CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1a - Bestemmingsplan ‘Chw Schuytgraaf, veegplan 2017, herziening veld 1 en 1a’ – bijlagen

Politieke Avond 24 april 2024, gemeente ArnhemBij agendapunt: Vaststellen: Bestemmingsplan 'Chw Schuytgraaf, veegplan 2017, herziening veld 1 en 1a'32.246 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Chw Schuytgraaf, veegplan 2017, herziening veld 1 en 1a

Inhoudsopgave Bijlagen Bijlage 1

Ladder voor duurzame verstedelijking

Bijlage 2

Archeologisch onderzoek

Bijlage 3

Mobiliteitsonderzoek ontsluiting veld 1

Bijlage 4

Stikstofonderzoek

Bijlage 5

Analyse luchtkwaliteit

Bijlage 6

M.e.r.-beoordelingsbeslut

Bijlage 7

Zienswijzennota

1 en 1a" (vastgesteld)

"Chw Schuytgraaf, veegplan 2017, herziening veld 1

Bijlage 1 Ladder voor duurzame verstedelijking De 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is van toepassing bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (3.1.6 Bro). Het begrip 'stedelijke ontwikkeling' wordt in art. 1.1.1 Bro als volgt gedefinieerd: ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. De ontwikkeling op de veld 1 en veld 1 a maakt maximaal 288 woningen mogelijk. Bij de beantwoording van de vraag of de ontwikkeling die het voorliggende plan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling is in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro, moet een vergelijking worden gemaakt tussen het nu geldende bestemmingsplan en de voorliggende herziening van dat plan. In het bestemmingsplan 'Schuytgraaf, veegplan 2017' hebben veld 1 en 1a een nog uit te werken bestemming. In de voorliggende herziening worden deze nog onbenutte uit te werken ontwikkelingsmogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan bij recht mogelijk gemaakt. Hierbij worden de maximale mogelijkheden die in de uitwerkingsregels zowel qua functie als qua kwantiteit zijn begrensd, ruim gerespecteerd. Onder deze omstandigheden is er geen sprake van een nieuwe stedelijke ontwikkeling, als bedoeld in art.

1.1.1 Bro, zoals ook herhaaldelijk is bevestigd in uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 24 februari 2016 (ECLI:NL:RVS:2016:489) en 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1155). Nu er geen sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking dan ook niet noodzakelijk. Wel is het van belang dat er bij de herziening van het plan sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor moet vaststaan dat plan voorziet in een behoefte. Uit het regionale woningmarktonderzoek 'Woonbehoefteonderzoek 2022, Groene Metropoolregio Arnhem-Nijmegen' van Companen blijkt dat er in Arnhem voor de periode 2022-2040 een aanvullende woonbehoefte is van 14.600 woningen. Uit het woonbehoefteonderzoek blijkt dat er een grote behoefte is aan betaalbare koopwoningen (< € 355.000). In voorliggend plan is er sprake van 207 grondgebonden woningen. Om deze ontwikkeling meer in lijn te brengen met de woonbehoefte en met afspraken uit de Woondeal 2.0. is in juni 2023 door de gemeenteraad vastgesteld dat voor 48 van de koopwoningen een grondprijs zal worden gehanteerd die maakt dat deze woningen in het betaalbare segment kunnen worden verkocht. De overige koopwoningen zullen een hogere verkoopprijs hebben. Het woonbehoefteonderzoek toont echter ook nog een aanzienlijke behoefte aan (28%) aan woningen in het duurdere koopsegment.

Om deze aantallen te realiseren, kunnen nieuwbouwwoningen worden ontwikkeld, maar ook woningen in bijvoorbeeld bestaande leegstaande panden (transformatie) worden geraliseerd. Het aantal wordt niet gezien als hard maximum. Om de twee jaar wordt dit aantal geactualiseerd naar aanleiding van de meest recente provinciale huishoudens- en bevolkingsprognose. Daarnaast vind om de 3 jaar een nieuw woningbehoefteonderzoek plaats om vraag en aanbod naast elkaar te kunnen zien. Op dit moment heeft Arnhem nog niet genoeg harde plannen om in de behoefte te voorzien. Dit bestemmingsplan maakt maximaal 280 woningen en 8 woonwagens mogelijk. Dit plan staat beschreven in de woningbouwplanningslijst die jaarlijks aan de provincie Gelderland wordt aangeboden. De woningen passen binnen de plancapaciteit, zoals binnen de subregio Arnhem en omgeving is afgestemd. Om te bouwen naar behoefte, dienen de woningen te worden gerealiseerd.

Waar een wil is, is een weg Proefsleuven in het buitengebied

drs. Met een bijdrage van ir. M.T.I.J.

dr. , drs.

drs. en

,

Archeologisch Rapport Arnhem 113

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1 AR18.66

PAGINA

ONDERWERP

2

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Inhoudsopgave SAMENVATTING

4

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS

5

1

INLEIDING

6

1.1 1.2 1.3

Aanleiding van het onderzoek Doel en opzet van het onderzoek Ligging van het plangebied

8 8 8

2

LANDSCHAPPELIJKE ACHTERGROND

10

3

HISTORISCHE ACHTERGROND

19

3.1 3.2

Neolithicum-nieuwe tijd Tweede Wereldoorlog-heden

19 20

4

ARCHEOLOGISCHE ACHTERGROND

26

4.1 4.2

Voorafgaand archeologisch onderzoek in het plangebied Bekende archeologische waarden uit de omgeving van het plangebied

26 26

5

VERWACHTINGSMODEL

28

6

ONDERZOEKSVRAGEN

29

7

RESULTATEN

30

7.1 7.2

Onderzoeksmethodiek Bodemopbouw 7.2.1 Inleiding 7.2.2 Algemeen 7.2.3 Bodemopbouw en interpretatie 7.2.4 Landschappelijke interpretatie en conclusies Sporen en structuren Vondstmateriaal 7.4.1 Natuursteen (drs. M.J.A. Melkert) 7.4.2 Aardewerk, keramisch bouwmateriaal, glas, metaal en kunststof (J.T. Verduin MA) 7.4.3 Modern metaal (dr. A.V.A.J. Bosman) 7.4.4 Botanisch onderzoek (M.T.I.J. Gouw-Bouman MA)

30 35 35 35 37 38 38 61 62 64 69 87

8

CONCLUSIES

95

8.1 8.2 8.3 8.4

Beantwoording van onderzoeksvragen Waardestelling Selectieadvies Synthese (drs. M.P. Defilet)

95 99 102 103

7.3 7.4

GERAADPLEEGDE BRONNEN

106

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

3

BIJLAGEN

109

Bijlage 1 Sporenkaarten Bijlage 2 Profielopnames Bijlage 3 Sporenlijst Bijlage 4 Vondstenlijst Bijlage 5.1 Determinatieoverzicht natuursteen Bijlage 5.2 Determinatieoverzicht aardewerk, keramisch bouwmateriaal, metaal, glas en kunststof Bijlage 6 Afbeeldingenlijst Bijlage 7 Algemene geo(morfo)logie en bewoningsgeschiedenis van Arnhem en omgeving Bijlage 8 Beleidskader Bijlage 9 Overzicht van archeologische en geologische perioden Bijlage 10 Lijst van afkortingen

110 117 120 124 136 138 150 154 157 159 160

EINDNOTEN

161

COLOFON

163

PAGINA

ONDERWERP

4

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Samenvatting Tussen 7 en 23 oktober 2020 is een archeologisch proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uitgevoerd op bouwveld 1 en 1A in de wijk Schuytgraaf. Ten behoeve van de ontwikkeling van de Vinexlocatie ‘de Schuytgraaf’ zijn vanaf halverwege de jaren ‘90 van de vorige eeuw in en direct rondom het plangebied verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Tijdens booronderzoek in 1996 zijn binnen het plangebied geen archeologische resten gekarteerd. Wel bevinden zich verscheidene vindplaatsen in de directe omgeving ervan. Deze vindplaatsen zijn aangetroffen op de aanwezige stroomgordels en crevasses of op de top van ondiep gelegen Kreftenheye-afzettingen. De vindplaatsen – in veel gevallen bewoningssporen/nederzettingen – dateren uit de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. Gezien de ontwikkelingen die gepland staan voor dit plangebied, die de vrijstellingscriteria voor archeologisch onderzoek overschrijden, is besloten een IVO-P uit te voeren, om meer grip te krijgen op de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden en te bepalen welke vervolgstappen zouden gelden. Bij het huidige onderzoek zijn archeologische sporen aangetroffen. Het betreft paalsporen en palenrijen, soms nog met de restanten van aangepunte paaltjes erin. Parallelle palenrijen zijn geïnterpreteerd als beschoeiing langs een weg.

