CConstaterende datArnhem
Koppel je AI →
Document · PDF

Aanvullende bijlage

Politieke Avond 16 februari 2022, gemeente ArnhemBij agendapunt: Afwijzen: Verzoek voor bestemmingsplanwijziging van de locatie Bronbeeklaan 6616.743 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

I I CONSTRUCT ADVOCATEN Gefascineerd door de bouw

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

B IJ L A G E 1

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

bestemmingsplan

Bronbeeklaan 66, Arnhem Gemeente Arnhem

hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Artikel 3 Wonen 3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a.

b.

het wonen, hieronder niet begrepen bewoning van woonwagens of woonschepen, waarbij hetaantal zelfstandige woningen niet meer mag bedragen dan 59 woningen en het aantal onzelfstandige woningen niet meer mag bedragen dan 5 woningen; zorgwoningen met in achtname van het bepaalde in artikel 3 lid 4 sub c:

en ondergeschikt voor: c. d. e. f.

groen- en speelvoorzieningen; parkeervoorzieningen verblijfsgebieden; watergangen, waterpartijen, waterinfiltratievoorzieningen en andere voorzieningen voor de waterhuishouding;

3.2 Bouwregels a.

b.

Op de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden mogen, met inachtneming van de aangegeven maximumgoot- en bouwhoogten en het bepaalde onder b., uitsluitend de in de gegeven bestemming passende hoofdbebouwing, bijbehorende bouwwerken en andere binnen de bestemming passende bouwwerken worden gebouwd. Op de in artikel 3 lid 1 bedoelde gronden, mogen uitsluitend binnen het bouwviak: 1. bijbehorende bouwwerken worden gebouwd, voor zover het betreft: a. uitbreiding van de hoofdbebouwing, tot een maximumbouwhoogte gelijk aan de hoogte van de begane-grondbouwiaag van de hoofdbebouwing, vermeerderd met maximaal 40 centimeter ten behoeve van isolatie of afschot; b. andere bijbehorende bouwwerken waarbij de goothoogte niet meer mag bedragen dan de hoogte van de begane-grondbouwiaag van de hoofdbebouwing, vermeerderd met maximaal 40 centimeter ten behoeve van isolatie of afschot; het gezamenlijke oppervlak van de bijbehorende bouwwerken in totaal niet meer c. dan 250 m^ bedraagt; 2. bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd, passend binnen de bestemming, met een maximumbouwhoogte van 3 meter;

3.3 Afwijken van de bouwregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in het in artikel 3 lid 2 sub boogenomen schema ten behoeve van een verhoging van de maximale grootte van bouwwerken voor percelen waarbij de bebouwbare zone groter is dan 1000 m’ met maximaal 25 m’ mils;

a. b.

dit vanuit stedenbouwkundig en landschappelijk oogpunt niet op bezwaren stuit en; de belangen van omwonenden met betrekkingtot privacy, uitzicht en bezonning niet worden geschaad.

10

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Artikel 4 Waarde - Archeologie (lage verwachting) 4.1 Bestemmingsomschruving

De voor 'Waarde - Archeologie (lage verwachting)' aangewezen gronden zijn naast de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op of in deze gronden voorkomende archeologische waarden.

4.2 Bouwregels

Binnen de voordeze bestemmingaangewezen gronden mogen: a. b.

4.3

bouwwerken geen gebouwen zijnde worden gebouwd die voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn; bouwwerken ten behoeve van de andere, voor deze gronden aangewezen bestemmingen worden gebouwd, indien het betreft: 1. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte voor zover gelegen op of onder peil niet wordt uitgebreid of 2. een bouwwerk waarvan de binnen de bestemming gelegen oppervlakte ten hoogste 2000 m2 bedraagt; 3. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

Afwyken van de bouwregels

a. b.

c.

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd af te wijken van het bepaalde in artikel 4 lid 2 met inachtneming van de voor deze gronden geldende overige bouwregels. Afwijken als bedoeld in artikel 4 lid 3 sub a is mogelijk, indien op basis van archeologisch onderzoek of naar het oordeel van een archeologische deskundige is aangetoond dat de archeologische waarden niet onevenredig worden of kunnen worden geschaad. Afwijken als bedoeld in artikel 4 lid 3 sub a is voorts mogelijk, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie de archeologische waarden door de bouwwerkzaamheden niet worden geschaad of mogelijke schade kan worden voorkomen door aan de omgevingsvergunning voor het afwijken regels te verbinden gericht op; 1. hettreffen van maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. het doen van opgravingen; 3. begeleiding van de bouwwerkzaamheden door een archeologisch deskundige.

4.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.4.1 Verboden werkzaamheden

Het is verboden op of in de gronden met de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie (laee verwachting)' zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uitte voeren:

a. b. c.

het verlagen of verhogen van het waterpeil; het aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd; het aanleggen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

12

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

hoofdstuk 3 Algemene regels Artikel 6 Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

Artikel 7 Algemene bouwregels 7.1 Bouwen binnen bouwviak

a.

Indien binnen een bestemmingsviak een bouwviak is aangegeven mag, behoudens andersluidende bepalingen in deze regels, uitsluitend worden gebouwd binnen dit bouwviak.

7.2 Bebouwingspecentage

a. b. c.

d.

Indian in een bouwviak geen bebouwingspercentage is aangegeven, mag dit vlak geheel worden bebouwd. Indian binnan aan bastemmingsviak een bouwviak en een bebouwingspercentage zijn aangegeven is het bebouwingspercentage van toepassing op de gronden binnen het bouwviak. Indian in een bestemmingsviak respectievelijk bouwviak slechts een bebouwingspercentage is aangegeven geldt dit percentage voor het gehele bestemmingsviak respectievelijk bouwviak. Indien in een bestemmingsviak respectievelijk bouwviak meerdere bebouwingspercentages zijn aangegeven, gelden deze percentages voor die delen van het bestemmingsviak respectievelijk bouwviak waarin ze zijn aangegeven.

