CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2c - Bijlagen - deel 2

Politieke Avond 17 december 2025, gemeente ArnhemBij agendapunt: Vaststellen: 'Chw Omgevingsplan Nijmeegseweg Fase 1’19.147 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Quickscan flora en fauna

Nijmeegseweg, Arnhem

Velp, 10 januari 2022

Pagina |2

Colofon Titel Subtitel

: Quickscan flora en fauna : Nijmeegseweg, Arnhem

Projectnummer Datum

: 21.345 : 10 januari 2022

Veldonderzoek Auteur(s)

: :

Collegiale toets

:

Opdrachtgever Contactpersoon

: Gemeente Arnhem :

Bezoekadres Postcode Telefoon

: Kerkstraat 20 : 6883 HT Velp : 026-2001900

info@ekoza.nl www.ekoza.nl

Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Pagina |3

Inhoudsopgave 1. 2.

Inleiding ...................................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ............................................................................................................................ 5 2.1 Natura 2000-gebieden .......................................................................................................... 5 2.2 Natuurnetwerk Nederland.................................................................................................... 5 2.3 Soorten................................................................................................................................ 6 2.4 Houtopstanden .................................................................................................................... 8 3. Gebiedsbeschrijving ................................................................................................................... 10 3.1 Gebiedsbeschrijving ........................................................................................................... 10 3.2 Voorgenomen ingreep ........................................................................................................ 12 4. Onderzoeksmethode..................................................................................................................

13 4.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 13 4.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 13 4.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 13 4.2 Soorten.............................................................................................................................. 13 4.2.1 Bronnenonderzoek............................................................................................................... 14 4.2.2 Veldonderzoek ..................................................................................................................... 14 4.2.3 Effectenbeoordeling ............................................................................................................. 14 4.3 Houtopstanden .................................................................................................................. 15 5. Resultaten ................................................................................................................................. 16 5.1 Gebiedsbescherming ..........................................................................................................

16 5.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 16 5.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 17 5.2 Soorten.............................................................................................................................. 18 5.2.1 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 19 5.2.2 Vleermuizen ......................................................................................................................... 20 5.2.3 Vogels ................................................................................................................................... 22 5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ............................................................................................ 23 5.2.5 Flora...................................................................................................................................... 25 5.2.6 Ongewervelden .................................................................................................................... 26 5.3 Houtopstanden ..................................................................................................................

26 6. Conclusies en aanbevelingen ...................................................................................................... 28 6.1 Gebiedsbescherming .......................................................................................................... 28 6.1.1 Natura 2000.......................................................................................................................... 28 6.1.2 Natuurnetwerk Nederland ................................................................................................... 28 6.2 Soortbescherming .............................................................................................................. 28 6.2.1 Grondgebonden zoogdieren ................................................................................................ 29 6.2.2 Vleermuizen ......................................................................................................................... 29 6.2.3 Vogels ................................................................................................................................... 29 6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen ............................................................................................ 29 6.2.5 Flora......................................................................................................................................

29 6.2.6 Ongewervelden .................................................................................................................... 29 6.3 Houtopstanden .................................................................................................................. 30 Bronnen ............................................................................................................................................ 31 Literatuur ...................................................................................................................................... 31 Websites ....................................................................................................................................... 31

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Pagina |4

1.

Inleiding Op bouwgrond aan de Nijmeegseweg in Arnhem is het voornemen om woningen te realiseren. Vanuit Europese- en nationale regelgeving dient onderzocht te worden welke effecten deze ingreep heeft op beschermde gebieden (Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland) en op beschermde flora en fauna. De voorliggende rapportage beschrijft de resultaten van een quickscan. Het betreft een beoordeling van de huidige en potentiële aanwezigheid van beschermde soorten planten en dieren op de onderzoekslocatie en de te verwachten effecten van de voorgenomen ingreep op beschermde soorten en gebieden. De quickscan vindt plaats op grond van bronnenonderzoek en een terreinbezoek. Tijdens het terreinbezoek is een inschatting gemaakt welke soorten voor kunnen komen en welke soorten op voorhand uit te sluiten zijn. Deze quickscan is een momentopname en kan slechts in beperkte mate uitsluitsel geven over de afwezigheid van soorten. Dit onderzoek betreft geen volledige veldinventarisatie. Mochten er effecten te verwachten zijn van de werkzaamheden op beschermde soorten die mogelijk aanwezig zijn, dan wordt een nader onderzoek geadviseerd. In hoofdstuk 2 staat het wettelijk kader uiteengezet, waaraan getoetst dient te worden. Hoofdstuk 3 geeft een beschrijving van het onderzoeksgebied en de voorgenomen ingrepen. Hoofdstuk 4 geeft een beschrijving van de onderzoeksmethode.

In hoofdstuk 5 worden de resultaten van het onderzoek en de mogelijke effecten van de ingreep op beschermde soorten besproken. Ten slotte volgen in hoofdstuk 6 de conclusies, aanbevelingen en eventuele vervolgstappen.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Pagina |5

2.

Wettelijk kader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze wet vervangt 3 wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Het bevoegd gezag ligt bij de provincies. De Rijksoverheid blijft verantwoordelijk voor handelingen en projecten in gebruik, beheer of aanleg door het Rijk, zoals hoofdwegen, spoorwegen, hoofdvaarwegen, waterkeringen, militaire terreinen, gastransportnet, hoogspanningsleidingen, delfstoffen, kustlijn, bepaalde visserij, etc. De Wet natuurbescherming is gericht op de bescherming van: • Natura 2000-gebieden • Soorten • Houtopstanden

2.1 Natura 2000-gebieden De basis voor Natura 2000 zijn de Europese Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. Deze natuurbeschermingsrichtlijnen hebben naast de bescherming van specifieke flora en fauna eveneens als doel om de leefgebieden van deze soorten te behouden, te herstellen of uit te breiden. In Nederland zijn ruim 160 gebieden als Natura 2000-gebied aangewezen door het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (LNV). Door de toenmalige minister van LNV zijn instandhoudingsdoelstellingen vastgesteld voor de Natura 2000-gebieden, deze staan vermeld in het (ontwerp-) aanwijzingsbesluit. Daarin staan ook de instandhoudingsdoelstellingen voor alle habitattypen, -soorten en broedvogels die in het Natura 2000-gebied voorkomen beschreven. Daarnaast staat beschreven op welke wijze de instandhoudingsdoelstellingen te realiseren zijn. Onder ‘instandhouding’ wordt verstaan het geheel aan maatregelen die nodig is ter behoud of herstel van een gunstige staat van instandhouding van de natuurlijke habitats en populaties van wilde dier- en plantensoorten.

Elke activiteit (in de wet: project of handeling) zowel binnen als buiten een Natura 2000gebied die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen: • de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kan verslechteren; of • een significant verstorend effect kan hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen is ingevolge artikel 2.7, tweede lid verboden. De activiteit kan slechts doorgang vinden wanneer het bevoegd gezag een vergunning verleent.