De weg kan op basis van 14 C-analyse van het hout in de vroege middeleeuwen worden gedateerd, tussen 595 en 827 n.Chr. Verder zijn er veel perceel- of afwateringsgreppels aangetroffen die veelal terug zijn te vinden op historisch kaartmateriaal en/of luchtfoto’s. Een aantal kuilen is gedocumenteerd; deze stammen uit de Tweede Wereldoorlog of van (vlak) daarna. Dit wordt geconcludeerd uit de aanwezigheid van primair vondstmateriaal of secundair gedumpt vondstmateriaal uit deze periode. De aangetroffen materiaalcategorieën bestaan uit aardewerk, keramisch bouwmateriaal, glas, kunststof, metaal en natuursteen. De vondstdichtheid was over het algemeen laag. Alleen in de (opgebrachte) bovengrond bevond zich relatief meer vondstmateriaal. Ook in enkele recentere greppels en verstoringen was meer vondstmateriaal aanwezig. De vondsten hebben weinig tot geen relatie met de sporen. De meeste greppels en ophogingen bevatten materiaal dat van elders is aangevoerd. Het grootste gedeelte van de vondsten dateert uit de 20e eeuw en daarnaast is er veel 19e-eeuws vondstmateriaal aanwezig. Opvallend is dat er in het aardewerk een laatmiddeleeuwse component aanwezig is en in het metaal een 17e-eeuwse component. Onder het natuursteen vondstmateriaal bevindt zich een bijzondere Romeinse wetsteen met de voor die periode kenmerkende visgraatversiering.1

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

5

ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Toponiem:

Schuytgraaf Veld 1

Straatnaam:

Minervasingel

Plaats:

Arnhem

Gemeente:

Arnhem

Provincie:

Gelderland

Projectcode gemeente Arnhem:

AR18.66

RD-coördinaten:

N: 185.989/442.322 W: 185.847/442.151 O: 186.189/441.966 ZO: 186.299/441.750

Kaartblad:

40 A

Kadastrale gegevens:

AF0062; AF00344; AF01808; AF02035; AF03655

Uitvoeringsperiode per deelproces Voorbereiden:

01-10-2020

Datum veldonderzoek:

07-10-2020 t/m 23-10-2020

Uitwerken veldwerk:

26-08-19

Deponeren:

23-10-2022

Datum rapportage:

23-04-2023

Archiszaaknummer:

4898439100

Oppervlakte plangebied:

Circa 70.000 m2

Opdrachtgever:

Gemeente Arnhem Contactpersoon: Frank Willemen, projectleider bij Projectleiding en Directievoering 6826 HZ Arnhem Tel. 026-3774363 Email: frank.willemen@arnhem

Uitvoerder:

Gemeente Arnhem, Team Archeologie, Afdeling Ruimte Contactpersoon: L. Smole, projectleider archeologie Tel.: 026-3773650 Email: leo.smole@arnhem.nl

Bevoegde overheid:

Gemeente Arnhem Eusebiusbuitensingel 53 6800 HA Arnhem M.P. Defilet, gemeentelijk archeoloog Tel. 026-3773753 Email: martijn.defilet@arnhem.nl

Beheer en plaats van documentatie:

Archeologisch depot gemeente Arnhem Utrechtseweg 87 6812 AA Arnhem L. Smole, senior KNA-archeoloog en depot- beheerder Tel. 026-3773650 Email: leo.smole@arnhem.nl M.P. Defilet gemeentelijk archeoloog en depot- houder Tel. 026-3773753 Email: martijn.defilet@arnhem.nl

PAGINA

ONDERWERP

6

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

1 Inleiding In opdracht van de heer Frank Willemen heeft Team Archeologie van de gemeente Arnhem een proefsleuvenonderzoek (IVO-P) uitgevoerd ten behoeve van te realiseren nieuwbouw in het plangebied Schuytgraaf Veld 1. Voor het plangebied geldt volgens de archeologische verwachtingskaart van gemeente een hoge archeologische waarde. Ten behoeve van de ontwikkeling van de Vinexlocatie ‘De Schuytgraaf’ zijn vanaf halverwege de jaren ‘90 van de vorige eeuw in en direct rondom het plangebied verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd. Tijdens booronderzoek in 1996 zijn binnen het plangebied geen archeologische resten gekarteerd. Wel bevinden zich verscheidene vindplaatsen in de directe omgeving ervan. Deze vindplaatsen zijn aangetroffen op de aanwezige stroomgordels en crevasses of op de top van ondiep gelegen Kreftenheye-afzettingen. De vindplaatsen – in veel gevallen bewoningssporen/nederzettingen – dateren uit de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen. In het plangebied Schuytgraaf Veld 1 zal nieuwbouw gerealiseerd worden waarbij eventuele archeologische resten verstoord kunnen worden. De oppervlakte van het plangebied bedraagt circa 70.000 m2. Hiermee worden de vrijstellingscriteria overschreden en geldt de verplichting om een archeologisch onderzoek op de locatie uit te voeren.

Naar aanleiding van archeologisch onderzoek uitgevoerd in de wijk is het plangebied geselecteerd voor nader onderzoek door middel van een archeologische begeleiding. In overleg met de opdrachtgever is besloten eerst een IVO-P uit te voeren om meer grip te krijgen op de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden en welke vervolgstappen zouden gelden. Archeologische resten zouden kunnen bestaan uit een Romeinse weg, een oudtijdse (ronde) structuur in het noordwesten van het plangebied en structuren en mobilia uit de Tweede Wereldoorlog. Er is tijdens het onderzoek gegraven tot in de natuurlijke ondergrond, tot op een maximale diepte van 2.14 meter beneden maaiveld (tot 6.66 m+NAP). Voorafgaand aan het onderzoek waren nieuw aangelegde wegtracés opgevuld met zand. Deze waren aan het maaiveld niet meer te herkennen, maar in de ondergrond wel. Tijdens het onderzoek zijn acht sleuven of werkputten aangelegd en gedocumenteerd. Deze rapportage bevat de uitwerking van de archeologische gegevens die zijn verzameld. In de werkputten is één vlak aangelegd en zijn in totaal 24 profielkolommen gedocumenteerd. De aangetroffen archeologische sporen en structuren en vondsten worden hier worden gepubliceerd. De 43 sporen zijn als 28 structuren beschreven. Het betreft paalsporen en palenrijen, soms nog met de restanten van aangepunte paaltjes erin.

Parallelle palenrijen zijn geïnterpreteerd als beschoeiing langs een weg. De weg kan op basis van 14C-analyse van het hout in de vroege middeleeuwen worden gedateerd, tussen 595 en 827 n.Chr. Verder zijn er veel perceel- of afwateringsgreppels aangetroffen die veelal terug zijn te vinden op historisch kaartmateriaal en/of luchtfoto’s. Een aantal kuilen is gedocumenteerd; deze stammen uit de Tweede Wereldoorlog of van (vlak) daarna. Dit wordt geconcludeerd uit de aanwezigheid van primair vondstmateriaal of secundair gedumpt vondstmateriaal uit deze periode.

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

7

Aan het huidige onderzoek werkten in wisselende teamsamenstelling de volgende personen mee, alle werkzaam voor de gemeente Arnhem: • drs. (projectleider archeologie, senior KNA archeoloog); • drs. (stadsarcheoloog, senior KNA archeoloog); • drs. (KNA archeoloog); • (vrijwilliger veldwerk, vondstverwerking); • (vrijwilliger veldwerk); • (vrijwilliger, vondstverwerking); • (geodeet, landmeter); • (vervaardiging kaartmateriaal); De rapportage is opgemaakt en gedrukt dor Coers & Roest | grafische producties BV. Ook een aantal leden van afdeling 17 van de AWN (archeologische werkgemeenschap Nederland) heeft meegeholpen bij het veldwerk: • J. van Nistelrooy; • R. te Winkel. Als externe krachten hebben de volgende personen meegewerkt aan het veldwerk en/of de uitwerking: • (KNA archeoloog, ADC ArcheoProjecten); • MA (senior KNA archeoloog, ADC ArcheoProjecten); • (senior KNA archeoloog, ADC ArcheoProjecten); • (senior KNA archeoloog, ADC ArcheoProjecten); • (fysisch geograaf, ADC ArcheoProjecten); • (machinist bij de firma Gerritsen); • dr. n (materiaalspecialist, Military Legacy) • drs. (materiaalspecialist, ADC ArcheoProjecten); • (materiaalspecialist, ADC ArcheoProjecten); • (materiaalspecialist, ADC ArcheoProjecten).

