen tegen geluidhinder. Dit is in de wet uitgewerkt in een normenstelsel voor de toelaatbare geluidbelasting in de woonomgeving. Alleen planologisch nieuwe situaties worden getoetst aan de wet. Daarbij moet er akoestisch onderzoek plaatsvinden naar de gevolgen daarvan voor geluidgevoelige objecten. Naast woningen is nog een aantal andere geluidgevoelige objecten aangewezen zoals scholen en zorginstellingen. In de wet staan regels voor weg- en railverkeerslawaai en voor gezoneerde industrieterreinen. De wet werkt verder met zones: dit zijn aandachtsgebieden rond geluidbronnen waarbinnen regels en normen gelden om de negatieve gevolgen van geluidhinder te beperken. Het wettelijk normenstelsel kent voorts voorkeurswaarden en grenswaarden. Als de geluidbelasting beneden de voorkeurswaarde blijft, dan zijn er wettelijk geen belemmeringen voor nieuwe geluidgevoelige situaties. Bij een geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de grenswaarde moet een gemotiveerd besluit genomen worden om nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen mogelijk te maken (hogere waarde). Voor het verlenen van een hogere waarde is de nota 'uitvoeringsbeleid hogere grenswaarde' van de gemeente Arnhem van toepassing.
Beleidsplan Geluid Het beleidsplan Geluid heeft tot doel geluidsnormen voor nieuwe situaties af te stemmen op de aard en de functie van een gebied. Hierdoor kan beter rekening gehouden worden met ontwikkelingen en verwachting van de gebruikers van een gebied. In het centrum en dichtbij goed openbaar vervoer wil de gemeente Arnhem veel functies mogelijk maken. Als gebieden intensiever gebruikt worden neemt de kans op geluidhinder ook toe. Andere gebieden zoals de parken worden juist gewaardeerd om hun relatieve rust. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een gebiedsgerichte invulling van geluidskwaliteiten binnen Arnhem. Naarmate de geluidbelasting hoger is neemt het belang van een zorgvuldige invulling van de totale leefomgevingskwaliteit toe. Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in geluidgevoelige objecten in de vorm van woningen. Zodoende is voorzien in een akoestisch onderzoek rail- en wegverkeerslawaai8. Onderdeel van het Zijdekwartier vormt een dichte gevel of gevel met scherm tussen het spoor en beoogd appartementencomplex, omdat in een eerder stadium van onderhavige bestemmingsplanprocedure is gebleken dat railverkeerslawaai een uitdaging vormt voor de beoogde appartementen. Om die reden wordt een afschermende functie gerealiseerd over een lengte van ca.
100 meter langs de beoogde parkeergarage, met een hoogte van 22 meter bij toetsing van een scherm op het stedenbouwkundig plan, conform onderstaande afbeelding.
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
47
Chw Zijdekwartier
In het kader van de benodigde bestemmingsplanprocedure is onderzoek noodzakelijk naar de geluidbelasting vanwege rail- en wegverkeerslawaai. Op basis van onderhavig onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van de bouwvlakken vanuit de verbeelding en de daarmee maximaal planologische mogelijkheden, kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Uit de berekeningen blijkt dat als gevolg van de spoorlijnen (Arnhem – Zutphen en Arnhem – Duiven) er een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde plaatsvindt. De hoogst berekende geluidbelasting bedraagt 63 dB. De maximale ontheffingswaarde wordt in totaliteit niet overschreden. Ten gevolge van de afzonderlijke gezoneerde wegen Vosdijk, Merwedestraat en Eemslaan wordt de voorkeursgrenswaarde niet overschreden. In totaliteit wordt daarmee voldaan aan de Wet geluidhinder. Ten gevolge van de gezamenlijke niet-gezoneerde 30 km/uur wegen wordt de gehanteerde voorkeursgrenswaarde niet overschreden. In totaliteit wordt daarmee voldaan aan een goede ruimtelijke ordening. Vervolgens is voor railverkeerslawaai op het stedenbouwkundig plan getoetst om te controleren of aan het gemeentelijk beleid voor hogere waarden wordt voldaan. Op basis van onderhavig onderzoek kan de volgende conclusie worden getrokken: Het stedenbouwkundig plan voldoet aan het gemeentelijk beleid inzake geluidsluwe gevels en buitenruimten.
