Rapport - Verenigingsmonitor Amsterdam excl voetbal (1).pdf
Tekst van het document
Niels Meulenbroeks | Janine van Kalmthout
Mulier Instituut | 2024
In opdracht van gemeente Amsterdam Mulier Instituut Niels Meulenbroeks Janine van Kalmthout
Voor meer informatie kunt u contact opnemen met het Mulier Instituut. © Mulier Instituut Utrecht, oktober 2024 www.mulierinstituut.nl info@mulierinstituut.nl Disclaimer U mag delen uit deze publicatie overnemen op voorwaarde van bronvermelding: auteur(s), de titel van de publicatie en het jaar van uitgave. Er gelden gebruiksvoorwaarden voor de foto's in deze publicatie. Neem foto's daarom niet over zonder toestemming van het Mulier Instituut.
Het Mulier Instituut doet sportonderzoek voor
Ons doel is bijdragen aan goed onderbouwd beleid,
beleid en samenleving. Voor overheden,
gericht op de bevordering van sport, sportief
maatschappelijke organisaties,
bewegen en versterking van de sportsector. Dit doen
onderwijsinstellingen, sportorganisaties en
we op verschillende manieren:
bedrijven onderzoeken we allerlei thema’s op het gebied van sport en sportief bewegen: van de
We verzamelen data en monitoren de Nederlandse
sportdeelname van (groepen) Nederlanders tot de
sportsector en beleidsprogramma’s.
motorische vaardigheden van kinderen, en van diversiteit en inclusie in de sport tot de economische impact van sportevenementen.
We ontwikkelen kennis en onderzoeksmethoden via verkennende en verdiepende studies. We duiden onderzoeksuitkomsten en vertalen deze
Het Mulier Instituut is een onafhankelijke stichting zonder winstoogmerk.
naar de beleidspraktijk. We onderbouwen beleidsbeslissingen met expertise en advies. We bieden gevraagd en ongevraagd duiding en reflectie in de rol van ‘kritische vriend’ van de sportsector. We zetten ons in voor de bevordering van de sportwetenschap.
Hoofdstuk 1
Met deze verenigingsmonitor brengen we de vitaliteit van sportverenigingen in de gemeente Amsterdam in kaart1. Zo kan de gemeente op de lange termijn een duurzaam beleid voor sportverenigingen voeren. De verenigingsmonitor geeft inzicht in het functioneren van sportverenigingen, de maatschappelijke rol die zij (willen) vervullen en eventuele bedreigingen in de toekomst. De resultaten van dit onderzoek vergelijken we met landelijke cijfers, zodat we de situatie van de sportverenigingen in Amsterdam kunnen afzetten tegen landelijke ontwikkelingen. De resultaten kunnen de gemeente helpen bij het optimaliseren van de dienstverlening en dienen als middel om het gesprek met de verenigingen aan te gaan.
Voor deze verenigingsmonitor hebben we aansluiting gezocht bij de vitaliteitsindex van de landelijke verenigingsmonitor van het Mulier Instituut. Hierbij is aandacht voor de kernthema’s ledenbestand, ervaren problemen, samenwerkingspartners, beleid, financiën, het (vrijwilligers)kader en de accommodatie. Deze thema’s bepalen mede de vitaliteit van sportverenigingen. Daarbij is het basismodel vitale sportclubs het uitgangspunt.2 De vitaliteit bepalen we op basis van de organisatiekracht en de maatschappelijke oriëntatie van verenigingen. In bijlage 1 leest u hier meer over.
De verenigingsmonitor hebben we afgenomen in de vorm van een webenquête. Gemeente Amsterdam heeft in samenwerking met het Mulier Instituut 411 sportverenigingen voor dit onderzoek uitgenodigd. De dataverzameling vond plaats van 6 mei t/m 15 juli 2024. We hebben de resultaten van 41 sportverenigingen geanalyseerd. Dit is een nettorespons van 10 procent. Door de lage respons is het niet mogelijk om de resultaten te generaliseren voor alle sportverenigingen in Amsterdam. Op basis van het type sport van de vereniging (binnen/buiten) en het stadsdeel waarin de vereniging gelegen is, vormt de responsgroep geen goede afspiegeling van de sportverenigingen in gemeente Amsterdam. De binnensportverenigingen zijn oververtegenwoordigd, de buitensportverenigingen ondervertegenwoordigd. 1
In deze verenigingsmonitor ontbreken de voetbalverenigingen. Voor de voetbalverenigingen in Amsterdam hebben we een aparte verenigingsmonitor uitgevoerd: Meulenbroeks, N., & Van Kalmthout, J. (2024). Verenigingsmonitor Voetbal Amsterdam. Mulier Instituut. 2 Lucassen, J., & Van Kalmthout, J. (2015). Vitale clubs voor sport en samenleving. Mulier Instituut.
Op stadsdeelniveau zijn de sportverenigingen uit Oost en Zuid licht ondervertegenwoordigd. Uit deze stadsdelen hebben relatief wat minder verenigingen gereageerd dan uit de andere stadsdelen. Het stadsdeel Zuidoost is licht oververtegenwoordigd. Verenigingen uit dit stadsdeel hebben wat relatief wat vaker gereageerd dan verenigingen uit andere stadsdelen. De volledige responsanalyse staat in bijlage 2. De cijfers in de figuren en tabellen ronden we af op hele getallen. Het kan daardoor in enkele gevallen voorkomen dat de uitkomsten niet exact optellen tot 100 procent.
Leeswijzer Op de volgende pagina’s presenteren we de resultaten op organisatiekracht (hoofdstuk 2), maatschappelijke oriëntatie (hoofdstuk 3) en vitaliteit (hoofdstuk 4). In hoofdstuk 5 sluiten we af met conclusies en aanbevelingen.
Hoofdstuk 2
De organisatiekracht van de sportvereniging definiëren we als de mate waarin de vereniging in staat is haar sportaanbod voor de (potentiële) leden te organiseren. In dit hoofdstuk bespreken we de organisatiekracht van de sportverenigingen in Amsterdam die deelgenomen hebben aan dit onderzoek. We lichten ook de scores per criterium van organisatiekracht toe. Deze index bestaat uit vijf criteria: leden, kader, accommodatie, financiën en beleid. De score per criterium delen we in onvoldoende, matig, voldoende of goed in. De scores op alle criteria bepalen samen de organisatiekracht van de vereniging. Zie bijlage 1 voor meer uitleg over de methode.
