CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

rapport kinderombudsman 22012025.pdf

RAAD 14 mei 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van het rapport Kinderombudsman: 'Anders behandeld' (VN2025-006195)19.235 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

1

2

Inhoud Voorwoord

6

Samenvatting voor kinderen

8

1 Waarom dit onderzoek?

10

1.1 Aanleiding en achtergrond

10

1.3 Reikwijdte en aanpak

11

1.2 Doel- en vraagstelling

11

1.4 Leeswijzer

12

2 Wat verstaan we onder discriminatie en racisme?

13

2.1 Inleiding

13

2.3 Pesten en discriminatie

14

2.2 Discriminatie in relatie tot Kinderrechtenverdrag

13

2.4 Wat zeggen deskundigen?

14

2.5 Hoe duiden kinderen discriminatie en racisme?

15

3 Wat ervaren kinderen en jongeren in hun dagelijks leven?

16

3.1 Inleiding

3.2 Ervaringen met racisme en discriminatie

16 3

16

3.2.1 Pesten door leeftijdsgenoten

16

3.2.2 Uitgescholden worden door volwassenen

17

3.2.3 Anders worden behandeld en uitsluiting

18

3.2.4 Onterecht beschuldigd worden

20

3.2.5 Invloed van (sociale) media en politiek

20

4 Hoe gaan kinderen en jongeren om met discriminatie en racisme?

23

3.3 Rondetafelgesprekken met stadsdelen

21

4.1 Inleiding

23

4.3 Emoties en ‘coping’: woede, onrechtvaardigheid en verdriet

24

4.2 ‘Coping’ strategieë n nader uitgewerkt

23

4.4 Emoties en ‘coping’: negeren, machteloosheid en vermijden

25

4.5 Emoties en ‘coping’: re�lectie en verbinding

26

4.6 Ervaringen en gevoelens bespreekbaar maken

27

4.7 De lange termijn gevolgen

29

4.8 Rondetafelgesprekken met stadsdelen

31

5 Welke oplossingen en uitdagingen zien kinderen?

32

5.1 Inleiding

32

5.3 De verschillende oplossingsrichtingen

32

5.2 ‘Coping’ strategieë n en oplossingsrichtingen nader uitgelegd

5.3.1 Het verstrekken van adequate voorlichting

32

4

33

5.3.2 Straffen en belonen

33

5.3.3 Laagdrempelig melden

33

5.3.4 Het gesprek aangaan

34

5.3.5 Toezicht houden

35

5.3.6 Daders aanspreken

35

5.3.7 Opvoeden en een inclusievere samenleving bevorderen

35

6 Wat zijn de conclusies en hoe verder?

37

5.4 Rondetafelgesprekken met stadsdelen

36

6.1 Inleiding

37

6.3 Aanpak van discriminatie en racisme en inzichten die daarin helpend zijn

37

6.2 Kinderen lijden onder discriminatie en racisme en dat heeft gevolgen voor hun ontwikkeling 6.4 Effectieve aanpak vereist verscheidenheid aan strategieë n 6.5 Oproep tot actie

37

39

40

Bijlagen

41

B1: Bronvermelding

41

B3: Leidraad focusgroepen

46

B2: Verantwoording werkwijze

44

5

Voorwoord In de strijd tegen discriminatie en racisme wordt de mening van kinderen niet vaak gehoord. Er wordt vooral óver hen gesproken in plaats van mét hen. Reden genoeg voor mij om samen met mijn team een onderzoek in te stellen en te luisteren naar wat kinderen er zélf over te vertellen hadden.

moeilijker om erover te praten. Terwijl deze ervaringen wel gevolgen kunnen hebben voor hoe kinderen (later) naar de wereld kijken.

Kinderen kunnen door (structurele) discriminatie en racisme vertrouwensproblemen ontwikkelen en een laag zelfbeeld krijgen. Het gevoel hebben er alleen voor te staan kan op de langere termijn een scala van onwenselijke gevolgen in de hand werken, zoals onzekerheid over de eigen identiteit, gevoelens van eenzaamheid, depressie, et cetera. In de psychologie is uitgebreid onderzoek gedaan naar effecten van discriminatie op de (mentale) gezondheid. Discriminatie en racisme bij de bron aanpakken is dus hard nodig; dit kan zelfs worden beschouwd als een vorm van preventieve gezondheidzorg.

Dit is mijn eerste onderzoek sinds mijn aantreden vorig jaar als Kinderombudsman in de Amsterdamse Metropool. We hebben in verschillende stadsdelen in Amsterdam gesprekken met kinderen en jongeren gevoerd en die gesprekken hebben veel indruk op mij gemaakt. Door de schrijnende verhalen die werden verteld en de emoties die deze verhalen opriepen, zowel bij de kinderen, hun ouders, maar ook bij ons als onderzoekers. Het was schokkend om van zoveel kinderen te horen dat discriminatie en racisme veelvuldig voorkomt en wat deze ervaringen met hen doen. Kinderrechten die toezien op non-discriminatie 1 en het recht om zich goed en ongestoord te kunnen ontwikkelen 2 staan in mijn ogen onder druk.

Ik heb enorm veel respect voor de kinderen en jongeren die hun verhaal met ons wilden delen. Dat zij – ondanks het onrecht dat zij zien en meemaken – toch voor zichzelf en anderen durfden op te komen.

Ik signaleer dat wanneer kinderen nare, discriminatoire situaties meemaken er niet altijd ruimte lijkt te zijn om er (goed) over te praten, bijvoorbeeld thuis of in de klas op school. Verontrustend vind ik ook de gelatenheid hierover bij de iets oudere kinderen. Ze geloven niet meer in een oplossing en mijden het onderwerp liever. Het lijkt wel dat hoe ouder kinderen worden, hoe meer zij vervelende ervaringen en gevoelens normaliseren en opkroppen.

Als wij meer met kinderen praten over hun ervaringen met discriminatie en racisme dan geloof ik dat de nare effecten ervan verzacht kunnen worden. Zij kunnen er dan gemakkelijker, zonder taboes, effectief over leren praten. Daarnaast bieden de gesprekken waardevolle inzichten voor effectieve oplossingsrichtingen om niet alleen discriminatie en racisme te bestrijden maar tevens voor het creëren van een veilige omgeving voor iedereen.