7.3 Afwijkende maatvoering a.

b. c.

Voor een bouwwerk, dat krachtens een omgevingsvergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezigof in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden en dat in het plan ingevolge de bestemming is toegeiaten, maar waarvan de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afwijken van de maatvoeringbepalingen in de bouwregels van de betreffende bestemming, geldt dat: 1. bestaande maten, die meer bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; 2, bestaande maten, die minder bedragen dan in het plan is voorgeschreven, mogen als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. ingeval van herbouw is lid a onder 1 en 2 uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt; op een bouwwerk als hiervoor bedoeld, is het Overgangsrecht bouwwerken als opgenomen in dit plan niet van toepassing.

16

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Artikel 8 Algemene gebruiksregels Onder gebruik van gronden in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder gevai verstaan:

a. b. c.

het gebruik van bijgebouwen ais zeifstandige woning; het gebruik van de gronden ten behoeve van thuisprostitutie, raamprostitutie en seksinrichtingen. het gebruik van gronden of bouwwerken waarbij niet wordt voorzien in voidoende parkeergeiegenheid volgens de in de geldende Arnhemse beleidsregels voor parkeren opgenomen normen.

Artikel 9 Algemene afwijkingsregels Burgemeester en wethouders kunnen met een omgevingsvergunningafwijken van:

1.

2.

3.

4.

5.

de in deze regels opgenomen bebouwingsregels, voorzover betreffende de maximum bouwhoogte, de maximumgoothoogte, het maximumoppervlak en de maximuminhoud, mits de afwijking niet meer bedraagt dan 10% van de in de regels vastgelegde maten; de verplichtingtot het bouwen binnen het bouwviak, zoals bedoeld in artikel 7 lid 1 mits: a. de overschrijding van het bouwviak niet meer bedraagt dan twee meter en het de bouw betreft van erkers, luifels, balkons, keldergaten (koekoeken) of galerijen; b. het de bouw van voiledig beneden peil gelegen bouwwerken betreft, mits: ■ een diepte van 6 meter niet wordt overschreden; ■ het maaiveld wordt afgewerkt op een wijze die past binnen de bestemming; ■ geen onevenredige toename van de parkeerdruk plaatsvindt; ■ de geomorfologische waarden zoals bedoeld in artikel 5 lid 1 niet worden geschaad; de bestemmingsbepalingen voor het oprichten van: a. kunstobjecten en niet voor bewoning bestemde bouwwerken van openbaar nut, zoals transformatorstations, rioolgemalen, schakelhuisjes, telefooncellen voorzover met een inhoud groter dan 3 m3, en haltes van vervoersdiensten, a He met een inhoud van maximaal 75 m3; b. sirenemasten met een hoogte van maximaal 18 meter; c.

bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van (tele)communicatie: ■ voorzover vrijstaand, met een hoogte van maximaal 20 meter; ■ voorzover op of aan een ander bouwwerk te plaatsen, met een hoogte van maximaal 8 meter boven de aangegeven maximumbouwhoogte; d. geluidwerende voorzieningen voor zover deze noodzakelijk zijn ingevolge de bepalingen van de Wet geluidhinder. de in deze regels opgenomen bepalingen omtrent de maximum bouwhoogte voor het oprichten van hekwerken ten behoeve van het gebruik van platte daken ais dakterras tot een maximum van 1 meter boven de maximaal toegestane bouwhoogte mits: a. dit passend is in het bebouwingsbeeld van de omringende bebouwing en b. de belangen van omwonenden met betrekkingtot privacy, uitzicht en bezonning niet onevenredig worden geschaad. het bepaalde in artikel 9 voor de vestiging van maximaal een seksinrichting per wijk onder voorwaarde dat: a. het geen raamprostitutie betreft; b. de aanvraag past binnen de ruimtelijk relevante aspecten van het vestigingsbeleid prostitutie; c. hetaantal seksinrichtingen, nietzijnde raamprostitutiebedrijven, op het grondgebied van de gemeente Arnhem na het afwijken van de regels niet meer dan acht zal bedragen; d. er in de wijk nog geen seksinrichting is; e. de seksinrichting niet in een appartementengebouw wordt gevestigd; het woon- en leefkiimaat niet onevenredig wordt aangetast; f.

er geen onevenredige vergroting van de parkeerdruk ontstaat; gh. de afstand tot de dichtstbijzijnde seksinrichting hemelsbreed tenminste 250 meter bedraagt;

17

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

bestemmingsplan

Bronbeeklaan 66, Arnhem Gemeente Arnhem

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om het voormalige woon-zorgcomplex 'De Pa as berg' aan de Bronbeeklaan 66 te Arnhem te herontwikkelen. Het initiatief betreft een transformatie van het bestaande pand naar een woonfunctie. Hierbij worden verschillende woonruimten gerealiseerd en wordt het terrein heringericht.

Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'VelpenAzeg e.o.', vastgesteld door de raad van de gemeente Arnhem op 27 november 2017. De gronden van het plangebied beschikken over de bestemming 'Maatschappelijk'. Wonen is binnen deze bestemming niet toegestaan. Voor het woon-zorgcomplex 'De Paasberg' is op grond van artikel 2.12, lid 1 onder a, sub 2 Wabo, de zogenoemde ‘kruimellijst’, een functiewijziging naar appartementen beoogd. Op grond van het Besluit omgevingsrecht, Bijiage 11, artikel 4, lid 9, kan voor het transformeren van het gebouw naar wonen van artikel 13 van het geldende bestemmingsplan ‘Velperweg e.o.’ vworden afgeweken. Hiertoe Is op 9 november 2020 een aanvraag omgevingsvergunning voor ingedlend. Deze aanvraag is geweigerd. Belangrijkste overweging die ten grondslag lag aan deze welgerlng was dat bij het mogelijk maken van de activlteit wonen op de locatie met een omgevingsvergunning de bestemming 'Maatschappelijk' in stand blijft. Dit betekent dat het mogelijk zou worden om in het pand zowel te wonen alsmede maatschappelijk functies uit te oefenen. Door de gemeente Arnhem is dit als ruimtelijk onwenselijk beoordeeld waarmee de aanvraag geweigerd is. Ruimtelijke is de omzetting naar wonen, blijkens de memo van de gemeente Arnhem van 26 november 2019 niet onwenselijk.

