CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Staat van het Amsterdams funderend onderwijs 2026.pdf

Tijdelijke Algemene Raadscommissie 27 mei 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de “De Staat van het Amsterdamse funderend onderwijs 2026” en bijbehorende raadinformatiebrief (VN2026-004830)31.194 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

200 150 100 50

0 2020/'21

2021/'22

2022/'23

2023/'24

2024/'25

onderinstroom sbo (3-5 jarigen)

onderinstroom so cluster 3 en 4 (3-5 jarigen)

van bo naar sbo

van bo naar so cluster 4

van bo naar so cluster 3

van sbo naar so

van so naar sbo

bron: Monitor Samenwerkingsverband PO Amsterdam-Diemen

55

4.2.2 Steeds meer leerlingen na het s(b)o naar het regulier vo Het aantal leerlingen dat na afronding van het s(b)o doorgaat in het regulier vo stijgt. Onder het regulier vo vallen naast de reguliere middelbare scholen ook het praktijkonderwijs en het kleinschalig ondersteunend vo (kovo). Deze laatste 2 scholen werken met kleine groepen, variërend van 15 tot 18 leerlingen, en ze bieden extra ondersteuningsmogelijkheden (Samenwerkingsverband VO Amsterdam-Diemen, z.d.). Leerlingen uit het sbo gaan vaker door naar het reguliere vo dan leerlingen uit het so. Het aandeel overstappers uit de eerste categorie is gestegen van 69 procent in 2021/’22 naar 81 procent in 2025/’26. De overige leerlingen gaan naar het vso of naar een school buiten de regio. Voor leerlingen uit het so, die dus minder vaak doorgaan naar het reguliere vo, stijgen de cijfers ook: in 2021/’22 was dit nog 32 procent, in 2025/’26 ging het om 45 procent.

van so

van sbo

Figuur 4.7 Leerlingen die overstappen vanuit sbo en so naar het vo, 2021/’22-2025/’26 (procenten, het schooljaar is het jaar waarin de leerlingen beginnen in het vo) 2025/'26 (n=254)

11

30

2024/'25 (n=298)

13

27

36

24

2023/'24 (n=259)

14

27

32

28

2022/'23 (n=297)

12

27

35

26

2021/'22 (n=310)

10

29

30

40

19

31

2025/'26 (n=183)

15

7

2024/'25 (n=171)

15

8

2023/'24 (n=205)

12

5

2022/'23 (n=188)

11

5

16

68

2021/'22 (n=115)

12

4

16

68

0%

23

55

16

61

18

20%

65

40%

60%

80%

100%

naar kleinschalig ondersteunend regulier vo (tussenvoorzieningen) naar praktijkonderwijs naar regulier vo naar overig (o.a. onbekend en vso)

bron: ELK

Er is ook een klein aantal leerlingen dat tussentijds de stap naar het regulier onderwijs maakt. In de afgelopen 3 jaren ging dat per schooljaar respectievelijk om tussen de tien 10 tot vijftien 15 sbo-leerlingen, rond de vijf 5 so-leerlingen en (in de afgelopen twee 2 jaren) gemiddeld vijftien 15 vso-leerlingen per schooljaar, net als landelijk. 4.2.3 Initiatieven voor passende ondersteuning op reguliere scholen (inclusief onderwijs) De Samenwerkingsverbanden PO en VO Amsterdam-Diemen hebben als doel: leerlingen thuisnabij passende ondersteuning bieden op de reguliere school. Dit doen zij op verschillende manieren.

56

Primair onderwijs In het po worden scholen begeleid om een inclusieve visie te ontwikkelen en te vertalen naar de uitvoering. 6 scholen startten hiermee in 2023/’24. In 2024/’25 kwamen hier nog 16 scholen bij. Daarnaast zijn er 6 voorloperscholen die op eigen kracht naar inclusief onderwijs bewegen en 21 scholen die dit doen in het kader van de pilot Geen kind de buurt uit. Als laatste zijn er andere initiatieven die bijdragen aan inclusief onderwijs, zoals de startklassen voor jonge kinderen die met ontwikkelingsachterstanden de basisschool instromen. Begeleiding Garage2020 Een van de scholen heeft als onderdeel van de begeleiding een droomsessie georganiseerd met het hele team. Dit is een creatieve werkvorm om de droombeelden van de ideale school, behoeften en ideeën hierover te ontwaren vanuit leerkrachten. Hiermee kan de school komen tot een schoolvisie op inclusief onderwijs (Binnenplaats, 2025). ‘Het waren prettige opdrachten en wisselende werkvormen! De stellingen vonden wij soms wat suggestief maar brachten wel het gesprek op gang en de gesprekskaarten waren een mooi hulpmiddel. Het hielp het team om overeenkomsten te vinden in motivatie. Ik merk dat het draagvlak voor inclusief onderwijs groot is bij ons op school.

Ik had eerst wat bezwaren tegen zo groot dromen en denken, omdat het dan vaak verder gaat dan inclusief onderwijs, maar collega’s vonden juist veel overeenkomsten in hun droombeelden.’ Startklassen voor jonge kinderen Er zijn recent 17 startklassen opgericht op reguliere basisscholen in Amsterdam. Zij richten zich op jonge kinderen die met ontwikkelingsachterstanden de basisschool instromen. In de meeste startklassen krijgen kinderen 2 dagdelen per week extra aandacht en begeleiding. De rest van de week doen de kinderen mee in de reguliere stamklas. Er is ook opvoedkundige ondersteuning voor ouders. In de startklassen leren de leerlingen basisvaardigheden die ze op school nodig hebben: bijvoorbeeld naar de juf of meester luisteren, een taakje kiezen en voor langere tijd op 1 plek spelen. ‘De belangrijkste doelen zijn gericht op het sociaal-emotionele vlak. Het leren omgaan met emoties. We werken aan zelfvertrouwen, werkhouding, aan communiceren en aan rekening houden met elkaar’ (Binnenplaats, 2025). Voortgezet onderwijs In het vo spelen de trajectvoorzieningen een belangrijke rol in het bereiken van inclusief onderwijs. Voordat scholen een toelaatbaarheidsverklaring aanvragen voor een leerling, moeten zij eerst kijken hoe zij het kind of de jongere op de eigen school zo goed mogelijk kunnen ondersteunen met bijvoorbeeld een trajectvoorziening.

Deze voorziening is een ruimte waarin leerlingen buiten hun reguliere lessen om terechtkunnen voor extra begeleiding. Het is bedoeld om minder leerlingen te laten overstappen naar het vso. Andersom werkt de voorziening drempelverlagend voor leerlingen die vanuit het vso overstappen naar een reguliere middelbare school. Verder is het doel om schooluitval en thuiszitten te voorkomen. Vrijwel alle vo scholen hebben inmiddels een trajectvoorziening.

57

Trajectvoorziening MLA: de woonkamer Het MLA heeft een trajectvoorziening genaamd de woonkamer gerealiseerd. 3 ruimtes op een rustige gang zijn met elkaar verbonden en vormen 1 ruimte met verschillende zones. Leerlingen kunnen hier ontprikkelen, rustig werken of even tot rust komen. Er is ook een ruimte waarvan de deur dicht kan en die dient om gesprekken te voeren. 40 leerlingen maken gebruik van de woonkamer. Sommigen structureel en anderen incidenteel. Daarnaast zijn er ook leerlingen die intensief worden begeleid door de coördinator van de trajectvoorziening (Samenwerkingsverband VO Amsterdam-Diemen, 2025a).

4.3 Thuiszittende leerlingen en leerplichtvrijstellingen Elk kind heeft recht om naar school te gaan, maar soms zitten kinderen thuis, om verschillende redenen. Het gaat om leerplichtige jeugdigen (5 tot en met 17 jaar) die minstens 4 weken volledig thuiszitten zonder onderwijs. Er kan sprake zijn van thuiszitten met of zonder schoolinschrijving. Tussen 2020/’21 en 2024/’25 is het aantal bij Leerplicht gemelde thuiszittende leerlingen in het po en vo verdubbeld. Ook procentueel is er sprake van een stijging als de aantallen worden afgezet tegen het totaal aantal jeugdigen. In schooljaar 2024/’25 gaat het bij de thuiszittende leerlingen zonder schoolinschrijving om 1 procent van het totaal aantal jeugdigen; bij de thuiszitters met schoolinschrijving om 0,2 procent. Thuiszitten komt voornamelijk voor in de middelbare schoolleeftijd (12 tot en met 17 jaar) en in mindere mate in de basisschoolleeftijd (5 tot en met 11 jaar). In schooljaar 2024/’25 ging het bij de thuiszitters zonder schoolinschrijving om 600 leerlingen in de middelbare schoolleeftijd en om 377 leerlingen in de basisschoolleeftijd. Bij degenen mét schoolinschrijving waren de cijfers respectievelijk 166 en 40 leerlingen. Figuur 4.8 Gemelde thuiszittende leerlingen (5 tot en met 17 jaar, minimaal 4 weken thuis) in het po en vo zonder en met schoolinschrijving, schooljaar 2020/’21-2024/’25 (aantallen) 1.200

