CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Bestemmingsplan 'Chw Drielse Rijndijk 107' - tekst

Politieke Avond 28 februari 2024, gemeente ArnhemBij agendapunt: Vaststellen: Bestemmingsplan 'Chw Drielse Rijndijk 107'23.979 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Situatie plangebied

Onderhavig plan voorziet in een functiewijziging en de realisatie van één nieuwe woning. Dit bestemmingsplan valt daarmee onder de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)' namelijk in categorie: 1.500 woningen (netto) bij minimaal 1 ontsluitingsweg. Derhalve is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren voor dit bestemmingsplan. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland van het RIVM is de luchtkwaliteit in beeld gebracht om te bepalen of ter plaatse van de nieuwe woning sprake is van een goed verblijfsklimaat. Op de kaart van 2021 blijkt dat er voor fijnstof PM2,5 een concentratie is van 9.4 µg/m3. In 2030 is dat 7.2 µg/m3. Voor fijnstof PM10 in 2021 was de concentratie 15.9 g/m3 en in 2030 13.7 µg/m3. Voor stikstofdioxide (NO2) was de concentratie in 2021 13 µg/m3. In 2030 is dat 9.9 µg/m3. Daarmee wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden (25 µg/m3 voor PM2,5 en 40 µg/m3 voor PM10 en NO2). Gezien de aanwezige luchtkwaliteit is in het plangebied sprake van een goed leefklimaat. 4.3.3

Conclusie

De normen voor luchtkwaliteit vormen geen belemmering voor dit plan.

4.4

Hinder

4.4.1

Algemeen

Hinder In het kader van bedrijven en milieuzonering dienen de effecten van inrichtingen op hun omgeving (gevoelige bestemmingen, waaronder eventueel nieuw te ontwikkelen woningen) in beeld gebracht te worden. Voorbeelden van hinder zijn geluid, geur, stof of gevaar. In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering 2009' is een lijst van inrichtingen opgenomen waarbij de inrichtingen op grond van de hinder die zij veroorzaken, zijn opgedeeld in 6 categorieën. Hierbij wordt er vanuit gegaan dat een inrichting uit categorie 1 relatief weinig hinder veroorzaakt en een inrichting uit categorie 6 bijzonder veel hinder veroorzaakt. Geurhinder van industriële bedrijven Het beleidsplan Geur uit 2010 gaat in op geur afkomstig van industriële bedrijven waarvoor de gemeente Arnhem het bevoegde gezag is. Milieubeleid kan een positieve bijdrage leveren aan maatschappelijke thema's als gezondheid, veiligheid, leefbaarheid, duurzaamheid en ruimtelijke kwaliteit. Geur is een milieuaspect dat een belangrijke bijdrage levert aan de leefbaarheid. Het geurbeleid van de gemeente Arnhem sluit, voor zover dat mogelijk is, aan op het geurbeleid van de provincie Gelderland. Het doel van het geurbeleid is dat inwoners van Arnhem nu en in de toekomst niet worden blootgesteld aan geuroverlast door industriële bedrijven.

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

29

Chw Drielse Rijndijk 107

4.4.2

Situatie plangebied

Onderhavig plan voorziet in een functiewijziging en daarmee een nieuwe woning. Derhalve is alleen sprake van inwaartse zonering. De dichtstbijzijnde milieubelastende functie is de intensieve veehouderij aan de Drielse Rijndijk 111. Het is niet bekend of daar nog een agrarisch bedrijf actief is, maar het is er planologisch wel mogelijk. Deze locatie ligt op meer dan 200 meter vanaf het plangebied. Deze afstand is ruim voldoende om ter plaatse van de bestaande en nieuwe woning te voorzien in een goed woon- en leefklimaat. Overige milieubelastende functies zijn op grotere afstand gelegen. 4.4.3

Conclusie

Milieuzoneringen staan de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.

4.5

Externe veiligheid

4.5.1

Algemeen

Externe veiligheid Met externe veiligheid wordt bedoeld de kans op overlijden van mensen buiten de grenzen van een bedrijf of transportmedium, als rechtstreeks gevolg van een ongeval met (gevaarlijke) stoffen binnen de grenzen van het bedrijf dan wel het transportmedium. In de externe veiligheid worden twee risicobegrippen gehanteerd het PR (Plaatsgebonden Risico) en het GR (Groepsrisico). Landelijk beleid Voor bedrijven geldt het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). In het Bevi wordt een onderscheid gemaakt in kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten. De 10-6 PR contour geldt ten opzichte van kwetsbare objecten als grenswaarde en ten opzichte van beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Het beoordelingskader voor het groepsrisico is een oriënterende waarde. Voor ondergrondse (aardgas)leidingen is er het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en voor de transportroutes (weg, water, spoor) het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt). In het Bevi, Bevt en Bevb zijn de milieukwaliteitseisen vastgelegd die in de ruimtelijke planvorming moeten doorwerken. Gemeentelijk beleid Het beleidsplan externe veiligheid van de gemeente Arnhem beschrijft de mate van gewenste externe veiligheid in Arnhem. Uitgangspunt hierbij zijn de landelijke normen voor het plaatsgebonden risico en het groepsrisico.

In een groot gedeelte van de stad streven we naar het niet doen toenemen van de risico's. Op sommige plekken in de stad, op bedrijventerreinen voor zware industrie en de volgens het structuurplan stedelijke zone accepteren we een hoger risico dan op andere plaatsen. Wel moet daar extra aandacht zijn voor de beschikbare mogelijkheden voor rampenbestrijding, de zelfredzaamheid van mensen en de hulpverlening. 4.5.2

30

Situatie plangebied

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

Uitsnede risicokaart Op de risicokaart is te zien dat naast het plangebied gevaarlijke stoffen opgeslagen worden of werden. Voorheen zat hier een agrarisch bedrijf, maar die is niet meer actief. Het perceel wordt nu gebruikt voor wonen, waardoor het niet aannemelijk is dat de propaantank nog aanwezig c.q. in gebruik is. Mocht deze tank nog wel in gebruik zijn, dan ligt het plangebied alsnog buiten de plaatsgebonden risicocontour. Verder ligt ten oosten van het plangebied een hoogspanningsverbinding (150 kV). De afstand tot het plangebied bedraagt ruim 550 meter, waarmee deze hoogspanningsverbinding geen risico vormt voor het plangebied. Tot slot loopt op ruim 600 meter ten oosten van het plangebied nog de spoorlijn Arnhem Nijmegen. Voor het spoortraject ter hoogte van het plangebied zijn de transporthoeveelheden niet dusdanig hoog dat er een PR-contour van 10-6 is. Daarnaast voorziet dit plan niet in een significante toename van de personendichtheid in het plangebied. Een verantwoording van het groepsrisico is daarom niet nodig. 4.5.3

Conclusie

Externe veiligheidsrisico's staan de uitvoerbaarheid van onderhavig plan niet in de weg.

4.6

Groen en ecologie

4.6.1

Algemeen

Wet natuurbescherming (Regels ter bescherming van de natuur) De Wet natuurbescherming (Wnb) vervangt sinds 2017 het wettelijke stelsel voor de natuurbescherming zoals dat was neergelegd in de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet, door één integraal en vereenvoudigd kader. De Wnb neemt de Europese regelgeving als uitgangspunt. Waar dat noodzakelijk is voor een adequate bescherming van natuurwaarden waarvoor geen specifieke bescherming is voorzien in Europese regelgeving worden aanvullende nationale beschermingsvoorschriften verankerd. De wet gaat over de bescherming van de kernnatuurwaarden en de houtopstanden, als onderdeel van een groter maatregelenpakket gericht op de bescherming van natuurwaarden en het tegengaan van biodiversiteitsverlies. De taken en verantwoordelijkheden worden zoveel mogelijk bij de provincies neergelegd. Bescherming van gebieden Voor de instandhouding van gebieden die zijn aangewezen ter uitvoering van de Vogelrichtlijn en de Habitat-richtlijn (Natura 2000-gebieden) stelt de Wnb specifieke kaders. De Natura 2000-gebieden in "Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

31

Chw Drielse Rijndijk 107

Arnhem zijn Veluwe en Rijntakken. Het is verboden om zonder vergunning een project te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Indien het project afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, dan moet een passende beoordeling worden gemaakt van de gevolgen voor het gebied, rekening houdend met de instandhoudingsdoelstellingen. Alleen indien daaruit met zekerheid blijkt dat het plan of project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet aantast, wordt de vergunning verleend. Als de zekerheid niet kan worden verkregen, dan kan een vergunning alleen worden verleend als er geen alternatieve oplossingen zijn, er sprake is van een dwingende reden van groot openbaar belang en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen (de zgn. “ADC-toets“) Op het moment dat een passende beoordeling nodig is, moet voor het kaderstellend plan (zoals een bestemmingsplan) een plan-MER worden gemaakt.