De gemeenteraad van de gemeente Arnhem heeft in haar vergadering van 13 januari 2021 een voorbereidingsbesluit genomen. De besluit heeft als beoogd effect de transformatle van het pand Bronbeeklaan 66 van zorggebouw naar woongebouw In het raadsvoorstel, behorende bIj het besluit, is aangegeven dat de gemeente binnen de termijn van het voorbereidingsbesluit een ontwerpbestemmingsplan in procedure zal brengen voor het pand Bronbeeklaan 66. Om medewerkingte kunnen verlenen aan de omzetting naar wonen en daadwerkelijk de maatschappelijke bestemming van het pand af te halen is enkel een herziening van het bestemmingsplan de geeigende procedure. Onderhavig bestemmingsplan voorziet hierin.

5

1.2 Ligging plangebied Het plangebied ligt aan de Bronbeeklaan 66 in de wijk Paasberg te Arnhem. De wijk Paasberg ligt in het noordelijke gedeelte van Arnhem in een bosrijke omgeving. In de omgeving van het voormalige woonzorgcomplex bevinden zich voornamelijk woningen en op een wat grotere afstand zijn sportvelden en verschillende maatschappelijke functies zoals een school aanwezig. Ten oosten van het plangebied ligt de rijksweg A12. De planlocatie is kadastraal bekend onder de gemeente Arnhem, sectie U, perceel 53 en heeft een oppervlakte van 8.508 m’.

De navolgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.

Globale ligging plangebied, rood omcirkeld (bron: Google Maps)

Gioaaie begteiulngpldiigtibicd. rood omhodcrd (bron: Google Maps)

6

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Velperweg e.o.', vastgesteld door de raad van de gemeente Arnhem op 27 november 2017. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede geldende bestemmingsplan Velperweg e.o.plangebled rood omkaderd (bron: rulmtelljke plannen.nl)

De gronden van het plangebied beschikken over de bestemming 'Maatschappelijk'. De voor maatschappelijk aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. b. c. d. e. f. g-

ondenA'ijs en zaaisport; gezondheids- en welzijnzorg; levensbeschouwelijke functies; politieke-, belangen, en ideele organisaties/verenigingen en hobbyciubs; openbare dienstveriening; functies vergeiijkbaar met die genoemd onder a. tot en met e.; dienstwoningen.

Daarnaast zijn de gronden van het plangebied voorzien van de dubbelbestennmingen 'Waarde Archeologie (middelhoge verwachting)', 'Waarde - Archeologie (hoge verwachting)' en 'Waarde Geomorfologie', Deze gronden zijn naast de andere daar voorkomende bestemming, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de op en/of in deze gronden voorkomende archeologische waarden en voor de bescherming en instandhoudingvan de aanwezige ieemlagen en de doorstroming van beken. Tevens geiden voor de gronden van het piangebied de bestemmingspiannen 'Facetpian parkeren', 'Facetplan woningsplitsing en kamerverhuur' en 'Leemlagen'. In het 'Facetplan parkeren' wordt verwezen naar de Arnhemse beleidsregel voor parkeren. Het doel van het'Facetplan woningsplitsing en kamerverhuur' is het reguleren van het splitsen en verkameren van woningen in heel Arnhem. Met het bestemmingsplan 'Leemlagen' is de bescherming van de leemlagen in Arnhem geregeld.

De beoogde herontwikkeling van het plangebied, waarbij het gebouw aan de Bronbeeklaan 66 getransformeerd wordt naar woningen, is volgens de regels van het geldende bestemmingsplan 'Velperweg e.o.' niet toegestaan. Om voorliggend initiatief juridisch-planologisch mogelijk te maken dient er een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.

7

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Op het perceel aan de Bronbeeklaan 66 te Arnhem staat het voormalige woon-zorgcomplex 'De Paasberg'. Het gebouw bestaat uit twee vieugels met zorgwoningen. De noordvieugel bestaat uit vijf bouwiagen en de zuidvieugel bestaat uit zes bouwiagen. In totaal ziJn er 74 zorgwoningen aanwezig in het woonzorgcomplex. De zorgwoningen zijn voorzien van een woon- en slaapkamer, douche, toiletruimte en een eigen balkon. De inrichting van het terrein rond het voormalige woon-zorgcompiex bestaat voornameiijk uit een toegangsweg, parkeerpiaatsen en een kleine hoeveelheid groen.

Het piangebied bevindt zich in de wijk Paasberg met een groene en bosrijke omgeving. In de woonwijk zijn voornameiijk woningen en enkele maatschappelijke functies te vinden. Ten oosten van het voormalige woon-zorgcomplex ligt de rijksweg A12 en verder naar het noorden de Veluwe. De navolgende afbeeldinggeeft een impressie van de huidige situatie.

Woon-zorgcomplex 'De Paasberg' (bron: Google Maps)

9

2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens het voormalige woon-zorgcompiex aan de Bronbeeklaan 66 te transformeren naar woningen. Hiervoor wordt het pand inpandig verbouwd. in totaal worden er 64 kieine en middeigrote appartementen gereaiiseerd, waarvan 59 zeifstandige appartementen en 5 onzeifstandige appartementen. Daarnaast wordt het terrein rond het gebouw herontwikkeld ten behoeve van voldoende parkeerpiaatsen. De navoigende afbeelding toont een piattegrond van het plangebied van de beoogde situatie.

