Bijlage 17 - Toelichting
Tekst van het document
4.4
Verkeer en mobiliteitsaspecten
Algemeen In december 2019 is door Goudappel Coffeng een onderzoek uitgevoerd naar de toekomstige verkeersen parkeersituatie binnen het plangebied. Het onderzoek is als Bijlage 1 opgenomen. In de notitie is in beeld gebracht wat de parkeerbehoefte is van de nieuwe functie en is een vergelijking gemaakt van de verkeersgeneratie tussen de bestaande en de nieuwe functie. Hierbij is worst-case uitgegaan van een woningbouwprogramma van maximaal 143 wooneenheden. Dit programma is aan het begin van de ontwikkeling als uitgangspunt genomen voor het verkeerskundig onderzoek. Inmiddels is het plan teruggebracht naar 125 woningen, waarbij verplicht is om 30% sociaal en 30% betaalbare woningen te realiseren. Voor de berekening is destijds uitgegaan van de volgende indicatieve verdeling van typen woningen: 18 grondgebonden woningen; 39 sociale appartementen; 73 appartementen tussen 75-120 m²; 13 appartementen >120 m². Parkeren "Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
33
Chw Raapopseweg 1
In de toekomstige situatie zal op eigen terrein moeten worden voorzien in voldoende parkeerplaatsen. Het aantal parkeerplaatsen wordt bepaald op basis van de Beleidsregels Parkeren van de gemeente Arnhem. In artikel 13 van de regels van dit bestemmingsplan is geborgd dat er voldoende parkeerplaatsen beschikbaar zullen zijn voor de nieuwe ontwikkeling, om te voorkomen dat de parkeerbehoefte wordt afgewenteld op de omgeving. Om een beeld te geven van de parkeerbehoefte is in het eerder genoemde rapport een indicatieve berekening uitgevoerd. Aantal 18 39 73 13 Totaal
Type grondgebonden woningen sociale appartementen appartementen tussen 75-120 m² appartementen > 120 m²
Norm 1,5 1 1,3 1,6
Parkeerbehoefte 27 39 95 21 182
Verkeer Om de verkeersgeneratie te bepalen, is in het onderzoek gebruik gemaakt van de gemiddelde waarden van de kengetallen van het CROW. Bij de berekening van de verkeersgeneratie is uitgegaan van een 'Sterk stedelijk gebied' in de 'Rest bebouwde kom'. In de toekomstige situatie is er sprake van de navolgende verkeersgeneratie: Programma Aantal Kencijfer Verkeersbewegingen grondgebonden woningen 18 7,1 127,8 sociale app. <75 m² 39 3,6 140,4 app. 75-120 m² 73 3,6 262,8 app. > 120 m² 13 5,6 72,8 Totaal 603,8 De voormalige kantoorfunctie gaf een berekende verkeersgeneratie van ongeveer 525 auto’s op werkdagen. Voor de werknemers gold dat deze vooral in de ochtend- en avondspits van en naar het plangebied reden. Na de transformatie naar wonen neemt de verkeersgeneratie toe tot ongeveer 604 auto’s per dag (waarbij worst-case is uitgegaan van 143 woningen in plaats van het maximaal toegestane aantal van 125). Voor de woningen geldt dat de verkeersbewegingen meer verspreid over de dag plaatsvinden. Gezien de beperkte toename van het aantal verkeersbewegingen wordt geen invloed op de verkeersafwikkeling in de omgeving verwacht. Ontsluiting In de toekomstige situatie wordt het terrein via één inrit op de Doctor J.C. Hartogslaan en één inrit op de Raapopseweg ontsloten. Het aantal inritten aan de Raapopseweg neemt daarmee af met één.
4.5 Ladder voor duurzame verstedelijking (art. 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening) 1. Algemeen In artikel 3.1.6, lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Het doel van de Ladder is zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, met oog voor de toekomstige ruimtebehoefte en ontwikkelingen in de omgeving. De Ladder geeft daarmee invulling aan het nationaal ruimtelijk belang gericht op een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij ruimtelijke besluiten. Met de ladder worden eisen gesteld aan de motivering van onder meer bestemmingsplannen en ruimtelijke onderbouwingen die nieuwe stedelijke ontwikkelingen mogelijk maken. De toelichting bij een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien die ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.
34
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
2. Toetsing initiatief aan de Ladder voor duurzame verstedelijking Het bestemmingsplan 'Chw Raapopseweg 1' voorziet in mogelijkheden voor wonen. Aan de hand van een aantal vragen wordt de laddertoets voor dit initiatief doorlopen. 1. Voorziet het bestemmingsplan in een stedelijke ontwikkeling? De voorziene ontwikkeling moet voldoende substantieel zijn om als stedelijke ontwikkeling te kunnen gelden. Voor woningen geldt ingevolge vaste jurisprudentie dat het voor woningbouwlocaties moet gaan om meer dan 11 woningen. Het bestemmingsplan 'Chw Raapopseweg 1' maakt maximaal 125 woningen mogelijk. Er is sprake van een stedelijke ontwikkeling. 2. Is er sprake van nieuwe stedelijke ontwikkeling? Voor het plangebied geldt als huidig planologisch kader het bestemmingsplan 'Velperweg e.o.'. Op grond van dit bestemmingsplan gold voor het plangebied de bestemmingen 'Kantoor', 'Tuin' en 'Verkeer Wegverkeer. Het bouwplan dat mogelijk wordt gemaakt met dit bestemmingsplannen omvat niet meer bebouwingsmogelijkheden voor stedelijke voorzieningen dan de mogelijkheden op grond van het huidige bestemmingsplan. Het bestemmingsplan voorziet in een groter aantal woningen ten opzichte van het huidige bestemmingsplan. Dit betekent dat voor dit gedeelte de laddertoets moet worden doorlopen. 3. Laddertoets De provincie Gelderland stuurt op een gezonde regionale woningbouwprogrammering.
Hierbij is de provincie opgebouwd in regio's. Op 8 maart 2023 hebben de achttien gemeenten in de Regio Arnhem-Nijmegen met minister Hugo de Jonge (Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening) en gedeputeerde van de provincie Gelderland Peter Kerris (verantwoordelijk voor wonen), de Woondeal 2.0 Regio Arnhem-Nijmegen ondertekend. In de woondeal maken de gemeenten, woningcorporaties, provincie en Rijk afspraken over woningbouw in de regio. De afspraken gaan over de hoeveelheid te bouwen woningen, waar dit gaat gebeuren en het aantal betaalbare woningen. In totaal gaat het in de regio om de bouw van 33.000 woningen in de periode tot en met 2030. Voor de gemeente Arnhem geldt een woningbouwopgave van 9.500 woningen tot 2030. Om dit aantal te realiseren bestaat een harde plancapaciteit van 4.000 woningen. Dit betekent dat de behoefte aan het mogelijk maken van nieuwe woningen groot is en er meer dan voldoende vraag is om nieuwe harde plancapaciteit toe te voegen. Beschrijving locatie De locatie bevindt zich in de bebouwde kom van Arnhem. In de directe omgeving zijn al een aantal nieuwbouwplannen gerealiseerd (diverse woningen in diverse prijsklassen) en andere projecten lopen nog. Deze locatie kenmerkt zich door de ligging, niet alleen in de bebouwde kom van Arnhem, maar ook de ligging aan de Velperweg en de verschillende functies die kenmerkend zijn voor het gebied.
