Bijlage 1 - Ruimtelijke onderbouwing Zonneveld – IJsseloord 2 (inclusief bijlagen)
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Zonneveld - IJsseloord 2, Arnhem Gemeente Arnhem
Planstatus:
definitief
Plan identificatie:
NL.IMRO.0202.ROBZonIJsseloord2-CO01
Datum:
26-01-2022
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. J. van Nuland & Dhr. R. van den Heuvel
Kenmerk Buro SRO:
SR210367
Opdrachtgever:
IJsseloord2 Projectontwikkeling B.V.
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleid en regelgeving ............................................................................................................................ 13 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 15
4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 18 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 18 4.2 Water ................................................................................................................................................................ 19 4.3 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 20 4.4 Bodem ............................................................................................................................................................... 21 4.5 Geluid ................................................................................................................................................................ 22 4.6 Lichtreflectie ..................................................................................................................................................... 22 4.7 Luchtkwaliteit ....................................................................................................................................................
24 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 25 4.9 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 27 4.10 Externe veiligheid ............................................................................................................................................ 27 4.11 Parkeren en verkeer ........................................................................................................................................ 29
5 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 31 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 32 Bijlagen bij toelichting Bijlage 1. Uitslag transportindicatie, 1-12-2020 Bijlage 2. Quickscan flora en fauna, 24-2-2021 Bijlage 3. AERIUS-berekening, 24-2-2021 Bijlage 4. Overzichtstekening, 21-1-2022 Bijlage 5. Visie de Bult, 16-11-2021 Bijlage 6. Inrichtingsplan ecologie, 21-1-2022 Bijlage 7. Reflectierapport Zonnepark De Bult, 9-12-2021 Bijlage 8. Detail/uitsnede Rijnhert, 21-1-2022 Bijlage 9. Doorsnede/detail wandelpad, 21-1-2022
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om op de voormalige stortplaats 'De Bult' op bedrijvenpark IJsseloord 2 in Arnhem een zonnepark in de vorm van een veldopstelling te realiseren. De gronden van de planlocatie zijn in het geldende bestemmingsplan 'IJsseloord II', vastgesteld door de raad van de gemeente Arnhem op 19 februari 1996, voorzien van de bestemming 'Groen'. Binnen deze bestemming is een zonnepark niet mogelijk, waardoor het initiatief niet past in het geldende bestemmingsplan. De locatie is reeds eerder in gemeentelijk beleid aangewezen als potentiële locatie voor de ontwikkeling van een zonnepark. Tevens is er door netbeheerder Liander een positieve transportindicatie afgegeven (zie bijlage 1 Uitslag transportindicatie). Door middel van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking, artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo, kan afgeweken worden van het bestemmingsplan en kan het zonnepark mogelijk gemaakt worden. Er dient in dit geval een uitgebreide voorbereidingsprocedure gevolgd te worden waar een ruimtelijke onderbouwing onderdeel van is. Voorliggende ruimtelijke onderbouwing dient als onderbouwing van de voorgenoemde afwijking van het geldende bestemmingsplan.
1.2 Ligging plangebied Het plangebied is gelegen op 'de Bult' op het bedrijventerrein IJsseloord 2 in de gemeente Arnhem. De planlocatie is kadastraal bekend als de gemeente Arnhem, sectie T, met gedeeltes van de percelen 3002, 4803 en 4666. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.
Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
5
Globale begrenzing plangebied, rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'IJsseloord II', vastgesteld door de raad van de gemeente Arnhem op 19 februari 1996. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan 'IJsseloord II' met het plangebied in het rood omkaderd.
Uitsnede geldende bestemmingsplan 'IJsseloord II', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Voor de gronden van het plangebied geldt de bestemming 'Groen'. De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn uitsluitend bestemd voor de aanleg en instandhouding van groenvoorzieningen met de daarin eventueel opgenomen paden, inritten, watergangen, bebakening, verlichting, geluidwerende voorzieningen en dergelijke.
6
Daarnaast is ook 'artikel 18 aardgasleiding' van toepassing op het plangebied. Dit betekent dat de gronden in het plangebied alleen mogen gebruikt indien de belangen van de aardgasleiding niet worden geschaad en de veiligheid van op deze gronden aanwezige personen niet wordt geschaad. Zonder vrijstelling van burgemeester en wethouders is het volgende binnen een strook van 4m aan weerszijden van de hartlijn van de leiding niet toegestaan:
• • • • • •
het aanbrengen van gesloten wegdek; het wijzigen van het maaiveldniveau door ontgronding of ophoging; het verrichten van graafwerkzaamheden anders dan normaal spit- en ploegwerk; het aanbrengen van diepwortelende beplanting; het indrijven van voorwerpen in de grond; het permanent opslaan van goederen.