I SItuatieschets beoogde situatie (bron: new-ton Architects & Engineers)

Op de begane grand is een gemeenschappelijke ruimte die gebruikt kan worden door aile bewoners. Deze ruimte kan bijvoorbeeid ingevuid worden met een fitness of iounge. Daarnaast is er een gezamenlijke badkamer met toiiet voor de appartementen 5, 6, 7, 12 en 17. De navoigende afbeelding toont een piattegrond van de begane grond van de beoogde situatie.

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I

Op de 1® tot en met 5® verdieping zijn appartementen aanwezig. De appartementen beschikken over een berging die deels inpandig en deels in twee bijgebouwen achter het appartementencomplex worden gerealiseerd. De navolgende afbeeldingen tonen plattegronden van de 1® en 5® verdieping.

nifuw Plattegrond 5e verdlepfng beoogde sftuatle (bron: new-ton Architects & Engineers)

Van de 64 appartementen hebben er 19 een oppervlakte tot 40 m^ (klein) en 45 appartementen een oppervlakte van 47 m^ tot 122 m’ (middelgroot). Van de kleine appartementen zijn er 4 bedoeld voor bedoeld voor jongvolwassen. Deze 4 appartementen hebben een oppervlakte tot 29 De beoogde ontwikkeling biedt appartementen voor verschillende doelgroepen. Bijvoorbeeld voor ouderen uit de buurt die hun koopwoning verkopen en niet in aanmerking komen voor een sociale huurwoning. Tevens biedt het appartementen met gemeenschappelijke ruimtes (studenten) en appartementen voor starters en doorstromers binnen het complex en op de woningmarkt. De mix van doelgroepen zorgt voor een levendige sfeer in en rond het appartementencomplex. De differentiatie en variatie in huishoudens en woningen maakt het mogelijk om in de wijk een wooncarriere te maken. Een groot deel van de appartementen is geschikt voor meerdere doelgroepen. In de navolgende tabel staan de prijsklassen en aantallen van de appartementen weergegeven.

Soort appartement Sociale huur middenhuur - middensegment middenhuur - hogere segment duurdere segment

Prjjsklasse <€735 €735-€825

€800 -€950

>€950

Totaal

Yantai 22 31 8 3 64

In het weigeringsbesluit van 8 april 2021 is over het programma het navolgende opgemerkt: 22 appartementen zullen een soc/a/e huurprijs kennen, waardoor wordt voldaan aan de norm van minimaal 30% sociale hour. Daarnaast vallen 39 appartementen in het middensegment waardoor

11

ruimschoots wordt voldaan aan de ambities random 'betaaibaarheid'. De duurdere huurwoningen en de huurwoningen in het middensegment dragen bij aan een gevarieerd aanbod in de wijk. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde programme aansluit bij de gemeentelijke ambities omtrent betaalbaar wonen. Met de ontwikkeling zal het voormalige woon-zorgcomplex voornamelijk inpandig verbouwd worden. Tevens worden de balkons vernieuwd. De navolgende afbeelding toont een impressie van de voorzijde van het gebouw.

Impressie voorzijde gebouw (bron: new-ton Architects & Engineers)

Het terrein rond het appartementencomplex wordt heringericht, waardoor er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd kunnen worden. In totaal zullen er 64 parkeerplaatsen gerealiseerd worden op het perceel. De bewoners kunnen geen parkeerplaats in eigendom krijgen. In de bestaande garageboxen ten zuiden van het plangebied worden ingericht als fietsenberging voor de bewoners. In totaal zal hier ruimte zijn voor minimaal 64 fietsen.

12

I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Nationaal belaid 3.1.1 Nationale Omgevingsvisie (NOVI)

Op 11 September 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten:

1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond.

Planspecifiek De NOVI is gezien de aard en omvang van het project niet specifiek van toepassing op het plangebied. Wei wordt er aangesloten op de ambities en belangen van het rijk zoals het realiseren en behouden van een goede leefomgevingskwaliteit, het realiseren van woningen en het behouden en het versterken van cultureel erfgoed. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan heeft de wetgever in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012,1 juli 2014 en ljuli 2016 op onderdelen aangevuld.

Planspecifiek Onderhavig plan valt niet binnen een van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro vloeien dan ook geen specifieke randvoorwaarden voort voor onderhavig plan.

13

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking

In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als voIgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in hettweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwestedelijke ontwikkelingen een motiveringals bedoeld in hettweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in hettweede lid, heeft, in hetgeval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan; een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwiocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van 64 woningen en is daarmee aan te merken als een stedelijke ontwikkeling. Om die reden wordt de ladder voor duurzame verstedelijking nader getoetst. Bestaand stedelijk gebied Het bestaand stedelijk gebied wordt volgens het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) als voIgt gedefinieerd: 'bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur'. De planlocatie is gelegen in een woonwijk in het noorden van Arnhem. In de directe omgeving zijn woningen en maatschappelijke functies te vinden. Hieruit kan geconcludeerd worden dat de planlocatie binnen bestaand stedelijk gebied ligt.

Behoefte aan de ontwikkeling Uit de Subregionale Woonagenda Arnhem e.O. 2017-2027 (zie toelichting paragraaf 3.3.11 blijkt dat er tot 2035 een woningbehoefte van 15.220 woningen is in de subregio Arnhem. Tevens wordt in de woonvisie 'Structuurvisie Arnhem 2020' (zie toelichting paragraaf 3.4.1) aangegeven dat er tot 2030 ca. 12.000 woningen toegevoegd moeten worden aan de woningvoorraad van Arnhem. De woonvisie van de gemeente Arnhem (zie toelichting paragraaf 3.4.2) geeft aan dat er behoefte is aan betaalbare huur- en koopwoningen. Hiermee sluit de beoogde herontwikkeling aan op de behoefte in de regio en gemeente.

Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen herontwikkeling voldoet aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.

14

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I 1 I I I I I I I I I I I I I I I I

3.2 Provinciaal belaid 3.2.1 Omgevingsvisie Gelderland De Omgevingsvisie 'Gaaf Gelderland' is vastgesteld op 19 december 2018. In de Omgevingsvisie staat een gezond, veilig, schoon en welvarend Gelderland centraal. De provincie Gelderland legt bij de uitoefening van haar taken de focus op een duurzaam, verbonden en economised krachtig Gelderland. Met behulp van zeven ambities - op het terrein van energietransitie, klimaatadaptatie, circulaire economie, biodiversiteit, bereikbaarheid, economised vestigingsklimaat en op det woon- en leefkiimaat wordtdaaraan riedtinggegeven.

De Omgevingsvisie Gaaf Gelderland bevat thematische visieschetsen. De schetsen zijn een grove schets van in het oog springende bestaande en nieuwe initiatieven, kansen, mogelijkheden en ontwikkelingen. De ambities die hieruit volgen zijn: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Energietransitie: van fossiel naar duurzaam. Klimaatadaptatie: omgaan met veranderend weer. Circulaire economie: sluiten van kringlopen. Biodiversiteit: werken met de natuur. Bereikbaarheid: duurzaam verbonden. Vestigingsklimaat: Een krachtige, duurzametopregio! Woon- en Ieefomgeving: dynamisch, divers, duurzaam.

Planspecifiek Het beoogde plan sluit voornamelijk aan opthema 7 'Woon- en Ieefomgeving: dynamised, divers, duurzaam'. Er wordt gestreefd naar een duurzaam en divers woon- en leefkiimaat. Het aanbod aan woningtypen en woonmilieus moet passend zijn bij de huidige en toekomstige diversiteit aan woningvraag. Met voorliggend plan worden woningen gerealiseerd voor verschillende doelgroepen zoals studenten, starters, doorstromers en ouderen. Voor deze doelgroepen geldt dat er binnen de gemeente Arnhem een grote vraag is naar nieuwe woningen.

Mede door het gebruik van een bestaand gebouw betreft het een duurzaam project. Daarnaast worden er verschillende maatregelen getroffen om het gebouw te verduurzamen. Het gebouw wordt voorzien van zonneboilers en zonnecollectors op het dak voor de warmwatervoorziening. Tevens wordt er gekeken naar de mogelijkheden voor een groen dak, wat ten goede komt van de klimaatadaptatie.

Geconcludeerd wordt dat met de beoogde ontwikkeling bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit en wordt aangesloten op de provincials ambities. 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland

Met een omgevingsverordening stelt de provincie regels aan bestemmingsplannen van gemeenten. De provincie Gelderland heeft op 24 September 2014 de omgevingsverordening vastgesteld, die vervolgens op 18 oktober 2014 in werking is getreden. Deze omgevingsverordening is vervolgens meerdere keren partieel gewijzigd. Voor de beoordeling van het onderhavige bestemmingsplan is getoetst aan de geconsolideerde Omgevingsverordening Gelderland van december 2018. De provincie beschikt over een palet van instrumenten waarmee zij haar ambities realiseert. De omgevingsverordening is er een van. De verordening voorziet ten opzichte van de omgevingsvisie niet in nieuw beleid en is daarmee dus beleidsneutraal. De inzet van de verordening als juridisch instrument om de doorwerking van het provinciaal beleid af te dwingen is beperkt tot die onderdelen van het beleid waarvoor de inzet van algemene regels noodzakelijk is om provincials belangen veilig te stellen of om uitvoeringte geven aan wettelijke verplichtingen.

De omgevingsverordening richt zich net zo breed als de omgevingsvisie op de fysieke ieefomgeving in de Provincie Gelderland. Dit betekent dat vrijwel alle regels die betrekking hebben op de fysieke Ieefomgeving opgenomen zijn in de omgevingsverordening. Het gaat hierbij om regels op het gebied van

15

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Amhem 2020-2040

Op 28 maart 2011 heeft de raad van de gemeente Arnhem de agenda vastgesteld voor de structuurvisie 'Arnhem 2020 met doorkijk 2040'. De structuurvisie voor de stad biedt een strategisch kader voor ruimtelijke plannen op stedelijk niveau voor de lange termijn. De belangrijkste principes benoemt en worden uitgewerkt in een ruimtelijk ontwikkelingsperspectief. Het ruimtelijk ontwikkelingsperspectief voor de stad bestaat uit een de volgende principes:

1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

Herbronnen en hereiken Van eindplan naar koers Van tweedeling naar drie-eenheid Cyclisch en adaptief Ondergrond en bovengrond 'Chique en basic' 'Mobiliteit en leefkwaliteit’

In de ruimtelijke ontwikkelingsperspectieven worden uitgewerkt in verschillende thema's, waaronder 'Wonen'. De demografische toekomst van de stad kleurt in belangrijke mate het toekomstbeeld. Tot 2030 zal het inwonersaantal van Arnhem doorgroeien tot naar verwachting 160.000 inwoners. Daarbij zal de bevolkingsopbouw veranderen: vergrijzing zal sterk toenemen en het aantal eenpersoonshuishoudens in de stad zal sterk groeien. Zowel kwantitatief als kwalitatief zullen er veranderingen plaatsvinden. De toekomstige ruimtevraag zal binnen de bestaande stad worden opgelost.