2.2 Natuurnetwerk Nederland Het doel van het Natuurnetwerk Nederland (voorheen de Ecologische Hoofdstructuur of EHS) is om een samenhangend netwerk te creëren van kwalitatief hoogwaardige natuurgebieden en natuurrijke cultuurlandschappen. Het huidige netwerk bestaat voor het merendeel uit Natura 2000-gebieden en andere bestaande natuurgebieden. Daarnaast worden Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Pagina |6

natuurgebieden uitgebreid, nieuwe natuurgebieden ontwikkeld en ecologische verbindingszones aangelegd. Onderdeel van het Natuurnetwerk Nederland zijn Ecologische Verbindingszones (EVZ), die natuurgebieden met elkaar verbinden om het migreren van dieren en planten tussen natuurgebieden mogelijk te maken. De provincies zijn sinds 2014 verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Bij toetsing van de ingreep aan het Natuurnetwerk Nederland (NNN) zijn de 'Spelregels EHS' van toepassing, een uitwerking van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte en een door Rijk, provincies en maatschappelijke organisaties gezamenlijk opgesteld beleidskader. Provincies hebben de Spelregels laten doorwerken in hun eigen ruimtelijk beleid. Het compensatiebeginsel voor de EHS is het sluitstuk van het ‘nee, tenzij’ beschermingsregime. Volgens dat regime zijn nieuwe projecten, plannen en handelingen, die afwijken van het bestemmingsplan, in het NNN met een significant negatief effect op de wezenlijke kenmerken en waarden niet toegestaan, tenzij er sprake is van een groot openbaar belang én het ontbreken van reële alternatieven.

De hoofdlijnen van de regels voor de bescherming en compensatie van het NNN zijn juridisch verankerd in de uitbreiding van het Besluit Algemene Regels Ruimtelijke ordening (Barro, voorheen AMvB Ruimte), die op 1 oktober 2012 in werking is getreden (bekendmaking inhoud Stb. 2012, 388; bekendmaking inwerkingtreding Stb. 2012, 434).

2.3 Soorten Onder de Wet natuurbescherming geldt, net als onder de Flora- en faunawet, een zorgplicht voor alle in het wild levende dieren. De Wet natuurbescherming kent drie beschermingsregimes: • soorten van de Vogelrichtlijn • soorten van de Habitatrichtlijn • andere soorten

Vogelrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. Ingevolge artikel 3.1 is het verboden om: 1. Opzettelijk vogels te doden of te vangen; 2. Opzettelijk vogelnesten, -rustplaatsen en -eieren te vernielen of te beschadigen of vogelnesten weg te nemen; 3. Eieren van vogels te rapen en deze onder zich te hebben; 4. Opzettelijk vogels te storen, tenzij de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Habitatrichtlijnsoorten Onder de soorten van de Habitatrichtlijn vallen soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage I van het Verdrag van Bonn. In de Bijlagen van de Verdragen van Bern en Bonn worden ook vogels genoemd. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.5 (Bern bijl. II, Bonn bijl. I) verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Pagina |7

2. 3. 4. 5.

Opzettelijk dieren te verstoren; Opzettelijk eieren van dieren te vernielen of te rapen; Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken, te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Wat betreft deze soorten is het ingevolge artikel 3.6 (Bern bijl. I en II, Bonn bijl. I) verboden om dieren of planten te verkopen, te vervoeren voor verkoop, te verhandelen, te ruilen of te koop of te ruil aan te bieden, tenzij het gaat om aantoonbaar gefokte of gekweekte dieren of planten.

Andere soorten Onder het beschermingsregime andere soorten vallen soorten waarvan er geen Europese verplichting tot bescherming is. Dit zijn soorten die vanuit nationaal belang extra bescherming behoeven. De beschermde status van soorten kan per provincie verschillen. Provincies hebben de bevoegdheid om bij provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten. In dit geval gaat het om de provincie Gelderland. Ingevolge de Wet natuurbescherming artikel 3.10 is het verboden om: 1. Opzettelijk dieren te doden of te vangen; 2. Voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren te beschadigen of te vernielen; 3. Opzettelijk planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied te plukken te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.

Zorgplicht Artikel 1.11 Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor eenieder om voldoende zorg te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het betreft bovendien niet alleen dieren en planten van soorten waarvoor de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn specifieke beschermingsmaatregelen eisen, maar alle in het wild levende dieren en planten. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat eenieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: • dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, • indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of • voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Voor de bescherming van dieren en planten van soorten waarvoor geen specifiek beschermingsregime geldt op grond van hoofdstuk 3, heeft de zorgplicht zelfstandig betekenis.

Op grond van de zorgplichtbepaling moeten schadelijke handelingen in beginsel Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Pagina |8

achterwege worden gelaten dan wel moeten maatregelen worden genomen om schadelijke gevolgen (zoveel mogelijk) te voorkomen.

Jaarrond beschermde nesten Nesten van vogelsoorten van categorie 1 t/m 4 zijn jaarrond beschermd, de nesten van soorten in categorie 5 zijn beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Categorieën: 1. Nesten die, behalve gedurende het broedseizoen als nest, buiten het broedseizoen in gebruik zijn als vaste rust- en verblijfplaats. 2. Nesten van koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing of biotoop. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 3. Nesten van vogels, zijnde geen koloniebroeders, die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast zijn of afhankelijk van bebouwing. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. 4. Vogels die jaar in jaar uit gebruik maken van hetzelfde nest en die zelf niet of nauwelijks in staat zijn een nest te bouwen. 5. Nesten van vogels die weliswaar vaak terugkeren naar de plaats waar zij het jaar daarvoor hebben gebroed of de directe omgeving daarvan, maar die wel over voldoende flexibiliteit beschikken om, als de broedplaats verloren is gegaan, zich elders te vestigen. Enkele provincies, zoals Limburg en Overijssel, hebben hun eigen lijst van jaarrond beschermde nesten van vogelsoorten.

2.4 Houtopstanden De regels van de Boswet zijn grotendeels onveranderd opgenomen in de Wet natuurbescherming. Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: a. een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of b. bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Ingevolge artikel 4.1 vallen buiten de bescherming houtopstanden: • houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet); • houtopstanden op erven of in tuinen; • fruitbomen en windschermen om boomgaarden; • naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar • kweekgoed; o uit populieren of wilgen bestaande wegbeplantingen, o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; • Het dunnen van een houtopstand; Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Pagina |9

•

uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa indien zij: o ten minste eens per tien jaar worden geoogst; o bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid o bestaande uit een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter; o zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 10

3.