Afbeelding 1. Leden van het veldteam in het centrale deel van het plangebied gezien in noordwestelijke richting. Van links naar rechts:

, ,

(sfeerfoto Leo Smole).

PAGINA

ONDERWERP

8

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

1.1 AANLEIDING VAN HET ONDERZOEK In het plangebied Veld 1 zal nieuwbouw gerealiseerd worden waarbij eventuele archeologische resten verstoord kunnen worden. Tijdens archeologisch onderzoek uitgevoerd in de wijk is het plangebied in eerste instantie geselecteerd voor nader onderzoek door middel van een archeologische begeleiding. In overleg met de opdrachtgever is echter besloten een IVO-P uit te voeren om meer grip te krijgen op de eventuele aanwezigheid van archeologische waarden en te bepalen welke vervolgstappen zouden gelden. Archeologische resten zouden kunnen bestaan uit een Romeinse weg, een oudtijdse (ronde) structuur in het noordwesten van het plangebied en structuren en mobilia uit de Tweede Wereldoorlog.

1.2 DOEL EN OPZET VAN HET ONDERZOEK Het IVO-P heeft als doel het in kaart brengen van eventueel aanwezige archeologische waarden en het bepalen van hun aard, datering en kwaliteit (gaafheid, conservering en informatiewaarde). Het onderzoek moet uitwijzen of behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn en hoe hiermee om moet worden gegaan. Dit wordt in een selectieadvies omschreven, om ontwikkelingen in het plangebied mogelijk te maken zonder dat vindplaatsen ongedocumenteerd verloren gaan. Het onderzoek is uitgevoerd volgens de Kwaliteitsnorm voor de Nederlandse Archeologie (KNA) 4.1, protocol 4003. Ter voorbereiding op het onderzoek zijn de gegevens van de eerder uitgevoerde archeologische werkzaamheden in het plangebied en het Programma van Eisen geraadpleegd. Op grond hiervan is het Plan van Aanpak opgesteld. Voorafgaand aan het veldwerk is door een landmeter van de gemeente Arnhem een meetsysteem uitgezet, waarna de werkputten zijn gegraven. Het graafwerk is uitgevoerd door machinist G.J. Teunissen van Manen van de firma Gerritsen. De werkzaamheden en bevindingen zijn bijgehouden in dagrapportages. Na het veldwerk zijn de onderzoeksgegevens uitgewerkt. De vondsten zijn gewassen, gedroogd en onderworpen aan een eerste scan in het archeologische depot van gemeente Arnhem.

Vervolgens zijn de vondsten aan materiaalspecialisten van ADC ArcheoProjecten overgedragen. De resultaten van het archeologisch onderzoek worden in dit rapport gepresenteerd. Het rapport besluit met de conclusies van het onderzoek in de vorm van de beantwoording van de onderzoeksvragen en een synthese. De documentatie en vondsten zijn gedeponeerd in het archeologische depot van de gemeente Arnhem.

1.3 LIGGING VAN HET PLANGEBIED Het plangebied omvat ongeveer 70.000 m2. Ten tijde van het onderzoek was het grootste deel van het plangebied in gebruik als grasland; het noordwestelijke deel bestond uit een braakliggende akker en het uiterste westen was geheel overwoekerd. Aan de noordzijde wordt het gebied begrensd door de Achterstraat nummer 8 tot en met 14, aan de westzijde door de Vogelenzangsestraat en aan de zuid- en oostzijde door water met een verbinding naar de Minervasingel (afbeelding 1.3.1).

Afbeelding 1.3.1 Uitsnede van de topografische kaart van Arnhem met het plangebied bij de rode ster, inzet: proefsleuven in het plangebied (bewerkt door P. van Doeland, gemeente Arnhem).

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

9

PAGINA

ONDERWERP

10

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

2 Landschappelijke achtergrond In opdracht van de gemeente Arnhem heeft ADC ArcheoProjecten in februari 2020 een landschappelijk booronderzoek uitgevoerd in het plangebied bouwveld 1 in de Schuytgraaf (afbeelding 1.3.1).2 De resultaten van dit onderzoek zijn hier overgenomen.

Landschappelijk kader Algemeen Het plangebied ligt in het Oost-Nederlandse rivierengebied dat een lange bewoningsgeschiedenis kent. Aan de basis van het huidige landschap liggen de pleistocene afzettingen van de (voorloper van de) Rijn. Deze zijn afgezet tegen het einde van het Laat-Glaciaal toen de Rijn zich als een vlechtend systeem gedroeg. Binnen een brede dalvlakte werden heterogene pakketten (grof) zand en grind afgezet. Karakteristiek voor vlechtende riviersystemen is het complexe stelsel van ondiepe geulen die de langgerekte zand- en grindbanken omsluiten. De afzettingen worden aangeduid als Terras X, Kreftenheye-6 of Jonge Dryas terras.3 Lithostratigrafisch worden deze laat-pleistocene fluviatiele afzettingen gerekend tot de Formatie van Kreftenheye.4 Ongeveer 11.600 jaar geleden werd de gemiddelde jaartemperatuur geleidelijk hoger; dit betekende het einde van de ijstijd en luidde het begin in van het Holoceen, het huidige geologische tijdvak. De klimaatverandering leidde tot het afsmelten van de ijskappen en een stijgende zeespiegel. Onder invloed van de stijgende en voortgaande zeespiegelstijging, vernatte het pleistocene landschap en raakten de laagstgelegen delen begroeid met een moerasvegetatie.

Het veen wordt lithostratigrafisch gerekend tot de Formatie van Nieuwkoop.5 De klimaatverandering die rond 10.000 jaar geleden inzette, zorgde aan het begin van het Holoceen voor een snelle stijging van de zeespiegel en een vernatting van het pleistocene landschap. De vlechtende systemen kregen een blijvend meanderend rivierpatroon en de riviervlakte raakte geleidelijk opgevuld met sediment. Dit proces begon ongeveer 10.000 jaar geleden in het kustgebied en schoof in de periode enkele millennia oostwaarts. In de omgeving van het plangebied vond deze overgang van een insnijdend naar accumulerend riviersysteem rond 3000 jaar geleden plaats.6 In de meanderende rivierbeddingen werd overwegend zand afgezet, langs de geulen ontwikkelden zich kleiige of zandige oeverwallen. In de rivierkomvlakte, tussen verschillende stroomgordels in, kwam alleen zware komklei tot bezinking of – buiten het bereik van het rivierwater – groeide broekveen. Doordat de rivieren van tijd tot tijd hun beddingen verlegden, kwamen nieuwe stroomgordels tot ontwikkeling. De doorgaande opvulling van de riviervlakte zorgde er bovendien voor dat de afzettingen van de rivieren niet alleen naast, maar ook boven elkaar kwamen liggen. De totale dikte van het pakket holocene afzettingen in de omgeving van het plangebied bedraagt zo’n 3 tot 4 meter.

De holocene rivierafzettingen worden gerekend tot de Formatie van Echteld.7 Geologische setting ter hoogte van het plangebied In de directe omgeving van het plangebied is een drietal holocene meandergordels actief geweest: naam stroomgordel

datering actieve fase

Bredelaar

2900-2500 (1100-650 v.Chr.)

Santacker-Driel

2500-2260 (650-400 v.Chr.)

Nederrijn

2500-0 (650 v.Chr.-heden)

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

11

Het zuidelijk deel van het plangebied ligt op de Bredelaar-stroomgordel (afbeelding 2.1.1).8 Deze was actief in de late bronstijd en vroege ijzertijd (2900-2500 14C BP). Het gaat om een relatief smalle stroomgordel, waarvan de zandige meandergordel een breedte heeft van 100 tot 250 meter. De top ervan ligt tussen 7,3 en 8,0 m+NAP (circa 2 à 3 m-Mv). Op de hoger gelegen oeverwallen van de meandergordel zijn voornamelijk vindplaatsen uit de ijzertijd bekend.9 Ter hoogte van het plangebied heeft de Bredelaarstroomgordel een min of meer oost-west verloop. Zuidelijk van de Bredelaar ligt de iets jongere stroomgordel Santacker-Driel. Deze was slechts een korte periode actief gedurende de vroege en midden ijzertijd (2500-2260 14 C BP).10 De zandige meandergordel is 300 tot 500 meter breed, de top ervan ligt tussen 8,0 en 8,3 m+NAP (circa 2 m-Mv). Ongeveer 700 meter westelijk van het plangebied wordt de Bredelaar-stroomgordel aangesneden door de Santacker-Driel. Afbeelding 2.1.1 Uitsnede van de meandergordelkaart van de Rijn-Maasdelta (bron: Cohen et al. 2012).

