Rapportage Economische zelfstandigheid vrouwen 2020
Tekst van het document
-
Economische zelfstandigheid vrouwen en achterliggende patronen Arbeidsparticipatie, loonongelijkheid, verdeling werk en zorgtaken, en kwetsbare groepen Onderzoek, Informatie en Statistiek
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
In opdracht van: Diversiteit Projectnummer: 20368 Auteurs:
Ellen Lindeman, Ranu Sewdas, Marleen Rijksen, Idske de Jong
Bezoekadres: Weesperstraat 113-117 Postbus 658, 1000 AR Amsterdam
data.amsterdam.nl
Amsterdam, april 2021 Foto voorzijde: Weteringcircuit, fotograaf Shirley de Jong (2014)
2
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Inhoud
Samenvatting
5
Economische zelfstandigheid van vrouwen Loonongelijkheid Wensen van deeltijdwerkende vrouwen Verdeling arbeid en zorg
5 6 7 7
Inleiding
9
1 Economische zelfstandigheid
13
1.1 Alleenstaande moeders minder vaak economisch zelfstandig 1.2 Laagopgeleide vrouwen veel minder vaak economisch zelfstandig 1.3 Vrouwen met niet-westerse achtergrond veel minder vaak economisch zelfstandig
14 19 21
2 Loonongelijkheid
23
2.1 Loonkloof het grootst onder voltijdbanen en hoogopgeleiden 2.2 Grootste ongecorrigeerde loonkloof in sector cultuur, sport en recreatie 2.3 Gecorrigeerde loonkloof kleiner 2.4 Loonkloof grootst onder hoogopgeleiden zonder migratieachtergrond 2.5 Vaders in loondienst werken kwart meer uren dan moeders 2.6 Loonkloof tussen vrouwen met en zonder migratieachtergrond
25 26 28 29 31 31
3 Wensen van deeltijdwerkende vrouwen
34
3.1 Ruim een kwart heeft behoefte aan verandering in uren werk 3.2 Kwart deeltijdwerkende alleenstaande moeders wil meer uren werken 3.3 Bijna kwart deeltijdwerkende laagopgeleide vrouwen wil meer werken 3.4 Bijna kwart vrouwen met niet-westerse achtergrond wil meer werken
34 38 40 41
4 Verdeling arbeid en zorg in het huishouden
45
4.1 Driekwart vrouwen met partner tevreden over verdeling taken 4.1.1 Laagopgeleide vrouwen minder vaak tevreden dan hoger opgeleiden 4.1.2 Vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond minder vaak tevreden 4.2 Genomen maatregelen; veelal opvang of oppas 4.3 Helft heeft (weleens) gevoel van verwaarlozing taken 4.3.1 Moeders met niet-westerse achtergrond ervaren minder vaak verwaarlozing werk 4.3.2 Alleenstaande moeders voelen vaker gezinstaken te missen of verwaarlozen 4.4 Veranderingen in gezin als gevolg van corona 4.5 Mogelijke rol van gemeente of overheid
46 47 49 51 53 55 55 56 56
Bijlage 1 Lijst met definities (bron: CBS)
58
3
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
4
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Samenvatting
Eind 2019 heeft OIS in opdracht van de afdeling Diversiteit onderzoek gedaan naar de economische zelfstandigheid en loonongelijkheid van Amsterdamse vrouwen. Vanuit de gemeenteraad is de vraag gekomen om dit onderzoek te verdiepen door specifiek te kijken naar bepaalde groepen vrouwen, namelijk met een laag opleidingsniveau, vrouwen met een migratieachtergrond en alleenstaande ouders. Om deze sub-thema’s nader te bekijken zijn twee hoofdvragen opgesteld: 1. Hoe is het gesteld met de economische zelfredzaamheid van Amsterdamse vrouwen, met een focus op laagopgeleide vrouwen, vrouwen met een migratieachtergrond en alleenstaande moeders en wat zijn de structuren die een grotere zelfredzaamheid in de weg staan, zoals ongelijke verdeling van zorgtaken en ongelijke beloning voor gelijk werk voor deze groepen vrouwen en welke specifieke behoeften hebben deze vrouwen om al dan niet hun economische zelfstandigheid te vergroten? 2. Hoe is het gesteld met de loonongelijkheid binnen Amsterdam, naar sector en indien mogelijk naar migratieachtergrond?
Economische zelfstandigheid van vrouwen Economisch zelfstandig wil zeggen dat iemand door arbeidsinkomen in het eigen levensonderhoud kan voorzien. Van de Amsterdamse vrouwen was in 2019 66% economisch zelfstandig; van de mannen 75%. De gegevens over economische zelfstandigheid zijn afkomstig uit het Integraal Inkomens-en Vermogensonderzoek (IIV) van het CBS (2019) en bewerkt door OIS. Onder eenoudergezinnen zien we dat zowel alleenstaande vaders als moeders minder vaak economisch zelfstandig zijn dan gemiddeld: 69% van de alleenstaande vaders (versus 75%) en 53% van de alleenstaande moeders zijn economisch zelfstandig (versus 66% gemiddeld). Voor alleenstaande moeders geldt dat economische zelfstandigheid samenhangt met leeftijd, opleidingsniveau, migratieachtergrond, aantal minderjarige kinderen in het huishouden en belangrijkste inkomstenbron. Tussen opleidingsniveaus zijn er ook grote verschillen in economische zelfstandigheid. Zowel Amsterdamse mannen als Amsterdamse vrouwen met een laag opleidingsniveau zijn minder vaak economisch zelfstandig dan mannen en vrouwen met een middelbaar en/of hoog opleidingsniveau. Onder Amsterdamse vrouwen is er sprake van een groot verschil in economische zelfstandigheid tussen laag-en hoogopgeleiden: 27% van de laagopgeleide vrouwen is economisch zelfstandig, terwijl 77% van de hoogopgeleide vrouwen economisch zelfstandig is.
Vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond (45%) zijn minder vaak economisch zelfstandig dan gemiddeld (66%). Ook zijn vrouwen van de eerste generatie met een niet-
5
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
westerse migratieachtergrond (40%) minder vaak economisch zelfstandig dan die van de tweede generatie (60%). Verschillen in economische zelfstandigheid naar migratieachtergrond hangen vaak sterk samen met opleidingsniveau: het aandeel economische zelfstandigen neemt toe naarmate het opleidingsniveau stijgt. Dit geldt voor alle herkomstgroepen.
Loonongelijkheid Het procentuele verschil in uurloon tussen mannen en vrouwen wordt ook wel de loonkloof genoemd. De gegevens over loonongelijkheid zijn afkomstig van bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden met daarin gegevens over banen en lonen van werknemers bij Nederlandse bedrijven (polisadministratie), peildatum januari 2020. In totaal waren er in januari 2020 196.180 Amsterdamse vrouwen en 201.380 Amsterdamse mannen in loondienst. Gemiddeld verdienen Amsterdamse mannen in loondienst 16% meer per uur dan Amsterdamse vrouwen in loondienst. In januari 2020 verdienden Amsterdamse mannen in loondienst gemiddeld €26,80 per uur en Amsterdamse vrouwen in loondienst gemiddeld €23,16 per uur. Het verschil in uurloon tussen Amsterdamse mannen en vrouwen in loondienst verschilt sterk naar wekelijkse arbeidsduur. Amsterdamse mannen met een voltijdbaan verdienen gemiddeld 12% meer per uur dan vrouwen die voltijd werken. De loonkloof tussen mannen en vrouwen is groter naarmate de leeftijd toeneemt en onder hoogopgeleiden. Hoogopgeleide mannen in loondienst ouder dan 45 jaar verdienen per uur gemiddeld 20% meer dan hoogopgeleide vrouwen in dezelfde leeftijdscategorie. Het verschil in uurloon is het kleinst voor laagopgeleide personen van 55 t/m 65 jaar oud. Het gemiddeld uurloon hangt onder andere af van de sector waarin iemand werkzaam is.