Drie op de vijf verenigingen organisatiekrachtig Drie vijfde van de sportverenigingen die deelnamen aan de verenigingsmonitor, scoren ‘voldoende’ of ‘goed’ op de index organisatiekracht (figuur 2.1). Deze verenigingen zijn in staat het sportaanbod voor de (potentiële) leden te organiseren. Een op de tien verenigingen scoort onvoldoende. Figuur 2.1 Organisatiekracht sportverenigingen (in procenten, n=41) 100 20
23
19
23
15
17
8
29
38
80 36 33 60
39
37
44
44
38
29
44
40 44
33 20
0
32
29
25
36
30
7
11
Ja
Nee
38 10
10
Nederland
Amsterdam
Totaal
13
17
13
≤ 100 leden 101 t/m 250 > 250 leden leden Aantal leden
Onvoldoende
Matig
Eigen sportaccommodatie
Voldoende
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Goed
12
6
Binnensport Buitensport Binnen-/buitensport
De kleine (≤100 leden) en middelgrote verenigingen (101 t/m 250 leden) scoren iets beter dan de grote verenigingen (> 250 leden). De helft van de grote verenigingen scoort voldoende of goed, tegenover respectievelijk 63 en 61 procent van de kleine en middelgrote verenigingen. Sportverenigingen met en zonder eigen sportaccommodatie scoren even vaak voldoende of goed (58% vs. 59% voldoende of goed). De buitensportverenigingen scoren aanzienlijk beter dan de binnensportverenigingen. Meer dan de helft van de binnensportverenigingen scoort onvoldoende of matig op organisatiekracht (56%). Accommodatie het grootste aandachtspunt De sportverenigingen scoren het hoogst op het criterium leden. Vier op de vijf verenigingen scoren goed (80%), nog eens een op de zes scoort voldoende (15%, zie figuur 2.2). Twee kleine verenigingen scoren matig op het criterium leden (5%). Geen enkele vereniging in dit onderzoek scoort onvoldoende. Figuur 2.2 Verdeling scores op criteria van organisatiekracht (in procenten, n=41) 100 80
80
60
80
32
62 34
40
34
27
62 17
54
22
34
29 54 22
15
20 15 0
17
22
20
17
Leden
Beleid
Kader
Onvoldoende
Matig
Voldoende
5
27
32
Financiën
Accommodatie
Goed
Gemiddelde score
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
De verenigingen scoren het minst goed op het criterium accommodatie. Iets minder dan de helft scoort voldoende of goed (46%). Een op de drie verenigingen (32%) scoort onvoldoende op accommodatie. Met name grote sportverenigingen scoren onvoldoende of matig op dit criterium (84%, niet in figuur). Verenigingen met een eigen accommodatie scoren vaker voldoende of goed (57%) dan verenigingen die geen eigen accommodatie hebben (41%, niet in figuur). Andere aandachtspunten: financiën en kader Twee andere aandachtspunten voor de verenigingen zijn de financiën en het kader. Op het criterium financiën lopen de scores van de verenigingen sterk uiteen. Een op
de drie verenigingen (34%) scoort goed, terwijl een kwart onvoldoende scoort (27%). Grote verenigingen scoren iets vaker onvoldoende dan kleine en middelgrote verenigingen (respectievelijk 33%, 25% en 23%, niet in figuur). De score van de binnensportverenigingen is lager dan die van de buitensportverenigingen (niet in figuur). Op het criterium kader is het aandeel verenigingen dat onvoldoende scoort lager dan bij financiën (17%). Toch scoort maar de helft voldoende of goed (49%). Met name kleine verenigingen scoren vaak onvoldoende (25%, niet in figuur). Dit geldt ook voor verenigingen zonder eigen accommodatie en binnensportverenigingen (niet in figuur). Twee derde heeft beleid op orde Twee op de drie verenigingen hebben hun beleidszaken voldoende of goed op orde (66%). Bij een op de vijf verenigingen is dit niet het geval (20%). Zij scoren onvoldoende op het criterium beleid. Dit zijn met name kleine verenigingen en binnensportverenigingen (niet in figuur).
Bijna de helft van het ledenbestand bestaat uit jeugdleden De sportverenigingen in deze peiling hebben gemiddeld circa 250 leden. Het aantal leden van de verenigingen varieert van minder dan tien tot bijna 1.500 leden. Het is onduidelijk of de verenigingen wat betreft aantal leden een goede afspiegeling zijn van de sportverenigingen in Amsterdam. Het ledenbestand van de verenigingen bestaat gemiddeld voor iets minder dan de helft uit jeugdleden (< 18 jaar, figuur 2.3). Het aandeel vrouwelijke jeugdleden is groter dan het aandeel mannelijke jeugdleden. Een op de drie verenigingen heeft geen jeugdleden in het ledenbestand (32%, niet in figuur). Dit is met name het geval bij kleine verenigingen. Omdat een deel van deze verenigingen geen jeugdleden heeft, is het gemiddelde aandeel jeugdleden in het ledenbestand van kleine verenigingen (28%) veel lager dan bij de (middel)grote verenigingen (respectievelijk 51% en 58%). De helft van de verenigingen in dit onderzoek heeft leden ouder dan 65 jaar. Kleine en middelgrote verenigingen hebben vaker ouderen als lid dan grote verenigingen (niet in figuur). Dit geldt ook voor buitensportverenigingen ten opzichte van binnensportverenigingen. De meeste sportverenigingen in deze peiling hebben zowel mannelijke als vrouwelijke leden. Bij drie sportverenigingen (7%) is dit niet het geval (niet in figuur). Dit zijn alle drie kleine verenigingen.
Eén vereniging heeft geen vrouwelijke leden, twee verenigingen hebben geen mannelijke leden.
Figuur 2.3 Opbouw ledenbestand naar leeftijd en geslacht (in procenten, n=41) 0
20
Totaal
Klein (≤100 leden)
17
4
40
60
27
30
24
Middel (101 - 250 leden)
26
Groot (>250 leden
25
80 26
39 25 33
100
33 26
23 22
Jongens (0 tot 18 jaar)
Meiden (0 tot 18 jaar)
Heren (18 jaar en ouder)
Dames (18 jaar en ouder)
20
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Twee vijfde heeft leden met een beperking/chronische aandoening Twee op de vijf verenigingen hebben leden met een beperking en/of chronische aandoening (39%, niet in figuur). De helft van de verenigingen (46%) heeft geen leden met een beperking en/of chronische aandoening, 15 procent weet dit niet van hun leden of wil het niet zeggen. De verenigingen die leden met een beperking en/of chronische aandoening hebben, geven aan dat deze groep leden de afgelopen twee jaar gelijk is gebleven (63%) of is gegroeid (38%). Kleine verenigingen geven het vaakst aan dat het aantal leden met een beperking en/of chronische aandoening bij hun vereniging toegenomen is. Helft is afgelopen twee jaar gegroeid De helft van de sportverenigingen heeft de afgelopen twee jaar het ledenaantal (sterk) zien stijgen (49%, zie figuur 2.4). Eén grote vereniging (2%) heeft te maken gehad met een sterke daling van het aantal leden. Bij twee kleine verenigingen (5%) was er sprake van een minder sterke daling. Grote en middelgrote verenigingen geven vaker aan dat het aantal leden de laatste jaren is toegenomen dan kleine verenigingen (niet in figuur).
Figuur 2.4 Ledenontwikkeling in de afgelopen twee jaar en de verwachting voor het komende jaar (in procenten, n=41) 0
20
Afgelopen twee jaar 2 5
Verwachting komend jaar
Sterk dalen
40
60
44
5
80 34
59
Dalen
Gelijk blijven
100 15
37
Stijgen
Sterk stijgen
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
De meeste verenigingen zijn gematigd positief over de ledenontwikkeling het komende jaar. Slechts twee verenigingen (5%) verwachten dat het ledenaantal zal dalen. Een op de drie verenigingen (34%) verwacht meer leden te mogen verwelkomen dan dat er vertrekken. Geen enkele vereniging verwacht dat het aantal leden drastisch verandert het komende jaar, in positieve of negatieve zin. Middelgrote verenigingen verwachten het vaakst een toename van het aantal leden (54%, niet in figuur). Meeste verenigingen willen groeien De meeste sportverenigingen geven aan een ledengroeiambitie te hebben voor komend jaar (90%, niet in figuur). Een op de tien verenigingen (10%) wil niet groeien. Dit is met name het geval bij kleine verenigingen. De verenigingen willen vooral groeien door nieuwe leden te werven. Twee op de vijf verenigingen zetten hierop in (43%, niet in figuur). Deze verenigingen richten zich op verschillende doelgroepen. Grote verenigingen geven met name aan jeugdleden te willen werven, kleine verenigingen richten zich veel meer op volwassenen (niet in figuur). Een op de drie verenigingen wil ledengroei behalen door vooral in te zetten op behoud van de huidige leden (30%). Een kwart van de verenigingen heeft geen speerpunten die de ledengroeiambitie richting moeten geven (27%).
Drie op de vijf verenigingen geven aan dat er beperkende factoren bestaan voor hun ledengroeiambitie (61%, niet in figuur). De verenigingen noemen de beperkte beschikbaarheid van sportaccommodaties en -ruimtes, vrijwilligerstekorten en een gebrek aan trainers/coaches als de belangrijkste knelpunten.
Kwart ziet ledenontwikkeling als bedreiging voor de toekomst Een kwart van de verenigingen in dit onderzoek geeft aan dat ontwikkelingen in het ledenaantal een bedreiging vormen voor de toekomst van de vereniging (26%, zie figuur 2.5). In één geval komt de toekomst van de vereniging al op zeer korte termijn onder druk te staan (2%), ondanks dat de vereniging verwacht dat het aantal leden gelijk blijft komend jaar (niet in figuur). De andere verenigingen die de ledenontwikkeling als bedreiging zien, verwachten hier pas op langere termijn mee te maken te krijgen. Figuur 2.5 Ontwikkeling ledenaantal als bedreiging voor de toekomst van de sportvereniging (in procenten, n=41)
12
2 24
Ja, op korte termijn (binnen 1 jaar)
Ja, op langere termijn (over 2 jaar of later) Nee, voorlopig niet Nee 61
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Voor drie op de vijf verenigingen vormt de ledenontwikkeling voorlopig nog geen bedreiging voor de toekomst van de vereniging. Een op de acht ziet deze helemaal niet als bedreiging.