977

1.000 800 600

867

874

179

189

206

2022/'23

2023/'24

2024/'25

701

470

400 200 109 0 2020/'21

132

2021/'22

thuiszitters zonder schoolinschrijving

thuiszitters met schoolinschrijving

bron: Leerplicht Amsterdam

58

In het primair onderwijs kunnen we op basis van het administratiesysteem van het Samenwerkingsverband PO 2 onderliggende trends herleiden. Ten eerste is het aantal nieuwe meldingen van thuiszitten gestegen van 84 naar 99 meldingen per jaar. Ten tweede zitten meer leerlingen langdurig thuis. Dat waren er 112 in 2024/’25 en 104 in 2021/’22. De meest voorkomende ondersteuningsbehoeften van thuiszittende basisschoolleerlingen volgen uit ontwikkelingsachterstanden, ernstige gedragsproblematiek, autismespectrumstoornissen en overprikkeling. De stijging van thuiszittende leerlingen zien we zowel in het regulier onderwijs als in het s(b)o. De cijfers van het Samenwerkingsverband VO tonen een vergelijkbare ontwikkeling, met een stijging van het aantal leerlingen met zorgwekkend verzuim van 245 in schooljaar 2023/’24 naar 307 in schooljaar 2024/’25. Zorgwekkend verzuim wil zeggen dat het wegblijven uit de lessen van invloed is op de schoolgang en op de ontwikkeling van de leerling. De stijging zet in het huidige schooljaar door: waar de teller in oktober 2024 op 261 stond, stond deze voor oktober 2025 op 313 meldingen. Ook de lengte van het verzuim neemt toe. Leerplicht heeft een kwalitatieve analyse uitgevoerd over alle 1.183 thuiszittersdossiers in schooljaar 2024/’25 – dan gaat het dus om nieuw aangemelde kinderen en kinderen die al langer thuiszitten (Gemeente Amsterdam, 2026).

Daaruit blijkt dat ongeveer een derde van de dossiers ten onrechte als thuiszitter is aangemerkt om administratieve redenen (zoals het nog moeten verwerken van in- en uitschrijvingen bij verhuizingen). Van de 821 resterende dossiers onderscheidt leerplicht de volgende groepen: • Kinderen en jongeren die thuiszitten met als onderliggende oorzaak uiteenlopende psychische klachten zoals angst, trauma of depressie, vaak in combinatie met oorzaken in de thuissituatie, neurodivergentie en sociale veiligheid • Kinderen en jongeren die verhuisden naar Amsterdam en in aanmerking komen voor nieuwkomersonderwijs • Kinderen van 5 of 6 jaar, waarvan de meerderheid behoefte heeft aan een andere leer- of ontwikkelroute wegens een ontwikkelingsachterstand, gedrag op school of de behoefte aan intensieve zorg/ begeleiding • Jongeren van 16- of 17-jarigen die langer dan een maand geen onderwijs volgen vanwege een verkeerde studiekeuze of motivatieproblemen en wachten op een nieuw startmoment in het mbo Aantal leerplichtvrijstellingen in funderend onderwijs neemt toe Het aantal leerplichtvrijstellingen is gestegen door de jaren heen. Het gaat om vrijstellingen op lichamelijke of psychische gronden (artikel 5a) en vanwege schoolgaand in het buitenland (artikel 5c). Waar de stijging in vrijstellingen vandaan komt, is moeilijk te zeggen. Landelijk is er ook een stijging, vooral onder artikel 5a.

Kinderen met een leerplichtvrijstelling op grond van lichamelijke of psychische beperkingen gaan bijvoorbeeld naar een kinderdagcentrum (KDC) of orthopedagogisch dagcentrum (ODC). Landelijk onderzoek geeft aan dat mogelijke oorzaken kunnen zijn: personeelstekorten in onderwijs en zorg, toegenomen werkdruk en het niet beschikbaar zijn van een passend onderwijsaanbod. In combinatie met unieke persoonskenmerken, eigenschappen en behoeften van een kind en een instabiele thuisomgeving kan dit leiden tot thuiszitten (Synhaeve et al., 2023). Een vrijstelling kan worden afgegeven voor een tijdelijke periode of voor de gehele onderwijsloopbaan. De meeste vrijstellingen zijn voor 4- en 5-jarigen, bij de start van de basisschool.

59

Figuur 4.9 Vrijstellingen per type, 2020/21-2024/’25 (aantallen) 700 600 500 400 300 200 100 0 2020/'21

2021/'22

2022/'23

2023/'24

2024/'25

artikel 3a: alternatieve onderwijsvorm (14+) artikel 3b: combinatie school-werk (16+) artikel 5 sub a: lichamelijke of psychische gronden artikel 5 sub b: levensbeschouwelijke overtuiging artikel 5 sub c: school in het buitenland artikel 15: volgen van ander onderwijs

bron: Leerplicht Amsterdam

De Amsterdamse ambitieagenda ‘Een kansrijk vervolg voor een kansrijke start’ omvat een plan om het recht op leren voor jonge kinderen waar te maken en daarmee minder vrijstellingen af te geven op basis van lichamelijke of psychische gronden (artikel 5a). De agenda is een samenwerking van de gemeente en het Samenwerkingsverband PO, het onderwijs en verschillende zorgpartners). Er is aanbod opgezet om onderwijs en zorg te combineren. Onderwijszorggroepen en zorgonderwijsgroepen De laatste jaren zijn er meer jonge kinderen met ontwikkelingsachterstanden. Basisscholen worstelen hiermee, het aantal wachtende jonge kinderen voor de gehandicaptenzorg is verviervoudigd en er zijn wachtlijsten voor speciaal onderwijs. Om deze redenen hebben de gemeente, zorg en onderwijs de handen ineengeslagen en plannen gemaakt voor het combineren van onderwijs en zorg voor het jonge kind, om daarmee minder vrijstellingen af te geven op basis van lichamelijke of psychische gronden (artikel 5a). ‘Onze visie is dat alle kinderen die langdurig wachten een zo regulier mogelijke plek nodig hebben om zich te ontwikkelen. Uiteindelijke doel is om alle kinderen samen in de buurt naar de voorschool of school te laten gaan, waar ze zich in eigen tempo met of zonder ondersteuning kunnen ontwikkelen.’ (Samenwerkingsverband PO Amsterdam-Diemen, 2025).

Een onderwijszorggroep is een ontwikkelplek voor 3 dagen in de week voor leerlingen van 4 tot 7 jaar met een intensieve ondersteuningsbehoefte. De groep is gehuisvest in een reguliere basisschool zodat het aanbod dicht bij het huis van de leerling, in de wijk, plaats kan vinden. Er zitten maximaal 8 kinderen in een groep met een leerkracht vanuit het speciaal onderwijs en een begeleider vanuit de aanvullende jeugdhulp. Begin 2026 zijn er 11 groepen actief in de stadsdelen Noord, Nieuw-West, Zuidoost en West. Het is de bedoeling om in 2026 door te groeien naar 21 groepen.

60

Een zorgonderwijsgroep is een intensievere vorm van zorg voor kinderen van 5 tot en met 18 jaar. Deze groepen bestaan al langer, maar nieuw is dat er naast zorg in schooljaar 2024/’25 onderwijs aan het aanbod is toegevoegd. Op 1 februari 2024 waren er 6 kinderen uit een zorgonderwijsgroep ingeschreven in het basisonderwijs; op 1 februari 2025 zijn dat 78 leerlingen.

4.4 Armoede Armoede in een gezin kan invloed hebben op het opgroeien van de kinderen (Nederlands Jeugdinstituut, z.d.). Het zorgt voor stress in een huishouden en de leefwereld van de kinderen is vaker klein. Terwijl een steeds groter deel van de Amsterdamse kinderen hbo/wo-opgeleide ouders heeft (zie hoofdstuk 1), en het gemiddeld besteedbaar huishoudinkomen elk jaar stijgt, is er ook een groep kinderen die opgroeit in armoede (O&S, 2024b). 4.4.1 23.000 Amsterdamse kinderen groeien op in minimahuishoudens Tussen 2015 en 2022 daalde het absolute aantal en het percentage kinderen (0-17 jaar) in een minimahuishouden, net als het totaal van Amsterdamse minimahuishoudens (O&S, 2025e). In 2023 kwam een einde aan de daling. In dat jaar leefde ruim 16 procent van de Amsterdamse kinderen in een minimahuishouden. Dit komt neer op ongeveer 23.000 kinderen. Het aandeel kinderen dat deel uitmaakt van een minimahuishouden is vooral hoog onder leerlingen in de basisschoolleeftijd. Van alle kinderen in minimahuishoudens woont meer dan de helft (55 procent) in een eenoudergezin. In Amsterdam is het percentage kinderen in een minimahuishouden lager dan in Rotterdam, vergelijkbaar met het percentage in Den Haag en hoger dan in Utrecht. Figuur 4.10 Minderjarige kinderen in een minimahuishouden, 2011-2023* (aantallen en procenten) 40.000 35.000