Nadat in de late ijzertijd de Nederrijn in betekenis toenam, ontstond de huidige hoofdstroom van de Rijn via Arnhem.11 Grote delen van oudere, onderliggende stroomgordels zijn hierbij opgeruimd. De Santacker-Driel-stroomgordel verlandde. De meandergordel van Nederrijn is circa 500 tot 800 meter breed, de top van de zandige afzettingen ligt rond 10 m+NAP.12

PAGINA

ONDERWERP

12

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Globaal de noordelijke helft van het plangebied maakt deel uit van een zone met komafzettingen die pal ten noorden van de Bredelaar-stroomgordel liggen. Ter hoogte van de huidige Drielse Rijndijk (circa 250 meter noordelijk van het plangebied) gaat het komgebied over in de meandergordel van de Nederrijn. Volgens de zanddiepte-attentiekaarten ligt de top van het (pleistocene) zand ter hoogte van het komgebied rond 3 à 4 m-Mv (afbeelding 2.1.2).13 Dit wordt bevestigd door onderzoeken die in (de directe omgeving van) het plangebied zijn uitgevoerd.14 De bovenzijde van de Kreftenheyeafzettingen werd hierbij niet aangetroffen binnen 3 m-MV (circa 6 m+NAP).

Afbeelding 2.1.2 Ligging van het plangebied op de zanddieptekaart (bron: Cohen et al. 2009).

Afbeelding 2.1.3 Resultaten van eerder uitgevoerde onderzoeken in de directe omgeving van het plangebied.

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

13

Het in 1996 uitgevoerde archeologische booronderzoek geeft evenwel een complexer beeld van de bodemopbouw in het zuidelijk deel van het plangebied (afbeelding 2.1.3).15 In het plangebied zelf is een smalle, oost-west georiënteerde stroomgordel (of crevasse?) gekarteerd, de bovenzijde van het beddingzand is aangeboord 2 à 3 m -Mv. Aan weerszijden wordt de ‘stroomgordel’ geflankeerd door oeverafzettingen. Stratigrafisch gezien lijkt deze ‘stroomgordel’ vergelijkbaar met de Bredelaar of Santacker-Driel-stroomgordel. Het verloop ervan sluit vrijwel naadloos aan op de bevindingen van het onderzoek dat in 2002 pal ten oosten van het plangebied is uitgevoerd.16 Wel is het opvallend dat de ‘stroomgordel’ ontspringt in het komgebied ten oosten van het plangebied. Om deze reden gaat Heunks ervan uit dat het eerder een vroeg-holocene komontwateringsgeul of een erosiegeul van een hoger gelegen pleistoceen terrasrestant betreft. 17

PAGINA

ONDERWERP

14

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Verder is in 1996 langs de zuidgrens van het plangebied een vermoedelijke restgeul gekarteerd (afbeelding 2.1.3).18 Historische kaarten geven ter hoogte van de veronderstelde restgeul een langgerekte laagte weer (afbeelding 2.1.4). Ook hiervan is de genese evenwel onduidelijk: zuidwestelijk van het plangebied schampt de restgeul weliswaar de noordelijke meanderbocht van de Bredelaar-stroomgordel, de restgeul is afkomstig uit het komgebied ten zuidoosten van het plangebied en kan niet gerelateerd worden aan een meandergordel. Bij het onderzoek in 2002 is de restgeul niet aangetroffen; daar waar deze verwacht zou worden zijn komafzettingen gekarteerd.19 Het meest recente booronderzoek in het plangebied is in 2020 uitgevoerd (afbeelding 2.1.5).20 Op basis van de bevindingen van het in 1996 uitgevoerde booronderzoek was de geologische opbouw van het plangebied al in grote lijnen bekend. Een gecombineerde analyse van de resultaten van het oude en huidige onderzoeksgegevens heeft een goed inzicht gegeven in de ruimtelijke (horizontale en verticale) bodemopbouw van het plangebied. De boringen laten een tamelijk complexe en gevarieerde bodemopbouw zien, wat samenhangt met de aanwezigheid van verschillende stroomgordels die gedurende de afgelopen drie à vier millennia in de omgeving van het plangebied actief zijn geweest.

Tot een diepte van 4,0 m-Mv zijn meerdere niveaus met oever- of verlandingsafzettingen onderscheiden. Deze niveaus worden in de meeste boringen van elkaar gescheiden door lagen komklei waarin een tweetal laklagen is gevormd. Een aantal boringen heeft een afwijkende bodemopbouw: hier komen in de ondergrond zandige beddingafzettingen voor. Aan de hand van de boringen en de interpretaties van eerder onderzoek is een representatieve dwarsdoorsnede van het gebied met bodemopbouw en de afzettingen

Afbeelding 2.1.4 Projectie van het plangebied (rode contour) op een Bonnekaart uit 1910. Pal zuidelijk van het plangebied lijkt een natte/lager gelegen zone aanwezig.

Afbeelding 2.1.5 Boorpuntenkaart met de resultaten van het booronderzoek: verbreiding romeinse laklaag.

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

15

PAGINA

ONDERWERP

16

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Afbeelding 2.1.6 Geologische dwarsdoorsneden van het plangebied.

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

17

gemaakt (afbeelding 2.1.6.). De zanddiepte van holocene beddingafzettingen is weergegeven in afbeelding 2.1.7. Concluderend kan worden gesteld dat het plangebied een vrij complexe geologische opbouw heeft. Binnen een diepte van 3 à 4 m-Mv (circa 5 m+NAP) werd geen pleistoceen zand (Kreftenheye-afzettingen) aangetroffen. De diepst aangetroffen laag bestaat uit een humeuze en gelaagde verlandingsafzettingen, die de lagere delen van het pleistocene terrassenlandschap hebben afgedekt (afbelding 2.1.6). De verlandingsafzettingen gaan naar boven toe over in een dikke laag komklei. De kenmerken van deze afzettingen (blauwgrijze, brokkelige, humeuze klei) wijzen op een nat afzettingsmilieu en wijken af van de komafzettingen die hoger in het profiel zijn aangetroffen. In deze komklei heeft zich rond 6,6 m+NAP een sterk humeuze laklaag gevormd. De komafzettingen gaan rond 6,7 m+NAP over in een pakket oeverafzettingen, die behoren tot de Bredelaar-stroomgordel, die pal zuidelijk van het plangebied ligt en actief was in de late bronstijd en vroege ijzertijd. De oeverafzettingen gaan naar boven toe over in een tweede laag komklei. Ook hierin heeft zich een laklaag ontwikkeld. De bovenzijde hiervan ligt rond 7,7, m+NAP. Op grond van de diepteligging van de laklaag lijkt een Romeinse ouderdom van dit niveau waarschijnlijk.

Het tweede pakket komklei wordt afgedekt door een tweede laag oeverafzettingen. Dit betreft oeverafzettingen van de Nederrijn. De bovenzijde van het bodemprofiel (circa 90 centimeter) bestaat uit een verstoord en/of opgebracht pakket. In het zuidelijk deel van het plangebied is een zandlichaam gekarteerd (afbeelding 2.1.7). De aard en genese hiervan is evenwel niet duidelijk. Hoewel de opbouw de kenmerken heeft van een holocene meandergordel, is de relatie met de Bredelaar-stroomgordel niet duidelijk. Wellicht kan het ook om verspoelde pleistocene zanden gaan. Eveneens een vraagteken vormt de veronderstelde restgeul die langs de zuidgrens van het plangebied loopt (aangeboord in boring 8). Mogelijk betreft het een holocene restgeul die deel uitmaakt van de Bredelaar-meandergordel pal zuidelijk van het plangebied. Vreemd genoeg ontstaat de geul uit het niets in het komgebied (zuid)oostelijk van het plangebied. Ook de andere mogelijke verklaring – een vroeg-holocene insnijding in het terassenlandschap – roept vragen op: terwijl in (de omgeving van) het plangebied verscheidene, lokale geultjes hebben gestroomd die de erosie en initiële opvulling van de terrasvlakte hebben verzorgd, zijn er geen aanwijzingen dat deze geultjes de al aanwezige insnijding/laagte hebben benut.

Hoewel uit de boringen blijkt verder dat de top van de middeleeuwse oeverafzettingen is aangetast door recente bodemingrepen, is het onderliggende Romeinse landschap naar alle waarschijnlijkheid nog grotendeels intact. Slechts in enkele boringen wordt de Romeinse laklaag geraakt door de recent verstoorde laag.