De loonkloof is het grootst voor Amsterdammers die werken in de sectoren cultuur, sport en recreatie1, specialistische zakelijke diensten2, financiële dienstverlening3, gezondheids- en welzijnszorg4 en handel5. In de sectoren cultuur, sport en recreatie, gezondheids- en welzijnszorg is er sprake van een relatief grote loonkloof tussen mannen en vrouwen en tegelijkertijd zijn er in deze sectoren meer vrouwen werkzaam dan mannen. Indien we corrigeren voor leeftijd, opleidingsniveau en dienstverband dan zien we dat bij vrijwel alle sectoren de loonkloof tussen Amsterdamse mannen en vrouwen in loondienst kleiner is dan het geval is bij de ongecorrigeerde loonkloof. Bij zowel de gecorrigeerde als de ongecorrigeerde loonkloof is in vrijwel alle sectoren het gemiddeld uurloon van mannen hoger dan dat van vrouwen. Kijkend naar migratieachtergrond (westerse, niet-westerse en geen migratieachtergrond) en opleidingsniveau (laag-, middelbaar- en hoogopgeleid) dan is het verschil in uurloon tussen Amsterdamse mannen en vrouwen het kleinst onder personen met een niet-westerse
1 Kunst, musea, dierentuinen, culturele uitleencentra, loterijen, sport en recreatie. 2 Juridische diensten en administratie, holdings en managementadviesbureaus, architecten, ingenieursbureaus,
research, reclamewezen en marktonderzoek, design, fotografie en vertaalbureaus, veterinaire dienstverlening. 3 Banken, financiële holdings, beleggingsinstellingen, overige kredietverstrekking, verzekeringen, pensioenfondsen,
beurzen en financiële adviesbureaus, vermogensbeheer. 4 Ziekenhuizen, gezondheidszorg, verpleging, maatschappelijke dienstverlening. 5 Handel in en reparatie van voertuigen, groothandel, detailhandel.
6
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
migratieachtergrond van de eerste generatie. Middelbaar opgeleide mannen uit deze groep verdienen 2% minder per uur dan vrouwen. In alle andere groepen verdienen mannen per uur meer dan vrouwen. De loonkloof is het grootst onder hoogopgeleiden zonder migratieachtergrond en westerse migratieachtergrond van de tweede generatie. Het verschil in het aantal gewerkte uren tussen mannen en vrouwen uit loondienst hangt onder andere af van de positie in het huishouden. Voor partners in paren met kinderen is het verschil in gewerkte uren het grootst, mannen werken hier gemiddeld 24% meer uren dan vrouwen. Ook is nagegaan of er sprake is van loonongelijkheid tussen groepen vrouwen, met name tussen vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond en andere vrouwen. Vrouwen met een laag opleidingsniveau verdienen in het algemeen minder dan vrouwen met een hoger opleidingsniveau. Onder hoogopgeleiden verdienen vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond 11% minder dan vrouwen zonder migratieachtergrond en 10% minder dan vrouwen met een westerse migratieachtergrond. Als we kijken naar het totaalaantal vrouwen met en zonder migratieachtergrond (onafhankelijk van opleidingsniveau) dan verdienen vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond 24% minder per uur dan vrouwen zonder migratieachtergrond. Dit hangt samen met het feit dat zij minder vaak hoogopgeleid zijn.
Wensen van deeltijdwerkende vrouwen Ruim een kwart van de geënquêteerde deeltijdwerkende vrouwen zou wel meer uren willen werken (16%) of minder uren willen werken (11%). Het maakt daarbij niet uit of de partner al dan niet werk heeft. Deeltijdwerkende vrouwen met (met name jonge) kinderen willen minder vaak meer uren werken. Opvallend is dat deeltijdwerkende vrouwen in een eenoudergezin vaak meer uren willen werken. De behoefte om meer uren te werken neemt toe naarmate het eigen inkomen lager is. En naarmate het inkomen hoger is, heeft men minder behoefte aan verandering in het aantal werkuren. Deeltijdwerkende vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond willen relatief vaak meer uren werken (24%). Hetzelfde geldt voor deeltijdwerkende alleenstaande moeders (25%) en laagopgeleiden (23%). Deze vrouwen werken nog niet meer uren omdat dat vaak niet goed kan in combinatie met hun zorgtaken of omdat het niet kan bij de betreffende baan. Minder uren werken wordt vaak financieel niet haalbaar gevonden.
Verdeling arbeid en zorg Driekwart van de geënquêteerde vrouwen die een huishouden vormen met een partner is (zeer) tevreden over de verdeling van werk-, huishoudelijke en zorgtaken binnen het huishouden, slechts 5% is (zeer) ontevreden. Zij zijne hierover iets minder vaak (zeer) tevreden dan mannen (74% versus 82%).
7
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Vrouwen die geen betaald werk hebben, zijn minder vaak tevreden over de verdeling van deze taken (70%), vooral wanneer hun partner ook geen betaald werk heeft (58%). Daarnaast zijn vrouwen met kinderen minder vaak tevreden over deze verdeling dan vrouwen zonder kinderen. Laagopgeleide vrouwen zijn minder vaak tevreden over de verdeling van werk-, huishoudelijke en zorgtaken dan hoger opgeleide vrouwen. Het al dan niet hebben van kinderen maakt daarbij niet uit voor de laagopgeleide vrouwen. Vrouwen die laagopgeleid zijn en een niet-westerse migratieachtergrond hebben, zijn het minst vaak tevreden. De helft van de moeders met een partner heeft opvang of oppas ingeschakeld, 38% is minder uren gaan werken en 21% heeft geen maatregelen genomen. Werkende moeders nemen meer maatregelen dan niet werkenden, maar er is geen verschil tussen deeltijd- en voltijdwerkenden. Werkende moeders met een niet-westerse migratieachtergrond hebben minder vaak maatregelen genomen dan gemiddeld, zij maken vooral minder gebruik van kinderopvang. Bijna de helft van de werkende moeders heeft een enkele keer het gevoel dat ze op dit moment familie- of gezinsactiviteiten missen of verwaarlozen door hun werk. Dat is vaker dan onder werkende vaders. Voltijdwerkende moeders hebben vaker dat gevoel, evenals werkende alleenstaande moeders en werkende vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond.
Het gevoel het werk te verwaarlozen of te missen door familie- of gezinsverantwoordelijkheden komt minder vaak voor; 35% van de werkende moeders heeft dat gevoel een enkele keer en 10% (zeer) vaak. Dat verschilt niet significant van de gevoelens van werkende vaders. Moeders die voltijds werken zeggen vaker dergelijke gevoelens te hebben.
8
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Inleiding
Aanleiding van het onderzoek Eind 2019 heeft OIS in opdracht van de afdeling Diversiteit onderzoek gedaan naar de arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van Amsterdamse vrouwen. Ook is er toen gekeken naar loonongelijkheid en de verdeling van werk- en zorgtaken. Vanuit de gemeenteraad is de vraag gekomen om dit onderzoek te verdiepen door specifiek te kijken naar bepaalde groepen vrouwen, namelijk met een laag opleidingsniveau, vrouwen met een migratieachtergrond en alleenstaande ouders. Omdat er nu enquêtegegevens zijn over meer jaren (REB, Regionale Enquête Beroepsbevolking) is opsplitsing naar deze subgroepen nu mogelijk. Tegelijkertijd is er door een raadslid een motie ingediend om onderzoek te doen naar de loonongelijkheid binnen Amsterdam. Op basis van nieuwe beschikbare registerdata is een berekening gemaakt van loonverschillen tussen in Amsterdam wonende en werkende mannen en vrouwen, uitgesplitst naar migratieachtergrond en opleidingsniveau. In deze rapportage worden de resultaten van deze analyses beschreven. Onderzoeksvragen Er is de afgelopen jaren al veel onderzoek gedaan rondom het thema arbeidsparticipatie en economische zelfstandigheid van vrouwen, onder andere door Atria, het SCP, het CBS, de SER en het CPB.
Deze onderzoeken zijn veelal op landelijk niveau en gaan niet zozeer in op de belemmeringen die vrouwen ondervinden om al dan (meer) te werken6. Daarom heeft OIS onderhavig onderzoek uitgevoerd dat zich richt op twee hoofdvragen: 1.
2.
Hoe is het gesteld met de economische zelfredzaamheid van Amsterdamse vrouwen, met een focus op laagopgeleide vrouwen, vrouwen met een migratieachtergrond en alleenstaande moeders? En wat zijn de structuren die een grotere zelfredzaamheid in de weg staan, zoals ongelijke verdeling van zorgtaken en ongelijke beloning voor gelijk werk voor deze groepen vrouwen en welke specifieke behoeften hebben deze vrouwen om al dan niet hun economische zelfstandigheid te vergroten? Hoe is het gesteld met de loonongelijkheid binnen Amsterdam, naar sector en naar migratieachtergrond?
Onderzoeksopzet en methoden OIS heeft het onderzoek uitgevoerd op basis van vier onderzoekslijnen: 1.
2.
