Bijlage 1 - Concept IHP Onderwijs 2024-2039
Tekst van het document
24 / 100
5.2. Basisafspraken over het bieden van voldoende huisvesting De zorg voor voldoende onderwijshuisvesting ligt op basis van de WPO, WVO en WEC bij de gemeente. Uitgaande van de wens om het aanbod voor kinderen en leerlingen dicht bij de jeugd te realiseren zorgt de gemeente er voor dat er voor elk kind in de basisschoolleeftijd een plek is op een school in de wijk. Dit gaat echter voorbij aan de verschillende behoeften van jeugd en ouders. Het voorzien in voldoende huisvesting is daarmee ingewikkelder dan in eerste instantie lijkt. Het vaststellen van uitgangspunten is daarom noodzakelijk. Als uitgangspunt geldt: a. De benodigde capaciteit voor Primair Onderwijs wordt per wijk in beeld gebracht (indeling Van Wijken Weten), voor het Voortgezet en (Voortgezet) Speciaal Onderwijs stad breed. Naast de behoefte aan onderwijshuisvesting, wordt nadrukkelijk ook de behoefte aan kind- en jeugdvoorzieningen in beeld gebracht. b. De capaciteit wordt vervolgens naar behoefte aan de in de wijk aanwezige voorzieningen toegekend. Daarbij wordt gekeken naar voedingsgebied, kind- en leerlingstromen, prognoses en samenwerkingsverbanden. c. De capaciteit van een gebouw wordt bepaald in bruto vierkante meter oppervlak (BVO). Per gebouw worden onderwijscapaciteit en overige capaciteit apart geregistreerd.
Gebouwdelen waar geen onderwijs plaatsvindt (kinderopvang et cetera) en/of die onderverhuurd zijn, vallen hier niet onder en worden nadrukkelijk buiten de meting gehouden. d. De ruimtebehoefte van scholen (in m² BVO) wordt berekend aan de hand van de berekeningssystematiek van de Onderwijs huisvestingsverordening. De ruimtebehoefte wordt berekend voor elke school met een eigen BRlN-nummer en voor elke nevenvestiging met een eigen vestigingsnummer. Belangrijk om te melden is dat in cijfers over de huidige gebouwcapaciteit, soms niet alle specifieke kenmerken van de locatie zijn meegenomen. Vertrekpunt is dat bij de behoeftebepaling de normatieve behoefte wordt geconfronteerd met de huidige gebouwcapaciteit. Sommige schoolgebouwen hebben echter een minder gunstige bruto/netto verhouding. Indien voor deze scholen op termijn gekozen wordt voor renovatie, is dat niet geheel op te lossen en zal overcapaciteit misschien nodig zijn. Ook het opvangen van ISK- en AZC-leerlingen, ruimte bieden aan school-in-school constructies en het opvangen van groei (op schoolniveau) kunnen leiden tot een grotere ruimtebehoefte dan is berekend op basis van de prognose van leerlingaantallen. Deze overwegingen bepalen in de uitwerking van het IHP de uiteindelijke capaciteit van de schoolgebouwen. Dit wordt per project en in samenspraak tussen gemeente en het betreffende schoolbestuur verder uitgewerkt.
e. Voor speciaal onderwijs geldt het volgende voor ruimtetoekenning. Anders dan bij regulier onderwijs is in het speciaal onderwijs vaak sprake van het functioneren van een nevenvestiging als zelfstandige vestiging. Een mogelijkheid om voorzieningen te delen is er vaak niet en dit zou ook ten koste gaan van onderwijsoppervlak. Een speciaal onderwijsbestuur (met een groot regionaal voedingsgebied en beperkte keuzevrijheid voor ouders) kan niet eenvoudig een nieuwe hoofdvestiging stichten. Aan nevenvestigingen in het speciaal onderwijs wordt een vaste voet toegekend als ware het een hoofdvestiging. Dit impliceert daarom het toekennen van een extra voet van 370 m² bvo. f. Scholen worden gehuisvest in gebouwen die passen bij de omvang van hun ruimtebehoefte. Uitbreiding van de bestaande capaciteit zal alleen plaatsvinden als er sprake is van een aantoonbaar en structureel capaciteitstekort. Ook dient vooraf getoetst worden of er binnen de wijk of aangrenzende wijken geen medegebruik mogelijk is. In geval medegebruik elders aan de orde is, dient vooraf ook getoetst te worden of die specifieke locatie functioneel en kwantitatief voldoende geschikt is om medegebruik toe te laten. g. Wisselingen in behoefte worden binnen de beschikbare capaciteit door de scholen zelf opgevangen. Daar waar mogelijk wordt per wijk het flexibele deel van de capaciteit expliciet benoemd.
25 / 100
h.
i.
Niet-wijkgebonden scholen worden gehuisvest in passende gebouwen, waarbij rekening wordt gehouden met de herkomst van leerlingen, de locatiewens van het schoolbestuur en de bereikbaarheid van de school. Bestaande situaties worden gerespecteerd: verschuivingen vinden alleen in goed overleg plaats. Leegstand in onderwijshuisvesting wordt door alle partijen actief tegengegaan.
5.3. Basisafspraken over de afweging voor nieuwbouw of renovatie In bestaande situaties zorgt het schoolbestuur ervoor dat een schoolgebouw goed wordt onderhouden en dat het wordt aangepast als veranderingen in onderwijskundige visie hierom vragen. Er komt een moment, in de regel rond het 40e jaar na de nieuwbouw of renovatie van een gebouw, waarop onderhoud en aanpassingen niet meer voldoende zijn om het gebouw als onderwijshuisvesting te blijven gebruiken en er renovatie of vervangende nieuwbouw plaats moet vinden. Dit moment is per situatie verschillend en vraagt maatwerk. Het IHP is hierin een middel om tussen gemeente en schoolbesturen perspectief en helderheid te bieden. Ook stichting van een nieuwe school of leerling groei kunnen aanleiding zijn voor een dergelijke afwegingen. a.
We onderscheiden zes basisvarianten bij dergelijke afwegingen: 1) Eerste nieuwbouw: Eerste nieuwbouw vindt plaats wanneer een school wordt gesticht, er wordt een populatie leerlingen gehuisvest die er daarvoor niet was. Zij stelt een bedrag ter beschikking waarmee kan worden voldaan aan de wettelijke vereisten van nieuwbouw (bouwbesluit, niveau nieuwbouw) en aanvullende beleidstoevoegingen zoals gesteld in voorliggend IHP. Tevens stelt zij (bouwrijpe) grond ter beschikking. 2) Vervangende nieuwbouw: Vervangende nieuwbouw kan plaats vinden op de huidige positie van het schoolgebouw of op een andere locatie dan het oude schoolgebouw. De sloop van bestaande gebouwen is bij vervangende nieuwbouw op dezelfde locatie in zijn geheel voor rekening en risico van de gemeente, ook als de uitvoering ervan bij het schoolbestuur is belegd. 3) Vernieuwbouw: Bij deze basisvariant blijft een deel van het oude gebouw staan (vaak casco of alleen de voorgevel) en de rest geheel vervangen c.q. nieuw gebouwd. Soms heeft het deel dat blijft staan bijvoorbeeld een beschermd stadsgezicht. De gemeente verstrekt financiële middelen om een schoolgebouw te realiseren dat minimaal nog eens 40 jaar mee kan. 4) Uitbreiding: Uitbreiding vindt plaats wanneer een school structureel en conform de geldende normen ruimtetekort komt en verwijzing naar beschikbare ruimtecapaciteit niet aan de orde is.
Zij stelt een bedrag ter beschikking waarmee kan worden voldaan aan de wettelijke vereisten van uitbreiding (bouwbesluit, niveau nieuwbouw) en aanvullende beleidstoevoegingen zoals gesteld in voorliggend IHP. Bij leerlinggroei (en fysieke uitbreiding of verwijzing naar elders) van een school kan conform de VNGverordening systematiek aanspraak ontstaan op vergoeding van 1e inrichting onderwijsleerpakket en meubilair. 5) Renovatie: Een bestaand schoolgebouw wordt zodanig gerenoveerd dat het totale gebouw weer minimaal 40 jaar mee kan. De gemeente stelt een bedrag ter beschikking waarmee kan worden voldaan aan de wettelijke vereisten van renovatie. Vaak vind er dan stripsloop plaats tot maximaal op het casco. Casco en fundering blijven dan behouden en de rest zal opnieuw opgebouwd worden. 6) Tijdelijke bouw: Dit is een uitbreiding van een bestaand schoolgebouw met ruimtecapaciteit met een tijdelijke aard. Ook kan tijdelijke bouw voorkomen als onderkomen voor een gehele school, bijvoorbeeld ter overbrugging van de periode van vervangende nieuwbouw op dezelfde positie. De gemeente verstrekt financiële middelen voor de tijdelijke bouw van een schoolgebouw.
