TKN 1 - Ruimtelijke Ordening (30) 2. nota vooroverleg BP en MER Strandeiland V_def_incl bijlagen.pdf
Tekst van het document
30
VMA 3.0, hetgeen mogelijk beter aansluit op de te verwachten toekomstige verkeerssituatie. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan een variant voor de mobiliteitsontwikkeling te ontwikkelen en te onderzoeken of daarmee de doelstelling van vermindering van het autoverkeer wél kan
35
worden bereikt. Gebruik daarbij bij voorkeur het VMA 3.0-model, zodat de toekomstige monitoring hier direct aan kan worden gekoppeld. Geef een inschatting welke gezondheidswinst met deze variant bereikt via de samenhangende verbetering van de luchtkwaliteit en vermindering van de geluidbelasting.
40
Naast de in de MER betrokken beoordelingscriteria voor verkeer is ook de (regionale) bereikbaarheid in relatie tot de mobiliteitskeuzen en het bereiken van de mobiliteitsdoelen van betekenis. Denk aan de mate waarin vanuit Strandeiland arbeidsplaatsen in de regio per openbaar vervoer, auto of fiets binnen bepaalde tijdsklassen bereikbaar zijn, hoeveel toekomstige bewoners binnen bijvoorbeeld een half uur met het openbaar
45
7
vervoer gebieden de (binnen)stad kunnen bereiken, en het aantal mensen dat gebruik maakt
Bestemmingsplan, bijlage 4.
-5-
3401 ts Eindconcept toetsingsadvies 11 september 2020 van de verschillende vervoersmodaliteiten. Onderzoek naar deze geografische bereikbaarheid geeft breed inzicht in verplaatsingsgedrag en de mogelijke bereikbaarheidsknelpunten buiten het plangebied en ook bij andere wegbeheerders. De Commissie adviseert om in verdere uitwerking van de plannen deze vorm van bereikbaarheid nader te onderzoeken en de 5
resultaten te betrekken bij de verdere planvorming voor regionale en lokale mobiliteits- en bereikbaarheidsmaatregelen. In het MER is aandacht gegeven aan doorstroming en verkeersafwikkeling op Strandeiland en de toeleidende wegenstructuren. Voor de belangrijkste kruispunten is de verkeersafwikkeling
10
voor de referentie, fase 1 en fase 2 in beeld gebracht door middel van IC-verhoudingen. Daaruit blijkt dat zowel in de ochtendspits als de avondspits en zowel in de referentiesituatie, fase 1, als fase 2 overbelasting op een aantal kruispunten zal plaatsvinden. Hierbij is opgemerkt dat die overbelasting door verkeersregeltechnische maatregelen opgelost kan worden. Dit is echter in het MER niet aannemelijk gemaakt. Bovendien is de kwaliteit van de
15
afwikkeling op de totale streng van elf kruispunten niet onderzocht. Een ernstige overbelasting op één van de kruispunten kan immers op de gehele route een grote negatieve doorwerking op de doorstroming hebben. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het
20
bestemmingsplan de toekomstige doorstroming op de totale route van de A10 in het noordwesten tot de A9 in het zuidoosten in een dynamische verkeerssimulatie te onderzoeken en de noodzakelijke maatregelen voor een goede verkeersafwikkeling in beeld te brengen.
2.2.3 25
Leefomgeving en gezondheid In het MER zijn de effecten van het voornemen voor de geluidbelasting, de luchtkwaliteit, externe veiligheid beschreven. De reguliere wettelijke grenswaarden voor geluidbelasting en luchtkwaliteit worden als beoordelingskader gebruikt (Wet geluidhinder, respectievelijk Wet milieubeheer). Hoewel de gezondheidskundige advieswaarden voor geluid en lucht van de WHO niet specifiek vermeld zijn wordt via een GES-score wel inzicht gegeven in de
30
(negatieve) effecten onder de reguliere wettelijke grenswaarden voor geluid en lucht. Ook zijn in het MER mogelijkheden beschreven om via ruimtelijke inrichting een gezonde leefomgeving te bevorderen. De Commissie signaleert dat als gevolg van het voornemen bestaande woningen met een
35
geluidbelasting boven de 73 dB in aantal toenemen. Dit is in het MER niet beschouwd. En deze categorie woningen komt ook ten onrechte ook niet terug komt als GES-score 8 (‘zeer onvoldoende’). In het MER en het bestemmingsplan zijn ook geen maatregelen genoemd welke genomen moeten worden om bij bestaande woningen aan de ontheffingswaarde van de Wet geluidhinder (63 dB) te kunnen voldoen.