Planspecifiek De demografische toekomst van Arnhem tekent een beeld van een afviakkende groeicurven en op termijn zelfs krimp. Daarbij zal de bevolkingsopbouw veranderen en zal de vergrijzing en het aantal eenpersoonshuishoudens sterk groeien. De toekomstige ruimtevraag zal binnen de bestaande stad opgelost moeten worden. Binnen de gemeente Arnhem is de komende periode nog groei te zien. Voor de periode tot ca. 2030 is behoefte aan ca. 12.000 nieuwe woningen. De doorstroming op de woningmarkt meet verbeteren. Om de druk op de huurwoningmarkt te verlagen en de doorstroming te verbeteren is een rechtvaardige verdeling van betaalbare woningen van groot belang. Het opknappen van bestaande woningen heeft de voorkeur boven sloop en nieuwbouw. Met de herontwikkeling van het gebouw zal de woningkwaliteit verbeteren en wordt er bijgedragen aan het toevoegen van (betaalbare) woningen binnen de gemeente. Geconcludeerd kan worden dat het beoogde initiatief in overeenstemming is met de ambities uit de structuurvisie van de gemeente Arnhem.

3.4.2 De Arnhemse Woonprincipes 2025

Het beleidsdocument ‘De Arnhemse Woonprincipes 2025’ is de woonvisie van de gemeente Arnhem. In de woonvisie formuleert de gemeente kernachtig de hoofdopgaven van het wonen. De principes bestaan uit vier pijiers, waarbij duurzaamheid onderdeel van elkthema uitmaakt. 1. 2. 3. 4.

Duurzaam betaalbaar; Levensloopgeschikt wonen; Aantrekkelijke woonstad; Wijken met identiteit.

De vier pijiers vormen de ‘ruggengraat’ van de Arnhemse Woonprincipes en zijn de leidraad voor de ontwikkeling van het wonen tot 2025

18

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Plans pecifiek Binnen de gemeente Arnhem is een behoefte aan (betaalbare) woningen. De gemeente wil in 2025 beschikken over voidoende betaalbare hour- en koopwoningen voor lage, midden- en hoge inkomens. Niet alleen beschikbaarheid, maar ook variatie in prijsklassen en spreiding over de wijken is van belang. Met het beoogde initiatief wordt een bijdrage geleverd aan de woningvoorraad binnen de gemeente voor verschillende doelgroepen zoals studenten, starters, doorstromers en ouderen.

De gemeente Arnhem biedt mensen in verschillende fasen van hun leven een passende woonplek. Inwoners moeten hun wooncarriere zoveel mogelijk in hun eigen wijk vorm kunnen geven. De differentiatie en variatie in huishoudens en woningen in het gebouw maakt het mogelijk om in de wijk een wooncarriere op te bouwen. Hiermee kan geconcludeerd worden dat het beoogde initiatief past binnen de ‘woonprincipes’ van de gemeente Arnhem. 3.4.3 Groenvisie 2017-2035 Op 5 maart 2018 heeft de raad van de gemeente Arnhem de 'Groenvisie 2017-2035' vastgesteld. Het groen is de drager van de stad Arnhem en moet gekoesterd worden. Groen in de stad bevordert de biodiversiteit en voorkomt wateroverlast, hittestress en vervuilde lucht. Het groen is een van de kernwaarden van Arnhem.

De Groenvisie 2017-2035 gaat over het Groen-blauw raamwerk, de stedelijke hoofdgroenstructuur, van de stad. Dit raamwerk van de stad bepaalt het gezicht van de stad. In de Groenvisie worden 5 thema's met bijbehorende doelen en opgaven behandeld:

de herkenbare stad: zichtbaarheid en beieefbaarheid van landschap en cultuurhistorie; de natuurvriendeiijke stad: biodiversiteit in en om de stad en de natuurinclusieve stad; de groene gezonde stad: leefbaarheid, klimaat, waterbuffering, koelte en gezondheid; de duurzaam beheerde stad: beheer afgestemd op eindbeeld en gebruik; de samenwerkende stad: maatschappelijke betrokkenheid en promotie van groen. Planspecifiek In de huidige situatie is er voornamelijk aan de noord- en oostzijde van het plangebied groen aanwezig. Grotendeels van het groen blijft met de voorgenomen ontwikkeling behouden. De navolgende afbeeiding toont een plattegrond met het groen in de huidige situatie.

In de nieuwe situatie wordt er meer groen aangelegd. Een aantal bomen aan de noordzijde zullen gekapt moeten worden ten behoeve van de parkeerplaatsen. Deze bomen worden gecompenseerd door naast de noordelijk gelegen parkeerplaatsen nieuwe bomen aan te planten. De bomenbalans blijft minimaal neutraal en waar mogelijk worden meer bomen aangeplant. Hierdoor worden tevens de parkeerplaatsen afgeschermd. Rond de parkeerplaatsen en ontsluiting aan de westzijde van het plangebied wordt laag opgaand groen aangelegd. Hiermee wordt aangesloten op de groenstructuur aan de Kloosterstraat. Met de ontwikkeling zal de omgevingten opzichte van de huidige situatie dan ook vergroenen en is er ruimte voor meer biodiversiteit. Ook zullen er nestmogelijkheden aan gebouw toegevoegd worden voor vieermuizen en gierzwaluwen. Daarnaast wordt er geen extra verlichting toegevoegd aan de bosrand.