26 / 100
b.
c.
d.
e.
Los van de uiteindelijke keuze voor één van de basisvarianten treedt het schoolbestuur, conform de WPO, WVO en WEC op als bouwheer. Zij is er daarmee verantwoordelijk voor dat de vastgestelde kwaliteitseisen binnen het vastgestelde budget worden behaald. Een integrale afweging over nieuwbouw of renovatie (of een aanpalende variant daarop) gaat pas spelen als: De urgentie hiervoor is aangetoond, waarbij breder wordt beschouwd dan enkel technische urgentie. Renovatie, vervangende nieuwbouw of een variant daarop wordt bespreekbaar wanneer het schoolgebouw niet meer voldoet aan de brede kwalitatieve eisen zoals deze in dit IHP zijn benoemd; De urgentie tot renovatie of vervangende nieuwbouw (of een variant daarop) niet ontstaat door zaken die feitelijk achterstallig onderhoud betreffen; De renovatie of vervangende nieuwbouw (of variant daarop) in brede zin leidt tot een levensduur verlenging van minimaal 40 jaar. Dat wil zeggen: de renovatie of vervangende nieuwbouw zorgt niet alleen voor een technische levensduurverlening, maar leidt ook tot een gebouw dat aansluit op het langjarig toekomstperspectief van de school. De urgentie wordt dus aangetoond middels genoemde voorwaarden. Indien niet in het IHP opgenomen, moeten worden teruggevallen op de Verordening als vangnet.
In geval van een voornemen tot renovatie of vervangende nieuwbouw (of variant daarop) dient altijd een onderzoek te worden gedaan, waarin scenario's inzichtelijk worden gemaakt. Voor het scenario vervangende nieuwbouw dient aangesloten te worden bij de normvergoeding plus beleidsrijke toevoegingen zoals opgenomen in dit IHP. Het scenario renovatie dient inzicht te geven in: De mate waarin het mogelijk is om met een renovatie van de bestaande huisvesting de kwaliteit conform vigerend bouwbesluit (niveau nieuwbouw), aangevuld met de eisen uit het PVE Frisse Scholen 2021 klasse B en de eisen volgend uit de Renovatiestandaard (label A+++) te behalen; De mate waarin het mogelijk is om met de bestaande huisvesting de door het schoolbestuur gewenste functionele kwaliteit te bereiken; De investeringskosten die hierbij ontstaan; De verwachte exploitatielasten gedurende het gebruik van het gebouw. Wanneer de scenario's in beeld zijn gebracht, dient door gemeente en schoolbestuur samen te worden beoordeeld welk scenario leidt tot de kwalitatief meest efficiënte investering. Schoolbestuur en gemeente maken afspraken over het minimaal te hanteren niveau van onderhoud aan bestaande gebouwen bij geplande renovatie of vervangende nieuwbouw.
Uitgangspunt is dat het schoolbestuur na ingebruikname van een nieuw of gerenoveerd schoolgebouw, dit vastgoedobject op een behoorlijk onderhoudsniveau houdt. Niet alleen in haar eigen belang als exploitant, maar ook in het belang van de gemeente als economisch eigenaar. Op het moment van terug levering vanuit een schoolbestuur naar de gemeente dient het betreffende pand minimaal te voldoen aan NEN2767, conditiescore 3. Dit geldt voor alle onderdelen en niet alleen op basis van een gemiddelde. Bij ingebruikname wordt deze minimale onderhoudsstaat tussen gemeente en schoolbestuur vastgelegd.
27 / 100
5.4. Basisafspraken over gebruik, beheer en onderhoud Onderwijshuisvesting is gebaat bij heldere afspraken over het beheer en onderhoud van gebouwen en de financiering ervan. Zowel schoolbesturen als gemeente werken met beperkte budgetten en dienen deze zo efficiënt mogelijk aan te wenden. Dit betekent dat heldere afspraken gemaakt moeten worden over wie waarvoor verantwoordelijk is en hoe deze verantwoordelijkheden worden gefinancierd. Als uitgangspunt geldt: a. Alle gebouwen, waarin scholen zijn gehuisvest, worden in principe in juridisch eigendom overgedragen aan de schoolbesturen. b. Bij de vorming van een Integraal Kindcentrum (IKC) is de eigendomsconstructie afhankelijk van de beheer- en exploitatieafspraken die vooraf met betrokken partners bindend worden gemaakt. c. Indien de onderwijscapaciteit niet in juridisch eigendom kan worden overgedragen, wordt deze via een gebruiksovereenkomst in gebruik gegeven aan de betreffende schoolbesturen. Hierbij wordt aangesloten bij de situatie als ware het schoolbestuur juridisch eigenaar en gelden ook de gebruikelijke onderhouds- en beheerplichten voor het schoolbestuur. d. Bij ingebruikgeving van onderwijscapaciteit aan schoolbesturen - dus waarbij het juridisch eigendom bij de gemeente blijft - worden de werkelijke kosten in rekening gebracht.
Het betreffende schoolbestuur vergoedt dus de onderhouds- en exploitatiekosten op basis van werkelijke kosten aan de gemeente. De voorwaarden van het ruimtegebruik worden vastgelegd in een (privaatrechtelijke) gebruiksovereenkomst. e. De juridisch eigenaar brengt bij de gebruikers van niet-onderwijscapaciteit een marktconforme of kostprijsdekkende huur in rekening (en, voor zover van toepassing, een exploitatievergoeding). Hierbij is wetgeving (en specifiek gevolgen van Didam-arrest) leidend. f. Onderwijscapaciteit die blijvend niet voor onderwijs nodig is wordt uit de onderwijscapaciteit gehaald en her bestemd of afgestoten. g. De opbrengst uit dubbelgebruik van onderwijscapaciteit (dus het gebruik van onderwijsruimten buiten schooltijd) komt geheel ten goede aan het schoolbestuur.
5.5. Basisafspraken over IKC beleid De gemeente stimuleert de samenwerking tussen basisscholen (regulier en speciaal onderwijs) en kindvoorzieningen. Zij doet dit door in gebouwen met onderwijscapaciteit huisvesting te reserveren of realiseren voor kindvoorzieningen. Dit mag echter niet ten koste gaan van onderwijshuisvesting. Dit betekent dat er sluitende afspraken dienen te worden gemaakt tussen gemeente, schoolbesturen en samenwerkingspartners over de realisatie, de instandhouding en het gebruik van niet-onderwijscapaciteit.
28 / 100
Als uitgangspunt geldt: a. Onderwijscapaciteit is bedoeld voor onderwijs. In elk gebouw waarin onderwijscapaciteit aanwezig is, zal deze expliciet benoemd worden. Onderwijscapaciteit wordt alleen ingezet voor andere doeleinden als de capaciteit (tijdelijk) niet nodig is voor het onderwijs; niet-onderwijscapaciteit wordt alleen ingezet voor onderwijs als de capaciteit (tijdelijk) niet nodig is voor overige activiteiten. De verdeling tussen onderwijs- en nietonderwijscapaciteit wordt periodiek (indicatief om de vier jaar) door de gemeente bekeken en vastgelegd. b. De vorming van een IKC impliceert niet dat alle deelnemende partijen per sé in hetzelfde gebouw gehuisvest dienen te worden. Samenwerking in een IKC kan ook plaats vinden als de partijen van verschillende gebouwen gebruik maken. c. Randvoorwaarde voor het realiseren van een IKC is een zorgvuldig doorlopen traject van samenwerken tussen betrokken scholen, schoolbesturen én aanpalende actoren zoals kinderopvang dat leidt tot overeenstemming over beheer, exploitatie en pedagogisch klimaat. Vooraf aan de start van de betreffende projectontwikkeling wordt een visie op samenwerking opgesteld én gezamenlijk vastgesteld. Ook mogelijkheden van bijvoorbeeld cofinanciering vanuit maatschappelijke partners zoals kinderopvanginstellingen dient vooraf afgetast en zo nodig vastgelegd te worden.