In 'artikel 23 lid 1' is een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid opgenomen ten aanzien van kunstobjecten en andere bouwwerken van openbaar nut. De aan te brengen zonnepanelen kunnen mogelijk worden gekwalificeerd als bouwwerken van openbaar nut. Voor die bouwwerken geldt de binnenplanse vrijstelling van artikel 23 van de planregels. De voorgenomen ontwikkeling is niet mogelijk binnen het geldende bestemmingsplan. Er wordt afgeweken van het geldende bestemmingsplan door middel van een omgevingsvergunning buitenplanse afwijking, artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 3 Wabo. Naast het bestemmingsplan 'Bedrijventerrein IJsseloord II' gelden voor de gronden van het plangebied de bestemmingsplannen 'Facetplan Parkeren', vastgesteld op 30 mei 2018 en 'Facetplan woningsplitsing en verkamering', vastgesteld op 28 oktober 2020. Het doel van het bestemmingsplan 'Facetplan Parkeren' is om alle daarvoor in aanmerking komende bestemmingsplannen (zo ook IJsseloord II) te voorzien van een parkeerregeling. Het 'Facetplan woningsplitsing en verkamering' is voor deze ontwikkeling niet relevant.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de bestaande en toekomstige situatie in het plangebied beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationaal, provinciaal en gemeentelijk beleid en de relevante wetgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en de (milieu)wetgeving. De economische uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 5 aan bod en de maatschappelijke uitvoerbaarheid komt in hoofdstuk 6 aan de orde.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich op 'de Bult' op het bedrijvenpark IJsseloord 2. De Bult is een circa 30 meter hoge voormalige stortplaats en is circa 5 hectare groot. De Bult kent twee horizontale ringen die de geleding versterken. Op de planlocatie is voornamelijk gras aanwezig en het plangebied wordt dan ook gebruikt als grasland voor schapen. Op de top staat een groot beeldhouwwerk van een hert welke bereikt kan worden met een trap aan de noordwestzijde van de Bult. Verder is het plangebied grotendeels omringd door een heg. De Bult kan gezien worden als een landmark, dat vanuit de wijde omtrek en vanaf de A12 zichtbaar is. Rondom het plangebied bevinden zich aan vrijwel alle zijden bedrijven, kantoorgebouwen of parkeerterreinen. Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een waterberging met groen. De navolgende afbeeldingen tonen de huidige situatie van de planlocatie.
Huidige situatie planlocatie vanaf de Meander in zuidelijke richting (bron: Google Streetview)
Impressie huidige situatie plangebied (bron: MMEPP)
8
2.2 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt op de planlocatie een zonnepark bestaande uit zonnepanelen in veldopstelling gerealiseerd. De zonnepanelen passen bij het duurzame karakter van IJsseloord 2. Op de Bult worden ca. 19.000 PV-panelen geplaatst, die samen goed zijn voor de duurzame energie opwekking voor ca. 1.250 woningen. De voormalige stortplaats 'De Bult' is circa 5 hectare groot, waarvan circa 4 hectare beschikbaar is voor het zonnepark. Hierbij wordt de noordzijde van de helling niet meegenomen omdat hier geen directe bezonning is. De noordzijde blijft gelijk aan de huidige situatie en blijft geschikt voor schapen om daar te grazen. In de visie voor de Bult van MMEPP (zie bijlage 5 Visie de Bult) wordt de inpassing uitgebreid toegelicht. Er kan gesteld worden dat er een vermogen tot 6 Mwp mogelijk is. Het exacte type zonnepanelen is nog niet bekend, wel wordt gestreefd naar een zo nieuw en efficiënt mogelijk type. De zonnepanelen worden uitgevoerd met smooth glass en een anti-reflectiecoating (ARC). Er wordt voor nu geen nieuwe verlichting aangelegd op de Bult. De PV-panelen worden op metalen pinnen, voorzien van draagplaten, geplaatst. Het systeem behoeft geen fundering, en de diepte van de pinnen is ca. 40 cm. Tevens wordt gestreefd om de zonnepanelen 15 cm uit elkaar te plaatsen, zodat naast licht ook water onder de panelen kan komen.
Hierdoor blijft de leeflaag onder de PV-panelen intact en blijft de waterhuishouding in stand. Er blijft ruimte onder de zonnepanelen voor groen zodat de groene verbindingszone in stand blijft. Onder de zonnepanelen kan een inheemse kruidenvegetatie ontwikkelen. Het onderhoud van het groen onder de panelen is afhankelijk van hoe het groen zich uiteindelijk ontwikkeld. Er wordt gestreefd om het groen te onderhouden door schapen te laten grazen, vandaar we tussen de zonnepanelen en de bodem circa 850 mm vrij houden op het laagste punt. Als dit niet mogelijk blijkt te zijn dan kan een robotmaaier ingezet worden. Rondom de Bult is de beplanting reeds voorzien, deze zal intact blijven. Langs het hekwerk aan de noordzijde wordt een ecozone met natuurlijke beplanting gerealiseerd. De navolgende afbeelding toont de inrichting van het plangebied. De overzichtstekening is tevens als bijlage 4 overzichtstekening toegevoegd.
Inrichtingstekening toekomstige situatie (bron: DAGNL.)
9
Doorsnede toekomstige situatie (bron: DAGNL.)