De navolgende afbeeldingtoont een plattegrond met het beoogde groen in de toekomstige situatie.

r

□□□ □□□ II

Groen nieuwe situatie (bron: new-ton Architects & Engineers)

Naast de bovenstaande ingrepen zijn door de gemeente Arnhem nog enkele suggesties gedaan die bij de verdere planuitwerking en de fysieke inrichting van de planlocatie verder ingevuld worden. Dit komt neer op: Aanieggen van bloemrijk grasland en inheemse struiken (o.a. sleedoorn, hazelaar en vlier) en bomen (bijvoorbeeld ratelpopulier, Zoete kers, Zomereik, Winterlinde ) voor vlinders (o.a. sleedoornpage) en Wilde bijen. In gevel van het complex kansen voor vieermuis- engierzwaluwverblijven benutten. Als er een spouw zit met open stootvoegen is dit reeds een potentieel vieermuisverblijf; anders minimaal 2 verblijven in de muur inpassen. Daarnaast in de gevel minimaal 4 neststenen voor gierzwaluw inpassen aan de noord / noordoost zijde.

Om verstoring te voorkomen van diersoorten wordt er een extra verlichting in- en richting de bosrand toegevoegd.

20

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 'gevallen', van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of ersprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Binds 16 mei 2017 geldt er een directs working van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet; door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld;

het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

de initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.

21

Planspecifiek Uit toetsing aan bet Besluit m.e.r. voIgt dat bet besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkbeid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 woningen of meer. Met bet voorliggende plan worden in totaal 64 woningen mogelijk gemaakt in een bestaand gebouw. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden:

a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In bet kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, lucbtkwaliteit, geluid, externe veiligbeid en ecologie in beeld gebracbt in hoofdstuk 4. Tezamen met de overige boofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in bet kader van bet Besluit m.e.r.. Geconciudeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invioed beeft op bet milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De buidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicbt verscbaffen op de relevante milieuaspecten.

Op basis van deze plantoelichting, we Ike gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconciudeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invioed die bedrijven kunnen hebben op bun omgeving. Deze invioed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar bun aard bestemd zijn voor bet verblijf van personen gedurende de dag of nacbt of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen), Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landscbappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven.

Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigbeid en van nieuwe bedrijvigbeid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijbeid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel biervan is bet waarborgen van de veiligbeid en bet garanderen van de continuTteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zicb tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals; geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigbeid verscbillend. De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale ricbtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indian van deze ricbtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan.

Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is bet motto: 'scbeiden waar bet moet, mengen waar bet kan'. Het scbeiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

bet reeds in bet ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen: het bioden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedriiven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

22

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Planspecifiek In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat ter plaatse van het plangebied een goed woon- en leefkiimaat heerst. Aan de hand van de VNG-brochure 'Bedrijven en Milieuzonering' is bepaald of er voldaan wordt aan de richtafstanden tot de omiiggende milieubelastende activiteiten. Het plangebied ligt in de wijk Paasberg en kan aangemerkt worden als het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Op een afstand van ca. 135 m tot de beoogde woningen bevindt zich de basisschool 'De Witte School'. Voor een basisschool geldt de milieucategorie 2 met een richtafstand van 30 m. De afstand tussen de woningen en de basisschool is ruim voldoende.

Ten zuidwesten van het plangebied liggen op een afstand van ca. 290 m een aantal sportvelden. Voor een veldsportcomplex (met verlichting) beschikt over de milieucategorie 3.1, waarbij een richtafstand van 50 geldt. Met een afstand van ca. 290 m wordt ruim voldaan aan de gestelde richtafstand. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmeringen veroorzaakt voor het beoogde initiatief.

4.3 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten.

Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat Indian deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Een ruimtelijke ontwikkeling moet getoetst worden aan de Wet natuurbescherming (Wnb). Er dient verantwoord te worden dat de ontwikkeling geen negatieve effecten heeft op beschermde soorten en/of gebieden. In toelichtine paraeraaf 3.4.3 is ingegaan op de inrichting van het plangebied op het gebied van groen.

Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied, het Natuurnetwerk Nederland, een Belangrijk weidevogelgebied of de Strategische reservering natuur en er zijn geen karakteristieke landschapselementen aanwezig. Het meest nabijgelegen Natura 2000-gebied 'Veluwe' en het Natuurnetwerk Nederland liggen op een afstand van ca. 125 m ten oosten van het plangebied. Gelet op de aard van de werkzaamheden en de beoogde situatie is van externe working op omiiggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Soortenbescherming Met voorliggende plan wordt er geen bebouwing gesloopt. De werkzaamheden die plaatsvinden met de herontwikkeling van het voormalige woon-zorgcomplex zullen voornamelijk inpandig zijn. Het aantasten of verstoren van mogelijk aanwezige schuil- en of verblijfsplaatsen van beschermde soorten is daarmee uitgesloten. Met de herontwikkeling van het gebouw worden nestmogelijkheden voor vieermuizen en

23

gierzwaluwen toegevoegd. Tijdens de herontwikkeling dient de Algemene zorgplicht nageleefd te worden. Dit betekent met name geen werkzaamheden of materieel / materiaal opslag in en in de directe nabijheid van de bosrand. Tijdens het werk dient een hekwerk geplaatst te worden om deze rand te beschermen.

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is een van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invioed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden ais basis voor toestemming voor 'activiteiten'. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe AERIUS Calculator van oktober 2020 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Voor de beoogde ontwikkeling is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (6 mei 2020, Buro SRO, zie biilagen bii toelichtine biilage 1). In deze berekening zijn zowel de gebruiksfase als de bouwfase meegenomen.

Per 1 juli 2021 geldt er een generieke vrijstelling voor de bouwfase. Uit de uitgevoerde berekening blijkt dat er geen verschillen in depositie hoger dan 0,00 mol/ha/j op de omiiggende Natura 2000-gebieden zijn. Een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming is dan ook niet noodzakelijk.

Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect ecologie geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde ontwikkeling. Wel blijft de algemene zorgplicht van toepassing. Dit betekent met name dat er geen werkzaamheden of materieel / materiaal opslag mag plaatsvinden in en in de directe nabijheid van de bosrand. Tijdens het werk dient een hekwerk geplaatst te worden om deze rand te beschermen.