Gezien de ligging en kenmerken van de locatie kunnen we de ontwikkeling van deze locatie toeschrijven aan het centrum stedelijk woonmilieu. Beschrijving behoefte woonmilieu Uit woningmarktonderzoek van Companen (monitor woningmarkt Arnhem-Nijmegen 2021, d.d. 12 juli 2022) blijkt dat een groot deel van de gerealiseerde woningen in de subregio Arnhem appartementen betreffen. Dat sluit aan bij de stedelijkheid van dit deel van de regio. Resumerend wordt dan ook gesteld dat er zowel kwantitatief als kwalitatief behoefte is aan deze woningen. 4. Binnen bestaand stedelijk gebied? Het geldende bestemmingsplan voorziet reeds in een stedenbouwkundig samenstelsel in de zin van de Bro. Aan dit gedeelte van de laddertoets wordt in dit bestemmingsplan derhalve niet toegekomen. 5. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan met de mogelijkheid tot oprichting van (maximaal) 125 woningen voldoet aan artikel 3.1.6 lid 2 Bro.
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
35
Chw Raapopseweg 1
36
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
Hoofdstuk 5 5.1
Milieu- en omgevingsaspecten
Inleiding
In dit hoofdstuk worden de beperkingen gegeven die van belang kunnen zijn bij ruimtelijke ontwikkelingen in het plangebied. De op de kaart aangegeven contouren en straalpaden kunnen beperkingen opleggen aan het gebruik van bepaalde locaties. Het is echter ook mogelijk dat oplossingen worden gevonden door ter plaatse maatregelen te treffen of randvoorwaarden op te nemen in milieuvergunningen. De contouren hebben dus met name een signalerende functie voor eventuele nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen. Navolgend wordt tevens ingegaan om de milieu- en omgevingsaspecten van het initiatief. Daarbij wordt opmerkt dat in een aantal onderzoeken worst-case is uitgegaan van de realisatie van maximaal 143 woningen. Voorliggend bestemmingsplan maakt echter maximaal 125 woningen mogelijk.
5.2
Milieu- en omgevingsaspecten
5.2.1
Geluid
Wet geluidhinder De Wet geluidhinder heeft tot doel de mens te beschermen tegen geluidhinder. Dit is in de wet uitgewerkt in een normenstelsel voor de toelaatbare geluidbelasting in de woonomgeving. Alleen planologisch nieuwe situaties worden getoetst aan de wet. Daarbij moet er akoestisch onderzoek plaatsvinden naar de gevolgen daarvan voor geluidgevoelige objecten.naast woningen zijn er nog een aantal andere geluidgevoelige objecten aangewezen zoals scholen en zorginstellingen. In de wet staan regels voor weg- en railverkeerslawaai en voor gezoneerde industrieterreinen. De wet werkt verder met zones: dit zijn aandachtsgebieden rond geluidbronnen waarbinnen regels en normen gelden om de negatieve gevolgen van geluidhinder te beperken. Het wettelijk normenstelsel kent voorts voorkeurswaarden en grenswaarden. Als de geluidbelasting beneden de voorkeurswaarde blijft dan zijn er wettelijk geen belemmeringen voor nieuwe geluidgevoelige situaties. Bij een geluidbelasting tussen de voorkeurswaarde en de grenswaarde moet er een gemotiveerd besluit genomen worden om nieuwe geluidgevoelige ontwikkelingen mogelijk te maken (hogere waarde). Voor het verlenen van een hogere waarde is de nota 'uitvoeringsbeleid hogere grenswaarde' van de gemeente Arnhem van toepassing.
Beleidsplan Geluid Het beleidsplan Geluid heeft tot doel geluidsnormen voor nieuwe situaties af te stemmen op de aard en de functie van een gebied. Hierdoor kan beter rekening gehouden worden met ontwikkelingen en verwachting van de gebruikers van een gebied. In het centrum en dichtbij goed openbaar vervoer wil de gemeente Arnhem veel functies mogelijk maken. Als gebieden intensiever gebruikt worden neemt de kans op geluidhinder ook toe. Andere gebieden zoals de parken worden juist gewaardeerd om hun relatieve rust. Deze uitgangspunten hebben geleid tot een gebiedsgerichte invulling van geluidskwaliteiten binnen Arnhem. Naarmate de geluidbelasting hoger is neemt het belang van een zorgvuldige invulling van de totale leefomgevingskwaliteit toe. Toetsing Voor het initiatief is door Buro Ontwerp & Omgeving in december 2022 een akoestisch onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek is als Bijlage 2 bijgevoegd. In de omgeving van het plangebied bevinden zich alleen wegen. Spoorlijnen en gezoneerde industrieterreinen zijn nabij de locatie niet aanwezig. Het akoestisch onderzoek richt zich op de geluidhinder afkomstig van de Velperweg, de Raapopseweg en de Doctor J.C. Hartogslaan. Velperweg De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Velperweg bedraagt 55 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh.
Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan incidentele waarde van 58 dB uit het "Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
37
Chw Raapopseweg 1
gemeentelijke geluidbeleid. Tevens wordt er voldaan aan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh. Raapopseweg De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Raapopseweg bedraagt 56 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan de incidentele waarde van 58 dB uit het gemeentelijke geluidbeleid. Tevens wordt er voldaan aan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh. Doctor J.C. Hartogslaan De Doctor J.C. Hartogslaan heeft op basis van de Wgh geen zone. Formeel gelden de normen uit de Wgh dan ook niet voor 30 km-wegen. Echter, in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn bij de beoordeling van de geluidsbelastingen zijn de voorkeursgrenswaarde van 48 dB en de hoogste toelaatbare geluidsbelastingen van 63 dB gebruikt. Deze normen gelden voor een vergelijkbare weg met een 50 km-regime. De hoogste geluidsbelasting afkomstig van de Doctor J.C. Hartogslaan bedraagt 52 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. Bij de nieuwe woningen wordt voldaan aan ambitiewaarde van 53 dB uit het gemeentelijke geluidbeleid. Tevens wordt er voldaan aan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh. Verlening hogere grenswaarden Het doel van de Wgh is geluidhinder te voorkomen.
Maatregelen om de voorkeursgrenswaarde te bereiken zijn bijvoorbeeld het toepassen van stil wegdek op de Velperweg en Raapopseweg, realisatie van een geluidsscherm of het toepassen van dove gevels. Het is niet mogelijk of gewenst om effectieve maatregelen te treffen die de geluidsbelastingen terugbrengen tot de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In het gemeentelijke geluidbeleid 'Nota hogere grenswaarden', d.d. 16 februari 2007, ligt de nadruk op het voorkomen van geluidhinder. Echter, de verlening van hogere waarden is mogelijk wanneer de geluidsbelasting niet kosteneffectief is terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarden, dan wel dat er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard zijn. De nieuwe woningen zijn vervanging van de bestaande bebouwing. Hierdoor is er sprake van een stedenbouwkundig bezwaar uit het geluidbeleid, te weten: 'de nieuwbouw ter plaatse dient ter vervanging van bestaande bebouwing'. De hoogste te verlenen hogere waarde is 56 dB. De te verlenen hogere waarden vallen binnen de geluidsklasse 'zeer onrustig'.