De herkenbaarheid en vorm van de Bult blijven gehandhaafd. De Bult vormt immers een beeldbepalend landmark voor de stad. Uit onderstaande impressies wordt tevens duidelijk hoe de toekomstige situatie er vanuit de lucht en vanuit ooghoogte uit ziet en dat deze landmark functie behouden blijft. De onderzijde van het Rijnhert komt boven de laatste rij PV-panelen uit, zoals is weergegeven in bijlage 8 (Detail/uitsnede Rijnhert, 21-1-2022). De geleding wordt benadrukt door de manier waarop de PV-panelen gemonteerd worden. De zonnepanelen zullen, voor de veiligheid, worden afgeschermd door een groene afscheiding dat bestaat uit de bestaande haag met daarachter een groen hek. Deze afscheiding zal zowel functioneel als visueel aantrekkelijk ogen en een integraal onderdeel zijn van het land art concept. Aan de oostzijde en de westzijde langs de trap en zonnepanelen wordt een hek op enige afstand en evenwijdig aan het voetpad geplaatst. Het hek wordt zo uitgevoerd dat het uitzicht richting de IJssel en haar uiterwaarden niet verstoord wordt. Tussen het pad en het hek wordt een ecologische zone van wilde grassen en seizoens bloemen aangelegd. Voor een verdere uitwerking van de afscheiding wordt verwezen naar pagina 14 van de visie voor de Bult (zie bijlage 5 Visie de Bult en bijlage 9 Doorsnede/detail wandelpad 21-1-2022).
Aan de voet van de Bult, bij de treden omhoog, komt een informatiebord over de Bult en haar functie als “energieberg”. Er is door GRAS advies (zie bijlage 6 Inrichtingsplan ecologie, 21-1-2022) geadviseerd hoe bij de inrichting van het plangebied bijgedragen kan worden aan de ecologische waarde en de biodiversiteit. Hiertoe is een ecologisch inrichtingsplan opgesteld. Voor het advies wordt verwezen naar de bijlage. De opgang naar het hert wordt aan de rechter kant voorzien van landschappelijke beplanting met een worteldiepte van maximaal 40cm. Het gaat om vlakgroeiende wortelbeplanting. Er wordt gekozen voor beplanting met een lange bloeiboog die zowel bijdragen aan het versterken van de biodiversiteit, vruchten leveren voor consumptie en recreatief aantrekkelijk zijn. Bij zonnepanelen kan er door reflectie mogelijk schittering optreden. Tegenwoordig zijn de technologische ontwikkelingen met betrekking tot de schittering van zonnepanelen zover dat er minimaal sprake is van reflectie. Het glas wordt onder andere voorzien van een anti-reflectiecoating en is daardoor anti-reflectief, ook richting de directe omgeving. Hierdoor is de verwachting dat schittering van de zonnepanelen ofwel niet hinderlijk zal zijn ofwel helemaal zal verdwijnen voor het verkeer op de omliggende wegen. Hier wordt in toelichting paragraaf 4.6 lichtreflectie verder op ingegaan.
De navolgende afbeeldingen tonen een situatieschets en impressies van de toekomstige situatie. Voor aanvullende schetsen en impressie wordt verwezen naar de visie voor de Bult (zie bijlage 5 Visie de Bult).
10
Situatieschets toekomstige situatie (bron: MMEPP)
Impressie toekomstige situatie (bron: MMEPP)
11
Impressie toekomstige situatie vanaf de Meander (bron: MMEPP)
Impressie toekomstige situatie vanaf de A12 (bron: MMEPP)
12
3 Beleid en regelgeving 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI) Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek De NOVI is gezien de aard en omvang van het project niet specifiek van toepassing op het plangebied. Wel wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het Rijk zoals klimaatadaptatie en energietransitie. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Het Barro is niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die
13
3.
4.
ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Het beoogde plan voorziet in de realisatie van een zonnepark met een oppervlakte van ca. 50.000 m². Daarmee betreft het plan een toevoeging van een terrein met een ruimtebeslag groter dan 500 m² en wordt derhalve als een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Onderstaand zal worden ingegaan op de ligging van het plangebied en de behoefte aan de beoogde ontwikkeling.
Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als volgt gedefinieerd: ’bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Het plangebied is gelegen op het bedrijventerrein bekend als het IJsseloord 2. Het gebied wordt intensief gebruikt voor bedrijfsactiviteiten. Er kan dan ook geconcludeerd worden dat het plangebied binnen bestaand stedelijk gebied ligt. Behoefte IJsseloord 2 is een bedrijventerrein met een duurzaam karakter en een groot aantal bedrijven. Hier past het duurzaam opwekken van energie goed bij. Tevens is er in Arnhem en Nederland een grote behoefte aan duurzame energie in het kader van het klimaatakkoord. In toelichting paragraaf 3.3.2 wordt verder ingegaan op de behoefte aan duurzame energie in Arnhem. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland De Omgevingsvisie Gaaf Nederland is vastgesteld op 19 december 2018. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie Gelderland legt bij de uitoefening van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economisch krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities – op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economisch vestigingsklimaat en op het woon- en leefklimaat – wordt daaraan richting gegeven.
14
De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. De schetsen zijn een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen. De ambities die hieruit volgen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzame topregio! Woon- en leefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.
Planspecifiek Met name de ambitie 'energietransitie' is van toepassing op de voorgenomen ontwikkeling. De realisatie van een zonnepark draagt bij aan de transitie van fossiele brandstoffen naar duurzame energie. Tevens draagt de ontwikkeling bij aan het verduurzamen van de woon- en leefomgeving. De omgevingsvisie Gelderland vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie Gelderland heeft op 24 september 2014 de Omgevingsverordening vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Deze Omgevingsverordening is partieel gewijzigd. Voor de beoordeling van het onderhavige bestemmingsplan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland maart 2021. De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De Omgevingsverordening is er een van. De verordening voorziet ten opzichte van de Omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provinciale belangen veilig te stellen of om uitvoering te geven aan wettelijke verplichtingen. De Omgevingsverordening richt zich net zo breed als de Omgevingsvisie op de fysieke leefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving opgenomen zijn in de Omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van ruimtelijke ordening, milieu, water, verkeer en bodem.