Afspraken hierover dienen vóór de daadwerkelijke realisatie van het gebouw formeel met elkaar overeen gekomen zijn. Hiermee voorkomen we dat na oplevering partijen alsnog beperkt of helemaal niet samen gaan werken en wonen. d. De eigendomsconstructie van een IKC is volgend op de inhoudelijke samenwerkingsafspraken die onderling zijn gemaakt en vastgelegd. Een en ander binnen de kaders die de wetgeving hiervoor stelt. e. Dubbelgebruik c.q. multifunctionaliteit van ruimten wordt zoveel mogelijk gestimuleerd. f. Schoolbesturen besluiten zelfstandig tot het in gebruik geven van onderwijscapaciteit in dubbelgebruik. Zij hebben hiervoor geen toestemming van de gemeente nodig. g. Het schoolbestuur kan leegstand in onderwijscapaciteit in gebruik geven aan derden. Zij heeft hiervoor vooraf toestemming nodig van de gemeente en dient hierbij altijd het voorbehoud te maken, dat het gebruik of de huur op korte termijn (3 maanden) kan worden beëindigd, indien de capaciteit benodigd is voor het onderwijs. h.
Daar waar mogelijk zal binnen de bestaande schoolgebouwen en bij ver- en nieuwbouw rekening gehouden worden met de (toekomstige) vorming van een IKC, onder voorwaarde dat: o het onderwijsgebruik dit toelaat; o er een aanvaardbaar exploitatierisico is voor zowel gemeente als schoolbestuur; o het voorsorteren op een toekomstige IKC-vorming niet tot leegstand leidt; o in geval van ver- of nieuwbouw, de betrokken partijen een duidelijke, vastgelegde inhoudelijke visie op (de vorming van) het IKC hebben. i. Indien wijzigingen in inhoudelijk (onderwijs)beleid invloed hebben op het IHP, wordt dit nadrukkelijk bij die beleidswijziging betrokken.
29 / 100
5.6. Basisafspraken over de nabijheid van de school Onderwijs in Arnhem vindt bij voorkeur dicht bij het woonadres van de leerling plaats. Dit voorkomt onnodige verkeersbewegingen en versterkt de binding van de leerling en de ouders met de wijk en andersom, de binding van de wijkbewoners met de school. Dit laat onverlet dat er redenen zijn om (met name in het reguliere basisonderwijs) niet voor de wijkschool te kiezen, bijvoorbeeld omdat kinderen op speciaal onderwijs zijn aangewezen, of omdat ouders/verzorgers (of leerlingen) om levensbeschouwelijke of pedagogische gronden voor bijzonder onderwijs kiezen. Gemeente en schoolbesturen respecteren deze vrijheid van schoolkeuze. Als uitgangspunt geldt: a. Er is voldoende keus voor ouders/verzorgers en leerlingen. Dit betekent niet dat elke denominatie of elk onderwijsconcept in elke wijk vertegenwoordigd moet zijn, maar wel dat er voor ouders/verzorgers en leerlingen iets te kiezen valt. b. Bij herschikking of nieuwbouw wordt gekeken naar goede spreiding over de buurt en heeft een centrale en (veilig) bereikbare locatie een pré ten opzichte van andere locaties. c. Scholen, die leerlingen uit diverse wijken trekken, worden zo veel mogelijk gehuisvest in de wijk waaruit relatief gezien de meeste van hun leerlingen afkomstig zijn.
5.7. Basisafspraken over schoolpleinen Conform de wetgeving behoren de schoolpleinen tot de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Omdat de scholen meestal midden in de wijk staan, is dubbelgebruik - dus gebruik van de schoolpleinen buiten schooltijd - hier ook voor de hand en sterk wenselijk. Omdat daar (juridisch) haken en ogen aan zitten, dient dergelijk dubbelgebruik goed vastgelegd te worden. Als uitgangspunt geldt: a. Schoolpleinen voldoen aan de eisen van wetgeving (omvang en veiligheid speeltoestellen) en alle overige eisen in dit IHP gesteld (waaronder AST-afspraken die ook over de buitenruimte gaan). b. Bij ver- en nieuwbouw wordt voldoende buitenruimte (onder andere speelruimte én fietsenberging) gerealiseerd en wordt ingezet op voldoende vergroening en biodiversiteit. c. Bij voorkeur wordt een schoolplein standaard ingericht als een openbaar speelterrein. Dit gebeurt in overleg met het schoolbestuur. In dat geval kan de gemeente de verantwoordelijkheid voor het schoolplein overnemen. Een en ander wordt vastgelegd in een overeenkomst.
30 / 100
6. Beleidsrijke toevoegingen Goede onderwijshuisvesting draagt bij aan een optimale omgeving waarin onze kinderen en jongeren zich ontwikkelen. Een schoolgebouw is zo veel meer dan de plek waarin kinderen hun lesstof krijgen aangereikt. Om deze wezenlijke voedingsbodem te garanderen staan we als stad voor grote maatschappelijke opgaven die vragen om samenwerking dwars door sectoren, organisaties en instituties heen. Zaken als armoedebestrijding, diversiteit en inclusie en voldoende onderwijsprofessionals zijn randvoorwaardelijke aspecten om onze jeugd überhaupt een krachtige start te bieden. De opgaven kunnen we alleen realiseren als politiek én maatschappelijke partners de handschoen oppakken. Met commitment, bekostiging en beleid voor de lange termijn: samen richting bepalen voor het onderwijs, voor de ontwikkeling van kinderen. Echte investeringen doe je voor volgende generaties en niet alleen om acute knelpunten op te lossen. Hoewel onderdak een middel is en geen hoger doel, grijpen we alle kansen beet om via investeringen in het schoolgebouw direct of indirect bij te dragen aan onze ambitie voor optimale kansen voor de jeugd. Dit is hét argument om tot een IHP te komen waarin we met solide gebouwen en met extra stimuli op specifieke thema’s onze maatschappelijke doelstelling vertalen naar tastbare en direct ondersteunende onderwijsomgevingen.
Dit hoofdstuk vertaalt de beleidsrijke toevoegingen - zoals geïntroduceerd in Deel A - naar specifieke maatregelen.
6.1. Onze schoolgebouwen kennen een gezond binnenmilieu Nieuwe en gerenoveerde schoolgebouwen kennen een gezond binnenmilieu. Zowel op het vlak van licht, lucht, geluid en temperatuur mogen onze kinderen rekenen op een leeromgeving die ondersteunt aan het leer- en ontwikkelproces. Gemeente Arnhem maakt een extra stap om bij nieuwbouw en renovatie zichzelf een hoger doel te stellen dan de wet voorschrijft. Gebruik wordt gemaakt van het Kwaliteitskader van Ruimte OK (versie 2023, of vigerend als hier actualisatie op volgt). Het Kwaliteitskader is een landelijk breed gedragen definitie van ‘basiskwaliteit’, dit op verzoek van PO-raad, VOraad en VNG. Het kader biedt schoolbesturen en gemeenten een integraal inzicht en houvast om deze onderwerpen in samenhang te bezien en daarover afspraken te maken. Het kader gaat zowel over basisonderwijs, speciaal bassionderwijs, speciaal onderwijs, voortgezet speciaal onderwijs en voortgezet onderwijs. De kwaliteitscriteria in het Kwaliteitskader zijn richtinggevend en geen norm. Ze komen voort uit praktijkervaringen en vragen aandacht voor zaken die niet door huidige wetgeving (bouwbesluit) worden ondervangen, maar die wel mede de kwaliteit van de huisvesting gedurende de gehele levensduur bepalen.