60% 34.600 34.700 34.600 34.600 32.400

31.200

30.000

50% 29.800

28.100

26.600 26.400

25.000 20.000

15.000

40%

25.000 22.200 23.000

25,3

25,2

24,9

24,5

30% 22,8

21,9

20,9

19,7

18,7

18,2

17,4

15,5

16,2

20%

10.000 10%

5.000 0

0% 2011 2012 2013 2014 2015 2016 2017 2018 2019 2020 2021 2022 2023*

aantal (linker-as)

percentage (rechter-as)

*Gegevens over 2023 zijn voorlopig. Vanaf 2020 zijn de gegevens inclusief Weesp. bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

61

In de stadsdelen Centrum, Zuid en stadsgebied Weesp is het aandeel kinderen in een minimahuishouden relatief laag (minder dan 10 procent van alle kinderen in het stadsdeel). In stadsdeel Zuidoost is dit het hoogst, namelijk 23 procent, wat neerkomt op bijna 3.600 kinderen. In absolute zin tellen Nieuw-West (19 procent, ruim 5.700 kinderen) en Noord (20 procent, bijna 4.200 kinderen) de meeste kinderen in een minimahuishouden. Ook in deze 2 stadsdelen zagen we na een jarenlange daling een lichte groei tussen 2022 en 2023. Figuur 4.11 Kinderen in een minimahuishouden per wijk*, voorlopige cijfers 2023 (procenten)

* Wijken met minder dan 100 huishoudens in de doelpopulatie zijn buiten beschouwing gelaten (grijs) bron: CBS-microdata: IIV, bewerking O&S

4.4.2 Krap wonende en dak- of thuisloze kinderen Amsterdamse kinderen groeien op in verschillende soorten huishoudens, ook als het gaat om de grootte van de woningen (O&S, 2025f). We spreken van ‘krap wonen’ als de bewoners van een adres 45 vierkante meter of meer tekortkomen. Om dit te kunnen bepalen, kijken we naar de combinatie van het aantal ingeschrevenen op een adres en de oppervlakte van de woning. Alle thuiswonende kinderen die met een ouder op hetzelfde adres wonen tellen mee. Het aantal kinderen dat volgens deze definitie krap woont in Amsterdam, is gedaald tussen 2011 en 2025. Hun aantal ging van 15.291 kinderen (8,4 procent) naar 10.922 kinderen (5,4 procent). Ook het aantal krap behuisden is ongelijk verdeeld over de stad: de percentages zijn het hoogst in West (36 procent, 5.697 kinderen) en Nieuw-West (34 procent, 7.892 kinderen). Uit een telling in het voorjaar van 2025 bleek dat er in Amsterdam 9.600 volwassenen dak- of thuisloos zijn en bijna 1.500 kinderen (Van Beek et al., 2025). De meesten van hen slapen niet op straat, maar verblijven bij familie of vrienden of in een tijdelijke opvang. Wel zijn bij de telling ook 14 dakloze kinderen op straat aangetroffen.

62

4.5 Gezondheid en welzijn Een gezonde levensstijl kan bijdragen aan het welzijn van leerlingen. Om een beeld te geven van de gezondheid van leerlingen, kijken we naar gegevens over hun mentale gesteldheid, over pesten, sport en bewegen, genotmiddelen- en beeldschermgebruik. Daarnaast brengen we in beeld hoeveel kinderen laagdrempelige hulp en ondersteuning ontvangen van de Amsterdamse Ouder- en Kindteams (OKT’s) en hoeveel jeugdigen in Amsterdam hulp krijgen vanuit de Jeugdwet. 4.5.1 Meiden zijn negatiever over hun mentale gezondheid dan jongens Ruim een kwart (28 procent) van de 5- en 10-jarige Amsterdamse kinderen vertoonde in de kalenderjaren 2022 en 2023 (erg) vaak angstig en verlegen gedrag (GGD Amsterdam, z.d.). Jongens en meiden verschillen hierin niet. Middelbare scholieren: ruim een kwart ervaarde psychische klachten Van de Amsterdamse middelbare scholieren in klas 2 en 4 ervaarde ruim een kwart (28 procent) psychische klachten (licht, matig, ernstig) in 2023, vergelijkbaar met 2021. De cijfers komen vrijwel overeen met landelijke cijfers en met die in de overige 3 grote steden. Bij 3 procent van de Amsterdamse scholieren ging het om ernstige psychische klachten. Meiden ervaren veel vaker psychische klachten dan jongens (37 procent versus 18 procent).

Iets minder dan de helft van de middelbare scholieren (44 procent) voelde zich in 2023 (zeer) vaak gestrest door school of huiswerk. Dit gold voor meiden vaker dan voor jongens (respectievelijk 54 en 32 procent). In 2021 voelde 40 procent van de leerlingen zich zo. Op de havo en in het vwo hebben meer leerlingen last van stress door school of huiswerk dan in het vmbo-b/k/g/t. Meiden op de havo en in het vwo hebben er de meeste last van: 60 procent, terwijl het om 33 procent van de jongens op dit schoolniveau gaat. Dit verschil zien we terug in elk schoolstadsdeel.

vmbo-b/k/g/t

havo/vwo

Figuur 4.12 Amsterdamse leerlingen (13-16 jaar) die psychische klachten en/of (zeer) vaak stress ervaren door school of huiswerk, naar niveau en geslacht, 2023 (procenten) 60

meiden

39 33

jongen

17 45

meiden

34 31

jongen

19 44

Amsterdam

0%

28

10%

20%

30%

40%

(zeer) vaak gestrest door school of huiswerk

50%

60%

70%

80%

psychische klachten

bron: GGD Amsterdam, Gezondheidinbeeld

63

Meiden ruim 2 keer zo vaak eenzaam als jongens In 2023 voelde ongeveer 10 procent van de Amsterdamse middelbare scholieren in klas 2 en 4 zich ‘vaak’ of ‘(bijna) altijd’ eenzaam. Er was gevraagd naar hun gevoel in de afgelopen maand. Die 10 procent komt overeen met de cijfers uit 2021 (GGD Amsterdam, z.d.). Meiden voelden zich ruim 2 keer zo vaak eenzaam als jongens. In Zuidoost en West liggen de percentages relatief hoog; in Nieuw-West juist relatief laag. In Amsterdam voelen scholieren zich iets vaker eenzaam dan hun leeftijdgenoten landelijk. Ongeveer een vijfde van de Amsterdamse middelbare scholieren (22 procent) had in een jaar tijd een enkele keer tot heel vaak suïcidegedachten. Dit aandeel was hetzelfde als in 2021 (GGD Amsterdam, z.d.) en komt overeen met landelijke cijfers en die in de andere 3 grote steden. Suïcidegedachten kwamen vaker voor onder Amsterdamse meiden dan onder jongens (respectievelijk 27 en 16 procent). Scholieren uit Zuidoost hebben ze vaker dan gemiddeld (33 procent). Meiden ervaren minder veerkracht dan jongens Ruim 40 procent van Amsterdamse middelbare scholieren in klas 2 en 4 gaf aan (in 2023) makkelijk te kunnen omgaan met stressvolle gebeurtenissen. Dit percentage is vergelijkbaar met het cijfer in 2021 (GGD Amsterdam, z.d.). Meiden geven dit minder vaak aan dan jongens en zij herstellen zich minder vaak snel na moeilijke periodes.

Ook als het gaat om weerbaarheid scoren meiden ongunstiger dan jongens. Amsterdamse leerlingen geven even vaak als leeftijdgenoten in de rest van Nederland aan veerkrachtig en weerbaar te zijn. Bijna 20 procent van de middelbare scholieren wordt gepest Bijna 20 procent van de middelbare scholieren in klas 2 en 4 is in 2023 gepest op school en/of online. Er was gevraagd naar de afgelopen 3 maanden. Van de scholieren die pestgedrag hadden ervaren, gaf 14 procent aan dat het op school gebeurde en 9 procent dat het online voorkwam (GGD Amsterdam, z.d.). Dit komt overeen met landelijke cijfers. Het ervaren pesten op school is in Amsterdam iets toegenomen in vergelijking met 2021 (van 9 naar 14 procent). 4.5.2 Leerlingen in Zuidoost, Nieuw-West en Noord sporten minder Bewegen in en om school is essentieel voor de gezondheid en ontwikkeling van kinderen en jongeren (Jansen, 2022). Uit cijfers van de GGD Amsterdam (2022-2023) blijkt dat 86 procent van de kinderen van 5 en 10 jaar wekelijks minstens een half uur bij een vereniging of club sport of beweegt (GGD Amsterdam, z.d.). Kinderen in de stadsdelen Zuidoost, Nieuw-West en Noord doen dat minder dan kinderen in andere stadsdelen. Van de 5 en 10jarigen speelt 59 procent dagelijks minstens 1 uur buiten, de kinderen in Zuidoost en NieuwWest relatief het minst (respectievelijk 50 en 52 procent).