PAGINA

ONDERWERP

18

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Afbeelding 2.1.7 Zanddiepte van holocene beddingafzettingen in het plangebied.

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

19

3 Historische achtergrond 3.1 NEOLITHICUM-NIEUWE TIJD

Afbeelding 3.1.1 Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) en lineaire elementen/verhogingen (blauw) waar de limesweg wordt verwacht.

Rechthoek (blauw): castellum Meinerswijk. In rood: plangebied en rood gestippeld mogelijke wegen waaronder de afsplitsing van de limesweg tussen Arnhem en Nijmegen die door het plangebied loopt (hypothetisch!). Rode ster: Hamse Boomgaard die grenst aan de restgeul die het zuiden van het plangebied flankeert. Bron: gemeente Arnhem. Merk de cirkelvormige structuur op in het noordwesten van het plangebied. Hiervoor is een functie als wachttoren geopperd, maar de cirkelvorm is hier niet mee in overeenstemming (versterking, nieuwetijds (boerderij)fenomeen?) en bovendien erg groot.

Het plangebied ligt in het noorden van de wijk Schuytgraaf, ter hoogte van de Bredelaar of Santacker-Driel-stroomgordel (de datering van de actieve fases daarvan staan hierboven beschreven). In het landschap is nog steeds een depressie/restgeul aanwezig die de zuidelijke grens van het plangebied flankeert. Even noordelijker liep (zoals uit hedendaagse reconstructies blijkt) de Neder-Germaanse limes, een onderdeel van de Romeinse rijksgrens die langs de Rijn Nederland doorsneed. Langs de limes bevond zich een limesweg die diende voor transport van soldaten en goederen. Aan de limes in Arnhem lag vanaf de 1e tot in de 3e eeuw n.Chr. castellum Meinerswijk, in de gelijknamige en noordoostelijk van het plangebied gelegen polder.

Ten zuiden van het plangebied is in de wijk Schuytgraaf een cluster vindplaatsen opgegraven, liggend op een pleistoceen rivierduin en op de oeverafzettingen van de Snodenhoek-stroomgordel (2700-2200 BP).21 Sporen gaan op het duin terug tot het neolithicum (Vlaardingencultuur en Klokbekercultuur) en op de oeverafzettingen vond bewoning vanaf vooral de late ijzertijd/Romeinse tijd plaats, doorlopend tot in de nieuwe tijd. Van de Romeinse tijd is een nederzetting met grafvelden teruggevonden. Vondstmateriaal levert het beeld van een geromaniseerde nederzetting in het achterland van de limes. Bewoning loopt door in de vroege en late middeleeuwen. Het opgegraven cluster vindplaatsen ligt ter hoogte van het gehucht De Laar. Noordelijker en dichterbij het plangebied bevond zich de Hamse Boomgaard, een laatmiddeleeuwse kasteellocatie. Op historisch kaart materiaal is geen bebouwing in het plangebied zelf aanwezig. Schuytgraaf ligt in het Oost-Nederlandse rivierengebied en maakt deel uit van de Betuwe. Qua cultuurland werd het gekenmerkt door wei-/hooiland, sloten waaronder de Eldense Zeeg en een boezemwater met daaraan liggend de Schutgraaf, een boerderij vernoemd naar het schutteren of opslaan van water via gegraven waterlopen. De huidige wijk ontleent zijn naam aan deze situatie. Langs wegen lagen boerderijen met verspreid boomgaarden.

In het zuidelijke deel van de wijk bestaat de indruk dat de blauwdruk voor het nieuwetijdse landschap al in vroege perioden ontstond.

PAGINA

ONDERWERP

20

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Afbeelding 3.1.2 Actueel Hoogtebestand Nederland. Beeld van de limesweg(?) met verhoging en greppels (vergelijk afbeelding 2, linksboven). Grijze kader afbeelding 3.1.1 boven: gebied waar het hoogtebeeld van de mogelijke limesweg betrekking op heeft. Bron: gemeente Arnhem.

Grindbaan

Agger of aardebaan

Beschoeide of bekiste agger

(Moeras)brugconstructie

3.2 TWEEDE WERELDOORLOG-HEDEN Voorafgaand aan het onderzoek in het plangebied heeft opsporing van conventionele explosieven plaatsgevonden. Dit was noodzakelijk aangezien het bredere onderzoeksgebied strijdtoneel was ten tijde van de geallieerde operatie Market Garden. Geallieerde grondtroepen staken vanuit België de Nederlands grens over in Zeeland, Noord-Brabant en Limburg. Halverwege september 1944 vond Operation Market Garden plaats. Dit ambitieuze plan van de geallieerde bevelhebber Montgomery moest ervoor zorgen dat de bruggen tussen Eindhoven en Arnhem door luchtlandingstroepen bezet zouden worden om vervolgens door geallieerde grondtroepen te worden bevrijd. Als dit plan zou slagen, dan zouden geallieerde eenheden voor kerst 1944 Berlijn al hebben veroverd. Operation Market Garden werd echter een fiasco.22 Noord-Brabant, Zeeland, Limburg en Gelderland werden maandenlang frontgebied waar zware (grond)gevechten plaatsvonden in combinatie met artilleriebeschietingen en bombardementen. Tijdens Operation Market Garden was één van de doelen het veroveren van de verkeersbrug ten zuiden van Arnhem (Rijnbrug) door een luchtlandingsdivisie en het luchtdoelgeschut te vernietigen. Ondanks hevige gevechten kon de brug niet door de geallieerden worden veroverd. Er waren Duitse troepen aan de zuidzijde gelegerd en aan de noordzijde vochten Duisters met geïsoleerde Britten.

De Britse troepen hadden zich op 21 september moeten overgeven omdat zij geen versterking hadden gekregen. Daarna werd door de geallieerden besloten tot de vernietiging van de brug. Op 7 oktober 1944 vond het definitieve geallieerde bombardement op brug plaats. De reden hiervoor is dat zij wilden voorkomen dat de Duitsers na de Slag om Arnhem hun posities in de Betuwe konden versterken.23 Dit staat bekend als het Betuwe Offensief, waarbij de Duisters de geallieerden uit het gebied wilden verdrijven.

Afbeelding 3.1.3 Typologie/constructiewijze limesweg (bron: Hoegen en Willemse 2006). Vergelijk afbeelding 3.1.1.

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

21

Omdat de brug niet onder Britse controle was gekomen, werd de Drop Zone van de 1 Samodzielna Brygada Spadochronowa, oftewel de 1e Poolse Onafhankelijke Parachutistenbrigade, verplaatst. Nog voor de overgave van de Britse soldaten aan de noordelijke oprit was al besloten dat de Arnhemse brug geen haalbaar doel meer was. De bedoeling was nu om het gebied in Oosterbeek met de Polen versterken.24 Vandaar dat landingslocatie direct ten zuiden van de Rijnbrug werd veranderd naar de plek waar nu de wijk Schuytgraaf ligt.25 Oorspronkelijk zouden de Polen onder bevel van de 52 jarige generaal-majoor Stanisław Sosabowski op de derde operatiedag worden afgeworpen.26 De Polen hadden noodgedwongen moeten wachten op geschikt vliegweer en waren verdeeld over de vliegvelden van Saltby en Spanhoe in Engeland.27 Ze waren gefrustreerd door de afgelastingen en Sosabowski en zijn officieren werden boos over het gebrek aan informatie en begonnen te vermoeden dat de boel ernstig in het honderd was gelopen.28 Ze wilden graag meevechten in Nederland, al waren ze in gedachten in Warschau waar het thuisleger, ofwel Armia Krajowa, op 1 augustus de Opstand was begonnen.29 Ze probeerden zich te troosten dat met het idee dat ze, als ze niet op Warschau neerkwamen, in elk geval ‘Duitsland via de keuken binnenkwamen’.30 Kortom, ze zouden de Poolse vrijheid indirect bevechten, niet wetende dat de

opstandelingen door zowel de geallieerden als de Sovjettroepen werden verraden.31 Om 17:15 sprong generaal Sosabowski zelf uit Dakota nummer 100 en landde op het terrein.32 Veel van de Poolse parachutisten waaierden uit tijdens hun dropping op 21 september. Sommigen kwamen zelfs aan de overzijde van de spoordijk, richting Elden, terecht.33 Deze spoordijk was in Duitse handen en vanaf het hoge talud beschoten ze een groot deel van het landingsterrein met mitrailleurs. In de enorme openvlaktes waren de sloten en vaarten de enige vorm van dekking voor de gelande parachutisten.34 Ondertussen werden de gelande Polen door Duitse jachtvliegtuigen aangevallen, zonder dat een geallieerd vliegtuig hen te hulp schoot.35 Tijdens de landing was slechts een handjevol mannen getroffen terwijl ze neerdaalden. De gereduceerde strijdmacht van Sosabowski bedroeg 957 man waarvan er vier gedood werden en er raakten 25 gewond of geblesseerd. Na de landing volgden enkele man-tegen-mangevechten met messen en granaten.