Het kader kijkt daarmee verder dan de minimum Bouwbesluiteisen, maar ook breder dan de technische eisen ten aanzien van het binnenmilieu en duurzaamheid. Het geeft kaders voor A. ‘Architectonische kwaliteitscriteria’, B. ‘Functionele kwaliteitscriteria’ en C. ‘Technische kwaliteitscriteria’. De in het kwaliteitskader opgenomen kwaliteitscriteria ten aanzien van het binnenmilieu hebben een directe relatie met eisen zoals geformuleerd in het PvE Frisse Scholen (versie 2021). De financiële paragraaf, uitgewerkt door het onafhankelijke kennisinstituut voor bouw(kosten) data BDB, geeft op basis van objectieve maatstaven inzicht in de kosten van de kwaliteitscriteria, vergeleken met de minimumnormen (prijsniveau februari 2023). Er is overigens voor gekozen om niet op maatregelniveau kostenindicaties weer te geven. Dit omdat project specifieke omstandigheden zeer
31 / 100
bepalend zijn en men inhoudelijke discussies op gedetailleerd niveau wil voorkomen. Daarnaast beïnvloeden sommige maatregelen elkaar, soms in negatieve zin. De door BDB in het Kwaliteitskader afgegeven financiële kostenkengetallen zijn afgestemd op nieuwbouw en niet geschikt voor toepassing bij renovatieprojecten. Maatregel: a. Bij elk nieuwbouw- en renovatieproject geldt als kaderstellend minimum de in het Kwaliteitskader Huisvesting, onderdeel ‘binnenmilieu’ opgenomen eisen. ➔ 7 % aanvullend stichtingskostenbudget bij nieuwbouw/renovatie ten behoeve van dekking van hogere kosten. Bij elk nieuwbouw- en renovatieproject geldt als vertrekpunt de in het Kwaliteitskader Huisvesting, onderdeel ‘functionele criteria’ opgenomen eisen. De in dit deel van het kwaliteitskader opgenomen criteria is nadrukkelijk een onderwerp van gesprek tussen gemeente en betreffend schoolbestuur. De gemeente wenst op dit thema niet vooraf kaderstellend of begrenzend te acteren en laat ook ruimte voor inbreng en project specifieke inkleuring, maar onderschrijft wel de algemene richting die het Kwaliteitskader in deze kiest. Vandaar vertrekpunt van planontwikkeling. Voor dit vertrekpunt is geen aanvullend stichtingskostenbudget voor fysieke maatregelen in nieuwbouw- of renovatieprojecten vereist, uitgaande dat dit binnen de ontwerpopgave en kostenneutraal opgepakt wordt.
6.2. Inzetten op flexibiliteit en meervoudig inzetbare onderwijsgebouwen Schoolgebouwen moeten flexibel en meervoudig inzetbaar zijn om een grotere maatschappelijke rol te vervullen in de wijk dan alleen onderdak voor onderwijs en naar de toekomst toe relevant en geschikt te blijven voor veranderende behoeften. Maatregel: b. In elk nieuwbouw- of renovatieproject dient in het ontwerpproces aandacht uit te gaan naar het (vergroten van) flexibiliteit van het gebouw. Zonder daarin vooraf sturend te zijn wordt gedacht aan het creëren van aanvullende bergingen, compartimentering van het gebouw en anticiperende maatregelen op eventuele toekomstige uitbreidbaarheid. ➔ 2 % aanvullend stichtingskostenbudget ten behoeve van dekking van hogere bouwkosten en/of een groter oppervlakte ter versterking van het medegebruik (zoals extra bergingen) Financiële dekking van eventuele fysieke aanpassingen dan wel uitbreidingen van onderwijsgebouwen voor buurt- of wijkfuncties volgt uit andere beleidsvelden. Vanuit onderwijshuisvestingsmiddelen is hier geen dekking voor.
6.3. Verbetering van fysieke toegankelijkheid schoolgebouwen Als stad staan we pal voor inclusief onderwijs en fysieke toegankelijkheid van schoolgebouwen. Het doel van inclusief onderwijs is om jongeren met en zonder ondersteuningsbehoeften vaker samen te laten leren op scholen dicht bij huis. Dat vraagt ook iets van de functionaliteit en toegankelijkheid van gebouwen. Om dit te bereiken, is het belangrijk dat bestaande schoolgebouwen worden aangepast en nieuwbouwplannen worden aangescherpt. Schoolgebouwen moeten toegankelijk zijn en bij nieuwbouw en renovatie voldoen aan de door de gemeenteraad vastgestelde Arnhemse Standaard Toegankelijkheid (AST).
32 / 100
Deze standaard is gebaseerd op de Integrale Toegankelijkheid Standaard (ITS), maar bevat tevens extra procesafspraken die de inbreng van ervaringsdeskundigheid en toegankelijkheid in elke bouwfase waarborgen. Op dit moment wordt landelijk de NEN 9120 Toegankelijkheid van Gebouwen ontwikkeld. Deze nieuwe norm bouwt voort op de Europese norm NEN-EN 17210:2021, evenals op de ITS. Het plan is om de nieuwe norm over te nemen zodra deze wordt gepubliceerd. Daarbij dienen de procesafspraken wel behouden te blijven. Maatregel: c. Voor nieuwbouw of renovatie van scholen geldt inclusief onderwijs en de AST-eis als randvoorwaarde. Voor inclusief onderwijs zou dit in de praktijk kunnen betekenen dat er extra m² onderwijsruimte vereist is om specifieke voorzieningen te herbergen, zoals een verzorgingsruimte en (kantoor)ruimte voor ambulante begeleiding, snoezelruimte, optimaal toegankelijke toiletten of rustruimte. Voor de AST-eis is het aannemelijk dat deze eis leidt tot hogere bouwkosten vanwege bijvoorbeeld een grotere lift of bredere deuren. ➔ 1 % aanvullend stichtingskostenbudget t.b.v. kostenverhoging bij nieuwbouw als gevolg van de AST-eis. ➔ 3 % aanvullend stichtingskostenbudget t.b.v. kostenverhoging bij renovatie als gevolg van de AST-eis. De AST-randvoorwaarde (in toekomst: de NEN 9120) geldt voor alle schoolgebouwen in het primair, voortgezet en speciaal onderwijs van Arnhem.
Vanzelfsprekend worden in de komende 16 jaar (scope van dit IHP) niet alle schoolgebouwen gerenoveerd dan wel vervangen. Vandaar dat we – aanvullend op bovenstaande twee maatregelen ook inventariserend onderzoek doen naar maatregelen om portefeuille-breed de toegankelijkheid te vergroten. Separaat wordt budget gereserveerd voor onderzoek naar de mogelijkheid en consequenties om de hele onderwijshuisvestingsportefeuille te laten voldoen aan AST-randvoorwaarden en inclusief onderwijs. Deze eenmalige budgetbeschikbaarheid voor inventariserend onderzoek is dus geen beleidsrijke toevoeging in de zin van een budgetverhoging bij renovatie of nieuwbouw, maar een reservering voor onderzoek. In hoofdstuk 12 wordt dit onderzoeksinitiatief opnieuw aangehaald en financieel gedefinieerd.
6.4. Verduurzaming van onderwijshuisvesting We grijpen kansen om schoolgebouwen te verduurzamen. Zowel op energetisch vlak als ook voor wat betreft biodiversiteit, klimaatadaptatie en circulariteit zijn er mogelijkheden om als stad grote stappen voorwaarts te zetten. Maatregel: d. Maatregel op energetica: Gemeente stelt vanuit haar reguliere bekostiging van renovatie- of nieuwbouwopgaven middelen beschikbaar die passend zijn voor het realiseren van schoolgebouwen op BENG-niveau. Het betreffende schoolbestuur draagt financieel bij in de stichtingskosten door de stap van BENG naar ENG te bekostigen. Van deze energetica-maatregel mag verwacht worden dat die leidt tot structurele verlaging van de exploitatielast van het schoolbestuur voor betreffend schoolgebouw. ENG staat voor een gebouw dat net zoveel hernieuwbare energie opwekt als verbruikt voor het gebouwgebonden energieverbruik. Het thema energie is ook één van de vijf thema’s die terugkomt in het programma van eisen Frisse Scholen en hangt hiermee ook sterk samen. Zo is Frisse Scholen Klasse C gelijk aan de eisen voor BENG in het bouwbesluit. ➔ Bij nieuwbouwopgaven 2 % aanvullend stichtingskostenbudget ten behoeve van dekking van de stap van BENG naar ENG, bij te dragen door het schoolbestuur.
33 / 100
➔ Bij renovatieopgaven 2 % aanvullend stichtingskostenbudget ten behoeve van dekking van de stap van BENG naar ENG, bij te dragen door het schoolbestuur, plus 7% aanvullend stichtingskostenbudget vanuit de gemeente. Hiermee voldoet het schoolgebouw naar verwachting aan de renovatiestandaard voor onderwijsinstellingen, te weten energielabel A+++. De renovatiestandaard is een vrijwillige richtlijn voor de energieprestatie van utiliteitsgebouwen. Om de klimaatdoelen te halen moeten gebouwen verduurzamen. Na 2030 wordt er een verplichte eindnorm bepaald waaraan de energieprestaties van alle gebouwen moeten voldoen in 2050. De renovatiestandaard is bedoeld om een houvast te geven voordat de eindnorm verplicht wordt. Een gebouw dat aan de renovatiestandaard voldoet is energiezuinig genoeg tot 2050. Deze richtlijn is nog niet verplicht. e.