Economische zelfstandigheid: aan de hand van registerdata in 2019 is de economische zelfstandigheid van verschillende groepen vrouwen nader in beeld gebracht. Daarbij is gekeken naar vrouwen met een migratieachtergrond, laagopgeleide vrouwen en alleenstaande moeders. De uitkomsten hiervan staan in hoofdstuk 1. Loonongelijkheid: op basis van nieuwe beschikbare registerdata is een berekening gemaakt van loonverschillen tussen in Amsterdam wonende en werkende mannen en vrouwen en hun achtergrond (sector, migratieachtergrond, opleidingsniveau). Hoofdstuk 2 gaat in op de uitkomsten van deze analyse.
6 https://www.scp.nl/Nieuws/Jonge_vrouwen_vaak_een_deeltijdbaan_en_daardoor_minder_economisch_zelfstandig
9
Onderzoek, Informatie en Statistiek
3.
4.
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Analyse werk en zorgtaken: sinds begin 2019 stelt OIS in de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) vragen aan personen van 15-74 jaar en hun eventuele partners over hun situatie op de arbeidsmarkt en de verdeling van werk en zorgtaken. Jaarlijks ondervraagt OIS ongeveer 4.000 Amsterdammers in de leeftijd van 15 tot en met 74 jaar, en hun eventuele partners naar hun situatie op de arbeidsmarkt. In de periode januari 2019december 2020 zijn circa 8.000 Amsterdammers ondervraagd, waarvan ongeveer de helft vrouwen. Hierdoor zijn, in tegenstelling tot in de rapportage van eind 2019, ook uitsplitsingen te maken voor verschillende groepen vrouwen. Daarbij is gekeken naar de groep met een niet-westerse migratieachtergrond, laagopgeleide vrouwen en alleenstaande moeders. Vragen waarnaar gekeken is zijn: a. Willen verschillende groepen vrouwen die deeltijd werken meer werken, en zo ja waarom wel of niet? (zie hoofdstuk 3) b. Hoe tevreden zijn verschillende groepen vrouwen met de verdeling van arbeid en zorg binnen hun huishouden? (zie hoofdstuk 4) c. In hoeverre hebben verschillende groepen vrouwen die werken het gevoel gezinsdan wel werkactiviteiten te verwaarlozen? (zie hoofdstuk 4) d.
Welke maatregelen hebben ouders van kinderen onder de 12 genomen om werk en zorgtaken te kunnen combineren? Het hoe verschilt dit tussen verschillende groepen vrouwen? (zie hoofdstuk 4) Tabel 1 geeft de respons voor Amsterdamse vrouwen naar verschillende achtergrondkenmerken weer, samen met de feitelijke verdeling in Amsterdam op basis van registraties. Verdiepende interviews zijn in januari-februari 2021 gehouden met vijf moeders om de uitkomsten uit bovenstaande onderzoeken aan te vullen (zie tabel 2 voor kenmerken geïnterviewden). In de telefonische interviews is dieper ingegaan op de persoonlijke situatie (financieel, werk, zorgtaken e.d.) en de belemmeringen die worden ervaren om (meer) te werken en de behoeften aan (vergroting van) hun economische zelfstandigheid. Het ging daarbij om hun normale situatie, dus voor de tijd van corona. De uitkomsten van deze interviews worden in tekstboxen in de rapportage weergegeven en komen ook aan de orde in de twee laatste paragrafen van deze rapportage.
10
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Tabel 1. Respondenten REB periode januari 2019-december 2020 naar opleiding, leeftijd, positie in huishouden en migratieachtergrond vergeleken met registraties (15 t/m 74 jarige Amsterdamse vrouwen) Variabele
Opleidingsniveau
Leeftijdsgroep
Positie in huishouden
Migratieachtergrond
Sociaaleconomische categorie*****
categorie
REB*
Registraties**
n (6027***)
%
n
%
laag opgeleid
1040
17,6
67506
21,9
middelbaar opgeleid
1252
21,2
95593
31,0
hoog opgeleid 15-24 jaar
3613
61,2
145040
47,1
776
12,9
57581
16,3
25-34 jaar
1457
24,2
97398
27,5
35-44 jaar
1171
19,4
61986
17,5
45-54 jaar
1053
17,5
54308
15,3
55-64 jaar
1081
18,0
48184
13,6
65-74 jaar
484
8,0
34506
9,7
alleenstaand
3763
62,4
112048
31,7
partner in paar zonder kinderen
1123
18,6
87454
24,7
partner in paar met kinderen
900
14,9
74727
21,1
ouder in eenouderhuishouden
241
4,0
33915
9,6
geen
2002
45,2
153531
43,4
westers, totaal
855
19,3
74522
21,1
westers, eerste generatie****
n.b.
n.b
53809
15,2
westers, tweede generatie
n.b.
n.b.
20713
5,9
niet-westers, totaal
1573
36,5
125910
35,6
niet-westers, eerste generatie
n.b.
n.b.
82608
23,3
niet-westers, tweede generatie
n.b.
n.b.
43302
12,2
werknemer in loondienst
3638
63,2
162820
53,8
zelfstandig ondernemer
513
8,9
31379
10,4
overig, uitkering of zonder inkomen
1603 27,9 108480 35,8 *Cijfers over 2019 en 2020. ** Gebruikte bronnen: opleidingsniveau – GBA, 15 tot 65-jarigen (2018); leeftijdsgroep, positie huishouden, en migratieachtergrond – CBS Statline (jan 2020); sociaaleconomische categorie***** – IIV CBS, 15 tot 65-jarigen met een waargenomen inkomen (2019) *** De aantallen in deze tabel tellen niet altijd op tot het totale aantal respondenten in de REB (n=6.027) omdat de missende waarden zijn weggelaten, de percentages tellen wel op tot 100% (zijn exclusief de missende waarden). **** In de REB is geen informatie beschikbaar over de generatie van de respondenten. ***** Sociaaleconomische categorie wordt in IIV CBS bepaald op basis van de belangrijkste inkomensbron van het individu op jaarbasis. De belangrijkste bron van inkomen wordt bepaald op basis van het hoogste inkomensbedrag. Let op: dit is een andere selectie dan beschreven in de polisdata (o.b.v. jaartal, leeftijdscategorieën en definitie).
11
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Tabel 2. Kenmerken respondenten telefonische interviews onder Amsterdamse moeders (n=5) Kenmerken Opleidingsniveau Leeftijdsgroep Partner Aantal kinderen
Migratieachtergrond Werk
n laag opgeleid
2
middelbaar of hoog opgeleid
3
35 tot 44 jaar
3
45 jaar of ouder
2
ja
3
nee
2
1
2
2
1
3 of meer
2
geen
1
niet-westers
4
ja
3
nee
2 bron: OIS, januari-februari 2021
12
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
1 Economische zelfstandigheid
Samenvatting Amsterdamse vrouwen zijn minder vaak economisch zelfstandig dan Amsterdamse mannen (66% versus 75%). In Amsterdam zijn alleenstaande moeders minder vaak economisch zelfstandig dan vrouwen in andere soorten huishoudens. Voor alleenstaande moeders geldt dat de volgende groepen veel minder vaak economisch zelfstandig zijn: o Met een niet-westerse migratieachtergrond versus zonder migratieachtergrond; o Met een laag opleidingsniveau versus een hoog opleidingsniveau; o Met 3 of meer kinderen in het huishouden versus 1 of 2 kinderen; o Voor alleenstaande moeders in loondienst: 12 uur of minder per week versus 12 tot 24 uur per week, of 25 of meer uur per week. Laagopgeleide Amsterdamse vrouwen zijn minder vaak economisch zelfstandig dan hoogopgeleide vrouwen. Amsterdamse vrouwen met niet-westerse migratieachtergrond zijn veel minder vaak economisch zelfstandig dan vrouwen zonder een migratieachtergrond.
Economisch zelfstandig wil zeggen dat iemand door arbeidsinkomen in het eigen levensonderhoud kan voorzien. Dit is geoperationaliseerd als een inkomen van minimaal 70% van het wettelijk minimumloon, oftewel de landelijke lage inkomensgrens voor een alleenstaande. In 2019 bedroeg de grens voor economische zelfstandigheid €990 netto per maand. De gegevens in dit hoofdstuk zijn afkomstig uit het Integraal Inkomens-en Vermogensonderzoek (IIV) van het CBS. De meest recente gegevens in het IIV zijn voorlopige cijfers over 2019. De doelgroep voor de indicator economische zelfstandigheid bestaat in dit onderzoek uit: personen in particuliere huishoudens; die, als voornaamste activiteit, niet onderwijsvolgend zijn; die tussen 15 jaar en de AOW-leeftijd zijn. Personen die als voornaamste activiteit onderwijsvolgend zijn, worden als volgt gedefinieerd: Ingeschreven bij een onderwijsinstelling óf leeftijd op 1 januari van het peiljaar is 16 jaar of jonger, en: o Geen persoonlijk inkomen, of o Persoonlijk inkomen minus studietoelage is de lage-inkomensgrens die wordt gehanteerd door het CBS.
