Rapport - Verenigingsmonitor Amsterdam excl voetbal (1).pdf
Tekst van het document
De vragen over ‘van jongs af aan vaardig in bewegen’ hebben we alleen gesteld aan de verenigingen met leden in de leeftijdscategorie tot 12 jaar (68%). Bij de verenigingen met jeugdleden zijn kinderen gemiddeld vanaf 5 jaar welkom om te sporten. Bij één vereniging zijn kinderen al welkom vanaf 2 jaar, bij twee verenigingen als ze 8 jaar zijn. Vijftien verenigingen met jeugdleden in dit onderzoek werken met selectieteams. Een aantal verenigingen begint al op 6-jarige leeftijd met selecties (drie verenigingen), andere hebben alleen selectieteams voor oudere jeugd (16+, 18+). Gemiddeld beginnen de verenigingen op 11-jarige leeftijd met selecteren. Twaalf verenigingen met jeugd werken helemaal niet met selectieteams. Meeste verenigingen houden rekening met leeftijd bij trainingen Iets meer dan de helft van de verenigingen in deze peiling werkt bij activiteiten en trainingen met een aanpak die afgestemd is op de leeftijd van de kinderen (56%, figuur 5.3). Met name bij middelgrote verenigingen is dit het geval. Een op de drie doet dit vaak (37%). Geen enkele vereniging met jeugdleden geeft aan dit zelden of nooit te doen. Zeven op de tien verenigingen besteden bij kinderen onder de 8 jaar net zoveel aandacht aan de brede ontwikkeling en beweegvaardigheid als aan specifieke sporttechnieken (70%). Buitensportverenigingen doen dit altijd of vaak (niet in figuur).
Twee middelgrote verenigingen (7%) doen dit helemaal nooit. De helft van de sportverenigingen biedt altijd of vaak gevarieerde lessen/trainingen aan jeugdleden aan die niet alleen gericht zijn op de eigen tak van sport (48%). Een kwart van de verenigingen biedt zelden of nooit lessen of trainingen aan die niet met de eigen sport te maken hebben (26%). Dit is met name zo bij kleine verenigingen en binnensportverenigingen (niet in figuur).
Figuur 5.3 Stellingen over vaardig in bewegen (in procenten, n=27) 0
20
Bij de activiteiten/trainingen voor kinderen werken we heel bewust met een verschillende aanpak voor de verschillende leeftijdsgroepen
80
15
Bij het bevorderen van de beweegvaardigheid van kinderen werken we als club samen met scholen en ouders
15
Soms
100
37
33
Onze lessen/trainingen voor kinderen zijn heel gevarieerd en niet alleen gericht op de eigen tak van sport
Vaak
60
56
Voor kinderen tot 8 jaar besteden we aan brede ontwikkeling van beweegvaardigheden net zoveel aandacht als aan het aanleren van de eigen sporttechniek
Altijd
40
37
33
26
7
30
Zelden
Nooit
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
De helft van de verenigingen werkt niet samen met scholen en ouders om de beweegvaardigheid van kinderen te verbeteren. Een op de drie doet dit soms (30%). Vooral onder grote verenigingen en kleine verenigingen is nog grote winst te behalen. Zij geven het vaakst aan zelden tot nooit samen te werken (niet in figuur).
Voor de helft van de verenigingen vormt onwenselijk gedrag van leden en/of kader totaal geen probleem (50%). Bij 45 procent is dit nauwelijks het geval. Twee grote verenigingen geven aan dat onwenselijk gedrag tot behoorlijke problemen leidt. Bijna alle verenigingen nemen maatregelen voor een veilige sportomgeving Op één vereniging (3%) na hebben alle verenigingen in dit onderzoek beleid voor een sociaal veilige sportomgeving (figuur 5.4). De meest voorkomende maatregel bij verenigingen is de aanwezigheid van een vertrouwenscontactpersoon (95%). Daarnaast heeft 93 procent van de verenigingen gedragsregels opgesteld en deze vastgelegd in de statuten of het regelement, in de huisregels of in een andere vorm.