40 De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan aan te geven welke maatregelen bij bestaande woningen nodig zijn om aan de ontheffingswaarde van de Wet geluidhinder te kunnen voldoen. 45
De Commissie constateert in de beschrijving van de gevolgen voor de leefomgeving en
-6-
3401 ts Eindconcept toetsingsadvies 11 september 2020 gezondheid nog de volgende inconsistenties en onjuistheden: •
de in het MER vermelde grenswaarden voor geluid in de avond en nacht komen niet overeen met die opgenomen in het Activiteitenbesluit. Deze normen bedragen in werkelijkheid 45 respectievelijk 40 dB(A). De effectbeoordeling en de daaruit getrokken
5
conclusies worden hier echter niet door beïnvloed; •
in het MER is aangegeven dat industrie (bedrijvigheid) alleen is toegestaan als uit onderzoek blijkt dat er in de periode 07.00-19.00 uur de geluidbelasting op de gevel van gevoelige objecten niet meer bedraagt dan 50 dB(A). Niet is aangegeven wat geldt tussen 19.00-07.00 uur. In de regels van het bestemmingsplan staat overigens dat genoemde
10
norm geldt voor het gehele etmaal, zonder onderzoeksplicht; •
de gevolgen van het voornemen voor de luchtkwaliteit zijn (beperkt) negatief maar worden uiteindelijk toch als in de tekst als ‘neutraal’ beoordeeld omdat de grenswaarden uit de Wet milieubeheer niet worden overschreden. Dit is niet consistent en bij een neutrale beoordeling past de kanttekening dat niet voldaan wordt aan de
15
gezondheidskundige advieswaarden voor luchtkwaliteit van de WHO; •
in het MER (pagina 125) staat aangegeven dat ongeveer 9% van de bestaande woningen op IJburg in de referentiesituatie te maken krijgen met een geluidbelasting van meer dan 63 dB als gevolg van de uitvoering van het bestemmingsplan uit 2009 en dus hinder ondervinden. De term ‘hinder’ acht de Commissie in dit verband niet correct. Het gaat
20
hier om het Maximaal Toelaatbaar Risico (MTR). De Commissie beveelt aan bij de besluitvorming bovenstaande observaties te betrekken.
2.2.4
Natuur De Commissie signaleert dat in het MER de gevolgen voor de natuur en Natura 2000gebieden vooral kwalitatief zijn ingeschat en dat kwantitatieve analyses van de effecten
25
nagenoeg ontbreken. Zo wordt bijvoorbeeld verondersteld dat de aanleg van de oeverzone zal leiden tot meer waterplanten en meer vis, en dus tot meer foerageergebieden voor visetende watervogels, zoals visdief, zwarte stern, nonnetje en aalscholver. Er ontbreken echter studies uit het IJsselmeergebied waaruit blijkt dat deze veronderstelling klopt. De Commissie is van oordeel dat het omgekeerde ook beredeneerd kan worden, namelijk dat
30
een toename van helder water, moerasvegetatie en waterplanten tot een afname leidt aan spiering, wat een belangrijke prooisoort is voor onder andere visdief, zwarte stern, nonnetje en zaagbek die leeft in open water zonder waterplanten, en daarmee een afname van geschikt leefgebied voor deze soorten. De conclusie dat de aanleg van de oeverzone een positief effect heeft op genoemde visetende watervogels acht de Commissie dan ook
35
onvoldoende onderbouwd. Ook wordt verondersteld dat extra verstoring door geluid en beweging als gevolg van de toename van bootverkeer en recreatie op het IJmeer, Gooimeer, Eemmeer en IJsselmeer, en het op termijn wellicht ook instellen van kitesurfzones8, geen invloed heeft op de
40
aanwezigheid van watervogels. Dit omdat er weinig overlap zou zijn tussen het vaar- en recreatieseizoen en de aanwezigheid van watervogels. De Commissie constateert dat daarbij niet is ingegaan of de schaarsheid van watervogels in juli-oktober en april-mei in de huidige situatie mogelijk het gevolg is van de waterrecreatie in de huidige situatie. Als dat het geval is, kan een verdere toename van vaarverkeer, naar het oordeel van de Commissie, namelijk
45
8
wel degelijk tot een significant negatief effect leiden. Tot deze conclusie komt Alterra ook in In het bestemmingsplan is aangegeven dat samen met betrokken organisaties nader onderzoek zal plaatsvinden naar de mogelijkheden om tijdelijk dan wel definitief ruimte te bieden aan kitesurfen op IJburg 2.