13
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Het aandeel economische zelfstandigheid wordt bepaald binnen deze doelgroep. Van de Amsterdamse vrouwen was in 2019 66% economisch zelfstandig, ongeveer even vaak als het gemiddelde van vrouwen in Nederland (64%).7 Ten opzichte van 2017 zijn Amsterdamse vrouwen iets vaker economisch zelfstandig (63% in 2017). Van de Amsterdamse mannen was in 2019 75% economisch zelfstandig, dit is juist lager dan het gemiddelde van mannen in Nederland (81%). In dit hoofdstuk is het aandeel economische zelfstandigen beschreven voor alleenstaande moeders, laagopgeleide vrouwen en vrouwen met een migratieachtergrond.8
1.1 Alleenstaande moeders minder vaak economisch zelfstandig We zien grote verschillen in economische zelfstandigheid als we kijken naar de verschillende soorten huishoudens (zie figuur 1.1). Onder eenoudergezinnen zien we dat zowel alleenstaande vaders als moeders minder vaak economisch zelfstandig zijn dan gemiddeld: 69% van de alleenstaande vaders (versus 75%) en 53% van de alleenstaande moeders zijn economisch zelfstandig (versus 66% gemiddeld).9 De verschillen voor vrouwen zijn hier aanzienlijk groter dan voor mannen. Daarnaast zijn zowel alleenstaande mannen als vrouwen minder vaak economisch zelfstandig dan Amsterdamse mannen en vrouwen gemiddeld. Onder paren met en zonder kinderen zien we grote verschillen tussen mannen en vrouwen: onder paren zonder kinderen zijn mannen vaker economisch zelfstandig (80%) dan vrouwen (69%). Voor paren met kinderen is dit verschil nog groter: 81% van de mannen en 61% van de vrouwen zijn economisch zelfstandig. Hierbij valt op dat vrouwen in deze categorie minder vaak economisch zelfstandig zijn dan Amsterdamse vrouwen gemiddeld.
7 Bron: IIV CBS, voorlopige cijfers 2019. 8 Zie bijlage 1 voor een overzicht van definities in dit hoofdstuk. 9 De categorie alleenstaande vaders komt weinig voor: van alle alleenstaande ouders is 87% vrouw.
14
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 1.1. Economische zelfstandigheid naar huishoudsamenstelling en geslacht, 2019 (procenten)
100
aandeel economisch zelfstandigen
%
90 80 70 60 50 40
81
80 62
30
69
61
61
75
69
66
53
20 10
0
0
M
V
alleenstaande
M
V
paar zonder kinderen
M
V
paar met kinderen
M
V
ouder in eenoudergezin
M
V
Totaal
bron: CBS, bewerking OIS
Voor alleenstaande moeders heeft leeftijd invloed op de economische zelfstandigheid (zie figuur 1.2).10 In de leeftijdscategorie 25 tot en met 34 jarigen is het aandeel economische zelfstandigen lager dan gemiddeld. Dit aandeel neemt toe onder 35 tot en met 44-jarigen. Het hoogste aandeel economisch zelfstandigen zien we in de leeftijdscategorie 45 tot en met 54-jarigen. In de hoogste leeftijdscategorie neemt het aandeel economisch zelfstandigen weer af. Daarnaast zien we dat onder alleenstaande moeders de economische zelfstandigheid sterk samenhangt met migratieachtergrond (zie figuur 1.3). Het aandeel economische zelfstandigen onder alleenstaande moeders met een niet-westerse migratieachtergrond is veel lager (42%) dan gemiddeld voor alleenstaande moeders in Amsterdam (53%). Er is vooral sprake van een groot verschil tussen alleenstaande moeders met een niet-westerse migratieachtergrond (42%) en alleenstaande moeders zonder migratieachtergrond (70%). Verschillen in economische zelfstandigheid naar migratieachtergrond hangen vaak sterk samen met opleidingsniveau: 27% van de laagopgeleide alleenstaande moeders en 77% van de hoogopgeleide alleenstaande moeders zijn economisch zelfstandig.
10 Vanwege lage aantallen is het niet mogelijk om cijfers te laten zien voor de leeftijdscategorie 15 tot en met 24 jaar.
15
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 1.2. Economische zelfstandigheid naar leeftijd en geslacht voor ouders in eenoudergezinnen, 2019 (procenten)
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
aandeel economisch zelfstandigen
%
70
68 43 0
M
V
M
25-34
74 53
V
M
35-44
57
65
V
M
45-54
52
V
69
M
55-65
53
V
totaal
ouder in eenoudergezin bron: CBS, bewerking OIS Figuur 1.3. Economische zelfstandigheid naar migratieachtergrond en geslacht voor ouders in eenoudergezinnen, 2019 (procenten)
100
aandeel economisch zelfstandigen
%
80
60 40
77
70
75
63
53
42
20 0
69
60
0
M geen
V
M
V
westers
M
V
niet-westers
M
V
totaal
ouder in eenoudergezin bron: CBS, bewerking OIS
Het aantal minderjarige kinderen in het huishouden heeft ook invloed op de economische zelfstandigheid van alleenstaande moeders (zie figuur 1.4). Het aandeel economische zelfstandigen neemt af bij een toename van het aantal minderjarige kinderen. Zo is 57% van de alleenstaande moeders met 1 kind economisch zelfstandig versus 31% van de alleenstaande moeders met drie of meer kinderen. Een mogelijke verklaring zou kunnen zijn dat vrouwen met meer kinderen minder vaak een betaalde (fulltime) baan hebben vanwege de zorgtaken, of vaker een jonger kind thuis.
16
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 1.4. Economische zelfstandigheid naar aantal minderjarige kinderen en geslacht voor ouders in eenoudergezinnen, 2019 (procenten)
100
aandeel economisch zelfstandigen
%
90 80 70 60 50 40 70 30
69 57
69 59
51
53
20 31 10 0
0
M
V
met 1 kind <18
M
V
met 2 kinderen <18
M
V
M
met 3 of meer kinderen <18
V
totaal
ouder in eenoudergezin
bron: CBS, bewerking OIS
Van de alleenstaande moeders met werk in loondienst als belangrijkste inkomensbron is de grote meerderheid economisch zelfstandig (92%) (zie figuur 1.5). Alleenstaande moeders met een eigen bedrijf als belangrijkste inkomensbron zijn minder vaak economisch zelfstandig (74%) dan alleenstaande moeders in loondienst. Voor de alleenstaande moeders in loondienst geldt: hoe meer uren per week iemand werkt, hoe groter het aandeel economisch zelfstandigen (zie figuur 1.6). Van de alleenstaande moeders die 25 of meer uren per week werken is de grote meerderheid economisch zelfstandig (97%). Van de alleenstaande moeders die minder dan 12 uur per week werken is slechts 27% economisch zelfstandig.
17
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 1.5. Economische zelfstandigheid naar sociaaleconomische categorie* en geslacht voor ouders in eenoudergezinnen, 2019 (procenten)
100
aandeel economisch zelfstandigen
%
80
60 96
92
40
82
74
69 53
20 0
0
M
V
M
werknemer
V
M
zelfstandig ondernemer
V
overig**
M
V
totaal
ouder in eenoudergezin *sociaaleconomische categorie wordt bepaald op basis van de belangrijkste bron van inkomen van het individu op jaarbasis. **Inclusief personen met een uitkering als belangrijkste inkomensbron en personen zonder individueel inkomen
bron: CBS, bewerking OIS
Figuur 1.6. Economische zelfstandigheid naar arbeidsduur* en geslacht voor ouders in eenoudergezinnen, 2019 (procenten)
100
aandeel economisch zelfstandigen
%
80
60 40 20 0
37 0
84
85
M
V
98
97
M
V
27
M
V
<12 uur
12-<25 uur
25 en meer uur
ouder in eenoudergezin *Hiervoor is gekeken naar hoogste arbeidsduur in januari 2019 ** Personen met een eigen onderneming of ZZP’ers zijn niet meegenomen in deze cijfers bron: CBS, bewerking OIS
18
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
1.2 Laagopgeleide vrouwen veel minder vaak economisch zelfstandig Tussen opleidingsniveaus zijn er grote verschillen in economische zelfstandigheid (zie figuur 1.7). Zowel Amsterdamse mannen als Amsterdamse vrouwen met een laag opleidingsniveau zijn minder vaak economisch zelfstandig dan mannen en vrouwen met een middelbaar en/of hoog opleidingsniveau. Onder Amsterdamse vrouwen is er sprake van een groot verschil in economische zelfstandigheid tussen laag-en hoogopgeleiden: 27% van de laagopgeleide vrouwen is economisch zelfstandig, terwijl 77% van de hoogopgeleide vrouwen economisch zelfstandig is. Figuur 1.7. Economische zelfstandigheid naar opleiding en geslacht, 2019 (procenten)
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
aandeel economisch zelfstandigen
%
69
52
85
77
75
V
M
56
66
27 0
M
V laag
M
V
middelbaar
0
M hoog
V
totaal
De cijfers over opleidingsniveau zijn gewogen omdat niet voor iedereen het hoogst behaalde opleidingsniveau geregistreerd staat.