Maatregel ter versterking van biodiversiteit en klimaatadaptatie: Bij elk nieuwbouw- of renovatieproject dient in het ontwerpproces de vigerende ‘Maatregelen catalogus natuur inclusief bouwen Arnhem’ gehanteerd te worden. De streefwaardes zijn (op het moment van vaststellen IHP) een score van minimaal 17 voor gebouwgebonden maatregelen bij nieuwbouw en 7 voor renovatie. Ook op terreinniveau kunnen natuurinclusieve maatregelen genomen worden. Dit kan gecombineerd worden met beleidsrijke toevoeging beweegvriendelijke groene schoolpleinen. Daarnaast dient aandacht uit te gaan naar het bereiken van klimaatadaptieve maatregelen aan het gebouw en/of het buitenterrein van schoolgebouwen. Dit ten aanzien van wateroverlast/ infiltratie, hittestress in de omgeving/op het schoolplein en hittestress in het gebouw. Voor zover dit niet is opgepakt onder beleidsrijke toevoeging gezond binnenklimaat. Voorbeeld hiervan is het extra aandacht besteden aan het voorkomen van hittestress in gebouwen. Dit kan worden gerealiseerd door bijvoorbeeld het verminderen van zoninstraling in de zomer en het gebruik van lichte materialen aan de buitenkant van het gebouw.
Om een buitenruimte beter bestand te maken tegen hittestress, kan gedacht worden aan bijvoorbeeld de volgende maatregelen: het vergroten van het aantal grote bomen, het verminderen van verharding en het creëren van waterbronnen in de omgeving. ➔ 2 % aanvullend stichtingskostenbudget bij nieuwbouw/ renovatie ten behoeve van dekking van deze ambitie.
f.
Maatregel ter stimulering van circulair bouwen: Vanuit circulariteit is het wenselijk om zoveel mogelijk in te zetten op het behouden van bestaande gebouwen en materialen. Renovatie gaat vóór nieuwbouw. Bij elk nieuwbouw- of renovatieproject dient in het ontwikkel- en ontwerpproces aandacht uit te gaan naar het zoveel mogelijk toepassen van circulaire maatregelen aan het gebouw en/of het buitenterrein van schoolgebouwen. Voor de circulariteitseisen wordt de nationale standaard voor circulair bouwen gevolgd, Het Nieuwe Normaal versie 0.5, ambitieniveau ‘hoog’. De reden om voor het hoge niveau te gaan is dat deze in lijn is met Arnhemse ambities om een koploper te willen zijn op circulair gebied en te willen optreden als ‘launching costumer’ om zo duurzame innovatie aan te jagen. Tevens zorgt dit ambitieniveau ervoor dat we ‘Paris-Proof’ bouwen, wat betekent dat we ons CO2 budget om binnen de ‘1,5 graden grens’ te blijven als gemeente niet overschrijden. ➔ 15 % aanvullend stichtingskostenbudget ten behoeve van dekking van de kostenverhoging als gevolg van deze circulariteitseis voor nieuwbouw. ➔ 5 % aanvullend stichtingskostenbudget ten behoeve van dekking van de kostenverhoging als gevolg van deze circulariteitseis voor renovatie.
Van belang in deze is het fenomeen ‘restwaarde’ dat in een volledig circulaire economie in de (verre) toekomst een substantiële invloed kan gaan spelen in de integrale afweging over nieuwbouw dan wel renovatie. Bij nieuwbouw anticiperen op circulariteiteisen (anno 2023 betekent dat ook extra investeren zoals deze maatregel ook is ingezet) betekent bij sloop over een aantal decennia een financiële restwaarde (vanwege onder meer betere losmaakbaarheid) die die initieel hogere investering compenseert.
34 / 100
6.5. Bewegingsonderwijs voorzieningen sluiten aan bij actuele inzichten op gezondheid en sport In Arnhem constateren we dat een aantal gymzalen technisch ‘op’ zijn en renovatie niet realistisch. Daarnaast constateren we opmerkelijke verschillen in bezetting van voorzieningen. Tijdens schooltijden bestaat er grote ervaren krapte aan capaciteit, terwijl de bezetting van met name zalen bij voortgezet onderwijsinstellingen in de avonduren laag is. Tevens is de observatie dat sportparken (velden) overdag een zeer lage bezetting kennen. We anticiperen op het veranderende gebruik van, en behoefte aan, gymzalen. Reden dus om een Integraal Huisvestingsplan Sport op te stellen en daarmee een actueel beeld te verkrijgen van zowel de behoefte aan sportvoorzieningen als de capaciteit. Vervanging of renovatie van sportvoorzieningen is pas aan de orde als op stadniveau blijkt dat deze capaciteit op langere termijn vereist is voor gemeentelijke taken (wettelijke plicht) en/of voor het accommoderen van aanvullend (sport)beleid. Deze eenmalige budgetbeschikbaarheid is dus geen beleidsrijke toevoeging in de zin van een budgetverhoging bij renovatie of nieuwbouw, maar een reservering voor onderzoek. In hoofdstuk 12 wordt dit onderzoeksinitiatief opnieuw aangehaald en financieel gedefinieerd.
In dit IHP zijn enkele faciliteiten voor bewegingsonderwijs opgenomen voor renovatie/nieuwbouw, waarbij al is vastgesteld dat de kwaliteit ervan aanzienlijk tekortschiet. In dit IHP is specifiek budget gereserveerd voor deze projecten. Nadere toelichting op deze locaties wordt omschreven in hoofdstuk 11.
6.6. Beweegvriendelijke groene schoolpleinen Alle schoolpleinen maken we beweegvriendelijker en groener. Elk schoolplein vergt een eigen aanpak en specifieke maatregelen bij het beweegvriendelijker en groener maken. Voor bestaande schoolpleinen kan door schoolbesturen per schoolplein aanspraak gemaakt worden op de reeds bestaande gemeentelijke ‘subsidieregeling groenblauwe initiatieven’. De gemeentelijk bijdrage wordt toegekend aan de hand van een toetsingskader en spelregels en is op basis van cofinanciering. Het IHP biedt voor het beweegvriendelijk en groener maken van schoolpleinen geen aanvullende ondersteuning. Voor nieuwe situaties (vervangende nieuwbouw, grootschalige renovaties en/of stichting van nieuwe scholen) wordt het moment aangegrepen om de buitenruimte beweegvriendelijk en ‘groen’ uit te voeren. Vanzelfsprekend geldt voor schoolpleinen – net als bij de schoolgebouwen – dat een geode fysieke toegankelijkheid een must is. Hiervoor biedt het IHP wel separaat ondersteuning. Maatregel: g. Bij elk nieuwbouw- of renovatieproject dient in het ontwikkel- en ontwerpproces aandacht uit te gaan naar het beweegvriendelijk maken van schoolpleinen en zoveel mogelijk vergroenen van de buitenruimte.
➔ 0,3 % aanvullend stichtingskostenbudget bij nieuwbouw ten behoeve van dekking van deze ambitie ➔ 0,5 % aanvullend stichtingskostenbudget bij renovatie ten behoeve van dekking van deze ambitie
35 / 100
6.7. Ondersteuning van achterstandsscholen via huisvesting Extra ruimte in een schoolgebouw voor scholen waar leerlingen extra aandacht nodig hebben, is een welkome ondersteuning bij het tegengaan van onderwijsachterstanden. We volgen de onderwijsachterstandenindicator van het Centraal Bureau voor de Statistiek (in opdracht van het ministerie van OCW) voor de bestempelen van een achterstandsschool. Een school die voldoet aan de definitie van achterstandsschool en vervangen wordt (nieuwbouw of vernieuwbouw), ontvangt een toevoeging van vierkante meters aan de zogenaamde vaste voet. Door deze ‘basis’ te verhogen wordt aan alle betrokken scholen die aan de achterstandsnorm voldoen een extra voorziening geboden die los staat van het aantal leerlingen. Dit geldt ook voor uitbreidingsvraagstukken en renovatie, alleen in gevallen waar de extra ruimtelijke toekenning nog niet heeft plaats gevonden. De toe te kennen meters kunnen in het ontwerp door de schoolbesturen op een door henzelf – in samenspraak met de gemeente – te bepalen wijze ingezet te worden. Suggesties zijn bijvoorbeeld het realiseren van kleinere lokalen voor kleine groepjes of extra overlegruimten voor ambulant begeleiders. Deze beleidstoevoeging geldt vanzelfsprekend niet voor alle schoollocaties in het IHP. Of een school een achterstandsschool zal worden in de toekomst is ook niet bekend.