Iedere woning met een gevelbelasting vanaf 59 dB voldoet namelijk aan de eis van minimaal 1 verblijfsruimte aan de geluidsluwe zijde en een geluidsluwe buitenruime (tuin of balkon), indien er geen woningen geheel op de hoeken van de zuidelijk clusters grondgebonden woningen worden gerealiseerd. Daarnaast hebben de woningen met een gevelbelasting vanaf 59 een afschermende functie naar de achterliggende grondgebonden woningen. Op basis van onderhavig onderzoek zijn hogere grenswaarden benodigd ten gevolge van railverkeerslawaai, zoals opgenomen in de tabel in artikel 12.1. Bij de aanvraag van een Omgevingsvergunning voor het bouwen dienen in een aanvullend bouwakoestisch onderzoek de eventueel benodigde gevelmaatregelen te worden bepaald ter waarborging van de binnenwaarde van 33 dB. Conform art. 3.2 Bouwbesluit 2012 heeft een uitwendige scheidingsconstructie van een verblijfsgebied volgens NEN 5077 reeds een bepaalde karakteristieke geluidwering met een minimum van 20 dB. Extra maatregelen dienen dus overwogen te worden met een 48
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
minimale benodigde geluidwering hoger dan 20 dB. Hiervan is sprake bij de wooneenheden met een overschrijding van de voorkeursgrenswaarde van 55 dB. ReconstructieTivolilaan Als gevolg van alle ontwikkelingen op het (voormalige) AKZO-terrein zal er sprake zijn van een grote verandering van het gebruik en inrichting van de Tivolilaan. Dit zijn veranderingen in intensiteit en verkeerstype, als ook een mogelijke gedeeltelijke wegverlegging van de Tivolilaan tot aan de Velperweg. Bij een mogelijke toename van het bestemmingsverkeer kan de geluidsbelasting op nabijgelegen geluidgevoelige objecten toenemen. Daartoe is een akoestisch onderzoek reconstructie Tivolilaan (zie bijlage 7) uitgevoerd. Navolgend worden de bevindingen uit dit onderzoek uiteengezet. De indirecte akoestisch effecten op de Tivolilaan zijn berekend ter toetsing aan een goede ruimtelijke ordening. De Tivolilaan betreft een, volgens de Wet geluidhinder, niet-gezoneerde 30 km/uur weg. Omdat het gemeentelijk beleid niet voorziet in een beleidskader van indirecte effecten op 30 km/uur wegen is als toetsingskader de Wet geluidhinder toegepast. Hierbij geldt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zonder meer kan volstaan als een acceptabel akoestisch klimaat. Van een akoestisch merkbaar effect die het acceptabel akoestisch klimaat negatief zou kunnen beïnvloeden is sprake bij een toename vanaf 2 dB.
Uit het onderzoek, waarbij is gerekend met verkeersgegevens vanuit de regionale verkeers- en milieukaart RVMK regio Arnhem_2021, blijkt dat op geen enkel nabijgelegen geluidsgevoelig object sprake van een geluidstoename van 2 dB boven de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Daarmee kan een significant merkbare geluidstoename worden uitgesloten. Een goede ruimtelijke ordening is daarmee aangetoond. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect geluid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. De te verlenen hogere waarden zijn vastgelegd in de regels van voorliggend bestemmingsplan, waarmee dit in voldoende mate juridisch is geborgd.
4.3
Luchtkwaliteit
Algemeen De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in titel 5.2 van de Wet Milieubeheer. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen. Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende grenswaarden het meest relevant: PM10 (fijnstof) 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg PM10/ m3 mag niet worden overschreden; 2. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 µg PM10/m3mag niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden; NO2 (stikstofdioxide) 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg NO2/m3 mag niet worden overschreden; 2. de uurgemiddelde concentratie van 200 µg NO2/m3 mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden. Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.
In de op de Wet milieubeheer gebaseerde algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) zijn regels vastgelegd waaronder projecten (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit, toch doorgang kunnen vinden. De "Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
49
Chw Zijdekwartier
grens ligt bij een toename van maximaal 3%. Om te voorkomen dat in gebieden waar (nog) grenswaarden worden overschreden of dreigen overschreden te worden, een verslechtering van de luchtkwaliteit plaatsvindt, kunnen bij ministeriële regeling bepaalde gebieden en bepaalde broncategorieën worden aangewezen waarbinnen geen gebruik kan worden gemaakt van de NIBM-regeling Toetsing Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is een onderzoek naar luchtkwaliteit uitgevoerd9, welke als bijlage is opgenomen bij deze toelichting. In het onderzoek is de uitvoerbaarheid van het plan beschouwd voor wat betreft het aspect luchtkwaliteit. Hiervoor gelden meerdere wettelijke kaders. Dit maakt dat de onderzoeksopzet tweeledig is, namelijk: Toets NIBM; Toets grenswaarden. Toets NIBM Doordat de ontwikkeling maximaal 600 woningen betreft wordt er ruim voldaan aan de NIBM-grens van 1.500 woningen ontsloten op één ontsluitingsweg uit de regeling NIBM. De ontwikkeling zal 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een toetsing aan de grenswaarden is op basis van de Wm niet noodzakelijk, aan gezien het plan NIBM is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt inzichtelijk gemaakt of er sprake van een dreigende grenswaarde overschrijding.