bron: CBS, bewerking OIS
Het verschil tussen mannen en vrouwen wordt kleiner naarmate het opleidingsniveau stijgt. Dit geldt ook voor de uitsplitsing naar huishoudtypen (zie figuur 1.8). Onder laagopgeleiden zien we een vrij groot verschil in het aandeel economische zelfstandige mannen en vrouwen: Vooral onder paren met kinderen zien we een groot verschil: 66% van de laagopgeleide mannen en 26% van de laagopgeleide vrouwen zijn economisch zelfstandig; Van de laagopgeleide vrouwen in een paar zonder kinderen is 27% economisch zelfstandig, terwijl 59% van de laagopgeleide mannen in een paar zonder kinderen economisch zelfstandig is; Onder alleenstaande ouders zien we dat laagopgeleide alleenstaande moeders (27%) minder vaak economisch zelfstandig zijn dan laagopgeleide alleenstaande vaders (57%); Onder alleenstaanden is het verschil tussen mannen en vrouwen minder groot: 35% van de mannen en 25% van de vrouwen zijn economische zelfstandig. Bovenstaande verschillen in het aandeel economische zelfstandigen naar huishoudens zouden kunnen samenhangen met verschillen in het aantal uren dat men betaald werk heeft. In paragraaf 2.5 wordt hier verder op ingegaan.
19
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 1.8. Economische zelfstandigheid naar opleiding, positie in huishouden en geslacht, 2019 (procenten)
100
aandeel economisch zelfstandigen - laag opgeleiden
%
80
60 40 20
35
0
M
V
alleenstaande
100
%
M
V
ouder in eenoudergezin
52 27
27
25
66
59
57
M
V
paar zonder kinderen
27
26 M
V
paar met kinderen
M
V
totaal
laag - middelbaar opgeleiden aandeel economisch zelfstandigen
80
60 40 57 20 0
0
M
58
49
V
alleenstaande
100
77
73
M
V
ouder in eenoudergezin
M
82
67
V
paar zonder kinderen
69 55
M
V
paar met kinderen
M
56
V
totaal
middelbaar
aandeel economisch zelfstandigen - hoog opgeleiden
%
80
60 40
77
76
M
V
77
77
M
V
88
80
91
78
85
77
20 0
0
alleenstaande
ouder in eenoudergezin
M
V
paar zonder kinderen
M
V
paar met kinderen
M
V
totaal
De cijfers over opleidingsniveau zijn gewogen omdat niet hoog voor iedereen het hoogst behaalde opleidingsniveau geregistreerd staat.
bron: CBS, bewerking OIS
20
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
1.3 Vrouwen met niet-westerse achtergrond veel minder vaak economisch zelfstandig Voor mannen en vrouwen geldt dat het aandeel economische zelfstandigen lager is dan gemiddeld voor Amsterdammers met een niet-westerse migratieachtergrond (zie figuur 1.9). Onder Amsterdammers van de eerste generatie met een niet-westerse migratieachtergrond zien we grote verschillen tussen mannen en vrouwen: 61% van de mannen en 40% van de vrouwen is economisch zelfstandig. Voor Amsterdammers met een niet-westerse migratieachtergrond die hier geboren zijn, zijn de verschillen tussen mannen en vrouwen minder groot. Dit geldt ook voor Amsterdammers zonder migratieachtergrond en met een westerse migratieachtergrond. In paragraaf 1.1 werd genoemd dat alleenstaande moeders met een niet-westerse migratieachtergrond minder vaak economisch zelfstandig zijn (42%). Hetzelfde geldt voor alle Amsterdamse vrouwen, ongeacht de positie in het huishouden: vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond (45%) zijn minder vaak economisch zelfstandig dan gemiddeld (66%). Ook zijn vrouwen van de eerste generatie met een niet-westerse migratieachtergrond (40%) minder vaak economisch zelfstandig dan die van de tweede generatie (60%). Verschillen in economische zelfstandigheid naar migratieachtergrond hangen vaak sterk samen met opleidingsniveau (zie figuur 1.10).
Het aandeel economische zelfstandigen neemt toe naarmate het opleidingsniveau stijgt. Dit geldt voor alle herkomstgroepen. Net als in paragraaf 1.2 zien we ook hier onder laagopgeleiden een vrij groot verschil in het aandeel economische zelfstandige mannen en vrouwen: van de laagopgeleide vrouwen van de eerste generatie met een niet-westerse migratieachtergrond is 21% economisch zelfstandig, terwijl 52% van de mannen in deze categorie economisch zelfstandig is. Figuur 1.9. Economische zelfstandigheid naar migratieachtergrond en geslacht, 2019 (procenten)
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
aandeel economisch zelfstandigen
%
78
72
78
67
69
61
60
75
66
40 0
M
V
geen
M
V
westers
0
M
V
1e generatie nietwesters
M
V
2e generatie niet-westers
M
V
totaal
bron:CBS, bewerking OIS
21
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 1.10. Economische zelfstandigheid naar opleiding, migratieachtergrond en geslacht, 2019 (procenten)
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
aandeel economisch zelfstandigen - laag opgeleiden
%
55
38 M
V
geen
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
51
34 M
21
V
westers
46
M
V
1e generatie nietwesters
M
52 30 V
2e generatie nietwesters
27 M
V
totaal
aandeel economisch zelfstandigen - middelbaar opgeleiden
%
71
0
M
60
V
geen
100 90 80 70 60 50 40 30 20 10 0
53
74
M
64
61
V
westers
M
50
V
1e generatie nietwesters
66
M
53
V
2e generatie nietwesters
69
M
56
V
totaal
aandeel economisch zelfstandigen - hoog opgeleiden
%
85
83
88
79
75
86
80
85
77
M
V
M
V
55 0
M
V
geen
M
V
westers
M
V
1e generatie nietwesters
2e generatie nietwesters
totaal
De cijfers over opleidingsniveau zijn gewogen omdat niet voor iedereen het hoogst behaalde opleidingsniveau geregistreerd staat.
bron:CBS, bewerking OIS
22
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
2 Loonongelijkheid
Samenvatting Gemiddeld verdienen Amsterdamse mannen in loondienst 16% meer per uur dan Amsterdamse vrouwen in loondienst. De loonkloof is het grootst onder: o Voltijdbanen: Amsterdamse mannen met een voltijdbaan verdienen gemiddeld 12% meer per uur dan vrouwen die voltijd werken. o Hoogopgeleiden: Hoogopgeleide mannen in loondienst ouder dan 45 jaar verdienen per uur gemiddeld 20% meer dan hoogopgeleide vrouwen in dezelfde leeftijdscategorie. o Amsterdammers zonder migratieachtergrond: Afhankelijk van opleidingsniveau verdienen Amsterdamse mannen zonder migratieachtergrond 11% tot 20% meer dan Amsterdamse vrouwen zonder migratieachtergrond. De grootte van de loonkloof is afhankelijk van de sector waarin Amsterdammers werkzaam zijn. In vrijwel alle sectoren ligt het gemiddeld uurloon van Amsterdamse mannen hoger dan voor Amsterdamse vrouwen. Binnen sectoren is de grootte van de loonkloof afhankelijk van kenmerken van mannen en vrouwen in loondienst (leeftijd, opleidingsniveau en dienstverband). Amsterdamse vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond verdienen gemiddeld 24% minder per uur dan vrouwen zonder migratieachtergrond. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door verschil in opleidingsniveau. Vrouwen met een laag opleidingsniveau verdienen in het algemeen minder dan vrouwen met een hoger opleidingsniveau.