Kijken we naar oudere kinderen, dan blijkt dat bijna drie kwart (73 procent) van de middelbare scholieren in klas 2 en 4 wekelijks bij een club of sportschool sport. Leerlingen in Zuidoost, Nieuw-West en Noord doen dit minder vaak dan leerlingen in andere stadsdelen. Slechts 15 procent beweegt dagelijks minstens 1 uur (een onderdeel van de beweegrichtlijn voor kinderen van 4 tot 18 jaar). Dit cijfer komt overeen met het landelijke percentage. Ruim 60 procent van de middelbare scholieren loopt of fietst 5 dagen per week naar school of stageplek. Dat is minder vaak dan landelijk (82 procent). Ook dit doen leerlingen in Zuidoost, Nieuw-West en Noord minder vaak dan leerlingen in andere stadsdelen. Leerlingen die havo of vwo volgen bewegen en sporten vaker dan leerlingen in vmbo-b/k/g/t. Jongens bewegen en sporten vaker dan meiden. 64

4.5.3 Middelengebruik is hoger onder meiden Van de Amsterdamse middelbare scholieren in klas 4 rookte 10 procent wekelijks in 2023. Van de leerlingen in klas 2 deed 2 procent dit. 9 procent van de vierdeklassers vapet wekelijks en 4 procent van de tweedeklassers. Gevraagd naar cannabisgebruik in de afgelopen maand gaf respectievelijk 13 en 2 procent aan dit te doen. 20 procent van de vierdeklassers is in de laatste 4 weken dronken of aangeschoten geweest; 3 procent van de tweedeklassers. Het genotmiddelengebruik ligt in de vierde klas hoger onder meiden dan onder jongens – met uitzondering van cannabisgebruik: dit is ongeveer gelijk. Op de havo en in het vwo zijn het cannabisgebruik en de alcoholinname hoger dan in de andere onderwijsniveaus, terwijl in vmbo-b/k/g/t juist vaker wordt gevapet. In stadsdeel Centrum en Zuid gebruiken scholieren meer middelen dan in de andere stadsdelen. Dit geldt in Weesp ook, specifiek voor vapen en alcoholgebruik. Vergelijking met landelijke cijfers laat zien dat Amsterdamse leerlingen minder vaak alcohol gebruiken en vapen dan landelijk. Wel hebben ze vaker ooit wiet of hasj gebruikt in vergelijking met leeftijdgenoten in de rest van het land en in de overige 3 grote steden. Figuur 4.13 Middelengebruik onder Amsterdamse leerlingen (klas 4), 2023 (procenten) 15 28

meiden havo/vwo

10 11 14 18

jongen

6

8

vmbo-b/k/g/t

9 16

meiden

15

13 8 9

jongen

0%

8 8 5%

10%

15%

20%

25%

30%

cannabis, afgelopen maand

dronken of aangeschoten, afgelopen maand

wekelijks vapen

wekelijks roken

bron: GGD Amsterdam, Gezondheidinbeeld

4.5.4 20 procent meiden ervaart problematisch gebruik van sociale media Ruim 80 procent van de 5- en 10-jarigen zit buiten school maximaal 2 uur achter een beeldscherm zoals TV, computer, tablet of smartphone (GGD Amsterdam z.d., cijfer 20222023). In Zuidoost ligt dit percentage beduidend lager (73 procent), dus hier brengen de kinderen gemiddeld meer uren door achter een beeldscherm. Tienjarigen zitten minder vaak maximaal 2 uur per dag achter een beeldscherm dan 5-jarigen (respectievelijk 75 en 92 procent). Dit betekent dat de oudere kinderen vaker langer dan 2 uur per dag achter een beeldscherm zitten dan de jongere.

65

Internationaal onderzoek wijst erop dat jongens en meiden verschillen in het gebruik van sociale media en gamen. Meiden gebruiken veel vaker sociale media en jongens gamen veel vaker (Leonhardt & Overa, 2021). Dit komt ook naar voren wanneer we kijken naar problematisch gebruik hiervan: 20 procent van de meiden op Amsterdamse middelbare scholen ervaarde in 2023 zelf een risico op problematisch gebruik van sociale media. Onder jongens was dit 10 procent. In 2023 ervaarden meer Amsterdamse leerlingen dergelijke risico’s dan in 2021. Voor problematisch gamen gaf 5 procent van de Amsterdamse jongens aan dit risico zelf te ervaren, onder meiden was dit maar 1 procent. De landelijke Scholierenmonitor stelde vast dat onder scholieren van 12 tot en met 16 jaar meiden ook daadwerkelijk vaker problematische gebruikers van sociale media zijn, terwijl jongens vaker problematisch gamen (Trimbos Instituut, 2023). 4.5.5 Discriminatie en racisme risico voor mentale gezondheid Discriminatie en racisme zijn structurele problemen, en vormen een risico voor de mentale gezondheid van jongeren (Kinderombudsman Metropool Amsterdam, 2025)). Ook in het Amsterdamse onderwijs komen discriminatie en racisme voor (Crul et al, 2024).

Het bespreken van maatschappelijke vraagstukken op scholen Najaar 2025 vroegen onderzoekers aan 271 respondenten werkzaam in het po en vo welke maatschappelijke vraagstukken er op hun school of in de lessen spelen. De respondenten gaven aan dat het meest spelen: conflicten in gebieden wereldwijd (bijvoorbeeld IsraëlPalestina en Oekraïne-Rusland), discriminatie en racisme, en in het bijzonder discriminatie van lhbtiqa+’ers. De manier waarop de vraagstukken in de scholen spelen, verschilt. Een vraagstuk kan worden besproken in de lessen, maar kan zich ook uiten in conflicten of discussies. Bij alle onderwerpen geeft een groter deel van de respondenten uit het vo dan uit het po aan dat dit bij hen op school of in de klas speelt (O&S, 2026b). Figuur 4.14 Wat voor maatschappelijke vraagstukken spelen er bij u op school en/of in uw lessen, po en vo (procenten) conflictgebieden wereldwijd

64 52

discriminatie

44

lhbtiqa+ discriminatie betwisten van democratische waarden

24 12

vrouwenhaat (misogynie) anders, namelijk

0%

76

49

racisme

weet ik niet, geen antwoord

76

11 5

70 66

28 42

18 16

20%

40%

po (n=148)

60%

80%

100%

vo (n=93) bron: O&S, 2025

66

4.5.6 Geboden jeugdhulp verschilt per stadsdeel Scholen ondersteunen hun leerlingen met passend onderwijs zo goed mogelijk. Maar kinderen krijgen ook op andere manieren zorg. Kort nadat de Wet passend onderwijs in werking trad, werd de Jeugdwet van kracht (1 januari 2015). Sindsdien zijn gemeenten verantwoordelijk voor het preventieve jeugdbeleid en de specialistische jeugdhulp. De Ouder- en Kindteams (OKT’s) bieden in Amsterdamse wijken hulp aan kinderen en jongeren tot 18 jaar en aan hun ouders en/of opvoeders. De teams bieden laagdrempelige jeugdhulp en jeugdgezondheidszorg. Ze bestaan uit ouder- en kindadviseurs, jeugdartsen, GZpsychologen, orthopedagoog-generalisten en jeugdverpleegkundigen. In 2024 leverden de OKT’s aan 5,5 procent van de jeugd van 0 tot en met 18 jaar een vorm van jeugdhulp (O&S, 2024c). De verschillen tussen de stadsdelen zijn groot. In Weesp en Centrum ligt het percentage verleende jeugdzorg door het OKT het laagst (respectievelijk 3,3 en 3,7 procent); in Zuidoost het hoogst (7,5 procent). Figuur 4.15 Jeugd (0 tot en met 18 jaar) in Amsterdam dat jeugdhulp ontvangt, 2024 (procenten) totaal

9,4

5,5

Centrum

10,1

3,7

Nieuw-West

8,8

5,4

Noord Oost

10,1

5,8

Weesp

8,5

3,3

West

9,8

5,2

Zuid

9,3

4,5

Zuidoost 0%

9,4

6,2

9,4

7,5 2%

4%

6%

jeugdvoorziening jeugdwet

8%

10%

12%

jeugdhulp OKT

bronnen: ZorgNed en OJZ, gegevens in BBGA

In 2024 ontvingen 14.760 jeugdigen in Amsterdam minstens 1 jeugdvoorziening binnen de Jeugdwet (O&S, 2024d). Dat komt neer op 9,4 procent van de 0 tot en met 18-jarigen in de stad. Het cijfer komt redelijk overeen met dat in de jaren ervoor (10 procent in 2023 en 9,2 procent in 2022). In de stadsdelen Centrum en Oost ligt dit percentage het hoogst (beide 10,1 procent). Daarna volgt West (9,8 procent). In stadsgebied Weesp (8,5 procent) en stadsdeel Nieuw-West (8,8 procent) liggen de aandelen relatief laag.