Gemiddeld dertig vrijwilligers, kwart heeft betaalde medewerkers Gemiddeld hebben de sportverenigingen in deze peiling circa dertig vrijwilligers. Binnensportverenigingen en verenigingen met een eigen accommodatie hebben gemiddeld meer vrijwilligers dan buitensportverenigingen en verenigingen zonder eigen accommodatie. Bij drie op de vijf verenigingen (60%) krijgt een deel van de vrijwilligers een vrijwilligersvergoeding voor hun werkzaamheden. Dit is het geval bij alle grote verenigingen, en in mindere mate bij middelgrote (69%) en kleine verenigingen (20%).
Een kwart van de verenigingen heeft betaalde medewerkers in dienst. Dit is bij geen enkele kleine vereniging het geval. Het aantal betaalde medewerkers bij de verenigingen varieert van twee tot negen. Betaalde medewerkers zijn voornamelijk bij de verenigingen in dienst als (hoofd)trainer, coördinator voor de trainers of verenigingsmanager. Ruim een derde heeft te weinig vrijwilligers 37 procent van de sportverenigingen in deze peiling geeft aan te weinig vrijwilligers te hebben (figuur 2.6). Dit is in gelijke mate het geval bij kleine, middelgrote en grote verenigingen. De helft van de verenigingen heeft voldoende vrijwilligers, maar is ook nog op zoek naar extra vrijwilligers. Een op de zes verenigingen geeft aan dat ze voldoende vrijwilligers hebben en niet op zoek zijn naar aanvulling van hun vrijwilligersbestand. Figuur 2.6 Sportverenigingen met voldoende vrijwilligers (in procenten, n=41)
17 Ja, we zijn niet op zoek naar vrijwilligers
37
Ja, maar we zijn ook nog op zoek naar vrijwilligers Nee
46
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Helft verenigingen heeft voldoende trainers Bij de meeste sportverenigingen die deelnamen aan de verenigingsmonitor worden trainingen, lessen of cursussen gegeven (95%, zie figuur 2.7). De helft van de verenigingen (54%) heeft hiervoor voldoende trainers, twee op de vijf heeft dit niet (41%). Met name de binnensportverenigingen hebben een tekort aan trainers (niet in figuur). Bij een op de drie verenigingen (33%) zijn (meer dan) voldoende gekwalificeerde, opgeleide trainers aanwezig. Bij een kwart is dit niet het geval (23%). 44 procent van de verenigingen heeft maar net genoeg gekwalificeerde, opgeleide trainers. De druk is het grootst bij de middelgrote en grote verenigingen. Zij hebben het vaakst een tekort aan of maar net genoeg gekwalificeerde, opgeleide trainers (niet in figuur).
Figuur 2.7 Sportverenigingen met voldoende trainers (links) en/of gekwalificeerde, opgeleide trainers (rechts) (in procenten, n=41 (links) en n=39 (rechts))
Ja, meer dan genoeg 5
Ja
5 23
Ja, voldoende
28
Nee 41
54
Maar net genoeg
N.v.t. want bij ons in de vereniging wordt geen training, les of cursus gegeven
44 Nee, er zijn te weinig gekwalificeerde, opgeleide medewerkers
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Helft verenigingen heeft vacatures 51 procent van de sportverenigingen heeft vacatures openstaan voor betaalde medewerkers of vrijwilligers (figuur 2.8). Een op de zes (17%) heeft enkele vacatures voor posities in de vereniging die niet noodzakelijk gevuld moeten zijn. Een derde (32%) heeft vacatures voor cruciale rollen binnen de vereniging. Eén vereniging geeft aan te veel vacatures te hebben. Figuur 2.8 Vacatures voor betaalde medewerkers en vrijwilligers (in procenten, n=41)
2
We hebben geen enkele vacature
32
49
Enkele vacatures maar niet op cruciale posities Enkele vacatures en op cruciale posities
17
Te veel vacatures
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Zes verenigingen hebben vacatures voor betaalde medewerkers. In alle gevallen zijn dit vacatures voor trainers/begeleiders/instructeurs. Alle verenigingen met vacatures hebben ten minste één vacature voor een vrijwilliger. Posities die het vaakst ingevuld moeten worden, zijn die van trainer/begeleider/instructeur (76%), bestuurslid (67%) en scheidsrechter/jurylid (48%) (niet in figuur). Een op de vijf heeft een plan voor behoud/werving vrijwilligers 20 procent van de sportverenigingen heeft actuele plannen op papier staan voor het behoud en/of de werving van vrijwilligers (niet in figuur). Dit is met name het geval bij grote verenigingen, buitensportverenigingen en verenigingen met een eigen accommodatie. Een kwart van de verenigingen heeft nog geen vrijwilligersplan, maar is wel bezig met het opstellen hiervan (24%). Bij de helft van de verenigingen (56%) is er geen actueel plan en is men er ook niet mee bezig. Dit laatste geldt voor de meeste kleine verenigingen (88%, niet in figuur).
Helft verenigingen werkt planmatig 49 procent van de sportverenigingen in deze peiling heeft de afgelopen vier jaar plannen op papier gezet voor het functioneren van de vereniging en de organisatie van (sport)activiteiten (niet in figuur). Grote verenigingen deden dit iets vaker dan kleine en middelgrote verenigingen. Twee derde van de verenigingen die planmatig werkten, had doelstellingen of voornemens voor ledenbehoud en/of -werving (figuur 2.9). Werving en behoud van vrijwilligers en kaderleden en een veilig sportklimaat kwamen bij (ongeveer) de helft voor in de beleidsplannen. Voor alle drie thema’s geldt dat ze vaker voorkwamen in de plannen van grote verenigingen dan in die van kleine verenigingen (niet in figuur). Het omgekeerde geldt voor financiën en voor publiciteit, PR en communicatie. Onderwerpen die weinig aanbod kwamen in de beleidsplannen van de verenigingen, zijn het ontwikkelen van (nieuw) sportaanbod en samenwerking met nietsportorganisaties (beide 5%). Het opzetten van aanvullende diensten, de realisatie van een nieuwe/eigen accommodatie en sportmedische zaken speelden bij geen van de verenigingen met beleidsplannen.
Figuur 2.9 Onderwerpen van beleidsplannen van de sportverenigingen in de afgelopen vier jaar (in procenten, n=20) 0
20
40
60
Ledenbehoud en/of -werving
100
65
Werving en behoud vrijwilligers/kader
50
Veilig sportklimaat
45
Kwaliteit (verbeteren) aanbod
40
Financiën
40
Deskundigheidsbevordering kader
35
Sfeer en cultuur op en van de vereniging
30
Samenwerking met sportvereniging(en)
30
Sporttechnische zaken
30
Publiciteit, PR, communicatie
25
Realiseren van (top)sportambities
25
Jeugd
20
Competitie
15
Activiteitenaanbod
15
Samenwerking met onderwijs
15
Professioneel kader (werven, behouden)
10
Beheer en onderhoud accommodatie
10
Specifieke doelgroepen
10
Ontwikkelen van (nieuw) sportaanbod
5
Samenwerking met niet-sportorganisaties
5
Andere onderwerpen
80
10
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Werving en behoud leden belangrijkste speerpunt Drie op de vijf verenigingen hebben behoud en werving van leden als speerpunt voor het komende jaar (63%, zie figuur 2.10). Met name bij kleine verenigingen is dit vaak het geval (niet in figuur). Werving en behoud van vrijwilligers is voor de helft van de verenigingen een speerpunt (51%). Een op de vijf verenigingen wil inzetten op deskundigheidsbevordering van het kader (22%) en het realiseren van een veilig sportklimaat (20%). De realisatie van een nieuwe/eigen accommodatie, het activiteitenaanbod en sporttechnische zaken zijn de minst genoemde speerpunten (alle 2%). Andere speerpunten die de verenigingen noemen, zijn het aantrekken van nieuwe sponsors en het toekomstbestendig maken van de vereniging.
