CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Rapport Verenigingsmonitor Voetbal Amsterdam.pdf

Raadscommissie Sociaal, Economische zaken en Democratisering 7 mei 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief onderzoek vitaliteit sportverenigingen (VN2025-005828)9.891 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Heb aandacht voor (toekomstbestendige) accommodaties De voetbalverenigingen scoren laag op het criterium accommodatie. Met name de beschikbaarheid van de sportaccommodatie vormt een punt van zorg. Drie op de tien verenigingen geven aan een (zeer) groot probleem te ervaren op dit thema. Op dit moment geeft ongeveer de helft van de verenigingen aan op elk gewenst moment en conform de behoefte te kunnen beschikken over de accommodatie. Voor een op de vijf is dit helemaal niet het geval. De verenigingen verwachten dat deze situatie in de toekomst verslechtert. Twee op de vijf denken niet dat ze op de huidige locatie, met het aantal beschikbare uren, ook in de toekomst vooruit kunnen. We raden de gemeente aan om met een capaciteitsonderzoek inzichtelijk te krijgen hoe groot het ervaren probleem van de voetbalverenigingen daadwerkelijk is en waar de grootste knelpunten ontstaan in de toekomst.

Daarnaast kan het helpen om met de verenigingen te kijken welke mogelijkheden er zijn voor efficiënter gebruik van de accommodaties. Mogelijk biedt gebruik van elkaars velden, verlengde speeldagen of het omzetten van natuurgras- in kunstgrasvelden (zodat deze intensiever gebruikt kunnen worden) een oplossing. Maak financiële positie inzichtelijk Hoewel ruim de helft van de verenigingen (56%) de eigen financiële positie typeert als (zeer) gezond, scoort minder dan de helft van de verenigingen (47%) voldoende of goed op het criterium financiën. Met name kleine verenigingen scoren vaak onvoldoende (56%). De eigen inschatting van de verenigingen is dus rooskleuriger dan de vitaliteitsindex toont. Vooral de mate waarin verenigingen financiële buffers hebben is problematisch. Slecht een op de drie verenigingen heeft altijd financiële middelen om tegenvallers op te vangen. Gezien de stijgende kosten de laatste jaren en nieuwe, kostbare uitdagingen zoals verouderde accommodaties en verduurzaming, is het belangrijk voor verenigingen dat ze zich goed bewust zijn van hun eigen financiële situatie. De gemeente kan de verenigingen helpen hun financiële situatie inzichtelijk te maken en zo inzicht krijgen in de kwetsbaarheden van verenigingen op het gebied van financiën.

Op deze manier kan de gemeente gerichte ondersteuning bieden en ervoor zorgen dat verenigingen zelf financieel toekomstbestendig worden. Verbreed maatschappelijke oriëntatie kleine voetbalverenigingen De voetbalverenigingen als geheel scoren goed op maatschappelijke oriëntatie. Maar liefst 68 procent scoort voldoende of goed. Dit komt met name doordat de grote verenigingen (> 250 leden) hoog scoren. De kleine verenigingen (≤ 250 leden) werken minder vaak samen met andere organisaties en zijn minder betrokken bij projecten. Een deel van de kleine verenigingen heeft hier wel belangstelling voor. Vooral samenwerkingen met (de) Ajax (Foundation), de gemeente, scholen en jeugdorganisaties krijgen aandacht. Daarnaast worden ze graag betrokken bij de Amsterdamse Sport- en Beweegweek, subsidieregeling Sociale Basis en het Jeugd Sport Fonds. De gemeente kan zulke samenwerkingen initiëren of stimuleren en zo de maatschappelijke oriëntatie van de kleine verenigingen vergroten. Ondersteun elkaar met ‘best practices’ Ruim een derde van de voetbalverenigingen is vitaal. Dit zijn overwegend grote verenigingen. Deze verenigingen kunnen als voorbeeld dienen voor andere verenigingen. Het is waardevol om de vitale voetbalverenigingen te koppelen aan soortgelijke verenigingen die als kwetsbaar worden beschouwd.

