TK Bijlage I - Rapportage Tussenevaluatie LVV
Tekst van het document
Samen werken aan bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang
Tussenevaluatie pilot Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen
Niels Hermens Merel Kahmann Jorien van Treeck Micky Out Marjan de Gruijter
Inhoud Samenvatting3 1
Inleiding 1.1. Achtergrond 1.2. Programma Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen 1.3. Tussenevaluatie pilot LVV 1.4. Context 1.5. Leeswijzer
12 12 12 15 16 18
5 Conclusie 5.1. De vreemdelingen in de LVV 5.2. De uitvoering van de pilot 5.3. Samenwerking binnen de LVV 5.4. Effecten van de LVV 5.5. Slotbeschouwing
58 58 58 62 64 66
Literatuur68
2 Aanpak van dit onderzoek 2.1. Dataverzameling 2.2. Analyse
19 19 23
Bijlage 1 LVV Amsterdam69 Bijlage 2 LVV Eindhoven
81
3 De LVV Populatie 3.1. Achtergrondkenmerken 3.2. Verhalen van de deelnemende vreemdelingen 3.3. Ervaringen met de begeleiding binnen de LVV 3.4. Uitstroom van vreemdelingen uit de LVV
26 26 27 30 31
Bijlage 3 LVV Groningen
93
Bijlage 4 LVV Rotterdam
103
Bijlage 5 LVV Utrecht
114
4 Bevindingen uit de pilots 4.1. LVV Amsterdam 4.2. LVV Eindhoven 4.3. LVV Groningen 4.4. LVV Rotterdam 4.5. LVV Utrecht 4.6. Begeleiding en uitstroom: vergelijkende analyse
33 33 38 42 46 51 55
Bijlage 6 Respondenten
124
Bijlage 7 Samenstelling begeleidingscommissie
126
2
Samenvatting Inleiding Naar schatting leven in Nederland tussen de 18 en 27 duizend vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang.1 Doordat het Rijk en gemeenten de opvang en begeleiding van deze groep vreemdelingen vanuit andere perspectieven benaderen, vinden over dit vraagstuk op bestuursniveau stevige discussies plaats.2 Het Rijk benadert dit vraagstuk vanuit een juridisch perspectief en concentreert zich dus op vertrek of legalisering, terwijl gemeenten het hoofdzakelijk benaderen vanuit het perspectief van openbare orde en veiligheid. Na een lange voorgeschiedenis hebben het Rijk en gemeenten in 2018 een bestuursakkoord gesloten over de opvang en begeleiding van vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Het resultaat hiervan was de ontwikkeling van het programma Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV). Dit is een samenwerking tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV), de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG), de gemeenten Amsterdam, Rotterdam, Utrecht, Eindhoven en Groningen, en drie ketenpartners in de migratieketen: de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND),
1
Heijden, van der P.G.M., Cruyff, M.J.L.F., Engbersen, G.B.M. & Gils, van G.H.C. (2020). Schattingen onrechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen 2017 – 2018.
de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel van de Nationale Politie (AVIM). Het doel van het programma LVV is het ontwikkelen van een landelijk dekkend netwerk van LVV’s. In de LVV’s werken lokale maatschappelijke organisaties en de landelijke ketenpartners onder regie van de gemeente samen aan het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Met bestendige oplossingen wordt bedoeld: terugkeer naar het land van herkomst, doormigratie naar een derde land waar permanent verblijf gewaarborgd is, en, indien dit tot de mogelijkheden behoort, legalisering van verblijf in Nederland. Sinds medio 2019 zijn in de vijf gemeenten LVV pilots gestart om de juiste aanpak, structuur en wijze van samenwerken binnen de LVV’s te ontwikkelen. Voor iedere gemeentelijke pilot hebben het ministerie van JenV, de betreffende gemeente en de drie landelijke ketenpartners een convenant ondertekend. In de convenanten staan afspraken over het doel van de pilot, de doelgroep van de LVV en de rollen van de verschillende partijen. Een groot deel van de opvang en begeleiding van de vreemdelingen in de pilot wordt uitgevoerd door lokale maatschappelijke organisaties. De maatschappelijke organisaties waren niet betrokken bij het opstellen en ondertekenen van het convenant.
2 Winter, H., Bex-Reimert, V., Geertsema, B. en E. Krol (2018). Onderdak en opvang door Rijk en gemeenten van vertrekplichtige vreemdelingen en de invloed daarvan op terugkeer. Groningen: Pro-facto.
3
Tussenevaluatie pilot LVV Het ministerie van JenV wil weten hoe het werken in de LVV’s verloopt, wat de meerwaarde ervan is en welke lessen er te trekken zijn over hoe binnen de LVV’s te werken aan het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Daarom heeft het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) aan het Verwey-Jonker Instituut de opdracht gegeven om een tussenevaluatie uit te voeren naar de voortgang en tussentijdse effecten van de LVV-pilot. Het doel van de tussenevaluatie is om inzicht te bieden in: 1.
2. 3.
De uitvoering van de pilot LVV, waaronder de begeleiding van vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang en de samenwerking in de vijf pilotgemeenten. De effectiviteit en ervaren meerwaarde van de LVV, en de mate waarin de doelen binnen de pilot LVV zijn gerealiseerd. De geleerde lessen over hoe binnen de LVV’s succesvol te werken aan een bestendige oplossing voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang in Nederland.
Aanpak van de tussenevaluatie De tussenevaluatie van de LVV is uitgevoerd in de vorm van een mixed method studie. Dit wil zeggen dat voor de beantwoording van de onderzoeksvragen verschillende typen data zijn verzameld. Om een beeld te krijgen van de wijze waarop het programma LVV landelijk en lokaal is georganiseerd, en van de opvang en begeleiding binnen de gemeentelijke pilots, hebben we documenten over de landelijke en gemeentelijke afspraken en werkwijzen geanalyseerd. Via 25 individuele interviews met landelijke en lokale stakeholders, 9 groepsinterviews met uitvoerende professionals vanuit de maatschappelijke organisaties en de ketenpartners op lokaal niveau en 23 individuele interviews met vreemdelingen hebben we een beeld gekregen van de uitvoering van de
gemeentelijke pilots en de ervaren meerwaarde van de LVV. Verder hebben we observaties gehouden bij in totaal 7 gemeentelijke overleggen: twee lokale stuurgroepen en vijf lokale casusoverleggen (LSO’s). Het doel hiervan was om een beeld te krijgen van de samenwerking tussen de stakeholders in de gemeentelijke pilots, van hoe de gemeenten hun regierol vervullen en van hoe beslissingen worden genomen over de instroom, het begeleidingsscenario en de voortgang van de vreemdelingen in de LVV. Om informatie te kunnen geven over de achtergrondkenmerken, de begeleidingstrajecten en de uitstroom van de vreemdelingen in de LVV hebben we cijfermatige informatie verkregen vanuit de gemeentelijke projectleiders en de IND. Omdat de bezetting van de LVV’s fluctueert, hebben we voor de cijfermatige analyse een peildatum gehanteerd, namelijk 1 november 2020. Dit betekent dat we in dit onderzoek alleen informatie presenteren over de in- en uitstroom tot 1 november 2020. De analyse bestond uit een paar stappen. Eerst hebben we per gemeentelijke pilot de onderzoeksvragen over de uitvoering en de effectiviteit van de LVV beantwoord. Daarna is per gemeentelijke pilot een expertmeeting gehouden met de lokale stuurgroep om de eerste bevindingen te toetsen en verder aan te scherpen.
Na de analyse per gemeentelijke pilot hebben we een analyse op programmaniveau gedaan, waarbij we vergelijkingen hebben gemaakt tussen de vijf pilots. In dit verband vond ook een landelijke expertmeeting plaats met vertegenwoordigers van het ministerie van JenV, VNG, DT&V, IND en AVIM, en de gemeentelijke projectleiders. Ook deze expertmeeting had als doel om bevindingen te toetsen en verder aan te scherpen. Na de landelijke expertmeeting hebben wij de rapportage geschreven. Deze is op verschillende momenten besproken met de door het WODC voor dit onderzoek aangestelde begeleidingscommissie. Tussentijds zijn de resultatenhoofdstukken ter controle op feitelijke onjuistheden voorgelegd aan de gemeentelijke projectleiders en vertegenwoordigers van de IND, DT&V en VNG.