De beheerplannen – waarin de uitwerking in omvang, ruimte en tijd van de instandhoudingsdoelstellingen voor Natura 2000-gebieden plaatsvindt en waarin de voor die gebieden te treffen maatregelen in samenhang worden beschreven – zijn kaderstellende instrumenten. Ingeval overeenkomstig het beheerplan wordt gehandeld is verzekerd dat de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen niet in het geding is. Bescherming van soorten De Wnb sluit aan bij het specifieke beschermingsregime uit de Vogelrichtlijn, de Habitatrichtlijn en de natuurbeschermingsverdragen. Er wordt voorzien in concrete verboden ten aanzien van onder meer het vangen en doden van in die bronnen genoemde diersoorten, de verstoring van deze soorten en aantasting van hun rust- en voortplantingsplaatsen, alsmede in een verbod op het plukken en vernielen van bepaalde planten. Voorts wordt voorzien in limitatief opgesomde gronden voor ontheffing van deze verboden. Alleen opzettelijk verrichte handelingen zijn strafbaar. Bij vogels zijn bovendien verstoringen niet strafbaar als de staat van instandhouding van die vogelsoorten niet in gevaar komt. Gedeputeerde staten kunnen onder voorwaarden ontheffing verlenen van de verboden. Daarnaast geldt als beschermingsregime voor (nationale) soorten: a. een zorgplicht die van toepassing is op alle natuurwaarden in Nederland; b.

een verbod op het opzettelijk doden van de in de bijlage van de wet genoemde dieren, met een ontheffingsregime dat ruimer is dan dat voor internationaal en Europees beschermde soorten (zoogdieren, reptielen, amfibieën en thans op een rode lijst staande vissen, dagvlinders, libellen en kevers) (82 soorten); c. een verbod op het vangen van dieren genoemd in de bijlage en het opzettelijk beschadigen van hun vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen (zoals de dassenburcht); en d. een verbod op het plukken of opzettelijk vernielen van in de bijlage genoemde vaatplanten (63 soorten, waaronder orchideeën). Er wordt voorzien in ruimere ontheffingsmogelijkheden dan voor de strikt beschermde soorten gelden (artikel 3.10 lid 2). Voorts wordt het aantal bejaagbare soorten uitgebreid, worden door gedeputeerde staten goedgekeurde faunabeheerplannen sturend bij de schadebestrijding, populatiebeheer en jacht en is de verantwoordelijkheid voor de uitvoering van het stelsel van soortenbescherming, met inbegrip van de taken van het (op te heffen) Faunafonds, bij de provincies komen te liggen. Groenvisie 2017-2035 De Groenvisie gaat over het Groen-blauw raamwerk, de stedelijke hoofdgroenstructuur, vertaald in doelen, ambities en ontwikkelopgaven. Dit Groen-blauw raamwerk van de stad bepaalt het gezicht van de stad en de aantrekkelijkheid van uiteenlopende woon- en recreatiemilieus.

Het gaat daarbij om de waarden vanuit landschap, cultuurhistorie, ecologie, water en recreatief gebruik op gemeente en op 32

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

particuliere terreinen. Aan groen worden de laatste jaren steeds meer waarden en kwaliteiten toegekend. Zo ook aan het Arnhemse groen. Daarbij valt te denken aan gezondheid, klimaat (verminderen van hitte en van wateroverlast), milieu (verbeteren luchtkwaliteit), stadslandbouw, dierenwelzijn, toerisme en sport en bewegen. Het groen biedt ruimte voor een gezonde, leefbare, aantrekkelijke en daarmee ook toekomstbestendige woon- en werkomgeving. De Groenvisie legt niet alleen het Groen-blauw raamwerk vast, dus de stedelijke hoofdgroenstructuur, maar geeft ook richting aan het belang van groen in de wijken, zodat initiatieven de waarden van het groen (landschap, biodiversiteit, gezondheid, waterbuffering, koelte) niet aantasten maar juist versterken. Zij vormt daarmee een basis voor de vertaling naar de (planologische) bescherming van waardevolle gebieden en waardevolle bomen in de bestemmingsplannen. Er wordt ingezet op het versterken van de natuurwaarden in het Groen-blauw netwerk en het stedelijke gebied. Bij de realisatie van (nieuw) bouw bestaan er veel kansen voor de vergroting van de biodiversiteit in de stad: de natuurinclusieve stad. Voor het plangebied zetten we in op typische soorten van de gebouwde omgeving: o.a. vleermuizen, gierzwaluw en huismus. De visie zorgt voor een actualisatie van de Arnhemse regels met betrekking tot groencompensatie.

In de Groenvisie zijn nu de actuele Arnhemse regels groencompensatie 2017 opgenomen. Uitgangspunt blijft dat de totale groenbalans in de stad neutraal moet blijven of toeneemt. Moet er toch groen verdwijnen, dan wordt dat gecompenseerd. Eerst kwantitatief, dan kwalitatief en als laatste financieel. Bij financiële compensatie wordt de waarde van het groen en de boomopstanden gestort in het Groenfonds. Het provinciale beleid met betrekking tot groencompensatie heeft betrekking op bos binnen het Gelderse Natuurnetwerk. Daar waar de provinciale compensatieregels gelden treden de gemeentelijke terug. Bomenplan 2020 Het bomenplan is een uitwerking van de Groenvisie. Onderdeel van dit plan is het jaarlijks aanplanten van nieuwe bomen en bos. Deze nieuwe bomen leveren een belangrijke bijdrage aan het klimaatbestendiger maken van Arnhem. Boombewust ontwerpen is het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen, waarbij het behoud van de bestaande bomen van belang is. 4.6.2

Situatie plangebied

Voor dit plan is door adviesbureau Baecx een quickscan in het kader van de Wet natuurbescherming uitgevoerd. Deze quickscan is opgenomen als Bijlage 2 bij de toelichting. Hierna worden de conclusies kort besproken. Soortenbescherming Flora Binnen het plangebied zijn geen beschermde soorten waargenomen. Fauna Binnen het plangebied zijn geen gierzwaluwen waargenomen. Ook zijn er geen (potentiële) nestplaatsen vastgesteld. Nader onderzoek achten we derhalve niet noodzakelijk. Binnen het plangebied zijn er geen huismussen en/of huismusnesten aangetroffen. Nader onderzoek achten we derhalve niet noodzakelijk. Binnen het plangebied is de grote gele kwikstraat niet waargenomen. Nader onderzoek achten we derhalve niet noodzakelijk. Er zijn binnen het plangebied geen overige waarnemingen gedaan van beschermde vogels, insecten, amfibieën, reptielen, vissen en grondgebonden zoogdieren. De sloop van de schuur en nieuwbouwplannen hebben aannemelijk geen negatieve gevolgen voor de potentieel aanwezige soorten. Gebiedsbescherming "Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