Figuur 2.10 Speerpunten van de sportverenigingen voor het komende jaar (in procenten, n=41, maximaal drie antwoorden mogelijk) 0
20
40
60
Ledenbehoud en/of -werving
100
63
Werving en behoud vrijwilligers/kader
51
Deskundigheidsbevordering kader
22
Veilig sportklimaat
20
Sfeer en cultuur op en van de vereniging
17
Kwaliteit (verbeteren) aanbod
12
Beheer en onderhoud accommodatie
12
Samenwerking met sportvereniging(en)
12
Competitie
12
Professioneel kader (werven, behouden)
10
Financiën
10
Publiciteit, PR, communicatie
10
Jeugd
10
Realiseren van (top)sportambities
7
Samenwerking met onderwijs
5
Samenwerking met niet-sportorganisaties
5
Realisatie nieuwe/eigen accommodatie
2
Activiteitenaanbod
2
Sporttechnische zaken
2
Andere speerpunten
80
5
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Ontwikkeling aantal vrijwilligers levert de meeste problemen op Alle sportverenigingen in dit onderzoek geven aan ten minste op één thema een probleem te ervaren. Zeven op de tien verenigingen ervaren een of meerdere (zeer) grote problemen (71%, niet in figuur). In de meeste gevallen zijn de zeer grote problemen die verenigingen ervaren dusdanig dat deze het voorbestaan van de vereniging bedreigen (88%). De ontwikkeling van het aantal vrijwilligers levert bij de meeste verenigingen een probleem op. De helft van de verenigingen (47%) ervaart dit als een (zeer) groot probleem, 44 procent als een matig of klein probleem (figuur 2.11). Grote verenigingen ervaren dit onderwerp het vaakst als zeer groot probleem. Een op de tien verenigingen heeft geen problemen door ontwikkelingen in het aantal vrijwilligers. Dit zijn allemaal kleine verenigingen. Verenigingen met problemen op dit thema geven aan steeds meer moeite met het vinden van vrijwilligers en bestuursleden te hebben. Sporters en ouders hebben minder belangstelling voor vrijwilligerswerk, omdat ze druk zijn met andere dingen of een financiële vergoeding verwachten. Hierdoor komen de taken veelal bij
dezelfde kern van vrijwilligers terecht, die hierdoor overbelast raken, en zijn er verenigingen die hun bestuur niet meer gevuld krijgen. Figuur 2.11 Ervaren problemen door de sportverenigingen (in procenten, n=41) 0
20
Ontwikkeling aantal vrijwilligers
10
Ontwikkeling aantal trainers/instructeurs/lesgevers
12
37 20
Ontwikkeling ledenbestand
2
10
Lokale concurrentie van andere sportaanbieders
2
7
De beschikbaarheid van sportaccommodatie(s)
7
Financiële situatie van de vereniging
22
Veranderingen in de bevolkingssamenstelling in de regio
2
10
Een groot probleem
10
80
24
20 15
17
46
49
15
59
27
61
17
Een matig probleem
68
Een klein probleem
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Een derde heeft probleem met aantal trainers, een kwart met accommodatie Een op de drie verenigingen ervaart een (zeer) groot probleem door de ontwikkeling in het aantal trainers/instructeurs/lesgevers. Dit zijn met name binnensportverenigingen. Verenigingen lichten toe dat ze moeite hebben om trainers te vinden, zeker als het gaat om gekwalificeerde trainers. Verenigingen zoeken naar oplossingen door minder training te geven dan ze zouden willen of door ongediplomeerde trainers/sporters in te zetten. De beschikbaarheid van sportaccommodaties zorgt bij een kwart van de verenigingen voor (zeer) grote problemen. Vooral grote sportverenigingen en verenigingen zonder eigen accommodatie ervaren (zeer) grote problemen op dit vlak. Toch ervaart de helft van de verenigingen geen enkel probleem als gevolg van de beschikbaarheid van de sportaccommodatie. De verenigingen met (zeer) grote problemen geven aan dat de ruimte in en op de sportaccommodaties zeer beperkt is. Ze kan niet altijd iedereen laten trainen zoals ze willen. Het uitbreiden van het sportaanbod of het werven van leden is niet mogelijk, omdat er voor hen geen ruimte is om te sporten. Verenigingen moeten soms uitwijken naar andere locaties in de stad of zelfs buiten de stad om de verenigingsactiviteiten door te zetten.
39
27 12
10
39
27 10
100
22
20
20 12
Een zeer groot probleem
29
20
2
60
32
24
Ontwikkeling energielasten
Wet- en regelgeving (bijv. AVG, drank- en horecawet) 2 2
40
Geen probleem
Minder problemen door ledenbestand, concurrentie en financiën Twee op de vijf verenigingen ervaart geen problemen door de ontwikkeling van het ledenbestand of lokale concurrentie (39%). Een op de acht verenigingen ervaart (zeer) grote problemen door de ontwikkeling van het ledenaantal (12%). Dit zijn allemaal kleine en middelgrote verenigingen, vaak voor buitensporten (niet in figuur). De verenigingen die (zeer) grote problemen ervaren door concurrentie van andere sportaanbieders (9%), zijn vaker grote verenigingen en verenigingen met een eigen sportaccommodatie (niet in figuur). Eén vereniging heeft op beide onderwerpen een zeer groot probleem (2%). De helft van de verenigingen geeft aan geen problemen te hebben met de financiële situatie van de vereniging. Slechts twee verenigingen (4%) ervaren (zeer) grote problemen. Dit is opvallend, aangezien 27 procent van de verenigingen onvoldoende scoort op het criterium financiën (zie figuur 2.2). Weinig problemen met energielasten, bevolkingssamenstelling en regelgeving De energielasten leiden bij een op de zeven verenigingen (14%) tot (zeer) grote problemen. Dit is het vaakst het geval bij verenigingen met een eigen sportaccommodatie (niet in figuur). De verenigingen geven aan dat de kosten de laatste jaren sterk gestegen zijn, ook bij verenigingen die al veel aan verduurzaming gedaan hebben.
Door de gestegen lasten houden verenigingen minder middelen over om te investeren in het sportaanbod. De minste problemen ervaren de verenigingen door veranderingen in de bevolkingssamenstelling en de wet- en regelgeving. Respectievelijk drie op de vijf (61%) en twee op de drie verenigingen (68%) ervaren hierdoor geen problemen. Een enkele vereniging geeft aan wel (zeer) grote problemen te ervaren. Goede samenwerking, maar meer betrokkenheid mogelijk De sportverenigingen in dit onderzoek zijn over het algemeen tevreden over de samenwerking binnen de vereniging. Negen op de tien verenigingen geven aan dat er sprake is van een goede samenwerking tussen bestuur, commissies, vrijwilligers en andere betrokkenen (90%, zie figuur 2.12). Bij een aantal verenigingen is dit enigszins (5%) of niet (5%) het geval. Er is geen onderscheid te maken tussen verenigingen van verschillende omvang. Toch is ook er ook verbetering mogelijk. 44 procent van de verenigingen peilt enigszins of niet jaarlijks wat er leeft onder de leden. Door dit wel regelmatig te doen, kan de betrokkenheid van de leden vergroot worden. Buitensportverenigingen en middelgrote verenigingen vragen leden het vaakst wat er speelt (niet in figuur).
Figuur 2.12 Stellingen over visie en interne samenwerking (in procenten, n=41) 0
20
Er bestaat een goede samenwerking tussen bestuur, commissies, vrijwilligers en andere betrokkenen
5 5
De vereniging beschikt over een duidelijke missie en visie voor de lange termijn
7
Het bestuur peilt ieder jaar wat er leeft onder de leden (Helemaal) niet
15
Enigszins
40
60
80
100
90 32
61 29
56
(Helemaal) wel
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Drie vijfde heeft missie en visie Zes op de tien verenigingen hebben een duidelijke missie en visie opgesteld voor de lange termijn. Dit is met name het geval bij kleine en middelgrote verenigingen (niet in figuur). Een op de drie (32%) geeft aan enigszins een missie en visie te hebben, 7 procent heeft dit niet. Verenigingen met een missie en visie voor de lange termijn werkten de afgelopen jaren ook al vaker planmatig (niet in figuur).
