CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanvullende bijlage

Politieke Avond 16 februari 2022, gemeente ArnhemBij agendapunt: Afwijzen: Verzoek voor bestemmingsplanwijziging van de locatie Bronbeeklaan 6616.743 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.8 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat 00k wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit'. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuig aantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen' (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voorfijn stof (PMio) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 pg/m’) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.

Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in working getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PMIO) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niettoenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PMIO of NO2 dreigt/plaatsvindt.

De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming: Scholen;

kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

27

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit 'niet in betekenende mate' verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnoggerealiseerd worden.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkelingzal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen herontwikkeling van het erf worden verschillende maatschappelijke functies gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met een ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekende mate'. Gelet op de aard en omvang van het initiatief in vergelijking met de drempelwaarde kan gesteld worden dat het een NIBM project betreft. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invioed op de luchtkwaliteit ter plaatse.

Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie l&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de achtergrondconcentraties over 2018 van fijnstof (PMIO) (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) komen de volgende concentraties naar voren:

Geconcludeerd wordt dat het aspect IuchtkwaIiteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.

4.9 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficient mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meet woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m^). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. Do volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen.

28

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

P/aatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour.

Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invioedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde orientatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belangvan een goede groepsrisicoverantwoording.

Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiiigheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriele regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen miiieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiiigheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiiigheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in working getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in achtte nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiiigheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in working getreden. Het basisnet verhoogt de veiiigheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriele locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

29

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeelteiijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invioedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Planspeciflek Voor de beoogdeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, transportroutes voor gevaarlijke stoffen en/of buisleidingen aanwezig zijn, is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart externe veiligheid.

X r.

U/tsnede r/s/cokaart, plangebfed zwart omcirkeld (bron: rislcokaartnl)

Risicovolle inrichtingen Uit het raadplegen van de risicokaart blijkt dat er in de directe omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen aanwezig zijn. Transportroutes voor gevaarlijke stoffen De rijksweg A12 heeft ter hoogte van de planlocatie een PR 10-6-contour van 16 m en een plasbrandaandachtsgebied van 30 m. De A12 behoort tot het basisnet. Het plangebied valt met een afstand ca. 100 m tot de A12 binnen de risicocontour van 200 m horend bij het basisnet. In de oude situatie beschikte het gebouw over 74 zorgappartementen voor personen met een verminderde zelfredzaamheid en was er personeel aanwezig. In de toekomstige situatie beschikt het gebouw over 64 appartementen voor personen die zelfredzaam zijn en is er geen personeel meer aanwezig. Hiermee kan gesteld worden dat het groepsrisico ten opzicht van de oude situatie niet toe zal nemen en er een verbetering optreedt. Een nieuwe groepsrisicoberekening is daarmee niet noodzakelijk is.

Aan de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen moet aandacht worden besteed (Bevt, art 7). Bij een incident met toxische stoffen op de A12 kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de veilighpidsregio of bericht van NL-Alert is daarvoor voldoende Op grond van artikel 9 van het Bevt zal het bestuur van de veilighoidsregio nog in do golegenheid Vi^orden gesield urn advico uit to brongen. nit gebeurt in het kader van het vooroverleg.

30

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

BiJ een incident met een LPG-tankwagen op de A12 kan een BLEVE ontstaan. De bereikbaarheid van het plangebied voor de hulpdiensten wijzigt niet na de beoogde herontwikkeling. De hulpdiensten kunnen het gebied en/of de locatie goed bereiken om de omvang van een ramp te beperken. De aanwezige personen kunnen zich in veiligheid brengen via de Bronbeeklaan en Rosendaalseweg, mits tijdig gewaarschuwd. Buisleidingen Tevens ligt er langs de westzijde van de A12, op een afstand van ca. 80 m, een buisleiding onder beheer van Gasunie Transport Services. De buisleiding beschikt niet over een contour voor het plaatsgebonden risico. Uit een groepsrisicoberekening uitgevoerd op 6 februari 2012 blijkt dat de ondergrondse aardgasleidingen binnen Arnhem een laag groepsrisico hebben en de orienterende waarde voor het groepsrisico daardoor niet wordt overschreden. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect externe veiligheid geen belemmeringen veroorzaakt voor het voorliggende initiatief en de voorgenomen functieverandering ertoe leidt dat op locatie zelfredzame personen komen te wonen i.p.v. minder zelfredzame personen en er daarmee sprake is van en verbetering van het groepsrisico.