De verwachting is dat de omgevingsverordening op termijn alle regels zal gaan bevatten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. Planspecifiek Voor de voorgenomen ontwikkeling zijn geen specifieke regels uit de omgevingsverordening van toepassing. De omgevingsverordening Gelderland vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Structuurvisie Arnhem 2020-2040 Op 28 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Arnhem de agenda vastgesteld voor de structuurvisie ‘Arnhem 2020 met doorkijk 2040’. De structuurvisie voor de stad biedt een strategisch kader voor ruimtelijke plannen op stedelijk niveau voor de lange termijn. De belangrijkste principes worden benoemd en uitgewerkt in een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief. Het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor de stad bestaat uit de volgende principes: 1. 2. 3. 4.
Herbronnen en herijken Van eindplan naar koers Van tweedeling naar drie-eenheid Cyclisch en adaptief
15
5. 6. 7.
Ondergrond en bovengrond 'Chique en basic' 'Mobiliteit en leefkwaliteit'
De ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven worden uitgewerkt in verschillende thema's, waaronder 'Wonen'. De demografische toekomst van de stad kleurt in belangrijke mate het toekomstbeeld. Tot 2030 zal het inwonersaantal van Arnhem doorgroeien tot naar verwachting 160.000 inwoners. Daarbij zal de bevolkingsopbouw veranderen: vergrijzing zal sterk toenemen en het aantal eenpersoonshuishoudens in de stad zal sterk groeien. Zowel kwantitatief als kwalitatief zullen er veranderingen plaatsvinden. De toekomstige ruimtevraag zal binnen de bestaande stad worden opgelost. Planspecifiek Het plangebied van de beoogde ontwikkeling maakt deel uit van het koersgebied 'werklandschappen'. Daarbij wordt onder 'karakteristiek' en 'ontwikkelingsrichting en opgaven' de term 'Werkmilieu IJsseloord 2' genoemd. Hierin wordt aangegeven dat het bedrijventerrein IJsseloord 2 een hoogwaardig en duurzaam karakter kent. Tevens wordt als opgave onderscheiden: "een investering in zonnepanelen op de karakteristieke ‘bult’ op het terrein zou een wervend en duurzaam landmark voor het terrein neerzetten bij de stadsentree vanaf het Velperbroekcircuit". Daarom kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling van een zonnepark op de Bult in lijn is met de ambities uit de structuurvisie Arnhem 20202040.
3.3.2 New Energy Made in Arnhem 2020-2030 De doelstelling in het raadsprogramma ‘New Energy Made in Arnhem 2020 – 2030’ is om in 2030 34 kT CO2 reductie te realiseren met behulp van wind- en zonne-energie opwekprojecten binnen de eigen gemeentegrenzen. Hiermee wordt naar de ambitie om in 2050 klimaatneutraal te zijn toegewerkt. Hierbij wordt tevens specifiek het gebruik van zonneparken bij het behalen van deze doelstellingen benoemt. Het doel is om met zonnevelden alleen in 2023 18 MWp (circa 20 hectare) aan energie op te wekken en in 2030 42 MWp (circa 45 hectare) aan energie op te wekken. Planspecifiek In het raadsprogramma 'New Energy Made in Arnhem 2020 - 2030' wordt het zonnepark in IJsseloord 2 genoemd. De beoogde realisatie van het zonnepark draagt bij aan de ambitie van de gemeente Arnhem om CO2 reductie te realiseren en om de gestreefde hoeveelheid energie met zonneparken op te wekken. Daarmee kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling aansluit bij het raadsprogramma 'New Energy Made in Arnhem 2020 - 2030'. 3.3.3 Groenvisie Arnhem 2017-2035 Op 5 maart 2018 heeft de gemeenteraad van de gemeente Arnhem de Groenvisie 2017-2035 vastgesteld. De Groenvisie gaat over het Groen-blauw raamwerk, de stedelijke hoofdgroenstructuur, vertaald in doelen, ambities en ontwikkelopgaven.
Dit Groen-blauw raamwerk van de stad bepaalt het gezicht van de stad en de aantrekkelijkheid van uiteenlopende woon- en recreatiemilieus. Het gaat daarbij om de waarden vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, water en recreatief gebruik op gemeente en op particuliere terreinen. Aan groen worden de laatste jaren steeds meer waarden en kwaliteiten toegekend. Zo ook aan het Arnhemse groen. Daarbij valt te denken aan gezondheid, klimaat (verminderen van hitte en van wateroverlast), milieu (verbeteren luchtkwaliteit), stadslandbouw, dierenwelzijn, toerisme en sport en bewegen. Het groen biedt ruimte voor een gezonde, leefbare, aantrekkelijke en daarmee ook toekomstbestendige woon- en werkomgeving. De Groenvisie legt niet alleen het groen-blauw raamwerk vast, dus de stedelijke hoofdgroenstructuur, maar geeft ook richting aan het belang van groen in de wijken, zodat initiatieven de waarden van het groen (landschap, biodiversiteit, gezondheid, waterbuffering, koelte) niet aantasten maar juist versterken. Zij vormt daarmee een basis voor de vertaling naar de (planologische) bescherming van waardevolle gebieden en waardevolle bomen in de bestemmingsplannen.