Drie kwart van de verenigingen is financieel gezond Drie op de vier verenigingen in deze peiling schatten de eigen financiële situatie in als (zeer) gezond (74%, zie figuur 2.13). Een op de vijf verenigingen vindt de financiën van de vereniging redelijk (22%). Deze verenigingen geven aan weinig buffers te hebben en in te teren op reserves, maar de contributie liever niet te verhogen, om zo toegankelijk te blijven voor alle Amsterdammers. Bij één kleine en één middelgrote vereniging is de situatie minder gezond of zorgwekkend (beide 2%). Doordat leden hun contributie slecht of niet betalen en door een flinke financiële tegenvaller hebben deze verenigingen nauwelijks een buffer om stijgende kosten op te vangen.
Figuur 2.13 Eigen inschatting financiële positie (in procenten, n=41) 2 2
17
Zorgwekkend 22 Minder gezond Redelijk Gezond Zeer gezond 56
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Minder dan de helft heeft ruimte voor onverwachte uitgaven Een kwart van de verenigingen heeft (helemaal) geen ruimte voor onverwachte uitgaven zonder hiervoor reserveringen aan te moeten spreken (24%, zie figuur 2.14). Dit speelt met name bij kleine sportverenigingen (niet in figuur). Een op de drie verenigingen (34%) heeft enigszins ruimte voor onverwachte uitgaven. Bij twee op de vijf is dit altijd het geval (41%). Toch kunnen de meeste verenigingen wel jaarlijks aan alle financiële verplichtingen voldoen. Bij negen op de tien verenigingen is dit altijd het geval (90%). Eén middelgrote vereniging (2%) geeft aan dit niet te kunnen, 7 procent kan dit enigszins. Figuur 2.14 Stellingen over financiën (in procenten, n=41) 0
20
40
De vereniging kan jaarlijks aan alle financiële verplichtingen 2 7 voldoen
60
80
90
De vereniging heeft jaarlijks een positief financieel resultaat
7
27
66
De vereniging denkt bij het financieel beleid een aantal jaren vooruit
10
22
68
De vereniging heeft (zonder reserveringen aan te spreken) altijd ruimte binnen haar begroting voor onverwachte uitgaven (Helemaal) niet
24
Enigszins
34
(Helemaal) wel
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
41
100
Twee derde heeft elk jaar zwarte cijfers Twee derde heeft jaarlijks een positief resultaat (66%). 7 procent behaalt niet ieder jaar een positief resultaat, een kwart enigszins (27%). Verenigingen met een eigen accommodatie hebben vaker een positief resultaat dan verengingen zonder eigen accommodatie (niet in figuur). Een op de tien verenigingen denkt bij het maken van financieel beleid niet vooruit (10%). Dit zijn allemaal kleine en middelgrote verenigingen. Twee op de drie verenigingen denken wel vooruit bij het maken van financieel beleid (68%). Deze verenigingen hebben ook vaker ruimte binnen de begroting voor onverwachte uitgaven (niet in figuur)
Drie op de tien sportverenigingen in deze peiling hebben een eigen sportaccommodatie en een eigen kantine (29%). Dit geldt met name voor middelgrote verenigingen en buitensportverenigingen. Een aantal verenigingen heeft alleen een eigen sportaccommodatie (5%) of alleen een eigen kantine (7%). Zes op de tien verenigingen hebben geen eigen sportaccommodatie en geen eigen kantine. Kleine verenigingen en binnensportverenigingen hebben het minst vaak een eigen accommodatie of kantine. Beschikbaarheid sportaccommodaties een knelpunt Voor vier op de tien verenigingen biedt de huidige sportaccommodatie onvoldoende capaciteit om op de gewenste momenten te voorzien in de behoefte van de vereniging (figuur 2.15). Dit is met name het geval bij binnensportverenigingen en verenigingen zonder eigen sportaccommodatie. Een kwart van de verenigingen kan enigszins gebruik maken van de sportaccommodatie conform behoefte. Een derde kan dit altijd. Ondanks de huidige krapte verwacht de helft van de verenigingen nog jaren vooruit te kunnen in de huidige accommodatie en op de huidige locatie (54%). Bij een op de vijf verenigingen is dit helemaal niet het geval (22%). De sportaccommodaties van grote verenigingen en buitensportverenigingen zijn het minst geschikt voor de toekomst volgens de verenigingen zelf.
Meeste verenigingen tevreden over praktische zaken rondom accommodatie De verenigingen zijn tevredener over de wijze waarop de praktische zaken rondom de accommodaties geregeld zijn. Twee op de drie geven aan dat financiering, huur, onderhoud, exploitatie en privatisering helder zijn en naar wens verlopen (66%). Een op de vijf vindt dit niet (20%). Dit zijn allemaal middelgrote en grote sportverenigingen (niet in figuur).
Figuur 2.15 Stelling over de sportaccommodatie (in procenten, n=41) 0
20
40
60
80
De accommodatie (veld/zaal/zwembad/clubhuis/kleedkamers enz.)/sportvoorziening is in goede staat
17
22
61
Zaken als financiering, huur, onderhoud, beheer, exploitatie en privatisering van de accommodatie en/of het clubhuis verlopen naar wens en zijn helder
20
15
66
Met (het aantal beschikbare uren in) de huidige accommodatie op de huidige locatie kunnen we nog jaren vooruit
22
De vereniging kan op elke gewenst moment over de accommodatie beschikken conform de behoefte
24
54
39
27
(Helemaal) niet
Enigszins
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Een op de zes verenigingen vindt dat de sportaccommodatie(s) die de vereniging gebruikt niet in een goede staat verkeren (17%). Grote sportverenigingen, buitensportverenigingen en verenigingen met een eigen sportaccommodatie vinden dit het vaakst (niet in figuur). Drie op de vijf vinden de staat van de sportaccommodaties wel goed (61%), een op de vijf vindt dit enigszins het geval (22%). De helft van de verenigingen is (zeer) tevreden over de veiligheid op en rondom de sportaccommodatie (56%, niet in figuur). Voor 7 procent geld dit niet. Dit zijn allemaal sportverenigingen zonder eigen sportaccommodatie. Er is geen groot verschil te zien tussen verenigingen van verschillende omvang.
34
(Helemaal) wel
100
Hoofdstuk 3
Om meer inzicht te krijgen in de bredere maatschappelijke oriëntatie van sportverenigingen buiten het aanbieden van regulier sportaanbod hebben we de index maatschappelijke oriëntatie ontwikkeld. In dit hoofdstuk bespreken we de resultaten van de sportverenigingen in Amsterdam die deelgenomen hebben aan de verenigingsmonitor. De index bestaat uit twee criteria: maatschappelijke activiteit en maatschappelijke intentie. Maatschappelijke activiteit staat voor de mate waarin verenigingen actief een maatschappelijke rol vervullen. Maatschappelijke intentie staat voor de houding van verenigingen ten opzichte van een actieve bredere maatschappelijke rol. De score per criterium delen we in onvoldoende, matig, voldoende of goed in. De scores van de twee criteria bepalen de mate van brede maatschappelijke oriëntatie van een vereniging. Zie bijlage 1 voor meer uitleg over de methode.