4.10 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

4.10.1 Generiek beleid Op Rijksniveau zijn de laatstejaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de 'watersysteembenadering'. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, opperviakte- en grondwater, maar ook aan de samenhangtussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van een watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Watenwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in een aparte watervergunning.

Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet wordt elke zes jaar een Nationaal Waterplan vastgesteld. Het Nationaal Waterplan is het rijksplan voor het waterbeleid in Nederland. Op 22 december 2015 is het Nationaal Waterplan 2016-2021 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2016-2021, met een vooruitblik richting 2050. Met dit Nationaal Waterplan zet het kabinet een volgende ambitieuze stap in het robuust en toekomstgericht inrichten van ons watersysteem, gericht op een goede bescherming tegen overstromingen, het voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit en een gezond ecosysteem als basis voor welzijn en welvaart. Nationale Adaptatie Strategie (de NAS) De effecten van klimaatveranderingvoor Nederland moeten worden verkleind often minste beheersbaar blijven. Hierbij gaat het om schades, overlast, ziekten, vroegtijdige sterfte en nadelige veranderingen in milieukwaliteit en ecosystemen. De Nationale Adaptie Strategie (NAS) brengt nieuwe initiatieven op gang en versnelt en verbreedt bestaande initiatieven. De NAS is het Nederlandse antwoord op de oproep van de Europese Commissie om uiterlijk in 2017 een klimaatadaptatiestrategie vastte stellen. De NAS maakt

31

de belangrijkste effecten van kiimaatverandering inzichtelijk. Daarnaast staat in de NAS de stappen die nodig zijn om ervoor te zorgen dat Nederland in 2050 structureel minder kwetsvaar is voor klimaatadaptatie. Deltaprogramma Ruimtelijke Adaptatie In het Deltaprogramma Ruimtelijke adaptatie staan alle projecten en maatregelen die ervoor gaan zorgen dat Nederland in 2050 waterrobuust en klimaatbestendig is ingericht. Het plan is ingevuld voor de komende zesjaar en voor de zes jaar daarna op hoofdlijnen. Het biedt ook een doorkijk tot 2050. Nieuwe ontwikkelingen dienen klimaatadaptief te zijn. Voor een waterrobuuste en klimaatbestendige inrichting van Nederland stelt het Deltaprogramma 7 ambities: 'Kwetsbaarheden in beeld, risicodialogen en strategic, meekoppelkansen benutten, stimuleren en faciliteren, handelen bij calamiteiten, reguleren en borgen en een uitvoeringsagenda opstellen.

4.10.2 Beleid Waterschap Rijn en Ussel

Waterbeheerp/an (2016-2021) In november 2015 is door het Waterschap Rijn en Ussel het Waterbeheerplan 2016-2021 vastgesteld. Het Waterbeheerplan beschrijft hoe het waterschap zorgt voor goede bescherming tegen hoog water, voor een good functionerend regionaal watersysteem en voor het zuiveren van water. Vanuit een omgevingsverkenning in samenwerking met haar partners heeft het Waterschap het beleid voor de planperiode 2016-2021 beschreven.

Bescherming tegen overstromingen en werken aan veiligheid: Veilig water.

Zorgen voor de juiste hoeveelheid water en passende waterpeilen: Voldoende water. Zorgen voor een goede waterkwaliteit die nodig is voor mens, plant en dier: Schoon water. Verwerken van afvalwater en het benutten van energie en grondstoffen daaruit: Afvalwater.

Zorgen voor goede randvoorwaarden voor beroepsvaart op de Oude Ussel: Vaarwegbeheer. Keur en legger In de Keur zijn bepalingen vastgelegd die binnen het gebied van Rijn en Ussel gelden. De bepalingen van de Keur zijn onder andere van toepassing op de onderhoudsverplichtingen en beschermingszones die in de legger zijn aangegeven. De legger bestaat uit een set van kaarten van het beheergebied van het Waterschap Rijn en Ussel. Daarop staat welke rivieren, watergangen, keringen en kunstwerken (stuwen en sluizen) het waterschap in beheer heeft en waar ze liggen. De legger bevat ook een register waarin staat wie waar en waarvoor het onderhoud moet doen. Tot slot bevat de legger zones (zoneringen) voor toekomstige ontwikkelingen en bescherming van het watersysteem en de waterkeringen. 4.10.3 Watertoets

Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Om bij het opstellen van ruimtelijke plannen rekening te houden met het water dient een watertoets te worden uitgevoerd. De watertoets is geen technische toets, maar het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets vormt de verbindende schakel tussen het waterbeheer en de ruimtelijke ordening. Op basis van de waterparagraaf wordt een wateradvies aangevraagd bij waterschap Vallei & Veluwe. In dit kader worden dan ook alle relevante waterhuishoudkundige aspecten meegenomen in onderhavig plan

Planspecifiek Watercompensatie In de huidige situatie is het plangebied deels verhard. Met de herinrichting van het terrein worden parkeerplaatsen toegevoegd. Daarmee neemt de hoeveelheid verharding toe. Ter compensatie zullen binnen hot plangebied infiltmtievoorzienlngen getealiseerd worden waarmee hemelwater kan infiltreren in de bodem. De minimale eis voor de infiltratie binnen het plangebied is dat er minimaai een leKenbui van 40 mm in 45 minuten verwerkt moet worden. Er zal voor de parkeerplaatsen gebruik gemaakt worden

32

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

van halfverharding in de vorm van split, waardoor het hemelwater beter kan infiltreren in de bodem. Daarbij wordt er bodemverbetering toegepast waarmee het infiltrerend vermogen wordt verbeterd en voorkomen worden dat de halfverharde parkeervoorzieningen 'vermodderen'. Bij de aanleg van infiltratievoorzieningen dient rekening gehouden te worden met de dubbelbestemming 'Waarde Geomorfologie'. Deze dubbelbestemming stelt dat bij afgraven van gronden en het wijzigingen van de grondwaterstand een omgevingsvergunning nodig.

Riotering en afkoppeling Voor de afvoer van het afvalwater wordt de nieuwe en bestaande bebouwing aangesloten op het gemeentelijk rioolsysteem. De afvoer van het hemelwater wordt ontkoppeld van het rioolsysteem en gei'nfiltreerd in de bodem. Waterkeringen Binnen het plangebied zijn geen primaire en/of regionale waterkeringen aanwezig. Ook zijn er geen watergangen aanwezig binnen het plangebied.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect water geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Klimaatadaptatie De gemeente Arnhem heeft de Strategic Klimaatadaptatie Arnhem 2020-2030 vastgesteld. Klimaatadaptatie is al een geruime tijd een belangrijk vraagstuk. Door de klimaatverandering wordt het warmer en neemt de kans op overstromingen, wateroverlast, hitte en droogte toe. De Strategic Klimaatadaptatie Arnhem 2020-2030 beschrijft de strategic van de gemeente voor de komende 10 jaar op het gebied van klimaatadaptatie en op welke manier de stad klimaatbestendig gemaakt kan worden. De Arnhemse aanpak richt zich, in lijn met de nationale aanpak, op de vier belangrijkste gevolgen van de klimaatverandering: Wateroverlast door extreme of langdurige regenval;

hitte door langdurige hittegolven; droogte, inclusief laag water in de rivieren en de gevolgen voor de waterkwaliteit;

waterveiligheid: zeespiegelstijgingen hoog water. Planspecifiek Langs de parkeerkoffers wordt nieuw groen aangelegd en de bomen blijven behouden of worden gecompenseerd binnen het plangebied. Meer groen binnen het plangebied gaat hittestress tegen. Tevens zorgt dit voor een grotere biodiversiteit. Ondanks dat er verharding toegevoegd wordt zullen er maatregelen genomen worden om wateroverlast te voorkomen. Zo wordt er gebruik gemaakt van halfverharding in de vorm van split. Daarnaast zullen waar nodig infiltratievoorzieningen aangelegd worden.

Op de hittekaart van de gemeente Arnhem staat aangegeven dat het plangebied in een gebied ligt met verkoelende dalwinden die beschermd moeten worden. Door het beschermen en verbeteren van de groenstructuur zorgt voor het behoud en verbetering van de verkoelende werking. Dichte bossen blokkeren de dalwinden waardoor het niet wenselijk is om een grote hoeveelheid bomen aan te planten. Ook meer bebouwing heeft een negatieve invioed op de verkoelende werking. Met het voorliggende plan wordt er gebruik gemaakt van een bestaand gebouw en worden er geen nieuwe gebouwen toegevoegd. De nieuwe woningen zullen voorzien zijn van een goede isolatie, waardoor het gebruik van koelinstallaties (bijv. een airco) niet noodzakelijk is.