4.4 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in working treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs meet vermoeden dat het een archeologische vondst bet reft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.

24

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Beleid gemeente Arnhem De gemeente Arnhem beschikt over een archeologische verwachtingskaart die inzicht geven in de mate waarin archeologische resten in aangetroffen kunnen worden. In de Erfgoedverordening gemeente Arnhem 2017 is opgenomen waar en vanaf welke verstoringsoppervlakten en -diepten archeologisch onderzoek geldt. Hiervoor geldt het volgende:

in archeologisch waardevolle gebieden (buiten monumenten) dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 30 m2; in gebieden met een hoge archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 200 m2; in gebieden met een middelhoge archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 500 m2; in gebieden met een lage archeologische verwachting dieper dan 40 cm-maaiveld reiken en groter zijn dan 2000 m2. Planspecifiek In de geldende bestemmingsplan zijn de gronden van het plangebied voorzien van de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie (middelhoge verwachting)' en 'Waarde - Archeologie (hoge verwachting)'. Echter kent dit specifieke gebied een lage archeologische verwachting doordat het terrein in het verleden is afgegraven. Een booronderzoek uit 2013 (Evert Boshoven; Arnhem Plangebied Kloosterstraat, Bureauonderzoek en Inventariserend veldonderzoek (karterende fase), BAAC rapport V08.0152 mei 2008) heeft dat aangetoond. Daarnaast hanteert de gemeente Arnhem ook een W02 verwachtings- en waardenkaart en daarop is te zien dat er loopgraven door het plangebied lopen.

Het advies vanuit de vakgroep Archeologie van de gemeente Arnhem luidt dan ook dat voor de transformatie geen archeologisch vervolgonderzoek nodig is Geconcluderend kan gesteld worden dat aangezien er met de herontwikkeling gebruik gemaakt wordt van bestaande bebouwing vinden er geen bodemingrepen plaats die de normen overschrijden. Met het realiseren van de nieuwe parkeerplaatsen, waarbij gebruik gemaakt wordt van bijvoorbeeld split (halfverharding), vinden er ook geen bodemingrepen plaats van dieper dan 40 cm. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is derhalve niet noodzakelijk.

4.5 Cultuurhistorie Door recente wijzigingen in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is sinds 1 januari 2012 het opnemen van een cultuurhistorische paragraaf verplicht. In de toelichting van het bestemmingsplan dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden. De opsteller en vaststeller van het bestemmingsplan is daarmee dus verplicht om breder te kijken dan alleen naar het facet archeologie. Ook de facetten historische (stede)bouwkunde en historische geografie dienen te worden meegenomen in de belangenafweging. Hierbij gaat het om zowel beschermde als niet formeel beschermde objecten en structuren.

Planspecifiek Het voormalige woon-zorgcomplex betreft geen rijks- of gemeentelijk monument. Tevens zijn er in de directe omgeving van het plangebied geen rijksmonumentale of gemeentelijke monumenten aanwezig. Wei ligt het gebouw aan de rand van het rijksbeschermde stadsgezicht 'Geitenkamp'. Gelet op de beperkte wijzigingen aan het gebouw kan gesteld worden dat de impact minimaai is ten opzichte van het naastgelegen beschermde stadsgezicht.

Het aspect cultuurhistorie vormt dan ook geen belemmeringen voor de beoogde herontwikkeling van het voormalige woon-zorgcomplex.

25

4.6 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geiuidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh): woningen;

geiuidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen);

andere geiuidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven). Het beschermen van deze geiuidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Wegverkeerlawaai Het plangebied bevindt zich op een afstand van ca. 100 m van de rijksweg A12. Met de voorgenomen herontwikkeling worden geluidgevoelige objecten zoals bedoeld in de Wet geluidhinder (Wgh) mogelijk gemaakt, namelijk woningen. Echter zijn woon-zorgappartementen net als woningen ook geluidgevoelige objecten volgens de Wgh. Met de functiewijziging worden dan ook geen nieuwe geiuidsgevoelige objecten toegevoegd en is een akoestisch onderzoek naar wegverkeerlawaai niet noodzakelijk.

Spoorweglawaai De meest nabijgelegen spoorlijn ligt op een afstand van ca. 950 m ten zuiden van het plangebied. Hiermee ligt het plangebied niet binnen de onderzoekszone van een spoorlijn. Een akoestisch onderzoek naar spoorweglawaai is dan ook niet nodig.

Industrielawaai Er is geen geluidgezoneerd industrieterrein in de omgeving van het plangebied, waarmee een akoestisch onderzoek naar industrielawaai niet noodzakelijk is.

Geconcludeerd kan worden dat het aspect geluid geen herontwikkeling van het plangebied.

belemmeringen veroorzaakt voor de

4.7 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. De bodemkwaliteit kan namelijk van invioed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een Strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.

26

I I I I I I I I I I I I I I I I I I

I I I

I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I I

Planspecifiek Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening meet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde gebruik. In de huidige situatie zijn de gronden bestemd als 'Maatschappelijk'. Voorheen werd het gebouw bewoond door personen met een zorgbehoefte. In de huidige situatie staat het gebouw leeg.

In de toekomstige situatie worden de gronden voorzien van een woonbestemming. De gronden zullen in de toekomstige situatie, net als in de huidige situatie, bewoond worden. Hiermee vindt erfeitelijk gezien geen verandering in het bodemgebruik plaats. Daarnaast vinden er met voorliggend initiatief nauwelijks werkzaamheden plaats waarbij de grond geroerd wordt. Het uitvoeren van een bodemonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Geconcludeerd kan worden dat het aspect bodem geen belemmeringen veroorzaakt voor de beoogde herontwikkeling.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Arnhem&id=828a8be9-958f-4360-81db-17878d123382