Toets grenswaarden De concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) en ultrafijn stof (PM2.5) in de situatie zonder de realisatie van de ontwikkeling zijn afgelezen uit de monitoringstools uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) en het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK). Bij deze concentraties is de toename door de ontwikkeling opgeteld, zodat de concentratie met de ontwikkeling is berekend. In de onderstaande tabel staan de concentraties stikstofdioxide (NO2), fijn stof (PM10) en ultrafijn stof (PM2.5) op de dichtstbijzijnde voornaamste weg (Velperweg) weergegeven voor de jaren 2016, 2021 en 2030.
Uit de bovenstaande concentraties luchtverontreinigende stoffen liggen hiermee onder de grenswaarden in de peiljaren (2016, 2021 en 2030). Deze grenswaarden zijn op Europees niveau vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. Tevens geven de uitkomsten uit de monitoringstools aan dat de concentraties van de luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2016, 2021 en 2030 in het plangebied verder afnemen. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Uit het onderzoek blijkt dat wordt voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. De luchtkwaliteit vormt daarom geen belemmering voor de realisatie van de maximaal planologische invulling op basis van het bestemmingsplan Conclusie Het aspect lucht vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan. 50
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
4.4
Hinder
Algemeen In het kader van bedrijven en milieuzonering dienen de effecten van inrichtingen op hun omgeving (gevoelige bestemmingen, waaronder eventueel nieuw te ontwikkelen woningen) in beeld gebracht te worden. Voorbeelden van hinder zijn geluid, geur, stof of gevaar. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009' is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. Toetsing Er is een quick scan bedrijven en milieuzonering (zie bijlage 9) uitgevoerd. Uit deze quick scan volgt dat in de directe omgeving een mix aan functies is terug te vinden (wonen, bedrijvigheid en andere voorzieningen). Daarom is de omgeving van het plangebied te typeren als 'gemengd gebied'. Dit betekent dat bij de beoordeling van het aspect 'bedrijven en milieuzonering' de richtafstanden uit de VNG-procedure met één afstandsstap kunnen worden verlaagd (met uitzondering voor het aspect 'gevaar'). Aangezien voorliggend plan voorziet in de realisatie van woningen en een voorzieningenzone, wordt op basis van de VNG-brochure geconstateerd dat sprake is van zowel een hinderveroorzakende als een nieuwe milieugevoelige ontwikkeling.
I Hinder binnen het bestemmingsplanzelf Op het vlak van hinder van de beoogde bestemmingen binnen het plangebied wordt geconcludeerd dat er aan de functiemengingslijst wordt voldaan. In de begrippenlijst van de regels wordt de kaders aangegeven waarin een bedrijf zich mag vestigen op de plaats van de ontwikkellocatie. De activiteit dient verenigbaar te zijn met een woonomgeving. Daarmee wordt voldaan aan een goed woon- en leefklimaat met betrekking tot de verhouding tussen de functies in het voorliggende bestemmingsplan. II Hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling Op het vlak van hinder als gevolg van onderhavige ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er zowel aan de functiemengingslijst (bestemming 'gemengd') als aan de maximale planologische mogelijkheid (bestemming 'verkeer') wordt voldaan. Dit betekent dat voorliggende ontwikkeling geen inbreuk maakt op de ontwikkelingsmogelijkheden van de omliggende bestemmingen. III Hinder van bestaandebedrijvigheid op de ontwikkeling Op het vlak van hinder van bestaande bedrijvigheid op de beoogde ontwikkeling wordt geconcludeerd dat er grotendeels aan de maximale planologische mogelijkheden voor een gemengd gebied wordt voldaan voor alle omliggende functies. De enkele uitzondering hierop vormt de zuidwesthoek van onderhavige ontwikkeling. In de quick scan is deze zuidwesthoek benoemd als locatie 2b.