Onder hoogopgeleiden verdienen vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond 11% minder dan vrouwen zonder migratieachtergrond en 10% minder dan vrouwen met een westerse migratieachtergrond.
Het procentuele verschil in uurloon wordt ook wel de loonkloof genoemd. In dit hoofdstuk staat loonongelijkheid tussen Amsterdamse vrouwen en mannen in loondienst centraal. De gegevens in dit hoofdstuk zijn afkomstig van bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden met daarin gegevens over banen en lonen van werknemers bij Nederlandse bedrijven (polisadministratie), peilmaand januari 2020. In totaal waren er in januari 2020 196.180 Amsterdamse vrouwen en 201.380 Amsterdamse mannen in loondienst.11
11 Let op: dit is een andere selectie dan beschreven in Tabel 1 in de Inleiding (o.b.v. jaartal, leeftijdscategorieën en
definitie).
23
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Loonongelijkheid is hier onderzocht aan de hand van het gemiddeld bruto uurloon van mannelijke en vrouwelijke werknemers in loondienst wonend in Amsterdam.12 De genoemde percentages in verschil in uurloon geven aan hoeveel procent mannen meer verdienen dan vrouwen. Een positief percentage geeft dus aan dat mannelijke werknemers per uur meer verdienen dan vrouwelijke werknemers. Personen met een eigen onderneming of zzp’ers worden niet meegenomen in deze cijfers. De loonkloof is in dit hoofdstuk beschreven aan de hand van verschillende uitsplitsingen zoals sector, migratieachtergrond, leeftijd en opleidingsniveau. Er is in de polisadministratie geen informatie beschikbaar over het beroep van personen in loondienst.13 Er kan onderscheid worden gemaakt tussen gecorrigeerd en ongecorrigeerd loonverschil. Bij gecorrigeerde loonverschillen worden er bijvoorbeeld enkele variabelen gelijk gehouden (leeftijd, opleidingsniveau en soort dienstverband). Bij ongecorrigeerd loonverschil wordt hier geen rekening mee gehouden. Gemiddeld verdienen Amsterdamse mannen in loondienst 16% meer per uur dan Amsterdamse vrouwen in loondienst. In januari 2020 verdienden Amsterdamse mannen in loondienst gemiddeld €26,80 per uur en Amsterdamse vrouwen in loondienst gemiddeld €23,16 per uur.
Er zijn ook landelijke cijfers beschikbaar over heel 2019, toen verdienden mannen in loondienst in Nederland gemiddeld €24,57 per uur en vrouwen gemiddeld €21,06 per uur (CBS, 2019).14 Gemiddeld verdienen mannen in loondienst in Nederland 17% meer per uur dan vrouwen in loondienst. Figuur 2.1. Gemiddeld (bruto) uurloon voor Amsterdamse mannen en vrouwen in loondienst, 2020 € 40,00 € 35,00 € 30,00
€ 26,88
€ 25,00
€ 23,16
€ 20,00 € 15,00 € 10,00 € 5,00
€ 0,00
mannen
vrouwen
bron:CBS, bewerking OIS
12 Voor uitsplitsingen naar opleidingsniveau, leeftijd, sector, migratieachtergrond en huishoudtype is enkel gekeken
naar de hoofdbaan als iemand meerdere banen heeft. De hoofdbaan is gedefinieerd als de baan met het hoogste maandloon (loon exclusief bijzondere beloningen, toeslagen en overwerkloon). Voor personen met meerdere banen wordt in de peilmaand bepaald wat de hoofdbaan is. 13 Met beroep wordt hier bedoeld wat voor type functie iemand heeft, zoals bijvoorbeeld jurist, manager of admistratief medewerker. 14 Gegevens over heel 2020 zijn nog niet beschikbaar voor heel Nederland.
24
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
2.1 Loonkloof het grootst onder voltijdbanen en hoogopgeleiden Het verschil in uurloon verschilt sterk naar wekelijkse arbeidsduur. Amsterdamse mannen met een voltijdbaan verdienen gemiddeld 12% meer per uur dan vrouwen die voltijd werken. Mannen werken vaker voltijd dan vrouwen: van alle Amsterdammers die voltijd in loondienst werken is 39% vrouw. Van alle Amsterdammers in loondienst die parttime werken (<35 uur) is 63% vrouw. Ook bij kleine banen (arbeidsduur onder de 12 uur per week) verdienen mannen meer, gemiddeld 6%. Voor banen met een wekelijkse arbeidsduur tussen de 12 en 30 uur verdienen vrouwen per uur gemiddeld meer dan mannen.15 Figuur 2.2. Percentage verschil in (bruto) uurloon tussen mannen en vrouwen uit Amsterdam uitgesplitst naar wekelijkse arbeidsduur (uren), 2020 %
14 12 10 8
6
12
4 2
6
0 -2
-2
0 -3 -6
-4 -6 -8
<12
12 tot 20
20 tot 25
25 tot 30
30 tot 35
35+
bron: CBS, bewerking OIS
De loonkloof tussen mannen en vrouwen is groter naarmate de leeftijd toeneemt. Kijken we daarbij naar opleidingsniveau, dan is de kloof het grootst onder hoogopgeleiden ouder dan 35 jaar (zie figuur 2.3). Hoogopgeleide mannen in loondienst ouder dan 45 jaar verdienen per uur gemiddeld 20% meer dan hoogopgeleide vrouwen in dezelfde leeftijdscategorie. Het verschil in uurloon is het kleinst voor laagopgeleide personen van 55 t/m 65 jaar oud. Dit is de enige categorie waar vrouwen per uur meer verdienen dan mannen, mannen verdienen hier 3% minder per uur dan vrouwen.
15 Er is hier niet gecorrigeerd naar opleidingsniveau, leeftijd en sector, wat mogelijk een vertekend beeld geeft.
Vrouwen met een arbeidsduur tussen de 12 en 30 uur zijn bijvoorbeeld mogelijk hoger opgeleid dan mannen in dezelfde groep, waardoor zij hier gemiddeld een hoger uurloon hebben dan mannen.
25
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 2.3. Percentage verschil in (bruto) uurloon tussen mannen en vrouwen uit Amsterdam uitgesplitst naar leeftijdscategorie (jaren) en opleidingsniveau, 2020 % 25 20
20
20
15
15
10
10
10
8 6
5
11
10
6
6
8
7
4
0
-5
-3 15-24
25-34 laagopgeleid
35-44 middelbaar opgeleid
45-54
55-65
hoogopgeleid
bron:CBS, bewerking OIS
2.2 Grootste ongecorrigeerde loonkloof in sector cultuur, sport en recreatie Loonhoogte is onder andere afhankelijk van de sector waarin iemand werkzaam is. In de nu volgende figuren is te zien wat het verschil in uurloon is voor Amsterdamse mannen en vrouwen in loondienst in de verschillende sectoren.16 In figuur 2.4 is te zien dat de loonkloof het grootst is voor Amsterdammers die werken in de sectoren cultuur, sport en recreatie17, specialistische zakelijke diensten18, financiële dienstverlening19, gezondheids- en welzijnszorg20 en handel21. Sectoren waar de loonkloof relatief klein is zijn openbaar bestuur en overheidsdiensten, vervoer en opslag22, horeca en onderwijs.
16 In deze analyses is er een selectie gemaakt van personen die wonen in Amsterdam, maar niet per definitie werken in
Amsterdam. Dat betekent dat men ook in een ander gebied in Nederland werkzaam kan zijn. Verder zijn sectoren landbouw, bosbouw en visserij, delfstoffenwinning, energievoorziening, waterbedrijven en afvalbeheer en bouwnijverheid niet meegenomen in deze analyse omdat er te weinig waarnemingen waren voor vrouwen. 17 Kunst, musea, dierentuinen, culturele uitleencentra, loterijen, sport en recreatie. 18 Juridische diensten en administratie, holdings en managementadviesbureaus, architecten, ingenieursbureaus, research, reclamewezen en marktonderzoek, design, fotografie en vertaalbureaus, veterinaire dienstverlening. 19 Banken, financiële holdings, beleggingsinstellingen, overige kredietverstrekking, verzekeringen, pensioenfondsen, beurzen en financiële adviesbureaus, vermogensbeheer. 20 Ziekenhuizen, gezondheidszorg, verpleging, maatschappelijke dienstverlening. 21 Handel in en reparatie van voertuigen, groothandel, detailhandel. 22 Vervoer over water en land, luchtvaart, post en koeriers.