67

Integrale aanpak: de Amsterdamse Familiescholen vergroten leefwereld en welbevinden leerlingen Leerlingen hebben een uitdagende leeromgeving nodig om zich optimaal te kunnen ontwikkelen. Het gaat om meer dan onderwijs alleen. De thuissituatie en de buurt waarin een kind opgroeit, zijn ook van invloed op de ontwikkeling. De Amsterdamse Familieschool biedt makkelijk vindbare en brede ondersteuning (Gemeente Amsterdam z.d.) aan vanuit school, de plek die voor veel leerlingen én ouders veilig en vertrouwd voelt. Verspreid door de stad zijn 31 basisscholen en 14 middelbare scholen een Familieschool. Zij werken aan brede talentontwikkeling van leerlingen, ondersteunen extra bij de ontwikkeling van basisvaardigheden en bieden ouders ondersteuning aan bij geldzorgen. Ouders en alle (wijk)partners zijn met nadruk betrokken. (Mak et al, 2026). Uit onderzoek van het Kohnstamm Instituut blijkt dat deze aanpak verschillende positief ervaren effecten heeft: er ontstaat onder andere een grotere leefwereld voor leerlingen, hun welbevinden verbetert, net als hun schoolprestaties. Ook is er een sterkere relatie tussen school en ouders (Vaessen et al., 2023).

Leraren met meer vertrouwen in de aanpak van de Familieschool hebben hogere verwachtingen van hun leerlingen (dit geldt vooral voor leraren in het po) en besteden meer aandacht aan de thuissituatie en -cultuur van de scholieren (dit geldt vooral voor leraren in het vo). (Mak et al., 2026). ‘Als school hebben we een Familieloket en proberen we ouderparticipatie te koppelen aan thema’s. We organiseren informatieavonden voor ouders. De buurtagent kwam hier een keer een presentatie houden. Mensen van de Stadspas ook. Ouders krijgen informatie over goed met geld omgaan, ze krijgen tips om energie te besparen.’ (Groot Haar & Rijnberg, 2023)

68

5 Doorstroom en aansluitingen

Het basisschooladvies is een belangrijk moment in de schoolloopbaan van leerlingen. Het grootste deel van de Amsterdamse leerlingen in groep 8 krijgt een advies voor het vwo. In de stadsdelen Centrum en Zuid wonen relatief veel leerlingen met een vwo-advies. In de stadsdelen Nieuw-West en Zuidoost krijgen leerlingen juist relatief vaak het advies vmbo-b en/of vmbo-k. In vergelijking met het landelijk gemiddelde scoren Amsterdamse leerlingen vaker lager op de doorstroomtoets dan past bij hun voorlopig schooladvies. Bij leerlingen in Centrum, Nieuw-West, Oost en Zuid gebeurt dit het vaakst. Amsterdamse leerlingen scoren minder vaak dan landelijk hoger op de toets dan past bij het schooladvies. Dit gebeurt het vaakst bij leerlingen in Zuidoost en Noord. Bij zo’n hogere score zijn scholen sinds 2024 verplicht om het voorlopig advies naar boven bij te stellen (naar beneden bijstellen kan niet). Na de onderbouw kiezen leerlingen op de middelbare school een profiel. Meer Amsterdamse vwo-leerlingen kiezen voor een natuurprofiel dan voor een maatschappijprofiel. Op de havo zien we het tegenovergestelde, hier is het maatschappijprofiel populairder. De helft van de vmbo-g/t-leerlingen kiest voor het profiel Economie. Jongens zijn hierbij oververtegenwoordigd. De profielkeuzes van leerlingen op het vmbo-b en vmbo-k zijn gelijkwaardiger.

Het profiel techniek is onder alle vmboleerlingen het minst populair. In het Amsterdamse vmbo-g/t en op de havo zijn er in het voorexamenjaar meer zittenblijvers dan landelijk. In vwo-5 is het aandeel zittenblijvers de afgelopen 3 jaar afgenomen, net als in de landelijk cijfers. Het totale aandeel zittenblijvers is het grootst in Nieuw-West en Zuidoost, het laagst in Weesp. Tot slot halen in Amsterdam – in vergelijking met de rest van het land – veel leerlingen na een eerste schooldiploma nog een tweede diploma. Vooral de stapelroute van vmbo-g/t naar havo is populair.

5.1 Overstap van primair naar voortgezet onderwijs Met het basisschooladvies wordt bepaald op welk niveau en op welke middelbare school leerlingen hun schoolloopbaan kunnen voortzetten. Leerlingen krijgen in groep 8 eerst een voorlopig schooladvies. Daarna maken de leerlingen een toets waarmee hun basisvaardigheden voor lezen en rekenen worden getoetst. Tot en met schooljaar 2022/’23 werd deze eindtoets tussen half april en half mei afgenomen. Sinds 2023/'24 wordt de toets in februari afgenomen en heet hij de doorstroomtoets. De score en bijbehorend toetsadvies dat hieruit volgt is bijna altijd een dubbeladvies voor 2 schoolniveaus. Alleen het vwo wordt als enkel advies gegeven. Het toetsadvies is soms hoger dan het voorlopig schooladvies. Sinds de invoering van de doorstroomtoets zijn scholen na een hoger toetsadvies verplicht om het schooladvies (naar boven) bij te stellen. Alleen bij uitzondering kan de school besluiten het schooladvies te laten staan. Bijvoorbeeld als het personeel vindt dat het niet in het belang is van de leerling om het advies bij te stellen. Dit moet de school onderbouwen.

69

5.1.1 Resultaat doorstroomtoets bij 20 procent van de leerlingen hoger dan schooladvies In schooljaar 2024/’25 kwam uit de doorstroomtoets bij 20 procent van de Amsterdamse leerlingen een hoger advies dan het voorlopig schooladvies. Dit aandeel is redelijk stabiel over tijd. Landelijk ligt het hoger: in schooljaar 2024/’25 ging het om 29 procent van de leerlingen. Uit meerdere onderzoeken blijkt dat onderadvisering structureel vaker onder bepaalde groepen leerlingen voorkomt. Eerder onderzoek in Amsterdam toont aan dat meiden vaker worden ondergeadviseerd dan jongens (O&S, 2026c). Ook worden leerlingen met basisopgeleide ouders vaker ondergeadviseerd dan leerlingen met mbo-opgeleide ouders of hbo/wo-opgeleide ouders (O&S, 2022c). Hetzelfde beeld is landelijk te zien (Bel & Zhu, 2025; Soeterik et al., 2025). Ook naar stadsdeel zien we verschil. In Zuidoost en Noord viel de doorstroomtoets het vaakst hoger uit (respectievelijk 33 en 30 procent). Tussen schooljaar 2020/’21 en 2022/’23 – toen er nog sprake was van de centrale eindtoets – kreeg ongeveer de helft van de leerlingen na het halen van een hoger toetsadvies een bijgesteld (en dus hoger) schooladvies. In 2023/’24 steeg dit naar 87 procent. Dit was het schooljaar waarin het voor het eerst verplicht was om het advies na hoge resultaten op de doorstroomtoets bij te stellen.

Bij de helft van de Amsterdamse leerlingen een lager toetsresultaat Bij de helft van de Amsterdamse leerlingen kwam uit de doorstroomtoets juist een lager advies dan het voorlopig schooladvies. Dit aandeel heeft altijd al hoog gelegen in Amsterdam in vergelijking met de rest van Nederland (40 procent). In Centrum, Nieuw-West, Oost en Zuid kwam uit de doorstroomtoets bij relatief veel leerlingen een lager niveau dan het voorlopig schooladvies. Het voorlopig advies blijft in dit geval staan en wordt niet naar beneden bijgesteld. Figuur 5.1 De uitslag van de doorstroomtoets ten opzichte van het voorlopig schooladvies per stadsdeel, schooljaar 2024/’25 (procenten) Amsterdam Centrum

20

7

51

35

Nieuw-West

59

20

Noord Oost

29

22

57

30

30

16

40

29

56

Weesp

21

32

47

West

22

33

46

Zuid Zuidoost 0%

10

35

54

33 20%

25 40% hoger

42 60%

gelijk

80%

100%

lager

bron: DUO, bewerking O&S

Het aandeel leerlingen met een hoger toetsadvies dan het voorlopig schooladvies is sinds schooljaar 2020/’21 in de meeste stadsdelen afgenomen. De sterkste daling heeft plaatsgevonden in Nieuw-West, van 29 procent naar 20 procent van de leerlingen. In Noord, Oost en Zuid is dit aandeel vrijwel stabiel gebleven.