In de feitelijke situatie staat hier een gebouw, genaamd B7, dat in gebruik is als praktijkonderwijsgebouw. Wanneer wordt uitgegaan van de maximaal planologische mogelijkheden, zoals een 'chemische wasserij en ververij' (grootste afstand gevaar), bestaat er een overlap van de richtafstanden vanwege het maatgevende aspect 'gevaar'. Dit vanwege het feit dat voor het aspect 'gevaar' geen stap mag worden verlaagd op basis van een gemengd gebied. Tussen het praktijkonderwijsgebouw B7 en onderhavige ontwikkeling worden de gronden ter plaatse gebruikt als verkeersfunctie en geldt een aanduiding 'bomenrij'. Het is ter plaatse van de aanduiding 'bomenrij' verboden om houtgewassen te vellen, te rooien of te beschadigen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders. De verkeersontsluiting zal ook voor onderhavig plan worden gebruikt, en de bomenrij blijft in stand. Bovendien geldt ten noorden van gebouw B7 de functieaanduiding 'parkeerterrein' waarbij is geregeld dat de gronden uitsluitend voor parkeervoorzieningen mogen worden gebruikt. Het ligt daarom niet in de lijn der verwachting dat op basis van de representatieve invulling van de maximale mogelijkheden de gronden ten noorden van gebouw B7 worden omgezet ten behoeve van een bedrijfsvoering.
Redelijkerwijs is daarom gerekend vanaf de begrenzing van de functieaanduiding 'parkeerterrein', tevens begrenzing van het gebouw B7. "Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
51
Chw Zijdekwartier
Voor het gebouw B7 is het niet te verwachten dat de bedrijfsactiviteit 'chemische wasserij en ververij' (grootste afstand gevaar) op deze plek zal worden uitgeoefend. Mede gelet op de eigendomsverhoudingen ten aanzien van de gronden ter plaatse. Het wordt daarom niet als een reëel risico gezien om voor het gebouw B7 uit te gaan van de richtafstanden van een praktijkonderwijsgebouw, overeenkomstig in een gemengd gebied. Op basis van deze richtafstanden wordt voldaan en is een nadere beschouwing niet benodigd. Conclusie Ten aanzien van hinder als gevolg van het plan zal met inachtneming van de eisen van het Bouwbesluit dan wel met een bouwkundige afscheiding, de hinder als gevolg van de ontwikkeling geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan vormen. Op basis van de representatieve invulling van de maximale mogelijkheden wordt de bestaande bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied niet onevenredig geschaad in zijn ontwikkelingsmogelijkheden. Ter plaatste van de ontwikkellocatie kan een goed woon- en leefklimaat worden gewaarborgd. Vanwege het aspect bedrijven- en milieuzonering is derhalve geen nader onderzoek noodzakelijk.
4.5
Externe veiligheid
Algemeen Externe veiligheid Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd het PR (Plaatsgebonden Risico) en het GR (Groepsrisico). Landelijk beleid Voor bedrijven is op 28 oktober 2004 het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) in werking getreden. In het Bevi wordt een onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De 10-6 PR contour geldt ten opzichte van kwetsbare objecten als grenswaarde en ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Het beoordelingskader voor het groepsrisico is een oriënterende waarde. Voor ondergrondse (aardgas)leidingen is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor de transportroutes (weg, water, spoor) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevi, Bevt en Bevb zijn de milieukwaliteitseisen vastgelegd die in de ruimtelijke planvorming moeten doorwerken. Basisnet spoor Op 1 april 2015 is de regeling 'Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen' in werking getreden. Het Basisnet geldt voor het transport van gevaarlijke stoffen via de weg, spoor en het water.
Per traject geeft Basisnet een risicoplafond voor het vervoer van gevaarlijke stoffen. Het risicoplafond wordt enerzijds bepaald door het aantal transporten dat Arnhem per jaar passeert en anderzijds door het aantal aanwezige personen (volgens het bestemmingsplan) in de omgeving van het spoor. Met het Basisnet ligt de gebruiksruimte voor het vervoer van gevaarlijke stoffen en de veiligheidszone voor de ruimtelijke ordening vast. Gemeentelijk beleid Het beleidsplan externe veiligheid van de gemeente Arnhem beschrijft de mate van gewenste externe veiligheid in Arnhem. Uitgangspunt hierbij zijn de landelijke normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico. In een groot gedeelte van de stad streven we naar het niet doen toenemen van de risico's. Op sommige plekken in de stad, op bedrijventerreinen voor zware industrie en de volgens het structuurplan stedelijke zone accepteren we een hoger risico dan op andere plaatsen. Wel moet daar extra aandacht zijn voor de beschikbare mogelijkheden voor rampenbestrijding, de zelfredzaamheid van mensen en de hulpverlening.