16
De visie zorgt voor een actualisatie van de Arnhemse regels met betrekking tot groencompensatie. In de Groenvisie zijn nu de actuele Arnhemse regels groencompensatie 2017 opgenomen. Uitgangspunt blijft dat de totale groenbalans in de stad neutraal moet blijven of toeneemt. Moet er toch groen verdwijnen, dan wordt dat gecompenseerd. Eerst kwantitatief, dan kwalitatief en als laatste financieel. Bij financiële compensatie wordt de waarde van het groen en de boomopstanden gestort in het Groenfonds. Het provinciale beleid met betrekking tot groencompensatie heeft betrekking op bos binnen het Gelderse Natuurnetwerk. Daar waar de provinciale compensatieregels gelden treden de gemeentelijke terug. Planspecifiek Bouwen in deze groene bestemming kan alleen, na zorgvuldige afweging van belangen. In dit geval gaat het om de afweging van groen, ecologisch effect ten opzichte van duurzaamheidsambities. Een zonneveld is een duurzaamheidsambitie. Deze ambitie is mogelijk als de groene en ecologische waarden ter plaatse vergroot worden. De voorgestelde maatregelen geven invulling daaraan. Verder moeten de regels groencompensatie (groenvisie 2017) worden gehanteerd. Dit staat ook in het coalitieakkoord. Een strijdigheid op de bestemming wordt daar ook mee bedoeld, wat hier het geval is.
Dit betekent dat het oppervlak van het zonneveld moet worden gecompenseerd of dat de bestemming 'groen' blijft met een dubbelbestemming zodat het zonneveld kan worden gerealiseerd. Dit laatste is hier mogelijk. De ruimte onder de zonnevelden moet dan wel een groene en ecologische waardevolle invulling krijgen. Dit is het geval bij voorliggende ontwikkeling, zoals beschreven in toelichting paragraaf 2.2 en toelichting paragraaf 4.8. De regels groencompensatie zijn daarmee goed toegepast en de ontwikkeling past binnen de groenvisie.
17
4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• • •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend initiatief valt onder mogelijkheid d. De activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit mer: er geldt geen mer- (beoordelings)plicht. Dit betekent dat het Besluit mer niet van toepassing is en dat er geen mer- (beoordelings)plicht geldt. Het opstellen van een aanmeldingsnotitie is derhalve niet noodzakelijk. Het plangebied is momenteel bestemd als 'Groen'. Het voorgenomen plan omvat het plaatsen van zonnepanelen in een veldopstelling. Gezien de beperkte aard en omvang van deze ontwikkeling en de ligging van het plangebied in op een bedrijventerrein is bij het voorgenomen plan geen sprake van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in kolom D 11.2 zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Evenmin is de
18
beoogde herontwikkeling te categoriseren als een landinrichtingsproject dan wel een wijziging of uitbreiding daarvan (Besluit m.e.r., kolom D 9) of als de aanleg, wijziging of uitbreiding van een industrieterrein (Besluit m.e.r., kolom D 11.3). Een m.e.r. toets, al dan niet vormvrij, is niet noodzakelijk. In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in toelichting hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen voor een gewogen besluit omtrent dit uitwerkingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Derhalve zal opstellen van een milieueffectrapportage geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten.
4.2 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat: − negatieve verstoring van de grondwaterstanden en –stromingen niet toegestaan zijn om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen. − maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling. − bij nieuwbouw het regenwater binnen het projectgebied afgekoppeld moet worden van de afvalwaterriolering. − voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie. − het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt. − het gebruik van uitloogbare materialen en chemische bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan. − ontwikkelingen moeten bijdragen aan het verminderen of beperken van wateroverlast. Bij toename van verhard oppervlak is de aanleg van extra waterberging van belang om te voorkomen dat wateroverlast ontstaat. Het waterschap bepaalt aan de hand van normbuien hoeveel waterberging nodig is.
De benodigde ruimte voor waterberging wordt berekend op basis van maatgevende regenbuien, de toename aan verhard oppervlak en de maximaal toelaatbare peilstijging in de watergangen. Voor plannen met een toename aan verharding (tot 5.000 m² in stedelijk gebied) geldt de vuistregel: 436 m³ per hectare toegenomen verharding. Planspecifiek In de bestaande situatie bestaat vrijwel het gehele plangebied uit grasland en is vrijwel het gehele plangebied onverhard. De zonnepanelen worden boven de grond op een frame geplaatst. De bodem blijft onverhard (grasland). De PV-panelen worden op 15 cm uit elkaar geplaatst waardoor afwatering per paneel zal plaatsvinden. Het hemelwater dat op de zonnepanelen en het trafostation valt kan in zijn geheel vrij het grasland inzijgen waardoor voor de infiltratie geen verandering ontstaat t.o.v. de huidige situatie. Er wordt geen verharding toegevoegd met het beoogde initiatief. Watercompensatie is daarom niet aan de orde. Waterkering Aan de oostgrens van het plangebied is een kleine watergang met beschermingszone type 1 en 2 gelegen. Voor ingrepen binnen deze beschermingszone is een vergunning vereist. Oppervlaktewater Binnen het plangebied wordt geen oppervlaktewater gerealiseerd.