4
De pilots
Tabel s1. Capaciteit van de pilots en bezettingsgraad op 1 november 2020
Iedere lokale pilot heeft een lokaal casusoverleg (LSO), waarin de maatschappelijke organisaties, de ketenpartners en de gemeente gezamenlijk beslissingen nemen over de toelating, opvang, begeleiding en voortgang van vreemdelingen in de LVV. Het aantal maatschappelijke organisaties dat deelneemt aan het LSO verschilt per pilot. Van twee maatschappelijke organisaties in de Groningse pilot tot dertien in de Amsterdamse pilot.
Pilot
Naast het LSO kent iedere gemeentelijke pilot een stuurgroep die onder voorzitterschap van de gemeente de voortgang van de gemeentelijke pilot als geheel bewaakt. In de lokale stuurgroep zitten naast de gemeente ook de landelijke ketenpartners en (een vertegenwoordiging van) de betrokken maatschappelijke organisaties. De vreemdelingen in de LVV In totaal kregen tot 1 november 2020 1298 vreemdelingen opvang en begeleiding bij een van de vijf pilots. 537 van hen hebben inmiddels de LVV verlaten. Dit betekent dat op 1 november 2020 in de vijf pilots tezamen 761 vreemdelingen opvang en begeleiding ontvingen. In tabel s1 is te zien dat op 1 november 2020 de bezettingsgraad per pilot verschilde. In de pilots in Rotterdam en Eindhoven waren op dat moment minder dan de helft van de plekken bezet. In Rotterdam heeft dit te maken met dat in die pilot een relatief selecte groep vreemdelingen wordt toegelaten tot de LVV, namelijk mensen met een duidelijke terugkeerwens en mensen die door veranderde omstandigheden naar verwachting recht hebben op een verblijfsvergunning. In Eindhoven heeft de lage bezettingsgraad onder andere te maken met de blijvende aanwezigheid van een bed-bad-brood voorziening (BBB). Op 1 november 2020 kregen in Eindhoven naast de 57 mensen in de LVV ook nog 66 andere vreemdelingen opvang in de BBB.
Capaciteit
Bezetting (bezettingsgraad)
Amsterdam
360
292 (81%)
Eindhoven
130
57 (44%)
Groningen
300
204 (68%)
Rotterdam
117
39 (33%)
Utrecht
235
169 (72%)
Driekwart van de vreemdelingen die in de LVV terechtkomen, is man. Qua leeftijd is de grootste groep tussen de 26 en 45 jaar oud. De gemiddelde leeftijd is 37,7 jaar. De helft van de vreemdelingen komt uit een land in de regio Sub-Sahara-Afrika, 26 procent uit het Midden-Oosten en 11 procent uit een land in Azië, exclusief het Midden-Oosten. De rest is afkomstig uit een NoordAfrikaans of Latijns-Amerikaans land, of is staatloos. Veel van de vreemdelingen waren bij toelating tot de LVV al geruime tijd in Nederland: gemiddeld genomen zat er 7,7 jaar tussen de eerste aanvraag bij de IND en de toelating tot de LVV. Uit onze gesprekken met maatschappelijke organisaties en de vreemdelingen zelf blijkt dat het grootste deel van de vreemdelingen in de LVV het lastig vindt om te praten over terugkeer naar het land van herkomst. Verder blijkt dat het voor veel deelnemers niet altijd duidelijk is met welke partijen zij in het kader van de LVV te maken kunnen krijgen, ondanks dat zij hier wel over worden geïnformeerd. Dit is mogelijk te verklaren door het feit dat de leefwereld van de vreemdelingen en de systeemwereld van de organisaties in Nederland ver uit elkaar liggen. Bevindingen over de uitvoering van de pilot De toelating verloopt in de vijf pilots ongeveer via dezelfde stappen. Vreemdelingen melden zich bij een gemeentelijk loket of worden aangemeld 5
door een van de partijen in het LSO. Vervolgens vindt een controle plaats of een vreemdeling voldoet aan de toelatingscriteria en volgt een intakegesprek met de vreemdeling. Lokale pilots variëren wat betreft de organisatie die de controle uitvoert en wie het intakegesprek voert. Het intakeproces wordt in ieder van de vijf pilots op een andere wijze vormgegeven. De verschillen hebben betrekking op de rollen van betrokken partijen. Zo wordt in twee van de vijf pilots de AVIM ingezet voor een identiteitsonderzoek, om daarmee te voorkómen dat identiteitsfraude in een later stadium aan het licht komt. In Amsterdam werd hierdoor duidelijk dat bij zes deelnemers (ongeveer 2 procent) sprake was van identiteitsfraude. In de andere pilots wordt niet standaard een identiteitsonderzoek gedaan door de AVIM. De pilots verschillen ook in de wijze waarop zij in het intakeproces de gezondheidssituatie van nieuw tot de LVV toegelaten vreemdelingen in kaart brengen. In drie van de vijf pilots is dit een taak van de betrokken maatschappelijke organisaties. In twee pilots brengt de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) de gezondheidssituatie in kaart. De pilots verschillen voorts in de wijze waarop en wanneer zij een juridische check uitvoeren om vast te stellen of een vreemdeling kans heeft op legalisering van het verblijf.
In vier pilots doen een of meerdere maatschappelijke organisaties de juridische check en bespreken zij de uitkomst hiervan in het LSO met de gemeente en de ketenpartners. In één pilot voeren maatschappelijke organisaties de juridische check uit, maar worden de bevindingen hiervan niet altijd gedeeld in het LSO. En in de meeste pilots vindt de juridische check plaats in de eerste maand, maar in één van de pilots kan het een half jaar duren voordat deze check heeft plaatsgevonden. De gemeenten en maatschappelijke organisaties benadrukken dat het belangrijk is om grondige juridische checks uit te voeren. De opvang en begeleiding van de vreemdelingen wordt in de pilots op diverse wijzen ingevuld, hoewel er ook veel overeenkomsten bestaan. Er is 24-uursopvang,
maar ook avond- en nachtopvang en leefgeldregelingen. Maatschappelijke organisaties en vreemdelingen stellen dat 24-uursopvang voor de vreemdelingen een noodzakelijke voorwaarde is om tot rust te komen en zo vanuit een goede basis het gesprek over de best passende oplossing in te gaan. Deze gesprekken zijn in iedere pilot de kern van de begeleiding. In alle pilots proberen de betrokken partijen de persoonlijke situatie van de vreemdelingen te stabiliseren. Dit gebeurt via de opvang, via gesprekken met de vreemdelingen en via begeleiding bij medische en/of psychische problematiek. Ook is het in alle pilots onderdeel van de begeleiding dat de maatschappelijke organisaties de vreemdelingen proberen te stimuleren om meer regie te nemen over hun eigen leven. De gedachte hierachter is dat de vreemdelingen hierdoor beter in staat zullen zijn om beslissingen te nemen over de eigen toekomst. Van de 761 vreemdelingen die op 1 november 2020 opvang en begeleiding kregen in een van de vijf LVV’s, ontvingen er 322 (42%) begeleiding gericht op legalisering, 238 (31%) begeleiding gericht op terugkeer naar het land van herkomst en vijf begeleiding gericht op doormigratie naar een derde land. Voor 190 vreemdelingen (25%) was het begeleidingsscenario nog niet opgesteld.