33

Chw Drielse Rijndijk 107

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of in een NNN-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied t.o.v. het plangebied is ‘Veluwe’. Dit Natura 2000-gebied ligt op circa 1,5 kilometer afstand ten westen van het plangebied. Beschermd NNN-gebied, ‘Gelders natuurnetwerk’, ligt op circa 380 meter afstand ten oosten van het plangebied. In de bestaande situatie zijn diverse menselijke invloeden aanwezig in de zone tussen het plangebied en beschermde Natura 2000 en/of NNN gebieden. Het betreft agrarisch gebied. Als gevolg van de bestaande situatie zullen de voorgenomen werkzaamheden aannemelijk géén verdere negatieve effecten opleveren zoals geluids- en visuele verstoringen. De afstand tussen het plangebied en de beschermde gebieden is hiervoor te groot. Door adviesbureau Teus' Advies is voor dit plan een stikstofdepositie-onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 3 bij deze toelichting. Uit de berekeningen voor zowel de aanlegals gebruiksfase volgen geen toenames die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/jaar. Groene ontwikkelingszone Artikel 2.52 van de provinciale omgevingsverordening laat een nieuwe activiteit of ontwikkeling alleen toe als blijkt dat de kernkwaliteiten of ontwikkelingsdoelen van de Groene ontwikkelingszone per saldo en naar rato van de ingreep worden versterkt en de samenhang niet verloren gaat.

Om dit te toetsen, heeft de provincie een rekensysteem ontwikkeld waarmee de impact van de nieuwe ontwikkeling op de GO berekend kan worden, afgezet tegen de bestaande functie. Indien nodig kunnen dan versterkingsmaatregelen genomen worden om tot een positief saldo te komen. Voor dit plan is een onderbouwing voor de versterking van de GO gemaakt. Die onderbouwing is opgenomen als Bijlage 4. Hieruit blijkt dat de ontwikkeling zorgt voor een positief saldo. De opheffing van een agrarisch bouwperceel weegt namelijk zwaarder dan de komst van een nieuwe woning en woonbestemming. Groenbeleid De voorwaarde voor de ontwikkeling van het plan is dat de karakteristiek van het gebouw en de complexiteit van het (voormalige) boerenerf alsmede de landschappelijke kenmerken dienen zoveel mogelijk behouden te blijven. Het uitgangspunt binnen het project was dat de bomen zoveel mogelijk behouden blijven. Er zijn 5 bomen/struiken gekapt, maar daarvoor in de plaats worden twee nieuwe houtsingels met 10 bomen aangelegd, twee struweelhagen, en een solitaire boom. Deze bomen en structuren zijn landschappelijk en ecologisch waardevol (inheemse soorten) en worden in het nieuwe bestemmingsplan beschermd middels de dubbelbestemming ‘Waarde - Landschap’. Ook worden de bestaande, gebiedseigen bomen die in goede staat verkeren beschermd en is een vergunningstelsel opgenomen om deze bomen te kappen.

Door het verwijderen van bebouwing en verharding en een nieuwe, groene landschappelijke inpassing van het perceel, neemt de groenbalans toe. Dit wordt geborgd middels de bestemmingen 'Tuin' en 'Groen'. De voorgenomen ontwikkeling is daarmee in overeenstemming met het gemeentelijke groenbeleid. Natuurinclusief bouwen De bestaande bomen en erfbeplanting blijft grotendeels behouden. In paragraaf 5.4 is de landschappelijke inpassing toegelicht. Conform de beleidsregel natuurinclusief bouwen van de gemeente Arnhem moet voor dit project 6 punten behaald worden. Minimaal 25% hiervan moet bestaan uit groene maatregelen. Daarnaast moet voor minimaal 3 soortgroepen maatregelen genomen worden. In het kader van natuurinclusief bouwen worden de volgende maatregelen genomen: Nestkast huismus - 1 punt Nestkast vleermuis - 1 punt Insectensteen - 1 punt 1 inheemse boom van 2e of 3e orde grootte in tuin - 3 punten; Groene haag als erfafscheiding - 1 punt; Beperkte verharding - 1 punt Deze maatregelen zijn tevens verwerkt in het inrichtingsplan (zie paragraaf 3.2).

34

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

4.6.3

Conclusie

De Wet natuurbescherming en de Groenvisie van de gemeente Arnhem staan de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg.

4.7

Water

4.7.1

Algemeen

Rijksbeleid Het Rijksbeleid op het gebied van het waterbeheer is onderdeel geworden van het Nationale Omgevingsvisie, de NOVI (2020). De NOVI bevat nieuw strategisch beleid op het gebied van de fysieke leefomgeving en komt in de plaats van gebiedsdekkende structuurvisies en relevante delen van zelfstandige strategische beleidsplannen (natuurvisie, verkeer- en vervoerplannen) en de strategische gedeelten van nationale én provinciale waterplannen en milieubeleidsplannen. Echter delen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) blijven van kracht tot de invoering van de Omgevingswet. Het gaat dan om de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid beschrijven en de daartoe behorende ruimtelijke aspecten van het nationale ruimtelijk beleid. Echter als de NOVI afwijkt van het NWP, dan moet dat als wijziging van het NWO worden gezien. Tot de invoering van de Omgevingswet is het waterbeleid in 2 nationale plannen terug te vinden. (Toelichting NOVI). De NOVI is een integrale omgevingsvisie voor de fysieke leefomgeving, maar de relatie met de sociale leefomgeving wordt uitdrukkelijk gelegd. Naast de ruimtelijk-functionele indeling van de leefomgeving gaat het ook om de activiteiten die een effect hebben op de leefomgeving in brede zin, waaronder het milieu, water, bodem, lucht en het natuurlijk kapitaal. Boven- en ondergrond zijn onlosmakelijk verbonden.

In de NOVI worden 4 prioriteiten gesteld: Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, Duurzaam economisch groeipotentieel, Sterke en gezonde steden en regio's en Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Daarnaast zijn 3 afwegingsprincipes vastgelegd. Onder de eerste prioriteit vallen nu ook de eerdere bestuursakkoorden die voor het thema Water zijn afgesloten. In 2050 is Nederland Klimaatbestendig en waterrobuust ingericht, is de veiligheid tegen overstroming gegarandeerd, hebben rivieren en beken de ruimte gekregen en is voldoende zoetwater van goede kwaliteit aanwezig. Bij het laatste gaat het om oppervlaktewater en grondwater. In de Waterwet (22 december 2009) zijn onder meer de gemeentelijke watertaken opgenomen: de zorgplicht voor hemelwater indien de eigenaar van het terrein het hemelwater in alle redelijkheid niet op eigen terrein kan verwerken en de regierol van gemeenten bij de grondwaterzorgplicht. In het gemeentelijke rioleringsplan geven gemeenten aan hoe zij invulling geven aan die zorgplichten. Provinciaal en regionaal beleid Op provinciaal niveau zijn alle beleidsplannen geïntegreerd in één plan: de Omgevingsvisie Gelderland (vastgesteld 9 juli 2014). Water is opgenomen in twee centrale doelstellingen, te weten het borgen van de kwaliteit en de veiligheid van de leefomgeving.