-7-
3401 ts Eindconcept toetsingsadvies 11 september 2020 een eerdere studie van de effecten van de uitbreiding van jachthavens waar het vaarkerkeer gemodelleerd is ten opzichte van de verspreiding en aantallen vogels. Zo zijn de piekaantallen van beschermde soorten aanwezig na afloop van het broedseizoen van mei tot en met juli. Dat overlapt behoorlijk met het vaarseizoen.9 Daar komt bij dat de Commissie 5
signaleert dat de waterrecreatiesector het seizoen graag nog verlengd ziet. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER en voordat besloten wordt over het bestemmingsplan onderzoek te doen naar de mogelijke gevolgen van de aanleg van de oeverzone en van extra bootverkeer en recreatie voor (beschermde) habitats en soorten.
10
Presenteer daarbij kaarten met de ligging van de verschillende habitats en de verspreiding van vogelaantallen in het studiegebied, als ook waar welke type en hoeveel recreatie zal plaatsvinden. Beschouw welke habitats en populaties, waar doelen voor gelden, beïnvloed kunnen worden door recreatie, en of voor deze habitats en soorten een behoud- of verbeterdoelstelling geldt. Maak in de presentatie helder onderscheid tussen de effecten zelf
15
en de beoordeling daarvan. Onderbouw dat met mitigerende maatregelen negatieve effecten zodanig beperkt kunnen worden dat er geen effecten resteren die de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staan, dan wel de zogeheten ADC-toets met succes doorlopen kan worden.10 De Commissie signaleert dat in het MER niet is beschreven hoe het rietmoeras dat wordt
20
aangelegd het beste gerealiseerd kan worden met de huidige graasdruk van grauwe ganzen in de Bocht om de Oost. Zij beveelt aan om bij verdere uitwerking van de plannen hier aandacht aan te geven.
Monitoring en evaluatie In het MER is op hoofdlijnen inzicht gegeven in de wijze en frequentie van monitoren en 25
evalueren van de daadwerkelijke effecten en het doelbereik van het voornemen. Wanneer blijkt dat effecten anders zijn dan verwacht of doelen niet bereikt worden, kan vervolgens bijgestuurd worden. De monitoring is specifiek gericht op de ambities wat betreft duurzaamheid, mobiliteit, leefomgeving en gezondheid en natuur. De Commissie adviseert, aanvullend op wat al is aangegeven in het MER, ook de effecten van recreatie op de
30
natuurwaarden te monitoren en te evalueren.
9
http://www2.alterra.wur.nl/Webdocs/PDFFiles/Alterrarapporten/AlterraRapport1363.pdf
10
De Commissie merkt in dit verband op dat in het MER geregeld geconstateerd wordt dat er een effect is, dat vervolgens kwalitatief wordt weggeredeneerd tot ‘minimaal effect’ en vervolgens wordt beoordeeld als ‘geen effect’ Een voorbeeld hiervan is te vinden op pagina 77 van het MER waar is aangegeven: ‘In de winter is de waterrecreatie beduidend minder dan
in de zomerperiode. Verstoring in de winter kan mogelijk worden tegengegaan door de bovengenoemde inrichtingsmaatregelen. Door de bovengenoemde preventieve maatregelen worden effecten beperkt. Op basis van de Voortoets kan het optreden van significante negatieve effecten op verschillende watervogels worden uitgesloten. Met het nemen van de preventieve maatregelen worden de effecten op de overwinterende watervogels beperkt en is er geen significant negatief effect.’ Hier staat dus aangegeven dat verstoring mogelijk kan worden tegengegaan. Daarbij is onduidelijk of hier consensus over is dan wel het effect ervan onzeker is. Vervolgens wordt geconcludeerd dat de effecten worden beperkt, maar hoe groot het resterende effect is, wordt niet vermeld. Daarna volgt de conclusie dat er geen significant effect is waarbij dus onduidelijk is waar dit op gebaseerd is. In de bijbehorende samenvattende tabel (tabel 6.6) staat vervolgens dat er überhaupt geen effect is. De Commissie acht het altijd noodzakelijk de geconstateerde en na mitigerende maatregelen resterende effecten te vermelden, en een goed onderbouwd oordeel te geven van de juridische of beleidsmatige consequenties daarvan.
-8-