Als kinderen geen ruimte hebben om te (leren) praten over ervaringen die hen bezighouden, dan wordt het naarmate de tijd verstrijkt steeds 1

Positief verrast was ik dan ook door de manier waarop kinderen creatieve oplossingen bedachten om discriminatie en racisme aan te pakken. Een van die oplossingen betrof het laagdrempelig (en veilig)

Zie artikel 2 Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).

2

6

Zie artikel 6 Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).

melden van hun ervaringen. Bij zo’n meldpunt kunnen kinderen hun verhaal kwijt én kunnen zij desgewenst advies krijgen. Een oplossingsrichting die ik van oudere kinderen en ouders hoorde was het (nog) beter luisteren naar ervaringsdeskundigen. Die zouden meer en actiever betrokken kunnen worden in het begeleiden en informeren van kinderen, jongeren, ouders en professionals.

Het is niet voor niks dat het Kinderrechtenverdrag voorschrijft dat kinderen hun mening moeten kunnen geven over alle zaken die hen aangaan. 3 En dan gaat het niet alleen over wat ze zeggen maar ook om de ruimte die ze krijgen om zich te uiten en daarin vaardig te worden.

Met dit onderzoek hoop ik als Kinderombudsman bij te dragen aan een wereld waarin kinderen zich veilig voelen en gelijkwaardig en met respect worden behandeld. Een wereld waarin ze zich gewaardeerd voelen en waarin we gezamenlijk bouwen aan een eerlijk(er)e toekomst. Het wordt tijd om de diversiteit van onze stad niet alleen te erkennen maar ook te omarmen. De verontrustende verhalen die de kinderen hebben gedeeld staan niet meer langer toe dat we wegkijken. Het moment om actie te ondernemen is nú. Annemarie Tuzgöl-Broekhoven Kinderombudsman Metropool Amsterdam

3

Artikel 12 Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK).

7

Samenvatting voor kinderen maken hebben. Toch worden kinderen weinig gevraagd naar hun ervaringen en hun mening over oplossingen. Terwijl zij vaak goede ideeën hebben om discriminatie te verminderen. Het is dus belangrijk dat hun stem wordt gehoord. Daarom heeft de Kinderombudsman dit onderzoek uitgevoerd.

Discriminatie en racisme: kinderen en jongeren maken vaak vervelende dingen mee zoals discriminatie en racisme. Dit betekent dat ze anders behandeld worden omdat ze bijvoorbeeld een andere huidskleur, afkomst of religie hebben. Dit gebeurt op verschillende plekken zoals op school, bij de sportclub, in winkels, op straat en online. Soms worden ze openlijk uitgescholden en soms zijn het ook kleine gemene opmerkingen die minder opvallen. Deze vervelende ervaringen kunnen kinderen erg verdrietig of boos maken.

Ongelijkheid zien: kinderen en jongeren vinden dat discriminatie en racisme vooral te maken hebben met ongelijkheid, zoals huidskleur, religie, geslacht en beperkingen. Ze weten ook dat dit probleem al lang bestaat, bijvoorbeeld door slavernij. Ze zien ongelijkheid in hun dagelijks leven, zoals bij pesten en buitengesloten worden. Dit maakt hen vaak boos of verdrietig.

Gevoelens niet verbergen maar erover praten: jongere kinderen worden vaak boos als zij discriminatie of racisme ervaren terwijl oudere kinderen eerder hun gevoelens proberen te verbergen. Het is heel belangrijk dat kinderen met iemand kunnen praten over wat ze meemaken, zoals met vrienden of familie. Het helpt als ze zich veilig voelen en weten dat er naar hen geluisterd wordt.

Gevoelens begrijpen: kinderen voelen zich vaak boos, verdrietig, machteloos of schamen zich zelfs als ze met racisme te maken krijgen. Deze gevoelens kunnen elkaar versterken en het is belangrijk om deze emoties te begrijpen en kinderen te helpen. Bijvoorbeeld als iemand je uitscheldt omdat je ‘anders’ bent, kun je je heel verdrietig en alleen voelen.

Racisme bestrijden: om racisme tegen te gaan zijn er verschillende manieren nodig die passen bij de leeftijd van de kinderen. Volwassenen, zoals ouders en leraren, moeten het goede voorbeeld geven en kinderen steunen. Ook moet meer worden nagedacht over hoe sociale media en politiek invloed hebben op discriminatie. Bijvoorbeeld, wat mensen online zeggen kan anderen pijn doen, zelfs als het maar een grapje lijkt.

Onderzoek: discriminatie en racisme komen vaak voor in Nederland. Veel kinderen maken het zelf mee of zien dat hun vrienden hiermee te

Omgaan met racisme: kinderen hebben verschillende manieren om met vervelende ervaringen om te gaan. Sommigen negeren opmerkingen, anderen passen hun gedrag aan, of zoeken steun bij vrienden en familie. Deze manieren veranderen als kinderen ouder worden. Jongere kinderen reageren vaak met boosheid terwijl oudere kinderen meer nadenken over wat er is gebeurd en hoe ze zich voelen. 8

Samen sterker: dit onderzoek wil helpen om betere manieren te vinden om met discriminatie en racisme om te gaan en om het te stoppen. Het is belangrijk dat iedereen, ook kinderen, meehelpt om een eerlijkere en vriendelijkere samenleving te maken. Samen kunnen we ervoor zorgen dat iedereen zich veilig en gerespecteerd voelt.

bespreken hoe we samen discriminatie en racisme kunnen voorkomen. De Kinderombudsman draagt hier graag aan bij.

Oproep tot actie: samen met de gemeente en met kinderen en jongeren willen we verder gaan met de oplossingen die zijn aangedragen door de kinderen zelf. Vanuit die oplossingen kan gekeken worden wie met welke vervolgstappen het thema verder kan brengen.