Vandaar dat deze maatregel niet als percentage extra budget bovenop stichtingskosten wordt opgenomen, maar als een separaat budget dat gedurende de looptijd van dit IHP hiervoor beschikbaar is. In hoofdstuk 12 wordt deze maatregel opnieuw aangehaald en financieel gedefinieerd.
6.8. Sturen op thuisnabij onderwijs voor het primair onderwijs Elk Arnhems kind moet in de eigen wijk of buurt naar school kunnen. Thuisnabij onderwijs wordt nagestreefd. Zo wordt voorkomen dat kinderen door de stad moeten reizen om naar school te kunnen. In de wijk of buurt naar school draagt ook bij aan de cohesie in de wijk. Tegelijkertijd onderstrepen we met een goede spreiding van onderwijsaanbod over de stad ook de wijkfunctie van scholen en bedienen we onze buurten en wijken, uitgezonderd scholen met een regiofunctie en/of specifiek aanbod. Op dit moment bestaan er in Arnhem geen specifieke afspraken over spreiding op gemeentelijk niveau. Dat leidt er in sommige gevallen ook toe dat de leerlingen aantallen in de ene wijk sterk stijgt en in de andere afneemt. Met bijbehorende gevolgen voor onderwijshuisvesting. We gaan daarom als onderwijspartners (gemeente en onderwijsbesturen) gezamenlijk afspraken maken over het toelatingsbeleid van leerlingen. Het voorstel hiertoe heeft geen direct effect op huisvestingsplannen, maar is wel één van de beleidsrijke toevoegingen die we in het IHP doen.
36 / 100
6.9. Door gezamenlijk investeren in schoolgebouwen lagere exploitatiedruk In Nederland hebben we het zo georganiseerd dat gemeenten via het Gemeentefonds financiering ontvangen voor het voorzien in onderwijshuisvesting. Dit betekent het beschikbaar stellen van voldoende capaciteit en het vervangen of grootschalig renoveren van capaciteit dat technisch niet meer voldoet. Schoolbesturen ontvangen Rijksbekostiging voor de materiele instandhouding van schoolgebouwen. Hier betalen zij de exploitatiekosten van, waaronder energielasten en onderhoud. Breed maatschappelijk wordt erkend dat een kwaliteitsimpuls bij nieuwbouw of renovatie en/of een energiebesparende maatregel leidt tot lagere exploitatielasten tijdens de ingebruikname. Deze relatie heeft zich landelijk nog niet vertaald in een andere bekostiging c.q. beleid. De afweging omtrent investering verhogende maatregelen bij onderwijshuisvesting wordt dan ook bij elk project beïnvloed door het fenomeen van ‘gescheiden geldstromen’. De mate waarin schoolbesturen met cofinanciering bijdragen aan een kwalitatief beter of energiezuiniger pand is daardoor onderhevig aan willekeur en afhankelijk van de gunst van schoolbesturen. Terwijl vanuit het zogenaamde principe ‘Total Cost of Ownership’ (TCO) de gehele levenscyclus van een gebouw (investering én exploitatie) het perspectief zou moeten zijn bij financiële besluiten.
Als gemeente Arnhem willen we deze eenzijdige blik (investering of vanuit exploitatie) en willekeur doorbreken en maatgevende afspraken maken. Bij elk nieuwbouw- en renovatieproject geldt als vertrekpunt van gesprek het hanteren van de levenscyclus benadering die in het Kwaliteitskader Huisvesting, onderdeel ‘exploitatie’ en ‘onderhoud’ opgenomen criteria (versie 2023, of vigerend als hier actualisatie op volgt). De in dit deel van het Kwaliteitskader opgenomen criteria zijn nadrukkelijk een onderwerp van gesprek tussen gemeente en het betreffende schoolbestuur. De gemeente wenst op dit thema niet vooraf kaderstellend of begrenzend te acteren en laat ook ruimte voor inbreng en project specifieke inkleuring, maar onderschrijft wel de algemene richting die het Kwaliteitskader in deze adviseert. Vandaar vertrekpunt van planontwikkeling. Maatregel: h. Bij elke nieuwbouw- of renovatieopgave in onderwijshuisvesting draagt het betreffende schoolbestuur financieel bij aan het plan om daarmee de latere exploitatielasten te laten dalen. Gedacht kan worden aan onderhoudsvriendelijkere materialisering en een betere (lees goedkopere) schoonmaakbaarheid. ➔ 2 % aanvullende financiële bijdrage vanuit schoolbestuur bovenop de betreffende stichtingskosten voor nieuwbouw of renovatie.
Deze maatregel (en cofinanciering) komt ook bovenop de cofinanciering vanuit het schoolbestuur voor de stap van BENG naar ENG (zie maatregel d). Deze extra financiële impuls mag niet leiden tot kwantitatieve vergroting van het schoolgebouw.
37 / 100
6.10. Behoud erfgoed als onderkomen voor onderwijs De gemeente Arnhem kent een substantieel aantal gebouwen met een publieke functie (waaronder onderwijs) én een monumentale status. Aan onderwijshuisvesting in rijks- of gemeentelijke monumenten wordt veel waarde gehecht. Gestreefd wordt naar behoud van de onderwijsfunctie in Arnhemse monumenten. Tegelijkertijd zorgt deze monumentenstatus in praktische zin nogal eens voor beperkingen, efficiency en kosten stijgende effecten. Om antwoord te bieden aan de eventuele belemmeringen van de monumentenstatus van een onderwijsgebouw en om te stimuleren dat onderwijs gebruik blijft maken van de monumenten waarin ze gehuisvest zijn wordt via dit IHP een maatregel getroffen. Bij elke renovatieopgave in onderwijshuisvesting van gebouwen met een monumentenstatus gaat expliciet aandacht uit naar het functioneel in blijven zetten van deze bestaande objecten. Dat betekent kwalitatieve ingrepen en/of aanvullende maatregelen om de esthetische en cultuurhistorische waarde te behouden, zonder dat dit tot onoverkomelijke belemmeringen leidt voor het reguliere onderwijsproces. Ook dient in de voorbereiding van renovatieplannen aandacht uit te gaan naar het zoeken van balans tussen erfgoed behoud en circulaire en duurzaamheidsdoelen. Bovenstaande geldt vanzelfsprekend niet voor alle schoollocaties in het IHP.
Of een schoolgebouw een monument is of zal worden in de toekomst is niet bekend. Ook renovatie en omvorming tot schoolgebouw van een nog niet bekend monumentaal pand in Arnhem is denkbaar. Vandaar dat deze maatregel niet als een standaard percentage extra budgetopslag worden opgenomen, maar als een separaat budget die gedurende de looptijd van dit IHP hiervoor beschikbaar is. In hoofdstuk 12 wordt deze maatregel opnieuw aangehaald en financieel gedefinieerd.
38 / 100
7. Systematiek prioritering schoolgebouwen Introductie systematiek Uitgaande van de wettelijke verantwoordelijkheid van de gemeente voor het blijvend beschikbaar stellen van onderwijshuisvesting is voor dit IHP een methodiek ontwikkeld om een selectie te maken tussen locaties waar de komende 16 jaar naar alle verwachting wel of geen aandacht naartoe hoeft te gaan vanuit de gemeente. Vanwege de omvang en complexiteit van de onderwijshuisvestingsportefeuille, is gekozen voor een systematiek op basis van zo veel als mogelijk objectieve criteria. De benadering die we volgen is gebaseerd op objectieve en cijfermatige methoden, in lijn met het eerdere IHP Primair Onderwijs 2017-2026 en de Nota Op weg naar een IHP VO Arnhem uit 2021. Bij het bepalen van de prioriteiten worden de volgende twee aspecten in overweging genomen: 1. (Wettelijke) zorgplicht voor voldoende capaciteit: De gemeente heeft de verantwoordelijkheid om te zorgen voor voldoende onderwijshuisvesting. 2. Kwaliteit van bestaande onderwijsgebouwen. Schoollocaties die kwalitatief minder goed zijn, krijgen hogere prioriteit bij het afwegen van nieuwbouw of renovatie dan locaties waarvan de kwaliteit op orde is. Hieronder volgt een nadere toelichting op deze twee aspecten en hoe ze onderling worden afgewogen. Vervolgens wordt een derde perspectief geïntroduceerd, te weten: 3.