Bijlage 1

Organisatiekracht bestaat uit vijf criteria: beleid, leden, kader, accommodatie en financiën. Elk criterium van organisatiekracht bestaat uit vragen van de verenigingsmonitor waarop verenigingen een score krijgen. De verenigingen kunnen op elk criterium maximaal 100 punten halen. Ze scoren een onvoldoende wanneer ze minder dan 40 procent van de punten voor een criterium halen. Een score ‘matig’ staat voor 40 tot en met 59 procent van het totaalaantal punten, een score ‘voldoende’ voor 60 tot en met 79 procent en een score ‘goed’ voor 80 procent of meer van de punten. De totaalscores van alle vijf de criteria bepalen de totaalscore voor organisatiekracht, waardoor verenigingen op deze totaalscore maximaal 500 punten kunnen behalen. Deze totaalscore delen we vervolgens opnieuw in onvoldoende, matig, voldoende en goed in, volgens de hierboven genoemde indeling.

De maatschappelijke oriëntatie bestaat uit twee criteria: maatschappelijke intentie en maatschappelijke activiteit. Maatschappelijke activiteit staat voor de mate waarin verenigingen actief een maatschappelijke rol vervullen: wat ondernemen en organiseren verenigingen in het kader van een bredere maatschappelijke oriëntatie? Maatschappelijke intentie staat voor de houding van verenigingen ten opzichte van een actieve bredere maatschappelijke rol: zijn verenigingen van plan een bredere maatschappelijke oriëntatie op zich te nemen? Verenigingen kunnen op het criterium maatschappelijk actief maximaal 100 punten en op het criterium maatschappelijke intentie maximaal 70 punten halen. Ze scoren onvoldoende als ze minder dan 40 procent van de punten voor een criterium halen. Een score ‘matig’ staat voor 40 tot en met 59 procent van het totaalaantal punten, een score ‘voldoende’ voor 60 tot en met 79 procent en een score ‘goed’ voor 80 procent of meer van de punten. De scores op de beide criteria bepalen de uiteindelijke totaalscore op de index maatschappelijke oriëntatie. Dit betekent dat verenigingen maximaal 170 punten kunnen halen. Deze totaalscore delen we vervolgens in dezelfde indeling van onvoldoende, matig, voldoende en goed in.

De totaalscores voor zowel organisatiekracht als maatschappelijke oriëntatie zijn een optelsom van de onderliggende criteria. Dit betekent dat een vereniging die een

onvoldoende op de totale organisatiekracht haalt, niet per definitie op elk criterium een onvoldoende heeft behaald. Een vereniging kan bijvoorbeeld drie keer een onvoldoende, één keer een voldoende en één keer een goed hebben gescoord.

De gemiddelde score staat voor het gemiddelde aandeel van het maximaal te behalen aantal punten. De gemiddelde score is te vergelijken met het geven van een cijfer: een gemiddelde score van 75 betekent dat verenigingen gemiddeld een cijfer van 7,5 scoren op dat criterium en daarmee een voldoende behalen (> 8 is een ‘goed’). De gemiddelde score kan aanvullend werken bij de interpretatie van de scores.

Bijlage 2

Tabel B2.1 Responsanalyse voetbalverenigingen naar grootte Populatie

Responsgroep

Aantal

Percentage

Aantal

Percentage

< 100 leden

13

18

2

6

101 t/m 250 leden

19

26

10

29

> 250 leden

41

55

22

65

Onbekend

1

1

0

0

Totaal

74

100

34

100

Op basis van gegevens van de gemeente Amsterdam.

Tabel B2.2 Responsanalyse voetbalverenigingen naar locatie Populatie

Responsgroep

Aantal Percentage

Aantal Percentage

Noord

9

12

4

12

Oost

19

26

10

29

Zuidoost

5

7

2

6

Zuid

14

19

4

12

West

5

7

2

6

Nieuw-West

20

27

10

29

Weesp

2

3

2

6

Totaal

74

100

34

100

Op basis van gegevens van de gemeente Amsterdam.

Niels Meulenbroeks n.meulenbroeks@mulierinstituut.nl Janine van Kalmthout j.vankalmthout@mulierinstituut.nl

Mulier Instituut | 2024

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15467881/1