In deze gevallen hadden de betrokken partijen blijkbaar veel tijd nodig om een beslissing te kunnen nemen over het best passende begeleidingsscenario. Bij zes vreemdelingen was de medische problematiek dusdanig dat hun medische situatie eerst moest worden gestabiliseerd, om alvorens over te kunnen gaan op het bepalen van het begeleidingsscenario. Discretionaire bevoegdheid, opschaling MRT en ontwikkelopgaven Twee onderwerpen waar we in deze tussenevaluatie naar hebben gekeken, zijn het afschaffen van de discretionaire bevoegdheid en de opschaling naar het Multidisciplinair Review Team (MRT). Tot 1 mei 2019 kon de staatssecretaris van JenV in schrijnende gevallen via de discretionaire bevoegdheid een verblijfsvergunning verlenen. Het ontbreken van deze mogelijkheid wordt door de maatschappelijke organisaties en de gemeenten als een belemmering gezien 6
voor het kunnen bereiken van een bestendige oplossing in de vorm van een verblijfsvergunning. Op basis van de voor deze tussenevaluatie verzamelde data is het echter niet mogelijk om een inschatting te maken van het aantal vreemdelingen in de LVV’s voor wie de discretionaire bevoegdheid van de staatsecretaris geleid zou kunnen hebben tot een verblijfsvergunning. Bij casussen waarover het LSO geen overeenstemming bereikt over een bestendige oplossing, bestaat nog wel de mogelijkheid tot opschaling naar het MRT. Tot 1 november 2020 is dit vanuit de vijf pilots tezamen in totaal 10 keer gebeurd. In de ervaring van de gemeenten en de maatschappelijke organisaties heeft dit in alle tien de gevallen niet geleid tot nieuwe inzichten voor het bereiken van een bestendige oplossing, en dus ook niet tot doorbraken in vastgelopen trajecten. In de pilot LVV was voorzien dat de lokale pilots zouden werken aan één of enkele ontwikkelopgaven. Dit zijn onderwerpen die binnen meerdere LVV’s spelen en waarover de betrokkenen op programmaniveau meer willen leren tijdens de pilotperiode. We constateren dat de pilots nog beperkt zijn toegekomen aan het werken aan de ontwikkelopgaven. Hetzelfde geldt voor het vormgeven van de regionale functie die de LVV’s uiteindelijk moeten gaan vervullen.
De belangrijkste verklaring hiervoor is dat de betrokken partijen zich eerst hebben geconcentreerd op het opzetten van de samenwerking en het implementeren van de werkprocessen binnen de LVV’s. De pilots hebben ook gewerkt aan standaardisering van de werkwijze en registratie. Er is geen centraal registratiesysteem voor de LVV pilots en in de loop van de pilot ontstond hier bij de gemeenten wel behoefte aan. Een ontwikkelopgave waar meerdere pilots al wel in hebben geïnvesteerd, is ‘activering van de vreemdelingen’. Dit gebeurt bijvoorbeeld via vrijetijdsactiviteiten, cursussen, opleidingen en stages. Bij de cursussen, opleidingen en stages lopen de betrokken partijen tegen weten regelgeving aan die dit niet mogelijk maakt of die het onmogelijk maakt om deelnemers officiële certificaten en diploma’s te geven. Wanneer deelnemers geen officiële certificaat of diploma kunnen krijgen, vermindert dit in de
ervaring van de maatschappelijke organisaties en de gemeenten hun motivatie voor deelname aan een cursus of opleiding. Bevindingen over de samenwerking binnen de LVV Deze tussenevaluatie laat zien dat binnen alle gemeentelijke pilots de samenwerking tussen de betrokken partijen is verbeterd. Over het geheel gezien hebben de partijen elkaar beter leren kennen, is er meer onderling vertrouwen ontstaan en gaan partijen meer gezamenlijk op zoek naar bestendige oplossingen. Er zijn ook verschillen tussen de pilots in de wijze waarop de samenwerking verloopt. Dit heeft onder andere te maken met het aantal maatschappelijke organisaties in een stad. Uit ons onderzoek blijkt dat hoe groter het aantal maatschappelijk organisaties, hoe lastiger het is om binnen afzienbare tijd in het LSO besluiten te nemen over in te zetten begeleidingstrajecten en de voortgang van vreemdelingen. In deze tussenevaluatie keken we naar de rolinvulling door de betrokken partijen en wat deze betekende voor de samenwerking. We zagen dat de samenwerking en het onderlinge vertrouwen in het LSO toeneemt als de vertegenwoordiging van de IND in het LSO in staat is om op casusniveau te schakelen met de IND-organisatie en aldus bij te dragen aan het boven tafel krijgen van de benodigde informatie om te komen tot een passend perspectief. De expertise van de DT&V wordt in een deel van de pilots ingezet.
In twee pilots voert de DT&V gesprekken met de vreemdelingen. In de drie andere pilots aarzelt men om de DT&V te betrekken in de directe begeleiding van de vreemdelingen. Vaak is dit uit angst dat de aanwezigheid van de DT&V de vreemdelingen afschrikt om verder te gaan met hun traject binnen de LVV. Het lijkt erop dat in de pilots waar de samenwerkingspartners uitstralen dat zij de DT&V vertrouwen en dat zij geloven dat de DT&V echt iets kan betekenen voor de vreemdelingen, de vreemdelingen op hun beurt minder argwanend
7
worden ten opzichte van de DT&V. Het is echter nog te vroeg om met stelligheid te concluderen dat dit mechanisme optreedt. De AVIM vervult in een deel van de pilots zoals afgesproken een rol bij de identificatie van de vreemdelingen. Daarnaast speelt de AVIM een rol in het geval dat vreemdelingen in een terugkeertraject (na verloop van tijd) niet meer willen meewerken aan terugkeer, en gedwongen vertrek aan de orde komt. Gedwongen terugkeer is in de meeste pilots echter nog maar beperkt bespreekbaar. In twee pilots wordt hier soms wel voor gekozen, maar alleen als de betrokken maatschappelijke organisatie hier geen bezwaren tegen heeft. In de vijf pilots bestaat variatie in de mate waarin de maatschappelijke organisaties informatie over de situatie en de voortgang van de deelnemende vreemdelingen delen in het LSO. Wanneer de maatschappelijke organisaties beperkt informatie delen over de deelnemende vreemdelingen, doen zij dit om de vreemdelingen te beschermen. Dit leidt er echter ook toe dat de landelijke ketenpartners zich buiten spel gezet voelen. In de pilots waar de maatschappelijke organisaties in het LSO ruimhartig(er) informatie over de vreemdeling uitwisselen, voelen landelijke ketenpartners zich uitgenodigd om mee te denken over het te kiezen begeleidingsscenario en over de voortgang van de vreemdelingen.
De wijze waarop gemeenten hun regierol invullen blijkt cruciaal voor de samenwerking binnen de LVV’s. In de vijf gemeentelijke pilots is veel tijd en energie gestoken in het op gang brengen van de samenwerking. De gemeenten hebben meerdere acties ondernomen die hebben geleid tot een verbetering in de samenwerking. Het ging onder andere over bezoeken over en weer en het houden van gezamenlijke inhoudelijke bijeenkomsten. Deze acties hebben ertoe geleid dat de partijen met elkaar spraken over gedeelde inhoudelijke uitdagingen en daarbij over hun eigen grenzen heen keken. Hierdoor ontstond meer begrip voor elkaars uitgangspunten en werkwijzen.
Uit deze tussenevaluatie blijkt dat het bij elkaar brengen van partijen met sterk van elkaar verschillende visies en werkwijzen veel vraagt van de rol van de projectleider. In pilots waar de projectleider zich kan inleven in de verschillende visies en werkwijzen, gesprekken faciliteert over de verschillende uitgangspunten, en de verschillen tussen de organisaties juist benoemt als de kracht van de LVV, lijkt langzaam synergie te ontstaan in de samenwerking. Bevindingen over de effecten In totaal hebben op 1 november 2020 1297 vreemdelingen begeleiding en opvang gekregen in een van de LVV-pilots. 537 van hen hadden de LVV op 1 november 2020 ook weer verlaten. Voor 94 (18 procent) van de 537 uit de LVV vertrokken vreemdelingen is een bestendige oplossing gevonden: 43 hebben een verblijfsvergunning gekregen, 50 zijn teruggekeerd naar het land van herkomst en twee vreemdelingen zijn vertrokken naar een derde land (zie tabel s2). Verder wachten nog 170 vreemdelingen op de uitslag van hun Herhaalde asielaanvraag (HASA). Bijna de helft (47 procent) van de 537 vreemdelingen die de LVV hebben verlaten, is vertrokken zonder bestendige oplossing (zie tabel s2).