In het gemeentelijke geluidsbeleid worden de volgende criteria beschreven voor het toekennen van een hogere waarde voor de geluidsklasse 'zeer onrustig': indien mogelijk bronmaatregelen (bijvoorbeeld stillere asfalttypen) treffen; indien mogelijk de afstand tussen de geluidsbron en de nieuwe woning(en) vergroten; het stedenbouwkundig ontwerp vorm geven, waarbij zoveel mogelijk afscherming voor het achterliggende gebied ontstaat; indien mogelijk in het overdrachtsgebied een afscherming realiseren; bij een aanvraag om bouwvergunning voor een woning een akoestisch onderzoek voegen en toetsen of wordt voldaan aan de binnenwaarde van het Bouwbesluit 2012; geluidsaspecten worden vanaf eerste ontwerpstadium bij de ontwikkeling betrokken; er wordt minimaal een verblijfsruimte aan de geluidsluwe zijde gerealiseerd; bij woningen/appartementen wordt er minimaal 1 geluidsluwe buitenruimte gecreëerd (tuin of balkon). De bovenstaande criteria zijn onderzocht in het onderzoek. Uit het onderzoek blijkt dat het niet mogelijk is om de geluidsbelastingen terug te brengen naar de voorkeursgrenswaarde van 48 dB uit de Wgh. Hierdoor is de verlening van hogere waarden voor de realisatie van de nieuwe woningen noodzakelijk. Bij woningen moet er minimaal één geluidsluwe buitenruimte gecreëerd (tuin of balkon). Dit mag ook een gemeenschappelijke buitenruimte zijn.
In het plangebied komt een grote gemeenschappelijke buitenruimte is, die geluidsluw is. Daardoor kunnen alle bewoners in het plangebied verblijven in een geluidsluwe buitenruimte. 38
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
Op basis van het gemeentelijke geluidbeleid en de Wgh kan de gemeente Arnhem een hogere waarde verlenen voor de geluidsbelastingen afkomstig van de Velperweg en de Raapopseweg. Met de bepalingen in Hoofdstuk 3 van de regels worden de betreffende hogere waarden vastgesteld. De geluidsbelastingen afkomstig van de De Doctor J.C. Hartogslaan zijn ook verhoogd. Maar omdat deze weg op basis van de Wgh geen zone heeft kan er geen ontheffing worden aangevraagd. Om die reden is in de regels van het bestemmingsplan een voorwaarde opgenomen dat bij de bouw van woningen nabij deze weg aangetoond moet worden dat sprake is van een goed binnenniveau. Cumulatieve geluidsbelastingen De hoogste cumulatieve geluidsbelasting bedraagt 57 dB, inclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh. De optredende cumulatieve geluidsbelasting is hiermee lager dan de hoogste toelaatbare geluidsbelasting van 63 dB uit de Wgh, daarmee zijn de optredende geluidsbelastingen op basis van de Wgh acceptabel. De cumulatieve geluidsbelasting is ook van belang voor de berekening van de vereiste gevelisolatie. Volgens het Bouwbesluit 2012 moet een akoestische binnenwaarde van 33 dB bij nieuwbouw bij wegverkeerslawaai worden gegarandeerd. Volgens artikel 3.2 van het Bouwbesluit 2012 bezit een standaard gevelconstructie een minimale geluidsisolatie van 20 dB.
Voor de gevelwering wordt gekeken naar de hoogste cumulatieve geluidsbelasting exclusief aftrek op grond van artikel 110g Wgh (in dit geval 62 dB). In een aanvullend bouwakoestisch onderzoek moet worden onderzocht of aanvullende gevelmaatregelen nodig zijn om de binnenwaarde van 33 dB uit het Bouwbesluit 2012 te halen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat er vanuit het aspect geluid geen belemmeringen bestaan ten aanzien van de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied. 5.2.2
Luchtkwaliteit
Algemeen De Europese richtlijnen voor luchtkwaliteit zijn geïmplementeerd in titel 5.2 van de Wet Milieubeheer. Het doel van deze wetgeving is het beschermen van mens en milieu tegen de negatieve effecten van luchtverontreiniging. De wet is primair gericht op het voorkomen van negatieve effecten op de gezondheid van de mens. Daarnaast zijn er voor de stoffen zwaveldioxide en stikstofoxiden ook normen opgenomen ter bescherming van ecosystemen. Voor het toetsen van ruimtelijke plannen zijn de volgende grenswaarden het meest relevant: PM10 (fijnstof) 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg PM10/m3 mag niet worden overschreden; 2. de 24 uursgemiddelde concentratie van 50 µg PM10/m3 mag niet vaker dan 35 keer per jaar worden overschreden; NO2 (stikstofdioxide) 1. de jaargemiddelde concentratie van 40 µg NO2/m3 mag niet worden overschreden; 2. de uurgemiddelde concentratie van 200 µg NO2/m3 mag niet vaker dan 18 keer per jaar worden overschreden. Voor de overige stoffen worden in Nederland geen overschrijdingen gerapporteerd.
In de op de Wet milieubeheer gebaseerde algemene maatregel van bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) zijn regels vastgelegd waaronder projecten (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) die niet in betekenende mate bijdragen aan verslechtering van de luchtkwaliteit, zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit, toch doorgang kunnen vinden. De grens ligt bij een toename van maximaal 3%. Om te voorkomen dat in gebieden waar (nog) grenswaarden worden overschreden of dreigen overschreden te worden, een verslechtering van de luchtkwaliteit plaatsvindt, kunnen bij ministeriële regeling bepaalde gebieden en bepaalde broncategorieën worden aangewezen waarbinnen geen gebruik kan worden gemaakt van de NIBM-regeling. Toetsing Volgens de ministeriële regeling NIBM draagt een bouwplan van met een omvang van minder dan 1.500 "Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
39
Chw Raapopseweg 1
woningen) niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging. Met behulp van de 'NIBM-tool april 2022' is tevens een berekening gemaakt op basis van de verkeersgeneratie (zie paragraaf 4.4). In de worst-case scenario, waarbij wordt uitgegaan van een toename van het aantal verkeersbewegingen van 604, waarvan 10% door vrachtverkeer, blijkt dat de bijdrage niet in betekenende mate is.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit onderzocht, zodat onacceptabele gezondheidsrisico's kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK)1 uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) van de rijksoverheid geraadpleegd. Het CIMLK geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10) in het plangebied tussen 2021 en 2030. Het CIMLK maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2021 en 2030 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. In het plangebied worden geen gevoelige functies beoogd zoals bedoeld in het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Toetsing aan de grenswaarden is daarom niet noodzakelijk. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 5.2.3
Hinder
Algemeen In het kader van bedrijven en milieuzonering dienen de effecten van inrichtingen op hun omgeving (gevoelige bestemmingen, waaronder eventueel nieuw te ontwikkelen woningen) in beeld gebracht te worden. Voorbeelden van hinder zijn geluid, geur, stof of gevaar. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009' is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. Geurhinder van industriële bedrijven Het beleidsplan Geur uit 2010 gaat in op geur afkomstig van industriële bedrijven waarvoor de gemeente Arnhem het bevoegde gezag is. Milieubeleid kan een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke thema's als gezondheid, veiligheid, leefbaarheid, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Geur is een milieuaspect dat een belangrijke bijdrage levert aan de leefbaarheid. Het geurbeleid van de gemeente Arnhem sluit, voor zover dat mogelijk is, aan op het geurbeleid van de provincie Gelderland. Het doel van 40
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
het geurbeleid is dat inwoners van Arnhem nu en in de toekomst niet worden blootgesteld aan geuroverlast door industriële bedrijven. Toetsing Het plangebied ligt in een gebied dat zich kenmerkt door een menging van functies. Ten noorden bevindt zich een (niet in gebruik zijnd) schoolgebouw met rondom woningen, ten oosten bevinden zich woningen en een gezondheidscentrum. Ten (zuid-)westen en aan de overzijde van de Velperweg bevinden zich, kantoorpanden, een schoolgebouw en enkele woonpercelen. Voor het overige is er sprake van woonfuncties. Het gebied kan worden aangemerkt als een gemengd gebied. Bedrijvigheid in het plangebied De woningen kunnen worden aangemerkt als milieuhindergevoelig. Binnen het plangebied worden voorzieningen gerealiseerd die aan de woonfunctie gekoppeld zijn. De activiteiten zijn van kleinschalige aard en op de wijk gericht. De functies verenigen zich goed. Voor de hinder afkomstig van de genoemde functies ten opzichte van de woningen geldt dat de woningen bouwkundig zijn afgescheiden van de ruimten waar de activiteiten zullen plaatsvinden. Gezien de kleinschaligheid van de activiteiten is er geen hinder op de te realiseren woningen te verwachten.
Bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied Naast voorgenoemde toetsing moet onderzocht worden of de functies in het plangebied hinder ondervinden van hinderveroorzakende functies in de omgeving van het plangebied. In de omgeving van het plangebied zijn enkele hinderveroorzakende functies gelegen: Adres Schoolgebouw, Spiekmanlaan 16 Rijn en IJsselcollege, Tivolilaan 40 GABA verzekeringen, makelaardij en hypotheken, Velperweg 67 Gezondheidscentrum Velperweg, Velperweg 71
Functie Scholen voor basis- en algemeen voortgezet onderwijs Scholen voor beroeps-, hoger en overig onderwijs Overige zakelijke dienstverlening: kantoren Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven Apotheken en drogisterijen
De navolgende tabel laat zien hoe de functies kunnen worden gecategoriseerd op basis van de VNG-brochure 'Bedrijven en milieuzonering'. Daarnaast geeft de tabel de minimaal aanbevolen richtafstanden (in meters) aan voor deze functies en de daadwerkelijke afstanden: Functie
Geur
Scholen voor basis- en algemeen 0 voortgezet onderwijs Scholen voor beroeps-, hoger en overig 10 onderwijs Kantoor 0 Apotheken en drogisterijen 0 Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven 0
Stof
Geluid
Gevaar
0
30
0
Daadwerkelij ke afstand 15
0
30
10
70
0 0 0
10 0 10
0 10 0
15 40 40
Uit de tabel blijkt dat bij de nieuwe woningen niet wordt voldaan aan de richtwaarden voor geluid uit de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering, editie 2009' vanwege de school. De grootste richtafstand voor geluid afkomstig van het schoolgebouw aan de Spiekmanlaan 16 geldt voor een rustig woongebied. Omdat sprake is van een gemengd gebied, kan de richtafstand met één stap worden verminderd tot 10 m. Binnen 10 m van de genoemde functies worden geen hindergevoelige functies mogelijk gemaakt. Geurhinder van industriële bedrijven Binnen en in de directe omgeving van het plangebied zijn geen industriële bedrijven waarbij geur een rol "Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
41
Chw Raapopseweg 1
speelt. Dit betekent dat er vanuit geur geen belemmeringen voor dit bestemmingsplan zijn. Conclusie Het aspect hinder vormt geen belemmering voor de uitvoering van het plan. 5.2.4
Externe veiligheid
Algemeen Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd het PR (Plaatsgebonden Risico) en het GR (Groepsrisico). Landelijk regelgeving Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi worden milieukwaliteitseisen vastgelegd die in de ruimtelijke planvorming moeten doorwerken. In het Bevi wordt een onderscheid gemaakt tussen kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De 10-6 PR contour geldt ten opzichte van kwetsbare objecten als grenswaarde en ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Het beoordelingskader voor het GR is een oriënterende waarde. Voor ondergrondse (aardgas)leidingen is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor de transportroutes (weg, water, spoor) het Besluit transportroutes externe veiligheid (Btev). In het Btev en Bevb zijn de milieukwaliteitseisen vastgelegd die in de ruimtelijke planvorming moeten doorwerken. Gemeentelijk beleid Het gemeentelijk beleidsplan Externe Veiligheid beschrijft de mate van gewenste externe veiligheid in Arnhem. Uitgangspunt hierbij zijn de landelijke normen voor het PR en het GR.
In een groot gedeelte van de stad streven we naar het niet doen toenemen van de risico's. Op sommige plekken in de stad, op bedrijventerreinen voor zware industrie en stedelijke zones accepteren we een hoger risico dan op andere plaatsen. Wel moet daar extra aandacht zijn voor de beschikbare mogelijkheden voor rampenbestrijding, de zelfredzaamheid van mensen en de hulpverlening. Toetsing Om te bepalen waar er zich stationaire en mobiele bronnen in de omgeving van het plangebied bevinden, is de risicokaart Nederland geraadpleegd. De navolgende afbeelding bevat een uitsnede van de risicokaart. De globale ligging van het plangebied is aangeduid met een rode marker (vliegervorm met zwarte punt in het midden).
42
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
figuur 5.1 Uitsnede risicokaart (plangebied ter plaatse van rode marker) Volgens de Risicokaart zijn er in de directe omgeving van het deelgebied zowel stationaire als mobiele bronnen aanwezig. Het betreft de volgende genummerde bronnen: Stationaire bronnen Teijn Aramid aan de Velperweg 76, met opslag in tanks (afstand tot plangebied 430 meter), is op basis van het activiteitenbesluit dan wel de milieuvergunning opgenomen op de risicokaart. Voor het bedrijf is geen 10-6 risicontour opgenomen en kent geen groepsrisico. Nadere toetsing aan het groepsrisico is daarom niet noodzakelijk. Mobiele bronnen Ten zuiden van de locatie, op een afstand van 190 meter, bevindt zich het spoortraject Arnhem Zutphen. De contouren voor gevaarlijke stoffen voor dit spoortraject zijn vastgesteld op maximaal 130 meter. Gezien de afstand van 515 meter tot de ontwikkeling is een berekening van het groepsrisico dan ook niet noodzakelijk. De aanwezigheid van de spoortraject vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Het plangebied is verder gelegen gelegen binnen het invloedsgebied van de A12 (= 4.000 meter). Over deze transportroute worden hoge aantallen giftige vloeistoffen en giftige gassen getransporteerd. Om die reden dient ten aanzien van deze risicobron een verantwoording van het groepsrisico opgesteld te worden.