70

Figuur 5.2 Leerlingen in Amsterdam die een hoger toetsadvies behalen dan het voorlopig schooladvies per stadsdeel 2020/’21-2024/’25 (procenten) 50%

40%

30%

20%

10%

0% 2020/'21

2021/'22

2022/'23

2023/'24

Centrum

Nieuw-West

Noord

Oost

West

Zuid

Zuidoost

Amsterdam

2024/'25 Weesp

bron: DUO, bewerking O&S

5.1.2 Vwo-advies wordt het vaakst gegeven Het grootste deel van de Amsterdamse groep 8-leerlingen krijgt een advies voor het vwo. In schooljaar 2024/’25 ging het om 28 procent. Dit aandeel is weer licht gestegen ten opzichte van een jaar eerder. Leerlingen kunnen ook een advies krijgen op 2 niveaus, zoals vmbog/t/havo. Dat heet een dubbeladvies. Sinds de invoering van de doorstroomtoets in schooljaar 2023/’24 worden er meer dubbeladviezen gegeven. Dit komt doordat de toets alleen nog dubbele adviezen geeft, op het enkele vwo-advies na. Meer dan de helft van de leerlingen (56 procent) gaat met een havo en/of vwo-advies op zak naar het vo. Figuur 5.3 Ontwikkelingen in schooladviezen Amsterdamse basisschoolleerlingen in groep 8, 2020/’21 - 2024/’25 (procenten) 30% 25% 20% 15% 10% 5%

0%

praktijk vmbo-b vmbo-b/k vmbo-k onderwijs 2020/'21

2021/'22

vmbo- vmbo-g/t vmbok/g/t g/t/havo 2022/'23

2023/'24

havo

havo /vwo

vwo

2024/'25

bron: DUO, bewerking O&S

71

In de stadsdelen Centrum en Zuid wonen relatief veel leerlingen met een advies voor het vwo, respectievelijk 53 procent en 40 procent. In de stadsdelen Nieuw-West en Zuidoost krijgen leerlingen dit advies juist relatief weinig. Ze krijgen hier juist relatief vaak het advies voor vmbo-b en/of vmbo-k: respectievelijk 23 procent en 38 procent. Als gezegd, in Zuidoost ligt het aandeel leerlingen met een hoger advies uit de doorstroomtoets dan het voorlopig schooladvies relatief hoog (33 procent in schooljaar 2024/’25). Over de jaren heen zien we dat de trends in de verschillende stadsdelen als het gaat om de schooladviezen, nauwelijks veranderen. Figuur 5.4 Niveaus schooladviezen per woonstadsdeel, schooljaar 2024/’25 (procenten)

bron: DUO, bewerking O&S

5.1.3 Minder scholen kiezen voor de Cito-toets Basisscholen kunnen voor de doorstroomtoets kiezen uit diverse toetsaanbieders. Sinds schooljaar 2023/'24 is er 1 landelijke normering die geldt voor alle toetsen. Het College voor Toetsen en Examens concludeerde in 2025 net als in het jaar ervoor wel verschillen in prestaties tussen de toetsen. Het ging om verschillen in toetsadviezen en in percentages behaalde referentieniveaus. Het College voor Toetsen en Examens doet blijvend onderzoek naar de factoren die de resultaten beïnvloeden. Het aantal scholen dat kiest voor de toets van Cito is in de afgelopen jaren afgenomen. Cito maakte tot schooljaar 2022/’23 de Centrale Eindtoets (CET). Sinds 2023/’24 gaat het om de Leerling in beeld-doorstroomtoets (LiB). De toets van Cito wordt nog steeds het meest gebruikt in Amsterdam: in schooljaar 2024/’25 door 62 procent van de scholen. Daarnaast kiezen steeds meer Amsterdamse scholen voor de IEP Doorstroomtoets van Bureau ICE. In 2024/'25 ging het om een kwart van de scholen. Landelijk worden de Leerling in beeld-doorstroomtoets en de IEP Doorstroomtoets ook het meest gebruikt: allebei door 40 procent van de scholen.

72

Figuur 5.5 Amsterdamse basisscholen per toetsaanbieder, schooljaar 2017/’18 tot en met 2024/’25 (procenten) 100% 90% 80% 70%

60% 50% 40% 30% 20%

10% 0%

2017/'18

CET/LiB 2018/'19

IEP 2020/'21

ROUTE 8 2021/'22

Dia

AMN

DOE

2022/'23

2023/'24

2024/'25

bron: DUO, bewerking O&S

Vroege en late selectie in het onderwijs Het Nederlands onderwijssysteem selecteert leerlingen voor een onderwijsniveau als ze in groep 8 zitten. De kinderen zijn dan 11 tot 13 jaar. In vergelijking met andere Europese landen is deze selectie vrij vroeg. Zo selecteren 26 andere Europese landen pas na 14-jarige leeftijd. 11 andere Europese landen doen het net als Nederland tussen 10 en 13-jarige leeftijd. Leerlingen uit minder gunstige sociaaleconomische contexten en laatbloeiers hebben hierdoor minder tijd zich te ontwikkelen. Deze leerlingen ontvangen daardoor vaker een te laag schooladvies, waardoor zij later minder vaak doorstromen naar het hoger onderwijs (Onderwijsraad, 2021). Het uitstellen van de selectie tot een latere leeftijd kan deze leerlingen betere kansen geven om zich langer te ontwikkelen en de kansengelijkheid zo bevorderen (European Commission/EACEA/Eurydice, 2020). Hoewel we landelijk vroeg selecteren, zoekt een deel van de Amsterdamse scholen naar verschillende manieren van uitgestelde selectie, om zo de voordelen daarvan te benutten. Uit een peiling onder 65 scholen uit het funderend onderwijs blijkt dat scholen bijvoorbeeld een meerjarige brugperiode aanbieden met heterogene klassen (zoals een vmbo-t/havoklas) of een kopklas waarin leerlingen een jaar extra onderwijs volgen tussen het po en vo in (Samenwerkingsverband VO Amsterdam-Diemen, 2025b).

Ook hebben scholen brede brugklassen waarin leerlingen van álle adviezen samen zitten. Verder blijkt dat scholen mét en zónder uitgestelde selectie behoefte hebben aan structurele financiering voor de scholing van leraren, aan meer brede brugklassen en brede scholen, en aan beschikbare informatie over uitgestelde selectie voor leerlingen en ouders.

73

5.1.4 Voldoende plek in het vo, maar niet op alle scholen In Amsterdam worden leerlingen op middelbare scholen geplaatst via de Centrale Loting en Matching. Dit is een systeem met als doel om zoveel mogelijk leerlingen op de middelbare school van hun voorkeur te plaatsen. Leerlingen uit groep 8 leveren eind maart digitaal een lijst aan met hun voorkeursscholen. Leerlingen met een advies voor vmbo-b tot en met vmbo-k/t geven 4 voorkeursscholen op, leerlingen met een advies voor vmbo-g/t of vmbog/t/havo 6. En leerlingen met een advies voor havo, havo/vwo of vwo gaven in 2025 eenmalig 9 in plaats van 12 scholen op. Na de opgave krijgt elke leerling een lotnummer. Vervolgens worden alle leerlingen op volgorde van hun lotnummer geplaatst, gebruikmakend van een wiskundig algoritme (Vereniging OSVO, 2025). Op 10 april 2025 werd de uitslag van de loting en matching bekendgemaakt voor schooljaar 2025/’26. Er deden 7.650 leerlingen mee om op een van de 9.887 beschikbare plaatsen op scholen terecht te komen. Daarmee zijn er dus meer plaatsen dan leerlingen. Drie kwart van de leerlingen werd ingeloot op de school van eerste voorkeur. Daarnaast werd 91 procent op een school in de eigen top-3 geplaatst. 96 procent van de leerlingen kwam uit bij een school in de eigen top-5 (Vereniging OSVO, 2025). Deze percentages zijn vergelijkbaar met voorgaande jaren.

De kans om ingeloot te worden op een school van eigen voorkeur, wisselt per niveau van het basisschooladvies. Het aandeel leerlingen dat binnen de eigen top-3 scholen werd geplaatst, lag het laagst onder de groep met het dubbeladvies havo/vwo (83 procent), gevolgd door de groep met een advies voor havo (88 procent) en vwo (89 procent). Leerlingen met een advies voor vmbo-b, vmbo-b/k en vmbo-k werden allemaal binnen hun top-3 geplaatst. Voor de leerlingen met een advies voor vmbo-g/t gold dit voor 97 procent.

5.2 Voortgezet onderwijs 5.2.1 Natuurprofiel populair op vwo, maatschappijprofiel op havo Op havo- en vwo-niveau kiezen de leerlingen in het derde leerjaar een profiel. Er is keuze uit 4 profielen, maar leerlingen kunnen de profielen ook combineren. De 2 natuurprofielen zijn Natuur en Techniek, en Natuur en Gezondheid. De 2 maatschappijprofielen zijn Economie en Maatschappij, en Cultuur en Maatschappij. In het Amsterdamse vwo kiezen meer leerlingen een natuurprofiel dan een maatschappijprofiel: respectievelijk 56 en 44 procent van de vwo leerlingen in leerjaar 4 tot en met 6 (schooljaar 2025/’26). Op de havo zien we het tegenovergestelde. Hier kiezen meer leerlingen een maatschappij- dan een natuurprofiel: respectievelijk 70 en 30 procent van de havo leerlingen in leerjaar 4 en 5 in schooljaar 2025/’26. Vooral Economie en Maatschappij is een populair profiel op de havo, 48 procent van alle havo leerlingen volgde dit profiel in schooljaar 2025/’26. Landelijk zien we dezelfde verhoudingen in profielkeuzes op de havo en in het vwo.