52
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is voorzien in een kwantitatieve risicoanalyse (zie bijlage 10), waarin wordt verwezen naar het onderzoek Externe veiligheid Velpercampus Loods 7 (zie bijlage 11). In de kwantitatieve risicoanalyse wordt geconcludeerd dat de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico zowel in de huidige evenals in de toekomstige situatie niet wordt overschreden en dat het groepsrisico niet, dus minder dan 10%, toeneemt. Derhalve kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de vigerende veiligheidsplannen van de gemeente Arnhem en de daarin gemaakte keuzes. Navolgend is een verkorte versie opgenomen van deze verantwoording. Voor het geheel wordt verwezen naar de desbetreffende bijlage. Beheersbaarheid/bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne Velp is de locatie binnen 6 minuten te bereiken, vanuit de brandweerkazerne Arnhem Zuid binnen 12 minuten. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten.
Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron, door te proberen de toxische wolk neer te slaan. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron, door de brand onder controle te brengen. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. Het is te veronderstellen dat gezien het gegeven dat de locatie onderdeel is van een gebied met industrie- en schoolgebouwen, voldoende voorzieningen hiervoor aanwezig zijn. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Aangezien geen sprake is van woningbouw ten behoeve van minder-zelfredzame, c.q.
zeer kwetsbare, personen, is het aannemelijk dat bij de gemiddelde bewoner kan worden uitgegaan van de capaciteit op tijd te vluchten en zichzelf in veiligheid te brengen. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. De mogelijkheid tot maatschappelijke voorzieningen is dusdanig beperkt dat de conclusies van het onderzoek naar externe veiligheid toepasbaar blijven. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Dit advies is ook van toepassing op het brandbare scenario. Mocht vluchten noodzakelijk zijn, dan is het plangebied naar meerdere zijden te ontvluchten.
Bestaande (vlucht)wegen van de risicobron af, in dit geval richting noorden naar de Tivolilaan en omgeving, behoren "Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
53
Chw Zijdekwartier
tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.6
Natuur
Algemeen Wet natuurbescherming (Regels ter bescherming van de natuur) De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt sinds 2017 het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming zoals dat was neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, door één integraal en vereenvoudigd kader. De Wnb neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden aanvullende nationale beschermingsvoorschriften verankerd. De wet gaat over de bescherming van de kernnatuurwaarden en de houtopstanden, als onderdeel van een groter maatregelenpakket gericht op de bescherming van natuurwaarden en het tegengaan van biodiversiteitsverlies. De taken en verantwoordelijkheden worden zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd. Bescherming van gebieden Voor de instandhouding van gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn (Natura 2000-gebieden) stelt de Wnb specifieke kaders. De Natura 2000-gebieden in Arnhem zijn Veluwe en Rijntakken.
Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Indien het project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Alleen indien daaruit met zekerheid blijkt dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast, wordt de vergunning verleend. Als de zekerheid niet kan worden verkregen, dan kan een vergunning alleen worden verleend als er geen alternatieve oplossingen zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen (de zogenoemde 'ADC-toets') Op het moment dat een passende beoordeling nodig is, moet voor het kaderstellend plan (zoals een bestemmingsplan) een plan-MER worden gemaakt.
