CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanvullende bijlagen 10 t/m 12 - Ecologie- en wateronderzoek

Politieke Avond 19 januari 2022, gemeente ArnhemBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan 'Chw Cobercoterrein'22.189 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Rapport Projectnummer: 367272 Referentienummer: SWNL0276548 Datum: 06-05-2021

Verkennend natuuronderzoek Coberco-kwartier te Arnhem Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Definitief

Opdrachtgever BPD Ontwikkeling B.V. De brand 30 3823 LK AMERSFOORT

Sweco De Holle Bilt 22 3732 HM De Bilt Postbus 203 3730 AE De Bilt Nederland

T +31 88 811 66 00 www.sweco.nl

Sweco Nederland B.V. Gebiedsadvies Handelsregister 30129769 Statutair gevestigd te De Bilt

Raisja Spijker Adviseur Ecologie M +31 6 20 00 04 85

Verantwoording Titel

Verkennend natuuronderzoek Cobercokwartier te Arnhem

Subtitel

Oriënterend onderzoek in het kader van de wet- en regelgeving voor natuur

Projectnummer

367272

Referentienummer

SWNL0276548

Revisie

D1

Datum

06-05-2021

Auteur

Raisja Spijker

E-mailadres

raisja.spijker@sweco.nl

Gecontroleerd door

Maikell Verkade

Paraaf gecontroleerd

Goedgekeurd door

Maarten Mouissie

Paraaf goedgekeurd

2 (29)

Inhoudsopgave 1

Inleiding .................................................................................................................. 5

1.1

Kader van het onderzoek ........................................................................................ 5

1.2

Biodiversiteit ............................................................................................................ 5

1.3

Ligging plangebied .................................................................................................. 5

1.4

Voorgenomen activiteiten ........................................................................................ 6

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden ................................................ 8

2.1

Toetsingskader ........................................................................................................ 8

2.2

Gebieden en optredende effecten ........................................................................... 9

2.3

Analyse van de mogelijke effecten ........................................................................ 10

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming ............................................... 11

3.1

Toetsingskader ...................................................................................................... 11

3.2

Methode ................................................................................................................. 13

3.3

Ontheffing Wet natuurbescherming uit 2019 ......................................................... 14

3.4

Voorkomende ecotopen ........................................................................................ 14

3.5

Planten ................................................................................................................... 15

3.6

Vleermuizen ........................................................................................................... 15

3.6.1

Vaste rust- en voorplantingsplaatsen ..................................................................................16

3.6.2

Foerageergebied en vliegroutes .........................................................................................18

3.6.3

Effectenbeoordeling ............................................................................................................18

3.7

Overige zoogdieren ............................................................................................... 19

3.8

Vogels .................................................................................................................... 20

3.8.1

Jaarrond beschermde nesten .............................................................................................20

3.8.2

Algemene broedvogels .......................................................................................................20

3.9

Amfibieën en reptielen ........................................................................................... 21

3.10

Vissen .................................................................................................................... 21

3.11

Ongewervelden...................................................................................................... 21

4

Natuurbeleidskaders ........................................................................................... 22

4.1

Toetsingskader ...................................................................................................... 22

4.2

Gelders natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone ......................................... 22

4.2.1

Toetsingskader ...................................................................................................................22

4.2.2

Inventarisatie, analyse en toetsing ......................................................................................23

4.3

Gemeentelijk beleid ............................................................................................... 24

5

Conclusies............................................................................................................ 25

5.1

Wet natuurbescherming ........................................................................................ 25

5.1.1

Natura 2000-gebieden ........................................................................................................ 25

5.1.2

Soortenbescherming ...........................................................................................................25

3 (29)

5.2

Natuurbeleidskaders .............................................................................................. 27

5.2.1

Gelders natuurnetwerk en groene ontwikkelingszone.........................................................27

5.2.2

Gemeentelijk beleid ............................................................................................................27

5.3

Samenvattende tabel ............................................................................................. 27

Referenties ........................................................................................................................... 29

Bijlage 1

Ontheffing Wet natuurbescherming

Bijlage 2

Ecologische begeleiding

Bijlage 3

Notitie stikstof

4 (29)

1

Inleiding

Aan de Nieuwe Kade 1 in Arnhem bevindt zich de voormalige Coberco-fabriek. BPD is voornemens om deze locatie onder de naam ‘Coberco-kwartier’ te herontwikkelen met nieuwbouw. Hiervoor wordt de bestaande bebouwing gerenoveerd of gesloopt en de aanwezige beplanting gerooid. De beoogde herontwikkeling van het plangebied past niet in het geldende bestemmingsplan. Derhalve dient een nieuw bestemmingsplan te worden vastgesteld. Wanneer bij voorgenomen ontwikkelingen beschermde plant- of diersoorten of beschermde gebieden in het geding kunnen zijn, dienen deze te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. Om inzichtelijk te maken of de kans bestaat dat dit het geval is bij de voorgenomen plannen, is dit verkennend natuuronderzoek uitgevoerd. 1.1 Kader van het onderzoek Projecten of handelingen dienen te worden getoetst aan de wet- en regelgeving voor natuur. De natuurbescherming in Nederland bestaat uit de volgende kaders: · Wet natuurbescherming: ° Natura 2000-gebieden; ° soorten; ° houtopstanden; · Natuurnetwerk Nederland (NNN); · andere provinciaal beschermde gebieden buiten het NNN; · gemeentelijk beleid. Het verkennend onderzoek is erop gericht om een eerste inzicht te krijgen in de mogelijke effecten van het plan op beschermde natuurwaarden in en om het plangebied.

Toetsing heeft plaatsgevonden op beschermde Natura 2000-gebieden, beschermde soorten en op de natuurbeleidskaders. In het rapport worden de mogelijke vervolgstappen besproken die eventueel moeten worden genomen met betrekking tot aanvullend veldonderzoek, nader effectonderzoek en nadere procedures. 1.2 Biodiversiteit Bij Sweco zien wij biodiversiteit als een onlosmakelijk onderdeel van een duurzame gebiedsontwikkeling. Het is essentieel voor een gezonde, aantrekkelijke en toekomstbestendige leefomgeving voor mens en dier. In onze visie zijn er bij elke ruimtelijke ontwikkeling mogelijkheden om natuurinclusief te ontwerpen, bouwen en handelen om zo de biodiversiteit te stimuleren. Wij geven vrijblijvend advies op welke wijze biodiversiteit toegepast en/of geoptimaliseerd kan worden in uw plan of project. Wij staan u graag bij om deze adviezen in een vervolgtraject verder te concretiseren en vorm te geven. 1.3 Ligging plangebied Het plangebied bevindt zich in de kern van Arnhem (provincie Gelderland). Arnhem is een stad aan de zuidelijke rand van de Veluwe in de stadsregio Arnhem-Nijmegen. Arnhem ligt in een groene omgeving, rijk aan bosgebieden en water en ligt aan de Neder-Rijn, de IJssel en de Sint-Jansbeek. De A12, de A50, A325 en A348 zijn voor Arnhem de belangrijkste verkeersaders.