33

4.12 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

4.12.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt.

Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De herontwikkeling van het voormalige woon-zorgcomplex neemt een toename van de verkeersgeneratie met zich mee. Om het aantal verkeersbewegingen die veroorzaakt worden door de ontwikkeling te bepalen is zijn de verkeerscijfers van de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Hierbij wordt uitgegaan van een 'matig stedeiijk' woonmilieu in de 'rest bebouwde kom'. In de navolgende tabel staat het aantal verkeersbewegingen weergegeven. Aantal woningen

Soortwonlng

appartement,

Huur.

CROW

totale

verkeersgeneratie

verkeersgeneratie

59

3.6

213

5

1

5

middel/goedkoop Kamerverhuur

,

studenten,

niet

?elfstandig

rotaal

84

218

De totale verkeersgeneratie die de beoogde herontwikkeling met zich meebrengt bedraagt 218 verkeersbewegingen per etmaal. De planlocatie is in de huidige situatie goed ontsloten. De verkeersgeneratie kan dan ook opgevangen worden met de bestaande ontsluiting. Dit geldt voor zowel het autoverkeer als het langzaam verkeer (fietsers en voetgangers). Tevens is het gebouw net als in de huidige situatie goed bereikbaar voor nood- en hulpdiensten. De opstelplaats voor hulpdiensten bevindt zich voor de hoofdingang. Deze opstelplaats kan ook gebruikt worden voor het laden en lessen. Geconcludeerd kan worden dat het aspect verkeer geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling.

4.12.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de venwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer. vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerkcn. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen

34

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

Planspecifiek In algemene zin dienen bij een ruimtelijke (her)ontwikkeling voldoende parkeervoorzieningen gerealiseerd te worden. Om het benodigde aantal parkeerplaatsen te bepalen is de parkeerbehoefte berekend aan de hand van de Arnhemse beleidsregel voor parkeren. In onderstaande tabel is af te lezen dat er afgerond 65 parkeerplaatsen gerealiseerd moeten worden. Yantai

Parkeernorm

Monlngan

tialsidsregel vo<3r parkeren

parkeerplaatsen

Onzelfstandig appartement

5

0,6

3,0

<\ppartement met gebruiksoppervlakte lot 75 m2

56

1,0

56.0

appartement met gebruiksoppervlakte van 75 tot en met 120 m2

2

1,3

2.6

Appartement met gebruiksoppervlakte vanaf 120

1

1,6

1,6

Soortwonlng

Arnhemse

hantal

m2

64

rotaal

B3,2 (64)

Er worden in totaal 64 parkeerplaatsen gerealiseerd op het eigen terrein rond het gebouw. De huidige garageboxen ten zuiden van het plangebied worden gebruikt als fietsenberging. Bij de entree van het gebouw is ruimte voor het plaatsen van fietsenrekken voor bezoekers. De navolgende afbeeldingtoont de beoogde indeling van het terrein rond het gebouw. Voor de haakse parkeerplaatsen gelden de volgende minimale afmetingen (CROW/NEN):

Parkeerweg breedte: 6,0 meter Breedte parkeervak: 2,5 meter

Lengte parkeervak: 5,0 meter

35

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

hoofdstuk 6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een ontwerp bestemmingsplan dient op grand van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het gedingzijn. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in working als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in working, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Participatie Op 18 September 2020 heeft er een informatiebijeenkomst plaatsgevonden waarvoor de omwonenden zijn uitgenodigd. Het doel van de informatiebijeenkomst was de omwonenden te informeren over de plannen voor de Paasbergflat aan de Bronbeeklaan 66 te Arnhem. Bij de informatiebijeenkomst waren verschillende omwonenden en de wijkmanager team leefomgeving van de gemeente Arnhem aanwezig. Tijdens de informatiebijeenkomst werden verschillende relevante onderwerpen besproken. Zo is besproken welke doelgroepen er gebruik gaan maken van de flat, wat voor soort en hoeveel appartementen er gerealiseerd gaan worden, de globale huurprijzen en het parkeren. Tevens is het contact tussen de eigenaar en de omwonenden besproken. In feite zal de communicatie net als in de huidige situate verlopen.