De vijandelijke weerstand werd snel gebroken en 11 man werden gevangengenomen.36 Het is mogelijk dat vanaf de 21e september Polen zich tijdelijk vanuit hun Drop Zone in één van die nabijgelegen boerderijen hebben verschanst.37 De boomgaarden en gebouwen van De Laar vormden een geschikte schuilplaats voor de troepen van beide partijen gedurende de strijd.38 Zij trokken direct naar de drie aangewezen verzamelplaatsen (rendez vous) die lagen aan de Vogelenzangsestraat die de westzijde van het plangebied begrensd. Vandaar trokken zij door naar het Drielse veer ten noordwesten van het plangebied. De volgende ochtend verplaatsten zij zich naar de dorpskern van Driel en wierpen daar stellingen op.39 Om een geallieerde doorbraak naar de Rijnbrug te voorkomen, werd de spoorlijn Arnhem-Nijmegen tussen de Nederrijn en Elst als een Duits afweerscherm ingericht. Diverse manschappen uit verschillende eenheden van uiteenlopende gevechtswaarde werden samengevoegd tot Sperrverband Harzer, vernoemd naar hun commandant SS-Obersturmbahnführer Walter Harzer (afbeelding 3.2.1).40 Aan de oostzijde van de spoordijk, direct ten noordoosten van het plangebied, vond in de nacht van 25 op 26 september de evacuatie plaats van Britse en Poolse Airbornes. Zij waren ingesloten op de noordoever en de toestand was onhoudbaar geworden.41 De evacuatie vond plaats onder de naam Operatie Berlijn.

Door zware regen en duisternis voeren Britse Royal Engineers en mannen van twee Canadese Field Compagnies heen-en-weer over de Rijn in houten stormboten en canvas-aanvalsboten. De zware regen zorgde voor problemen met de buitenboordmotoren, waardoor sommige boten afdreven in de stroming. Veel boten werden door Duitse mortieren en geschut uit machinegeweren geraakt. Daardoor probeerden evacuees de oversteek soms zwemmend te maken. De Polen vormden aan de noordzijde van de Rijn de belangrijkste achterhoede en moesten op hun post blijven en de evacuatie beschermen. Tegen de ochtend werd het steeds gevaarlijker om de oversteek te maken. Uiteindelijk vond er volgens het Eerste Geallieerde Luchtlandingsleger die nacht een evacuatie plaats van 1741 mannen van de 1e Luchtlandingsdivisie, 422 zweefvliegtuigpiloten, 160 Poolse parachutisten en 75 mannen van het Dorset Regiment.42 Een grote schuur van boerderij de Vogelenzang aan de Vogelenzangstraat diende als verzamelplaats. Hier werden

PAGINA

ONDERWERP

22

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Legenda bij afbeelding 3.2.1 1

Geallieerden trekken op vanuit Nijmegen Lent

2

Duitsers gebruiken Rijnbrug in zuidelijke richting

3

Poolse parachutisten landen bij Driel en Schuytgraaf

4

Duitse linie langs de spoorlijn (Sperrverband Harzer)

5

Slag om Elst 21 tot 25 september

6

Geallieerden bezitten Oosterbeek tot 26 september

Afbeelding 3.2.1 Kaart met de schematische weergave van de situatie tussen Arnhem en Nijmegen in de periode van 21 tot 25 september 1944. Rode markeringen zijn Duitse bewegingen, groene duiden op geallieerde acties. Zwart zijn vliegtuigcrashes en wit is een veldslag. Het plangebied is aangegeven binnen het rode kader. (bron: L. Reinders in Reinders 2020, 29, bewerkt door L. Smole).

3.2.2 Afbeelding 3.2.2 Poolse parachutisten maken zich klaar voor vertrek vanuit Engeland met een Dakota C47 (bron: Gelders Archief 2867-269). Afbeelding 3.2.3 Poolse parachutisten lopen na hun landing door het Nederlands landschap (bron: Gelders Archief 1560-1802).

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

23

3.2.3 de evacuees opgevangen door mannen van het 5e bataljon van het Dorset Regiment. Ze kregen een beker hete thee met rum en een deken om zich heen. Hiervandaan trokken zij verder door de Betuwe naar Nijmegen.43 In de wanorde tijdens de gevechten die in de omgeving van de Schuytgraaf plaatsvonden, kregen vele slachtoffers van beide kanten niet altijd een graf. Tijdens het terugtrekken in een gevecht konden niet altijd alle doden en gewonden worden geëvacueerd. Deze mensen kwamen als vermist te boek te staan. Ze bleven achter in een sloot, krater of eigen schuttersput, zonder grafmarkering.44 De mannen die in de gauwigheid toch een veldgraf hadden gekregen, zouden daar blijven liggen tot hun lichaam in vredestijd naar een waardig permanent graf zou worden verplaatst. Het tijdelijke veldgraf werd gemarkeerd met een houten kruis, een wapen, een helm of iets anders dat voor handen was. Na de oorlog waren vele markeringen verdwenen als gevolg van weersinvloeden, granaatinslagen, overstroming en de onderwaterzetting van dit deel van de Betuwe door de Duitsers.45 Zo zijn tijdens werkzaamheden voorafgaand aan de bouw van de wijk Schuytgraaf al 12 vermisten teruggevonden.46 De overwinnaar van de strijd is volgens de Conventie van Genève de verantwoordelijke voor de gesneuvelden op het slagveld. Hierbij hoort de identificatie van de slachtoffers.

In Nederland gebeurt het bergen en identificeren van deze gesneuvelden door de Bergings- en Identificatiedienst van de Koninklijke Landmacht (BIDKL). De dienst bestaat sinds 1945 en is verantwoordelijk voor het opsporen, bergen en identificeren van slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog. Het gaat zowel om militairen als burgers. De dienst wil oorlogsslachtoffers een naam geven en hun families informeren.47 De identificatie geschiedt op basis van osteologisch onderzoek, de uitrusting en persoonlijke bezittingen die bij een dode worden aangetroffen en eventueel DNA onderzoek. De mogelijke aanwezigheid van niet geïdentificeerde stoffelijke overschotten van militairen, maakt het noodzakelijk om zorgvuldig met alle sporen om te gaan. Hier is het maatschappelijk belang van archeologie evident, aangezien er een redelijke kans bestaat dat er van aangetroffen militairen nog nabestaanden in leven zijn.48

Afbeelding 3.2.4 Sinds 15 september 1989 staat iets ten noordwesten van het plangebied het monument ter herinnering aan de Royal Engineers en Royal Canadian Engineers. De tekst erop luidt: “25/26 SEPTEMBER 1944” “...THEY WERE JUST WHISPERS AND SHADOWS IN THE NIGHT...” (bron: www.tracesofwar.nl).

PAGINA

ONDERWERP

24

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

Nadat bleek dat het terugdringen van de geallieerden niet snel genoeg verliep en de Duitse posities waren ontmand, gingen de Duitsers op 2 december 1944 over tot operatie Ooievaar: Fall ‘Storch’.49 De Duitsers hadden het plan om de Betuwe onder water te zetten meteen ontwikkeld, maar wegens de lage waterstand in de Rijn was dit onuitvoerbaar. Het kon pas worden uitgevoerd na de record-regenval van oktober en november, waardoor de Rijn voldoende in zijn winterbed was gestegen.50 Tussen Elden en Driel werd met zware explosieven een gat in de Rijndijk geblazen (afbeelding 3.2.5). De geallieerden hadden zich in oktober al voorbereid op deze actie en hun amfibisch vluchtplan had de toepasselijke codenaam.51 De Duitsers bleken zelf teveel last van het wassende water te krijgen en probeerden het gat in de Rijndijk tevergeefs dichten. De inundatie was natuurlijk een catastrofe voor de burgers en de oogst.52 De Overbetuwe bleef tot halverwege maart onbegaanbaar.53 Het front werd statisch en er werden nog voornamelijk nachtelijke verkenningen uitgevoerd door beide partijen. Tussen hen in was een soort niemandsland.