5 (29)

Het plangebied ligt in het centrum van Arnhem en wordt ontsloten door de Westervoortsedijk ten noorden, de Badhuisstraat ten oosten, de Nieuw kade ten zuiden en de Nijmeegseweg ten westen van het plangebied. De Neder-Rijn ligt direct ten zuiden van het plangebied aan de Nieuwe Kade. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk bedrijven en woonhuizen aanwezig. Aan de overzijde van de rivier liggen de uiterwaarden van de Neder-Rijn. Navolgende afbeelding geeft de globale ligging van het plangebied weer.

Figuur 1.1

Ligging van het plangebied (rood).

1.4 Voorgenomen activiteiten Het plangebied zal de komende jaren worden ontwikkeld tot een terrein met gemengde functies (figuur 1.2): · Wonen in de vorm van lofts, grondgebonden woningen, appartementen, studio’s (totaal ongeveer 310 woningen). · Bedrijvigheid in de vorm van creatieve bedrijvigheid, ambacht, horeca, hotel/short stay/ extended stay, sportactiviteiten, culturele activiteiten. · Verkeer en parkeren: Mobiliteitshub voor verschillende vormen van mobiliteit, parkeren (auto’s, fietsen). Half verdiepte parkeerkelders ten behoeve van de woningen. Bovengenoemde functies worden deels in nieuwbouw gerealiseerd. Om de nieuwbouw te realiseren, wordt een deel van de bestaande bebouwing gesloopt, het resterende deel wordt gerenoveerd en krijgt een nieuwe functie. In totaal zullen ongeveer 365 parkeerplekken rondom het terrein worden gerealiseerd. Deze zullen in half verdiepte parkeerkelders en in gestapelde parkeerplaatsen worden gesitueerd. Een impressie van de toekomstige situatie is weergegeven in figuur 1.2.

6 (29)

Figuur 1.2

Toekomstige inrichting

7 (29)

2

Wet natuurbescherming: Natura 2000-gebieden

2.1 Toetsingskader Bescherming van Natura 2000-gebieden is geregeld in hoofdstuk 2 van de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder Natura 2000-gebieden vallen de gebieden die op grond van de Europese Vogelrichtlijn en/of Habitatrichtlijn zijn aangewezen. De essentie van het beschermingsregime voor deze gebieden is dat de duurzame instandhouding van soorten en habitats binnen de Europese Unie wordt gewaarborgd. Daarbij zijn instandhoudingsdoelstellingen geformuleerd voor natuurlijke habitats en/of soorten. Dit kunnen behoudsdoelstellingen zijn voor habitats en leefgebieden van soorten die zich al op het gewenste niveau (kwalitatief en kwantitatief) bevinden of respectievelijk uitbreidings- en verbeterdoelstellingen voor habitats en leefgebieden van soorten die zich nog niet op het gewenste niveau bevinden. Om dit toetsbaar te maken, kent de Wet natuurbescherming een goedkeuringsvereiste voor plannen die significante gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, eerste lid, Wnb), en een vergunningsplicht voor projecten die significant negatieve gevolgen voor de betreffende gebieden zouden kunnen hebben (artikel 2.7, tweede lid, Wnb). De goedkeuring of de vergunning wordt alleen verleend wanneer voldoende zeker is dat de instandhoudingsdoelstellingen voor het betreffende Natura 2000gebied niet in het geding zijn.

Wanneer significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op grond van een passende beoordeling niet kunnen worden uitgesloten, kan alleen goedkeuring aan het plan of een vergunning voor het project worden verleend indien de ADC-toets met succes doorlopen kan worden (artikel 2.8, vierde lid, Wnb). Dat betekent dat het project nodig is omwille van een dwingende reden van groot openbaar belang, er geen alternatief mag zijn met minder grote effecten op Natura 2000 en de nodige compenserende maatregelen worden getroffen. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) uitspraak gedaan over het Programma Aanpak Stikstof (PAS). De Afdeling heeft geoordeeld dat het PAS niet aan alle eisen van de Habitatrichtlijn voldoet. Het PAS geeft onvoldoende zekerheid dat met de uitgifte van ontwikkelingsruimte significante gevolgen voor Natura 2000 zijn uitgesloten. De consequentie is dat het PAS niet als basis voor toestemming voor projecten of andere activiteiten kan worden gebruikt. Toetsing van effecten van stikstofdepositie gaat daarom weer volgens de in voorgaande alinea beschreven procedure. De provinciale beleidsregels stikstof geven hier een nadere inhoudelijke invulling aan. In de navolgende paragrafen is verkend of er effecten op kunnen treden op Natura 2000gebieden op basis van de ligging van het plangebied en de verwachte reikwijdte van effecten.

Indien op basis van deze verkenning effecten niet op voorhand zijn uit te sluiten, kunnen de volgende vervolgstappen aan de orde zijn: · Een Voortoets geeft een aanwijzing over de mogelijke negatieve effecten van een plan of project op Natura 2000-gebieden. Uit de voortoets volgt ook welke vervolgstappen nodig zijn. Soms blijkt uit de voortoets dat er zeker geen significant negatieve effecten voor Natura 2000-gebieden zijn. Dan is er geen vergunningsplicht en de initiatiefnemer hoeft verder niets te doen. Als er wel mogelijke significant negatieve effecten zijn, volgt een passende beoordeling.

8 (29)

·

·

Passende beoordeling: beoordeling of significante gevolgen van het plan of project op Natura 2000-gebieden zijn uit te sluiten. In een passende boordeling mag rekening gehouden worden met mitigerende maatregelen. Als significante gevolgen dan nog niet zijn uit te sluiten, volgt een ADC-toets. ADC-toets: Aangetoond dient te worden dat er geen alternatieven zijn met minder effecten, er sprake is van een Dwingende redenen van groot openbaar belang en in afdoende Compensatie is voorzien.

2.2 Gebieden en optredende effecten Voor de inventarisatie van Natura 2000-gebieden is gebruik gemaakt van de Natura 2000kaart, zoals beschikbaar is via Nationaal Georegister. Hieruit blijkt dat de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden ‘Rijntakken’ op circa 1,7 km en ‘Veluwe’ op circa 3 km zijn gelegen. De Veluwe bestaat overwegend uit droge bossen, droge en natte heide, vennen en stuifzanden. Er is in totaal nog 1.400 ha stuifzand op de Veluwe. Plaatselijk komen in de heiden natte of droge heischrale graslanden, jeneverbesstruwelen, vennen, natte heide en hoogveenkernen (Mosterdveen) voor. In het beekdal van de Hierdense en Staverdense Beek worden schraallanden aangetroffen. Langs de randen van de Veluwe ontspringen de (sprengen)beken waar beekvegetaties en zeer plaatselijk bronbossen voorkomen1. Twee deelgebieden van het Natura 2000-gebied Rijntakken liggen in de omgeving van Arnhem: Gelderse Poort en Uiterwaarden IJssel. Het deelgebied Gelderse Poort is het begin van de Rijndelta, de Rijn stroomt hier door een stuwwal Nederland binnen. Het is een rivierenlandschap met veel gradiënten tussen de Duitse grens en de steden Arnhem en Nijmegen. De rivier vormt een dynamisch systeem, een samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen. Het deelgebied Uiterwaarden IJssel omvat het systeem van de rivier de IJssel, de aanliggende oeverwallen en de uiterwaarden.