Prioritering op basis van maatschappelijke overwegingen. Om andere redenen dan kwaliteit van het gebouw of onvoldoende gebouwcapaciteit kan een schoollocatie aandacht van de gemeente vergen die kunnen leiden tot nieuwbouw of renovatie. Prioritering op basis van kwantitatieve overweging Om inzicht te verkrijgen in de mate waarin de Arnhemse schoolgebouwen qua vloeroppervlakte aansluiten bij de normatieve behoefte, is de beschikbare onderwijscapaciteit vergeleken met de huidige normatieve ruimtebehoefte aan onderwijscapaciteit. De leerlingenprognoses zijn de basis voor de berekening van de ruimtebehoefte. Firma Postmus Advies heeft in opdracht van de gemeente begin 2023 de geactualiseerde leerling prognose voor het primair, voortgezet en speciaal onderwijs aangeleverd. De leerlingenprognoses zijn ter controle voorgelegd aan de schoolbesturen. De vloeroppervlakten zijn berekend volgens NEN 2580:2007 door ASBO B.V..
Vanwege haar (wettelijke) verplichting om te zorgen voor voldoende onderwijshuisvesting is de gemeente verplicht extra capaciteit aan te bieden wanneer er op basis van de prognose op korte termijn een ruimtetekort ontstaat van: Meer dan 55 m² bij basisonderwijs Meer dan 50 m² bij speciaal basisonderwijs Meer dan 50 m² bij (voortgezet) speciaal onderwijs Meer dan 10% bij voortgezet onderwijs (met een minimum van 100 m²) Een daadwerkelijk ruimtetekort op basis van de normatieve behoefte vraagt om gerichte actie. Dat betekent het bijbouwen van tijdelijke dan wel permanente onderwijsruimte of het verwijzen van de school naar beschikbare onderwijscapaciteit in de directe omgeving van deze school.
39 / 100
Prioritering op basis van kwalitatieve overweging De kwaliteit van de onderwijsgebouwen in de gemeente Arnhem is op basis van verschillende kenmerken in kaart gebracht. De firma ASBO B.V. heeft in opdracht van de gemeente begin 2023 met behulp van een QuickScan de algemene staat van de gebouwen vastgesteld. De gebouwen zijn op deze vijf criteria beoordeeld: • Functionaliteit: waardering voor onder meer onderwijskundige mogelijkheden, routing en compactheid. • Bouwtechniek: waardering voor onder meer de staat van daken, wanden en kozijnen. • Installaties: waardering voor onder meer E- en W installaties (centrale verwarming, verlichting, riolering, sanitair enz.). • Binnenklimaat: waardering voor onder meer ventilatie, temperatuur en CO2-metingen. • Verduurzaming: waardering voor onder meer de isolatie, energieopwekking en mate van “gasloosheid”. ASBO heeft aan alle gebouwen en op alle vijf criteria scores toegekend op een driekleurenschaal voor elk criterium: functioneert naar wens (groen), verbetering gewenst (oranje) of verbetering noodzakelijk (rood). Deze kleuren zijn vervolgens omgezet naar scores, waarbij rood een waarde van 1 krijgt, oranje een 3 en groen een waarde van 5. Het gemiddelde van deze vijf criteria is berekend, wat resulteert in een prioriteringslijst van het kwaliteitsniveau op een schaal van 1 tot en met 5.
Score
Kwaliteit
1
Alle criteria rood
2 3 4 5
Een minimum acceptatieniveau voor de kwaliteit van Alle criteria groen de onderwijshuisvesting is vastgesteld op 3. Dit betekent dat als een gebouw gemiddeld lager scoort dan een 3, er in de beschouwingsperiode van 16 jaar van dit IHP maatregelen genomen moeten worden om het kwaliteitsniveau te verbeteren. Daarbij bepaalt de score de onderlinge prioritering tussen schoollocaties. In bijlage 1 is het resultaat opgenomen van de QuickScan die begin 2023 is uitgevoerd, waarna de resultaten met de betreffende schoolbesturen zijn gevalideerd. Prioriteit op basis van maatschappelijke overweging Naast kwalitatieve of kwantitatieve overwegingen kunnen ook maatschappelijke overwegingen aanleiding zijn om een schoollocatie te prioriteren. Hieraan ten grondslag ligt geen cijfermatige methode. Deze overweging kan ook leiden tot de wens of noodzaak om huisvestingsmaatregelen te treffen. De aanleiding voor deze maatschappelijke overweging kan zeer uiteenlopend zijn. Zo kan een overweging zijn om de school te verbouwen vanwege een wijkgerichte aanpak van sociaal-maatschappelijke knelpunten, bijvoorbeeld voor Arnhem-oost. Ook vervanging vanwege de lokale energietransitie is denkbaar evenals een gebiedsontwikkeling waarbij een bestaande school fysiek op een positie staat die is bestemd voor een andere functie.
Genoemde redenen kunnen leiden tot het versnellen van vervanging of het initiëren van een renovatie, terwijl daarvoor geen kwalitatieve reden hoeft te zijn of sprake is van onvoldoende capaciteit. Deze prioriteitsstelling is niet objectief te bepalen en zeer afhankelijk van de situatie ter plaatse.
40 / 100
Merkbaar is dat de maatschappelijke redenatie ook vaak voort komt uit het vormen van inclusief onderwijs. Dit is zichtbaar in het hele funderend onderwijs. Zo is er de afgelopen periode gekeken hoe samenwerking binnen basisschool de Zyp en De Klaproos in samenwerking met speciaal onderwijs tot een inclusieve leeromgeving kan leiden. Om dit te bereiken is het belangrijk dat er ook een fysieke samenvoeging komt van de scholen ongeacht of dit in overeenstemming is met de ASBO scores. Ditzelfde geldt ook voor het voortgezet onderwijs. Doel is een inclusieve campus in Arnhem Zuid te creëren waar een breed onderwijsaanbod van VMBO tot VWO en ruimte voor voortgezet speciaal onderwijs samenkomt. Een maatschappelijke redenatie kan ook komen vanuit de rol die de school heeft voor de wijk. Samenvoeging kan dan synergie opleveren, waardoor de leerlingen en hun omgeving nog beter ondersteund kunnen worden. Genoemde en vele andere redenen leiden tot een – in nauwe samenwerking met de schoolbesturen - lijst van schoollocaties die in de beschouwingsperiode van dit IHP (16 jaar) aandacht vanuit de gemeente vergen op huisvestingsvlak. Verwezen wordt naar hoofdstuk 13 voor de definitieve prioriteitenlijst waarvoor breed draagvlak bestaat bij gemeente én schoolbesturen.
Een maatschappelijke redenatie om specifiek aandacht te hebben voor een school betekent overigens niet per definitie dat die school stijgt op de prioriteitsrangorde die gevormd is vanuit kwantitatieve en kwalitatieve beoordeling. Het betekent wel dat de prioritering meer volgend is op externe factoren (zoals gebiedsontwikkelingen en/of wijkgerichte aanpak van Arnhem Oost) dan op basis van integrale prioritering op basis van kwaliteit en kwantiteit. Anticiperen op wijkontwikkeling Rijnpark Los van genoemde maatschappelijke redenen om de prioritering te willen wijzigen is in de prioriteitenlijst van dit IHP ook aanvullende onderwijscapaciteit meegenomen ten behoeve van planontwikkeling van Rijnpark. De voorgenomen plannen voor Rijnpark zijn van een dergelijke omvang (aantallen woningen) dat het aannemelijk is dat de behoefte aan funderend onderwijs op de lange duur substantieel groeit. Hoewel zeer veel zaken in deze gebiedsontwikkeling nog ongewis zijn en de behoefte aan onderwijs op termijn lastig te voorspellen is op dit moment, anticiperen we desalniettemin via dit IHP graag op onderwijs huisvestingsbehoeften die te voorzien zijn binnen de scope van 16 jaar.
Bovenop de leerling ontwikkelingen opgenomen in de leerlingprognoses van de individuele scholen stellen we dat in de scope van 16 jaar na nu vereist zijn: o Drie reguliere PO schoollocaties met ieder een omvang van 2.000 m² BVO. o Één voortgezet onderwijslocatie met een omvang van 4.000 m² BVO. o Drie reguliere gymzaaldelen met ieder een omvang 456 m² BVO.
41 / 100
8. Primair onderwijs 8.1. Introductie De gemeente Arnhem kent in totaal 48 basisscholen, verspreid over 35 locaties. De totale capaciteit van de in gebruik zijnde accommodaties van het basisonderwijs in 2023 bedraagt ca. 90.000 m² bvo. De basisscholen tellen op 1 oktober 2022 in totaal 12.179 leerlingen. De gemeente heeft leerlingenprognoses laten opstellen die een beeld geven van de leerlingenaantallen op de lange termijn. Deze prognoses zijn gebaseerd op lange-termijn demografische ontwikkelingen en de bestaande belangstelling voor scholen. Deze prognoses laten zien dat het leerlingenaantal in het basisonderwijs daalt en vervolgens weer toeneemt. In 2039 bedraagt deze ca. 12.500 leerlingen. De totalen per wijk zijn in figuur 7.1 weergegeven.