Realisatie van deze doelstellingen betekent onder meer: ontwikkelen met kwaliteit met respect voor ruimtelijke, landschappelijke en cultuurhistorische kwaliteiten; een robuust en toekomstbestendig water- en bodemsysteem voor alle functies; bij droogte, hitte en waterovervloed; een gezonde en veilige leefomgeving; een gezonde vrijetijdseconomie en aandacht voor beleving, bereikbaarheid en toegankelijkheid van cultuur, natuur en landschap. Verder is de provincie het aanspreekpunt voor drie watergerelateerde zaken: "Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

35

Chw Drielse Rijndijk 107

onttrekkingen voor drinkwaterwinning; onttrekkingen ten behoeve van bodemenergiesystemen zoals koude- en warmte opslag (KWO); industriële onttrekkingen meer dan 150.000 m³ per jaar. Beleid waterschap en gemeente De verantwoordelijkheid voor het stedelijk waterbeheer in Arnhem-Noord, inclusief het in stand houden van de waterkering, ligt bij het Waterschap Rijn en IJssel. Relevant beleid is opgenomen in het Waterbeheerplan (2016-2021) en de Keur en legger van het waterschap. Het waterbeleid van de gemeente Arnhem is vastgelegd in de volgende beleidsplannen. Het geactualiseerde Gemeentelijk RioleringsPlan (GRP) vastgesteld op 14 november 2018. Het plan richt zich op een verbetering van de kwaliteit van het rioleringsstelsel door het verminderen van de vuiluitworp naar het oppervlaktewater, de bodem en het grondwater, op het voorkomen van overlast door klimaatverandering en op het vasthouden van schoon hemelwater in stedelijk gebied. Aanpak wateroverlast Arnhem-Noord (vastgesteld 2 november 2015). Het plan heeft tot doel om Arnhem en vooral Arnhem-Noord, beter waterbestendig te maken tegen zware regenbuien. Daarom zal over elk plan een waterscan worden gelegd. Tijdens werkzaamheden in de openbare ruimte worden ruimtelijke maatregelen genomen die wateroverlast verminderen dan wel beperken.

Strategie Klimaatadaptatie "Groen, Slim en Samen" In januari 2021 is de Strategie Klimaatadaptatie "Groen, Slim en Samen" vastgesteld. In de Strategie geeft Arnhem aan hoe zij zich in dit decennium klimaatbestendig wil maken op de thema's die voor de klimaatadaptatie van belang zijn: Droogte, Hitte, Wateroverlast en Waterveiligheid. De belangrijkste ambities zijn: de klimaatopgave is een gezamenlijke opgave voor alle bewoners, bedrijven en instellingen in Arnhem; de verdichtingsopgave wordt gecombineerd met de klimaatadaptatie; 10% minder verharding, meer groen en water; de ambities voor het thema Water is de schade en overlast door extreme buien zoveel mogelijk te voorkomen, door onder meer: 1. bij nieuwbouw al het hemelwater af te koppelen; 2. bij renovatie maximaal af te koppelen, waarbij de haalbaarheid per geval beoordeeld zal worden. (In beide situaties geldt de minimale eis van 40 mm. neerslag op eigen terrein verwerken); 3. in 2030 in ieder geval 90% van de huidige openbare ruimte afgekoppeld te hebben 4.

voorkomen van wateroverlast bij toename bebouwing en /of verharding voor het thema Hitte en Droogte geldt dat de negatieve effecten van hitte worden tegen gegaan; aanvullend voor het thema Droogte geldt dat meer inzicht nodige is in de effecten van droogte ook op de waterkwaliteit; en voor het thema Waterveiligheid sluit de gemeente aan bij de waterschappen en RWS, de verantwoordelijke organisaties voor dit thema. Resumé Uitgangspunt in het huidige beleid van gemeente, waterschap en provincie is dat planontwikkeling moet aansluiten bij een duurzaam integraal waterbeheer. Dit betekent dat: negatieve verstoring van de grondwaterstanden en -stromingen niet toegestaan zijn om grondwateroverlast en/of verdroging op de locatie en het boven- en benedenstrooms gelegen gebied te voorkomen; maatregelen getroffen moeten worden ter voorkoming van (grond)watervervuiling; bij nieuwbouw het regenwater binnen het plangebied afgekoppeld moet worden van de riolering en worden verwerkt op eigen terrein; voldoende oppervlaktewater aanwezig is en op de goede locatie; het verhard oppervlak zoveel mogelijk beperkt wordt; het gebruik van uitloogbare materialen en chemische bestrijdingsmiddelen niet is toegestaan; ontwikkelingen moeten bijdragen aan het verminderen of beperken van wateroverlast; ontwikkelingen en herinrichtingen moeten klimaatbestendig en waterrobuust ingericht worden. 36

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

4.7.2

Situatie plangebied

Het plangebied is gelegen in de buitenbeschermingszone van de dijk. Het waterschap heeft aangegeven dat als de nieuwe wonnig binnen de binnenbeschermingszone ligt, een watervergunning nodig is. De nieuwe woning komt daar echter buiten te liggen. Daarnaast ligt de nieuwe woning buiten het profiel van de vrije ruimte en achter de bouwgrens. Met onderhavig plan neemt het bebouwd oppervlak op het plangebied aanzienlijk af. In totaal zal circa 730 m2 gesloopt worden. Daarnaast wordt er een nieuwe woning van circa 117 m2 gebouwd, evenals twee bijgebouwen van elk 63 m2. De totale afname aan bebouwing op het perceel komt daarmee neer op circa 487 m2. Het totale verhardingsoppervlak in de nieuwe situatie bedraagt circa 740 m2. In de bestaande situatie is dat circa 1140 m2. De totale afname aan verharding komt daarmee neer op circa 400 m2. Hemelwater dat op de nieuwe woning valt zal opgevangen en afgevoerd worden richting de omliggend tuin en erf, waar het de bodem kan infiltreren. De nieuwe woning zal ruim boven de gemiddelde hoogste grondwaterstand gebouwd worden. Er zal geen gebruik gemaakt worden van uitlogende materialen. 4.7.3

Conclusie

Negatieve effecten op de waterhuishouding zijn niet aan de orde.

4.8

Bodem

4.8.1

Algemeen

Voor deze ontwikkellocatie is getoetst of de bodemkwaliteit (inclusief grondwater) de gewenste ruimtelijke ontwikkelingen toelaat. Ook is getoetst of een eventuele bodemverontreiniging gevolgen heeft voor de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Als toetskader wordt gebruik gemaakt van de volgende bodemregelgeving: Wet Bodembescherming; Beleidsnota bodem 2012, Provincie Gelderland, gemeente Arnhem en gemeente Nijmegen, 1 december 2012; Besluit Bodemkwaliteit; Nota Bodembeheer, september 2011 De bodemkwaliteit dient geschikt te zijn is voor het nieuwe gebruik. De bodem kan door eerdere (bedrijfs)activiteiten verontreinigd zijn. Voor de ruimtelijke procedure is het van het belang dat verdachte locaties worden gesignaleerd. 4.8.2

Situatie plangebied

Onderhavig plan voorziet in de functiewijziging van een (voormalige) agrarisch bouwperceel naar een woonbestemming. Aangezien er, op de plaats van de geprojecteerde nieuwe woning, in de toekomstige situatie sprake zal zijn van een gevoeliger bodemgebruik, is door adviesbureau Montferland een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 5. Hierna worden de uitkomsten kort besproken. Uit de onderzoeksresultaten kan geconcludeerd worden dat er op de locatie geen ernstige bodem- of grondwaterverontreinigingen aanwezig zijn. De vastgestelde waarden overschrijden enkel de achtergrond- en/ of streefwaarde, wat duidt op enkel lichte (natuurlijke) verontreinigingen. Bij het verkennend asbestonderzoek zijn in de bodem geen asbestverdachte materialen aangetroffen. 4.8.3

Conclusie

De bodekwaliteit staat de uitvoerbaarheid van dit plan niet in de weg. "Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

37

Chw Drielse Rijndijk 107

4.9

Cultuurhistorie en archeologie

4.9.1

Algemeen

Rijksbeleid Erfgoedwet Cultuurhistorische objecten die zeldzaam of schaars zijn en die voor mensen in hoge mate het beeld van Nederland bepalen, worden aangewezen als monumenten. In de Erfgoedwet (de opvolger van de Monumentenwet 1988) is vastgelegd hoe monumenten van bouwkunst en archeologie en stads- en dorpsgezichten moeten worden beschermd. Deze wet is het belangrijkste instrument voor de bescherming van het cultuurhistorisch erfgoed in Nederland. Besluit ruimtelijke ordening Cultuurhistorie moet op basis van de gewijzigde Bro (art 3.1.6 ) goed in bestemmingsplannen verankerd worden. Dit behelst niet alleen een beschrijving van de aanwezige en te verwachten cultuurhistorische waarden, maar ook een waardering ervan en een advies over toekomstige omgang ermee, gelet op de ruimtelijke opgave die in het bestemmingsplan aan de orde is. Aangegeven moet worden hoe met de cultuurhistorische waarden rekening is gehouden in het bestemmingsplan. Verdrag van Valletta en de Wet op de archeologische monumentenzorg De bescherming van het archeologische erfgoed in de bodem en de inbedding ervan in de ruimtelijke ontwikkeling is het onderwerp van het Europese Verdrag van Valletta (Malta). In 1992 ondertekenden twintig Europese staten, waaronder Nederland, dit verdrag.