De IJssel is een zijtak van de Rijn en loopt van Arnhem tot aan het IJsselmeer. Het landschap is ontstaan in een periode dat de rivier een veel groter deel van de waterafvoer verzorgde en de monding nog een echte delta was2.

1 2

https://www.natura2000.nl/gebieden/gelderland/veluwe https://www.natura2000.nl/gebieden/gelderland/rijntakken

9 (29)

Figuur 2.1

Ligging van het plangebied (rode lijn) ten opzichte van het Natura 2000-gebied (roodbruin).

2.3 Analyse van de mogelijke effecten Geluid en beweging die met werkzaamheden gepaard gaan, reiken tot maximaal enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. De werkzaamheden kunnen in de aanlegfase en gebruiksfase gepaard gaan met emissie van stikstof. Deze emissie kan zich over een afstand van meerdere kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op stikstofgevoelige habitats en/of leefgebieden op Natura 2000-gebieden. Sweco heeft in mei 2021 een stikstofberekening uitgevoerd om de effecten van het plan te bepalen (zie bijlage 1). Het plan geeft toenamen van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Het maximale effect van 0,02 mol/ha/jaar doet zich voor in 2025 als er een overlap is tussen de realisatiefase en de gebruiksfase.

De negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten worden door Sweco verder onderzocht in een ecologische beoordeling.

10 (29)

3

Wet natuurbescherming: soortenbescherming

3.1 Toetsingskader In de Wet natuurbescherming is de soortenbescherming in Nederland geregeld. In de Wet natuurbescherming worden drie verschillende beschermingsregimes gehanteerd waaraan verschillende verbodsbepalingen zijn gekoppeld: Soorten Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v.) · lid 1) Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen; · lid 3) Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben; · lid 4) Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen; · lid 5) Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.

Soorten Habitatrichtlijn (artikel 3.5 e.v.) · lid 1) Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen; · lid 2) Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren; · lid 3) Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen; · lid 4) Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen; · lid 5) Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere Soorten (artikel 3.10 e.v.) · lid 1) Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: ° onderdeel a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; ° onderdeel b.

de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of ° onderdeel c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor Vogelrichtlijn- en Habitatrichtlijnsoorten geldt dat voortplantings- en rustplaatsen (inclusief functionele leefomgeving) van beschermde soorten niet opzettelijk verstoord of vernietigd mogen worden en dat exemplaren van beschermde soorten niet opzettelijk mogen worden gedood of verwond. In gebruik zijnde nesten van vogels zijn te allen tijde gedurende het broedseizoen beschermd.

11 (29)

Van een aantal vogelsoorten geniet de vaste rust- en verblijfplaats een aanvullende jaarronde bescherming. Deze soorten worden genoemd in een beleidsdocument dat onder de Flora- en faunawet is opgesteld3. Ook onder de Wet natuurbescherming is deze lijst van kracht, maar provincies hebben de mogelijkheid deze aan te passen. Voor provincie Gelderland geldt de reguliere landelijke lijst. Soorten waarvan de nesten altijd jaarrond beschermd zijn, zijn de volgende: boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar, ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw. Van een aantal andere soorten zijn de nesten enkel beschermd als er onvoldoende alternatieven zijn. Ten aanzien van de andere beschermde soorten geldt dat het bevoegd gezag (provincies c.q. ministerie van LNV) de vrijheid hebben om soorten binnen deze categorie vrij te stellen van de verbodsbepalingen uit artikel 3.10 Wet natuurbescherming. Met artikel 3.10 van de wet wordt het mogelijk gemaakt om die bescherming op te heffen om redenen die onder meer verband houden met ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden of verband houden met onder meer het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen.

Met artikel 3.68 van de omgevingsverordening van provincie Gelderland wordt een dergelijke vrijstelling gegeven. De diersoorten waarop de vrijstelling ten behoeve van ruimtelijke ingrepen ziet, worden genoemd in tabel 1. De vrijstelling geldt alleen wanneer er voorafgaand en tijdens de werkzaamheden of het gebruik in redelijkheid alles wordt verricht of gelaten om te voorkomen dat de verboden, bedoeld in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming, worden overtreden. Tabel 1

Vrijgestelde soorten in Gelderland (Provincie Gelderland, 2019)

Nederlandse naam Zoogdieren Aardmuis Bosmuis Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel Gewone bosspitsmuis Haas Huisspitsmuis Konijn Ondergrondse woelmuis Ree Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat

Amfibieën Gewone pad Bruine kikker Bastaardkikker Meerkikker Kleine watersalamander

Voor beschermde soorten die niet zijn vrijgesteld en de voorgenomen activiteiten strijdig zijn met de bepalingen in de wet, geldt een ontheffingsplicht. Deze kan alleen worden verleend, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Voor vogels geldt in afwijking hierop dat voor verstoring geen ontheffing nodig is, indien de gunstige staat van instandhouding niet in het geding is. Het is ook mogelijk om voor beide categorieën soorten te werken volgens een goedgekeurde gedragscode die is afgestemd op de Wet natuurbescherming. Er is dan geen ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming nodig. 3

Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit. 2009. Aangepaste lijst jaarrond beschermde vogelnesten ontheffing Flora- en faunawet ruimtelijke ingreep (Dienst Regelingen, brief 26 augustus 2009, kenmerk ffw2009.corr.046) te downloaden van de website van het Ministerie van EL&I.

12 (29)

Naast bovengenoemde verbodsartikelen bevat de Wnb een algemeen geldende zorgplicht. Deze zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. Zorgplicht (artikel 1.11) · lid 1) Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. · lid 2) De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: ° onderdeel a. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, ° onderdeel b. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of ° onderdeel c. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. · lid 3) Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. 3.2 Methode De inventarisatie betreft een onderzoek naar de actueel en potentieel voorkomende beschermde soorten in het plangebied.

De inventarisatie bestaat uit een bronnenonderzoek, een verkennend veldbezoek en habitatgeschiktheidsbeoordeling. Bronnenonderzoek Het bronnenonderzoek heeft als doel een overzicht te verkrijgen van de beschikbare informatie met betrekking tot het voorkomen van beschermde soorten in het plangebied en omgeving. Hiervoor zijn de volgende bronnen gebruikt: · Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF), periode 2016 – 2021; · NDFF Verspreidingsatlas (www.verspreidingsatlas.nl); · Quick scan natuur, Arnhem, De Melkfabriek. SAB, januari 2017; · Nader onderzoek wet natuurbescherming, De Melkfabriek. Eelerwoude januari 2018. Habitatgeschiktheidsbeoordeling Op basis van een oriënterend veldbezoek is de geschiktheid van biotopen voor beschermde soorten beoordeeld. Deze beoordeling brengt samen met het bronnenonderzoek de beschermde soort(groep)en in beeld die in het plangebied (kunnen) voorkomen. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 30 april 2021 en is uitgevoerd door een deskundig ecoloog4 van Sweco. Analyse en toetsing van mogelijke effecten Op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling wordt een inschatting gemaakt in hoeverre de te verwachten soort(groep)en en/of het geschikte biotoop beïnvloed kunnen worden door de voorgenomen activiteit.

Op basis van deze analyse wordt geconcludeerd voor welke soort(groepen) er nader (veld)onderzoek nodig is, en of eventueel ontheffingsplicht in kader van Wet natuurbescherming van toepassing is.