Gebiedsbeschrijving

3.1 Gebiedsbeschrijving Het projectgebied bestaat uit drie deelgebieden langs de Nijmeegseweg in Arnhem-Zuid, provincie Gelderland. In alle deelgebieden bevindt zich gras en staan bomen. In deelgebied 2 is een speeltuin aanwezig. In deelgebied 3 ligt een wandelpad en in het zuidwestelijke gedeelte liggen sloten. De Meldestraat doorkruist deelgebied 3. De deelgebieden bevinden zich in de woonwijk Malburgen, ten noordoosten van het voetbalstadion Gelredome. In de omgeving van het projectgebied liggen de waterrijke gebieden Meinerswijk en het Immerloopark en lopen de rivieren de Nederrijn en de IJssel. De dorpen Oosterbeek en Westervoort en de stad Huissen liggen nabij dit gedeelte van Arnhem. In Figuur 1 is de globale ligging van het projectgebied weergegeven. Figuur 2 geeft een impressie van het projectgebied.

Figuur 1. Globale ligging van het projectgebied.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 11

1

1

2

2

3

3

3

3

Figuur 2. Impressie van het projectgebied: boven deelgebied 1, midden deelgebied 2, onder deelgebied 3.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 12

3.2 Voorgenomen ingreep Gemeente Arnhem is voornemens om aan de Nijmeegseweg te Arnhem woningen en groen te realiseren. In Figuur 3 zijn de geplande werkzaamheden aangegeven op een kaart. Voor de werkzaamheden wordt in de bodem gewerkt, er worden bomen en struiken gerooid en er wordt in sloten gewerkt. Binnen het projectgebied bevindt zich geen bebouwing. De planning is onbekend.

1

3

2

Figuur 3. Voorgenomen plannen in de deelgebieden.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 13

4.

Onderzoeksmethode

4.1 Gebiedsbescherming Het onderzoek naar gebiedsbescherming betreft een bureaustudie.

4.1.1 Natura 2000 Voor het bepalen van de ligging van beschermde gebieden ten opzichte van het projectgebied is gebruik gemaakt van de gebiedendatabase op de website van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. Hier is alle informatie over Natura 2000gebieden te vinden zoals de habitattypen en -soorten waarvoor de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. In dit onderzoek worden o.a. de onderstaande vragen beantwoord: 1. Ligt de ingreeplocatie in een Natura 2000-gebied, of ligt er een Natura 2000-gebied binnen de invloedsfeer van de ingreeplocatie, zodat externe en/of cumulatieve effecten te verwachten zijn. 2. Wat zijn de mogelijke negatieve en/of positieve effecten van de voorgenomen ingrepen op de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied in kwestie. 3. Kunnen deze effecten: a. verstorend zijn voor kwalificerende soorten b. leiden tot een verslechtering van de kwaliteit van de kwalificerende habitats c. significant negatief zijn voor het realiseren van de instandhoudingsdoelstellingen

4.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) werd vroeger de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) genoemd. Het Natuurnetwerk is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. Voor het bepalen van de ligging van het projectgebied ten opzichte van het NNN is gebruikt gemaakt van de websites van de provincie Gelderland. Hierbij is bekeken hoe de ligging van het projectgebied is ten opzichte van het Natuurnetwerk. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen het NNN worden de effecten van de ingreep op de wezenlijkheidskenmerken en -waarden van het NNN getoetst.

4.2 Soorten Het onderzoek naar beschermde soorten bestaat uit twee delen. Er is begonnen met een literatuurstudie, gevolgd door een veldonderzoek in het projectgebied. Aan de hand van de literatuurgegevens en het veldbezoek wordt bepaald welke soorten daadwerkelijk in het projectgebied voor kunnen komen.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 14

4.2.1 Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek gaat uit van bestaande en beschikbare gegevens. Een belangrijke bron zijn de gegevens afkomstig uit de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Deze databank geeft het meest actuele overzicht van beschermde soorten die in de regio voorkomen. Het is een koppeling van databases zoals waarneming.nl en telmee.nl. Hierin participeren onder andere de soortenorganisaties zoals Sovon, Ravon en de Zoogdiervereniging. Voor de gegevens uit de NDFF is een zoekgebied geselecteerd rondom de te onderzoeken locatie. Er is gekeken naar de gegevens van de laatste 3-10 jaar, afhankelijk van de soortgroep en hoeveelheid gegevens. De NDFF is op 3 januari 2022 geraadpleegd. Verder zijn ecologische verspreidingsatlassen geraadpleegd: Bos, 2006; Broekhuizen, 2016; Creemers, 2009; NVL 2002.

4.2.2 Veldonderzoek Het projectgebied is eenmaal bezocht op 4 januari 2022. Het was een bewolkte dag met een temperatuur rond de 7°C en een matige wind. Het veldwerk voor dit onderzoek is uitgevoerd in de vorm van een quickscan. Het onderzoek bestaat uit het uitvoeren van een habitatgeschiktheidsbeoordeling. Dit is een veldonderzoek waarbij op basis van de fysieke kenmerken van het projectgebied een indicatie wordt gegeven van het mogelijk voorkomen van beschermde plant- en diersoorten. Er is zowel (globaal) gekeken naar de daadwerkelijk aanwezige flora en fauna als naar de mogelijke waarden die het gebied herbergt in andere tijden van het jaar die tijdens een eenmalig bezoek niet kunnen worden vastgesteld. Tijdens het terreinbezoek is zoveel mogelijk concrete informatie verzameld met betrekking tot de aan- of afwezigheid van beschermde soorten (zicht- en geluidswaarnemingen, sporenonderzoek naar de aanwezigheid van nesten, holen, uitwerpselen, haren, etc.). Het veldbezoek is uitgevoerd in januari. Veel soorten zijn in deze periode van het jaar niet waar te nemen.

4.2.3 Effectenbeoordeling Als bepaald is welke beschermde soorten in het projectgebied voor kunnen komen vindt een inschatting van de effecten plaats. Aan de hand van de ingreep worden de effecten van de activiteiten op de mogelijk aanwezige soorten bepaald. Effecten kunnen optreden tijdens de realisatiefase van het project en zijn dan meestal tijdelijk van aard. In de gebruiksfase van het project kunnen blijvende effecten optreden. Effecten van de ingreep op aanwezige soorten zijn sterk afhankelijk van een aantal variabelen, zoals: de voorgenomen werkzaamheden, de exacte locatie, de periode van het jaar, het tijdstip van de dag, de doorlooptijd van de werkzaamheden, de gebruikte machines of materialen, enzovoort. Niet alleen de effecten op de aanwezige verblijfplaatsen van de soort zijn van belang, maar ook of het leefgebied blijvend kan voorzien in alles wat nodig is om succesvol te kunnen voortplanten of te kunnen verblijven. Verder is het van belang te weten welke effecten de werkzaamheden hebben op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Bij kans op negatieve effecten kan nader onderzoek worden geadviseerd en is mogelijk een ontheffing van de verbodsbepalingen in de Wet natuurbescherming nodig.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 15

4.3 Houtopstanden Bij het kappen van bomen binnen het projectgebied wordt middels een bureaustudie bepaald of het houtopstanden betreft die buiten het besluit van de betreffende gemeente vastgestelde grenzen van de bebouwde kom (voor deze wet) liggen.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 16

5.