26
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 2.4. Percentage verschil in (bruto) uurloon tussen Amsterdamse mannen en vrouwen in loondienst uitgesplitst naar sectoren (ongecorrigeerd), 2020 %
35 30 25 20 15 21
10
5 0
30
26
25
23
20 14
10 4
6
9
7
9
1
bron:CBS, bewerking OIS
In figuur 2.5 is het aandeel vrouwen per sector weergegeven. Enkel in de sectoren gezondheidsen welzijnszorg, overige dienstverlening23, onderwijs, openbaar bestuur en overheidsdiensten, cultuur, sport en recreatie en handel zijn meer Amsterdamse vrouwen in loondienst werkzaam dan Amsterdamse mannen in loondienst. In de sectoren cultuur, sport en recreatie, gezondheidsen welzijnszorg en handel is er dus sprake van een relatief grote loonkloof tussen mannen en vrouwen en tegelijkertijd zijn er in deze sectoren meer vrouwen werkzaam dan mannen. Dit is met name het geval in de sector gezondheids- en welzijnszorg. Gezondheids- en welzijnszorg is een relatief grote sector: er zijn 45.500 Amsterdammers in loondienst werkzaam binnen deze sector, waarvan 80% vrouw is.
23 Politieke organisaties, hobbyclubs, reparatie van computers en consumentenartikelen, wellness, uitvaartbranche
27
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 2.5. Aandeel vrouwen per sector gerangschikt naar sectorgrootte, 2020 (procenten)* verhuur en overige zakelijke diensten (N = 53.990) handel (N = 52.750) specialistische zakelijke diensten (N = 51.660) gezondheids- en welzijnszorg (N = 45.500) horeca (N = 31.940) informatie en communicatie (N = 28.430) financiële dienstverlening (N = 25.510) onderwijs (N = 25.350) openbaar bestuur en overheidsdiensten (N = 19.850) vervoer en opslag (N = 16.200) industrie (N = 12.630) cultuur, sport en recreatie (N = 9.770) overige dienstverlening (N = 7.700) verhuur en handel van onroerend goed (N = 4.590) bouwnijverheid (N = 3.910) waterbedrijven en afvalbeheer (N = 910) energievoorziening (N = 570) landbouw, bosbouw en visserij (N = 290) delfstoffenwinning (N = 140)
% 0
20
40
60
80
100
*N is het totaal aantal Amsterdammers in loondienst binnen de sector bron:CBS, bewerking OIS
2.3 Gecorrigeerde loonkloof kleiner Indien we corrigeren voor leeftijd, opleidingsniveau en dienstverband dan zien we dat bij vrijwel alle sectoren de loonkloof tussen Amsterdamse mannen en vrouwen in loondienst kleiner is dan het geval is bij de ongecorrigeerde loonkloof (zie figuur 2.6). Enkel bij de sector vervoer en opslag is de gecorrigeerde loonkloof hoger (17%) dan de ongecorrigeerde loonkloof (4%). De ongecorrigeerde loonkloof was het grootst bij de sector cultuur, sport en recreatie (30%), het gecorrigeerde loonverschil bij deze sector is flink lager (1%). Uit deze analyse wordt duidelijk dat de grootte van de loonkloof binnen de sectoren afhankelijk is van kenmerken van mannen en vrouwen in loondienst (leeftijd, opleidingsniveau en dienstverband). Verder wordt duidelijk dat ook na het corrigeren van deze kenmerken mannen in de meeste sectoren een hoger uurloon hebben dan vrouwen.24 Enkel bij de sector openbaar bestuur en overheidsdiensten verdienen mannen per uur vrijwel hetzelfde als vrouwen.
24 Omdat er in de polisadministratie geen informatie is over het beroep van personen in loondienst is er in deze analyse
geen rekening gehouden met het beroep van Amsterdammers binnen de sectoren. Het is mogelijk dat de loonkloof binnen sectoren (deels) afhankelijk is van beroepen van Amsterdamse mannen en vrouwen.
28
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 2.6. Percentage verschil in (bruto) uurloon Amsterdamse mannen en vrouwen in loondienst van 35 t/m 44 jaar, hoog opleidingsniveau en voltijd dienstverband uitgesplitst naar sectoren, 2020 35
%
30 25 20 15 10
17
0
8 2
3
16
15
5 3
2
10 3
6 0
1
5
bron:CBS, bewerking OIS
2.4 Loonkloof grootst onder hoogopgeleiden zonder migratieachtergrond Het verschil in uurloon tussen Amsterdamse mannen en vrouwen is het kleinst onder personen met een niet-westerse migratieachtergrond van de eerste generatie (zie figuur 2.7). Middelbaar opgeleide mannen uit deze groep verdienen 2% minder per uur dan vrouwen. Als we dit verder uitsplitsen naar specifiekere herkomstgroepen, dan valt op dat onder middelbaar opgeleide Marokkaanse Amsterdammers van de eerste generatie mannen gemiddeld 9% minder verdienen dan vrouwen (figuur 2.8). Daarnaast verdienen middelbaar opgeleide Surinaamse mannen gemiddeld 3% minder dan vrouwen in die groep.25 In de andere groepen verdienen mannen in het algemeen per uur meer dan vrouwen. De loonkloof is het grootst onder hoogopgeleiden zonder migratieachtergrond en westerse migratieachtergrond van de tweede generatie. Bij laagopgeleide Surinaamse Amsterdammers van de tweede generatie is de loonkloof het grootst: mannen uit deze groep verdienen gemiddeld 23% meer per uur dan vrouwen.
25 Mogelijke verklaringen voor de patronen in figuur 2.8 zouden kunnen liggen in de beroepen die vrouwen vervullen of
bijvoorbeeld verschillen in leeftijd of huishoudsamenstelling binnen de groepen. Door de (kleine) groepsgroottes is het echter niet mogelijk om nog verder uit te splitsen.
29
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 2.7. Percentage verschil in (bruto) uurloon tussen mannen en vrouwen uitgesplitst naar migratieachtergrond, generatie en opleidingsniveau, 2020 25
%
20
20
18
18 15
15
13 11
11 7
13
10
9
10
13
6
5 2 0 -2 -5
1e generatie geen
2e generatie
1e generatie
niet-westers laagopgeleid
2e generatie westers
middelbaar opgeleid
hoogopgeleid
bron:CBS / bewerking OIS Figuur 2.8. Percentage verschil in (bruto) uurloon tussen mannen en vrouwen uitgesplitst naar migratieachtergrond, generatie en opleidingsniveau, 2020 % 25
23
20
17 14
15 10 5
14 8
8
10
10
8 5
5 3
10
12
11
7
9 5
5
3
0 -1
-1 -5
-10 -15
-3 -9 1e gen.
2e gen.
1e gen.
Marokko
2e gen.
1e gen.
Suriname laagopgeleid
middelbaar opgeleid
2e gen.
Turkije
1e gen.
2e gen.
Voormalige Nederlandse Antillen + Aruba hoogopgeleid
bron:CBS, bewerking OIS
30
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
2.5 Vaders in loondienst werken kwart meer uren dan moeders Het percentage verschil in het aantal gewerkte uren van Amsterdamse mannen en vrouwen is weergegeven in figuur 2.9, uitgesplitst naar positie in het huishouden.26 Een positief percentage geeft aan dat mannen meer uren werken dan vrouwen, dit is het geval voor alle posities binnen een huishouden. Voor partners in paren met kinderen is het verschil in gewerkte uren het grootst, mannen werken hier gemiddeld 24% meer uren dan vrouwen. Alleenstaande vaders werken gemiddeld 20% meer uren dan alleenstaande moeders. De groep alleenstaande vaders is overigens een stuk kleiner dan de groep alleenstaande moeders: 13% van de eenouderhuishoudens betreft een eenouderhuishouden met een vader. Figuur 2.9. Percentage verschil in aantal gewerkte uren tussen mannen en vrouwen uitgesplitst naar positie in huishouden, 2020*
% 30
25
20
15 24 10
13
5
0
20
18
thuiswonend kind
9
9
alleenstaande
partner in paar zonder kinderen
partner in paar met ouder in kinderen eenouderhuishouden
overig
*Het gaat hier om het totaalaantal gewerkte uren bij de hoofdbaan in de maand januari 2020. Een
bron:CBS,
positief percentage geeft aan dat mannen uren hebben gewerkt dan vrouwen.
bewerking OIS
2.6 Loonkloof tussen vrouwen met en zonder migratieachtergrond Ook is nagegaan of er sprake is van loonongelijkheid tussen groepen vrouwen, met name tussen vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond en andere vrouwen. Onder Amsterdamse vrouwen in loondienst met verschillende migratieachtergrond en opleidingsniveau is er verschil in het gemiddeld uurloon. Vrouwen met een laag opleidingsniveau verdienen in het algemeen minder dan vrouwen met een hoger opleidingsniveau (zie figuur 2.10 en 2.11). Onder 26 Positie in het huishouden ten opzichte van personen die in hetzelfde huishouden wonen.