Delen wat we weten: wat we hebben ontdekt tijdens ons onderzoek, hebben we gedeeld met verschillende mensen die met kinderen werken. Zij hebben ons ook geholpen. Het rapport is bedoeld om te

9

1. Waarom dit onderzoek? 1.1. Aanleiding en achtergrond Na haar aantreden in oktober 2023 heeft de Kinderombudsman Metropool Amsterdam (hierna: de Kinderombudsman) met diverse professionals, ambtenaren en kinderen kennisgemaakt. In de gesprekken met kinderen vroeg de Kinderombudsman welk onderwerp zij met voorrang zou moeten oppakken. Veel kinderen noemden pesten, discriminatie en buitengesloten worden. Een aantal van hen vertelde op verschillende terreinen discriminatie te ervaren of te worden gepest omdat ze ‘anders zijn’ of ‘er anders uitzien’. De kinderen vonden het moeilijk om het onderwerp bespreekbaar te maken. Een meisje barstte in tranen uit toen ze vertelde dat zij op school vanwege haar Marokkaanse afkomst gepest wordt en de leerkracht er niks aan doet. Een jongen uit Zuidoost die elke dag in de metro zit op weg naar school in Amsterdam-Zuid vertelde dat hij het echt wel in de gaten heeft dat mensen in Zuid snel hun tas op schoot zetten als hij langsloopt. Een jong meisje was - vanwege de verkiezingsuitslag - bang dat zij en haar familie Nederland zouden moeten verlaten. Dat had zij een politicus op televisie horen zeggen.

Nederland ziet dat andere leeftijdgenoten gediscrimineerd worden op basis van huidskleur of afkomst. Kinderen en jongeren zouden vooral op school discriminatie ervaren, maar ook op straat en op sociale media. In 2022 meldde het Sociaal en Cultureel Planbureau dat studenten en scholieren meer discriminatie ervaren dan tien jaar eerder. Onderzoek van de Onderwijsinspectie toonde aan dat kinderen met een migratieachtergrond vaker een lager middelbaarschooladvies krijgen dan hun eindtoets aangeeft. Uit een ander onderzoek kwam naar voren dat (mbo) studenten met een migratieachtergrond structureel ‘stagediscriminatie’ ervaren. 5 Onder meer het land van herkomst (van de ouders), uiterlijk, religie en huidskleur worden genoemd als gronden voor hun (discriminatie)ervaringen. In een recent onderzoek door de Vrije Universiteit 6 waarin problemen van achterstelling en discriminatie in het Amsterdamse basis- en voortgezet onderwijs worden beschreven, staat een aantal schokkende verhalen van discriminatie door leerklachten en pesterijen van medeleerlingen. Ervaringen met discriminatie en racisme laten vaak sporen achter op het welzijn van degenen die ermee te maken hebben en kunnen leiden tot een gevoel van minder betrokkenheid bij de samenleving en minder vertrouwen in instituties. Deze ervaringen kunnen ook zorgen voor een verminderd mentaal welzijn van betrokkenen.

Discriminatie en racisme hebben niet alleen individuele

Helaas is dit niet alleen voor (een deel van de) Amsterdamse kinderen en jongeren de dagelijkse werkelijkheid. Uit een recente peiling van Unicef 4 blijkt dat bijna de helft van alle kinderen en jongeren in 4 5

UNICEF Nederland (2023). Andriessen et al. (2021).

6

10

Crul, et al. (2024).

1.2. Doel- en vraagstelling Met dit onderzoek beoogt de Kinderombudsman een bijdrage te leveren aan verdiepende en meer genuanceerde inzichten in de beleving van discriminatie en racisme onder kinderen en jongeren in Amsterdam. Inzichten die kunnen worden gebruikt om gerichte interventies te ontwikkelen, beleidsveranderingen door te voeren en meer inclusieve en rechtvaardige gemeenschappen te bevorderen. De Kinderombudsman vindt het belangrijk dat (meer en beter) wordt ingespeeld op de behoeften van kinderen en jongeren én dat zij worden ondersteund in hun individuele en collectieve omgang met racisme en discriminatie. Variërend van emotionele steun tot praktische handvatten voor het melden van incidenten.

gevolgen, maar dragen ook bij aan bredere maatschappelijke ongelijkheden. 7

De laatste tijd is er meer aandacht voor discriminatie en racisme en wordt er vaker onderzoek gedaan naar het thema. Maar omdat de meeste incidenten (nog) niet gemeld of gerapporteerd worden ontbreken concrete discriminatiecijfers. Wel registreerde de politie in 2022 6.738 incidenten van discriminatie in Nederland waarvan 43% discriminatie betrof op basis van herkomst. In hoeverre kinderen betrokken zijn bij incidenten is niet bekend omdat zij niet worden meegenomen in onderzoeken. De Kinderombudsman betreurt dit. Het betrekken van kinderen in onderzoek zou relevante nieuwe inzichten kunnen opleveren voor het tegengaan van ervaringen van discriminatie en racisme van kinderen. Het is cruciaal om deze ervaringen te documenteren en te analyseren. Op die manier kunnen effectieve interventies worden ontwikkeld om bij te dragen aan een inclusievere samenleving.

Het onderzoek richt zich op de vraag wat Amsterdamse kinderen en jongeren (in de leeftijd van 8 tot 18 jaar) verstaan onder discriminatie en racisme en wat hun ervaringen zijn. De Kinderombudsman wil weten waar (binnen welk domeinen) knelpunten zitten en of en zo ja op welke wijze het thema onderwerp van gesprek is. Tot slot is de Kinderombudsman benieuwd hoe kinderen en jongeren denken over mogelijke oplossingsrichtingen als het gaat om het tegengaan van discriminatie op grond van huidskleur of herkomst.

Hoewel de Kinderombudsman zich bewust is van de complexiteit en gevoeligheid rond het thema besloot zij – met name om recht te doen aan wat de kinderen en jongeren belangrijk vinden - een onderzoek in te stellen naar de ervaringen van de Amsterdamse jeugd met discriminatie als gevolg van racisme 8 en hoe zij hiermee omgaan. Voordat de kinderen en jongeren hierop zijn bevraagd is onderzocht mede op basis van literatuur, gesprekken met deskundigen én gesprekken met kinderen en jongeren - wat onder discriminatie en racisme moet worden verstaan. Dit, om tot een gezamenlijk beeld van het thema te komen. Op 1 maart 2024 is het onderzoek van start gegaan.