Resultaten

5.1 Gebiedsbescherming 5.1.1 Natura 2000 Het projectgebied ligt op circa 1,8 kilometer afstand van het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied Rijntakken (Figuur 4). Het Natura 2000-gebied Veluwe ligt op circa 3 kilometer van het projectgebied.

Figuur 4. Ligging van het projectgebied (rood) ten opzichte van de Natura 2000-gebieden Rijntakken en Veluwe (groen).

Het Natura 2000-gebied Rijntakken bestaat uit het rivierenlandschap van de Waal, IJssel en Nederrijn. Rijntakken overlapt deels met de Gelderse Poort en is onderdeel van verbindingen van natuurgebieden tussen Nederland en Duitsland. Het grootste gedeelte van Rijntakken is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de Vogelrichtlijn. Ook is er een gedeelte (~37%) aangewezen in het kader van de Habitatrichtlijn. Er zijn in de Rijntakken verschillende habitattypen aanwezig. Dit zijn meren met krabbenscheer en fonteinkruiden, beken en rivieren met waterplanten en slikkige rivieroevers en stroomdalgraslanden, ruigten en zomen, glanshaver- en vossenstaarthooilanden, beuken-eikenbossen met hulst, vochtige alluviale bossen en droge hardhoutooibossen. Rijntakken is tevens belangrijk leefgebied van een aantal (semi-) aquatische Habitatrichtlijnsoorten zoals zeeprik, rivierprik, elft, zalm, bittervoorn, grote modderkruiper, rivierdonderpad, kamsalamander en bever. Ook meervleermuis is als habitatsrichtlijnsoort voor Rijntakken aangewezen. Broedvogels die dit Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 17

Natura 2000-gebied gebruiken zijn dodaars, aalscholver, roerdomp, woudaap, porseleinhoen, kwartelkoning, watersnip, zwarte stern, ijsvogel, oeverzwaluw, blauwborst en grote karekiet. Naast broedvogels zijn er ook niet-broedvogels die Rijntakken als rust- en foerageergebied gebruiken. Dit zijn fuut, aalscholver, kleine zwaan, wilde zwaan, kolgans, grauwe gans, brandgans, bergeend, smient, krakeend wintertaling, wilde eend, pijlstaart, slobeend, tafeleend, kuifeend, nonnetje, meerkoet, scholekster, goudplevier, kievit, kemphaan, grutto, wulp, tureluur en toendrarietgans. De Veluwe bestaat uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. Het gebied is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. Doordat zand en grond in de ijstijd door het ijs zijn voortgeduwd ontstonden stuwwallen. Door wind en water zijn deze afgevlakt maar de hoogste delen van de Veluwe zijn ook nu nog 100 meter boven NAP. Stuifzandheiden met struikhei is een van de meest kenmerkende habitattypen. Plaatselijk komen in de heiden natte of droge heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken, waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen.

Op de Veluwe zijn de Habitatrichtlijnsoorten gevlekte witsnuitlibel, vliegend hert, beekprik, rivierdonderpad, kamsalamander, meervleermuis en drijvende waterweegbree aanwezig. Ook zijn de broedvogels wespendief, nachtzwaluw, ijsvogel, draaihals, zwarte specht, boomleeuwerik, duinpieper, roodborsttapuit, tapuit en grauwe klauwier op de Veluwe aanwezig.

Effectenbeoordeling Storingsfactoren die plaats kunnen vinden door de werkzaamheden zijn stikstofdepositie, trillingen, geluid en licht bij ’s nachts werken. De werkzaamheden zijn beperkt van aard, vinden in druk stedelijk gebied plaats, en worden op voldoende afstand uitgevoerd van de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden wat betreft licht, geluid en trillingen. Er is geen vergunningsplicht voor tijdelijke stikstofdepositie in de aanlegfase (Grapperhaus, 2021). Effecten op de Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten en stikstofdepositie is momenteel vrijgesteld van vergunningsplicht.

5.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied ligt op circa 400 meter van het Natuurnetwerk Nederland (Figuur 5). Dit betreft de uiterwaarden van de Nederrijn.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 18

Figuur 5. Ligging van het projectgebied (rood) ten opzichte van het Natuurnetwerk Nederland (groen). In het Natuurnetwerk Nederland heeft de provincie de volgende doelstellingen: • het herstel en behoud van de rijkdom aan soorten, de biodiversiteit. Hiervoor moeten natuurgebieden worden uitgebreid, verbeterd, en met elkaar worden verbonden, waardoor een netwerk ontstaat. Dit netwerk moet functioneren in ruimte en tijd, waardoor planten en dieren een duurzame, robuuste en klimaatbestendige leefomgeving krijgen; • het bieden van ruimte aan de groeiende behoefte aan rust en ruimte. Hierdoor kunnen inwoners en bezoekers de natuur beleven en het draagvlak voor natuurbeleid waarborgen.

Effectenbeoordeling Het projectgebied ligt niet in het Natuurnetwerk Nederland. De provincie heeft geen doelstellingen voor gebieden die buiten het Natuurnetwerk Nederland liggen. Ruimtelijke ontwikkelingen die geen significant negatief effect hebben op de wezenlijke waarden en kenmerken van het Natuurnetwerk Nederland mogen plaatsvinden. Deze werkzaamheden tasten de kernkwaliteiten niet aan en passen binnen het beleid van het Natuurnetwerk Nederland, provincie Gelderland. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.

5.2 Soorten Er is een bronnenonderzoek verricht naar de aanwezigheid van beschermde soorten in het projectgebied en in de directe omgeving van het projectgebied. De belangrijkste gegevensbron is de NDFF. De NDFF geeft echter geen volledig beeld van de aanwezigheid van soorten. Dat komt omdat niet alle gebieden even goed worden onderzocht. Daarnaast worden bepaalde soortgroepen beter onderzocht dan andere. Dit kan te maken hebben met Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 19

de interesse van de waarnemer, toegankelijkheid van een gebied of omdat sommige soorten moeilijk te inventariseren zijn. Ten slotte worden niet alle waarnemingen doorgegeven. Door middel van het veldbezoek is een inschatting gemaakt van de te verwachte beschermde soorten in het projectgebied. Daarna is onderzocht welke effecten de werkzaamheden kunnen hebben op de mogelijk aanwezige beschermde soorten.

5.2.1 Grondgebonden zoogdieren Bronnenonderzoek Een aantal grondgebonden zoogdieren zijn in het projectgebied of in de omgeving van het projectgebied waargenomen (NDFF). Tabel 1 geeft een overzicht van deze soorten.