Het overgrote deel van hen is vertrokken met onbekende bestemming, wat in de praktijk inhoudt dat mensen - indien mogelijk - weer terugvallen op hun eigen sociale netwerk, gebruik gaan maken van opvangmogelijkheden bij bijvoorbeeld kerken en/of op straat terecht komen. Dit is problematisch voor deze mensen zelf en ook voor de gemeenten vanuit het perspectief van openbare orde.
8
Tabel s2. Aantal en aandeel uitgestroomde vreemdelingen van het totaal aantal uitgestroomde vreemdelingen naar type uitstroom (n=537) Type uitstroom Bestendige uitstroom
Semi-bestendige uitstroom
Aantal (percentage) Legalisering van verblijf in Nederland
43 (8%)
Terugkeer naar land van herkomst
50 (9%)
Doormigratie
2 (<1%)
HASA* Artikel 64 vw**
Niet-bestendige uitstroom
170 (32%) 20 (4%)
Vertrokken met onbekende bestemming
100 (19%)
Gedwongen beëindigd
76 (14%)
Overige niet-bestendige uitstroom***
76 (14%)
*
Herhaalde asielaanvraag. Bij toekenning van Artikel 64 VW blijft uitzetting uit Nederland achterwege zolang het vanwege de gezondheidstoestand van een vreemdeling of gezinslid niet verantwoord is om te reizen. *** Detentie, naar andere opvang, vreemdelingenbewaring, eigen netwerk, terug naar BBB, overleden. **
De pilot LVV loopt nog te kort om conclusies te verbinden aan het percentage vreemdelingen dat de LVV met een bestendige oplossing heeft verlaten. Allereerst hebben alle pilots veel tijd en energie gestoken in het opzetten van de LVV’s, en in het bijzonder in de samenwerking tussen de betrokken partijen. Ook het feit dat de pilots vanaf maart 2020 te maken hebben gehad met maatregelen rondom de Covid-19 uitbraak is beperkend geweest voor het kunnen vinden van bestendige oplossingen. De betrokken partijen vertelden dat er tijdelijk geen face-to-face contact was met de vreemdelingen, dat activiteiten stil lagen en dat mensen die wilden terugkeren dit niet konden vanwege reisbeperkingen.
Toch benoemen we een verschil omdat het aanknopingspunten biedt voor eventueel vervolg(onderzoek). Een factor die mogelijk zorgt voor verschillen in uitstroom tussen de pilots, is de mate waarin het beleid van de LVV op het gebied van doorlooptijd en oriëntatie op terugkeer strikt is. Als men hier in de LVV strikt op is dan lijkt de uitstroom naar het land van herkomst iets hoger, maar dat lijkt dan ook te gelden voor het aantal mensen dat uit de LVV vertrekt met onbekende bestemming. Als een LVV hier minder strikt op is dan lijkt het aantal mensen dat terugkeert naar het land van herkomst iets lager, maar lijkt ook het aantal mensen dat de LVV met onbekende bestemming verlaat iets lager. Het laag houden van het aantal mensen dat de LVV met onbekende bestemming verlaat, is belangrijk vanuit humanitair perspectief en vanuit het perspectief van openbare orde en veiligheid. Drieënveertig van de 537 vreemdelingen die tot 1 november 2020 de LVV’s hebben verlaten, kregen een verblijfsvergunning. Dit betekent dus dat een deel van de vreemdelingen in de LVV hier nog recht op heeft. Bijvoorbeeld door wijzigingen in de veiligheidssituatie in het land van herkomst, door veranderingen in wet- en regelgeving, door ontwikkelingen in de persoonlijke situatie van de vreemdeling en/of door nieuwe documenten die ter tafel komen.
Om te voorkómen dat mensen in de LVV die recht hebben op een vergunning deze niet krijgen, is het nodig om voor iedere vreemdeling die in een LVV terecht komt grondig te onderzoeken of legalisering mogelijk is. De maatschappelijke organisaties en de gemeenten vinden zo’n grondige juridische check ook nodig omdat dit kan bijdragen aan de acceptatie van een voor de vreemdeling negatieve uitkomst.
Er is grote voorzichtigheid geboden ten aanzien van het verbinden van conclusies aan verschillen in de uitstroom van vreemdelingen in de diverse pilots. 9
Tot slot De voortdurende aanwezigheid van vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang in Nederland is een zogenaamd wicked problem. Dit betekent dat het werken aan een deel van de oplossing van het probleem resulteert in andere problemen. In ons onderzoek zien we - hoewel we gegeven de korte looptijd en de kleine aantallen voorzichtig moeten zijn - dat als in een pilot strikter wordt gestuurd op vertrek, dit mogelijk leidt tot iets meer vreemdelingen die terugkeren naar het land van herkomst, maar dat dan ook het aantal vreemdelingen dat de LVV verlaat met een onbekende bestemming, toeneemt. Aan de andere kant lijkt het zo te zijn dat wanneer in een pilot de nadruk ligt op het zo veel mogelijk zicht houden op de doelgroep, minder mensen de LVV met onbekende bestemming lijken te verlaten, maar ook iets minder mensen vanuit de LVV terugkeren naar het land van herkomst. In het vervolg van de pilot is het van belang om hierover landelijk en lokaal met elkaar in gesprek te blijven. Immers, één sluitende oplossing bestaat niet. Hoewel met name in de verdere ontwikkeling van de samenwerking in de vijf pilots belangrijke stappen voorwaarts zijn gezet, is het belangrijk om stil te staan bij de impact van de coronacrisis en -maatregelen op de pilot LVV.
De opvang en begeleiding van vreemdelingen in de LVV hebben hiervan de gevolgen ondervonden en voorgenomen acties en activiteiten hebben minder, later of suboptimaal plaatsgevonden. Ook om die reden is het belangrijk om voorzichtig te zijn met het trekken van conclusies, zeker waar het de effecten op bestendige uitstroom betreft. Wat we op basis van deze tussenevaluatie wel hebben geleerd, is dat alle betrokken partijen het werken in de LVV als positief ervaren. De grootste winst van de LVV is dat er meer en betere samenwerking is ontstaan tussen de partijen die zich bezig houden met het zoeken naar oplossingen voor het illegale verblijf van vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Dit geldt zowel voor de samenwerking in de dagelijkse werkpraktijk als voor de
samenwerking op bestuurlijk niveau. De bevindingen uit de tussenevaluatie laten zien dat voor het komen tot en behouden van een goede samenwerking in de context van de LVV in ieder geval de volgende drie zaken nodig zijn: z
z
z
Bouwen aan onderling begrip en vertrouwen tussen de betrokken partijen. Wat hierin goed werkte in de pilots was dat partijen bij elkaar op bezoek gingen om zo meer te leren over elkaars werkwijze en werkcultuur. Ook inhoudelijke bijeenkomsten met alle in een pilot betrokken partijen zorgde voor meer onderling begrip, omdat partijen in deze bijeenkomsten automatisch werden uitgedaagd om over de grenzen van de eigen organisatie heen te kijken. Inzetten van lokale projectleiders die ervaring hebben met grens overstijgend of faciliterend leiderschap. Dit wil zeggen dat zij zich kunnen inleven in de visies en werkwijzen van alle betrokken partijen en gesprekken kunnen faciliteren over de verschillen tussen de partijen. De betrokkenheid van IND-medewerkers in de lokale pilots die op casusniveau snel en daadkrachtig kunnen schakelen met de IND-organisatie.