Beperkte verantwoording groepsrisico Uit toetsing aan de signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het ruimtelijk besluit betrekking heeft "Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
43
Chw Raapopseweg 1
op het mogelijk maken van kwetsbare objecten binnen het invloedsgebied van toxische stoffen over de Betuweroute en de rijksweg A12 en geheel buiten de 200 meter van de transportroute. Op basis van het Bevt dient voor een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter vanaf de transportroute ingegaan te worden op: De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater; De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet. Dit is alleen van toepassing op nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten. Daarnaast stelt het Bevt dat de Veiligheidsregio in de gelegenheid gesteld moet worden om advies uit te brengen over de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Uit de notitie 'VGR voor standaard externe veiligheidssituaties' blijkt dat wanneer een ruimtelijk besluit buiten de 200 meter zone van een transportroute ligt en het besluit geen objecten toestaat voor verminderd zelfredzame personen, er sprake is van een standaard externe veiligheidssituatie. Voor deze situaties wordt de onderstaande verantwoording van het groepsrisico gehanteerd.
Maatgevende scenario's De maatgevende scenario's voor de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid waarbij het plangebied binnen het invloedsgebied van brandbare gassen en toxische vloeistoffen/gassen ligt is een wolkbrandexplosie en een toxische wolk. Onderstaand is vanuit deze scenario's ingegaan op de mogelijkheden voor de bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten ten gevolge van het incident te beperken of te voorkomen. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. Eventuele secundaire branden in het plangebied kunnen met behulp van de primaire bluswatervoorzieningen worden bestreden door de brandweer. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. De mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen Bij een calamiteit is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij een incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij een scenario waarin toxische stoffen vrijkomen, is het advies om te schuilen in een gebouw.
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het initiatief. 5.2.5
Groen en ecologie
Algemeen Wet natuurbescherming (Regels ter bescherming van de natuur) De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt sinds 2017 het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming zoals dat was neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, door één integraal en vereenvoudigd kader. De Wnb neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden aanvullende nationale beschermingsvoorschriften verankerd. De wet gaat over de bescherming van de kernnatuurwaarden en de houtopstanden, als onderdeel van een groter maatregelenpakket gericht op de bescherming van natuurwaarden en het tegengaan van biodiversiteitsverlies. De taken en verantwoordelijkheden worden zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd. Bescherming van gebieden Voor de instandhouding van gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitat-richtlijn (Natura 2000-gebieden) stelt de Wnb specifieke kaders. De Natura 2000-gebieden in 44
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
Arnhem zijn Veluwe en Rijntakken. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Indien het project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Alleen indien daaruit met zekerheid blijkt dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast, wordt de vergunning verleend. Als de zekerheid niet kan worden verkregen, dan kan een vergunning alleen worden verleend als er geen alternatieve oplossingen zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen (de zgn. 'ADC-toets'). Op het moment dat een passende beoordeling nodig is, moet voor het kaderstellend plan (zoals een bestemmingsplan) een plan-MER worden gemaakt.
De beheerplannen – waarin de uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden plaatsvindt en waarin de voor die gebieden te treffen maatregelen in samenhang worden beschreven – zijn kaderstellende instrumenten. Ingeval overeenkomstig het beheerplan wordt gehandeld is verzekerd dat de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen niet in het geding is. Bescherming van soorten De Wnb sluit aan bij het specifieke beschermingsregime uit de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de natuurbeschermingsverdragen. Er wordt voorzien in concrete verboden ten aanzien van onder meer het vangen en doden van in die bronnen genoemde diersoorten, de verstoring van deze soorten en aantasting van hun rust- en voortplantingsplaatsen, alsmede in een verbod op het plukken en vernielen van bepaalde planten. Voorts wordt voorzien in limitatief opgesomde gronden voor ontheffing van deze verboden. Alleen opzettelijk verrichte handelingen zijn strafbaar. Bij vogels zijn bovendien verstoringen niet strafbaar als de staat van instandhouding van die vogelsoorten niet in gevaar komt. Gedeputeerde staten kunnen onder voorwaarden ontheffing verlenen van de verboden. Daarnaast geldt als beschermingsregime voor (nationale) soorten: a. een zorgplicht die van toepassing is op alle natuurwaarden in Nederland; b.
een verbod op het opzettelijk doden van de in de bijlage van de wet genoemde dieren, met een ontheffingsregime dat ruimer is dan dat voor internationaal en Europees beschermde soorten (zoogdieren, reptielen, amfibieën en thans op een rode lijst staande vissen, dagvlinders, libellen en kevers) (82 soorten); c. een verbod op het vangen van dieren genoemd in de bijlage en het opzettelijk beschadigen van hun vaste voortplantings-plaatsen of rustplaatsen (zoals de dassenburcht); en d. een verbod op het plukken of opzettelijk vernielen van in de bijlage genoemde vaatplanten (63 soorten, waaronder orchideeën). Er wordt voorzien in ruimere ontheffingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten gelden (artikel 3.10 lid 2). Voorts wordt het aantal bejaagbare soorten uitgebreid, worden door gedeputeerde staten goedgekeurde faunabeheerplannen sturend bij de schadebestrijding, populatiebeheer en jacht en is de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het stelsel van soortenbescherming, met inbegrip van de taken van het (op te heffen) Faunafonds, bij de provincies komen te liggen. Houtopstanden De Wnb heeft geen betrekking op o.a. houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom en voor het dunnen van een houtopstand (zie verder artikel 4.1).
Een houtopstand is een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte grond van tien are of meer, of die bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten (artikel 4.2). De rechthebbende zorgt voor het herbeplanten van dezelfde grond binnen drie jaar na het vellen of tenietgaan van de houtopstand. "Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
45
Chw Raapopseweg 1
In de wet wordt evenwel een vrijstelling van de meldings- en de herbeplantingsplicht opgenomen, ingeval de houtkap plaatsvindt met het oog op natuurontwikkeling, met het oog op de aanleg of het onderhoud van brandgangen of overeenkomstig een door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie goedgekeurde gedragscode (artikel 4.4). Dat voorkomt onnodige lasten voor natuurbeheerders, bedrijven en overheden in gevallen waarin het belang het natuurbehoud genoegzaam is verzekerd. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het ruimtelijke beleid voor het NNN, voorheen de Ecologische hoofdstructuur, is gericht op behoud en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden. Het NNN is een belangrijk beleidsinstrument voor de bevordering en het behoud van biodiversiteit.Voor de realisatie hiervan zijn de provincies verantwoordelijk. Het NNN wordt planologisch beschermd. Dit betekent dat geen nieuwe bestemmingen worden toegestaan die per saldo leiden tot een significante aantasting van de oppervlakte, de wezenlijke kenmerken en de samenhang van het NNN; daarop wordt getoetst bij de verlening van een omgevingsvergunning op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Er geldt in het NNN het 'nee, tenzij'-regime. Als een voorgenomen ingreep de 'nee, tenzij'-toets met positief gevolg doorloopt kan de ingreep plaatsvinden.