Tabel 1. Overzicht van waargenomen grondgebonden zoogdieren in het projectgebied of in de nabije omgeving van de laatste 10 jaar (NDFF). Soort

Bever Aardmuis Boommarter Bosmuis Bunzing Das Dwergmuis Eekhoorn Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ree Rosse woelmuis Steenmarter Veldmuis Vos Wezel

Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort X

andere soorten

vrijgestelde soorten X

X X X X X X X X X X X X X X X X X

De bever is gezien langs de Rijn en haar uiterwaarden, in natuurgebied Meinerswijk en enkele keren in een woonwijk ten zuidwesten van het projectgebied (Elderveld). Waarnemingen van de boommarter liggen ten noordwesten van het projectgebied bij Meinerswijk en bij bosrijk gebied ten noorden van de Rijn. De bunzing is in de woonwijken in de omgeving van het projectgebied een aantal keer aangetroffen en veel waarnemingen van bunzing zijn langs grotere wegen gedaan (o.a. aangereden individuen). Dassen zijn gezien in Meinerswijk en aan de noordkant van de Rijn bij bosrijk gebied. Steenmarterwaarnemingen zijn voornamelijk ten noorden van de Rijn gedaan en enkele steenmarters zijn in Meinerswijk en in wijken van Arnhem-Zuid gezien. Van de wezel zijn er individuen in en om Meinerswijk gezien, ook ten zuidoosten van het projectgebied zijn wezels gevonden in bosschage en langs wegen.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 20

Veldonderzoek Het projectgebied bestaat uit een grasveld met enkele bomen en struiken. Op deellocatie 2 is een speeltuintje aanwezig. In deellocatie 3 zijn sloten en een kleiner slootje aanwezig en er is een bosschage. Er zijn geen sporen van beschermde soorten waargenomen. In de bomen zijn geen eekhoornnesten aangetroffen en daarmee zijn er geen verblijfplaatsen van eekhoorns in het projectgebied. Er zijn tevens geen geschikte holtes waargenomen in de bomen waar boombewonende soorten zoals boommarter gebruik van kan maken. De watergangen zijn ongeschikt voor watergebonden zoogdieren zoals de bever omdat het slechts smalle sloten in stedelijk gebied betreft en er geen bos in de omgeving aanwezig is. Takkenhopen en stenenstapels zijn in het projectgebied afwezig waardoor verblijven van steenmarter zijn uitgesloten. Het projectgebied biedt onvoldoende dekking voor soorten als de wezel, bunzing en das. Grondgebonden zoogdieren als algemene muizensoorten, konijn en mol kunnen voorkomen op de locatie.

Effectenbeoordeling De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op grondgebonden zoogdieren.

5.2.2 Vleermuizen Vleermuizen vallen onder het beschermingsregime van de Habitatrichtlijnsoorten. Verblijfplaatsen (kraam-, zomer-, paar- en winterverblijven) en essentiële vliegroutes en foerageergebieden van deze soorten zijn beschermd.

Bronnenonderzoek Er zijn zes soorten vleermuizen in de omgeving waargenomen volgens de NDFF (Tabel 2).

Tabel 2. Overzicht van vleermuizen die zijn waargenomen in het projectgebied of de omgeving van de laatste 10 jaar (NDFF). Soort Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Watervleermuis

De meeste vleermuiswaarnemingen betreffen de gewone dwergvleermuis. In de woonwijken in de omgeving zijn passerende en foeragerende gewone dwergvleermuizen gezien. Op enkele plekken in woonwijken zijn verblijfplaatsen aangetroffen, zoals in een flat ten zuidoosten van het projectgebied en een winterverblijfplaats ten westen in een voormalige steenfabriek in Meinerswijk. Gewone grootoorvleermuizen zijn ook overwinterend ten westen van het projectgebied in de steenfabriek in Meinerswijk gezien. Tevens zijn er foeragerende gewone grootoorvleermuizen ten noorden van de Rijn aangetroffen. In een kerk aan de noordkant van de Rijn zijn tevens verblijfplaatsen van gewone grootoorvleermuizen waargenomen. Er zijn enkele waarnemingen van Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 21

overvliegende/foeragerende laatvlieger, rosse vleermuis, watervleermuis en ruige dwergvleermuis in de omgeving.

Veldonderzoek Verblijfplaatsen van vleermuizen kunnen zich bevinden in gebouwen of bomen. In bomen bevinden vleermuizen zich in holtes, spleten of achter loshangend boomschors. In gebouwen kunnen vleermuizen zich onder andere bevinden in de spouw, onder dakpannen, achter boeiboorden en op zolders. Bebouwing ontbreekt op de projectlocatie. De aanwezige bomen zijn onderzocht op de aanwezigheid van holtes of spleten en deze waren aanwezig. Bomen met holtes en spleten zijn in deelgebied 1 en 3 gezien (Figuur 6). Tevens hingen er aan en aantal bomen vleermuiskasten (Figuur 6).

Figuur 6. Voorbeelden van aanwezige holtes in bomen. Niet alleen verblijfplaatsen van vleermuizen, maar ook essentiële vliegroutes zijn beschermd. Vleermuizen zijn plaatstrouw en maken vaak jaren achter elkaar gebruik van hetzelfde netwerk aan verblijfplaatsen. De meeste soorten maken ook gebruik van min of meer vaste vliegroutes tussen hun verblijfplaats en het jachtgebied. Indien er geen alternatieven zijn is de vliegroute van essentieel belang voor een kolonie. Als de dieren niet meer zonder verstoring van hun verblijfplaats bij hun jachtgebied kunnen komen, moeten ze verhuizen. Om deze reden zijn essentiële vliegroutes van vleermuizen beschermd. Lijnvormige landschapselementen die als vliegroute kunnen dienen zijn bijvoorbeeld bomenrijen of watergangen, deze zijn in het projectgebied niet aanwezig. Ook essentieel foerageergebied van vleermuizen is beschermd. Het projectgebied kan als foerageergebied gebruikt worden door vleermuizen. De bomen en struiken, het bosschage en de sloten bieden foerageermogelijkheden.

Effectenbeoordeling Het projectgebied biedt geschikte mogelijkheden voor verblijfplaatsen voor vleermuizen, namelijk in de bomen van deelgebied 1 en 3, onder andere in gaten in bomen en in vleermuiskasten. Voor de bouw van woningen moeten bomen gekapt worden en door de kap is er mogelijk een negatief effect op verblijfplaatsen van vleermuizen. Essentieel foerageergebied is niet aanwezig binnen het projectgebied, omdat de omgeving alternatieven van goede kwaliteit biedt in de vorm van bomen en watergangen. Lijnvormige Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 22

landschapselementen zijn niet aanwezig binnen het projectgebied, waardoor een negatief effect op een essentiële vliegroute van vleermuizen is uitgesloten.