4

Onder een ecologische deskundige verstaan we iemand die ecologisch advies geeft of werkzaamheden begeleidt op het gebied van habitats en soorten. Deze persoon heeft schriftelijk aantoonbare ervaring en specifieke ecologische kennis.

13 (29)

Het onderzoek beperkt zich tot op grond van de door Wnb beschermde planten- en diersoorten. Niet-beschermde Rode Lijst-soorten die in het plangebied (kunnen) voorkomen, worden niet in het onderzoek betrokken omdat deze soorten niet relevant zijn voor toetsing aan de Wet natuurbescherming. 3.3 Ontheffing Wet natuurbescherming uit 2019 Op basis van het nader onderzoek van Eelerwoude (veldbezoeken, uitgevoerd in 2017 en rapport uit 2018) is er in 2019 een ontheffing Wet natuurbescherming verkregen (zaaknummer: 2018-004623) voor het vernielen van drie nesten van de huismus en het vernielen van twee verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Deze ontheffing is geldig tot en met 31 december 2023 (zie bijlage 1). De werkzaamheden die onderdeel zijn van de ontheffing, zijn als volgt: · herstel van de fabrieksschoorsteen: metsel- en voegwerk herstellen, herstellen en deels vervangen van metalen trap-beugels aan de buitenzijde; · restauratie fabrieksgebouw: Asbestsanering in het gehele fabrieksgebouw, restauratie van daken, inclusief lichtstraten en dakopbouwen, restauratie van muren, inclusief herstel metsel- en voegwerk en restauratie van vloeren.

Op 23 juli 2018 zijn (onder begeleiding van Gras Advies) acht tijdelijke vleermuiskasten geplaatst aan muren die zich bevinden boven het platte dak van de eerste verdieping aan het gebouw in het zuidoosten van het plangebied (zie bijlage 2). Ook zijn er op 23 juli 2018 vier nestkasten geplaatst met in totaal acht broedruimtes voor de huismus. De muren waaraan de kasten geplaatst zijn, bevinden zich boven het platte dak van de eerste verdieping. De herstelwerkzaamheden aan de fabrieksschoorsteen zijn in 2018 uitgevoerd en voltooid. In de schoorsteen zijn de permanente voorzieningen aangebracht. In december 2018 zijn vier inbouwkasten voor vleermuizen in de zuidzijde van de schoorsteen gerealiseerd. Op verschillende hoogtes in de noord-, oost- en westzijde van de fabrieksschoorsteen zijn zes permanente verblijfplaatsen voor de huismus geplaatst in de vorm van inbouwkasten. Daarnaast zijn er inbouwkasten voor de gierzwaluw ingebouwd, op de foto zijn er tien kasten zichtbaar. Voor vleermuizen dienen er in de zuidgevel van het nog te renoveren deel van het fabrieksgebouw nog vier permanente verblijfplaatsen in de vorm van inbouwkasten te worden geplaatst. 3.4 Voorkomende ecotopen Het plangebied bestaat uit een voormalig bedrijventerrein waar een melkfabriek was gelokaliseerd. Het terrein wordt al enige jaren grotendeels niet meer gebruikt, maar de bebouwing is nog deels aanwezig.

In het plangebied staan drie gebouwen: in het midden van het terrein staat het hoofgebouw, daarnaast staat in het noordoosten van het plangebied een klein bijgebouw. In het zuidoosten van het plangebied staat een gebouw dat nog in gebruik is als atelier en kantoor van BPD. Rondom de gebouwen is de grond deels verhard met tegels en is een groot deel van het terrein begroeid met ruigte, struiken en kleine bomen. Het hoofdgebouw staat al enige jaren leeg en is op meerdere plaatsen voor dieren toegankelijk. Een impressie van het plangebied wordt weergegeven in figuur 3.1.

14 (29)

Figuur 3.1

Impressie van het plangebied.

In onderstaande paragrafen wordt het mogelijk voorkomen van beschermde soorten uit de verschillende relevante soortgroepen besproken. 3.5 Planten De NDFF toont geen waarnemingen van beschermde plantensoorten binnen het plangebied en de nabije omgeving. De aanwezige soorten, zoals vlinderstruik, braam en brandnetel, duiden op een zuurdere, voedselrijke bodem. Beschermde soorten komen veelal voor op locaties met specifieke standplaatsfactoren (onder andere kalkrijke, schrale/matig voedselrijke bodem, kwel). Deze ontbreken binnen het plangebied. De aanwezigheid van beschermde planten in het plangebied wordt op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling uitgesloten. Nader onderzoek naar beschermde plantensoorten is niet noodzakelijk, een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming voor beschermde planten is niet nodig. 3.6 Vleermuizen De NDFF toont waarnemingen van de gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis in de omgeving van het plangebied. Daarnaast kunnen op basis van hun verspreiding ook de watervleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en meervleermuis (foeragerend/passerend over de Neder-Rijn) in en in de omgeving van het plangebied verwacht.

15 (29)

3.6.1 Vaste rust- en voorplantingsplaatsen Vleermuizen zijn op basis van de keuze in verblijfplaatsen globaal in twee soorten te verdelen: soorten die hun verblijfplaats in gebouwen hebben en vleermuizen die hun verblijfplaats in bomen hebben. Gebouwbewonende vleermuizen Gebouwbewonende soorten hebben hun verblijfplaats in allerlei kleine holten in gebouwen, zoals in de spouwmuur en achter gevelbetimmering. De drie gebouwen in het plangebied zijn gecontroleerd op openingen die gebouwbewonende vleermuizen als toegang tot de gebouwen en/of de spouw van deze gebouwen kunnen gebruiken. In het hoofdgebouw (figuur 3.2) zijn op meerdere plaatsen openingen gevonden die als toegang tot de spouwmuur van het gebouw kunnen dienen. Het gebouw in het zuidoosten – Van Ginkelgebouw – (figuur 3.3) van het plangebied heeft open stootvoegen aan de noordkant van het gebouw en aan de west- en oostkant van het gebouw zijn enkele kieren gevonden die vleermuizen als toegang kunnen gebruiken. In het gebouwtje in het noordoosten (figuur 3.4) van het plangebied is door de open spouw langs de gehele hoogte van het gebouw, aanwezige gaten en open bovenkant van de roldeur te veel tocht aanwezig en hierdoor niet geschikt als verblijfplaats voor vleermuizen.

Figuur 3.2

Impressie van kieren en gaten (rood omkaderd) in het hoofdgebouw die toegang geven tot de spouwmuur.

Figuur 3.3

‘Van Ginkelgebouw’ – gebouw zuidoost. Aan de achterzijde zijn tijdelijke kasten aanwezig voor de vleermuis en huismus (geel omkaderd).

16 (29)

Figuur 3.4

Gebouw in het noordoosten van het plangebied.

Boombewonende vleermuizen Boombewonende vleermuizen hebben hun verblijfplaats onder andere in holtes en achter loszittende bast in bomen. In het plangebied zijn enkele bomen en struiken aanwezig langs de gevel van het gebouw in het zuidoosten van het plangebied (‘van Ginkelgebouw’), zie figuur 3.5. Deze bomen worden mogelijk gekapt, door de groeistijl van de takken van deze bomen zijn deze bomen minder interessant voor boombewonende vleermuizen. Daarnaast zijn er geen holtes of loshangend schors aangetroffen bij deze bomen. Verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen zijn daarom niet in het plangebied te verwachten.