31
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
hoogopgeleiden verdienen vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond 11% minder dan vrouwen zonder migratieachtergrond en 10% minder dan vrouwen met een westerse migratieachtergrond. Onder laagopgeleiden verdienen vrouwen met een westerse migratieachtergrond het meest. Bij verdere uitsplitsing naar herkomstgroepen van vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond zien we weinig verschillen in het gemiddeld uurloon tussen de verschillende herkomstgroepen (figuur 2.11). Onder laagopgeleide vrouwen verdienen Surinaamse Amsterdammers gemiddeld het meest. Als we kijken naar het totaalaantal vrouwen met en zonder migratieachtergrond (onafhankelijk van opleidingsniveau) dan verdienen vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond 24% minder per uur dan vrouwen zonder migratieachtergrond (zie figuur 2.10). Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door verschillen in opleidingsniveau: het aandeel hoogopgeleide vrouwen is lager onder vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond dan onder vrouwen zonder migratieachtergrond en vrouwen met westerse migratieachtergrond (figuur 2.12). Figuur 2.10. Gemiddeld (bruto) uurloon van Amsterdamse vrouwen naar migratieachtergrond en opleiding, 2020 € 35 € 30
€ 29
€ 29 € 26
€ 26
€ 26
€ 25 € 20
€ 19
€ 18 € 17 € 18
€ 15
€ 12 € 12
€ 14
€ 10
€5 €0
hoogopgeleid
middelbaar opgeleid
laagopgeleid
totaal
geen migratieachtergrond niet-westerse migratieachtergrond westerse migratieachtergrond
bron:CBS, bewerking OIS
32
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 2.11. Gemiddeld (bruto) uurloon van Amsterdamse vrouwen naar migratieachtergrond en opleiding, 2020 € 35
€ 30
€ 29 € 26€ 26€ 26
€ 27 Geen migratieachtergrond
€ 25
Marokko € 20
€ 18 € 18 € 18
€ 17
€ 18 Suriname
€ 15 € 12
€ 13
€ 11
€ 12 € 12
Turkije
€ 10 Voormalige Nederlandse Antillen en Aruba
€5
€0
hoogopgeleid
middelbaar opgeleid
laagopgeleid
bron:CBS, bewerking OIS Figuur 2.12. Opleidingsniveau Amsterdamse vrouwen in loondienst, uitgesplitst naar migratieachtergrond, 2020 (procenten) geen (N=81.120)
8
Voormalige Nederlandse Antillen en Aruba (2.510)
24
68
17
Turkije (N=6.060)
43
40
32
Suriname (N=13.310)
43
22
49
Marokko (N=11.220)
34
overige niet-westerse landen (N=14.800)
31
overige westerse landen (N=21.150)
29
44
22
33
10 0
25
37
26 20 laag
64 40 middelbaar
60
%
80
100
hoog
bron:CBS, bewerking OIS
33
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Economische zelfstandigheid vrouwen
3 Wensen van deeltijdwerkende vrouwen
Samenvatting 65% van de geënquêteerde Amsterdamse vrouwen die deeltijd werken, wil geen verandering in het aantal werkuren, 16% zou meer uren willen werken en 11% minder uren. Deze behoefte hangt samen met het inkomen: o Naarmate het eigen inkomen hoger is, is er minder behoefte aan verandering in het aantal werkuren. o Naarmate het eigen inkomen lager is, neemt de behoefte om meer uren te werken toe. Deze behoefte hangt ook samen met andere factoren: o Deeltijdwerkende vrouwen met (met name jonge) kinderen willen minder vaak meer uren werken dan vrouwen zonder kinderen. o Opvallend is dat deeltijdwerkende alleenstaande moeders relatief vaak meer uren willen werken (26%), terwijl ze gemiddeld evenveel uren per week werken als andere moeders. o Van de laagopgeleide vrouwen die deeltijd werken, wil 23% meer uren werken. Dat is meer dan gemiddeld (16%). o Deeltijdwerkende vrouwen met een niet-westerse migratieachtergrond willen relatief vaak verandering in hun aantal werkuren, vooral meer uren werken (24%). Deeltijdwerkende vrouwen kunnen vaak niet het gewenste aantal uren werken doordat het niet mogelijk is bij hun werkgever, vanwege zorgtaken, of omdat het financieel niet haalbaar is (bij minder uren willen werken).
In dit hoofdstuk staat de volgende vraag centraal: Willen vrouwen die in deeltijd werken (d.w.z. een contract voor minder dan 36 uur per week hebben) meer werken of juist minder uren, en zo ja waarom wel of niet? En zijn hierin verschillen tussen groepen vrouwen, zoals vrouwen met of zonder kinderen, alleenstaande moeders of naar hoogte van de genoten opleiding of naar herkomstgroep? De resultaten die in dit en het volgende hoofdstuk worden besproken komen uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) van OIS over de periode januari 2019-december 2020. In de toelichtende tekstboxen zijn casussen en hun quotes uit de telefonische interviews opgenomen die zijn gehouden in de periode januari-februari 2021.
3.1 Ruim een kwart heeft behoefte aan verandering in uren werk De deeltijdwerkende vrouwen in de enquête (n= 1.577) werken gemiddeld 26 uur per week. Veertig procent van hen werkt 3 dagen per week (24 uur) of minder. Vier dagen per week werken, 32 uur, komt het vaakst voor (40%).
34
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Bijna tweederde van de deeltijdwerkende vrouwen (65%) geeft aan geen behoefte te hebben om meer of minder uren te werken (al dan niet in een andere werkkring). Zestien procent zou wel meer willen werken en 11% juist minder uren (samen 27%) en 9% gaf aan het niet te weten. Het minder uren willen werken speelt pas bij vrouwen wanneer zij meer dan 8 uur per week werken. Voor de vrouwen in de enquête die deeltijd werken, maakt het geen significant verschil uit in hun wens om al dan niet meer of minder uren te werken of hun partner in het huishouden al dan niet betaald werk heeft. Er zijn in de enquête slechts 47 deeltijdwerkende vrouwen van wie de partner geen betaald werk heeft. Er zullen vanwege dit kleine aantal dan ook niet snel significante verschillen worden gevonden. Het huishoudtype en het al dan niet hebben van thuiswonende kinderen speelt hierbij wel een rol, zie figuur 3.1. Deeltijdwerkende vrouwen met (met name jonge) kinderen willen minder vaak meer uren werken. Opvallend is dat deeltijdwerkende vrouwen in een eenoudergezin vaak meer uren willen werken. Op deze groep wordt in paragraaf 3.1 nader ingegaan. Figuur 3.1 Zou u binnen nu en zes maanden meer of minder uren willen werken al dan niet in een andere werkkring? Wetende dat uw inkomsten dan ook veranderen? (onder deeltijdwerkende vrouwen), naar huishoudtype, 2019-2020 (n= 1.139-1.577, procenten)
alleenwonend
18
paar zonder kind paar met kind(eren)
11
14
64
9
16
eenoudergezin
71
8 11
31
geen kinderen
17
met kind(eren)
15
met kind(eren) jonger dan 4
12
totaal 0
11
11
55
11
2
63
9
69
8
10
9 53
9
16
6
67
25
overig
7
9
76
11
20
4
65
30
ja, ik zou meer uren willen werken
40
50
60
9
70
ja, ik zou minder uren willen werken
80 %
90
nee
weet ik niet
100
bron: OIS, REB
We zien ook verschillen in gewenste verandering van werkuren naar opleidingsniveau (zie figuur 3.2); hoogopgeleide deeltijdwerkende vrouwen willen minder vaak meer uren werken dan laagopgeleide vrouwen. Laagopgeleide vrouwen willen juist minder vaak minder uren werken dan hoogopgeleide deeltijdwerkende vrouwen. In paragraaf 3.2 wordt nader op deze groep laagopgeleiden ingegaan.
35
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Economische zelfstandigheid vrouwen
Figuur 3.2 Zou u binnen nu en zes maanden meer of minder uren willen werken al dan niet in een andere werkkring? Wetende dat uw inkomsten dan ook veranderen? (onder deeltijdwerkende vrouwen), naar opleidingsniveau, 2019-2020 (n=1.577, procenten)