De belangrijkste uitgangspunten van het verdrag zijn: archeologische waarden dienen zoveel mogelijk (in situ) in de bodem bewaard te blijven en beheermaatregelen dienen genomen te worden om dit te bewerkstelligen; vroeg in de ruimtelijke ordening dient al rekening gehouden te worden met archeologie; bodemverstoorders betalen het archeologisch (voor)onderzoek wanneer behoud in situ niet mogelijk is. In 2007 is het verdrag vertaald in de Monumentenwet 1988 en maakt thans deel uit van de Erfgoedwet. Provinciaal beleid 'Beleef het mee!' (2017-2020) In juli 2016 is het Beleidsprogramma Cultuur en Erfgoed 2017 - 2020 'Beleef het mee!' vastgesteld. In dit programma ligt het accent op de beleving van mensen. Daarnaast zoekt de provincie de balans tussen de maatschappelijke, economische en intrinsieke waarde van cultuur en erfgoed. Cultureel ondernemerschap blijft onverminderd van belang en komt terug in de economische waarde van cultuur en erfgoed. Voor wat betreft erfgoed krijgt vooral het functioneel gebruik ervan aandacht. Daarnaast zoekt de provincie nieuwe manieren van samenwerking waardoor de uitvoeringskwaliteit van restauraties en archeologie wordt vergroot Gemeentelijk beleid Archeologische verwachtingenkaart Archeologie is een integraal onderdeel van het erfgoedbeleid en als zodanig opgenomen in de erfgoednota.

In de nota wordt voortgeborduurd op de uitgangspunten van het Verdrag van Malta. Behoud van archeologische waarden is het uitgangspunt en als dat niet mogelijk is, volgt veiligstelling door archeologisch onderzoek. Om permanente aandacht voor deze vorm van erfgoed te krijgen, is ingezet op constante voorlichting en educatie. Sinds 2008 beschikt de gemeente over een archeologische verwachtingenkaart voor heel Arnhem. De verwachtingenkaart geeft al in een vroeg stadium van planvorming globaal inzicht in de mate waarin archeologische resten in een gebied aangetroffen kunnen worden. Conform de Erfgoedverordening geldt afhankelijk van de oppervlakte en diepte van grondroerende werkzaamheden archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Gebieden die reeds onderzocht zijn 38

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

en/of zijn vrijgegeven, zijn vrijgesteld van onderzoek. Aan het archeologische beleid dat in de verordening is verankerd, ligt de archeologische maatregelenkaart als basis. Structuurvisie De Structuurvisie Arnhem (2011) biedt een strategisch kader voor ruimtelijke planning op stedelijk niveau voor de lange termijn. Uitgangspunt is het voortbouwen op de karakteristieken van de historisch gegroeide stad. In de cultuurhistorische hoofdstructuur zijn de ruimtelijke, historische elementen weergegeven, die essentieel zijn voor Arnhem als geheel. Per landschappelijke karakteristiek zijn de ambities weergegeven. Vervolgens is een selectie gemaakt van die cultuurhistorische belangen en structuren die kansen bieden bij nieuwe gebiedsontwikkelingen in de stad: de 'Cultuurhistorische Kansenkaart'. De rijkdom van de Arnhemse cultuurhistorie is kader en inspiratiebron bij ruimtelijke ontwikkelingen in de stad. 4.9.2

Situatie plangebied

Cultuurhistorie Voor onderhavig plan is de gemeentelijke cultuurhistorische kaart geraadpleegd. Hierop is de Drielse Rijndijk voorzien van de aanduiding “rivierdijken". Door dit plan worden de waarden van de Drielse Rijndijk niet aangetast. Dit plan voorziet alleen in een nieuwe vrijstaande woning. Hiervoor wordt voormalige agrarische bedrijfsbebouwing gesloopt.

Uitsnede kaart cultuurhistorische hoofdstructuur Arnhem Archeologie Voor het plangebied geldt een hoge archeologische verwachting. Daarom is door adviesbureau KSP Archeologie een archeologisch onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen als Bijlage 6. Hierna worden de uitkomsten kort besproken. De kans dat er tijdens de nieuwbouwwerkzaamheden nog intact archeologische resten kunnen worden aangetroffen uit de Late Middeleeuwen tot en met de Nieuwe Tijd (zoals in bovenstaande beantwoording van de laatste onderzoeksvraag is weergegeven) wordt zeer klein geacht. Daarnaast zal de informatiewaarde van deze resten waarschijnlijk zeer gering zijn gezien het feit dat bekend is dat hier een boerderij heeft gestaan van minstens het beging van de 19e eeuw. Op grond van bovenstaande adviseert KSP Archeologie om de archeologische dubbelbestemming voor de nieuw te bebouwen delen "Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

39

Chw Drielse Rijndijk 107

te laten vervallen en alleen te handhaven voor de voormalige locatie van de boerderij op het minuutplan.

4.10

Stadsklimaat

4.10.1 Algemeen In de Structuurvisie 2020-2040 (vastgesteld december 2012) is de gemeentelijke ambitie verwoord om Arnhem klimaatbestendig te maken onder alle weersomstandigheden. Voor nu en in de toekomst, onder invloed van de klimaatverandering, wordt tenminste gestreefd naar prettig toeven binnen- en buitenshuis en het vermijden van ongewenste gezondheidsrisico's. Voor hitte ligt de nadruk op de toename in de toekomst van het aantal zomerse en zelfs tropische dagen. In het realiseren van een prettig stadsklimaat wil de gemeente optimaal gebruik maken van de (huidige) gunstige uitgangssituatie van natuurlijke luchtstromen die van de hoger gelegen stadsranden en vanuit de rivierzone de stad in stromen en zorgen voor koeling en tevens een goede luchtkwaliteit. Ook het groene karakter van de stad draagt daaraan in grote mate bij. De opwarming van de stad tijdens warme, tropische dagen doet zich voor in de dichtbebouwde stenige gebieden met veel gebouwvolume, verharding en weinig groen. In de Hittekaart van Arnhem is de gevoeligheid van de stad voor opwarming weergegeven. Bepaalde delen van de stad hebben een verhoogde kans op opwarming (stedelijke hitte-eilanden), wat ongewenste gevolgen voor het woon- en leefmilieu en het functioneren van deze gebieden kan hebben. De Arnhemse binnenstad en directe omgeving is zo'n gebied (zie klimaatkaart rode gebieden).

4.10.2 Situatie plangebied Dit plan draagt bij aan klimaatadaptatie door weinig verharding te gebruiken. Daarnaast worden groene maatregelen genomen en wordt rekening gehouden met eventuele dijkversterkingen.