6.2 Verslag zienswijzen In deze paragraaf of in een separate bijiage worden te zijner tijd de eventuele zienswijzen op het ontwerp bestemmingsplan en de gemeentelijke reactie hierop opgenomen.

6.3 Verslag artikel 3.1.1 Bro overleg In deze paragraaf of in een separate bijiage worden te zijner tijd de resultaten van het wettelijk vooroverleg opgenomen.

37

hoofdstuk 7 Juridische planbeschrijving 7,1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012).

Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijiage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

7.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwviakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

7.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigingsen regels afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invioed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In hettweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw;

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan);

Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk);

Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van con werk, geen houwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

38

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Berekening t.b.v. Wet natuurbescherming

De Paasberg, Bronbeeklaan 66, Arnhem

Gemeente Arnhem

BURO

Inleiding

Hoofdstuk 1 1.1

Aanleiding

Op de planlocatie aan de Bronbeeklaan 66 te Arnhem wordt het voormalige woon-zorgcomplex en het

omiiggende terrein herontwikkeld. Er worden in het bestaande gebouw in totaal 65 woningen gerealiseerd.

Deze ontwikkeling gaat gepaard met de uitstoot van stikstof in de gebruiks- en bouwfase. Derhalve moet in beeld

gebracht

worden

wat

de

mogelijke

effecten

van

de

ontwikkeling

zijn

op

de

instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. In voorliggende rapportage worden de mogelijke

effecten in beeld gebracht. De onderstaande afbeelding laat de locatie zien ten opzichte van de omiiggende Natura 2000-gebieden.

Ligging plangebied (rood) ten opzichte van omiiggende Natura 2000-gebieden (geel) (bron: Synblosys)

4

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

1.2

Projectbeschrijving

Initiatiefnemer is voornemens de indeling van het voormalige woon-zorgcomplex 'De Paasberg' te wijzigen,

woonruimten aan te passen en het terrein te herinrichten voor extra parkeerplaatsen. In totaal worden er 65 woningen gerealiseerd. Op de le tot en met 5e verdieping zijn zelfstandige studio's en appartementen aanwezig. Van de in totaal 65 appartementen hebben 19 appartementen een oppervlakte tot 40 m^ en 46 appartementen

een oppervlakte van 47 m^ tot 122 m^.

Op onderstaande afbeelding staat een plattegrond van de begane grond en eerste verdieping van de beoogde situatie weergegeven.

WEUW

Beoogde toekomstige situatie (bran: new-ton architects & engineers)

5

1.2

Wettelijk kader

In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben

op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is een van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting

is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invioed van atmosferische stikstofdepositie. Door middel van het rekeninstrument AERIUS wordt de stikstofdepositie berekend alsgevolgvan projecten en plannen op Natura 2000-gebieden. Het rekeninstrument AERIUS was een van de pijiers van het Programmatische Aanpak Stikstof (PAS), het PAS

maakt onderdeel uit van de Crisis- en herstelwet (Chw). Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent het PAS. Het PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor 'activiteiten'. Hiermee is het PAS buiten werking gesteld. Het systeem van het PAS was erop

gebaseerd dat vooruitlopend op toekomstige positieve ontwikkelingen voor beschermde natuurgebieden toestemming gegeven kan worden voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden door

stikstofuitstoot. Die toestemming 'vooraf', zoals het PAS mogelijk maakte, mag niet meer, aldus de RvS. Projecten

en of activiteiten dienen, in afwachting van een nieuwe PAS, zelfstandig beoordeeld te worden op grond van de Wet natuurbescherming.

In de uitspraak van 29 mei 2019 is ook specifiek ingegaan op de AERIUS Calculatie. In rechtsoverweging 39.3 is bepaald dat AERIUS nog wel gebruikt kan worden voor de effectbepaling op grotere (meerdan 50 meter) afstand. Voor berekeningen op kortere afstand wordt een tweede berekening met een ander rekenpakket aanbevolen.

De onnauwkeurigheid van AERIUS zat voornamelijk in emissie berekeningen bij agrarische bedrijven waar het emissiepunt zich op enige hoogte bevond. In de nieuwe AERIUS module van januari 2020 zijn de bezwaren van

de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei weggenomen.