De beheerplannen – waarin de uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden plaatsvindt en waarin de voor die gebieden te treffen maatregelen in samenhang worden beschreven – zijn kaderstellende instrumenten. Ingeval overeenkomstig het beheerplan wordt gehandeld is verzekerd dat de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen niet in het geding is. Bescherming van soorten De Wnb sluit aan bij het specifieke beschermingsregime uit de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de natuurbeschermingsverdragen. Er wordt voorzien in concrete verboden ten aanzien van onder meer het vangen en doden van in die bronnen genoemde diersoorten, de verstoring van deze soorten en aantasting van hun rust- en voortplantingsplaatsen, alsmede in een verbod op het plukken en vernielen van bepaalde planten. Voorts wordt voorzien in limitatief opgesomde gronden voor ontheffing van deze verboden. Alleen opzettelijk verrichte handelingen zijn strafbaar. Bij vogels zijn bovendien verstoringen niet strafbaar als de staat van instandhouding van die vogelsoorten niet in gevaar komt. Gedeputeerde staten kunnen onder voorwaarden ontheffing verlenen van de verboden. 54
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
Daarnaast geldt als beschermingsregime voor (nationale) soorten: a. een zorgplicht die van toepassing is op alle natuurwaarden in Nederland; b. een verbod op het opzettelijk doden van de in de bijlage van de wet genoemde dieren, met een ontheffingsregime dat ruimer is dan dat voor internationaal en Europees beschermde soorten (zoogdieren, reptielen, amfibieën en thans op een rode lijst staande vissen, dagvlinders, libellen en kevers) (82 soorten); c. een verbod op het vangen van dieren genoemd in de bijlage en het opzettelijk beschadigen van hun vaste voortplantings-plaatsen of rustplaatsen (zoals de dassenburcht); en d. een verbod op het plukken of opzettelijk vernielen van in de bijlage genoemde vaatplanten (63 soorten, waaronder orchideeën). Er wordt voorzien in ruimere ontheffingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten gelden (artikel 3.10 lid 2). Voorts wordt het aantal bejaagbare soorten uitgebreid, worden door gedeputeerde staten goedgekeurde faunabeheerplannen sturend bij de schadebestrijding, populatiebeheer en jacht en is de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het stelsel van soortenbescherming, met inbegrip van de taken van het (op te heffen) Faunafonds, bij de provincies komen te liggen. Groenvisie 2017-2035 De Groenvisie gaat over het groenblauw raamwerk, de stedelijke hoofdgroenstructuur, vertaald in doelen, ambities en ontwikkelopgaven.
Dit groenblauw raamwerk van de stad bepaalt het gezicht van de stad en de aantrekkelijkheid van uiteenlopende woon- en recreatiemilieus. Het gaat daarbij om de waarden vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, water en recreatief gebruik op gemeente en op particuliere terreinen. Aan groen worden de laatste jaren steeds meer waarden en kwaliteiten toegekend. Zo ook aan het Arnhemse groen. Daarbij valt te denken aan gezondheid, klimaat (verminderen van hitte en van wateroverlast), milieu (verbeteren luchtkwaliteit), stadslandbouw, dierenwelzijn, toerisme en sport en bewegen. Het groen biedt ruimte voor een gezonde, leefbare, aantrekkelijke en daarmee ook toekomstbestendige woon- en werkomgeving. De Groenvisie legt niet alleen het groenblauw raamwerk vast, dus de stedelijke hoofdgroenstructuur, maar geeft ook richting aan het belang van groen in de wijken, zodat initiatieven de waarden van het groen (landschap, biodiversiteit, gezondheid, waterbuffering, koelte) niet aantasten maar juist versterken. Zij vormt daarmee een basis voor de vertaling naar de (planologische) bescherming van waardevolle gebieden en waardevolle bomen in de bestemmingsplannen. De visie zorgt voor een actualisatie van de Arnhemse regels met betrekking tot groencompensatie. In de Groenvisie zijn nu de actuele Arnhemse regels groencompensatie 2017 opgenomen.
Uitgangspunt blijft dat de totale groenbalans in de stad neutraal moet blijven of toeneemt. Moet er toch groen verdwijnen, dan wordt dat gecompenseerd. Eerst kwantitatief, dan kwalitatief en als laatste financieel. Bij financiële compensatie wordt de waarde van het groen en de boomopstanden gestort in het Groenfonds. Het provinciale beleid met betrekking tot groencompensatie heeft betrekking op bos binnen het Gelderse Natuurnetwerk. Daar waar de provinciale compensatieregels gelden, treden de gemeentelijke terug. Natuurinclusief bouwen Door natuurinclusief te bouwen en te ontwerpen is het mogelijk een gezonde en aantrekkelijke stad te creëren, die voor alle gebruikers een prettige leefomgeving vormt. De gemeente Arnhem heeft “Beleidsregels Natuurinclusief bouwen” opgesteld.
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
55
Chw Zijdekwartier
Toetsing SAB heeft met een quick scan natuur10 onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden kort de conclusies van de quick scan uiteengezet. De quick scan is als bijlage opgenomen bij deze toelichting. Gebiedsbescherming Natura 2000-gebieden Veluwe en Rijntakken liggen in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de Veluwe en Rijntakken is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Nader onderzoek in de vorm van een stikstofberekening11 is daarom uitgevoerd. Uit de berekeningen blijkt dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect stikstof. Het aspect stikstof wordt verderop in deze paragraaf nader toegelicht. Verder blijkt uit de quick scan dat in de omgeving van het plangebied geen Natuur-netwerk Nederland of andere provinciaal beschermde natuur aanwezig is. De provinciale bescherming van deze gebieden staat de uitvoering van het plan dan ook niet in de weg en nader onderzoek hiernaar is niet noodzakelijk.
Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen, steenmarter, bunzing en wezel en voortplantingsgebied van sleedoornpage en teunisbloempijlstaart aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten is nader soortgericht onderzoek12 uitgevoerd.
Hieruit volgt dat er in het plangebied geen essentiële elementen aanwezig zijn van vleermuizen, steenmarter, bunzing, wezel, sleedoornpage en/of teunisbloempijlstaart. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het plangebied voorkomt omdat zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreken. Als het plangebied in een later stadium echter uit braakliggend terrein zal bestaan, is het niet onmogelijk dat de soort zich in het plangebied zal vestigen. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Groenbalans De gemeente Arnhem hanteert een groenbalans: uitgangspunt is dat de totale groenbalans in de stad 56
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
neutraal blijft of toeneemt. Moet er toch groen verdwijnen (planologisch of feitelijk), dan wordt dat gecompenseerd. Allereerst kwantitatief, dan kwalitatief en als laatste financieel. Het plangebied is in de huidige situatie grotendeels verhard. Het aandeel groen neemt door toedoen van de voorgenomen ontwikkeling toe, zoals te zien in onderstaande tabel.
In de huidige situatie is 3,8% van het plangebied bestemd met een groene bestemming ('bomenrij'). In de toekomstige situatie is 27,3% van het plangebied als 'groen' bestemd. Het gebied binnen de bomencarré moet een samenhangend geheel vormen, dat zich visueel onderscheidt binnen de ruimtelijke opzet van het AKZO-terrein als geheel, en 'leesbaar' is als referentie aan de historische AKZO-fabrieken. Door de omzoming met een groenzone wordt het contrast met het daarbinnen gelegen gebied als centraal planmotief ondersteund. De groenbuffer vormt aan de oostzijde ook een passtuk in de aanhechting van het plangebied aan de wijk Plattenburg. De relatie met Plattenburg wordt gecreëerd door het bieden van een parkachtige groene gebruiksruimte. In deze groene ruimte kan bebouwing staan met een eigen bebouwingssignatuur met vrijstaande volumes, die zorgvuldig moeten zijn afgestemd op de ruimtelijke situatie aan de Beeldhouwerstraat. De zone aan de spoorzijde vormt een introvert gelegen en in de basis groen gebied. Eventueel kan deze zone mede benut worden voor inpassing van bebouwing, op voorwaarde dat de beleving van de zone als geheel groen is. Ook moet er rekening mee gehouden worden dat de spoorzone voor een deel ook een ecologische verbindingszone voor dieren is. Zo worden de groengebieden Thialf e.o. en de groene zones langs het spoor en park Presikhaaf met elkaar verbonden.
De ambities uit het Bomenplan 2020 en de Groenvisie 2017 worden gehanteerd, waaronder het boombewust ontwerpen. Het bestaande bomencarré is van grote waarde voor het project en het uitgangspunt is dat de bomen behouden blijven. De bomen vertonen op dit moment wel een verminderde conditie. Om de bomen duurzaam te behouden zal onder andere groeiplaatsverbetering worden toegepast. Omdat er woningen in het bomencarré zijn voorzien is het noodzakelijk 3 doorgangen te maken. Deze doorgangen zijn noodzakelijk in verband met de stedenbouwkundige visie, veiligheid en bereikbaarheid en worden vastgelegd op de verbeelding. Er moeten daardoor circa 20 bomen worden verwijderd. Alle bomen op het terrein zijn geïnventariseerd en onderzocht in de “Bomeninventarisatie & boomtechnisch advies”13. Uit deze inventarisatie blijkt dat deze niet kunnen worden verplant. Ten behoeve van de realisatie van de woningen zal de bodem worden schoon worden gemaakt (gesaneerd). De bodem bij de bomen en de directe omgeving zal niet worden gesaneerd om de bomen te beschermen. Dit is mogelijk omdat er voldoende afstand is tot de beoogde woningen. Mocht er door "Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
57
Chw Zijdekwartier
sanering een boom onverhoopt komen te vervallen (wat niet de verwachting is) dan zal deze worden toegevoegd. Hetzelfde geldt voor de bomenrij aan de zijde van de Beeldhouwerstraat. Behoud is hier het streven, voor zover de staat / gezondheid van de boom dit toelaat. Verder worden in het plan meer dan 20 bomen aangeplant, waardoor de bomenbalans positief uitvalt. Het aantal bomen dat wordt aangeplant wordt in het verdere ontwerpproces bepaald en is afhankelijk van de gekozen bouwvlakken en groeiruimte boven- en ondergronds. Er zal gebouwd worden conform het Puntensysteem Natuur inclusief Bouwen van de gemeente Arnhem. Stikstof Zoals eerder al is aangegeven, is voor onderhavige ontwikkeling de stikstofuitstoot inzichtelijk gemaakt. Dit is gedaan aan de hand van berekeningen voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Aanlegfase Uit de verschilberekeningen van de aanleg- en partieel ook de gebruiksfasen blijkt dat er modern en elektrisch materieel moet worden gebruikt. Ook is er een begrenzing aan het aantal liters diesel per jaar. In de volgende tabel is een overzicht van het aantal liters diesel per jaar en benodigde percentage AdBlue weergegeven.