Het werd gekenmerkt door veldgraven, kapotgeschoten en achtergelaten tanks, kadavers van dieren en in de chaos onbegraven lijken van soldaten en burgers.54 Pas nadat het water in de Rijn gezakt was, kon een begin met de opruimingsmaatregelen voor terugkeer van de bevolking worden begonnen. Om een idee te krijgen van hoe langzaam de opruimingswerkzaamheden in een buitengebied verliepen, kan vermeld worden dat Poolse officieren in augustus 1945 nog lijken van bij de luchtlandingen gesneuvelde Polen liggend in het veld aantroffen. Wat de geëvacueerde burgers bij hun uiteindelijke terugkeer aantroffen, zal dus niet tot vrolijkheid gestemd hebben. Sommige gesneuvelden die werden aangetroffen, lagen erg ondiep, slechts 20 centimeter onder maaiveld, zodat het erg onwaarschijnlijk is dat de teruggekeerde burgers ze niet gezien hebben. Het is dus mogelijk dat ze bij de wederopbouw doelbewust terzijde zijn geschoven, zonder aandacht voor nationaliteit of nabestaanden. Uit ooggetuigenverslagen blijkt dat bij de opruiming van explosieven geïmproviseerd te werk is gegaan, waarbij het meeste materiaal verdween in lokale afvalkuilen.55

Afbeelding 3.2.5 Luchtfoto uit 1944 met het plangebied binnen het rode kader. Het beeld van het plangebied wordt vertroebeld door bewolking en met name door de overstroming aangegeven met de blauwe lijn, afkomstig uit de dijkdoorbraak rechtsboven.

Afbeelding 3.2.6 Britse infanterie met een canvas-roeiboot op weg in de ondergelopen Overbetuwe (bron: Van Willigen 2019, 627).

Afbeelding 3.2.7 Duitse soldaten in de door hen ondergelopen weilanden (bron: Van Willigen 2019, 626).

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

25

PAGINA

ONDERWERP

26

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

4 Archeologische achtergrond Ten behoeve van het onderzoek is geen bureauonderzoek uitgevoerd. Hieronder wordt een beknopte achtergrond worden geschetst van de archeologische waarden in en in de directe nabijheid van het plangebied. Hiervoor is vooral informatie overgenomen uit de rapportage van het booronderzoek dat voorafgaand aan het proefsleuvenonderzoek in het plangebied heeft plaatsgevonden.56

4.1 VOORAFGAAND ARCHEOLOGISCH ONDERZOEK IN HET PLANGEBIED Ten behoeve van de ontwikkeling van de Vinexlocatie ‘de Schuytgraaf’ zijn vanaf halverwege de jaren ‘90 van de vorige eeuw in en direct rondom het plangebied verschillende archeologische onderzoeken uitgevoerd.57 Het booronderzoek dat in 2020 in het plangebied is uitgevoerd, leverde de volgende archeologische informatie op.58 In enkele boringen zijn in de bouwvoor/geroerde laag fragmenten baksteenpuin aangetroffen. Archeologische indicatoren (zoals bijvoorbeeld vuursteen, verbrand bot, aardewerk- of fosfaatconcentraties) die kunnen duiden op de aanwezigheid van een archeologische vindplaats zijn in geen van de boringen aangetroffen. Evenmin zijn archeologische (cultuur)lagen herkend. Hierbij dient opgemerkt te worden dat het verkennend booronderzoek ook niet (primair) tot doel had om archeologische resten op te sporen. Het ontbreken van archeologische indicatoren betekent dan ook niet dat in het plangebied geen archeologische resten aanwezig kunnen zijn. Uit de boringen blijkt verder dat de top van de middeleeuwse oeverafzettingen is aangetast: deze is opgenomen in de bouwvoor of verstoord door recente bodemingrepen.

Voor het onderliggende romeinse landschap geldt dat dit nog grotendeels intact lijkt, slechts in enkele boringen wordt de Romeinse laklaag geraakt door de recent verstoorde laag (vergelijk afbeelding 2.1.6). Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd voor de loop van een Romeinse weg in het plangebied.

4.2 BEKENDE ARCHEOLOGISCHE WAARDEN UIT DE OMGEVING VAN HET PLANGEBIED Tijdens het onderzoek in 1996 zijn binnen het plangebied geen archeologische resten gekarteerd. Wel bevinden zich verscheidene vindplaatsen in de directe omgeving ervan (afbeelding 2.1.3). Deze vindplaatsen zijn aangetroffen op de aanwezige stroomgordels en crevasses of op de top van ondiep gelegen Kreftenheye-afzettingen. De vindplaatsen – in veel gevallen bewoningssporen/ nederzettingen – dateren in de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen: – Pal ten zuidwesten van het plangebied ligt een laatmiddeleeuws nederzettingsterrein waar een grote hoeveelheid aardewerk (onder andere Jacobakannen) en kloostermoppen zijn gevonden. De vindplaats (‘de Hamse Boomgaard’) ligt ingeklemd tussen bovengenoemde (vermeende) restgeul en een restgeul van de SantackerDriel-stroomgordel. De vindplaats staat als terrein geregistreerd op de AMK (monumentnummer 11590, terrein van hoge archeologische waarde). – Een tweede laatmiddeleeuwse vindplaats ligt zuidoostelijk van het plangebied, eveneens pal ten zuiden van bovengenoemde vermeende restgeul (AMK-terrein (monumentnummer 12474, terrein van archeologische waarde). Op grond van het aangetroffen aardewerk wordt de vindplaats in de 14e/15e eeuw gedateerd, de

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

27

bevindingen wijzen niet eenduidig in de richting van een nederzettingsterrein.59 Bij de archeologische begeleiding die in 2004 heeft plaatsgevonden in verband met het aanleg van de watergang ter noorden van de vindplaats, zijn geen waarnemingen gedaan.60

Romeinse weg Voorafgaand aan het booronderzoek in 2020 werd verondersteld dat de Romeinse weg ter hoogte van het plangebied zou (kunnen) lopen. Deze veronderstelling komt voort uit de weergave van de Romeinse weg op de limeskaart van Gelderland, overgenomen op de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Arnhem. Het op de limeskaart weergegeven tracé verbindt het castellum Meinerswijk met een mogelijk castellum te Driel (Driel-Baarskamp). Het grote aantal – en het type – archeologische vondsten alsmede de strategische ligging vormden aanwijzingen dat ter hoogte van Driel een Romeinse militaire versterking heeft gelegen.61 Dit impliceerde dat de Romeinse weg het komgebied tussen de meandergordels van de Nederrijn en de Santacker-Driel moest oversteken. Uit een gericht bureau- én veldonderzoek naar dit vermeende castellum te Driel in 2003 bleek dat ter hoogte van Driel-Baarskamp hoogstwaarschijnlijk geen sprake was van een (uit steen opgetrokken) castellum.62 Aangenomen wordt dat het om intensief bewoond nederzettingsterrein gaat zoals deze veelvuldig bekend zijn in de Over-Betuwe. Bij een dergelijk terrein kan weliswaar sprake zijn geweest van een kleinere versterking (zoals een wachttoren) of gebouwen met een militaire functie. Voor de locatie van een castellum wordt het gebied in de Drielse uiterwaarden waarschijnlijker geacht.

Een probleem is dat dit gebied grotendeels gevormd is ná de Romeinse tijd, waardoor erosie- en sedimentatieprocessen het Romeinse landschap hebben aangetast. Op grond hiervan lijkt het waarschijnlijker dat de Romeinse weg vanuit het castellum Meinerswijk een noordelijker route heeft gevolgd (over de oeverwal van de Romeinse Nederrijn), in plaats van dat deze het komgebied tussen de meandergordels van de Nederrijn en de Santacker-Driel heeft overgestoken.

Tweede Wereldoorlog Zoals in hoofdstuk 3.2 over de historische achtergrond van het plangebied en de omgeving is beschreven, is hier tijdens de Tweede Wereldoorlog fel gevochten. In een paar maanden tijd, van half september tot begin december 1944, werd in de omgeving van het plangebied veel schade aangebracht als gevolg van de gevechten tussen de geallieerde bevrijders en de Duitse bezetters.63 Poolse parachutisten hadden hier tijdens Market Garden hun landingsgrond en werden met name vanaf de oostelijk en noordelijk gelegen spoordijk en Drielsedijk beschoten. Tijdens deze handelingen zijn schuttersputten letterlijk in het oude Romeinse grafveld aangelegd. Toen de bewoners na hun gedwongen evacuatie terugkeerden, troffen ze hun woonplaats vernield aan. Een van de eerste herstelwerkzaamheden was dan ook het opvullen van bomkraters, schuttersputjes en loopgraven. Hierbij kon tevens afval worden begraven inclusief explosieven, uitrustingsstukken en wapens en dergelijke.64 De kans op het aantreffen van dergelijke sporen is in het plangebied dan ook zeker aanwezig. In de Schuytgraaf zijn voorafgaand aan de grootschalige nieuwbouw in het gebied vele archeologische onderzoeken uitgevoerd door archeologische bedrijven in samenwerking met het toenmalige Team Archeologie van de gemeente Arnhem. Deze onderzoeken zijn uiteindelijk in 2019 integraal gepubliceerd.