26
7
22
7
19
7
22
Figuur 5.4 Maatregelen ter bevordering van een sociaal veilige sportomgeving (in procenten, n=40, meerdere antwoorden mogelijk) 0
20
40
60
80
100
Vertrouwenscontactpersoon
95
VOG voor bestuursleden, trainer/coaches en/of vrijwilligers
75
Gedragsregels in statuten of regelement
73
Gedragsregels in huisregels
48
Klachtenregeling
38
Gedragsregels in andere vorm (bv. poster, website) Overig beleid voor mensen die met kinderen werken
35 10
Andere zaken Geen van deze zaken
5 3
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Bij drie kwart van de verenigingen hebben de kaderleden (of een deel daarvan) een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) nodig (75%). Bij deze verenigingen is het aanvragen van een VOG het vaakst verplicht voor trainers (77%) en bestuurders (67%) (niet in figuur). Bij een kwart van de verenigingen die werken met VOG’s, zijn deze alleen verplicht voor kaderleden die met jeugd werken (23%). Eén vereniging werkt met VOG’s, maar stelt het aanvragen ervan voor geen enkele vrijwilligers, bestuursleden of trainers/coaches verplicht. Ruim de helft heeft beleid voor vakkundig geschoolde trainers/coaches Drie op de vijf verenigingen hebben beleid over het volgen van pedagogische elearnings, trainingen of cursussen door trainers/coaches (58%, niet in figuur). Dit is met name het geval bij grote verenigingen. Een op de vijf verenigingen stelt het volgen van een pedagogische cursus verplicht voor alle trainers/coaches, of is van plan dit te doen (21%). Een op de tien stelt het alleen verplicht voor trainers/coaches die met jeugd werken (11%). Bij een derde van de verenigingen is het mogelijk om een cursus te volgen, maar is het geen verplichting (34%). De helft van de verenigingen investeert in coaching van het clubkader met als doel een positieve sportcultuur (48%, niet in figuur). Dit is vaker het geval bij binnensport- dan bij buitensportverenigingen.
Eén vereniging (3%) is nog niet bezig met coaching van het clubkader, maar heeft dit wel op de planning staan. Nog eens een kwart is geïnteresseerd (23%). De andere verenigingen hebben geen interesse (23%) of zijn onbekend met het onderwerp (5%).
Helft verenigingen voldoet aan de vier V’s De helft van de sportverenigingen (49%) voldoet aan alle vier de basiseisen voor een veilige sportvereniging (de vier V’s, zie kader). Dit aandeel ligt veel hoger onder grote verenigingen (75%) dan onder kleine verenigingen (19%). Een kwart voldoet aan drie van de vier V’s (27%). In de meeste gevallen ontbreekt bij deze verenigingen beleid over vakkundig geschoolde trainers/coaches. Twee verenigingen voldoen maar aan één van de basiseisen, één vereniging voldoet aan geen van de basiseisen. Dit zijn allemaal kleine verenigingen.
Vier basiseisen voor een veilige sportvereniging (NOC*NSF) NOC*NSF heeft vier basisvoorwaarden (vier V’s) opgesteld voor een veilige sportvereniging. Deze vier basisvoorwaarden zien ze als fundament voor een veilige sportvereniging, waar de kans op (seksueel) grensoverschrijdend gedrag zo klein mogelijk is. Het streven is dat elke vereniging aan deze vier basisvoorwaarden voldoet. De basisvoorwaarden zijn: een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor vrijwilligers die met jeugd en/of kwetsbare doelgroepen werken; een verenigingsbrede gedragscode die door trainer-coaches, begeleiders, bestuurders en medewerkers wordt ondertekend; een vertrouwenscontactpersoon aanstellen op de vereniging; vakkundig geschoolde trainer-coaches: alle trainer-coaches die werken met jeugd en/of kwetsbare doelgroepen, volgen een cursus, opleiding of e-learning met aandacht voor pedagogiek en integriteit.