4.11

Duurzaamheid

4.11.1 Algemeen Rijksbeleid Nieuwe gebouwen en woningen moeten volgens landelijke regelgeving voldoen aan het Bouwbesluit. In het bouwbesluit worden de energieprestaties voor nieuwe gebouwen en woningen fasegewijs aangescherpt. Per 1 januari 2015 is de Energieprestatiecoëfficient (EPC) voor nieuwbouw van woningen aangescherpt tot 0,4. Voor overige gebouwen is de EPC afhankelijk van de functie. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD. Voor overheidsgebouwen geldt dat zij vanaf 1 januari 2019 voldoen aan de BENG eisen. Gemeentelijk beleid De gemeente Arnhem hanteert de volgende voorkeursvolgorde inzake de ambities voor nieuwbouw: Energieneutraal Bijna energieneutraal (BENG) 4.11.2 Situatie plangebied Dit plan voorziet in een nieuwe, vrijstaande woning. De woning zal in ieder geval conform BENG uitgevoerd worden. In een lader stadium zal gekeken worden of energieneutraal haalbaar is.

40

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

4.12

M.e.r. - beoordeling

4.12.1 Algemeen Dit plan voorziet in de ontwikkeling van 1 woning. Een dergelijk bouwproject kan worden gezien als stedelijk ontwikkelingsproject zoals bedoeld in categorie D11.2 van het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.). De omvang van het project ligt echter ver onder de drempelwaarde van een oppervlakte van 100 hectare, waarbij er sprake is van m.e.r.-beoordelingsplicht. Deze drempelwaarde is echter indicatief. Dit houdt concreet in dat het bevoegd gezag op grond van artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r. dient na te gaan of de beoogde activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kan hebben. Indien dit niet kan worden uitgesloten, is het alsnog nodig een milieuffectrapport op te stellen. De toets of er, ondanks het feit dat de omvang onder de drempelwaarde uit het Besluit m.e.r. blijft, sprake kan zijn van belangrijke nadelige milieugevolgen wordt aangeduid als een 'm.e.r.-beoordeling' of m.e.r.-toets. Op basis van deze beoordeling dient het bevoegd gezag, het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad expliciet te besluiten of er al dan niet een m.e.r.-procedure wordt gevolgd De voorliggende paragraaf betreft deze m.e.r.-beoordeling. Bij de m.e.r.-beoordeling worden getoetst aan de criteria van Bijlage III van de Europese richtlijn milieueffectbeoordeling (richtlijn 85/337/EEG).

Deze criteria hebben, samengevat, betrekking op: de kenmerken van het voornemen (onder meer omvang, kans op hinder, mogelijke cumulatie met effecten van andere activiteiten); de plaats (onder meer ligging ten opzichte van gevoelige gebieden); de kenmerken van de effecten, mede gelet op de aard van het voornemen en de plaats. Criteria De criteria in Bijlage III bij de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling zijn als uitgangspunt genomen. De hoofdcriteria zijn reeds genoemd. Hieronder volgt een overzicht van de criteria. 1. Kenmerken van de projecten Bij de kenmerken van de projecten moet in het bijzonder in overweging worden genomen: de omvang van het project; de cumulatie met andere projecten; het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; de productie van afvalstoffen; verontreiniging en hinder; risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. 2. Plaats van de projecten Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop de projecten van invloed kunnen zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: het bestaande grondgebruik; de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: 1. wetlands, 2. kustgebieden, 3. berg- en bosgebieden, 4.

reservaten- en natuurparken, "Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

41

Chw Drielse Rijndijk 107

5. gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszonen door de lidstaten aangewezen op grond van de Vogel-en/of habitatrichtlijn, 6. gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden, 7. gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid, 8. landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. 3. Kenmerken van het potentiële effect Bij de potentiële aanzienlijke effecten van het project moeten in samenhang met de criteria van de punten 1 en 2 in het bijzonder in overweging worden genomen: het bereik van het effect (geografische zone en grootte van de getroffen bevolking); het grensoverschrijdende karakter van het effect; de orde van grootte en de complexiteit van het effect; de waarschijnlijkheid van het effect; de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

4.12.2 Situatie plangebied Het herbestemmen van een agrarisch bouwperceel en de realisatie van een nieuwe woning in geen activiteit die voorkomt in onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. De bouw van de nieuwe woning is niet te karakteriseren als een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. In relatie tot de omgeving betreft het verder een kleinschalige ontwikkeling. Conclusie Een MER, m.e.r.-beoordeling of vormvrije m.e.r.-beoordeling is niet nodig voor dit plan.

42

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

Hoofdstuk 5 5.1

Planbeschrijving en -verantwoording

Inleiding

In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op de bestaande situatie, het relevante beleid en de milieuen omgevingsaspecten. De informatie uit deze hoofdstukken is gebruikt om keuzes te maken bij het opstellen van het bestemmingsplan: de verbeelding (plankaart) en de regels. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de opzet van dit bestemmingsplan. Daarnaast worden de gemaakte keuzes op de verbeelding en in de regels verantwoord. Dat betekent dat er wordt aangegeven waarom bepaalde bestemmingen zijn aangewezen en waarom bepaalde bebouwing acceptabel is. Waarom een 'Chw' plan? Het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft onze gemeente aangewezen als experiment 'bestemmingsplan met verbrede reikwijdte' onder artikel 7g van het Besluit uitvoering Crisisen herstelwet. In een bestemmingsplan met verbrede reikwijdte kunnen meer regels over de fysieke leefomgeving worden opgenomen. In het bestemmingsplan ‘Drielse Rijndijk 107' maken we gebruik van de mogelijkheden van de Crisis en herstelwet door regels op te nemen in het kader van natuurinclusief bouwen.

5.2

Opzet van de regels

In de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is de verplichting opgenomen om ruimtelijke plannen en besluiten digitaal vast te stellen. De Standaard voor vergelijkbare bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012) is verplicht. De Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 maakt het mogelijk bestemmingsplannen te maken die op vergelijkbare wijze zijn opgebouwd en op een zelfde manier worden verbeeld. Vergelijkbare bestemmingsplannen leiden tot een betere dienstverlening en tot een effectievere en efficiëntere overheid. Het juridisch bindend gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit planregels en bijbehorende plankaart waarop de bestemmingen zijn aangegeven. Deze plankaart kan zowel digitaal als analoog worden verbeeld. De plankaart en de planregels dienen in samenhang te worden bekeken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: 1. Inleidende regels (begripsbepalingen en wijze van meten); 2. Bestemmingsregels; 3. Algemene regels (o.a. afwijkingen); 4. Overgangs- en slotregels. 5.2.1

Inleidende regels

Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied en bevatten: 1. Artikel 1 Begrippen In dit artikel zijn definities van de in de regels gebruikte begrippen opgenomen, voor een eenduidige interpretatie van deze begrippen. 2. Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel geeft onder meer bepalingen waar mag worden gebouwd en hoe voorkomende eisen betreffende de maatvoering begrepen moeten worden. Op de plankaart zijn bouwhoogten en soms bebouwingspercentages aangegeven. Als er geen percentages zijn aangegeven, mag het hele bouwvlak worden bebouwd. De aangegeven bouwhoogte wordt gemeten vanaf peil tot het hoogste punt (exclusief elementen zoals een schoorsteen, liftopbouw en dergelijke). Uitgangspunt is dat alleen gebouwd mag worden binnen de bouwgrenzen. 5.2.2

Bestemmingsregels

Hoofdstuk 2 van de regels bevat de juridische vertaling van de verschillende bestemmingen die voorkomen in het plangebied. Voor ieder gebied op de plankaart is de bestemming aangegeven. Deze bestemmingen zijn in de regels onderverdeeld in o.a.: 1. Bestemmingsomschrijving: omschrijving van de activiteiten die zijn toegestaan (wonen, bedrijvigheid etc.); "Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

43

Chw Drielse Rijndijk 107

2. Bouwregels: eisen waaraan de bebouwing moet voldoen (bebouwingshoogte, bebouwingspercentage etc.); 3. Afwijken van de gebruiks- en bouwregels: onder welke voorwaarde mag afgeweken worden van de aangegeven bestemmingen en bouwregels; 4. Verboden gebruik: welke vormen van gebruik zijn uitgesloten. In paragraaf 5.3 worden de verschillende bestemmingen toegelicht en wordt ook per bestemming aangegeven waarom voor bepaalde gronden voor deze is gekozen. Daarnaast wordt, indien gekozen wordt af te wijken van de bestemming uit het geldende bestemmingsplan, aangeven waarom daarvoor is gekozen. 5.2.3