Twee op de vijf verenigingen zijn maatschappelijk georiënteerd 42 procent van de verenigingen die deelnamen aan de verenigingsmonitor, scoort voldoende of goed op de index maatschappelijke oriëntatie (figuur 3.1). Deze verenigingen zijn maatschappelijk betrokken en willen deze betrokkenheid verder uitbreiden. Een op de vijf verenigingen scoort onvoldoende (20%), twee op de vijf scoren matig (39%). Figuur 3.1 Maatschappelijke oriëntatie sportverenigingen (in procenten, n=41) 100
3
80
31
5
6
7
8
19 37 46
25
60
20
4
26
28
50
6
50
57
33 40
4
44
36
39 50
46
34
50
29
26
20
44
7
0 Nederland
32
Amsterdam
≤ 100 leden 101 t/m 250 > 250 leden leden
Totaal
Aantal leden
Onvoldoende
Matig
Ja
Nee
Eigen sportaccommodatie
Voldoende
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Goed
Binnensport Buitensport Binnen-/buitensport
Grote en middelgrote sportverenigingen scoren beter op maatschappelijke oriëntatie dan de kleine sportverenigingen. De helft van de grote of middelgrote verenigingen scoort voldoende of goed (respectievelijk 50% en 54%). Alleen kleine verenigingen in dit onderzoek scoren onvoldoende. Drie kwart van de kleine verenigingen scoort onvoldoende of matig (75%). Verenigingen met een eigen accommodatie scoren vaker voldoende of goed (64%) dan verenigingen zonder eigen accommodatie (30%). Het verschil tussen binnen- en buitensportverenigingen is iets kleiner. Ruim de helft van de buitensportverenigingen scoort voldoende of goed (56%), tegenover een op de drie binnensportverenigingen (32%). Helft verenigingen is maatschappelijk actief Volgens de criteria van maatschappelijke activiteit is de helft van de verenigingen voldoende of goed maatschappelijk actief (49%, zie figuur 3.2). Grote en middelgrote verenigingen, verenigingen met een eigen accommodatie en buitensportverenigingen zijn het vaakst maatschappelijk actief (niet in figuur). Een op de vijf verenigingen (20%) scoort een onvoldoende op maatschappelijke activiteit. Dit zijn bijna allemaal kleine binnensportverenigingen (niet in figuur). Figuur 3.2 Verdeling scores op criteria van maatschappelijke oriëntatie (in procenten, n=41) 100
12
15
37
34
Goed
58
Voldoende
80 60 52 40
Matig
32
27
20
24
Maatschappelijk actief
Maatschappelijke intentie
Onvoldoende Gemiddelde score
20 0
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Maatschappelijke activiteiten nemen naar verwachting toe De helft van de sportverenigingen heeft de ambitie om de maatschappelijke oriëntatie van de vereniging uit te breiden. Deze verenigingen scoren voldoende of goed op het criterium maatschappelijke intentie (49%, zie figuur 3.2). De verenigingen in dit onderzoek scoren vaker voldoende of goed dan het landelijke gemiddelde (26% voldoende of goed).
Net als op maatschappelijke activiteit scoren (middel)grote verenigingen, verenigingen met een eigen accommodatie en buitensportverenigingen vaker voldoende of goed dan hun tegenhangers (niet in figuur). Verenigingen die onvoldoende scoren op maatschappelijke activiteit, hebben vaak ook niet de ambitie om maatschappelijk actief te worden in de toekomst (niet in figuur). Andersom geldt dat verenigingen die wel actief zijn ook actiever willen worden. Twee op de vijf verenigingen die nog onvoldoende of matig actief zijn, hebben wel de intentie om dit te worden (39%, niet in figuur). In deze groep zit de meeste potentie om de maatschappelijke bijdrage van verenigingen te vergroten.
Meeste verenigingen werkten samen met organisaties Negen op de tien verenigingen werkten het afgelopen jaar samen met één of meerdere organisaties (90%, zie figuur 3.3). De verenigingen werkten het meest samen met andere sportverenigingen. Zeven op de tien deden dit (71%). Dit gold in gelijke mate voor kleine, middelgrote en grote sportverenigingen (niet in figuur). Ongeveer de helft van de verenigingen werkte samen met de sportbond waarbij ze aangesloten waren of met de gemeente Amsterdam. Voor beide organisaties geldt dat (middel)grote verenigingen dit vaker deden dan kleine verenigingen (niet in figuur). Andere organisaties waar verenigingen veel mee samenwerkten in het afgelopen jaar, zijn Team Sportservice Amsterdam, de scholen en NOC*NSF (respectievelijk 41%, 32% en 29%). De sportverenigingen werkten het minst samen met Combiwel, de GGD en de politie/justitie. Met deze organisaties werkte maar één vereniging samen (2%). Geen enkele vereniging werkte het afgelopen jaar samen met Ajax (Foundation), een commerciële dienstverlener, Dock of MEE(-instellingen). Zes op de tien verenigingen willen nieuwe samenwerkingen aangaan De verenigingen zijn positief over de samenwerkingen van het afgelopen jaar. Twee derde van de samenwerkingsverbanden willen de verenigingen behouden, drie op de tien willen ze intensiveren.
Drie verenigingen geven ieder aan één samenwerking te willen beëindigen. Dit betreft samenwerkingen met de gemeente, een school en een sportbond. Drie op de vijf verenigingen hebben interesse om samen te gaan werken met een organisatie waarmee ze nu nog niet samenwerken (61%, zie figuur 3.3). Grote en middelgrote verenigingen hebben hier vaker belangstelling voor dan kleine verenigingen (niet in figuur). De meeste belangstelling is er voor samenwerking met de na- en buitenschoolse opvang (20%). Een op de zes verenigingen heeft interesse in een samenwerking met de gemeente Amsterdam of de lokale sportraad (beide 17%). De organisaties
waarmee het afgelopen jaar nog niemand samenwerkte, staan wel in de belangstelling van een aantal verenigingen. Figuur 3.3 Organisaties waar sportverenigingen het afgelopen jaar mee hebben samengewerkt en waar ze interesse in hebben om mee samen te werken (in procenten, n=41) 0
20
Andere sportvereniging(en)
5
Sportbond
5
54 51
17
Team Sportservice Amsterdam
41
10
School
32
17
NOC*NSF
29
12 22
2
Buurt-/wijkorganisatie
17
7
12 15 10 17
Topsport Amsterdam Sportraad Na- en buitenschoolse opvang
7
(Sport)fysiotherapeut/huisartsen
7
Sportschool/fitnesscentrum
5
Jeugdorganisaties
5
Sciandri
5
Instellingen voor kunst en cultuur
5 5 5
Dynamo
60
2
20 12 10
7 7
5
Revalidatie-/zorginstelling GGD
2
Politie/Justitie
2
Combiwel
2
Dock
7
Ajax (Foundation)
5
Commerciële dienstverlener
2
MEE(-instelling)
2
Andere instantie(s)
2
5
Geen enkele samenwerking Samengewerkt
80 71
Gemeente
Bedrijven
40
10
39
Belangstelling
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
100
Vijf op de zes verenigingen betrokken bij projecten 83 procent van de verenigingen is het afgelopen jaar betrokken geweest bij ten minste één sportproject, -functionaris, -activiteit of -regeling (figuur 3.4). Stadspas 18- (51%) en Jeugd Fonds Sport (49%) waren de initiatieven waarbij de meeste verenigingen betrokken waren. Een derde was betrokken bij het Sportakkoord (32%), een kwart ontving verenigingsondersteuning via de gemeente (24%). Geen enkele vereniging in deze peiling was het afgelopen jaar aangesloten bij Team:fit. Figuur 3.4 Betrokkenheid sportverenigingen bij projecten/functionarissen/activiteiten/ regelingen (in procenten, n=41) 0
20
40
Stadspas 18-
41
Jeugd Fonds Sport
39 32
Het Sportakkoord Verenigingsondersteuning via de gemeente
24
Amsterdamse Sport- en Beweegweek
20
Sportstimuleringsprojecten
17
Stadspas 55+
15 15
Subsidieregeling Sociale Basis
12
Clubkadercoaches
12
Buurtsportcoaches
12 12
Team:fit (gezonde sportkantine) Andere projecten/activiteiten
60
80
100
51
49
37 39
27 24
22 17
7 5 5
Geen van deze projecten/activiteiten Betrokken geweest
17
29
Belangstelling
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Zeven op de tien verenigingen hebben belangstelling om ook het komende jaar betrokken te worden bij ten minste één sportproject, -functionaris, -activiteit of -regeling (figuur 3.4). Onder kleine verenigingen is de belangstelling om komend jaar betrokken te worden het laagst (niet in figuur). De belangstelling is het grootst voor de initiatieven waar op dit moment de grootste betrokkenheid bij is: Stadspas 18-, verenigingsondersteuning via de gemeente, Jeugd Fonds Sport en het Sportakkoord (respectievelijk 41%, 39%, 39% en 37%).
Een aantal verenigingen heeft belangstelling om betrokken te worden bij Team:fit (7%).