De uitkomsten van deze tussenevaluatie bieden nog een te beperkte basis om onderbouwde uitspraken te doen over wat wel en wat niet werkt bij het via de LVV’s werken aan bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang. Om hier in de toekomst wel meer onderbouwde uitspraken over te kunnen doen is het nu belangrijk dat de pilots zich allemaal op hun eigen manier verder kunnen ontwikkelen. Ook is het belangrijk dat daarbij de vragen die deze tussenevaluatie heeft opgeroepen nader worden onderzocht. Het gaat dan om de vraag in hoeverre onderstaande zaken van betekenis zijn voor het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang:
10
z z z z
z
z
het wel of niet door de AVIM uitvoeren van het identiteitsonderzoek; het wel of niet door een GGD in kaart laten brengen van de gezondheidssituatie van de vreemdelingen; het wel of niet uitvoeren van een grondige juridische check in het LSO; verschillende mogelijkheden in de opvang en begeleiding, zoals 24-uursopvang, het inzetten op het vergroten van de regie op het eigen leven, de inzet van activeringsactiviteiten, en het al dan niet kunnen behalen van diploma’s en/of certificaten; de mate waarin de maatschappelijke organisaties richting de vreemdelingen uitstralen dat de DT&V te vertrouwen is en echt iets kan betekenen voor de vreemdelingen; de mate waarin een LVV strikt is in termen van doorlooptijd en oriëntatie op terugkeer.
11
1
Inleiding
In deze rapportage presenteren we de bevindingen van de tussenevaluatie van de pilot Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV). De LVV’s hebben als doel om bestendige oplossingen te vinden voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang in Nederland. Een bestendige oplossing wil zeggen: vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst, doormigratie naar een derde land waar permanent verblijf gewaarborgd is, of - indien aan de voorwaarden hiervoor wordt voldaan - legalisering van verblijf in Nederland.
1.1.
Achtergrond
Naar schatting leven in Nederland tussen de 18 en 27 duizend vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang (Van der Heijden, Cruyff, Engbersen & Van Gils, 2020). Het overgrote deel van deze mensen heeft een wettelijke vertrekverplichting. Dit houdt in dat zij ter voorbereiding op hun vertrek opvang krijgen aangeboden in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL)3 in Ter Apel om van daaruit terug te keren naar hun land van herkomst. Wanneer vreemdelingen vanuit de VBL niet zelfstanding terugkeren, kan de Dienst Terugkeer en Vertrek (DT&V) van het Ministerie van Justitie en Veiligheid (JenV) overgaan tot een gedwongen vertrek uit Nederland. Als dan blijkt dat gedwongen vertrek onmogelijk is, beëindigt het Rijk de opvang in deze locaties.4
Veel van deze vreemdelingen voor wie de opvang wordt beëindigd belanden in de particuliere opvang of zoeken opvang in hun sociale netwerk. Het is ook mogelijk dat zij op straat en/of in een gemeentelijke noodopvang terechtkomen. Dit zijn de Bed-Bad-Brood voorzieningen die 38 gemeenten hebben opgezet om overlastgevende situaties op straat te voorkomen en/of om aan hun zorgplicht te voldoen. In de periode 2015-2016 onderhandelden de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Rijk over een andere manier van opvang en begeleiding van vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang in Nederland. De landelijke politiek wilde de Bed-Bad-Brood voorzieningen stopzetten en deze vervangen door een sobere opvang en begeleiding gericht op vertrek uit Nederland. Het belangrijkste argument achter deze wens van het Rijk was de opvatting dat de aanwezigheid van de Bed-Bad-Brood voorzieningen de effectiviteit van het terugkeerbeleid in de weg stond. De gemeenten waren echter van mening dat deze vorm van noodopvang de terugkeer juist bevorderde. Het verschil in inzicht tussen het rijk en de gemeenten leidde tot een impasse in de onderhandelingen over de opvang en begeleiding van vreemdelingen zonder recht op verblijf.
Het gevolg hiervan was dat in een groot deel van de gemeenten de gemeente en de landelijke ketenpartners Immigratieen Naturalisatiedienst (IND), DT&V en de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel van de nationale politie (AVIM) op dit vlak niet meer met elkaar samenwerkten (zie ook Winter, Bex-Reimert, Geertsema, en Krol, 2018).
1.2. 3 Een vrijheidsbeperkende locatie is bedoeld voor die Nederland moeten verlaten omdat het recht op verblijf en/of opvang is verstreken en die zicht hebben op terugkeer binnen twaalf weken. 4 Gedwongen vertrek is bijvoorbeeld niet mogelijk als het land van herkomst geen mensen uit Nederland terug neemt of als de vreemdeling zelf of Nederland niet aannemelijk kan maken dat een vreemdeling in het betreffende land is geboren.
Programma Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen
Na een lange voorgeschiedenis is in 2018 een akkoord gesloten over een oplossing voor het illegale verblijf van vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang in Nederland. Uitkomst was de start van het programma 12
Landelijke Vreemdelingenvoorzieningen (LVV) begin 2019. Het doel van het programma is dat gemeenten en het Rijk intensief samenwerken om een landelijk netwerk van begeleidings- en opvangvoorzieningen te realiseren en zo bestendige oplossingen te vinden voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang (Ministerie van Justitie en Veiligheid/VNG, 2018). De pilotperiode is bedoeld om de juiste aanpak, structuur en wijze van samenwerken binnen de LVV’s te ontwikkelen. Uiteindelijk is het de bedoeling dat na de pilot een landelijk dekkend netwerk van LVV’s wordt opgezet dat de bestaande bed-bad-broodvoorzieningen vervangt. Het programma LVV vindt plaats onder gedeeld bestuurlijk opdrachtgeverschap van het ministerie van JenV, de VNG en vijf pilotgemeenten. In dit verband is er een bestuurlijk overleg LVV dat zich bezighoudt met de bestuurlijke aansturing van het programma. Aan het bestuurlijk overleg nemen deel de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, de directeur Migratiebeleid van het ministerie van JenV, de wethouders van de vijf pilotgemeenten en de VNG. Het uitvoerend opdrachtgeverschap van het programma ligt bij de directeur Migratiebeleid van het ministerie van JenV en bij de directeur Samenleving bij de VNG. In dit verband is een ambtelijke programmaraad opgezet.
Deze bestaat uit managementteamleden van de IND, DT&V en AVIM, de VNG en managers bij de vijf pilotgemeenten. De programmaraad is verantwoordelijk voor de voortgang van het programma en wordt voorgezeten door de directeur Migratiebeleid. De opdrachtnemer van het programma LVV is het door het Rijk gefinancierde en gefaciliteerde programmabureau. Het programmabureau is verantwoordelijk voor (a) het ondersteunen van de vijf gemeentelijke pilots, (b) het verzorgen van de randvoorwaarden waaronder de pilots kunnen werken, (c) het uitwerken van speciale aandachtsgebieden binnen de LVV’s, de zogenoemde ontwikkelthema’s, (d) afstemming met en verantwoording aan de opdrachtgever en (e) de governance en het politiek en bestuurlijk secretariaat. Het bureau bestaat uit de
programmamanager en uit stafleden die verantwoordelijk zijn voor planning en rapportage, facilitering van de governance, financiën, stakeholdermanagement, risicomanagement, liaison naar de pilots en communicatie (Ministerie van Justitie en Veiligheid/VNG, 2018). Ten slotte is er op landelijk niveau een kernteam opgezet. Dit is een afstemmingsoverleg tussen alle partijen die onderdeel zijn van de uitvoering van het programma LVV, ofwel het ministerie van JenV, de VNG, de vijf pilotgemeenten in de vorm van de projectleiders van de gemeentelijke pilots en de landelijke ketenpartners IND, AVIM en DT&V. Het kernteam bespreekt de ontwikkeling, de kansen en de knelpunten bij de uitvoering van de pilots en deelt informatie over de voortgang van de pilots en over het aantal vreemdelingen in de LVV’s. Figuur 1.1 vat de landelijke organisatiestructuur van het programma LVV schematisch samen. Figuur 1.1 Schematische weergave landelijke organisatie programma LVV.