Algemene regels

Hoofdstuk 3 bevat de algemene regels. Deze regels gelden voor het gehele plangebied. Dit hoofdstuk is opgebouwd uit: 1. Artikel 10 Anti-dubbeltelregel Deze regel bepaalt dat er niet twee keer voor eenzelfde locatie een bouwplan kan worden ingediend. 2. Artikel 11 Algemene bouwregels Hierin zijn de algemene bouwregels opgenomen zoals de verplichting tot het bouwen binnen het bouwvlak en de uitleg van het bebouwingspercentage. 3. Artikel 12 Algemene gebruiksregels In dit artikel zijn algemene regels mert betrekking tot het gebruik van de gronden en opstallen in het plangebied opgenomen. Hierin is aangegeven welke functies in ieder geval in strijd zijn met het bestemmingsplan. 4. Artikel 13 Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden de voorwaarden beschreven waaronder kan worden afgeweken van een bestemmingsregel. Deze afwijkingen kunnen worden toegepast op alle bestemmingen in het bestemmingsplan. De afwijkingen die uitsluitend gelden voor een bepaalde bestemming zijn in het betreffende artikel van die bestemming opgenomen. 5.2.4

Overgangs- en slotbepalingen

In hoofdstuk 4 staan de overgangs- en slotbepalingen. In de overgangsbepalingen is aangegeven wat de juridische consequenties zijn van bestaande situaties die in strijd zijn met dit bestemmingsplan.

5.3

Verantwoording van de regels

5.3.1

Algemeen

Kenmerk van de Nederlandse ruimtelijke ordeningsregelgeving is dat er uitgegaan wordt van toelatingsplanologie. Een bestemmingsplan geeft aan welke functies waar zijn toegestaan en welke bebouwing opgericht mag worden. Bij het opstellen van dit bestemmingsplan zijn keuzes gemaakt over welke functies waar mogelijk worden gemaakt en is gekeken welke bebouwing stedenbouwkundig toegestaan kan worden. De bestaande situatie is hierbij het uitgangspunt. Het is noodzakelijk dat het bestemmingsplan een compleet inzicht biedt in de bouw- en gebruiksmogelijkheden binnen het betreffende plangebied. Het bestemmingsplan is het juridische toetsingskader dat bindend is voor de burger en overheid en geeft aan wat de gewenste planologische situatie voor het plangebied is. Deze situatie kan gaandeweg de planperiode wijzigen, bijvoorbeeld door veranderd stedenbouwkundig inzicht, functiewijziging veranderingen in gebruik. Ook ruimtelijke ontwikkelingen en vernieuwing van o.a. ruimtelijk, economisch, verkeerskundig en milieubeleid dragen bij aan de veroudering van geldende bestemmingsplannen.

Om recht te doen aan een goede ruimtelijke ordening binnen het plangebied wordt daarom aangegeven in welke situaties de bestemming wordt gekozen gelijk aan de oude bestemming (na strijdige situatie te hebben gewraakt) en in welke situaties een nieuwe bestemming wordt gegeven (positief bestemmen), waarmee de strijdige situatie wordt gelegaliseerd. Daarnaast wordt, indien van toepassing, aangegeven wanneer een strijdige situatie onder het overgangsrecht wordt gebracht. In deze paragraaf worden de keuzes die zijn gemaakt nader onderbouwd. Hierbij zullen de bestemmingen in dezelfde volgorde als in de regels worden behandeld.

44

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

5.3.2

Afzonderlijke bestemmingen

In de volgende subparagrafen worden de afzonderlijke bestemmingen die voorkomen in het bestemmingsplan besproken. Er kan worden gekozen om bepaalde bestemmingen in één subparagraaf te behandelen zoals Bedrijf en Bedrijf - Nutsvoorziening, Groen en Groen - Park en de Verkeersbestemmingen. Per bestemming wordt ingegaan op: welke gronden zijn zo bestemd; wat houdt de bestemming in; eventuele aanduidingen of andere bijzonderheden. 5.3.3

Wonen

Functie Alle woningen in het plangebied zijn bestemd als 'Wonen' (artikel 6). Binnen deze bestemming zijn twee vrijstaande woningen toegestaan, uitsluitend binnen het bouwvlak. Ter plaatse van de aanduiding 'maximum bouwhoogte' is de maximale bouwhoogte geregeld, in dit geval 8 meter. Binnen de bestemming 'Wonen' zijn in principe beroepsmatige activiteiten toegestaan. Om hinder voor de directe omgeving te voorkomen is hieraan wel een aantal voorwaarden verbonden. In de eerste plaats mag slechts een gedeelte van de woning, inclusief de bijgebouwen (maximaal 1/3 van de totale vloeroppervlakte van de woning) worden gebruikt als praktijkruimte door de bewoner. Is er meer dan 1/3 van de woning in gebruik voor het uitoefenen van een beroep, dan is er geen sprake meer van een 'beroep aan huis' en derhalve strijd met het bestemmingsplan. Voorts mag door dit gebruik geen onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat (bijvoorbeeld beperkte reclamemogelijkheden) noch een onevenredige parkeerdruk ontstaan. Tot slot zijn er vormen van beroepsuitoefening expliciet uitgezonderd, omdat ze te veel overlast voor de omgeving veroorzaken (detailhandel, prostitutie, horeca-activiteiten en beroepen die milieuoverlast veroorzaken). Bebouwingsmogelijkheden Binnen de bestemming 'wonen' zijn twee zones te onderscheiden: de bouwzone en de onbebouwbare zone.

De bouwzone omvat het eigenlijke woongebouw met, daar waar mogelijk en gewenst, uitbreidingsmogelijkheden en de zone ‘bijgebouwen’. Als geen bebouwingspercentage is vermeld, mag deze gehele zone worden bebouwd in de aangegeven bouwhoogte, mits aan andere vereisten (bijvoorbeeld welstand) is voldaan. Voor het andere deel van de bouwzone geldt een bouwaanduiding 'bijgebouwen'. Dit betekent dat hier bijgebouwen mogen worden gebouwd. Deze gronden met deze aanduiding zijn bedoeld voor garages, schuren en beperkte uitbreidingen aan het woonhuis, zoals serres. De maximale bouwhoogte van de bijgebouwen is 3 meter, exclusief kap. De maximale bouwhoogte voor uitbreidingen aan het woonhuis is gelijk aan de hoogte van de begane-grondbouwlaag. De onbebouwbare zone is bedoeld voor tuinen, buurtgroen, speelplekken, woonstraten, trottoirs en parkeerplaatsen ten behoeve van de woonfunctie. 5.3.4

Waarde - Archeologie (hoge verwachting)

Het plangebied is voorzien van de dubbelbestemming Waarde - Archeologie (hoge verwachting), ten behoeve van de bescherming van de aanwezige of naar verwachting aanwezige archeologische waarden. 5.3.5

Waterstaat - Waterkering

Het plangebied is deels voorzien van de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. Hiermee zijn deze gronden, behalve voor andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor waterkering en de daarvoor benodigde voorzieningen. Deze bestemming is opgenomen ten behoeve van de op de noordelijke plangrens gelegen Rijndijk. Deze dijk heeft als primaire bestemming waterkering.