Drie kwart organiseerde (sport)activiteiten voor niet-leden Bij 73 procent van de sportverenigingen konden niet-leden het afgelopen jaar deelnemen aan (sport)activiteiten (figuur 3.5). De helft van de verenigingen organiseerde één of twee keer (sport)activiteiten waarbij deelname openstond voor iedereen (51%). Bij een op de tien verenigingen konden niet-leden vaak terecht (10%). Zij organiseerden vijf keer of vaker aanbod voor alle geïnteresseerden. Figuur 3.5 Organiseren van (sport)activiteiten waarbij deelname openstond voor nietleden (in procenten, n=41)
10 27
12
Ja, 5 of meer keer per jaar/seizoen Ja, ongeveer een keer per kwartaal Ja, 1-2 keer per jaar/seizoen
Nee
51
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Een kwart van de verenigingen bood het afgelopen jaar geen (sport)activiteiten aan waaraan niet-leden deel konden nemen (27%). Dit was met name het geval bij binnensportverenigingen en verenigingen zonder eigen sportaccommodatie (niet in figuur). Negen op de tien verenigingen organiseerden voor hun leden het afgelopen jaar extra activiteiten naast het sportaanbod (90%). Alleen een aantal kleine binnensportverenigingen deed dit niet. De verenigingen organiseerden onder andere jeugdkampen, nieuwjaarsborrels, clinics en pubquizzen. Drie op de tien bieden voorzieningen aan voor niet-leden en organisaties Drie op de tien sportverenigingen bieden faciliteiten of voorzieningen aan voor nietleden en andere organisaties (29%). Verenigingen met een eigen sportaccommodatie doen dit vaker dan verenigingen zonder.
Het aanbod aan faciliteiten en voorzieningen is divers. De meest aangeboden faciliteiten zijn kantoorruimtes en multifunctionele inzet van de sportruimte (beide 10%). Andere voorzieningen die verenigingen bieden, zijn (huis)werk- en vergaderruimtes (7%), fitnessruimtes (5%) en kinderopvang (5%). Een even grote groep verenigingen wil de komende twee jaar faciliteiten of voorzieningen aanbieden aan niet-leden en andere organisaties (29%). Dit zijn zowel verenigingen die hier nu al mee bezig zijn als verenigingen die nog geen faciliteiten of voorzieningen voor niet-leden aanbieden. Opvallend is de belangstelling van de verenigingen om oefen- en repetitieruimtes beschikbaar te stellen voor culturele organisaties. Een op de tien verenigingen heeft hier interesse in (10%), terwijl nu nog maar één vereniging dit doet (2%). Aandacht voor vernieuwing van sport- en spelactiviteiten De helft van de sportverenigingen in dit onderzoek is (zeer) actief bezig met het introduceren van (nieuwe) sport- en spelactiviteiten voor nieuwe/potentiële leden (54%, zie figuur 3.6). Een op de drie doet dit niet (32%). Het vernieuwen van het activiteitenaanbod voor de huidige leden vindt plaats bij iets minder dan de helft (44%). Een op de drie verenigingen besteedt aandacht aan het introduceren van (nieuwe) sport- en spelactiviteiten voor specifieke doelgroepen (32%).
Figuur 3.6 Aanbieden van activiteiten voor leden en niet-leden (in procenten, n=41) 0
20
Introduceren van (nieuwe) sport- en spelactiviteiten voor nieuwe/potentiële leden
20
Introduceren van nieuwe sport- en spelactiviteiten voor de eigen leden 10
Introduceren van (nieuwe) sport- en spelactiviteiten voor specifieke doelgroepen
10
Beperkt actief
80 32
20
41
37
32
22
Niet actief
46
N.v.t.
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Grote verenigingen en binnensportverenigingen zijn het minst actief met het vernieuwen van het sportaanbod voor de eigen leden (niet in figuur). Grote en middelgrote verenigingen besteden (wel) veel aandacht aan activiteiten voor nieuwe leden. Sportverenigingen zonder eigen accommodatie en buitensportverenigingen zijn het actiefst met het introduceren van sport- en spelactiviteiten voor doelgroepen.
60
34
24
Flexibiliseren van lidmaatschappen/contributievormen
Zeer actief
40
100 15 15 22 22
De helft van de verenigingen is actief met het flexibiliseren van lidmaatschappen of contributievormen (47%). Een op de tien is hier zeer actief mee bezig (10%), twee op de vijf beperkt (37%, zie figuur 3.6). Kleine verenigingen zijn iets minder vaak bezig met dit onderwerp dan (middel)grote verenigingen (niet in figuur).
Drie kwart ziet maatschappelijke verantwoordelijkheid voor verenigingen 76 procent van de sportverenigingen in dit onderzoek vindt dat verenigingen een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben (niet in figuur). Een op de vijf is het hier enigszins mee eens (22%), één vereniging vindt dit niet (2%). Grote en middelgrote verenigingen vinden vaker dat sportverenigingen een maatschappelijke verantwoordelijkheid hebben dan kleine verenigingen. Een kwart van de verenigingen vindt dat de maatschappelijke rol van sportverenigingen breder is dan hun leden laten sporten en bewegen (24%, niet in figuur). De helft vindt het tegenovergestelde (56%). Zij vinden niet dat verenigingen een bredere functie hebben dan het aanbieden van sportactiviteiten. Een op de vijf verenigingen is het enigszins eens met de stelling dat sportverenigingen er alleen zijn om hun leden te laten sporten (20%). Meeste aandacht voor veilig sportklimaat en (sociale) veiligheid Twee op de drie sportverenigingen geeft aan activiteiten uit te voeren die aansluiten bij ten minste één maatschappelijk thema (66%, niet in figuur). De verenigingen die dit (nog) niet doen, zijn vaker van mening dat sportverenigingen er vooral zijn om sport- en beweegaanbod te organiseren (niet in figuur). De sportverenigingen zijn het meest actief op de thema’s ‘normen en waarden, veilig sportklimaat’ en ‘(sociale) veiligheid’.
(Ruim) de helft van de verenigingen voert al activiteiten uit die aan deze thema’s raken (respectievelijk 59% en 51%, zie figuur 3.7). Nog eens een op de vijf verenigingen geeft aan dit als aandachtspunt te hebben voor de korte termijn (17% en 20%). Met name grote verenigingen voeren al activiteiten uit op het vlak van veilig sportklimaat en (sociale) veiligheid.
Figuur 3.7 Betrokkenheid van sportverenigingen bij maatschappelijke thema’s (in procenten, n=41) 0
20
40
Normen en waarden, veilig sportklimaat
60
59
(Sociale) veiligheid
17
51
Activiteiten voor kwetsbare doelgroepen
15
20
Sportstimulering van andere (doel)groepen en/of niet-leden
17
10
27
Duurzaamheid, milieu
17
10
22
10
Leefbaarheid in de wijk/buurt/omgeving van de club
7
Werkgelegenheidsproject/arbeidsre-integratie
7
7
27 20
5
20
7
Voeren activiteiten uit
Aandachtspunt korte termijn
Geen belangstelling
Niet van toepassing
Een kwart van de verenigingen voert activiteiten uit voor kwetsbare doelgroepen (27%). Een op de drie heeft dit als aandachtspunt voor de korte of lange termijn (35%). Kwetsbare doelgroepen kunnen op dit moment vooral terecht bij de buitensportverenigingen (niet in figuur). Onder binnensportverenigingen is de belangstelling om hiermee aan de slag te gaan beperkt. Alle verenigingen die aangeven geen belangstelling te hebben, zijn binnensportverenigingen (niet in figuur). Aan sportstimulering en duurzaamheid werkt een op de zes verenigingen (beide 17%). Een op de tien verenigingen is al bezig met gezondheid (10%). Leefbaarheid en werkgelegenheid/arbeidsre-integratie zijn de thema’s waar de minste verenigingen mee bezig zijn (7%). Voor dit laatste thema is de interesse op korte en lange termijn ook beperkt (12%).
7 7
5
29
10
39
7
27
24
32
24
32
22
Aandachtspunt lange termijn
Kwart heeft activiteiten voor kwetsbare groepen
7
17
49
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
100
10
20
27
Gezondheid, gezonde leefstijl
80
32
Hoofdstuk 4
In dit hoofdstuk bespreken we hoe vitaal de verenigingen uit deze peiling in Amsterdam zijn. Dat brengen we in beeld door organisatiekracht en maatschappelijke oriëntatie te combineren. De matrix die zo ontstaat, kan een hulpmiddel zijn voor segmentatie van verenigingen en kan maatwerk bieden bij ondersteuning. Met de vitaliteitsindex zijn globaal vier soorten verenigingen te onderscheiden: de zogeheten kwetsbare verenigingen, maatschappelijke verenigingen, krachtige verenigingen en vitale verenigingen. Een vitale vereniging is een organisatiekrachtige vereniging die maatschappelijk georiënteerd is.