Figuur 3.5

Bomen en stuiken langs ‘van Ginkelgebouw’ – gebouw in het zuidoosten van het plangebied.

17 (29)

3.6.2 Foerageergebied en vliegroutes Naast verblijfplaatsen zijn ook foerageergebieden en vliegroutes van vleermuizen beschermd, indien deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van een lokale populatie. Vliegroute Verschillende soorten vleermuizen maken gebruik van lijnvormige elementen, zoals bomenrijen, watergangen en houtwallen, om te navigeren en ter beschutting tegen wind. Routes die regelmatig en door meerdere individuen gebruikt worden, noemen we een vliegroute. Vliegroutes zijn nodig om zich te kunnen verplaatsen van verblijfplaats naar foerageergebied en vice versa. In het plangebied zijn geen lijnvormige groenstructuren aanwezig. Buiten het plangebied langs de Nieuwe Kade en Westervoortsedijk staan bomenrijen die mogelijk gebruikt kunnen worden als vliegroute door de gewone dwergvleermuis en de ruige dwergvleermuis. Foerageergebied Alle in Nederland voorkomende vleermuizen leven van insecten. Zij foerageren daarom op plaatsen waar veel insecten aanwezig zijn. Voorbeelden van veel voorkomende foerageergebieden zijn openingen op kruinhoogte tussen bomen, boven water en in de luwte van dijken. Als een dergelijk foerageergebied van zeer groot belang is voor vleermuizen van een bepaalde verblijfplaats, kan gesproken worden van een essentieel foerageergebied.

Als een dergelijk foerageergebied verloren zou gaan, zou de voedselvoorziening van deze vleermuizen verdwijnen waardoor zij de verblijfplaats moeten verlaten. Het verdwijnen van het foerageergebied leidt zo tot het niet meer functioneren van de verblijfplaats. Dergelijk essentieel foerageergebied is strikt beschermd. Het plangebied en omgeving zijn geschikt als foerageergebied voor de eerdergenoemde soorten. 3.6.3 Effectenbeoordeling De aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen kan niet in het plangebied worden uitgesloten, werkzaamheden aan de gebouwen kunnen deze mogelijke verblijfplaatsen beschadigen. Om verblijfplaatsen binnen het plangebied vast te stellen, is nader onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen in het plangebied uitgevoerd. Door Eelerwoude is in 2017 een nader onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd. Tijdens het nader onderzoek in 2017 zijn twee zomerverblijfplaatsen en twee baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis vastgesteld in het plangebied. Tijdens een vleermuisonderzoek, uitgevoerd door Sweco5, naar verblijfplaatsen in het ‘Van Ginkelgebouw’ (het gebouw in het zuidoosten van het plangebied) in 2019, zijn één zomerverblijfplaats, één kraamverblijfplaats waar 5 zwermende dieren zijn waargenomen, en één paarverblijfplaats vermoedelijk in één van de opgehangen tijdelijke kasten van de gewone dwergvleermuis, waargenomen.

Het actualiseren van het nader onderzoek uit 2017 naar verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in het hoofdgebouw is noodzakelijk voor het aanvragen van de verlenging van de verkregen ontheffing.

5

rapport moet op het moment van schrijven nog worden opgesteld. De GIS-gegevens van de waarnemingen van het onderzoek zijn voor dit verkennend natuuronderzoek geraadpleegd.

18 (29)

De verruigde braakliggende delen van het plangebied vormen voor vleermuizen geschikt foerageergebied. Het is echter niet te verwachten dat het gebied een essentieel foerageergebied betreft, het uitgevoerde onderzoek in 2017 heeft ook geen essentiële foerageergebieden aangetoond. Door de geringe hoogte van de bomen en struiken op het braakliggende terrein is het gebied maar matig tegen de wind beschut. Daarnaast is er in de directe omgeving beter geschikt foerageergebied aanwezig. Dit betreft onder andere de uiterwaarden aan de overkant van de Neder-Rijn ten zuiden van het plangebied, en de groene strook richting het Musispark ten noordwesten van het plangebied. Binnen het plangebied zijn geen groenstructuren aanwezig die onderdeel vormen van een lijnvormige structuur en is het uitgesloten dat er een vliegroute binnen het plangebied aanwezig is. Het is noodzakelijk om verstoring door (bouw)verlichting op de omliggende groenstructuren (vliegroutes) en gebouwen (verblijfplaatsen) te voorkomen om overtreding op de verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen (Wnb artikel 3.5, lid 2). Dit kan door (bouw)verlichting niet te richten op de gebouwen, het omliggende groen en de watergangen gedurende de periode dat vleermuizen actief zijn (maart – oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst).

3.7 Overige zoogdieren De NDFF toont waarnemingen van de haas, konijn, egel, steenmarter en bever in de omgeving van het plangebied. Voor de haas, konijn, en egel geldt in provincie Gelderland een vrijstelling, de zorgplicht blijft ten alle tijden van kracht. De bever leeft in het overgangsgebied tussen land en water langs beken, rivieren en meren. Omdat dergelijk habitat niet in het plangebied aanwezig is, kan de aanwezigheid van de bever in het plangebied worden uitgesloten. De bever is aanwezig langs de zuidoever van de Neder-Rijn. In het gebied Meinerswijk zijn een aantal burchten van de bever aanwezig op ongeveer 800 m van het plangebied (persoonlijke communicatie). De bever is nachtactief en verlaat zijn verblijfplaats pas rond de schemer. In principe vinden er heiwerkzaamheden plaats. Echter kan het zijn dat heien wordt vervangen door boren in verband met niet gesprongen explosieven. Heiwerkzaamheden brengen trillingen met zich mee die tot op een langere afstand effecten hebben op dieren en de natuur. Door het heien eventueel te vervangen door boren, wordt een negatief effect uitgesloten. De steenmarter leeft in steenachtige biotopen en schuilplaatsen, zoals steengroeven, rotsige hellingen en gebouwen. De steenmarter is ook in de grote steden te vinden, daarbij is de aanwezigheid van groenstroken, heggen en bosjes van belang voor het vinden van voedsel.

Een leegstaand gebouw in een verruigde omgeving is voor de steenmarter geschikt leefgebied. Op basis hiervan is in 2017 een nader onderzoek door Eelerwoude naar de aan- dan wel afwezigheid van de steenmarter in het plangebied uitgevoerd. De steenmarter is tijdens het nader onderzoek in 2017 niet aangetroffen. De aangetroffen vraatsporen waren oud en tijdens de bezoeken zijn er geen nieuwe sporen aangetroffen. Op basis hiervan werd de conclusie getrokken dat de steenmarter niet aanwezig is in het plangebied. Nadere onderzoeken hebben een houdbaarheid van 3 jaar. Aangezien het nader onderzoek in 2017 is uitgevoerd en daarmee ouder is dan 3 jaar dient het nader onderzoek naar de steenmarter te worden geactualiseerd. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van de steenmarter is noodzakelijk voor het aanvragen van verlenging van de verkregen ontheffing.