5.2.3 Vogels Alle inheemse vogelsoorten behoren tot de Vogelrichtlijn. Daarnaast is het nest van enkele vogelsoorten jaarrond beschermd. Voor het broedseizoen van vogels is geen standaardperiode. Dit omdat het broedseizoen van soort tot soort en van jaar tot jaar kan verschillen. Globaal kan voor het broedseizoen de periode van 15 maart tot 15 juli worden aangehouden.

Bronnenonderzoek In de omgeving van de planlocatie ligt bebouwd gebied, parken en uiterwaarden waardoor een grote verscheidenheid aan vogelsoorten in de omgeving voorkomt. In Tabel 3 zijn de vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest die zijn waargenomen in of in de omgeving van het projectgebied weergegeven (NDFF).

Tabel 3. Overzicht van vogels met jaarrond beschermde nesten die zijn waargenomen in het projectgebied of de omgeving van de laatste 3 jaar (NDFF). Soort Steenuil Gierzwaluw Huismus Roek Grote gele kwikstaart Ooievaar Slechtvalk Boomvalk Buizerd Havik Sperwer Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene specht Grote bonte specht Huiszwaluw IJsvogel Kleine bonte specht Koolmees Oeverzwaluw Pimpelmees Spreeuw Zwarte kraai

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Beschermingsstatus jaarrond beschermde nesten 1 2 2 2 3 3 3 4 4 4 4 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5 5

P a g i n a | 23

Soort Zwarte mees Zwarte roodstaart

Beschermingsstatus jaarrond beschermde nesten 5 5

Van de steenuil is een nest en zijn baltsende individuen ten zuidoosten van het projectgebied nabij een boerderij en een manege aangetroffen. Bij de Rijn ten noordwesten van het projectgebied is ook een baltsende steenuil gezien en er is een slaapplaats van grote gele kwikstaart aangetroffen. In de woonwijken in de omgeving van het projectgebied nestelen gierzwaluwen en huismussen. Er zijn in de omgeving een aantal roekenkolonies gezien; ten zuidoosten van het projectgebied aan de andere kant van de Nijmeegseweg bij een school en ten zuidwesten bij een industriegebied en verder ten zuidwesten in een woonwijk. Ooievaars hebben nest-indicerend gedrag vertoond in de uiterwaarden van de Rijn. Nesten van slechtvalk zijn op gebouwen waargenomen zoals op de Eusebiuskerk, de KEMAtoren, het OHRAgebouw en bij een school aan de Velperweg. Boomvalknesten zijn aan de Nijmeegseweg gevonden en ten noordoosten van het projectgebied in Arnhem-Noord. Verblijfplaatsen van buizerds zijn in Meinerswijk, langs de Rijn en in park Elderveld gezien. Territorium van de havik is in Meinerswijk waargenomen, baltsende haviken zijn zowel in Meinerswijk als in park Immerloo aangetroffen. Een broedend sperwerpaar is ten westen van het projectgebied in een parkje gezien.

Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek zijn een aantal vogels gehoord en gezien, waaronder huismus, kauw, kokmeeuw, ekster, vink, koolmees en merel. De bomen zijn gecontroleerd op jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Er is geen bebouwing aanwezig, waardoor nesten van gebouwbewonende soorten, zoals huismus en gierzwaluw kunnen worden uitgesloten. In de haag in deelgebied 2 zaten veel vogels zoals merels, huismus en koolmees. In de bomen en struiken kunnen algemene vogels nestelen.

Effectenbeoordeling De werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op nesten van vogels met een jaarrond beschermd nest. In de bomen en struiken kunnen vogels in het broedseizoen broeden. Bij het rooien van bomen en struiken in het broedseizoen treedt een negatief effect op voor algemene broedvogels. De haag in deelgebied 2 is leefgebied voor onder andere huismus. Het verwijderen van de haag in deelgebied 2 heeft mogelijk een negatief effect op het functionele leefgebied (schuilplekken en foerageergebied) van huismussen.

5.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen Bronnenonderzoek In Tabel 4 is een overzicht weergegeven van de waargenomen beschermde amfibieën, reptielen en vissen in het projectgebied of in de omgeving van het projectgebied (NDFF).

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 24

Tabel 4. Overzicht van waargenomen reptielen, amfibieën en vissen in of nabij het projectgebied van de laatste 10 jaar (NDFF). Soort

Kamsalamander Poelkikker Rugstreeppad Alpenwatersalamander Bastaardkikker Bruine kikker Gewone pad Hazelworm Kleine watersalamander Ringslang

Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort X X X

andere soorten

vrijgestelde soorten

X X X X X X X

Een waarneming van de kamsalamander is ten zuidoosten van het projectgebied vlak bij een boerderij gedaan (circa 2 km). De poelkikker is in Meinerswijk gezien (circa 1,5 km) en ten oosten van het projectgebied bij een bosschage naast de Pleijweg (>2 km). Rugstreeppadden zijn langs de Rijn en in een woonwijk aangetroffen (>2 km). Waarnemingen van de Alpenwatersalamander liggen allemaal ten noorden van de Rijn (>1,8 km). De hazelworm is langs het spoor in Arnhem-Noord nabij het station gezien (>1,5 km). Er zijn enkele ringslangen in het buitengebied ten noordwesten van het projectgebied waargenomen (>1,8 km).

Veldonderzoek Het oppervlaktewater is ongeschikt voor beschermde vissen en als voortplantingswater voor beschermde amfibieën. Beschermde vissen maken geen gebruik van sloten zoals die aanwezig in het projectgebied. De bodem van het projectgebied bestaat uit klei wat door beschermde amfibieën zoals de Alpenwatersalamander wordt gemeden. Tevens bevindt het projectgebied zich in stedelijk gebied wat door soorten als de kamsalamander wordt gemeden. Ook bieden de sloten weinig schuilmogelijkheden in de vorm van watervegetatie of stenen. Het aanwezige groen wordt niet gebruikt als landhabitat door beschermde amfibieën, omdat er geen geschikt voortplantingshabitat voor beschermde amfibieën aanwezig is. Beschermde amfibieën leggen vaak geen lange afstanden af tussen het voortplantingswater en landhabitat. Tevens ontbreken bos, heide, stenen en zanderige plekken wat beschermde amfibieën als overwinteringshabitat gebruiken. Amfibiesoorten waarvoor een vrijstelling geldt kunnen voorkomen in het projectgebied. Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt over het gebruik van het projectgebied door reptielen. Het projectgebied biedt weinig geschikt leefgebied (structuurrijke vegetatie, zanderige plekken) voor zwaar beschermde soorten en deze worden dan ook niet verwacht.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 25

Effectenbeoordeling Zwaar beschermde vissen, reptielen en amfibiesoorten stellen kritische eisen aan hun leefomgeving. Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde vissen, reptielen en amfibieën in het projectgebied niet aanwezig. Negatieve effecten van de werkzaamheden op zwaar beschermde vissen, reptielen en amfibieën zijn uitgesloten.

5.2.5 Flora Bronnenonderzoek Tabel 5 geeft een overzicht van de beschermde planten die in het projectgebied of de naaste omgeving zijn waargenomen (NDFF).