1.4

Leeswijzer

Na dit inleidende hoofdstuk worden in hoofdstuk 2 de verkeers- en ruimtelijke gegevens beschreven. De uitgevoerde berekeningen en resultaten worden beschreven in hoofdstuk 3. Tenslotte wordt in hoofdstuk 4 de

conclusie getrokken.

6

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Hoofdstuk 2

Verkeers- en ruimtelijke gegevens

2.1 Ruimtelijke gegevens Bij een stikstofdepositieberekening wordt er rekening gehouden met de Natura 2000-gebieden binnen een straal die relevant is voor de omvang van het plan. Binnen een straal van 10 km zij'n twee Natura 2000-gebieden

aanwezig. De Veluwe bevindt zich op een afstand van 125 m. Op onderstaande afbeelding staat de ligging van het plangebied ten opzichte van de Veluwe weergegeven.

Ligging piangeoiea ten opzichte van de Veluwe fbron: Synbiosys}

2.2 Gebruiksfase Toekomstige situatie De herontwikkeling van het voormalige woon-zorgcomplex neemt in de gebruiksfase verkeersbewegingen met

zich mee. Voor de berekening van de totale verkeersgeneratie is gebruik gemaakt van de CROW publicatie 381

"Toekomstbestendig parkeren". Uitgegaan wordt van een 'matig stedelijk' woonmilieu in de 'rest bebouwde

kom'. Zoals in onderstaande tabel is te zien neemt de herontwikkeling een verkeersgeneratie van 223,6 verkeersbewegingen per etmaal met zich mee.

Totale

Soort woning

Aantal woningen

CROW verkeersgeneratie

Huur, appartement,

61

3,6

219,6

4

1

4

verkeersgeneratie

middel/goedkoop Kamerverhuur,

studenten, nietzelfstandig

223,6

Totaal

Voor de berekening wordt van twee verschillende routes uitgegaan: 50% rijdt de Bronbeeklaan op in noordelijke richting. 50% rijdt de Bronbeeklaan op in zuidelijke richting.

7

Hoofdstuk 3

Berekeningen en resultaten bouw- en gebruiksfase

De berekeningen zijn verricht met het web-based programme AERIUS d.d. 14 januari 2020. Op navolgende uitsnede zijn de bronnen weergegeven die van invloed kunnen zijn op de stikstofdepositie van het initiatief. De

bronnen geven aan waar een toename van het aantal verkeersbewegingen plaatsvindt en waar de mobiele werktuigen gebruikt worden tijdens de bouwfase. De AERIUS Calculator is zo ingesteld dat er geen afronding van

de rekenresultaten onder de 0,05, de zogenaamde pas-drempel, plaatsvindt.

3.1 Gebruiksfase In de gebruiksfase wordt uitgegaan van verschillende bronnen. De bronnen hebben betrekking op de verkeersbewegingen en het gasverbruik van de (zorg)appartementen. Met de berekening voor de gebruiksfase

wordt gesaldeerd met de oude situatie en het gebruik van het gebouw.

Oude situatie Bron 1 oude situatie

Voor bron 1 is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 88,8 voertuigbewegingen per etmaal wat overeenkomt met 50% van de totale verkeersgeneratie. De route die wordt afgelegd loopt via de Bronbeeklaan in noordelijke

richting. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door verkeer voor NOx 2,24 kg/j en voor NHa < Ikg/j bedraagt.

Naam

Locatie (X,Y)

NOx NH?|

Bron 1 193411, 445961 2.24 kg/j < 1 kg/j

Soon

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Standaard

Licht verkeer

88,8/etmaal

NOx NH3

10

Emissie

2,24 kg/i <1 kg/j

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Bron 2 oude situatie Voor bron 2 is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 88,8 voertuigbewegingen per etmaal wat overeenkomt met 50% van de totaie verkeersgeneratie. De route die wordt afgeiegd loopt via de Bronbeeklaan in zuidelijke

richting. Uit navoigende afbeelding voIgt dat de uitstoot door verkeer voor NOx 2,85 kg/j en voor NH3 < Ikg/j

bedraagt.