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

45

Chw Drielse Rijndijk 107

5.4

Handhaving

Het bestemmingsplan is bindend voor overheid en burger. Het bestemmingsplan biedt het juridisch kader waaruit de bouw- en gebruiksmogelijkheden per locatie kunnen worden afgeleid. Tegelijkertijd kan de gemeente naleving van het bestemmingsplan afdwingen door handhavend op te treden tegen strijdig gebruik en/ of illegale bebouwing. De raad bepaalt ieder jaar in de begroting waar de handhavingsprioriteiten liggen. Op grond van de hoofddoelstelling uit het gemeentelijke 'Handhavingsplan Fysieke Leefomgeving 2011-2014'':'het zorgdragen voor een aantrekkelijke, leefbare en veilige leefomgeving' is onze inzet gericht op het toezicht en de handhaving van de regels die betrekking hebben op de bescherming van de veiligheid en kwaliteit van de leefomgeving. Handhaving is daarbij geen doel op zich, maar een van de instrumenten om een leefbare en veilige leefomgeving te creëren. Door toe te zien op de naleving van regelgeving wordt een bijdrage geleverd aan de verschillende doelen van de gemeente op het gebied van de veiligheid en leefbaarheid. De gemeente is in beginsel verplicht om te handhaven. De gemeente mag wel prioriteiten stellen, maar als er een handhavingsverzoek wordt ingediend dan moet de gemeente handhaven. De gemeente kan alleen in bijzondere gevallen van handhaving afzien, als de handhaving onevenredig is.

Bijvoorbeeld als vaststaat dat de overtreding op heel korte termijn gelegaliseerd wordt.

5.5

Exploitatie

Artikel 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening stelt dat de gemeenteraad gelijktijdig met de vaststelling van het bestemmingsplan moet besluiten om al dan niet een exploitatieplan vast te stellen. Hoofdregel is dat een exploitatieplan moet worden vastgesteld bij elk bestemmingsplan. Er zijn echter uitzonderingen. Het is mogelijk dat de raad verklaart dat met betrekking tot een bestemmingsplan geen exploitatieplan wordt vastgesteld indien het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd of het stellen van nadere eisen en regels niet noodzakelijk is. De kosten voortvloeiende uit de ontwikkeling komen voor rekening van initiatiefnemer. Met initiatiefnemer is een anterieure overeenkomst gesloten waarin tevens het risico op planschade is meegenomen. Hiermee is het kostenverhaal voor de gemeente volledig verzekerd. Dit brengt met zich mee dat vaststelling van een exploitatieplan op grond van artikel 6.12 Wro achterwege kan blijven.

46

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

Hoofdstuk 6 6.1

Procedure

Vooroverleg

Bewonersoverleg In het kader van het vooroverleg is het concept-bestemmingsplan besproken met de bewoners van de Drielse Rijndijk 105, 109, 111, 113, 115a en de Achterstraat 1, 1a, 3, 5, 7 en 9. Initiatiefnemer is persoonlijk langs deze bewoners gegaan om het planvoornemen toe te lichten. Hieruit kwamen geen bezwaren naar voren. De bewoners vinden het een positieve ontwikkeling dat de oude schuren gesloopt worden en er een nieuwe woning voor terugkomt. Artikel 3.1.1 Bro overleg In het kader van artikel 3.1.1 Bro is het concept-bestemmingsplan opgestuurd naar Provincie Gelderland en het Waterschap Rivierenland. Er was al op een eerder moment afgestemd met het Waterschap. Het was niet nodig om verder overleg te voeren over het conceptbestemmingsplan. De provincie heeft aangegeven een verder uitgewerkt versterkingsplan te willen ontvangen. Dit onderdeel is uitgewerkt in bijlage 4. Publicatie voornemen ontwikkeling Volgens artikel 1.3.1 lid 1 van het Besluit ruimtelijke ordening moet het voornemen tot een op ontwikkeling gericht bestemmingsplan worden gepubliceerd. Dit is gebeurd op 29 november 2023 in het gemeenteblad.

6.2

Terinzagelegging (ontwerp-bestemmingsplan)

Het ontwerpbestemmingsplan 'Chw Drielse Rijndijk 107' heeft vanaf 12 december 6 weken ter inzage gelegen. Tijdens deze periode zijn geen zienswijzen ingediend.

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

47

Chw Drielse Rijndijk 107

48

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

Regels van het bestemmingsplan Chw Drielse Rijndijk 107 (plannummer: NL.IMRO.0202.1043-0301)

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

49

Chw Drielse Rijndijk 107

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels Begrippen

1.1 plan Het bestemmingsplan Chw Drielse Rijndijk 107 met identificatienummer NL.IMRO.0202.1043-0301 van de gemeente Arnhem. 1.2 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.3 aanduiding Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik of het bebouwen van deze gronden. 1.4 aanduidingsgrens De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.5 aan- of uitbouw Een bouwwerk verbonden met een hoofdgebouw dat bouwkundig ondergeschikt is aan het hoofdgebouw en in functioneel opzicht onderdeel uitmaakt van het hoofdgebouw. 1.6 bebouwing Eén of meer gebouwen of bouwwerken geen gebouwen zijnde. 1.7 bebouwingspercentage Een op de verbeelding of in de regels aangegeven percentage dat de grootte van een gedeelte van een bestemmingsvlak of gedeelte van een bouwvlak aangeeft dat ten hoogste mag worden bebouwd. 1.8 bed and breakfast Overnachtingsaccomodatie gericht op het bieden van de mogelijkheid tot een kortdurend verblijf met het serveren van een ontbijt in een woning, gedreven door de bewoner van die woning.

1.9 bedrijf Een onderneming of gedeelte van een onderneming, die een organisatorisch zelfstandige eenheid vormt en is gericht op de productie of de afzet van goederen of de verlening van diensten, hieronder begrepen ondernemingen of gedeelten van ondernemingen, die door of vanwege de overheid worden geleid. 1.10 Beleidsregels Natuurinclusief Bouwen Onder de Beleidsregels Natuurinclusief Bouwen wordt verstaan: de 'Beleidsregels Natuurinclusief Bouwen', dan wel zoals deze regels komen te luiden na wijziging van deze regels. 1.11

beleidsregels Parkeren van de gemeente Arnhem

Onder de Beleidsregels Parkeren van de gemeente Arnhem wordt verstaan: de 'Beleidsregels voor toepassing van artikel 2.5.30 van de Bouwverordening gemeente Arnhem 2003', dan wel zoals deze regels komen te luiden na wijziging van deze regels. 1.12 beroep aan huis Een (para)medisch, juridisch, administratief, therapeutisch, verzorgend, ontwerptechnisch, kunstzinnig of daarmee gelijk te stellen beroep of bedrijf dat in een woning wordt uitgeoefend. 1.13 bestaand(e) a. bij bouwwerken: legale bouwwerken die aanwezig of in uitvoering zijn op het tijdstip van de ter visie legging van het ontwerp van het bestemmingsplan en bouwwerken die mogen worden gebouwd krachtens een vergunning; b. bij gebruik: legaal gebruik van grond en opstallen zoals aanwezig tijdens de inwerkingtreding van het bestemmingsplan dat na de inwerkingtreding van het plan niet langer onderbroken is dan een jaar.

50

"Chw Drielse Rijndijk 107" (vastgesteld)

Chw Drielse Rijndijk 107

1.14 bestaande bebouwing Eén of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde en niet zijnde een tijdelijk toegestaan bouwwerk, die op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit plan volgens het geldende recht aanwezig of in uitvoering zijn dan wel na dat tijdstip zijn of mogen worden opgericht krachtens een omgevingsvergunning, die vóór dat tijdstip is aangevraagd. 1.15 bestemmingsplan De geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen. 1.16 bestemmingsgrens De grens van een bestemmingsvlak. 1.17 bestemmingsvlak Een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.18 bijbehorend bouwwerk Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aan gebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak. 1.19 bijgebouw Een zelfstandig bouwwerk dat niet in directe verbinding staat met het hoofdgebouw. Het bijgebouw wordt via een aparte toegangsdeur bereikt en kan tegen een hoofdgebouw worden aangebouwd. Voorbeelden van een bijgebouw zijn een garage of een schuur. 1.20 bouwen Het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk. 1.21 bouwgrens De grens van een bouwvlak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=dadc545f-5914-49cc-89e3-c1336e5fc5db