1.3. Reikwijdte en aanpak Het onderzoek gaat in op ervaringen van kinderen met discriminatie op grond van huidskleur en herkomst. 9 De insteek is dus een andere dan de kinderrechtenscans uit 2020 en 2022. In deze scans was speciale aandacht voor LHBTQIA+ kinderen, kinderen die op de vlucht zijn, kinderen die in armoede leven en kinderen in Amsterdam die opgroeien met een beperking. Hun situaties werden getoetst aan het

Felten et al. (2021). Dit rapport definieert discriminatie, racisme en institutioneel racisme, waarbij institutioneel racisme wordt beschreven als racisme ingebed in instituties zoals bedrijven, scholen en overheidsinstanties.

Hierna wordt er ten behoeve van de leesbaarheid gesproken over discriminatie en racisme. De Kinderombudsman heeft in 2020 en in 2022 in twee kinderrechtenscans aandacht besteed aan LHBTQIA+ jongeren en jongeren met een beperking.

7

8 9

11

resultaten van het onderzoek meegedacht over mogelijke oplossingsrichtingen en interventies. Tijdens deze bijeenkomst werden ook persoonlijke ervaringen gedeeld.

Kinderrechtenverdrag. Het onderhavige onderzoek heeft speciale aandacht voor kinderen die te maken hebben met een nadelige behandeling op basis van huidskleur, afkomst, etniciteit of religie. Aangezien de kinderen deze ervaringen bij de Kinderombudsman aankaartten als meest urgent, is besloten dit onderzoek hieraan te wijden.

Eén van de doelen van het rapport is om samen met de gemeente Amsterdam te kijken hoe we discriminatie en racisme tegen kunnen gaan. Om die reden zijn bevindingen van het onderzoek voorgelegd aan een aantal vertegenwoordigers van de stadsdelen met een masterplan, te weten: Nieuw-West, Noord en Zuidoost. Tijdens rondetafelgesprekken met deze partijen is er gereflecteerd op de resultaten van het rapport en er is bekeken in hoeverre de aanpak van racisme momenteel een plaats heeft in het beleid van de gemeente. Ook zijn oplossingsrichtingen verkend en is gesproken over de vraag welke vervolgstappen volgens hen mogelijk zijn. In totaal hebben ruim 135 kinderen, jongeren, ouders en professionals meegewerkt aan de totstandkoming van dit rapport.

De Kinderombudsman heeft Stichting Alexander 10 opdracht gegeven de focusgroep gesprekken met kinderen uit verschillende leeftijdscategorieën en stadsdelen te voeren en de resultaten te analyseren. Voorafgaand aan het onderzoek is een klankbordgroep samengesteld met vertegenwoordigers van de Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (NCDR), Fawaka Wereldburgerschap, Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam en Stichting Alexander. Deze klankbordgroep, die in totaal drie keer bijeenkwam, werd onder meer gevraagd mee te denken over de focus van het onderzoek en definities, de eerste bevindingen en het conceptrapport. Op 20 juni 2024 heeft de Kinderombudsman samen met Stichting Alexander tijdens het nationaal congres van de NCDR een sessie over de voorlopige bevindingen van het onderzoek verzorgd.

1.4. Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de definitie van discriminatie en racisme en wat kinderen hier onder verstaan. Hoofdstukken 3 en 4 beschrijven ervaringen van kinderen en jongeren met discriminatie en racisme en hoe zij met die ervaringen omgaan. In hoofdstuk 5 komen oplossingen aan bod die kinderen en jongeren aandragen om discriminatie en racisme te bestrijden. Tot slot staan in hoofdstuk 6 de conclusies beschreven en wordt er ingegaan op mogelijke vervolgstappen om het thema blijvend op de agenda te zetten.

Tijdens deze sessie deelden een groep kinderen, professionals en ouders ervaringen met elkaar en met de Kinderombudsman en werd er nagedacht over oplossingsrichtingen om discriminatie te bestrijden. Discriminatie bij kinderen was ook voor de NCDR een dusdanig belangrijk thema dat er in de opening van het nationaal congres uitgebreid aandacht voor was. Tot slot heeft (een delegatie van) de Kinderraad van Amsterdam in juli 2024 op basis van de voorlopige 10

https://st-alexander.nl/

12

2. Wat verstaan we onder discriminatie en racisme? 2.1. Inleiding Discriminatie is het maken van onderscheid, waarbij individuen of groepen mensen op basis van (persoonlijke) kenmerken ongelijk worden behandeld of achtergesteld. 11 Volgens artikel 2 van het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind (IVRK) mogen kinderen niet gediscrimineerd worden. Ondanks dat discriminatie in Nederland verboden is, gebeurt het regelmatig dat kinderen er mee te maken hebben. Het is alleen niet altijd duidelijk wanneer het gaat om ‘discriminatie’ of ‘racisme’ en wanneer het gaat om ‘pesten’. Pesten is niet strafbaar. 12 Bij discriminatie wordt er onderscheid gemaakt op basis van bepaalde kenmerken, dat wil zeggen dat kinderen anders worden behandeld vanwege geloof, ras, seksuele geaardheid of een handicap. Bovendien wordt er niet altijd ‘openlijk’ gediscrimineerd. Hierdoor is het lastig om het begrip ‘te duiden’, zeker voor kinderen en jongeren. In dit hoofdstuk stippen we allereerst kort het discriminatieartikel (en andere relevante artikelen) in het Kinderrechtenverdrag aan. Vervolgens beschrijven wij het verschil tussen pesten en discriminatie. Daarnaast wordt ingegaan op de

definitie van discriminatie en racisme: wat vinden deskundigen en hoe kijken kinderen tegen het thema aan?

2.2. Discriminatie in relatie tot het Kinderrechtenverdrag In het ‘Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind' (IVRK) is door de Verenigde Naties (VN) vastgelegd waar kinderen tot 18 jaar recht op hebben. Elk kind heeft recht op alle rechten uit het VNKinderrechtenverdrag. 13 Met andere woorden, kinderrechten gelden voor alle kinderen, zonder uitzonderingen. De overheid moet er alles aan doen om de rechten voor kinderen te realiseren. In het IVRK staan vier artikelen centraal, alle andere kinderrechten moeten in het licht van deze kernartikelen worden geïnterpreteerd. 14 Artikel 2 IVRK schrijft voor dat er geen ongeoorloofd onderscheid mag worden gemaakt tussen kinderen. Kinderen hebben recht op een gelijke behandeling en zij hebben er recht op dat hun ontwikkelingsbelangen een eerste overweging vormen bij besluiten die voor hen belangrijk zijn. Dat staat in artikel 3 IVRK vermeld. Het recht op leven en ontwikkeling staat in artikel 6 IVRK omschreven. Het artikel verplicht

11 Andriessen et al. (2014). Discriminatie en racisme zijn gedefinieerd als het te maken hebben met een nadelige behandeling op basis van huidskleur, afkomst, etniciteit of religie. 12 (Nationale) Kinderombudsman (2021). Kinderen worden relatief vaak gepest vanwege discriminatiegronden zoals benoemd in artikel 2 IVRK; dat het pesten soms zodanig ernstige

vormen aanneemt dat vaak sprake is van bedreiging of geweld en tot slot dat pestgedrag door scholen vaak niet (h)erkend en kleiner wordt gemaakt door het te zien als ‘een vorm van plagen.’ 13 Zie Kinderrechten.nl. Artikel 2 – geen discriminatie. 14 (Nationale) Kinderombudsman (2022).