Bestuurlijk Overleg LVV
Programmaraad
Kernteam
Pilot 1
Programmabureau
Inhoudelijke afstemming en uitwisseling
Pilot 2
Pilot 3
Pilot 4
Pilot 5
13
Organisatie van de gemeentelijke pilots Voor iedere gemeentelijke pilot hebben het ministerie van JenV, de betreffende gemeente en de drie landelijke ketenpartners een convenant ondertekend. In dit convenant staan afspraken over het doel van de pilot, de doelgroep van de LVV en de rollen van de verschillende partijen, waaronder dat de gemeente de regie voert op de pilot. Naast de genoemde partijen spelen in elke pilot lokale maatschappelijke organisaties een rol in de opvang en begeleiding van de vreemdelingen. De maatschappelijke organisaties waren niet betrokken bij het opstellen en ondertekenen van het convenant. Het is de bedoeling dat zij onder regie van de gemeenten uitvoeren wat in het convenant is afgesproken. Onderdeel van ieder convenant is dat de pilot wordt gerealiseerd en bestuurd door een lokale stuurgroep en dat casuïstiek van vreemdelingen wordt behandeld in een lokaal casusoverleg (LSO). De stuurgroep bestaat uit de gemeente (voorzitter), coördinatoren vanuit de maatschappelijke organisaties en vertegenwoordigers van de ketenpartners IND, DT&V en AVIM. Het LSO bestaat altijd uit medewerkers van de gemeente, een IND-er, een of meer mensen vanuit de DT&V, een medewerker van AVIM, en vanuit de maatschappelijke organisaties de medewerkers die in direct contact staan met de vreemdelingen.
De IND-medewerker in het LSO beslist in principe niet zelf op verblijfsaanvragen van vreemdelingen in de LVV. Het is voor deze IND-medewerkers vaak niet mogelijk om beslissingen te nemen over individuele casussen, omdat voor de vele verschillende werksoorten en beoordelingen van aanvragen bij de IND specialistische kennis en expertise nodig zijn.
(MRT). Dit is een escalatie-overleg dat bestaat uit vertegenwoordigers van de IND, DT&V, AVIM, een vertegenwoordiger van de betreffende pilotgemeente en iemand van de maatschappelijke organisatie die de ongedocumenteerde begeleidt. Het MRT geeft dan op basis van de door het LSO aangeleverde informatie een advies over het begeleidingsscenario en/of de verdere begeleiding van de deelnemer. De LVV’s in de vijf pilotgemeenten bouwen zoals afgesproken in de convenanten voort op de bestaande gemeente-specifieke situatie. Dit betekent dat de opzet van de vijf LVV’s in de basis gelijk is, maar dat er mogelijk ook verschillen bestaan in de gekozen werkwijze. Naast het verzorgen van de opvang en begeleiding van de vreemdelingen werkt iedere gemeentelijke pilot aan een of meer zogenoemde ontwikkelopgaven. Dit zijn onderwerpen die binnen meerdere LVV’s spelen en waarover de betrokkenen op programmaniveau meer willen leren tijdens de pilotperiode. Ontwikkelopgaven waar de gemeentelijke pilots aan werken zijn: z z z
Stabiliseren en oplossen van medische en psychische problematiek bij de vreemdelingen. Verbeteren van de lokale samenwerking. Activering inzetten als onderdeel van de begeleiding.
In de LSO’s bespreken de aanwezige partijen de recent ingestroomde vluchtelingen in de LVV en de voortgang van de mensen die al deelnemen. Het kan gebeuren dat in zo’n overleg geen overeenstemming wordt bereikt over de bestendige oplossing waar een deelnemer zich op zou moeten richten of over de voortgang van een deelnemer. In zo’n geval heeft de gemeentelijke projectleider de mogelijkheid tot opschaling naar het Multidisciplinair Review Team 14
1.3.
Tussenevaluatie pilot LVV
Kader 1.1. Onderzoeksvragen
Het ministerie van JenV wil weten hoe het werken in de LVV’s verloopt, wat de meerwaarde ervan is ten opzichte van de manier waarop deze vluchtelingen vóór de pilot werden opgevangen, en welke lessen er te trekken zijn over hoe binnen de LVV’s bestendige oplossingen gevonden kunnen worden. Daarom heeft het Verwey-Jonker Instituut in opdracht van het Wetenschappelijk Onderzoek- en Documentatiecentrum (WODC) een tussenevaluatie uitgevoerd naar de voortgang en tussentijdse effecten van het werken met de LVV’s in de vijf pilotgemeenten. Het doel van de tussenevaluatie is om inzicht te bieden in:
Onderzoeksvragen over de uitvoering van de pilot
1.
De uitvoering van de pilot LVV, waaronder de begeleiding van vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang en de samenwerking in de vijf pilotgemeenten. De effectiviteit en ervaren meerwaarde van de LVV, en de mate waarin de doelen binnen de pilot LVV zijn gerealiseerd. De geleerde lessen over hoe binnen de LVV’s succesvol te werken aan een bestendige oplossing voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang in Nederland.
4. Wat zijn de achtergrondkenmerken van de vreemdelingen in de vijf LVV’s?
Voor dit onderzoek zijn 20 specifieke onderzoeksvragen geformuleerd (zie kader 1.1):
8. In hoeverre verlopen de in onderzoeksvragen 1 tot en met 7 genoemde aspecten van de uitvoering van de pilot LVV als vooraf beoogd, wat gaat hierin goed of minder goed dan beoogd, en om welke redenen?
2. 3.
1 Hoe is circa 1,5 jaar na de start van de LVV-pilot invulling gegeven aan de rollen en verantwoordelijkheden van de betrokken partijen, zowel op landelijk als op gemeentelijk niveau? 2. Hoe verloopt de samenwerking tussen de betrokken partijen, zowel op landelijk als op gemeentelijk niveau? 3. Welke begeleidings- en opvangvormen worden in de vijf LVV’s geboden, welke begeleidingsmethoden worden ingezet en wat zijn de ervaringen daarmee?
5. Welke werkwijzen hanteren de vijf LVV’s, onder andere rondom toelatingscriteria en het gebruik van formats en (digitale) systemen om caseload, afspraken en acties bij te houden? 6. Welke ‘ontwikkelopgaves’ zijn geformuleerd in de vijf LVV’s? 7. Hoe geven de vijf LVV’s vorm aan de regionale functie die ze uiteindelijk moeten gaan vervullen?
9. Wat zijn verbeterpunten in de in onderzoeksvragen 1 tot en met 7 genoemde aspecten van de uitvoering van de pilot LVV, en op welke wijze kan dit beter? 10. In hoeverre zijn de in onderzoeksvragen 1 tot en met 7 genoemde aspecten van de uitvoering van de pilot LVV van invloed op het kunnen vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf?
15
11. Welke verschillen bestaan er tussen de vijf LVV’s op de in onderzoeksvragen 1 tot en met 7 genoemde aspecten van de uitvoering van de pilot?
18. In hoeverre heef het wegvallen van de discretionaire bevoegdheid en het ontbreken van doorzettingsmacht invloed gehad op het kunnen bereiken van bestendige oplossingen voor vreemdelingen in de LVV?
Onderzoeksvragen over de effecten
Onderzoeksvragen over de geleerde lessen
12. In hoeverre zijn de doelstellingen van de LVV-pilot gerealiseerd, zowel op landelijk als op gemeentelijk niveau?
19. Wat zijn geleerde lessen over de bestaande wet- en regelgeving ten aanzien van vreemdelingen die (in potentie) tot de LVV-doelgroep behoren?
a. Op welke wijze zijn de doelen gerealiseerd? b. Is doelrealisatie te relateren aan de pilot of spelen andere factoren hier (ook) een rol in? c. Als doelen niet of niet volledig gerealiseerd zijn, wat zijn hier dan verklaringen voor? d. Op welke wijze zouden de doelen alsnog gerealiseerd kunnen worden?