Helft wil basisschooljeugd (beter) bereiken De meeste sportverenigingen willen ten minste één doelgroep (beter) bereiken (87%, figuur 5.5). De helft van de verenigingen wil dit met basisschooljeugd (53%). Ook middelbareschooljeugd en buurtbewoners zijn doelgroepen waar verenigingen op in willen zetten. Er is minder interesse in het (beter) bereiken van ouderen (20%) en mensen met een beperking en/of chronische aandoening (13%).
Figuur 5.5 Doelgroepen die de verenigingen (beter) willen bereiken (in procenten, n=40) 0
20
40
60
Basisschooljeugd
80
100
53
Middelbareschooljeugd
43
Buurtbewoners
35
Vrouwen
30
Mensen met een migratieachtergrond
30
Mensen met lage inkomens
25
Ouderen
20
Mensen met een beperking en/of chronische aandoening
13
Andere doelgroep(en)
10
Geen doelgroepen
13
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
De vragen over duurzaamheid hebben we alleen gesteld aan verenigingen met een eigen accommodatie en/of kantine (16 verenigingen, 39%). Helft heeft gewerkt aan energiebesparing en duurzaamheid De helft van de sportverenigingen met een eigen accommodatie en/of eigen kantine heeft in het verleden al geïnvesteerd in energiebesparende maatregelen of duurzame energieopwekking (50%, niet in figuur). Een derde (31%) deed dit in de afgelopen drie jaar, een op de vijf deed dit eerder (19%). Drie verenigingen willen de komende drie jaar extra investeringen doen in energiebesparingen en duurzaamheid (19%, niet in figuur). Twee op de vijf (38%) zijn dit niet van plan; bij de overige verenigingen is het nog niet bekend (44%). Verschillende belemmeringen voor investeringen De sportverenigingen ervaren veel verschillende belemmeringen om (meer) te investeren in energiebesparende maatregelen of duurzame energieopwekking. Een op de vijf geeft aan onvoldoende financiën te hebben (19%, figuur 5.6), een op de zeven heeft onvoldoende tijd (13%). Andere belemmeringen die verenigingen noemen zijn de beperkte mogelijkheden die de accommodaties hebben om verduurzaamd te worden (monumentstatus, ouderdom) en de afhankelijkheid van de derden, vaak de gemeente.
Eén vereniging ervaart geen enkele belemmering voor investeringen in duurzaamheid (6%). Bij drie verenigingen zijn zulke maatregelen op dit moment niet aan de orde (19%). Figuur 5.6 Belemmeringen voor investeringen in energiebesparende maatregelen en/of duurzame energieopwekking (in procenten, n=16) 0
20
Onvoldoende financiën 13
6
Andere belemmering(en)
Geen belemmering(en) Maatregelen zijn niet aan de orde
60
19
Onvoldoende tijd Onvoldoende draagvlak binnen de vereniging
40
50
6
19
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
80
100
Hoofdstuk 6
In dit hoofdstuk presenteren we de belangrijkste conclusies van ons onderzoek. Vervolgens doen we enkele aanbevelingen voor de gemeente Amsterdam.
Ruim de helft scoort voldoende tot goed Drie op de vijf sportverenigingen in dit onderzoek zijn voldoende of goed in staat hun sportaanbod te organiseren (59%). De andere verenigingen slagen hier matig of onvoldoende in. Binnensportverenigingen scoren het vaakst matig of onvoldoende. Accommodatie grootste aandachtspunt De verenigingen scoren het minst goed op het criterium accommodatie. Iets minder dan de helft scoort voldoende of goed (46%), een op de drie scoort onvoldoende (32%). Dit komt met name door onzekerheid over de (toekomstige) beschikbaarheid van accommodaties conform de behoeftes van de verenigingen. Verbetering mogelijk op kader en financiën Ook op de criteria kader en financiën is er verbetering mogelijk voor de verenigingen. De meerderheid van de verenigingen is op zoek naar (extra) vrijwilligers (83%) en een derde heeft vacatures op cruciale posities in de organisatie (34%). Ruim de helft van de verenigingen heeft niet alijd ruimte binnen de begroting voor onverwachte uitgaven (58%).