13

termen om iemand van kleur aan te duiden), micro-beledigingen (‘je spreekt goed Nederlands voor iemand zoals jij’ of ‘jou bedoel ik niet hoor, jij bent anders’) en micro-invalidaties (zeggen dat iemand ‘overgevoelig’ is als ze een racistische opmerking aan de kaak stellen).

de overheid een veilige omgeving te creëren waarin kinderen zich goed kunnen ontwikkelen en ongestoord kunnen opgroeien. Tot slot ziet artikel 12 IVRK op het recht van kinderen hun mening te geven over zaken die hen aangaan. Zo zouden kinderen bij de aanpak of het bestrijden van discriminatie hun mening moeten kunnen geven. In het kader van dit onderzoek is met name artikel 2 IVRK belangrijk omdat dit artikel de overheid verplicht maatregelen te nemen die kinderen beschermen tegen discriminatie en een gelijke behandeling van kinderen waarborgen.

Besef van de aanwezigheid en invloed van microagressies vraagt ervaring en sensitiviteit van betrokkenen. Dit is nodig omdat (culturele) verschillen invloed kunnen hebben op de perceptie van microagressies. Deze verschillen kunnen leiden tot misverstanden en spanningen. Kennis van microagressies is cruciaal voor het begrijpen van hoe kinderen en jongeren omgaan met discriminatie en racisme.

2.3. Pesten en discriminatie Als kinderen worden gepest vanwege bepaalde kenmerken, zoals afkomst, seksuele voorkeur, huidskleur of beperking dan is er sprake van discriminatie. 15 Pesten is herhaald ongewenst negatief gedrag waartegen iemand niet in staat is zich te verdedigen. Discriminatie en pesten zijn twee vormen van ‘buitensluiten’, maar zijn niet altijd hetzelfde.

2.4. Wat zeggen deskundigen? De Kinderombudsman heeft voorafgaand aan het onderzoek een klankbordgroep georganiseerd met deskundigen op het gebied van discriminatie en racisme. 18 Tijdens deze bijeenkomst is de onderzoeksopzet vastgesteld en zijn de te hanteren definities van discriminatie en racisme doorgenomen. Met input van de klankbordgroep is de term intersectionaliteit opgenomen in de benadering en definitie. Met intersectionaliteit wordt bedoeld dat je je ervan bewust bent dat kinderen en jongeren op ‘meerdere assen’ kunnen afwijken van ‘de norm’ en dat die assen elkaar kunnen beïnvloeden. 19 Zo kunnen kinderen en jongeren discriminatie of uitsluiting ondervinden op grond van een veelvoud van factoren. Volgens de klankbordgroep moet worden beseft dat in de beleving van kinderen en jongeren identiteit, etniciteit en religie elkaar mogelijk overlappen. Dat geldt ook voor de beleving van personen die de racistische uitingen doen.

Pesten kan een vorm van discriminatie zijn. Het belangrijkste verschil is dat discriminatie op verschillende niveaus kan plaatsvinden, dus niet alleen op het microniveau van één persoon of een kleine groep personen, maar ook op (institutioneel) macroniveau van ongelijke behandeling en uitsluiting op basis van één of meer discriminatiegronden. 16 De wijze waarop racisme en discriminatie tot uiting komt is ook verschillend. Als iemand bijvoorbeeld heel expliciet wordt uitgescholden, is er duidelijk sprake van racisme. Maar vaker is er sprake van microagressies. 17 Voorbeelden van microagressies die jongeren ervaren zijn: micro-aanvallen (het gebruik van denigrerende Nederlands Jeugdinstituut (n.d.). (Nationale) Kinderombudsman (2021). 17 Greenlane (2019).

18 Hieraan namen naast de Kinderombudsman en Stichting Alexander, Fawaka Wereldburgerschap, Meldpunt Discriminatie Regio Amsterdam en de Nationaal Coördinator Discriminatie en Racisme deel. 19 Movisie (2019).

15 16

14

ongelijkheid tussen mensen. Deze ongelijkheid wordt volgens hen veroorzaakt door verschillende factoren, waarbij huidskleur het meest genoemd wordt. Andere genoemde factoren zijn religie, seksuele voorkeur, geslacht en het hebben van een beperking. Een kind zei: ‘Er is iets mis met het woord racisme: er is namelijk maar één ras.’

De klankbordgroep heeft met de Kinderombudsman nagedacht over de woorden discriminatie en racisme. Waarom discriminatie en racisme allebei benoemen als de focus ‘discriminatie op grond van racisme’ is? In de gesprekken met kinderen en jongeren werd duidelijk dat de termen door elkaar gebruikt worden en dat de ervaringen die kinderen deelden zowel discriminatie op grond van racisme behelsde, maar soms ook op andere gronden van discriminatie. Mede om die reden wordt in dit rapport gesproken over discriminatie en racisme.

Bewustzijn van historische achtergrond: kinderen zijn zich bewust van de lange geschiedenis van ongelijkheid en noemen slavernij als een belangrijk beginpunt van racisme en discriminatie. Een aantal van hen schaart hier ook expliciet de uitsluiting van vrouwen.