20. Wat zijn geleerde lessen en best practices van de pilot, voor het geval er op termijn wordt besloten dat de LVV’s landelijk dekkend worden? 21. In hoeverre zijn de verworven inzichten uit de ‘ontwikkelopgaves’ van de vijf LVV’s landelijk relevant?
e. Welke verschillen bestaan er tussen de vijf LVV’s met betrekking tot de genoemde aspecten?
1.4.
13. Wat is volgens de betrokken partijen de meerwaarde van de pilot ten opzichte van de situatie vóór de pilot?
Om de bevindingen van de tussenevaluatie te kunnen interpreteren is het nodig om eerst meer te weten over de context waarbinnen de LVV’s werken. Daarom geven we hieronder eerst een beeld van de doelgroep en van bestaande relaties tussen de partijen die binnen de LVV’s met elkaar samenwerken.
14. Wat zijn volgens de betrokkenen tot dusver de effecten van de begeleidings- en opvangvormen en de ingezette begeleidingsmethoden in de vijf LVV’s? 15. Welke neveneffecten van de LVV-pilot zijn te constateren? 16. In hoeverre kan iets worden gezegd over waar vreemdelingen belanden wanneer zij niet voldoen aan de criteria om toegelaten te worden tot een LVV of wanneer zij worden verwijderd uit een LVV? 17. In hoeverre ervaren de betrokken partijen de financiële middelen die beschikbaar zijn voor de pilot als toereikend? Zo nee, wat missen ze concreet?
Context
De LVV-doelgroep De doelgroep van de LVV zijn alle vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang.5 Kenmerkend voor deze groep mensen is dat zij geen of een te beperkt sociaal netwerk om op terug te vallen, weinig inkomsten hebben,
5 Vreemdelingen met een zwaar inreisverbod van 10 jaar en hoger, ongewenst verklaarden, EUburgers en Dublinclaimanten vallen niet onder de doelgroep van de LVV. Op enkele persoonlijke uitzonderingen na hebben zij geen toegang tot de LVV.
16
medische en/of psychische problematiek ervaren en/of geen dak boven hun hoofd hebben. Van een deel van de doelgroep is bekend dat zij om uiteenlopende redenen niet willen terugkeren naar hun land van herkomst. Bijvoorbeeld omdat zij bang zijn dat ze niet veilig zijn in hun land van herkomst of omdat ze via een illegaal verblijf in Nederland geld verdienen waarmee zij vanuit Nederland hun familie in het land van herkomst onderhouden. Ook zijn er mensen die niet kunnen terugkeren. Dit is bijvoorbeeld het geval als op basis van de gegevens van de vreemdeling in Nederland het veronderstelde land van herkomst de vreemdeling niet erkent als onderdaan. Ook zijn er landen die niet meewerken aan terugkeer van mensen vanuit Nederland. Verder kan het zijn dat mensen nog niet kunnen terugkeren naar hun land van herkomst als fysieke of geestelijke gezondheidsproblemen reizen of het opbouwen van een menswaardig bestaan in het land van herkomst in de weg staan (Klaver, Telli & Witvliet, 2015; Leerkes, Galloway & Kromhout, 2010). Het niet willen en/of kunnen vertrekken uit Nederland maakt het voor de hulpverlenende organisaties, de gemeenten en de partners in de landelijke migratieketen complex om te komen tot bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang.
Gemeenschappelijke wens vanuit verschillende perspectieven Het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf is een gedeelde wens bij alle partijen die een rol vervullen in het programma LVV. Tegelijkertijd benaderen alle betrokkenen deze wens vanuit een ander perspectief en geven zij hier allemaal anders invulling aan. Dit is vanuit het verleden zo gegroeid en bleek ook uit de eerder uitgevoerde planen procesevaluatie van het programma LVV (Mack, Verbeek & Klaver, 2020). De landelijke ketenpartners in de migratieketen werken vanuit Nederlandse en Europese wet- en regelgeving. Voor de IND betekent dit dat zij aanvragen voor verblijfsvergunningen toetsen aan de bestaande wet- en regelgeving en geen ruimte hebben om hier vanaf te wijken. Als uitvoerder van het Nederlandse
terugkeerbeleid heeft de DT&V de opdracht vreemdelingen zonder verblijfsrecht rechtmatig en respectvol te laten terugkeren naar het land van herkomst. Het streven is dat vreemdelingen zo veel mogelijk zelfstandig uit Nederland vertrekken. Een deel van de vreemdelingen verlaat het land niet uit eigen beweging. In dat geval kan DT&V een gedwongen vertrek organiseren. Een punt van aandacht hierbij is dat voorafgaand aan het programma LVV de staatsecretaris van Justitie en Veiligheid de discretionaire bevoegdheid had om bij zogenoemde schrijnende zaken een verblijfsvergunning te geven. Deze is rond de start van de LVV afgeschaft waardoor vreemdelingen hier geen beroep meer op kunnen doen. De maatschappelijke organisaties in de LVV’s begeleiden de vreemdelingen en richten zich primair op hun welzijn. Ze helpen de vreemdelingen met het verbeteren van hun (mentale) gezondheid, het zoeken naar nieuwe juridische mogelijkheden voor een legaal verblijf in Nederland en/of met een vrijwillige terugkeer naar het land van herkomst. Bij vreemdelingen die niet willen terugkeren leidde dit er in het verleden meer dan eens toe dat de maatschappelijke organisaties en de landelijke ketenpartners in de migratieketen lijnrecht tegenover elkaar stonden.
Dit gebeurde in ieder geval in de periode van de Bed-Bad-Brood voorzieningen (Winter, Bex-Reimert, Geertsema, & Krol, 2018) en ook in de beginperiode van de gemeentelijke LVV-pilots kwam dit nog voor (Mack, Verbeek & Klaver, 2020). De gemeenten ten slotte bekijken het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf vooral vanuit het uitgangspunt van de openbare orde, en de gezondheid en het welzijn van de inwoners. Dit maakt dat gemeenten niet geneigd zijn om zomaar mee te werken aan (gedwongen) vertrek van de vreemdelingen. Immers, wanneer vreemdelingen worden gedwongen om mee te werken aan vertrek uit Nederland kan dit betekenen dat zij toch illegaal in Nederland blijven, dakloos worden en overlast op straat veroorzaken. Juist om dakloosheid en overlast te voorkómen hebben meerdere gemeenten een bed-bad-brood-voorziening opgezet. Dat gemeenten vanuit 17
het perspectief van openbare orde opvang organiseerden voor vreemdelingen zonder recht op verblijf zorgde in het verleden regelmatig voor onrust tussen het rijk en gemeentebestuurders (Winter et al., 2018). Het programma LVV moet de samenwerking tussen de landelijke ketenpartners in de migratieketen, de maatschappelijke organisaties en de gemeenten verbeteren, om zo uiteindelijk bij meer vreemdelingen zonder recht op verblijf of rijksopvang te komen tot een bestendige oplossing. De gedachte is dat de gezamenlijke verantwoordelijkheid in het programma voor het vinden van bestendige oplossingen leidt tot wederzijds vertrouwen tussen het ministerie van Justitie en Veiligheid en de betrokken gemeente, tot benutting van elkaars kennis, kunde en bevoegdheden en tot tijdige bespreking van verschillen van inzicht. Vanwege de van elkaar verschillende perspectieven op het gedeelde doel is dit echter makkelijker gezegd dan gedaan (Ansell & Gash, 2008; Bryson, Crosby & Stone, 2006). Hier komt nog bij dat de landelijke ketenpartners en de maatschappelijke organisaties ook op andere vlakken sterk van elkaar verschillen. De IND, DT&V en AVIM zijn grote landelijk opererende organisaties die werken met formele procedures. De maatschappelijke organisaties zijn kleinere lokale partijen met een informeel en soms activistisch karakter.
Ook van dit soort verschillen tussen organisaties is bekend dat ze de onderlinge samenwerking complex maken (zie bijvoorbeeld Hermens, 2018). In deze tussenevaluatie komt aan bod hoe de samenwerking tussen deze sterk van elkaar verschillende werelden verloopt en welke rol de gemeenten als lokale regievoerders hierin vervullen.