Eventuele nadelige effecten moeten worden gemitigeerd en de resterende schade moet worden gecompenseerd. Als een voorgenomen ingreep niet voldoet aan de voorwaarden uit het 'nee, tenzij'-regime dan kan de ingreep niet plaatsvinden. Gelders Natuurnetwerk (GNN) Het NNN is in Gelderland is uitgewerkt in het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en zijn vastgesteld in de Omgevingsvisie Gelderland. De provincie wil de natuur van het Gelders Natuurnetwerk beschermen tegen aantasting en heeft daarom regels opgenomen in de Omgevingsverordening. Centraal staat de bescherming van de kernkwaliteiten van Gelderse Nationale Landschappen. De kernkwaliteiten zijn beschreven in bijlage 5 van de Omgevingsverordening. Groenvisie 2017-2035 De gemeentelijke Groenvisie gaat over het Groen-blauw raamwerk, de stedelijke hoofdgroenstructuur, vertaald in doelen, ambities en ontwikkelopgaven. Dit Groen-blauw raamwerk van de stad bepaalt het gezicht van de stad en de aantrekkelijkheid van uiteenlopende woon- en recreatiemilieus. Het gaat daarbij om de waarden vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, water en recreatief gebruik op gemeente en op particuliere terreinen. Aan groen worden de laatste jaren steeds meer waarden en kwaliteiten toegekend. Zo ook aan het Arnhemse groen.
Daarbij valt te denken aan gezondheid, klimaat (verminderen van hitte en van wateroverlast), milieu (verbeteren luchtkwaliteit), stadslandbouw, dierenwelzijn, toerisme en sport en bewegen. Het groen biedt ruimte voor een gezonde, leefbare, aantrekkelijke en daarmee ook toekomstbestendige woon- en werkomgeving. De Groenvisie legt niet alleen het groen-blauw raamwerk vast, dus de stedelijke hoofdgroenstructuur, maar geeft ook richting aan het belang van groen in de wijken, zodat initiatieven de waarden van het groen (landschap, biodiversiteit, gezondheid, waterbuffering, koelte) niet aantasten maar juist versterken. Zij vormt daarmee een basis voor de vertaling naar de (planologische) bescherming van waardevolle gebieden en waardevolle bomen in de bestemmingsplannen. De visie zorgt voor een actualisatie van de Arnhemse regels met betrekking tot groencompensatie. In de Groenvisie zijn nu de actuele Arnhemse regels groencompensatie 2017 opgenomen. Uitgangspunt blijft dat de totale groenbalans in de stad neutraal moet blijven of toeneemt. Moet er toch groen verdwijnen, dan wordt dat gecompenseerd. Eerst kwantitatief, dan kwalitatief en als laatste financieel. Bij financiële compensatie wordt de waarde van het groen en de boomopstanden gestort in het Groenfonds. Het provinciale beleid met betrekking tot groencompensatie heeft betrekking op bos binnen het Gelderse Natuurnetwerk.
Daar waar de provinciale compensatieregels gelden treden de gemeentelijke terug.
46
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
Bomenplan 2020 Het bomenplan is een uitwerking van de Groenvisie. Onderdeel van dit plan is het jaarlijks aanplanten van nieuwe bomen en bos. Deze nieuwe bomen leveren een belangrijke bijdrage aan het klimaatbestendiger maken van Arnhem. Eén van de doelen van het bomenplan is om meer buitengewone bomen in Arnhem te krijgen. Daarvoor is een lijst met waardevolle bomen vastgesteld. Bij nieuw projecten wordt ingezet op boombewust ontwerpen. Bomen worden daarbij vooraf geïnventariseerd en gewaardeerd, waarna er een boombewust ontwerp wordt gemaakt. Keuzes in behoud, kap en aanplant worden daarin meegenomen en onderbouwd. Op basis van een integrale afweging, wordt in een project een definitieve ontwerpkeuze gemaakt. Toetsing Quickscan natuurtoets Door Buro Ontwerp & omgeving is in november 2020 een quickscan natuurtoets uitgevoerd2. Dit onderzoek is als Bijlage 3 bijgevoegd. De conclusies uit dit onderzoek worden hierna behandeld. Gebiedsbescherming Als gevolg van de bouw en gebruik van de woningen en/of appartementen kunnen er negatieve effecten optreden op nabijgelegen Natura 2000-gebieden. Het gaat om vermesting en verzuring door stikstofdepositie uit de lucht. Omdat de 'Veluwe' en 'Rijntakken' op minder dan 10 km afstand van het plangebied liggen vindt er mogelijk stikstofdepositie plaats op stikstofgevoelige habitattypen.
Om de effecten van stikstofdepositie als gevolg van onderhavig initiatief op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden te berekenen is in mei 2023 door Buro Ontwerp & Omgeving een effectbeoordeling stikstofdepositie uitgevoerd. Het onderzoek is opgenomen als Bijlage 4 bij deze toelichting. Uit de uitgevoerde effectbeoordeling stikstofdepositie blijkt dat de voorgenomen ontwikkeling geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol N/ha/jr oplevert op stikstofgevoelige leefgebieden en habitattypen van nabijgelegen Natura 2000-gebieden. De depositie die optreedt wordt volledig tenietgedaan door de interne saldering. Er is sprake van een afname van 0,18 mol N/ha/jr in de jaren 2024 en 2025 waarin de werkzaamheden worden uitgevoerd en een afname van 0,23 mol N/ha/jr in het jaar 2026 (gebruiksfase). Dit betekent dat in het kader van de Wnb door het toekomstig gebruik er geen negatief effect optreedt ten aanzien van stikstof. Op dit aspect geldt dus geen verplichting tot een vergunning Wnb. Het plangebied ligt op circa 1,46 km afstand van gebieden behoren tot het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en 1,45 km afstand van de Groene Ontwikkelingszone (GO). Gezien de ligging buiten deze gebieden worden de kernkwaliteiten en ontwikkelingen van het GNN en GO bij de werkzaamheden niet aangetast.
Houtopstanden De bomen in het plangebied vallen niet onder de definitie houtopstanden, zoals bedoeld in paragraaf 4.1 van de Wet natuurbescherming. Er zijn enkele bomen aanwezig op het parkeerterrein, in het oosten van het plangebied en in het zuiden van het plangebied. Deze bomen bevinden zich binnen de bebouwde kom en betreffen onder meer esdoorns, gewone taxus en gewone beuk. Omdat het perceel binnen de bebouwde kom is gelegen is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. De bomen staan niet op de Monumentale Bomenlijst van de gemeente Arnhem. Wel kan er middels gemeentelijke regelgeving een kapvergunning nodig zijn als deze bomen worden gekapt. Soortenbescherming Vleermuizen Volgens openbare verspreidingsgegevens kunnen in de omgeving van het plangebied een aantal vleermuissoorten voorkomen. Open stootvoegen in het voormalige conferentiecentrum/magazijn kunnen toegang bieden tot spouwmuren of andere ruimtes, waardoor de aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen niet uitgesloten kan worden. Negatieve effecten op boombewonende vleermuizen, vliegroutes en fourageergebieden zijn uitgesloten. De aanwezigheid van vleermuizen moet daarom nader worden onderzocht. Vogels "Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
47
Chw Raapopseweg 1
Verschillende algemene en strikt beschermde vogelsoorten kunnen voorkomen in en rondom het plangebied. Alle in het wild levende vogelsoorten mogen niet opzettelijk gestoord, gevangen of gedood worden volgens de Vogelrichtlijn. Voor de strikt beschermde soorten zijn ruim voldoende uitwijkingsmogelijkheden voorradig waardoor geen ecologisch zwaarwegende redenen zijn om nesten van deze soorten jaarrond te beschermen. Met het plan wordt de functionaliteit van het slechtvalknest op de toren van AkzoNobel niet verloren, waardoor negatieve effecten op de slechtvalk kunnen worden uitgesloten. Het voorkomen van de huismus binnen het plangebied kan niet geheel worden uitgesloten. Indien de haag aan de noordwestzijde van het plangebied wordt verwijderd is nader onderzoek nodig naar deze soort. Vlinders en overige beschermde soorten Uit de openbare beschikbare verspreidingsgegevens blijkt dat de grote vos en de sleedoornpage eventueel te verwachten zijn in het plangebied. Deze soorten zijn nationaal beschermd. In het plangebied is één waardplant (iep) aanwezig op de parkeerplaats. Het is mogelijk dat deze boom door de grote vos als voortplantingsplaats wordt gebruikt. Als deze boom wordt verwijderd, kunnen negatieve effecten op de grote vos niet worden uitgesloten.