Bron 2 193417,445913 2.85 kg/j <1 kg/j

Naam

Locatie (X. Y) NOx

NH3

Soon

Voertutg

Aantal voertuigen Stof

Standaard

Licht verkeer

88,8/etmaal

Emissie

NOx

2.85 kg/j

NH3

<ikg/j

Bron 3 oudc situatie

Voor bron 3 is uitgegaan van het verwarmen van 74 zorgappartementen. Er is gerekend met een stikstofemissie

van 1,11 kg/j NOx perzorgappartement. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door het verwarmen van de zorgappartementen voor NOx 82,10 kg/J en voor NH3 < Ikg/j bedraagt.

Naam

LocaMPLY) Ulutoochoogte

Oppervlakte Spreiding Warmteinhoud Temporele vanatie

NOx

11

Bron 3 193538.445998 1,0 m 0,2 ha 0.5 m 0,000 MW Continue emissie 82,10 kg/j

Toekomstige situatie Bron 1 toekomstige situatie gebruiksfase Voor bron 1 is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 111,8 voertuigbewegingen per etmaal wat overeenkomt met 50% van de totale verkeersgeneratie. De route die wordt afgelegd loopt via de Bronbeeklaan in noordelijke

richting. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door verkeer voor NOx 2,83 kg/j en voor NH3 < Ikg/j

bedraagt.

Naam Locatie(X.V)

NO* NHj

Standaard

Licht verkeer

Bron 1 193411.445961 2.83 kg/j <1 kg/j

Aanul voenuigen Slof

Emissie

111,8/etmaal NOx

2,83 kg/j

NH3

<ikg/j

Bron 2 toekomstige situatie gebruiksfase

Voor bron 2 is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 111,8 voertuigbewegingen per etmaal wat overeenkomt met 50% van de totale verkeersgeneratie. De route die wordt afgelegd loopt via de Bronbeeklaan in noordelijke

richting. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door verkeer voor NOx 3,59 kg/j en voor NH3 < Ikg/j bedraagt.

Naam

Bron 2

Locaue (X,y'

193417.445913 3.59 kg/j < 1 kg/j

NOx

NHj

Standaard

Voertuig

Aintal voenuigen

Stof

Emtssie

Licht verkeer

111,8 /etmaal

NOx

3.59 kg/i <ikg/j

NH3

12

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Bron 3 toekomstige situatie gebruiksfase

Voor bron 3 is uitgegaan van het verwarmen van 65 appartementen. Er is gerekend met een stikstofemissie van 1,11 kg/j NOx per appartement. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door het verwarmen van de

appartementen voor NOx 72,2 kg/j en voor NHa < Ikg/j bedraagt.

Naam Lotatie (X.VS Uitstoothoogte

Oppervlakte Spreiding

U/armteinhoud Temporele van a tie

NOx

Bron 3 193538.445998 1,0 m 0,2 ha 0,5 m 0,000 MW Continue emissie 72,20 kg/j

Conclusie Het verschil (afname) van de totale emissie in de gebruiksfase bedraagt voor NOx 8,58 kg/j en voor NHa < 1 kg/j. Zoals op onderstaande afbeelding te zien, is er geen verschil hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn op de omiiggende Nature 2000-gebieden. Hectare met hoogste verschil Situatie z Verschil Situatie i

Natuurgebied

0,01

Veluwe

13

0,00

0,00

Vefschilop (bijna) overbelaste hexagonen*

3.1 Bouwfase In de bouwfase wordt uitgegaan van verschillende bronnen. De bronnen hebben betrekking op de

verkeersbewegingen, het gasverbruik van de (zorg)appartementen, het bouwverkeer en de te gebruiken mobiele werktuigen. Met de berekening voor de bouwfase wordt gesaldeerd met de oude situatie en gebruik van het

gebouw.

Oude situatie Bron 1 oude situatie

Voor bron 1 is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 88,8 voertuigbewegingen per etmaal wat overeenkomt met 50% van de totale verkeersgeneratie. De route die wordt afgelegd loopt via de Bronbeeklaan in noordelijke

richting. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door verkeer voor NOx 2,24 kg/j en voor NH3 < Ikg/j bedraagt.

Naam Locatie (X,Y)

NOx NH3

Standaard

Bron 1 193411,445961 2.24 kg/j < 1 kg/j

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Licht verkeer

88,8 / etmaal

14

Emissie

NOx

2,24 kg/j

NH3

<1 kg/j

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Bron 2 oude situatie

Voor bron 2 is uitgegaan van een verkeersgeneratie van 88,8 voertuigbewegingen per etmaal wat overeenkomt met 50% van de totale verkeersgeneratie. De route die wordt afgelegd loopt via de Bronbeeklaan in zuidelijke richting. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door verkeer voor NOx 2,85 kg/j en voor NH3 < Ikg/j

bedraagt.