Tabel 5. Overzicht van waargenomen beschermde planten in het projectgebied of in de nabije omgeving van de laatste 10 jaar (NDFF). Soort

Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort

Blaasvaren Dreps Kartuizer anjer Zandwolfsmelk

andere soorten X X X X

vrijgestelde soorten

Blaasvaren is gezien in Meinerswijk bij een woning met oude muren en een kleine helling voor het huis (>2 km). Dreps is ten noorden van het projectgebied in een plantsoentje van een woonwijk gezien (>2 km). Kartuizer anjer staat ten noordoosten van het projectgebied in een groenstrook bij het spoor (>2 km). Zandwolfsmelk is te oosten van het projectgebied gezien bij de Nieuwe Haven langs een weg nabij een plas (>2 km).

Veldonderzoek Het projectgebied bestaat uit kort gemaaide grasvelden, die ook in het voorjaar en in de zomer kort gemaaid zijn, met enkele bomen en struiken. Tijdens het veldbezoek zijn onder andere de volgende soorten waargenomen: berk, wilg, weegbree, duizendblad, riet, els, esdoorn, klimop, lisdodde en paardenbloem. Beschermde planten zijn binnen het projectgebied niet te verwachten, omdat de vegetatie sterk onderhouden wordt en duidt op een rijke bodem. Daarbij groeit blaasvaren op kalkrijke muren en rotsen, komt dreps op akkers voor, staat de kartuizer anjer op schraal grasland en groeit de zandwolfsmelk op rivierdijken en langs spoorwegen, deze habitats zijn niet in het projectgebied aanwezig.

Effectenbeoordeling De meeste beschermde planten zijn zeer kritisch ten aanzien van hun standplaats. Beschermde planten zijn tijdens het veldbezoek niet aangetroffen. Gezien de aard van het projectgebied en de soortensamenstelling van de aanwezige flora worden beschermde planten hier ook niet verwacht. De werkzaamheden hebben geen negatieve effecten op beschermde planten.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 26

5.2.6 Ongewervelden Bronnenonderzoek Tabel 6 geeft een overzicht van beschermde ongewervelden die in het projectgebied of in de naaste omgeving zijn waargenomen (NDFF).

Tabel 6. Overzicht van waargenomen beschermde ongewervelden in het projectgebied of in de nabije omgeving van de laatste 10 jaar (NDFF). Soort

Rivierrombout Teunisbloempijlstaart Grote vos Grote weerschijnvlinder Kleine ijsvogelvlinder Sleedoornpage

Beschermingsstatus Habitatrichtlijnsoort X X

andere soorten

vrijgestelde soorten

X X X X

De grote vos is bij moestuinen ten westen, in woonwijken ten oosten en ten noordoosten waargenomen. De grote weerschijnvlinder is bij park Immerloo gezien. De kleine ijsvogelvlinder is één keer bij centraal station Arnhem aangetroffen. Langs de Rijn zijn waarnemingen van de rivierrombout gedaan . Eitjes van de sleedoornpage zijn verspreid in de omgeving van het projectgebied waargenomen. Teunisbloempijlstaart is bij het spoor in Arnhem-Noord gezien.

Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek is een inschatting gemaakt op het voorkomen van beschermde ongewervelden in het projectgebied. Iedere soort is afhankelijk van een bepaald habitat met bepaalde waardplanten. De rivierrombout heeft rivier en grote beken als habitat. De grote weerschijnvlinder en kleine ijsvogelvlinder gebruiken bos als leefgebied. De teunisbloempijlstaart maakt gebruik van teunisbloemen en heeft een strooisellaag nodig. De grote vos gebruikt iepen en is erg zwerflustig. Deze habitats zijn in het projectgebied niet aanwezig. De sleedoornpage gebruikt sleedoorns om eitjes op te zetten en de mannetjes leven in een markante boom nabij de eiafzetplek. In deelgebied 2 bestaat de haag om het speeltuintje gedeeltelijk uit sleedoorn.

Effectenbeoordeling Bij het verwijderen van de haag in deelgebied 2 treedt mogelijk een negatief effect op voor sleedoornpage.

5.3 Houtopstanden De bomen in het projectgebied vallen onder de bebouwde kom houtopstanden en zijn daarom vrijgesteld van de meld- en herplantplicht van de Wet natuurbescherming. Enkele bomen vallen onder de gemeentelijke waardevolle bomen waarvoor wel een kapvergunning moet worden aangevraagd (Figuur 7).

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 27

Figuur 7.Waardevolle bomen in het projectgebied.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 28

6.

Conclusies en aanbevelingen Aan de hand van het voorgaande kan een aantal conclusies worden getrokken en worden aanbevelingen gegeven voor de te nemen vervolgstappen. In de effectenbeoordeling en de daaruit volgende conclusies is uitgegaan van de werkzaamheden zoals die zijn omschreven in paragraaf 3.2. Veranderingen of afwijkingen hiervan kunnen tot andere conclusies leiden. Natuuronderzoek heeft doorgaans een juridische houdbaarheid van drie jaar.

6.1 Gebiedsbescherming 6.1.1 Natura 2000 Er zijn geen negatieve effecten, dan wel significant negatieve effecten te verwachten van het project op nabijgelegen Natura 2000-gebieden en voor stikstofdepositie geldt een uitzondering in de aanlegfase.

6.1.2 Natuurnetwerk Nederland Het projectgebied ligt buiten de grenzen van Natuurnetwerk Nederland, waardoor er geen effecten op de kernkwaliteiten van het gebied zijn. Het afwegingskader EHS hoeft niet te worden doorlopen.

6.2 Soortbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het duurzaam in stand houden van soorten in hun natuurlijk leefgebied. Niet alleen de instandhouding van verblijfplaatsen is van belang, maar ook de instandhouding van het leefgebied. Te allen tijde dient men de zorgplicht in acht te nemen. Deze zorgplicht houdt in dat nadelige gevolgen voor flora en fauna zoveel mogelijk moet worden voorkomen. De zorgplicht geldt voor alle planten en dieren, beschermd of niet. Tabel 7 geeft een overzicht van de maatregelen per soortgroep.