19
Grondwater Bij het ontwerpen/realiseren van de beoogde ontwikkeling is het aspect grondwater niet relevant. De ontwikkeling heeft geen effect op de grondwaterstanden of -stromingen. Afvalwatersysteem en hemelwater Aansluiting op het afvalwatersysteem is niet relevant voor de beoogde ontwikkeling. Het hemelwater kan ter plaatse infiltreren of afstromen van de Bult. Conclusie De ontwikkeling heeft geen gevolgen voor de waterhuishouding.
4.3 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Om het aspect archeologie te beoordelen is de archeologische verwachtingskaart van de gemeente Arnhem geraadpleegd.
Uitsnede archeologische verwachtingskaart gemeente Arnhem (bron: gemeente Arnhem)
Uit deze verwachtingskaart blijkt dat er een hoge verwachtingswaarde geldt voor het plangebied. Dit zou betekenen dat er bij een ontwikkeling met een oppervlakte groter dan 200 m² en dieper dan 40 cm een onderzoek uitgevoerd moet worden. Een nieuwe verwachtingskaart is momenteel in ontwikkeling en hierop zal de verwachtingswaarde voor het plangebied verdwijnen. De reden hiervoor is dat het bodemarchief al grotendeels verloren is gegaan. Dit is het gevolg van saneringen en grootschalige kleiwinning die heeft
20
plaatsgevonden in de voorgaande eeuwen. Tevens wordt er bij de aanleg van de zonnepanelen slechts tot een diepte van 40 cm geboord en betreft de ondergrond een kunstmatig opgehoogde stortplaats. Daarom wordt uitgegaan van een lage verwachtingswaarde en wordt archeologisch onderzoek niet noodzakelijk geacht. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen vormen voor de beoogde ontwikkeling. Mochten er tijdens de werkzaamheden onverhoopt toch archeologische resten worden aangetroffen, dan worden de initiatiefnemer en de uitvoerder van de werkzaamheden op de wettelijke plicht dergelijke toevalsvondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.
4.4 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een wijziging in gebruik is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de wijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Voor het aspect bodem is de bodeminformatiekaart van de gemeente Arnhem geraadpleegd.
Uitsnede bodeminformatiekaart gemeente Arnhem (bron: gemeente Arnhem)
Het plangebied is tot 1964 als een stortplaats met huishoudelijk afval in gebruik geweest. Daarna is deze stortplaats multifunctioneel gesaneerd. Plaatselijk is er restverontreiniging aanwezig, te zien op de kaart als oranje vlakken. De Bult is gerealiseerd met saneringsgrond van een andere locatie. Daarom mogen er geen bodemingrepen dieper dan 50 cm gedaan worden. De fundering van de zonnepanelen gaat tot een diepte van 40 cm. Er zijn geen restverontreinigingscontouren aanwezig binnen het plangebied. Daarnaast wordt er ook geen wijziging naar een strenger bodemgebruik voorzien. Daarom wordt een bodemonderzoek niet nodig geacht. Conclusie Het aspect bodem vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
21
4.5 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Planspecifiek Voorliggend plan voorziet niet in de realisatie van geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder. Er wordt tevens geen nieuw geluidgezoneerd industrieterrein, een nieuwe weg of een nieuwe spoorweg mogelijk gemaakt. Daarmee is de Wet geluidhinder in het onderhavige geval niet relevant en is een akoestisch onderzoek niet vereist. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect geluid.
4.6 Lichtreflectie Bij zonnepanelen kan lichtreflectie optreden waardoor in sommige gevallen lichtreflectiehinder kan optreden. De hoeveelheid licht dat van een zonnepaneel af komt is ook afhankelijk van de oppervlakte reflectiviteit, bewolkingsgraad, geografische locatie, opstellingsvariant (grootte, hellingshoek, hoogte en oriëntatie) en tijd (jaar en dag). Niet alleen zonnepanelen maar ook bijvoorbeeld gras en bos reflecteren zonlicht. Of de reflectie tot hinder leidt is afhankelijk van de intensiteit en of er sprake is van diffuse straling of directe straling. Bij grasland is meer sprake van diffuse straling terwijl bij zonnepanelen meer sprake is van directe straling. Directe straling leidt tot een hogere intensiteit en dus een fellere reflectie van het licht. Er zijn meerdere factoren die bepalen hoe de reflectie wordt ervaren:
• • • •
De intensiteit van de reflectie. De hoeveelheid achtergrondlicht. De positie van de reflectie in het gezichtsveld van de observeerder. De duur van de verlichting.