Twee op de vijf scoort voldoende tot goed 42 procent van de sportverenigingen in dit onderzoek is voldoende of goed maatschappelijk georiënteerd. Deze verenigingen zijn in staat om naast het reguliere sportaanbod een maatschappelijke rol te vervullen. Kleine verenigingen, verenigingen zonder eigen sportaccommodatie en binnensportverenigingen scoren het vaakst matig of onvoldoende. Helft is maatschappelijk actief De helft van de verenigingen is maatschappelijk actief (49%). Zij werken samen met andere organisaties, bieden faciliteiten en/of activiteiten aan voor niet-leden en zijn actief bezig met maatschappelijke thema’s. Helft wil maatschappelijke activiteit vergroten De helft van de verenigingen heeft een maatschappelijke intentie. Deze verenigingen willen hun maatschappelijke rol uitbreiden door (extra) samen te gaan werken, betrokken te raken bij projecten of in te zetten op maatschappelijke thema’s.
Drie op de tien verenigingen zijn vitaal 31 procent van de verenigingen in dit onderzoek is vitaal. Deze verenigingen scoren voldoende of goed op organisatiekracht én maatschappelijke oriëntatie. Dit zijn vooral buitensportverenigingen en verenigingen met een eigen accommodatie. Een op de zes is kwetsbaar Een op de zes verenigingen is kwetsbaar. Deze verenigingen scoren op zowel organisatiekracht als maatschappelijke oriëntatie onder de maat. Het zijn met name binnensportverenigingen die als kwetsbaar te beschouwen zijn. Een derde is krachtig Een op de drie verenigingen heeft de organisatie van het (sport)aanbod op orde, maar is nog nauwelijks maatschappelijk georiënteerd. Dit zijn de krachtige verenigingen. Door meer oog te hebben voor de maatschappelijke rol van een sportvereniging kunnen deze verenigingen zich ontwikkelen tot vitale verenigingen. Een op de vijf is maatschappelijk Een vijfde van de verenigingen is te beschouwen als maatschappelijk. Deze verenigingen zijn maatschappelijk betrokken, maar hebben moeite met het organiseren van het (sport)aanbod. Als de organisatiekracht van de verenigingen verbetert, kunnen deze verenigingen doorgroeien tot vitale verenigingen.
Verenigingen zien meerwaarde van diversiteit Vier op de vijf sportverenigingen zien de meerwaarde van een divers ledenbestand en kader (80%). De helft is tevreden over de mate waarin vertegenwoordiging van verschillende groepen leden op dit moment aanwezig is (49%). Ruim de helft van de verenigingen houdt rekening met diversiteit bij de werving van het kader (59%). Verenigingen besteden aandacht aan beweegvaardigheden De meeste verenigingen met jeugdleden werken met een leeftijdsafhankelijke aanpak bij activiteiten (93%). Twee derde besteedt bij jonge kinderen aandacht aan de ontwikkeling van de beweegvaardigheid (70%). Er is nog winst te behalen door meer samen te werken met ouders en scholen. Bijna alle verenigingen nemen maatregelen voor een veilige sportomgeving Op één vereniging na nemen alle verenigingen maatregelen voor een veilige sportomgeving. De helft voldoet aan alle vier de basiseisen van NOC*NSF (49%). Een kwart beschikt over beleid op drie van de vier pijlers (27%). Helft heeft al duurzaamheidsmaatregelen genomen De helft van de sportverenigingen met een eigen sportaccommodatie en/of kantine heeft in de afgelopen jaren al geïnvesteerd in energiebesparing of duurzame energieopwekking (50%). Een op de vijf is van plan de komende drie jaar (extra) investeringen te doen (20%).