In het plangebied zijn geen geschikte waardplanten aanwezig voor de sleedoornpage, waardoor negatieve effecten op deze soort kunnen worden uitgesloten. Negatieve effecten op de overige soortgroepen kunnen eveneens worden uitgesloten. Nader onderzoek Naar aanleiding van de conclusies van de quickscan is door Buro Ontwerp & Omgeving in de zomer van 2021 een aanvullend onderzoek naar vleermuizen, grote vos en huismussen gedaan. Het nader onderzoek is als Bijlage 5 bijgevoegd. Tijdens het nader onderzoek zijn geen vleermuizen aangetroffen. Uit het onderzoek blijkt dat de grote vos ook niet aanwezig is in het plangebied. Er bevindt zich geen nestlocatie van de huismus binnen de begrenzing van het plangebied. Wel zijn er huismussen waargenomen in verschillende delen van de aanwezige begroeiing. De laurierkershagen zijn hierbij de belangijkste elementen aangezien deze zich het dichtst bij andere huismusactiviteit en/of nestlocaties bevinden. Daarnaast is deze begroeiing wintergroen waardoor deze in de winter ook dekking en bescherming biedt. Als twee hagen op de grens van het plangebied behouden blijven, worden daardoor geen negatieve effecten verwacht op nabijgelegen nestlocaties of de staat van instandhouding van de huismus.
Wanneer wordt besloten deze hagen wel te verwijderen kan dit negatieve effecten hebben op de nabijgelegen nestlocaties en dient een ontheffing van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Als alleen de begroeiing in het noordoosten van het plangebied verdwijnt, zal er geen effect zijn op nabijgelegen nestlocaties of de staat van instandhouding. De activiteit in deze elementen was minimaal en er blijven voldoende andere (winter)groene elementen behouden. De betreffende twee hagen blijven bij de ontwikkeling behouden. Omdat er buiten het plangebied ook hagen aanwezig zijn die deel uitmaken van de functionele leefomgeving is er in het geval van tijdelijke verstoring door de bouwwerkzaamheden geen wezenlijke invloed op de (lokale) staat van instandhouding van de soort. Om negatieve effecten op de hagen tijdens de werkzaamheden te beperken, wordt geadviseerd om bouwverlichting te vermijden. Indien het toch noodzakelijk is om bouwverlichting te gebruiken dient uitstraling op de hagen te worden voorkomen. Groen Voor de ontwikkeling is door Expedio Arbori in september 2023 een bomeneffectanalyse (BEA) uitgevoerd. Deze analyse is als Bijlage 6 bijgevoegd. De doelstelling van de analyse is om te bepalen wat de kwaliteit is van de bomen en of deze duurzaam te behouden zijn met de nieuwe ontwikkeling.
Daarnaast om te bepalen welke acties er genomen worden de te behouden bomen te beschermen tijdens de beoogde werkzaamheden. Op basis van de BEA komt naar voren welke bomen behouden blijven en welke bomen plaats moeten maken voor de ontwikkeling. In het plangebied is één waardevolle boom aanwezig. Deze blijft behouden. Voor de boom is een beschermende regeling opgenomen in het bestemmingsplan (zie artikel 11.1 van de regels). Voor de ontwikkeling is ook een groenbalans opgesteld. Hierin zijn de groenvoorzieningen in de huidige situatie (zie Bijlage 7) en de toekomstige situatie (zie Bijlage 8) in het plangebied geanalyseerd. Uit de 48
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
analyses komt naar voren dat het aandeel groen in de toekomstige situatie significant toeneemt. Voor de ontwikkeling zal een deel van de bestaande bomen moeten worden verwijderd. Op een andere plaats zullen echter nieuwe bomen worden teruggeplaatst. Het aantal bomen in het plangebied zal ten opzichte van de huidige situatie eveneens ruim toenemen. Conclusie Het aspect groen en ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. 5.2.6
Water
Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is onderdeel geworden van het Nationale Omgevingsvisie, de NOVI (2020). De NOVI bevat nieuw strategisch beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving en komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies en relevante delen van zelfstandige strategische beleidsplannen (natuurvisie, verkeer- en vervoerplannen) en de strategische gedeelten van nationale én provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen. Echter delen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) blijven van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Het gaat dan om de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid beschrijven en de daartoe behorende ruimtelijke aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. Echter als de NOVI afwijkt van het NWP, dan moet dat als wijziging van het NWO worden gezien. Tot de invoering van de Omgevingswet is het waterbeleid in 2 nationale plannen terug te vinden. De NOVI is een integrale omgevingsvisie voor de fysieke leefomgeving, maar de relatie met de sociale leefomgeving wordt uitdrukkelijk gelegd. Naast de ruimtelijk-functionele indeling van de leefomgeving gaat het ook om de activiteiten die een effect hebben op de leefomgeving in brede zin, waaronder het milieu, water, bodem, lucht en het natuurlijk kapitaal. Boven- en ondergrond zijn onlosmakelijk verbonden.
In de NOVI worden 4 prioriteiten gesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, Duurzaam economisch groeipotentieel, Sterke en gezonde steden en regio's en Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarnaast zijn 3 afwegingsprincipes vastgelegd. Onder de eerste prioriteit vallen nu ook de eerdere bestuursakkoorden die voor het thema Water zijn afgesloten. In 2050 is Nederland Klimaatbestendig en waterrobuust ingericht, is de veiligheid tegen overstroming gegarandeerd, hebben rivieren en beken de ruimte gekregen en is voldoende zoetwater van goede kwaliteit aanwezig. Bij het laatste gaat het om oppervlaktewater en grondwater. In de Waterwet (22 december 2009) zijn onder meer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor hemelwater indien de eigenaar van het terrein het hemelwater in alle redelijkheid niet op eigen terrein kan verwerken en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht. In het gemeentelijke rioleringsplan geven gemeenten aan hoe zij invulling geven aan die zorgplichten. Provinciaal en regionaal beleid Op provinciaal niveau zijn alle beleidsplannen geïntegreerd in één plan: de Omgevingsvisie Gelderland (vastgesteld 9 juli 2014). Water is opgenomen in twee centrale doelstellingen, te weten het borgen van de kwaliteit en de veiligheid van de leefomgeving.