Richtlijnen lichtreflectie bij wegverkeer Voor lichtreflectie bij wegverkeer zijn richtlijnen opgesteld door Rijkswaterstaat en TNO. Hierbij kan lichthinder in sommige gevallen leiden tot (tijdelijke) verblinding. Tijdelijke verblinding wordt door TNO gedefinieerd als een witte waas in de ogen waardoor de omgeving niet meer kan worden waargenomen. Hiertoe is een rekenmodel ontwikkeld dat de verblinding kwantificeert aan de hand van verblindings-/verlichtingssterkte, verblindingshoek, achtergrondluminantie en dynamische eigenschappen, zoals duur en knipperfrequentie. Er worden twee soorten verblinding onderscheiden: maskerende
22
verblinding (disability glare) en oncomfortabele verblinding (discomfort glare). Maskerende verblinding werpt een sluier (sluierluminantie) over het beeld waardoor het waarneembare contrast en daarmee de zichtbaarheid van objecten vermindert. Oncomfortabele verblinding veroorzaakt ongemak zonder daadwerkelijk het zicht te belemmeren. Rijkswaterstaat hanteert maskerende verblinding als toetsingscriterium. Planspecifiek Ten gevolge van het zonnepark kan mogelijk lichtreflectie optreden voor weggebruikers van de A12 en N325 en omliggende kantoren. De reflectiehinder is inzichtelijk gemaakt met een reflectiestudie (ROM3D, 9 december 2021, zie bijlage 7). Verkeer Bij dit onderzoek zijn eerst de observatiepunten gedefinieerd en de specificaties van het zonnepark vastgesteld. Hierbij gaat het om het type materiaal van de panelen, wel of geen anti-reflectiecoating, de hellingshoek, de ligging, de hoogte van de opstellingen en de oriëntatie van de opstellingen. De exacte uitgangspunten zijn in het onderzoek opgenomen. Vervolgens is gebruik gemaakt van de ForgeSolar tool voor de reflectiestudie. De reflecties zijn berekend voor 4 routes rondom de bult, hier is de reflectie berekend voor zowel automobilisten als vrachtwagens. De routes zijn als volgt:
• • • •
Route 1: A12 richting Duitsland (beginnend daar waar de Bult zichtbaar wordt) Route 2: A12 richting Utrecht Route 3: N325 (vanuit Arnhem richting Duitsland) Route 4: Velperbroekcircuit west (Vanaf A12 naar N325 richting Arnhem)
Het onderzoek naar eventuele hinderlijke reflectie is uitgevoerd voor zonnepanelen van glad glas met antireflectiecoating, wat neer komt op een worst-case scenario. Wenselijk voor de verkeersveiligheid is dat alle reflectie in het groene bereik van de modeluitkomsten ligt, of dat er geen reflectie wordt waargenomen. Gele reflectie geeft kans op nabeelden en wordt daarom in dit onderzoek als hinderlijk beschouwd. Op de routes over de N325, de A12 richting Duitsland en de westkant van knooppunt Velperbroek, van de A12 richting de N325 is geen hinderlijke reflectie voor automobilisten en vrachtwagenchauffeurs naar voren gekomen. Op de A12 richting Utrecht is er uit de berekeningen wel hinderlijke reflectie naar voren gekomen. Echter is de mate van hinder minimaal. In de modeluitkomsten is geen rekening gehouden met atmosferische verstrooiing en filtering door autoruiten. Door beide neemt de mate van hinder af waardoor de verwachting is dat de hinder ofwel niet hinderlijk zal zijn ofwel helemaal zal verdwijnen. De verwachting is dan ook dat ontstane hinder voor weggebruikers op de A12 richting Utrecht binnen de richtlijnen van een maximale verblindingstijd van 1.6 seconden bij 100 km/u zal blijven. Daarmee kan voldaan worden aan de richtlijnen van Rijkswaterstaat. Kantoren Zoals hierboven beschreven zijn er richtlijnen bekend voor lichtreflectie bij wegverkeer.
Voor gebouwen zijn er geen richtlijnen opgesteld qua reflectiehinder zoals voor verkeer. Op verzoek van de opdrachtgever is er door ROM3D aanvullend onderzoek gedaan naar mogelijke hinder voor gebouwen. Het onderzoek is uitgevoerd voor 6 gebouwen en 2 kavels waarop gebouwen zullen worden gerealiseerd. Er is van een worstcase scenario uitgegaan qua reflectieprofielen van de zonnepanelen. Door technologische ontwikkelingen sinds de modellen zijn ontwikkeld en nieuwe ontwikkelingen naar de toekomst toe, is de verwachting dat de panelen minder zullen reflecteren dan waar er in het onderzoek van uit is gegaan. Het gebouw op kavel H0 is het enige gebouw waar geen reflectie zichtbaar zal zijn. Voor de gebouwen op kavel H4A en Meander 1101 zal geen hinder ontstaan, omdat alle hinderlijke reflectie buiten kantooruren valt. Voor Meander 1051 valt ook alle hinder buiten kantooruren, met uitzondering van observatiepunt 3. Aan de noordkant, hoog in het gebouw is in de maand maart bij perfecte condities maximaal 1 uur per dag beginnend tussen 16.00 uur en 17.00 uur mogelijk hinder te ervaren van de reflectie.