2.5. Hoe duiden kinderen discriminatie en racisme? In alle focusgroep gesprekken met kinderen en jongeren is begonnen met het beeld dat zij hebben bij de termen discriminatie en racisme. De Kinderombudsman vond het belangrijk om te weten wat zij precies onder deze termen verstaan. Bovendien was het nodig om met de kinderen te komen tot een gedeeld begrip van het onderwerp van gesprek. 20 Daarnaast is het zo'n moeilijk en gevoelig onderwerp dat het niet wenselijk is om de kinderen en jongeren direct naar hun ervaringen te vragen. Door eerst uitvoerig met elkaar in gesprek te gaan over wat zij verstaan onder discriminatie en racisme, konden de kinderen ‘landen’ en wennen aan het idee om over dit thema te praten.

Uitingen van ongelijkheid: ongelijkheid toont zich in de manier waarop mensen met elkaar omgaan. Voorbeelden hiervan zijn pesten, het gezien worden als minder of dommer, buitengesloten worden en onderschat worden.

Complexiteit van racisme en discriminatie: kinderen en jongeren vinden het niet altijd eenvoudig om te bepalen of iets echt racisme of discriminatie is. Ze vertellen dat de definitie van racisme voor iedereen anders kan zijn en dat persoonlijke ervaringen en context een belangrijke rol spelen. De scheidslijn tussen wat wel en wat geen racisme is niet altijd makkelijk te maken.

Ongelijkheid als kernbegrip voor definities: kinderen en jongeren associëren de woorden ‘racisme’ en ‘discriminatie’ voornamelijk met

Eerder onderzoek wijst uit kinderen en jongeren niet per definitie aanslaan op woorden zoals racisme en discriminatie. Daarom is het belangrijk om goed om te leggen wat precies wordt bedoeld en waar we naar op zoek zijn in de focusgroepen (Bron: Reactie Nationale

Kinderombudsman op wetsvoorstel Vrij en veilig onderwijs en bijhorende Algemene Maatregel van Bestuur 19 september 2023, nr. 1730573)

20

15

3. Wat ervaren kinderen en jongeren in hun dagelijks leven? 3.1. Inleiding In dit en het volgende hoofdstuk is beschreven welke ervaringen Amsterdamse kinderen en jongeren hebben met discriminatie en racisme, welke emoties en reacties dit bij hen oproept en hoe zij hier mee omgaan.

3.2. Ervaringen met racisme en discriminatie Kinderen en jongeren vertellen over directe en indirecte ervaringen met racisme en discriminatie. Directe ervaringen gaan over situaties die kinderen en jongeren zelf meemaken of waar zij getuige van zijn wanneer anderen in hun omgeving het meemaken. Het gaat om situaties waarin kinderen en jongeren worden beschuldigd, fysiek worden aangevallen, worden uitgescholden of nare opmerkingen horen. Indirecte ervaringen gaan over gebeurtenissen en invloeden die uitsluiting en onveiligheid kunnen veroorzaken waardoor de impact van racisme en discriminatie worden versterkt. Dit varieert van invloed van de opvoeding en online media, tot persoonlijke pesterijen en bedreigingen. Soms lijkt er een grijs gebied te bestaan tussen deze twee typen ervaringen, omdat ze gerelateerd zijn aan ras, afkomst, kleur of vooroordelen over gedrag dat direct of indirect wordt geassocieerd met ras, afkomst of kleur. De ervaringen die de kinderen hebben gedeeld zijn verdeeld in vijf categorieën:

1. 2. 3. 4. 5.

Pesten door leeftijdgenoten; Uitgescholden worden door volwassenen; Anders behandeld worden en uitsluiting; Onterechte beschuldigingen; De invloed van sociale media en politiek.

3.2.1. Pesten door leeftijdsgenoten Veel van de voorbeelden die kinderen en jongeren noemen gaan over onderling pesten, de manier waarop kinderen met elkaar omgaan en hoe ze elkaar uitschelden. Kinderen vertellen dat pesten veel voorkomt. Hoewel pesten niet per definitie gelinkt is aan discriminatie en racisme kan de onderliggende reden dit wel zijn en zijn de scheldnamen die kinderen elkaar geven dit veelal ook. Pesten kan gaan om uitschelden, buitensluiten en bedreigen. Soms vindt er zelfs fysiek geweld plaats.

‘Bijna op iedere school waar ik op heb gezeten ben ik gepest. Of in elkaar geslagen. Of geschopt.’ (Jongen, 8-11 jr)

16

‘Bij voetbal bijvoorbeeld, als we verliezen, noemt de andere groep ons zwarte apen.’ (Jongen, 8-11 jr)

Meerdere kinderen hebben het over zogenaamde ‘diss battles’ op school, waarbij klasgenoten elkaar uitdagen (harde) grappen over elkaar te maken. Deze trend is overgewaaid uit de Verenigde Staten waarbij volwassenen elkaar met wederzijdse toestemming ‘roasten’. Tijdens de ‘battle’ is volgens de kinderen alles gepermitteerd, je mag je dus ook racistisch uitlaten. Ze noemen speci�iek het n-woord.

wanneer kinderen en jongeren uit bepaalde groepen vaker het slachtoffer zijn.

‘Maar toen was het licht uitgegaan, zei het meisje tegen die donkere jongen, [naam]. ‘Hé waar is [naam], ik zie hem niet.’’ (Meisje, 8-11 jr) Soms word ik in de klas Roti genoemd omdat ik uit Suriname kom. Terwijl mensen geen eten zijn.’ (Jongen, 8-11 jr)

‘In diss-battles mag het wel maar daarbuiten helemaal niet’ (Jongen, 811 jr)

‘Ik ben biseksueel én ik ben gelovig. Ik word daarom gepest.’ (Jongen, 811 jr)

Er zijn wel ‘regels’ wie het n-woord wel en niet mogen zeggen. Je kunt elkaar ‘toestemming geven’.

Kinderen delen verhalen over bedreigingen en over het zien van wapens. Hoewel deze ervaringen niet direct aan racisme of discriminatie gerelateerd zijn, kunnen bedreigingen een ernstige impact hebben op het gevoel van veiligheid en welzijn van kinderen. Ook kan het bijdragen aan een bredere cultuur van angst en intimidatie. Het zien van wapens en het ervaren van geweld kan traumatisch zijn voor kinderen.