Realisatie van deze doelstellingen betekent onder meer: ontwikkelen met kwaliteit met respect voor ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten; een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle functies; bij droogte, hitte en waterovervloed; een gezonde en veilige leefomgeving een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap. Verder is de provincie het aanspreekpunt voor drie watergerelateerde zaken: onttrekkingen voor drinkwaterwinning; "Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
49
Chw Raapopseweg 1
onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen zoals koude- en warmte opslag (KWO); industriële onttrekkingen meer dan 150.000 m³ per jaar. Beleid waterschapen gemeente De verantwoordelijkheid voor het stedelijk waterbeheer in Arnhem-Noord, inclusief het in stand houden van de waterkering, ligt bij het Waterschap Rijn en IJssel. Relevant beleid is opgenomen in het Waterbeheerprogramma 2022-2027 en de Keur en legger van het waterschap. Het waterbeleid van de gemeente Arnhem is vastgelegd in de volgende beleidsplannen. Het geactualiseerde Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) vastgesteld op 14 november 2018. Het plan richt zich op een verbetering van de kwaliteit van het rioleringsstelsel door het verminderen van de vuiluitworp naar het oppervlaktewater, de bodem en het grondwater, op het voorkomen van overlast door klimaatverandering en op het vasthouden van schoon hemelwater in stedelijk gebied. Aanpak wateroverlast Arnhem-Noord (vastgesteld 2 november 2015). Het plan heeft tot doel om Arnhem en vooral Arnhem-Noord, beter waterbestendig te maken tegen zware regenbuien. Daarom zal over elk plan een waterscan worden gelegd. Tijdens werkzaamheden in de openbare ruimte worden ruimtelijke maatregelen genomen die wateroverlast verminderen dan wel beperken.
Strategie Klimaatadaptatie "Groen, Slim en Samen" In januari 2021 is de Strategie Klimaatadaptatie "Groen, Slim en Samen" vastgesteld. In de Strategie geeft Arnhem aan hoe zij zich in dit decennium klimaatbestendig wil maken op de thema's die voor de klimaatadaptatie van belang zijn: Droogte, Hitte, Wateroverlast en Waterveiligheid. De belangrijkste ambities zijn: de klimaatopgave is een gezamenlijke opgave voor alle bewoners, bedrijven en instellingen in Arnhem; de verdichtingsopgave wordt gecombineerd met de klimaatadaptatie; 10% minder verharding, meer groen en water; de ambities voor het thema Water is de schade en overlast door extreme buien zoveel mogelijk te voorkomen, door onder meer: 1. bij nieuwbouw al het hemelwater af te koppelen; 2. bij renovatie maximaal af te koppelen, waarbij de haalbaarheid per geval beoordeeld zal worden. (In beide situaties geldt de minimale eis van 40 mm. neerslag op eigen terrein verwerken); 3. in 2030 in ieder geval 90% van de huidige openbare ruimte afgekoppeld te hebben 4.
voorkomen van wateroverlast bij toename bebouwing en /of verharding voor het thema Hitte en Droogte geldt dat de negatieve effecten van hitte worden tegen gegaan; aanvullend voor het thema Droogte geldt dat meer inzicht nodige is in de effecten van droogte ook op de waterkwaliteit; en voor het thema Waterveiligheid sluit de gemeente aan bij de waterschappen en RWS, de verantwoordelijke organisaties voor dit thema. Resumé Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat: negatieve verstoring van de grondwaterstanden en –stromingen niet toegestaan zijn om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen; maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling; bij nieuwbouw het regenwater binnen het plangebied afgekoppeld moet worden van de riolering en worden verwerkt op eigen terrein; voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie; het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt; het gebruik van uitloogbare materialen en chemische bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan; ontwikkelingen moeten bijdragen aan het verminderen of beperken van wateroverlast; ontwikkelingen en herinrichtingen moeten klimaatbestendig en waterrobuust ingericht worden.
Situatie plangebied 50
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
Chw Raapopseweg 1
Door Buro Ontwerp & Omgeving is in juli 2023 een waterhuishoudkundige analyse uitgevoerd. Deze analyse is als Bijlage 9 bijgevoegd. Huidige situatie Ter plaatse van het plangebied zijn drie gebouwen aanwezig waarin voorheen een farmaceutisch bedrijf was gevestigd. Het terrein is grotendeels verhard, met in het noorden en midden van het gebied een parkeerplaats. Bij de parkeerplaats en aan de zuidzijde van het plangebied zijn enkele groenperkjes met struiken en bomen aanwezig. Ten oosten van het plangebied ligt een groenstrook en in het noordoosten bevindt zich een tuin met veel struikgewas. In navolgende tabel is een overzicht van het verhard oppervlak in de huidige situatie opgenomen.
Toekomstige situatie Binnen het plangebied wordt een nieuw woonmilieu met een mix van appartementen en grondgebonden woningen gerealiseerd. In navolgende tabel is een overzicht van het verhard oppervlak in de toekomstige situatie opgenomen.
In de nieuwe situatie zal het totaal verhard oppervlak met circa 1.300 m2 afnemen. Klimaatadaptatie De gemeente Arnhem heeft de Strategie Klimaatadaptatie Arnhem. Dat is ook een belangrijk uitgangspunt bij de planontwikkeling. Wateroverlast door extreme of langdurige regenval, hittestress door langdurige hittegolven of droogte komen steeds vaker voor. Ook voor dit plangebied is dit aan de orde. Het water opvangen, vasthouden en alleen indien het niet anders kan afvoeren is een belangrijke opgave. Onderzoek is nodig om te bepalen of het bufferen van water in zowel het onbebouwd oppervlak als op de daken mogelijk is. Streven is om verhardingen in het onbebouwd oppervlak alleen te realiseren als dit nodig is, en te kiezen voor toekomstbestendig, biodivers en inheems groen. Hierbij spelen (grote) bomen een belangrijke rol, deze zorgen onder andere voor schaduw en leveren daardoor een positieve bijdrage aan het voorkomen van hittestress. Voor het plangebied is een Omgevingskwaliteitsplan
"Chw Raapopseweg 1" (vastgesteld)
51
Chw Raapopseweg 1
opgesteld, waarin deze thema's aan bod komen (zie Bijlage 1 bij de regels). Uitgangspunten Ter plaatse van het plangebied is sprake van een relatief lage GHG, waardoor er geen sprake is van grondwateroverlast voor gebouwen. Een minimale ontwateringsdiepte van 0,7 meter voor woningen met kruipruimte en woonstraten wordt geadviseerd. Tevens wordt een drempelhoogte van 0,2 meter boven het straatpeil geadviseerd. Benodigde waterberging Vanuit klimaatadaptatie wordt geadviseerd volgens de voorkeursvolgorde om te gaan met hemelwater. De voorkeursvolgorde is: Bergen en hergebruik; Bergen en infiltreren in de bodem; Bergen en vertraagd (zichtbaar) afvoeren naar oppervlaktewater (direct of indirect); Bergen en vertraagd afvoeren naar het (hemelwater)riool. De bergingseis van de gemeente Arnhem voor het verwerken van hemelwater op eigen terrein is een bui van 40 mm per m2 in 45 minuten. Uitgaande van het te realiseren verhard oppervlak is een waterberging van circa 222 m³ noodzakelijk (zie navolgende tabel).