1.5.
LVV pilots, de effecten daarvan op de bestendige uitstroom van vreemdelingen en wat daarin wel en niet werkt nodig is om te weten over welke mensen het precies gaat. In hoofdstuk 4 bespreken we per pilot de uitvoering, de (ervaren) effecten en wat wel en niet werkt in de samenwerking en bij het begeleiden van vreemdelingen in de richting van een bestendige oplossing.6 Hoofdstuk 4 sluit volgt met vergelijking van de uitstroomcijfers in de verschillende pilots. Hoofdstuk 5 is de conclusie van de tussenevaluatie.
Kader 1.2 Ten slotte: wat de hierboven beschreven context betekent voor deze tussenevaluatie In deze rapportage doen we uitspraken over de resultaten en effectiviteit van de pilot LVV tot nu toe. Het lijkt echter nog te vroeg om na 1,5 jaar LVV op basis van de conclusies uitspraken te doen over de wenselijkheid van het al dan niet doorgaan van het programma LVV. Dit heeft alles te maken met de hierboven beschreven complexe context waarbinnen het programma LVV werkt aan het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf. Daarnaast hebben de LVV’s impact ondervonden van Covid-19 en de daarmee gepaard gaande maatregelen. Maatschappelijke organisaties moesten de begeleidingsgesprekken anders inrichten, de opvang moest ‘coronaproof’ worden georganiseerd, en vluchten naar landen van herkomst werden geannuleerd. Dit heeft hoe dan ook invloed gehad op de resultaten van de pilot LVV.
Leeswijzer
Deze rapportage is als volgt opgebouwd. In hoofdstuk 2 beschrijven we de aanpak van dit onderzoek: de dataverzameling en de analyse. Daarna volgt een hoofdstuk waarin we de doelgroep van de LVV een gezicht geven. Dit doen we omdat het voor het begrijpen van de bevindingen over de uitvoering van de
6 Uitvoerigere beschrijvingen hiervan zijn te vinden in de bijlagen.
18
2
Aanpak van dit onderzoek
De tussenevaluatie van de LVV is uitgevoerd in de vorm van een mixed method study. Dit wil zeggen dat we voor de beantwoording van de onderzoeksvragen verschillende typen data hebben verzameld en verschillende onderzoeksactiviteiten hebben uitgevoerd. In dit geval: z z z z z
Documenten over de landelijke en gemeentelijke afspraken en werkwijzen. Interviews en groepsinterviews met stakeholders. Observaties bij gemeentelijke overleggen. Focus groepen met gemeentelijke en landelijke experts. Cijfers over de achtergrondkenmerken, begeleidingstrajecten en uitstroom van de vreemdelingen in de LVV.
2.1.
Hieronder beschrijven we per type data welke data precies is verzameld en op welke wijze dit is gebeurd. Documenten over de landelijke en gemeentelijke afspraken en werkwijzen De volgende (typen) documenten zijn verzameld: z z z z z z
De combinatie van cijfers en kwalitatieve informatie uit de interviews, observaties en focus groepen maakt het mogelijk om inzicht te geven in de mate waarin bestendige oplossingen worden gevonden én om te laten zien hoe bestendige oplossingen worden bereikt. De interviews, observaties en focusgroepen geven bovendien een beeld van hoe de betrokken organisaties omgaan met de complexe uitdagingen bij het vinden van bestendige oplossingen voor vreemdelingen zonder recht op verblijf. In het vervolg van dit hoofdstuk komt aan bod welke data wij op welke manier hebben verzameld en hoe wij de analyses hebben uitgevoerd.
Dataverzameling
Landelijke samenwerkingsafspraken. Convenanten per gemeentelijke pilot. Projectplannen per pilot. Landelijke programmaplan. Notulen en stukken van de programmaraad, c.q. Landelijke ambtelijke stuurgroep. Notulen en stukken van het bestuurlijk overleg.
De documenten zijn in ons bezit gekomen via de landelijke programmaraad en via de gemeentelijke projectleiders. Het grootste deel van de documenten hebben we ontvangen voorafgaand aan de interviews. Wanneer wij tijdens een interview hoorden over een relevant document dat wij nog niet tot onze beschikking hadden vroegen we of de geïnterviewde dit ons wilde toesturen. We hebben de documenten geanalyseerd om een beeld te krijgen van de wijze waarop het programma LVV landelijk en lokaal is georganiseerd. Daarnaast hebben we via de documenten meer zicht gekregen op de opvang en begeleiding binnen de gemeentelijke pilots.
19
Interviews en groepsinterviews met stakeholders In tabel 2.1 is te zien welke (groeps)interviews voor deze tussenevaluatie zijn afgenomen. Onder de tabel bespreken we hoe wij de interviews hebben ingestoken en hoe de geïnterviewden zijn geselecteerd. De interviews met de vreemdelingen bespreken we daarbij apart. Tabel 2.1. Interviews en groepsinterviews naar type respondent Typen geïnterviewden
Aantal en type interview
Landelijke stakeholders
5 individuele interviews
Gemeentelijke projectleiders
5 individuele interviews
Vertegenwoordigers van de organisaties in lokale stuurgroepen
15 individuele interviews
Uitvoerende professionals
9 groepsinterviews
Vreemdelingen in de LVV’s
23 individuele interviews
Alle interviews waren semigestructureerd. Dit betekent dat we per type respondent een interviewleidraad hebben ontwikkeld, zodat in ieder gesprek de relevante topics aan bod kwamen. Tegelijkertijd biedt een semigestructureerd interview de mogelijkheid om in het gesprek door te vragen op onderwerpen die voor de betreffende pilot of stakeholder relevant zijn. Bij alle typen respondenten, met uitzondering van de vreemdelingen, kwamen tijdens het interview of groepsinterview in ieder geval de volgende thema’s aan bod: z z z z z
De uitvoering van de pilot De samenwerking tussen de betrokken partijen De achtergrond van de vreemdelingen in de LVV Het verloop van de pilot De geleerde lessen
Bij ieder type respondent hebben we in het interview andere accenten gelegd. In de interviews met landelijke stakeholders hebben we ons geconcentreerd op eventuele verschillen tussen de gemeentelijke pilots en op de samenwerking in het kernteam en het programmabureau. Bij de gemeentelijke projectleiders en de andere leden van de lokale stuurgroepen hebben we aandacht besteed aan de ontwikkelopgaven en de samenwerking tussen de partijen. In de interviews met de uitvoerende professionals van zowel de maatschappelijke organisaties als de landelijke ketenpartners hebben we ons vooral geconcentreerd op de opvang en begeleiding van de vreemdelingen. Selectie van te interviewen stakeholders De landelijke stakeholders die zijn geïnterviewd zijn: het programmabureau LVV van het ministerie van JenV, DT&V, IND, AVIM en VNG. Vanuit deze organisaties hebben we de leden van het landelijke kernteam LVV geïnterviewd, omdat zij binnen hun organisaties het beste zicht hebben op de uitvoering en voortgang van de pilot. We hebben alle vijf de gemeentelijke projectleiders geïnterviewd. Per gemeente wilden we drie interviews afnemen met mensen in de stuurgroep. Deze zijn geselecteerd in overleg met de gemeentelijke projectleiders. Daarbij hebben we drie selectiecriteria gebruikt.
Allereerst wilden we maatschappelijke organisaties spreken die de begeleiding verzorgen van een groot aandeel van de vreemdelingen in de betreffende pilot. Daarnaast wilden we maatschappelijke organisaties spreken die zich bezighouden met verschillende aspecten, zoals sociale activering of terugkeertrajecten. Om ook het perspectief van de ketenpartners op lokaal niveau mee te nemen hebben we ten slotte verspreid over de pilots ook vertegenwoordigers van de DT&V, IND en AVIM in de stuurgroep geselecteerd voor een interview. De geïnterviewden uit de lokale stuurgroepen zijn te zien in tabel 2.2.