74

Figuur 5.6 Gekozen profielen op de havo (klas 4-5) en het vwo (klas 4-6) naar geslacht, 2025/’26 (aantallen) Cultuur en Maatschappij 217

608

vwo

Economie en Maatschappij

1.217

E&M / C&M

303

Natuur en Gezondheid

373

707

Natuur en Techniek

1.394

982

N&T / N&G

443

Cultuur en Maatschappij

538 495

276

jongen

787

Economie en Maatschappij havo

918

meiden

1.538

1.038

E&M / C&M 53 74 Natuur en Gezondheid

406

Natuur en Techniek

659

267 101

N&T / N&G 101 95 0

500

1.000

1.500

2.000

2.500

3.000

bron: DUO/O&S

Leerlingen in het vmbo kiezen in het tweede leerjaar een profiel. De 4 profielen zijn hier (1) Economie, (2) Zorg en welzijn, (3) Techniek, (4) Landbouw (Groen). Ook hier kunnen leerlingen, net als op de havo en in het vwo, profielen combineren. In het vmbo heet dit een ‘intersectoraal profiel’. Het profiel Economie bevat de richting Economie en ondernemen, en de richting Horeca, bakkerij en recreatie. Het profiel Techniek bevat de richting Media, vormgeving en ICT, de richting Produceren, installeren en energie, de richting Bouwen, wonen en interieur, en tot slot de richting Mobiliteit en transport. Bijna de helft van de leerlingen in het vmbo-g en vmbo-t (leerjaar 3 en 4) volgde in schooljaar 2024/’25 het profiel Economie. Jongens waren oververtegenwoordigd. Ook bij Techniek, slechts gekozen door 12 procent van de vmbo-g/t-leerlingen, zien we een oververtegenwoordiging van jongens. Profiel Zorg & welzijn werd gevolgd door 3 op de 10 vmbo-g/t leerlingen, hier zijn juist meiden oververtegenwoordigd. Landelijk zien we dezelfde verhoudingen in profielkeuzes. Alleen Economie wordt wat minder vaak gekozen dan in Amsterdam; het profiel Landbouw wat vaker. Leerlingen in vmbo-b en vmbo-k (leerjaar 3 en 4) kiezen gelijkwaardiger voor de verschillende profielen.

Naar geslacht zien we eenzelfde beeld als bij vmbo-g/t: jongens kiezen vaker Economie en Techniek, meiden vaker Zorg en welzijn. Landelijk kiezen leerlingen in het vmbo-b en vmbo-k vaker voor het profiel Techniek dan in Amsterdam (respectievelijk 23 en 11 procent).

75

Figuur 5.7 Gekozen profielen in vmbo-b/k/g/t (klas 3-4) naar geslacht, 2025/’26 (aantallen) 1.107 368

Techniek

789 827

356 133

Landbouw (Groen) 53 54 Intersect. programma/ geen profiel 187 266 Economie 244 158 Zorg & welzijn 117 401 Techniek 160 42

vmbo-k

vmbo-g/t

Economie Zorg & welzijn

jongen

Landbouw (Groen) 82 73 Intersect. programma 314 195

meiden

vmbo-b

Economie 145 90 Zorg & welzijn 156 231 Techniek 124 15 Landbouw (Groen) 86 79 Intersect. programma 222 0

108 500

1.000

1.500

2.000

2.500

bron: DUO/O&S

5.2.2 Meer zittenblijvers vmbo-g/t en havo dan landelijk Gemiddeld blijft ongeveer 9 procent van de Amsterdamse leerlingen een keer zitten (doubleert) tussen leerjaar 1 en het voorexamenjaar. Landelijk zien we een lager percentage zittenblijvers: gemiddeld 6 procent van de leerlingen in hun schoolloopbaan. Het aandeel doubleurs is het grootst op de havo en vooral in het vierde leerjaar. In de overgang van schooljaar 2023/’24 naar 2024/’25 bleef 18 procent van de Amsterdamse leerlingen in havo 4 zitten, landelijk was het 14 procent. In datzelfde overgangsjaar bleven er ook in leerjaar 3 van vmbo-g/t meer leerlingen in Amsterdam zitten dan gemiddeld in Nederland: respectievelijk 13 en 8 procent. Het aandeel zittenblijvers in het Amsterdamse vwo in leerjaar 5 is de afgelopen 3 jaar afgenomen van 9 naar 6 procent. Landelijk zien we een soortgelijke daling in het vwo. Figuur 5.8 Doubleurs voorlaatste jaar middelbare school per niveau, Amsterdam (wonend) en Nederland schooljaar 2021/’22-2022/’23 tot en met 2023/’24-2024/’25 (procenten) 25% 20 19 18

20%

15% 10% 5% 0%

17 15 14

13 12 9 7 8

9

7

7 4

6 6

5

vmbo-b 3 vmbo-k 3 vmbo-g/t 3

havo 4

vwo 5

5

4

8

5 5

vmbo-b 3 vmbo-k 3 vmbo-g/t 3

Amsterdam 2021/'22-2022/'23

7 7 8

8 7

havo 4

7

5

vwo 5

Nederland 2022/'23-2023/'24

2023/'24-2024/'25*

bron: CBS Statline, bewerking O&S

76

Binnen Amsterdam verschilt het aantal doubleurs per stadsdeel. We kijken hierbij naar het stadsdeel waarin de leerlingen naar school gaan. In het meest recente overgangsjaar was dit aandeel het grootst in Nieuw-West en Zuidoost (beide 10 procent) en het laagst in Weesp (4 procent). In Zuidoost is het aandeel zittenblijvers gestegen in de afgelopen 3 jaar. Figuur 5.9 Doubleurs voorlaatste jaar middelbare school per stadsdeel (schoolgaand) voor alle onderwijssoorten samen, schooljaar 2021/’22-2022/’23 tot en met 2023/’24-2024/’25 (procenten)

bron: DUO, bewerking O&S

5.2.3 Leerlingen in het vmbo-g/t stapelen het vaakst diploma’s In schooljaar 2023/’24 haalde 57 procent van de examenleerlingen een havo- of vwodiploma in Amsterdam. In Nederland ging het om 48 procent. Het aandeel examenleerlingen dat een vwo-diploma haalt, is in Amsterdam de afgelopen jaren sterk toegenomen: van 23 procent in schooljaar 2015/’16 naar 30 procent in 2023/’24. Landelijk is deze trend niet terug te zien. Ook het aandeel examenleerlingen dat een havodiploma haalt, is in Amsterdam in dezelfde periode toegenomen: van 23 naar 27 procent. In Nederland was dit aandeel over de jaren stabiel. Er is een daling te zien in het aandeel Amsterdamse examenleerlingen dat een vmbo-b diploma haalt: van 15 procent in 2025/’16 naar 6 procent in 2023/’24. Landelijk nam dit aandeel af van 11 naar 9 procent. Na het behalen van een diploma kunnen leerlingen ervoor kiezen om een tweede diploma in het voorgezet onderwijs te halen vóórdat ze de overstap naar vervolgonderwijs maken. Deze leerlingen worden stapelaars genoemd. Het stapelen van diploma’s in het voortgezet onderwijs doen scholieren op elk niveau, er wordt alleen nauwelijks gestapeld van vmbo-k naar vmbo-g/t. Dat komt met name door de mogelijkheid om met een vmbo-k diploma in te stromen in mbo-4-opleidingen. Stapelen met een vmbo-g/t diploma geeft dus geen extra mogelijkheden voor vervolgopleidingen.

In het Amsterdamse voortgezet onderwijs wordt relatief veel gestapeld in vergelijking met het landelijk gemiddelde. Vooral de route van vmbo-g/t naar havo is populair: 14 procent van de leerlingen die in schooljaar 2011/’12 tot en met 2018/’19 zijn gestart op het vmbog/t, hebben naast het vmbo-g/t diploma ook een havodiploma gehaald. Amsterdamse gediplomeerd havisten maken ook geregeld de overstap naar het vwo. Van de leerlingen die in schooljaar 2011/’12 tot en met 2018/’19 zijn gestart met havo, haalde 6 procent zowel

77

een havo- als een vwo-diploma. De meeste stapelaars halen een tweede diploma binnen de nominale tijd. Er is weinig verschil in het aandeel stapelaars tussen Amsterdam en de andere grote steden. In Rotterdam halen leerlingen met een vmbo-g/t diploma het minst vaak ook een havodiploma (O&S, 2025g). Figuur 5.10 Leerlingen die na het behalen van een eerste diploma een tweede diploma stapelen. Links voor Amsterdam per niveau eerste diploma en startjaar vo. Rechts Amsterdam in vergelijking met andere grote steden en alle cohorten bij elkaar (procenten)

bron: CBS, bewerking O&S

78

6 Aansluiting onderwijs en arbeidsmarkt

Verzuim kan een signaal zijn voor voortijdig schooluitval. Bij 3,1 procent van de leerplichtige leerlingen (5 tot en met 17 jaar) is er in Amsterdam sprake van relatief verzuim: de leerplichtige kinderen of kwalificatieplichtige jongeren zijn ingeschreven op een school, maar verzuimen tijdens schooltijd of komen veelvuldig te laat. Het percentage relatief verzuim is vergelijkbaar met eerdere jaren en hoger in het vo dan in het po. Van alle Amsterdamse jongeren van 18 tot en met 22 jaar had 70 procent een startkwalificatie in 2024. Dat wil zeggen dat zij een diploma havo, vwo, mbo niveau 2 of hoger hadden. Het halen van een startkwalificatie hangt samen met de sociaaleconomische score van de ouders. De leerlingen die zo’n diploma hebben, zijn daardoor ongelijk verdeeld over de stad. Het aandeel nieuwe voortijdig schoolverlaters lag in Amsterdam met 3,1 procent in schooljaar 2023/’24 hoger dan in de 3 andere grote steden Den Haag, Rotterdam en Utrecht. Het lag ook hoger dan het landelijk gemiddelde.