Onderzoek de beschikbaarheidsknelpunten nader Voor het criterium accommodatie is het grootste knelpunt de beschikbaarheid van de sportaccommodaties. Slechts een op de drie verenigingen (34%) geeft aan gebruik te kunnen maken van de sportaccommodatie op alle gewenste momenten en conform behoefte. Een kwart (27%) ervaart een (zeer) groot probleem met de beschikbaarheid. Het is van belang nader uit te zoeken wat de grondslag van dit probleem is. Is er vooral een gebrek aan ruimte op piekmomenten, wanneer alle verenigingen het liefst willen huren (bv. doordeweekse avonden)? Of is de capaciteit ook op ‘rustige’ momenten niet voldoende om in de behoefte te voorzien? In het eerste geval kan inzetten op betere spreiding over drukke en rustige periodes helpen bij het terugdringen van het probleem. Waak voor overschatting van de financiën De helft van de verenigingen scoort onvoldoende of matig op het criterium financiën (49%). Toch geven maar twee verenigingen aan een zorgwekkende of minder gezonde financiële situatie te hebben. Dit kan erop duiden dat een deel van de verenigingen in dit onderzoek de eigen financiële situatie rooskleuriger voor zich ziet dan deze daadwerkelijk is. Hoewel de meeste verenigingen jaarlijks aan alle verplichtingen kunnen voldoen, heeft maar twee op de vijf ruimte voor onverwachte uitgaven.
Bij tegenslagen moeten deze verenigingen direct op hun reserves interen. Door verenigingen te ondersteunen bij het opstellen van begrotingen en het belang van reserves te benadrukken, kan men verenigingen behoeden voor problemen. Ondersteun verenigingen bij het opstellen van vrijwilligersbeleid Het werven en behouden van vrijwilligers vormt voor de helft van de verenigingen in dit onderzoek een (zeer) groot probleem (47%). Veel verenigingen zijn op zoek naar vrijwilligers. Dit zijn verenigingen die een tekort aan vrijwilligers hebben en verenigingen die hun bestand aan willen vullen. Opvallend is dat maar een op de vijf verenigingen (20%) beleid heeft voor de werving en het behoud van vrijwilligers. Door verenigingen te ondersteunen bij het opstellen van dergelijk beleid, krijgen verenigingen handvatten om nieuwe vrijwilligers aan te trekken en het verloop te beperken. Stimuleer samenwerking De meeste verenigingen werken al samen met andere organisaties (90%) en/of zijn betrokken bij projecten of regelingen (83%). Toch zijn er nog mogelijkheden voor de gemeente om de betrokkenheid van verenigingen uit te breiden. Een op de zes verenigingen (17%) werkt nog niet samen met de gemeente, maar zou dit wel graag
willen. Daarnaast hebben twee op de vijf verenigingen (39%) interesse in verenigingsondersteuning die de gemeente biedt. Een andere mogelijkheid om de maatschappelijke oriëntatie van de verenigingen te vergroten is inzetten op leefbaarheid. Momenteel voert slechts 7 procent van de verenigingen activiteiten uit op dit thema, maar twee op de vijf hebben hier interesse in op lange of korte termijn (beide 20%). Daarnaast wil een op de drie verenigingen buurtbewoners beter betrekken (35%). Door projecten of regelingen op te starten die zich op dit thema richten, kan de gemeente de sportverenigingen helpen om hun intenties te verwezenlijken.
Bijlage 1
Berekening score organisatiekracht Organisatiekracht bestaat uit vijf criteria: beleid, leden, kader, accommodatie en financiën. Elk criterium van organisatiekracht bestaat uit vragen van de verenigingsmonitor waarop verenigingen een score krijgen. De verenigingen kunnen op elk criterium maximaal 100 punten halen. Ze scoren een onvoldoende wanneer ze minder dan 40 procent van de punten voor een criterium halen. Een score ‘matig’ staat voor 40 tot en met 59 procent van het totaalaantal punten, een score ‘voldoende’ voor 60 tot en met 79 procent en een score ‘goed’ voor 80 procent of meer van de punten. De totaalscores van alle vijf de criteria bepalen de totaalscore voor organisatiekracht, waardoor verenigingen op deze totaalscore maximaal 500 punten kunnen behalen. Deze totaalscore delen we vervolgens opnieuw in onvoldoende, matig, voldoende en goed in, volgens de hierboven genoemde indeling.