‘Bij ons wordt er zoveel gescholden met het N -woord dat het normaal is voor kinderen.’ (Jongen, 8-11 jr) ‘Je hebt een n-pass nodig om het n-woord te mogen zeggen: Ik heb er 6.’ (Jongen, 8-11 jr)

De ‘regels’ van een ‘diss-battle’ worden vooral door jongere kinderen niet altijd opgevolgd. Hierdoor gebeurt het regelmatig dat er buiten een ‘battle’ wordt gepest of dat iemand niet aan een ‘battle’ mee mag of wil doen, maar wel met het n-woord wordt uitgescholden. De grenzen vervagen over wat er wel en wat niet tegen elkaar gezegd kan worden. Hierdoor verhardt de omgang onderling. Een kind vertelde dat er in de klas werd gezegd: ‘Moet je niet op de plantage werken, hou je mond zwarte aap.’ Opmerkingen over a�komst die niet per de�initie onder uitschelden vallen, worden door kinderen als racistisch ervaren. Het gaat dan vooral over ‘grapjes’ met een denigrerende ondertoon. Het zorgt indirect voor gevoelens van discriminatie en ongelijkheid, vooral

‘Het gebeurde altijd wanneer juf wegging. Ik wou het niet zeggen, want hij ging een soort van dreigen. Volgens mij zei hij iets van… ik moet je dood maken als je het tegen de juf gaat zeggen.’ (Jongen, 8-11 jr) ‘Een meisje keek hem vies aan en toen heeft hij een mes uit zijn tas getrokken.’ (Meisje, 8-11 jr) 3.2.2. Uitgescholden worden door volwassenen Het tweede type ervaring dat de kinderen hebben is het worden uitgescholden door volwassenen. 17

‘Zwarte banaan. Mijn zwemmeester zei dat tegen een jongetje omdat hij niet kon zwemmen en zwart was.’ (Jongen, 8-11 jr) ‘De gymjuf van mij. Ze is altijd racistisch tegen ons. Ze gaat voor niks schreeuwen. En toen zei ze: (het n-woord).’ (Jongen, 8-11 jr)

3.2.3. Anders worden behandeld en uitsluiting Verschillende vormen van oneerlijke behandeling door autoriteitsfiguren zoals leraren, sportinstructeurs, politie, werkgevers en (gemeente)ambtenaren, is een derde categorie van racisme en discriminatie. De ervaringen laten zien hoe diepgeworteld discriminatie en racisme kunnen zijn in het dagelijks leven van kinderen en jongeren. Kinderen met een migratieachtergrond worden soms anders behandeld door bijvoorbeeld beledigingen of uitsluiting. Of ze worden in de klas door leerkrachten vaker aangesproken op (negatief) gedrag dan klasgenoten zonder een migratieachtergrond.

Wat opvalt is dat kinderen het thuis niet altijd vertellen als ze zijn uitgescholden door volwassenen. Sommige kinderen gaven aan dat zij hun ouders niet verdrietig willen maken, anderen willen niet dat hun ouders boos worden en bijvoorbeeld naar school gaan om het te bespreken. Er waren echter ook kinderen die zichtbaar trots waren op hun ouders omdat zij bepaalde situaties wel hebben aangekaart.

‘Op de basisschool kreeg ik altijd de schuld. Het was altijd: [naam] dit, [naam] dat, [naam] opletten! Terwijl het dan bijvoorbeeld een Nederlands vriendinnetje was die aan het praten was.’ (Meisje, 16-18 jr)

‘Ik heb mijn moeder ook gewoon alles verteld wat ze (racistische uiting van docent) heeft gedaan. En bij andere kinderen. En mijn moeder was toen naar school gekomen.’ (Meisje, 8-11 jr)

‘Als er incidenten plaatsvinden of je wordt aangesproken in de les. Bijvoorbeeld: er zitten drie zwarte meiden samen in de les. Dan zeggen ze: ‘hey die zwarte meiden daar, jullie kletsen wel veel.’ Ik begrijp dat je een paar meiden wilt aanspreken omdat ze te veel praten. Maar om dan hun huidskleur erbij te halen dat is niet echt de opmerking. Of het zijn drie Turkse meisjes. Dan wordt gezegd: ‘het is hier geen Turks theehuis, he meiden’. Dus van die onnodige opmerkingen die toch wel uit de machtspositie komen.’ (Meisje, 16-18 jr)

Kinderen vertelden over scholen die nauwelijks reageerden op hun ervaringen met racisme en het ongepaste gedrag van een leerkracht. Zelfs toen er �ilmopnames waren gemaakt werd weinig gedaan om het probleem aan te pakken.

‘Pas toen iedereen begon te filmen werd het een probleem. En toen moest die juffrouw met de directeur gaan praten. Maar die is zelf ook wit. Dus ik dacht: die gaat haar vast nog een kans geven.’ (Meisje 8-11 jr)

‘ Een van die jongetjes greep een bal op de verkeerde manier. En toen zei de sporttrainster: ‘Hé dat kan niet. Het is niet het AZC hier. Wij doen hier gewoon delen. En je vraagt om dingen. Je bent niet op het AZC.’’ (Meisje, 16-18 jr)

Kinderen hebben er weinig vertrouwen in dat hun zorgen en meldingen serieus worden genomen. Het uitschelden vindt overigens niet alleen plaats op school. Kinderen vertelden dat zij ook op straat, op de sportclub, in winkels en op sociale media worden uitgescholden. In paragraaf 3.2.5 wordt expliciet ingegaan op de ervaringen met (sociale) media.

18

Volgens sommige jongeren hebben leerkrachten (of andere volwassenen) bepaalde vooroordelen over hun capaciteiten, enkel op basis van hun achtergrond. Het gedrag van de kinderen en jongeren wordt dan onterecht gekoppeld aan vooroordelen die gebaseerd zijn

op die (persoons)kenmerken. Ze voelen zich als het ware op basis van hun achtergrond gecategoriseerd.

alleen op de werkvloer, maar ook tijdens sollicitatiegesprekken dat zij anders worden behandeld of beoordeeld.

‘In een telefonisch sollicitatiegesprek. Ik praat heel goed Nederlands. Als ze mij dan in ‘real life’ zien zeggen ze... ‘Oh, ik had jou niet zo verwacht.’’ (Meisje, 16-18 jr)

Jongeren met een migratieachtergrond worden vaker door de politie aangesproken en weggestuurd, zelfs als ze niets verkeerd doen. De politie gaat er volgens hen te snel vanuit dat zij problemen veroorzaken. Dat leidt vervolgens tot onnodige confrontaties.