6.1 Verzuim, startkwalificaties en voortijdig schoolverlaters In schooljaar 2023/’24 woonden er in Amsterdam in totaal ruim 112.450 leerplichtige leerlingen (5 tot en met 17 jaar) en bovenleerplichtige leerlingen (18 tot en met 22 jaar, dus zonder diploma op minimaal havo-, vwo- of mbo-2-niveau). Zij volgden onderwijs in het primair, voortgezet of middelbaar beroepsonderwijs. Als gezegd, bij 3,1 procent van de leerplichtige leerlingen (5 tot en met 17 jaar) is er sprake van relatief verzuim (Directie Onderwijs, 2025). Dit is vergelijkbaar met eerdere jaren. Er is sprake van relatief verzuim als leer-, of kwalificatieplichtige kinderen of jongeren ingeschreven staan op school, maar tijdens schooltijd verzuimen. Ook veelvuldig te laat komen wordt hiertoe gerekend.

79

6.1.1Verschillen tussen onderwijssoorten in verzuimcijfers In het po is het aandeel verzuimende leerlingen het laagst (0,3 procent). In het so is het hoger voor zowel leerplichtigen (5,9 procent) als voor bovenleerplichtigen (2,5 procent). Figuur 6.1 Meldingen van (ongeoorloofd) verzuimende leerlingen op Amsterdamse scholen per onderwijssoort, 2019/’20-2023/’24 (procenten) 15%

10%

5%

0% 2019/'20

2020/'21

2021/'22

2022/'23

2023/'24

primair onderwijs

speciaal onderwijs leerplichtig

voortgezet onderwijs leerplichtig

speciaal onderwijs bovenleerplichtig

voortgezet onderwijs bovenleerplichtig

bron: directie Onderwijs, Leerplicht

6.1.2 Aandeel nieuwe voortijdig schoolverlaters hoger dan landelijk Verzuim kan een signaal zijn voor voortijdig schooluitval. Er is sprake van voortijdig schooluitval als jongeren van 12 tot 23 jaar het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie, dus zonder een diploma havo, vwo of mbo niveau 2, 3 of 4, hbo- of wo. Een vmbo-diploma of een afgeronde mbo-opleiding op niveau 1 geldt niet als startkwalificatie. Van alle Amsterdamse jongeren van 18 tot en met 22 jaar had 70 procent een startkwalificatie in 2024. 9 procent had die kwalificatie (nog) niet en was niet schoolgaand. De overige Amsterdamse jongeren zonder startkwalificatie waren nog schoolgaand (13 procent) of vallen buiten de doelgroep (9 procent), bijvoorbeeld omdat ze uitwisselingsstudent of EU-arbeidsmigrant zijn. Jongeren aan de randen van de stad halen gemiddeld minder vaak een startkwalificatie: in de stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost. Al zien we in deze stadsdelen ook verschillen per wijk.

80

Figuur 6.2 Jongeren met startkwalificatie, 18-22 jaar, per wijk, 2024 (procenten)

bron: directie onderwijs, Erisa, bewerking O&S

Het halen van een startkwalificatie hangt samen met de sociaaleconomische score van de ouders. Bijna alle jongeren van ouders met een hoge sociaaleconomische score hebben een startkwalificatie. Dat is minder onder jongeren van ouders die op dit gebied laag scoren (O&S, 2024e). Voortijdig schoolverlaten wordt als een maatschappelijk probleem gezien, omdat het de arbeidsparticipatie en sociale aansluiting van jongeren belemmert. Van de 12 tot 23-jarige Amsterdammers had 3,1 procent het onderwijs verlaten zonder startkwalificatie in schooljaar 2023/’24. Dit is hetzelfde percentage als in de 2 schooljaren ervoor. Het gaat om nieuwe voortijdig schoolverlaters. Het aandeel nieuwe voortijdig schoolverlaters lag in 2023/’24 hoger dan 4 en 3 jaar eerder (in schooljaren 2019/’20 en 2020/’21). Toen was het 2,4 procent. In 2023/’24 was het aandeel voortijdig schoolverlaters elders lager dan in Amsterdam. Hier in de stad was het 3.1 procent, landelijk 2,3 procent, in Utrecht 2,2 procent, in Den Haag 2,8 procent en in Rotterdam 2,9 procent (DUO, z.d.).

6.2 Loopbaan- en oriëntatiebegeleiding Om leerlingen beter voor te bereiden op hun studie- en beroepskeuzes, bieden scholen loopbaan- en oriëntatiebegeleiding (LOB) aan. LOB heeft als doel leerlingen te helpen hun talenten, interesses en kwaliteiten te ontdekken en ze een bewuste keuze te laten maken 81

voor een passende opleiding of beroep. Het kan dus helpen bij de overstap van po naar vo, en bij de overstap naar vervolgonderwijs ná het funderend onderwijs. LOB kan ook helpen om uitval te voorkomen. Loopbaanbegeleiding op Amsterdamse vmbo-scholen Het Samenwerkingsverband VO (2024) heeft een meting uitgezet bij 26 Amsterdamse vmboscholen om te inventariseren hoe zij leerlingen voorbereiden op studie- en beroepskeuze. Scholen vullen LOB zelf in of maken gebruik van externe aanbieders Uit de inventarisatie blijkt dat scholen LOB op verschillende manieren benaderen, maar dat decanen altijd een sleutelrol vervullen, samen met mentoren. Er zijn scholen die zelf een eigen LOB-route ontwikkelen, met daarin alle aan LOB-gelinkte activiteiten zoals mentorgesprekken, interessetesten, gastlessen en het samenstellen en presenteren van een eigen dossier. Ongeveer een derde van de scholen werkt met een ingekocht LOBprogramma, dat ook deze opdrachten bevat. Sommige scholen beginnen al met LOB in de onderbouw via zelf samengestelde vakken als ‘Persoonsvorming en Socialisatie’ en ‘Talentontwikkeling’. Decanen kunnen niet zonder schoolleiding en ouders Als het gaat om de landing van en betrokkenheid bij het LOB-programma in de school, dan valt op dat niet 1 lid van het managementteam zichzelf noemt als sparringpartner van de decaan op dit gebied.

Dit staat haaks op het feit dat veel decanen juist graag meer ondersteuning en aansturing vanuit het management willen krijgen. Bij veel scholen lijkt de rol- en taakverdeling binnen LOB niet geheel duidelijk voor alle betrokkenen. Daarnaast zien veel scholen het als een uitdaging om zowel het onderwijsteam als de ouders goed te blijven betrekken bij het LOB-programma. Dit wordt nog eens bemoeilijkt door personeelswisselingen waarmee expertise en continuïteit verloren gaan.

82

7 Literatuurlijst

Bel, K., & Zhu, D. (2025). Verschil in schooladvies tussen jongens en meiden. Meiden op achterstand. Dienst Uitvoering Onderwijs. Opgehaald van https://duo.nl/open_onderwijsdata/images/verschil-in-schooladvies-tussen-jongensen-meiden.pdf Binnenplaats. (2023). SO Expertise op het regulier: Rosj Pina. Opgehaald van https://binnenplaats.com/so-expertise-op-het-regulier-rosj-pina/ Binnenplaats. (2025). De Bamboegroep is er voor jonge kinderen die nog niet schoolrijp zijn. Opgehaald van https://binnenplaats.com/jonge-reporters-bij-de-bamboegroep/ Centerdata. (2025a). Personeelstekorten primair onderwijs. Peildatum 1 oktober 2025. Opgehaald van https://www.mirrorpedia.nl/content/tekortmeting-po-2025.pdf Centerdata. (2025b). Personeelstekorten voortgezet onderwijs. Peildatum 1 oktober 2025. Opgehaald van https://www.mirrorpedia.nl/content/tekortmeting-vo-2025.pdf Crul, M., Steinmetz, C., & Lelie, F. (2024). Achterstelling en Discriminatie in het Amsterdamse Onderwijs. Vrije Universiteit Amsterdam. https://research.vu.nl/en/publications/achterstelling-en-discriminatie-in-hetamsterdamse-onderwijs/ DUO. (z.d.). Dashboards voortijdig schoolverlaten (vsv), jongeren zonder werk en onderwijs (neet) en jongeren in een kwetsbare positie (jikp) [Dataset]. https://informatieproducten.duo.rijkscloud.nl/public/dashboardvsvopen/ European Commission/EACEA/Eurydice. (2020).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16942935/1