Bron 2 193417,445913 2,85 kg/j < 1 kg/j

Naam Locatie (X.Y)

NOx

NH3

Aantal voertuigen Stof

Standaard

88,8/etmaal

Licht verkeer

Emissie

NOx

2,85 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Bron 3 oude situatie

Voor bron 3 is uitgegaan van het verwarmen van 74 zorgappartementen. Er is gerekend met een stikstofemissie van 1,11 kg/J NOx per zorgappartement. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door het verwarmen van

de zorgappartementen voor NOx 82,10 kg/j en voor NH3 < Ikg/j bedraagt.

Naam

Locatie (X.Y) Ultstoothoogte Oppervlakte

Spreading Warmceinhoud Temporelevanatie

NOx

15

Bron 3 193538.445998 1,0 m 0,2 ha 0,5 m 0,000 MW Continue emissie 82.10 kg/j

Bouwfase Bron 1 bouwfase Voor de bouwfase is een ruime schatting gemaakt voor het aantal verkeersbewegingen voor het vervoer van

personeel en materialen en de inzet van (mobiele) werktuigen welke te vinden is in paragraaf 2.3. Uit navolgende afbeelding voIgt dat de uitstoot door het bouwverkeer voor NOx 2,18 kg/j en voor NHs < 1 kg/j bedraagt.

Naam Locatie (X,Y) NOx

NHj

Bron 1 193411,445961 2,18 kg/j < 1 kg/j

Soon

Voertuig

Aantal voertuigen Stof

Emissie

Standaard

Licht verkeer

i6,o/etmaal

NOx

<1 kg/j

NH3

< 1 kg/j

Middelzwaar

6,0/etmaal NOx

vrachtverkeer

NH3

1.15 kg/i <1 kg/j

NOx NH3

<1 kg/j <1 kg/j

Standaard

Standaard

Zwaar vrachtverkeer

2,0/etmaal

I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I 16

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Bron 2 bouwfase De tweede bron tijdens de bouwfase is afkomstig van de te gebruiken mobiele werktuigen. Uit navolgende

afbeelding volgt dat de uitstoot door de in te zetten mobiele werktuigen voor NOx 19,18 kg/j en voor NHa < 1 kg/j

bedraagt.

Bron 3 193533. 446000 19.18 kg/j

Naam

Locatie (X,Y)

Warmte Stof inhoud (MW)

Emissie

0,0

NOx

9,00 kg/j

4.0

0,0

NOx

2,30 kg/j

4.0

4.0

0,0

NOx

1.73 kg/j

4.0

4.0

0,0

NOx

6,14 kg/j

Uitstoot hoogte (m)

Spreiding (m)

Mobiele kraan

4,0

4.0

AFW

Shovel

4.0

AFW

Graafmachine

AFW

Hoogwerker

Voertuig

Omschrijving

AFW

Brandstof verbruik (l/i)

Conclusie Het verschil (afname) van de totale emissie in de bouwfase bedraagt voor NOx 65,84 kg/j en voor NHa 0,24 kg/j. Zoals op onderstaande afbeelding te zien is er geen verschil hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn op de omiiggende

Natura 2000-gebieden. Hectare met hoogste verschil

Natuurgebied

Veluwe

17

Situatie i

Situatie 2

Verschil

0,01

0,00

0,00

Verschil op (bijna) overbelaste hexagonen*

Legenda Plangebied Plangrens

Enkelbestemmingen [

w

j Wonen

Dubbelbestemmingen Waarde-Archeologie 0gggverwachling) Waarde-Geomorfologie

Bouwvlakken I

I

bouwviak

Maatvoeringen maximum bebouwingspercentage (%)

maximum bouwhoogte (m)

Bestemmlngsplan De Paasberg, Arnhem gemeente Arnhem uhaal: datum: prolectnummen formaat: aantal bladen: bladnummer; Idantlflcatlenr. vorfge venle: voorontwerp; orrtwerp: vaststeinRp

15 oktober 2020

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=828a8be9-958f-4360-81db-17878d123382