19 (29)

3.8

Vogels

3.8.1 Jaarrond beschermde nesten In de NDFF zijn waarnemingen bekend van vogels met jaarrond beschermde nesten in de omgeving van het plangebied, te weten de huismus en de gierzwaluw. Er zijn binnen het plangebied geen geschikte bomen aanwezig voor soorten, zoals de buizerd, sperwer en ransuil. Aanwezigheid van jaarrond beschermde nesten in bomen wordt hiermee uitgesloten. In de bomen in de directe omgeving zijn tevens geen nesten aangetroffen. Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Een geschikte leefomgeving van de huismus bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Voornamelijk plekken waar bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen, herbergen hoge dichtheden aan huismussen. Doordat er in het gebouw veel openingen zijn aangetroffen, is het mogelijk dat de huismus in het plangebied tot broeden komt. Daarnaast zijn in de braakliggende delen van het plangebied verschillende huismussen aangetroffen. Huismussen zijn zeer honkvast en blijven altijd in de directe omgeving van hun nestplaats. Het feit dat de soort in het plangebied is aangetroffen, duidt erop dat zich nesten in de buurt van het plangebied kunnen bevinden. Het is daarom niet uit te sluiten dat de huismus het plangebied als broedlocatie gebruikt.

Daarnaast kan het plangebied deel uitmaken van de functionele leefomgeving van de huismus. Gierzwaluwen broeden in Nederland in gebouwen in het stedelijk gebied, onder dakpannen of in kieren van muren. In het hoofdgebouw is een veelvoud aan kieren en gaten in de muren aanwezig. Het is mogelijk dat gierzwaluwen deze kieren als broedlocatie gebruiken. Aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw zijn derhalve in het plangebied niet uit te sluiten. In verband met de potentiële aanwezigheid van huismus en gierzwaluw is in 2017 door Eelerwoude een nader onderzoek naar het voorkomen van deze soorten uitgevoerd. Tijdens het nader onderzoek in 2017 zijn er drie nesten van de huismus aangetroffen in het hoofdgebouw, en zijn er geen nesten van de gierzwaluw aangetroffen. Nadere onderzoeken hebben een houdbaarheid van 3 jaar. Aangezien het nader onderzoek in 2017 is uitgevoerd en daarmee ouder is dan 3 jaar, dient het nader onderzoek naar de huismus en de gierzwaluw te worden geactualiseerd. Het actualiseren van het nader onderzoek is noodzakelijk om de gebruiksfuncties van de huismus en gierzwaluw in het plangebied inzichtelijk te maken voor het aanvragen van verlenging van de verkregen ontheffing. 3.8.2 Algemene broedvogels In de bomen en het struweel worden algemene zangvogels, zoals broedvogel verwacht, zoals de merel, roodborst, koolmees en pimpelmees.

Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd. Indien de werkzaamheden niet buiten het broedseizoen (circa half maart – half juli6) kunnen worden uitgevoerd, is het uitvoeren van een broedvogelcontrole door een ter zake kundig persoon noodzakelijk. Tijdens deze controle worden de bomen en het struweel gecontroleerd op de aanwezigheid van nesten en/of vogels die nestindicerend gedrag vertonen, op basis hiervan wordt beoordeeld of de werkzaamheden zullen leiden tot het verlaten van het nest.

6

De Wet natuurbescherming erkend geen vaste broedperiode, van belang is de aanwezigheid van een broedende vogel, de tijd van het jaar speelt hierin geen rol.

20 (29)

3.9 Amfibieën en reptielen De NDFF toont waarnemingen van de gewone pad, bastaardkikker en kleine watersalamander in en in de omgeving van het plangebied. De NDFF toont geen waarnemingen van reptielen, deze worden ook niet verwacht vanwege het ontbreken van geschikt habitat. De beste gebieden voor reptielen zijn in het algemeen duinen, bossen en heidevelden. Andere algemene soorten, zoals de bruine kikker en meerkikker, worden in de omgeving van het plangebied verwacht. Voor de gewone pad, bastaardkikker, bruine kikker, meerkikker en kleine watersalamander geldt in provincie Gelderland een vrijstelling, de zorgplicht blijft ten alle tijden van kracht. De aanwezigheid van beschermde amfibieën en reptielen in het plangebied wordt op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling uitgesloten. Nader onderzoek naar beschermde soorten is niet nodig, een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming is niet noodzakelijk. 3.10 Vissen Er bevinden zich geen sloten/watergangen en/of poelen in het plangebied. Het plangebied ligt op circa 140 m van de Neder-Rijn, er vinden geen werkzaamheden aan het water plaats. In principe vinden er heiwerkzaamheden plaats. Echter kan het zijn dat heien wordt vervangen door boren in verband met niet gesprongen explosieven.

Heiwerkzaamheden brengen trillingen met zich mee die tot op een langere afstand effecten hebben op dieren en de natuur. Door de heiwerkzaamheden kunnen vissen en andere dieren die aanwezig zijn in de Neder-Rijn, een negatief effect ervaren door trillingen en geluid. Door het heien te vervangen door boren, wordt een negatief effect op vissen uitgesloten. Een ontheffing op grond van de Wet natuurbescherming met betrekking tot vissen is dan niet noodzakelijk. 3.11 Ongewervelden Beschermde insectensoorten en andere beschermde ongewervelden eisen een zeer specifiek habitat, zoals de aanwezigheid van bepaalde waardplanten. In de NDFF zijn geen waarnemingen bekend van beschermde soorten. Het plangebied voorziet ook niet in het specifieke habitat wat deze soorten eisen. De aanwezigheid van beschermde ongewervelden in het plangebied wordt op basis van het bronnenonderzoek en de habitatgeschiktheidsbeoordeling uitgesloten. Nader onderzoek naar beschermde ongewervelden en het aanvragen van een ontheffing op grond van de Wetnatuurbescherming is niet noodzakelijk.

21 (29)

4

Natuurbeleidskaders

4.1 Toetsingskader Het beleidskader van de overheid dat niet in wetgeving is vastgelegd, bestaat uit: · Provinciaal beleid: ° Natuurnetwerk Nederland (NNN). Ondergebracht in het Gelders Natuur Netwerk (GNN); ° Groene Ontwikkelzone (GO); ° gebieden buiten het NNN (weidevogelgebieden, rustgebieden voor ganzen). · Gemeentelijk beleid. 4.2

Gelders natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone

4.2.1 Toetsingskader De bescherming van het Natuurnetwerk Nederland en overige beschermde gebieden in provincie Gelderland zijn opgenomen in de omgevingsverordening en omgevingsvisie uit 2018. Het Gelders Natuurnetwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO) worden beschermd tegen aantasting van de kernkwaliteiten: dat zijn de natuurwaarden, de potentiële waarden en de omgevingscondities. Het GNN is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Het uitgangspunt is dat in het GNN geen nieuwe initiatieven plaatsvinden, behalve ontwikkelingen van een groot algemeen of provinciaal belang of waarvoor geen alternatieven bestaan. De GO is ruimtelijk verweven met het GNN en hangt daarmww functioneel samen. In de GO wordt ingezet op versterking van de samenhang tussen inliggende en aangrenzende natuurgebieden. In de GO is ruimte voor economische ontwikkeling, in combinatie met een (substantiële) versterking van de samenhang tussen aangrenzende en inliggende natuurgebieden. De ecologische verbindingszones maken deel uit van de GO, evenals de weidevogelgebieden en de rustgebieden voor winterganzen. De afweging voor ingrepen in het GNN gaat volgens het ‘nee, tenzij-principe’. In figuur 4.1 is dit stapsgewijs weergegeven.