Hierdoor zal de huidige grenswaarden van 0,00 mol/ha/j niet worden overschreden. Gebruiksfase Uit de verschilberekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen overschrijdingen van de huidige grenswaarden 0,00 mol stikstof/ha/j zijn. Eindadvies Al velen jaren heeft de gemeente Arnhem in haar structuurvisie opgenomen om dit gebied te bestemmen als woongebied. Hiervoor zijn de bedrijven reeds geamoveerd. Uit de verschilberekeningen die ten grondslag liggen aan de aanleg- en de gebruiks-fasen en de uiteindelijke gebruiksfase blijkt dat de huidige grenswaarden van 0,00 mol/ha/j niet wordt overschreden. Uit de berekeningen blijkt dat het plan uitvoerbaar is voor het aspect stikstof. Samenvattend kan geconcludeerd worden dat voorliggend plan het volgende effect heeft op de natuur: Per saldo komen er meer bomen in het plan. En de huidige en nieuwe bomen worden duurzaam beschermd in het bestemmingsplan. De locatie, soorten en aantallen wordt verder uitgewerkt in het ontwerpproces volgens het OKP. Er is geen negatief effect op de Wet natuurbescherming en tijdens de bouw wordt de zorgplicht voldoende in acht genomen. Er wordt natuurinclusief gebouwd en ingericht (groen) volgens het puntensysteem Natuurinclusief bouwen, waarbij de groene inrichting bestaat uit veelal inheemse bomen, struiken, kruiden en vaste planten.
58
"Chw Zijdekwartier" (vastgesteld)
Chw Zijdekwartier
Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect natuur geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
4.7
Water
Algemeen De waterparagraaf wordt nog aangepast naar aanleiding van het overleg met Ronald Bos van 4 mei 2023. Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is onderdeel geworden van de Nationale Omgevingsvisie, de NOVI (2020). De NOVI bevat nieuw strategisch beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving en komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies en relevante delen van zelfstandige strategische beleidsplannen (natuurvisie, verkeer- en vervoerplannen) en de strategische gedeelten van nationale én provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen. Echter delen van het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 (NWP) blijven van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Het gaat dan om de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid beschrijven en de daartoe behorende ruimtelijke aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. Als de NOVI afwijkt van het NWP, dan moet dat als wijziging van het NWO worden gezien. Tot de invoering van de Omgevingswet is het waterbeleid in 2 nationale plannen terug te vinden. (Toelichting NOVI). De NOVI is een integrale omgevingsvisie voor de fysieke leefomgeving, maar de relatie met de sociale leefomgeving wordt uitdrukkelijk gelegd.
Naast de ruimtelijk-functionele indeling van de leefomgeving gaat het ook om de activiteiten die een effect hebben op de leefomgeving in brede zin, waaronder het milieu, water, bodem, lucht en het natuurlijk kapitaal. Boven- en ondergrond zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. In de NOVI worden 4 prioriteiten gesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, Duurzaam economisch groeipotentieel, Sterke en gezonde steden en regio's en Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarnaast zijn 3 afwegingsprincipes vastgelegd. Onder de eerste prioriteit vallen nu ook de eerdere bestuursakkoorden die voor het thema Water zijn afgesloten. In 2050 is Nederland Klimaatbestendig en waterrobuust ingericht, is de veiligheid tegen overstroming gegarandeerd, hebben rivieren en beken de ruimte gekregen en is voldoende zoetwater van goede kwaliteit aanwezig. Bij het laatste gaat het om oppervlaktewater en grondwater. In de Waterwet (22 december 2009) zijn onder meer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor hemelwater indien de eigenaar van het terrein het hemelwater in alle redelijkheid niet op eigen terrein kan verwerken en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht. In het gemeentelijke rioleringsplan geven gemeenten aan hoe zij invulling geven aan die zorgplichten.