23
Voor de andere gebouwen: Delta 1, Meander 725, Meander 861 en Meander 901, is er mogelijk (hinderlijke) reflectie waar te nemen. Deze is zowel binnen als buiten kantooruren waar te nemen. Of dit ook daadwerkelijk tot overlast leidt valt te bediscussiëren. Overlast en hinder zijn voor eenieder verschillend. In dit onderzoek is er sprake van hinder als er een kans is op het ontstaan van nabeelden. Echter, ten tijden van hinder op deze gebouwen komt het zonlicht uit dezelfde richting als de reflectie. Het zonlicht is vele malen sterker, en daardoor hinderlijker, dan de reflectie. Als er overlast ontstaat door de hinderlijke reflectie, dan is de kans groot dat er ook overlast is van het zonlicht. Als er maatregelen genomen zijn om het zonlicht te beperken, bijvoorbeeld middels zonwering op de ramen, dan is ook de reflectie niet zichtbaar en zal de reflectie niet meer tot hinder leiden. Ervan uitgaande dat daarvoor zonodig reeds maatregelen zijn getroffen, is er dan ook geen aanleiding om het project aan te passen. Ook technologie staat niet stil. Door technologische ontwikkelingen zal minder licht gereflecteerd gaan worden. In dit onderzoek is uitgegaan van een worst-case scenario. Huidige zonnepanelen zullen hoogstwaarschijnlijk gunstiger optreden qua opbrengst en reflectie dan in het onderzoek vanuit is gegaan. In de toekomst zal dit nog meer verbeteren.
Elk percentage gereflecteerd zonlicht is ook een percentage minder licht wat omgezet kan worden in energie. Als door toepassing van nieuwere technieken een hoger rendement behaald kan worden doordat meer zonlicht wordt opgenomen door de panelen, zal ook de hoeveelheid reflectie afnemen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect lichthinder geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 μg/ m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit de ontwikkeling van een zonnepark met een oppervlakte van ca. 5 hectare. Het project is aan te merken als een project van 'niet in betekenende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de 'Atlas leefomgeving' gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. De achtergrondconcentraties over 2019 van fijnstof (PM10 en PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) nabij het plangebied bedragen respectievelijk maximaal 18,0 μg/m³, 10,0 μg/m³ en 26,0 µg/m³. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden van 40 μg/m³ voor fijnstof PM10 en stikstofdioxide en 25 µg/m³ voor fijnstof PM2,5.
24
Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Met het voorliggende plan wordt een zonnepark gerealiseerd op de Bult. In de huidige situatie is er hoofdzakelijk grasland aanwezig op de locatie van het plangebied. Er is een quickscan flora en fauna uitgevoerd, (GRAS Advies bv, Quickscan flora en fauna, 24 februari 2021, zie bijlage 2). De resultaten van de quickscan worden hieronder weergegeven. Aanvullend is er een aanvullende memo en ecologisch inrichtingsplan opgesteld (GRAS Advies, 21-1-2022, zie bijlage 6) welke eveneens hieronder wordt toegelicht. Soortenbescherming Vleermuizen-verblijfplaatsen en vleermuizen-vliegroute De gebouwen in de directe omgeving van het project gebied bevatten mogelijk scheuren en gaten (zoals open stootvoegen) die geschikt zijn als verblijfplaats voor vleermuizen. Tevens vormen de gebouwen direct grenzend aan het project gebied mogelijk een functie als vliegroute voor vleermuizen. Gebruik van felle nachtelijke verlichting in de richting van deze gebouwen resulteert mogelijk in een verstoring van vleermuizen. Indien er tijdens de aanleg en het toekomstig gebruik geen felle nachtelijke verlichting op de gebouwen wordt gericht, is er van een verstoring op vleermuizen verblijfplaatsen en vliegroutes geen sprake, en is nader onderzoek naar beschermde vleermuizen en/of een ontheffingsaanvraag is niet benodigd.
Vogels Het projectgebied is (onderdeel van) een leefgebied voor diverse zangvogels. Het is aannemelijk dat zangvogels de bomen en bosschages in de directe omgeving van het projectgebied gebruiken als broedlocatie. Verstoring van broedvogels kan voorkomen worden door de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren. Indien dat niet mogelijk is, kan verstoring voorkomen worden door de bosschages niet te beschadigen tijdens het broedseizoen. Het broedseizoen is globaal aan te geven tussen 15 maart en 15 juli, afhankelijk van de weersomstandigheden. Eerdere en latere broedgevallen zijn ook beschermd conform de Wet natuurbescherming. De aannemer behoudt te allen tijde zijn of haar zorgplicht: "De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende planten en dieren, alsmede voor hun directe leefomgeving. In praktijk betekent dit het a. voorkomen, b. beperken en c. ongedaan maken van schadelijke handelingen voor de natuur."
25
Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het plangebied maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Rijntakken op ca. 225 m afstand en het plangebied wordt hiervan gescheiden door wegen en gebouwen. Andere Natura 2000-gebieden liggen op grotere afstand (> 2,5 km) van het plangebied. Gelet op de beperkte impact van de ingreep en de reeds aanwezige mate van verstoring, is de toekomstige verstoring van soorten in Natura 2000-gebieden door licht en geluid als niet significant te beschouwen. Een substantieel, negatief effect van de voorgenomen ontwikkeling op de stikstofemissie en daarmee op Natura 2000-gebieden is aannemelijk, en dient nader onderzocht worden middels een AERIUS-berekening. Er is geen sprake van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden, het aanvragen van een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming is niet aan de orde. Stikstofdepositie Omdat de beoogde ontwikkeling gepaard gaat met de uitstoot van stikstof in de bouw- en de gebruiksfase moet er in beeld worden gebracht wat de mogelijke effecten van de ontwikkeling zijn op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.