Ingrepen met een significant negatieve invloed op de wezenlijke kenmerken en waarden mogen niet plaatsvinden, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang en indien er geen alternatieven zijn. Indien bij een ingreep schade wordt aangericht aan een GNN-gebied, dan dient dit in ieder geval gemitigeerd te worden. De resteffecten aan verlies van kwaliteit en/of oppervlakte dienen te worden gecompenseerd. Daarnaast kan salderen van positieve en negatieve effecten op het GNN uitkomst bieden om projecten in het GNN te realiseren. Voor de GO geldt dat grootschalige ontwikkelingen alleen mogelijk zijn, indien deze niet tot significante aantasting leiden van de kernkwaliteiten van het betreffende gebied, tenzij er geen reële alternatieven aanwezig zijn, er sprake is van groot openbaar belang en de effecten worden beperkt en gecompenseerd. Het verkennend natuuronderzoek geeft inzicht in de ligging van GNN-gebieden in de omgeving van het plangebied en de noodzaak voor het doorlopen van ‘nee, tenzij, procedure’. In provincie Gelderland is toetsing aan externe werking van het GNN niet van toepassing.

22 (29)

Figuur 4.1

Het ‘nee, tenzij’-principe van het compensatiebeginsel.

4.2.2 Inventarisatie, analyse en toetsing Het plangebied ligt op circa 175 m afstand van het dichtstbijzijnde GNN-gebied en op circa 2 km van de dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone. Het plangebied ligt op circa 45 m van de dichtstbijzijnde Groene Ontwikkelingszone. Het plangebied ligt op circa 2,5 km van het dichtstbijzijnde rustgebied voor winterganzen en op circa 2 km van het dichtstbijzijnde weidevogelgebied, zie figuur 4.2. De werkzaamheden vallen buiten de begrenzing van het GNN en GO. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is niet nodig.

Figuur 4.2

Ligging van het plangebied ten opzichte van het meest nabijgelegen beschermde gebieden.

23 (29)

4.3 Gemeentelijk beleid Gemeente Arnhem heeft onderstaande groenbeheerplannen7 opgesteld: · invasieve exoten; · groenvisie 2017-2035; · boombeheer 2021; · waardevolle bomen; · bomenbeleid; · subsidies voor particulieren die hun buurt willen vergroenen. Geen van deze plannen vormen een belemmering voor het project. In de groenvisie is het onderdeel natuurvriendelijke stad opgenomen waarin biodiversiteit in en om de stad en de natuurinclusieve stad centraal staan. Specifieke maatregelen omtrent het natuurinclusief bouwen, maken geen onderdeel uit van de groenvisie. Kansen voor Biodiversiteit Wereldwijd staat de biodiversiteit sterk onder druk. Om de afname van biodiversiteit niet alleen te stoppen maar tevens te verhogen, zal Sweco zich extra inspannen om de biodiversiteit te bevorderen. U mag van ons dan ook een proactieve houding op het gebied van biodiversiteit verwachten. Als wij kansen zien voor biodiversiteit, zullen wij u als opdrachtgever, daar op wijzen en adviseren hoe deze kansen benut kunnen worden. Een hoge biodiversiteit zorgt voor meer leven in de wijk, dit gaat vaak samen met de juiste toepassing van meer groen. Dit heeft voor mensen en dieren meerdere voordelen. Zo heeft wetenschappelijk onderzoek aangetoond dat mensen zich veiliger op straat voelen in een groene omgeving.

Ook komen uitingen van agressie minder vaak voor in groenere buurten en is groen goed voor de gezondheid. Er is aangetoond dat mensen ‘mentaal herstellen’ in een groene omgeving. Groen biedt daarnaast een mogelijkheid even te ontspannen aan stress of de drukte van de stad. Groene gebouwen hebben een positieve invloed op de beleving van de stedelijke leefomgeving. Mensen bekommeren zich en/of voelen zich betrokken bij groen in hun directe omgeving. Het bieden van een thuis voor diersoorten kan dit gevoel versterken. Daarnaast heeft het groen ook een educatieve functie, een groene omgeving kan helpen om het concentratievermogen te vergroten en creativiteit te stimuleren. In hedendaagse ontwerpen van nieuwe gebouwen zijn geen of nauwelijks verblijfsmogelijkheden aanwezig voor diersoorten die afhankelijk zijn van bebouwing, zoals vleermuizen, gierzwaluwen en huismussen. Deze soorten hebben hun rust- en voortplantingsplaatsen in spouwmuren, spleten, kieren of onder dakpannen. Voor deze soorten is het inbouwen van faunavoorzieningen in de nieuwbouw heel goed mogelijk. Deze kunnen worden toegepast zonder concessies te doen aan het uiterlijk of de kwaliteit van het gebouw of het comfort van de gebruikers. De faunavoorzieningen zijn namelijk geheel ingekaderd, zodat de dieren nergens anders dan op de toegewezen plekken kunnen komen en er geen overlast zal zijn.

Naast maatregelen voor dieren zijn er ook mogelijkheden voor beplanting, zoals een groene gevel of een groen dak. Een nadere uitwerking van een geschikt ontwerp kan, in samenspraak met een deskundig ecoloog van Sweco Nederland B.V., opgesteld worden.

7

https://www.arnhem.nl/Inwoners/wonen_en_milieu/Groenbeheer

24 (29)

5

Conclusies

5.1

Wet natuurbescherming

5.1.1 Natura 2000-gebieden De Natura 2000-gebieden de ‘Rijntakken’ is op circa 1,7 km en de ‘Veluwe’ is op circa 3 km gelegen van het plangebied. Geluid en beweging die met werkzaamheden gepaard gaan, reiken tot maximaal enkele honderden meters ver. Gezien de ligging van het plangebied ten opzichte van de Natura 2000-gebieden, zijn negatieve effecten van geluid en beweging op de instandhoudingsdoelstellingen op voorhand uit te sluiten. De werkzaamheden in het plangebied resulteren niet in een oppervlakteverlies van het Natura 2000-gebied, evenmin veroorzaakt het versnippering voor aangewezen soorten, verontreiniging en verdroging. De werkzaamheden leiden niet tot verstoring door verlichting en door mechanische effecten. De werkzaamheden kunnen in de aanlegfase en gebruiksfase gepaard gaan met emissie van stikstof. Deze emissie kan zich over een afstand van meerdere kilometers verplaatsen en zodoende van invloed zijn op stikstofgevoelige habitats en/of leefgebieden op Natura 2000-gebieden. Een stikstofberekening is uitgevoerd om de effecten van het plan te bepalen. Het plan geeft toenamen van de stikstofdepositie hoger dan 0,00 mol/ha/jaar in zowel de realisatiefase als de gebruiksfase. Het maximale effect van 0,02 mol/ha/jaar doet zich voor in 2025 als er een overlap is tussen de realisatiefase en de gebruiksfase.