Kwart verenigingen is vitaal 25 procent van de sportverenigingen in deze peiling behoort tot het segment vitale vereniging (figuur 4.1). Deze verenigingen scoren voldoende of goed op zowel organisatiekracht als maatschappelijke oriëntatie. Verenigingen met een eigen sportaccommodatie en buitensportverenigingen zijn vaker vitaal dan verenigingen zonder eigen sportaccommodatie en binnensportverenigingen. Figuur 4.1 Vitaliteitsmatrix sportverenigingen (in procenten, n=41)
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
Een op de drie verenigingen is krachtig Een op de drie verenigingen (35%) is te beschouwen als een krachtige vereniging. Deze verenigingen zijn in staat om het sportaanbod voor de leden te organiseren, maar zijn (nog) nauwelijks maatschappelijk georiënteerd. Met name kleine verenigingen en verenigingen zonder eigen sportaccommodatie maken deel uit van dit segment.
Krachtige verenigingen kunnen zich ontwikkelen tot vitale verenigingen. Wanneer de organisatie goed en sterk is, hebben ze de mogelijkheid om hun blik te verbreden en een maatschappelijke rol op zich te nemen.
Kwart verenigingen is kwetsbaar Een kwart van de verenigingen behoort tot de kwetsbare verenigingen. Deze verenigingen scoren onvoldoende/matig op organisatiekracht en maatschappelijke oriëntatie. De verenigingen in dit onderzoek scoren iets beter dan het landelijke gemiddelde (30% kwetsbaar). Bijna alle kwetsbare verenigingen in dit onderzoek zijn binnensportverenigingen (90%, niet in figuur). Een op de zes verenigingen is maatschappelijk Een op de zes verenigingen scoort voldoende of goed op maatschappelijke oriëntatie, maar onvoldoende of matig op organisatiekracht (17%). Dit zijn maatschappelijke verenigingen. Middelgrote en grote verenigingen behoren vaker tot deze groep dan kleine verenigingen. Door de organisatiekracht te vergroten kunnen de maatschappelijke verenigingen zich ontwikkelen tot vitale verenigingen.
We hebben de verenigingen gevraagd zichzelf te typeren als zeer sterk, sterk of niet zo sterk. Twee verenigingen (5%) gaven aan zichzelf te zien als zeer sterk, twee op de drie als sterk (68%) en een kwart als niet zo sterk (27%). Bij een deel van deze verenigingen komt de eigen inschatting goed overeen met de score op de vitaliteitsindex. Beide verenigingen die zichzelf als zeer sterk typeerden, behoren tot de vitale verenigingen. Twee op de drie ‘sterke’ verenigingen zijn krachtig of vitaal. Een aantal verenigingen heeft de kracht van de vereniging minder goed ingeschat volgens de vitaliteitindex. Vijf verenigingen zien zichzelf als sterk, maar behoren tot het segment kwetsbaar. Andersom zijn er ook drie verenigingen die zichzelf typeren als niet zo sterk, maar toch krachtig of vitaal zijn volgens de vitaliteitsindex.
Hoofdstuk 5
In dit hoofdstuk gaan we in op de thema’s vaardig in bewegen, sociaal veilige sport en duurzaamheid uit het Nationaal Sportakkoord. Het doel van het Nationaal Sportakkoord is om zoveel mogelijk mensen met plezier te laten sporten en bewegen. Daarvoor zijn zes ambities geformuleerd: inclusie en diversiteit, ruimte voor sport en bewegen, vitale sportaanbieders, sociaal veilige sport, vaardig in bewegen en maatschappelijke waarde van topsport. In een lokaal sportakkoord, zoals in het sportakkoord van Amsterdam, maken partijen afspraken over hoe zij met elkaar de ambities op het gebied van sport en bewegen binnen hun gemeente willen bereiken. In het Amsterdams Sportakkoord 3 wordt voornamelijk ingezet op sociale veiligheid, positieve sportcultuur en de ondersteuning van trainers en coaches.
Ruim de helft heeft diversiteitsbeleid voor werving Ruim de helft van de sportverenigingen in dit onderzoek houdt bij de werving en keuze van bestuurders en/of trainers/coaches rekening met diversiteit (59%, zie figuur 5.1). De meeste van deze verenigingen doen dat bij zowel bestuurders als trainers/coaches (54%), twee verenigingen alleen bij bestuurders (5%). Twee op de vijf verenigingen houden geen rekening met diversiteit. Dit is vaker het geval bij binnensportverenigingen dan bij buitensportverenigingen (niet in figuur). Figuur 5.1 Diversiteit bij de werving en keuze van bestuurders en/of trainers/coaches (in procenten, n=41) 5 Ja, alleen bij bestuurders 41
Ja, alleen bij trainers/coaches Ja, bij zowel bestuurders als trainers/coaches 54
Nee
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
3
Gemeente Amsterdam (2020). Amsterdams Sportakkoord.
Het diversiteitsbeleid voor de werving en keuze van bestuurders en/of trainers/coaches van de verenigingen is voornamelijk gericht op geslacht, leeftijd en etniciteit (respectievelijk 83%, 79% en 75%, niet in figuur). Een op de drie verenigingen heeft in het diversiteitsbeleid aandacht voor seksuele voorkeur (33%), een kwart voor mensen met een lichamelijke, verstandelijke of zintuiglijke beperking (25%). Meeste verenigingen zien diversiteit als meerwaarde Vier op de vijf verenigingen zien een divers ledenbestand en kader als een meerwaarde voor de vereniging (81%, zie figuur 5.2). Een aantal verenigingen is het oneens met de stelling (7%). Er zijn geen grote verschillen tussen typen verenigingen wat betreft de visie op diversiteit. Figuur 5.2 Stellingen over diversiteit (in procenten, n=41) 0
20
Onze vereniging ziet meerwaarde in het streven naar diversiteit onder leden en kader
37
Streven naar diversiteit in kaderfuncties is een luxeprobleem
39
Wij zijn tevreden over de vertegenwoordiging van verschillende groepen leden in het bestuurlijk en sporttechnisch kader Zeer eens
Eens
Neutraal
40
60 44
24
12
37
Oneens
Zeer oneens
kader een luxeprobleem vormt (63%). Deze verenigingen vinden het al lastig genoeg om competente bestuurders en trainers te vinden zonder rekening te houden met diversiteit. Dit is vaker het geval bij kleine en middelgrote verenigingen dan bij grote verenigingen (niet in figuur). 15 procent van de verenigingen is het (zeer) oneens met de stelling, 15 procent is neutraal. De helft van de verenigingen is (zeer) tevreden over de huidige vertegenwoordiging van verschillende groepen in het kader (49%). Bij een op de vijf verenigingen is dit binnensportverenigingen zijn ontevreden (niet in figuur).
15
Weet niet/n.v.t.
Tegelijkertijd geven drie op de vijf verenigingen aan dat streven naar een divers
100 10
27
Bron: Mulier Instituut, bevraging sportverenigingen gemeente Amsterdam, 2024.
(helemaal) niet het geval (22%). Met name kleine verenigingen en
80
10
15
7 2
5
7
7 2
Ruim de helft ervaart bereidheid onder vrouwen voor kaderfuncties 63 procent van de verenigingen geeft aan bereidheid te ervaren onder vrouwen om bestuurs- of trainer-/coachfuncties te vervullen bij de vereniging (niet in figuur). Een op de tien verenigingen geeft aan weinig bereidheid te ervaren onder vrouwen voor kaderfuncties (12%). De verenigingen ervaren minder bereidheid onder etnische minderheden om een bestuurs- of trainer-/coachfunctie te vervullen. Een derde van de verenigingen geeft aan dat etnische minderheden wel bereid zijn dit te doen (32%), een op de tien geeft aan dat dit niet zo is (9%). Drie op de tien verenigingen weten niet of dit geval is (29%).