Figuur 8.1: Leerlingenprognose, ruimtebehoefte en capaciteit Primair Onderwijs Gemeente Arnhem. In de volgende paragrafen worden de basisscholen achtereenvolgens in de volgende gebieden besproken: CSA, Presikhaaf, Noord-Oost, Noord-West, Malburgen, VKR, Elden en de Laar en Schutgraaf - Elderveld.
8.2. CSA Het gebied CSA beslaat het centrum en gebied ten oosten van het centrum en omvat de wijken Centrum, Spijkerkwartier en Arnhemse Broek. In dit gebied zijn 5 basisscholen gesitueerd. Het aantal leerlingen in het gebied bedraagt nu 896 leerlingen. Volgens de leerlingenprognose is de komende periode sprake van een stijging van het aantal leerlingen in het gebied CSA.
42 / 100
Figuur 8.2: Leerlingenprognose en ruimtebehoefte Primair Onderwijs CSA. Een aanzienlijk deel van de schoolgebouwen zijn gebouwd in de jaren ’60 en hebben sindsdien geen grote renovatie meer ondergaan. De kwaliteit van de scholen wordt dan ook matig tot slecht beoordeeld.
Figuur 8.3: Leeftijd schoolgebouwen Primair Onderwijs CSA De Sterrenkring De Sterrenkring is gehuisvest aan de Blekerstraat 2 in een gebouw dat in 1961 is gerealiseerd. Het pand is opgenomen is in het Integraal Huisvestingsplan Primair Onderwijs 2017-2026 en bevindt zich momenteel in de initiatieffase voor renovatie. Montessori de Binnenstad Montessori de Binnenstad is gehuisvest aan de Damstraat 6 in een gebouw dat in 1960 is gerealiseerd. Het pand is opgenomen is in het Integraal Huisvestingsplan Primair Onderwijs 2017-2026 en bevindt zich momenteel in de initiatieffase om te renoveren en uit te breiden.
43 / 100
Hugo de Grootschool De Hugo de Grootschool is gehuisvest aan de Thorbeckestraat 21 in een gebouw dat in 1950 is gerealiseerd. De kwaliteit van het schoolgebouw wordt als matig beoordeeld. De prognose voor het aantal leerlingen geeft aan dat dit de komende jaren redelijk stabiel zal blijven. Echter, deze cijfers worden beïnvloed door de instroom van kinderen uit het asielzoekerscentrum (AZC). Parcivalschool Noord De Parcivalschool Noord is momenteel gevestigd aan de Brugstraat 6 in een gebouw dat in 1959 is gerealiseerd. De school is daar 5 jaar geleden gehuisvest als nevenvestiging van de Parcivalschool. De school is sindsdien flink gegroeid en het gebouw is te klein voor het huidige aantal leerlingen. Volgens de leerlingenprognose blijft het aantal leerlingen de komende jaren stijgen. Aankomend schooljaar verhuist de school naar een wissellocatie aan de Spiekmanlaan. St. Paulusschool De St. Paulusschool is gevestigd aan Valckenierstraat 5 in een gebouw uit 2003. De kwaliteit van het schoolgebouw wordt als redelijk goed beoordeeld. Het gebouw heeft een overcapaciteit van ca. 200 m². Volgens de leerlingprognose stijgt het aantal leerlingen de komende jaren redelijk. Ontwikkelingen Rijnpark Het industrieterrein Rijnpark wordt momenteel ontwikkeld tot een woonwijk met substantieel veel woningen om aan een groot deel van de woningbehoefte in Arnhem te voldoen.
Vanzelfsprekend hoort bij deze gebiedsontwikkeling ook de vertaling naar wijkvoorzieningen zoals onderwijscapaciteit. Het IHP houdt rekening met deze behoefte aan scholen. Hoofdstuk 12 bevat hiervoor de uitgangspunten, die vervolgens in hoofdstuk 13 financieel zijn vertaald.
Figuur 8.4: Overzicht gebouwkwaliteit en capaciteit schoolgebouwen CSA.
44 / 100
8.3. Presikhaaf Het gebied Presikhaaf beslaat het gebied ten oosten van het centrum en omvat de wijken. Presikhaaf West en Presikhaaf Oost. In dit gebied zijn met de komst van de Ibn-I Sina in de zomer van 2023 drie basisscholen gesitueerd. Het aantal leerlingen in het gebied bedraagt inclusief de Ibn-I Sina ca. 800 leerlingen. Volgens de leerlingenprognose is de komende periode sprake van een aanzienlijke stijging van het aantal leerlingen in het gebied Presikhaaf, met name voor de Werf en de Ibn-I Sina.
Figuur 8.5: Leerlingenprognose en ruimtebehoefte Primair Onderwijs Presikhaaf. De Werf De Werf maakt deel uit van Multifunctioneel centrum Presikhaven aan de Laan van Presikhaaf 7. De kwaliteit van het schoolgebouw wordt als goed beoordeeld. Volgens de leerlingenprognose blijft het aantal leerlingen de komende jaren stijgen. Ibn-i Sina en de Parkschool De Ibn-i Sina en de Parkschool zijn vanaf schooljaar 2023-2024 gehuisvest in het nieuwe schoolgebouw aan de Kinderkamp 5, waarbij de scholen een bibliotheek, speellokaal en een multifunctioneel ruimte delen. Beide scholen hebben een eigen schoolplein voor de kleuters en zij delen een groot schoolplein met de midden- en bovenbouw. Volgens het schoolbestuur van de Ibn-i Sina zullen de leerlingenaantallen de komende jaren naar verwachting blijven toenemen en is de capaciteit van de school nu al ontoereikend.
45 / 100
Figuur 8.6: Overzicht gebouwkwaliteit en capaciteit schoolgebouwen Presikhaaf
8.4. Noord-Oost Het gebied Noord-Oost omvat de wijken Velperweg e.o., Alteveer & Cranevelt, Geitenkamp en Monnikenhuizen. In dit gebied zijn 5 basisscholen gesitueerd. Het aantal leerlingen in het gebied bedraagt nu 1466 leerlingen. Volgens de leerlingenprognose is de komende periode sprake van een lichte daling van het aantal leerlingen in het gebied NoordOost. Binnen het gebied is sprake van een normatieve overmaat van ca. 1000 m².
Figuur 8.7: Leerlingenprognose en ruimtebehoefte Primair Onderwijs Noord-Oost.
46 / 100
Een aanzienlijk deel van de schoolgebouwen zijn gebouwd in de jaren ’60 en hebben sindsdien geen grote renovatie meer ondergaan. De kwaliteit van de scholen wordt dan ook matig tot slecht beoordeeld.
Figuur 8.8: Leeftijd schoolgebouwen Primair Onderwijs Noord-Oost Jozef Sartoschool De Jozef Sartoschool is gehuisvest aan Beeldhouwerstraat 27a in een gebouw uit 1955. In 2021 heeft een uitbreiding plaats gevonden om het capaciteit tekort op te lossen. De kwaliteit van het schoolgebouw wordt echter als matig beoordeeld. Volgens de leerlingenprognose blijft het aantal leerlingen de komende jaren stijgen. De Boomhut De Boomhut is gehuisvest aan de Bernhardlaan 10 in twee gebouwen die in 1960 zijn gerealiseerd. De kwaliteit van het schoolgebouw aan de Julianalaan wordt slecht beoordeeld. Door de ligging in het park is de kwaliteit sneller achteruit gegaan. De staat van het andere pand is beter en is van aanzienlijke omvang. De wens vanuit het schoolbestuur is om naar één gebouw te gaan. Volgens de leerlingenprognose blijft het aantal leerlingen de komende jaren stabiel. Julianaschool De Julianaschool is gevestigd aan de Alberdingk Thijmstraat 5 in een gebouw uit 1928. In 2001 is er een uitbreiding gerealiseerd. De Julianaschool is gehuisvest in een pand met monumentale uitstraling, maar dat brengt beperkingen met zich mee. De kwaliteit van het schoolgebouw wordt als slecht beoordeeld. Volgens het schoolbestuur zijn met name de functionaliteit en het binnenklimaat ontoereikend. Volgens de leerlingenprognose blijft het aantal leerlingen de komende jaren stabiel.