De negatieve effecten op stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden van soorten worden verder onderzocht in een ecologische beoordeling. 5.1.2 Soortenbescherming De aanwezigheid van gebouwbewonende vleermuizen kan niet in het plangebied worden uitgesloten, werkzaamheden aan de gebouwen kunnen deze mogelijke verblijfplaatsen beschadigen. Tijdens het nader onderzoek in 2017 zijn twee zomerverblijfplaatsen en twee baltsterritoria van de gewone dwergvleermuis vastgesteld in het plangebied. Tijdens het vleermuisonderzoek aan het ‘van Ginkelgebouw’ (het gebouw in het zuidoosten van het plangebied) in 2019 is er één zomerverblijfplaats, één kraamverblijfplaats waar vijf zwermende dieren zijn waargenomen, en één paarverblijfplaats (vermoedelijk in één van de opgehangen tijdelijke kasten) van de gewone dwergvleermuis waargenomen. Het actualiseren van het nader onderzoek uit 2017 naar verblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis en laatvlieger in het hoofdgebouw is noodzakelijk om deze gebruiksfuncties inzichtelijk te maken voor het aanvragen van verlenging van de verkregen ontheffing. De bever is aanwezig langs de zuidoever van de Neder-Rijn. In het gebied Meinerswijk zijn een aantal burchten van de bever aanwezig op ongeveer 800 m van het plangebied (persoonlijke communicatie).

Heiwerkzaamheden brengen trillingen met zich mee die tot op een langere afstand effecten hebben op dieren en de natuur. Door het heien te vervangen door boren, wordt een negatief effect op de bever uitgesloten. Een leegstaand gebouw in een verruigde omgeving is voor de steenmarter geschikt leefgebied. Op basis hiervan is in 2017 een nader onderzoek door Eelerwoude naar de aandan wel afwezigheid van de steenmarter in het plangebied uitgevoerd. De steenmarter is tijdens het nader onderzoek in 2017 niet aangetroffen.

25 (29)

Nadere onderzoeken hebben een houdbaarheid van 3 jaar. Aangezien het nader onderzoek in 2017 is uitgevoerd en daarmee ouder is dan 3 jaar, dient het nader onderzoek naar de steenmarter te worden geactualiseerd. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek naar de aan- dan wel afwezigheid van de steenmarter is noodzakelijk voor het aanvragen van verlenging van de verkregen ontheffing. Het is noodzakelijk om verstoring door (bouw)verlichting op de omliggende groenstructuren (vliegroutes) en gebouwen (verblijfplaatsen) te voorkomen om overtreding op de verbodsbepalingen van de Wnb te voorkomen (Wnb artikel 3.5, lid 2). Dit kan door (bouw)verlichting niet te richten op de gebouwen, het omliggende groen en de watergangen gedurende de periode dat vleermuizen actief zijn (maart – oktober tussen zonsondergang en zonsopkomst). Huismussen broeden in kieren en spleten van bebouwing en tevens vaak onder (ronde) dakpannen. Het plangebied is een geschikte leefomgeving van de huismus, het plangebied bestaat uit een combinatie van een geschikte nestgelegenheid, voedsel, drinkwater en voldoende dekking in de vorm van stekelige of groenblijvende struiken. Gierzwaluwen broeden in Nederland in gebouwen in het stedelijk gebied, onder dakpannen of in kieren van muren. In het hoofdgebouw is een veelvoud aan kieren en gaten in de muren aanwezig.

Het is mogelijk dat gierzwaluwen deze kieren als broedlocatie gebruiken. Aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw zijn derhalve in het plangebied niet uit te sluiten. Tijdens het nader onderzoek in 2017 zijn er in het hoofdgebouw drie nesten van de huismus aangetroffen en zijn er geen nesten van de gierzwaluw aangetroffen. Nadere onderzoeken hebben een houdbaarheid van 3 jaar. Aangezien het nader onderzoek in 2017 is uitgevoerd en daarmee ouder is dan 3 jaar, dient het nader onderzoek geactualiseerd te worden. Het actualiseren van het nader onderzoek uit 2017 is noodzakelijk om de gebruiksfuncties van de huismus en gierzwaluw in het plangebied inzichtelijk te maken voor het aanvragen van verlenging van de verkregen ontheffing. In de bomen en het struweel worden algemene zangvogels, zoals broedvogel verwacht, zoals de merel, roodborst, koolmees en pimpelmees. Alle in Nederland broedende vogels zijn beschermd. Bij werkzaamheden gedurende het broedseizoen (grofweg half maart tot en met half juli) dient eerst een broedvogelcontrole uitgevoerd te worden om overtreding van de verbodsbepalingen tijdens de werkzaamheden te voorkomen. Het plangebied ligt op circa 140 m van de Neder-Rijn, er vinden geen werkzaamheden aan het water plaats. In principe vinden er heiwerkzaamheden plaats.

Echter kan het zijn dat het heien wordt vervangen door boren in verband met niet gesprongen explosieven. Heiwerkzaamheden brengen trillingen met zich mee die tot op een langere afstand effecten hebben op dieren en de natuur. Door de heiwerkzaamheden kunnen vissen en andere dieren die aanwezig zijn in de Neder-Rijn, een negatief effect ervaren door trillingen en geluid. Door het heien te vervangen door boren, wordt een negatief effect op vissen uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde planten, amfibieën, reptielen en ongewervelden zijn uitgesloten. De zorgplicht is te allen tijde van toepassing en geldt ook voor niet beschermde flora en fauna. De zorgplicht houdt in dat de werkzaamheden die nadelig kunnen zijn voor dieren en planten, in redelijkheid zo veel als mogelijk dienen te worden nagelaten of dat er maatregelen dienen te worden genomen om onnodige schade aan dieren en planten te voorkomen. Het plan is uitvoerbaar, ontheffingen worden op voorhand verleenbaar geacht.

26 (29)

5.2

Natuurbeleidskaders

5.2.1 Gelders natuurnetwerk en groene ontwikkelingszone Het plangebied ligt op circa 175 m afstand van het dichtstbijzijnde GNN-gebied en op circa 2 km van de dichtstbijzijnde ecologische verbindingszone. Het plangebied ligt op circa 45 m van de dichtstbijzijnde groene ontwikkelingszone. Het plangebied ligt op circa 2,5 km van het dichtstbijzijnde rustgebied voor winterganzen en op circa 2 km van het dichtstbijzijnde weidevogelgebied. De werkzaamheden vallen buiten de begrenzing van het GNN en GO. Het doorlopen van een Nee, tenzij procedure is niet nodig. 5.2.2 Gemeentelijk beleid Gemeente Arnhem heeft een aantal groenbeheerplannen opgesteld. Geen van deze plannen vormen een belemmering voor het project. In de groenvisie is het onderdeel natuurvriendelijke stad opgenomen waarin biodiversiteit in en om de stad en de natuurinclusieve stad centraal staan. Specifieke maatregelen omtrent het natuurinclusief bouwen maken geen onderdeel uit van de Groenvisie. 5.3 Samenvattende tabel In onderstaande tabellen is een samenvatting weergegeven van conclusies, voortkomend uit het verkennend natuuronderzoek. Wet natuurbescherming: gebiedsbescherming

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=0cbc4b3a-c998-4805-8608-bb7fe971424a