Ook het huidige plangebied maakt deel uit van die rapportage. In het plangebied zelf heeft ook eerder onderzoek plaatsgevonden waarvan de uitkomsten in dat integrale rapport zijn gepubliceerd, maar in eerste instantie in deelrapportages die door de jaren heen zijn verschenen.

PAGINA

ONDERWERP

28

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

5 Verwachtingsmodel Op grond van het in hoofdstuk 4 geschetste onderzoek laat de archeologische verwachting zich karakteriseren zoals vermeld in onderstaande tabel 5.1. Period./ fase

Verw.

Sporen en structuren

Vondstmateriaal

Opmerkingen

Paleolithicum

Laag

Neolithicum

Laag

Kampementen, nederzettingen of activiteitsgebieden

Vooral vuursteen en overige natuursteen en aardewerk

Bronstijd

Laag

Huisplattegronden, bijgebouwen en erfbegrenzingen. Grafheuvels?

Vooral aardewerk, natuursteen en metaal

Dierlijk botmateriaal vergaan?

Laag

Nederzettingssporen, huisplattegronden, bijgebouwen en erfbegrenzingen, greppelsystemen, palenzewerm, (afval)kuilen en waterputten. Grafveld?

Vooral aardewerk, natuursteen en metaal

Dierlijk botmateriaal vergaan?

Hoog

Weg met een agger, aarden baan, verharding, paalzettingen, beschoeiing en greppels. Huisplattegronden, bijgebouwen en erfbegrenzingen, greppelsystemen, palenzwerm, palissades, (afval) kuilen en waterputten. Grafveld?

Vooral hout, aardewerk, metaal, natuursteen en glas

Middeleeuwen

Middelhoog

Vroege middeleeuwen: nederzettingssporen, huisplattegronden, bijgebouwen en erfbegrenzingen. Grafveld? Late middeleeuwen: losse sporen: waterputten, greppels, kuilen

Vooral aardewerk, metaal, glas en dierlijk botmateriaal

Mogelijkheid op diverse ambachten

Nieuwe tijd

Hoog

Losse sporen, erfbegrenzingen/ perceelsgrenzen en ploegsporen, sloten (afval)kuilen en greppels. Naoorlogse dumps van militairia

Vooral aardewerk, metaal, glas, bouwkeramiek, pijpaarde en dierlijk botmateriaal

Vondsten in bemestingslagen/ oprijden van grond van elders

Tweede Wereld-oorlog

Hoog

Loopgraven en schuttersputten, veldgraven, granaatinslagen

Militaire uitrusting, munitie, persoonlijke items. Metaal, textiel, kunststof, leer.

IJzertijd

Romeinse tijd

Vuursteen van rondtrekkende jager-verzamelaars

Tabel 5.1. Aard van de archeologische verwachting per periode.

ONDERWERP

PAGINA

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

29

6 Onderzoeksvragen 1. Zijn er in het plangebied sporen van een Romeinse weg aanwezig die mogelijk bedreigd wordt door de geplande nieuwbouw? Zo ja: 2. Wat zijn de ruimtelijke kenmerken van het wegtracé en wat is de diepteligging, de dikte en horizontale begrenzing? 3. Waaruit is het wegdek opgebouwd? Indien er verschillende typen wegstructuren zijn, welke landschappelijke verklaring kan hiervoor dan worden gegeven? 4. Wat is de paleogeografische context waarin de weg op verschillende locaties is gesitueerd? Valt de weg samen met het hoogst liggende pakket oeverafzettingen en kan een eventuele diepere ligging worden uitgesloten? Zo ja, op grond waarvan? 5. Is er een begin- en einddatering aan de weg te geven? Is er sprake van meerdere aanlegfasen? 6. Zijn er sporen/constructies aangetroffen die met de weg in verband kunnen worden gebracht zoals bruggen? Hoe laten deze zich beschrijven en met welke fase(n) van de weg houden ze verband? 7. Bevinden zich in het plangebied nog andere vindplaatsen die tijdens de booronderzoeken niet zijn aangetroffen en kennelijk een lage archeologische zichtbaarheid hebben? Wat zijn hiervan de kenmerken, aard en datering? Is er een relatie met de Romeinse weg of specifieke paleogeografische ligging? 8. Waaruit bestaan eventuele sporen uit WOII? Wat zijn hiervan de kenmerken, aard en datering? 9.

Wat is de kwaliteit en conserveringstoestand van aangetroffen sporen en structuren? Welke omstandigheden zijn hierop van invloed geweest? 10. Welke materiaalcategorieën zijn aanwezig, wat is de vondstdichtheid en hoe is de conserveringstoestand? Welke relaties zijn er tussen het vondstmateriaal en de aangetroffen sporen en structuren en welke factoren zijn van invloed geweest op de conserveringstoestand? 11. Is op basis van de resultaten van het proefsleuvenonderzoek een indicatie te geven van de verwachte wegopbouw over in het gehele plangebied? Is sprake van behoudenswaardige vindplaatsen en kan behoud in situ worden gerealiseerd? Zo ja, in welke vorm en onder welke omstandigheden? 12. Welke aanbevelingen gelden voor eventueel vervolgonderzoek?

PAGINA

ONDERWERP

30

Arnhem, Schuytgraaf Veld 1

7 Resultaten 7.1 ONDERZOEKSMETHODIEK Het handelt hier om een IVO-P; acht werkputten zijn aangelegd. Ze hebben een verschillende lengte en zijn zo over het plangebied verspreid dat een eventuele Romeinse weg aangetroffen zou worden als deze zich in de ondergrond van het plangebied zou bevinden. Voor de onderzoeksmethoden is de KNA en het PvE leidend geweest. Afwijkingen op het PvE zijn er wel degelijk geweest. Deze zijn in direct contact met het bevoegd gezag (in de persoon van gemeentelijk archeoloog M.P. Defilet) in het veld of telefonisch afgestemd. De opdrachtgever is van deze situatie telefonisch op de hoogte gesteld en heeft mondeling akkoord gegeven. De afwijkingen bestonden vooral uit het puttenplan dat oorspronkelijk uit 7 werkputten bestond, nummer 1 tot en met 7. De werkputten die in het PvE stonden aangegeven en daadwerkelijk zijn aangelegd, hebben de oorspronkelijke nummering behouden (werkput 2, 3 en 6). De overige putten (8 tot en met 12) zijn door voortschrijdend inzicht anders aangelegd dan in het PvE stond aangegeven en ze zijn opvolgend genummerd (afbeelding 7.1.1). Deze zijn aangelegd om de ligging van de Romeinse weg beter vast te kunnen stellen dan wel uit te sluiten. Drie korte sleuven zijn aangelegd om een bepaalde structuur van houten palenrijen te volgen.

Toen beek dat de bodemopbouw overal tamelijk identiek was in het plangebied is besloten dat het om veiligheidsredenen mogelijk was om de sleuven smaller aan te leggen zonder dat de wanden zouden instorten. Dit kwam de snelheid van de graafwerkzaamheden ten goede waardoor het opkomend grondwater minder belemmering vormde. Sporen als greppels, palen en verandering in laagopbouw werden ook waargenomen in smallere sleuven, dus er bestond geen vrees dat een eventuele Romeinse weg over het hoofd gezien zou worden. De aanpassing betekenden kortom een snellere doorlooptijd en het meer gericht kunnen onderzoeken van sporen/structuren. In alle werkputten is één vlak aangelegd behalve in 16 m2 van werkput 2. Daar kwamen een paar paalsporen aan het licht op een hoger niveau. Deze zijn als vlak 0 ingemeten en vervolgens is verdiept tot het reguliere vlakniveau onder de vegetatielaag, die door de fysisch geograaf direct als de Romeinse laklaag werd herkend (spoor 1004). De afmetingen van de overige putten staat weergegeven in tabel 1. Werkput

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=2a72bab1-6480-49c8-96d9-4cd934848088