Berekening score maatschappelijke oriëntatie De maatschappelijke oriëntatie bestaat uit twee criteria: maatschappelijke intentie en maatschappelijke activiteit. Maatschappelijke activiteit staat voor de mate waarin verenigingen actief een maatschappelijke rol vervullen: wat ondernemen en organiseren verenigingen in het kader van een bredere maatschappelijke oriëntatie? Maatschappelijke intentie staat voor de houding van verenigingen ten opzichte van een actieve bredere maatschappelijke rol: zijn verenigingen van plan een bredere maatschappelijke oriëntatie op zich te nemen? Verenigingen kunnen op het criterium maatschappelijke activiteit maximaal 100 punten en op het criterium maatschappelijke intentie maximaal 70 punten halen. Ze scoren onvoldoende als ze minder dan 40 procent van de punten voor een criterium halen. Een score ‘matig’ staat voor 40 tot en met 59 procent van het totaalaantal punten, een score ‘voldoende’ voor 60 tot en met 79 procent en een score ‘goed’ voor 80 procent of meer van de punten. De scores op de beide criteria bepalen de uiteindelijke totaalscore op de index maatschappelijke oriëntatie. Dit betekent dat verenigingen maximaal 170 punten kunnen halen. Deze totaalscore delen we vervolgens in dezelfde indeling van onvoldoende, matig, voldoende en goed in.
Toelichting totaalscores De totaalscores voor zowel organisatiekracht als maatschappelijke oriëntatie zijn een optelsom van de onderliggende criteria. Dit betekent dat een vereniging die een onvoldoende op de totale organisatiekracht haalt, niet per definitie op elk criterium een onvoldoende heeft behaald. Een vereniging kan bijvoorbeeld drie keer een onvoldoende, één keer een voldoende en één keer een goed hebben gescoord.
Gemiddelde scores De gemiddelde score staat voor het gemiddelde aandeel van het maximaal te behalen aantal punten. De gemiddelde score is te vergelijken met het geven van een cijfer: een gemiddelde score van 75 betekent dat verenigingen gemiddeld een cijfer van 7,5 scoren op dat criterium en daarmee een voldoende behalen (≥ 8 is een ‘goed’). De gemiddelde score kan aanvullend werken bij de interpretatie van de scores.
Bijlage 2
Tabel B2.1 Responsanalyse sportverenigingen Amsterdam naar type sport (excl. voetbalverenigingen) Populatie
Responsgroep
Aantal
Percentage
Aantal
Percentage
Binnensport
204
50%
25
61%
Buitensport
153
37%
10
24%
Beide
54
13%
6
15%
Totaal
411
100%
41
100%
Bron: Op basis van gegevens van de gemeente Amsterdam.
Tabel B2.2 Responsanalyse sportverenigingen Amsterdam naar stadsdeel (excl. voetbalverenigingen) Populatie Aantal
Responsgroep
Percentage
Aantal
Percentage
Centrum
10
2%
1
2%
Noord
51
12%
6
15%
Oost
97
24%
6
15%
Zuidoost
41
10%
7
17%
Zuid
91
22%
6
15%
West
34
8%
4
10%
Nieuw-West
63
15%
7
17%
Weesp
24
6%
4
10%
Totaal
411
100%
41
100%
Bron: Op basis van gegevens van de gemeente Amsterdam.
Niels Meulenbroeks n.meulenbroeks@mulierinstituut.nl Janine van Kalmthout j.vankalmthout@mulierinstituut.nl
Mulier Instituut | 2024