Tabel 7. Samenvatting onderzoeksresultaten en maatregelen. Soortgroep

Soort

Grondgebonden zoogdieren Vleermuizen

n.v.t. Vleermuizen

Vogels

Algemene broedvogels Huismus

Reptielen Amfibieën Vissen Flora Ongewervelden

n.v.t. n.v.t. n.v.t. n.v.t. Sleedoornpage

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Maatregelen Nader onderzoek naar aanwezigheid van verblijven van vleermuizen Kappen buiten het broedseizoen Bij verwijderen van haag in deelgebied 2: Nader onderzoek functioneel leefgebied

Bij verwijderen van haag in deelgebied 2: Nader onderzoek naar gebruik door sleedoornpage

P a g i n a | 29

6.2.1 Grondgebonden zoogdieren De voorgenomen werkzaamheden hebben geen negatief effect op grondgebonden zoogdieren. Voortplantingsplaatsen, vaste rust- of verblijfplaatsen en (functionele) leefomgeving van beschermde grondgebonden zoogdieren zijn in het projectgebied niet aanwezig. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

6.2.2 Vleermuizen De te kappen bomen zijn potentiële vaste rust- en verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. Tevens kunnen vleermuizen de vleermuiskasten als verblijven gebruiken. Nader onderzoek moet uitwijzen wat de functie van het projectgebied voor vleermuizen is en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is. Voor het nader onderzoek vinden in de periode half mei tot half juli 3 bezoeken plaats, één in de ochtend rond zonsopkomst en twee in de avond rond zonsondergang. Daarnaast vinden er in de periode half augustus tot en met september 2 bezoeken plaats in de nacht. De vleermuiskasten worden gecontroleerd op aanwezigheid vleermuizen.

6.2.3 Vogels De bomen zijn gecontroleerd op de aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten. Deze zijn niet aangetroffen. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig. De bomen en struiken zijn geschikt als nestlocatie voor vogels. Actieve nesten mogen geen negatief effect ondervinden. De bomen en struiken dienen buiten het broedseizoen (half maart – half juli) verwijderd te worden om te voorkomen dat vogels zich hierin nestelen. Wanneer de werkzaamheden in deelgebied 2 ook het verwijderen van de haag bevat is nader onderzoek naar het gebruik door huismussen nodig om te bepalen of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is.

6.2.4 Reptielen, amfibieën en vissen Geschikt habitat om te rusten, zich voort te planten of te overwinteren is voor beschermde reptielen, amfibieën en vissen in het projectgebied niet aanwezig. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

6.2.5 Flora In het projectgebied zijn geen beschermde planten te verwachten. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is niet nodig.

6.2.6 Ongewervelden Wanneer er bij de werkzaamheden de haag in deelgebied 2 wordt verwijderd is er mogelijk een negatief effect voor sleedoornpage. Nader onderzoek moet dan uitwijzen of sleedoornpage gebruik maakt van de haag en of een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming nodig is.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 30

6.3 Houtopstanden De bomen in het projectgebied vallen onder de bebouwde kom houtopstanden en zijn daarom vrijgesteld van de meld- en herplantplicht van de Wet natuurbescherming. Enkele bomen zijn door de gemeente aangewezen als waardevol, voor die bomen dient een kapvergunning aangevraagd te worden.

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

P a g i n a | 31

Bronnen Literatuur •

• • • • • • •

Bos, F., Bosveld, M., Groenendijk, D., Swaay, van C. & Wynhoff, I., De Vlinderstichting 2006. De dagvlinders van Nederland, verspreiding en bescherming (Lepidoptera: Hesperioidea, Papilionoidea. - Nederlandse Fauna 7. Leiden. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Kanters & J.C. Buys 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. Natuur van Nederland 12: 1-432. Creemers., R.C.M. & J.J.C.W. van Delft (RAVON)(redactie) 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. - Nederlandse Fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, EIS Nederland, Leiden. Grapperhaus, F. 2021. Wet van 10 maart 2021 tot wijziging van de Wet natuurbescherming en de Omgevingswet (stikstofreductie en natuurverbetering). Staatsblad 140. Kapteyn, K. 1995. Vleermuizen in het landschap. Over hun ecologie, gedrag en verspreiding. Schuyt & Co, Haarlem. Limpens, H., Mosterd, K. & Bongers, W. 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV, Utrecht. Ministeries van LNV en VROM en de provincies, 2006. Spelregels EHS, Beleidskader voor compensatiebeginsel, EHS-saldobenadering en herbegrenzen EHS. Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie, 2002. De Nederlandse libellen (Odonata). Nederlandse Fauna 4.

Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV Uitgeverij & European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden.

Websites • • • • • • • • • • • • • • • • •

https://geoportaal.gelderland.nl/portaal/apps/webappviewer/index.html?id=abe3fe98fc2f4 88a9c89dc4fa212f72c https://gelderland.maps.arcgis.com/apps/MapSeries/index.html?appid=38465e1d8fec467ba 027024c1e3476d1 https://mijn.rvo.nl/documents/20448/98667/Lijst+jaarrond+beschermde+vogelnesten/8c62 8143-438c-4d87-aef9-eeae6a4b7843 https://monitor.aerius.nl/monitor/ https://wetten.overheid.nl/BWBR0037552/ https://wetten.overheid.nl/BWBR0038668/ www.eis-nederland.nl www.floron.nl www.google.nl/maps www.natura2000.nl www.ndff.nl www.openstreetmap.org www.pdok.nl/viewer/ www.ravon.nl www.sovon.nl www.verspreidingsatlas.nl www.zoogdiervereniging.nl

Quickscan flora en fauna Nijmeegseweg, Arnhem

Nader onderzoek ecologie

Nijmeegse weg, Arnhem

Velp, 12 maart 2023

Pagina |2

Colofon Titel Subtitel

: Nader onderzoek ecologie : Nijmeegse weg, Arnhem

Projectnummer Datum

: 22.134 : 12 maart 2023

Veldonderzoek Auteur(s)

: :

Collegiale toets

:

Opdrachtgever Contactpersoon

: Gemeente Arnhem :

Bezoekadres Postcode Telefoon

: Kerkstraat 20 : 6883 HT Velp : 026-2001900

info@ekoza.nl www.ekoza.nl

Ekoza B.V. is lid van het Netwerk Groene Bureaus: www.netwerkgroenebureaus.nl

Nader onderzoek ecologie Nijmeegse weg, Arnhem

Pagina |3

Inhoudsopgave 1. 2.

Inleiding ............................................................................................................................... 4 Wettelijk kader ..................................................................................................................... 5 2.1 Soorten ......................................................................................................................... 5 3. Projectgebied ....................................................................................................................... 8 3.1 Gebiedsbeschrijving....................................................................................................... 8 3.2 Voorgenomen ingreep ................................................................................................. 10 4. Onderzoeksmethode........................................................................................................... 12 4.1 Vleermuizen ................................................................................................................ 12 4.2 Sleedoornpage ............................................................................................................ 13 4.3 Effectenbeoordeling .................................................................................................... 14 5.

Resultaten .......................................................................................................................... 15 5.1 Vleermuizen ................................................................................................................ 15 5.2 Sleedoornpage ............................................................................................................ 15 6. Conclusies........................................................................................................................... 16 6.1 Vleermuizen ................................................................................................................ 16 6.2 Sleedoornpage ............................................................................................................ 16 Bronnen ..................................................................................................................................... 17 Literatuur ............................................................................................................................... 17 Websites ................................................................................................................................ 17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=9ba281d9-6776-415f-a2b4-aad87c4f2da6