Bij het aanvragen van (gemeentelijke) diensten signaleren jongeren eveneens dat er sprake is van discriminatie. Dit zou volgens hen vooral worden veroorzaakt door de vooroordelen die ambtenaren hebben over intenties en behoeften van mensen met een migratieachtergrond.

‘Ik zie hoe ze zijn. Af en toe zijn ze druk. Het is gewoon één persoon die de groep druk maakt. Ik zag ze achter mijn huis aan het chillen. Ze waren heel rustig. De politie komt naar ze toe en zegt: Jongens, wat doen jullie hier? Jullie waren toch weggestuurd?’ (Jongen, 12-15 jr)

‘Oh ja, of als ik iets wil aanvragen of zo, omdat ik gedupeerde, of dat mijn ouders gedupeerden zijn, dan is het oh ja, maar jullie buitenlanders willen altijd meer dan normaal. Ga maar naar je eigen land.’ (Meisje, 1618 jr)

Kinderen geven voorts aan dat leerkrachten en werkgevers hun naam 'te moeilijk' vinden en daarom die verkeerd uitspreken of anders noemen. Dit laat een gebrek aan erkenning van diversiteit en persoonlijke interesse in iemands achtergrond zien.

Jongeren zien daarnaast regelmatig subtiele vormen van racisme in hun dagelijkse interacties. Dit kan variëren van rare blikken tot expliciete uitsluiting. Zij voelen zich wantrouwend behandeld in de openbare ruimte of in winkels. Zo merkte een jongere met een migratieachtergrond op dat hij regelmatig door winkelpersoneel ‘wordt achtervolgd’, als hij ergens naar op zoek is en zijn witte vriend niet. Kinderen met een donkere huidskleur of met een migratieachtergrond zien soms dat mensen hun tas snel op schoot trekken of hun hand op hun tas leggen als zij langslopen in de tram of metro.

‘Ze vroegen: hoe is je naam? Oh dat is veel te moeilijk, ik ga je voortaan [….] noemen, da’s makkelijker.’ (Meisje, 16-18 jr)

Ook in werksituaties komt het regelmatig voor dat leidinggevenden en/of collega’s, werknemers met een migratieachtergrond of andere huidskleur ‘anders behandelen’. Bijvoorbeeld door hen minder te vertrouwen of anders te beoordelen. Of door op de werkvloer ‘onschuldige’ grappen te maken of mensen uit te sluiten. Discriminatie gebeurt soms ‘openlijk’ maar kan ook vaak ‘subtiel’ zijn. Hierbij moet worden gedacht aan alledaagse verbale of non-verbale beledigingen en denigrerende opmerkingen die blijk geven van onderliggende vooroordelen of stereotypen, microagressies genoemd. Jongeren met een andere huidskleur of met een migratieachtergrond ervaren niet

‘Als ik naar rechts keek zag ik een medewerker van de winkel daar zo. Als ik links keek zag ik hem zelfs daar. En dan dacht ik wel eens zeg maar: hé, wat zeg je me eigenlijk? Denk je dat ik je winkel overhoop ga halen? 19

Of dat ik ga stelen of iets? Dus dat vond ik wel een beetje jammer.’ (Jongen, 16-18 jr)

ging de politie bellen. Ik denk gewoon omdat wij er anders uitzagen dan die witte kinderen. En ja, dat… ik werd boos. Ik heb gezegd dat ze niet zomaar iets kan zeggen wat niet waar is.’ (Jongen, 8-11 jr)

‘Die jongens gooiden auto's in de fik. Maar ik was gewoon lekker aan het werk. Precies voor mijn werk liep ik naar binnen en werd ik eruit getrokken door de politieagent. Ze zei: je naam en volledige achternaam. Ik wil je ID. Ik zei tegen haar: je bent gewoon de wijkagent van de buurt. Ze zei: nee, ik wil je ID. Maar ik was koppig en wilde mijn ID niet geven. En dan werd ik zomaar onderuit getrapt door twee man.’ (Jongen, 16-18 jr)

‘Laatst was er een iPad kwijt op school. Wij zaten in de les. En toen kwamen ze de les binnen en zeiden ze dat ze de serienummers van de IPads moesten checken. Om te checken of iemand gebruik maakt van die IPad. Eén man bleef maar naar mijn klasgenoot kijken. En zei: ‘heb je geen extra iPad in je tas?’ Hij wou niet loslaten. Hij wou gewoon kijken of hij die iPad had. Hij was bijna zeker dat die Marokkaanse jongen uit mijn klas die iPad gestolen had.’ (Meisje, 16-18 jr)

3.2.4. Onterecht beschuldigd worden Kinderen en jongeren delen ervaringen waarbij zij of mensen uit hun omgeving, onterecht worden beschuldigd van diefstal of vernieling op basis van hun uiterlijk. Deze ervaringen spelen zich vaak af in winkels en op straat, maar komen ook op school voor.

3.2.5. Invloed van (sociale) media en politiek Racisme en discriminatie zijn wijdverspreid en vervlochten in de hele (online) samenleving. Kinderen en jongeren noemen verschillende voorbeelden van ‘posts’ op sociale media waarin sprake is van een discriminerende of racistische ondertoon. Maar zij zien óók expliciet racistische opmerkingen. Iemand vertelde dat een vrouw een video had gedeeld van een aanval op orthodoxe christenen en er (ten onrechte) had bijgezet dat de dader een moslim was. Dit soort ervaringen veroorzaken angst en onveiligheid bij kinderen en jongeren.

‘Ze zei: ‘Wat heb je gestolen zwarte aap?’ En toen werd ik boos. Kijk, ik heb alles uit mijn zak gesmeten. Daar heb ik gezegd: ‘Wat heb ik gestolen? Wil je de bon zien van die fles?’ Ze zei: ’Nee, ga weg uit de winkel, jij zwarte aap.’ (Jongen, 8-11 jr)

‘Ik was met m’n tante bij de zelfscan. We waren hard om iets aan het lachen en toen kwam de beveiliger naar ons toe omdat hij dacht dat we gestolen hadden. We moesten al onze tassen en zakken leegmaken, terwijl er niks aan de hand was. Mijn tante is boos geworden.’ (Meisje, 811 jr)

Het sturen van berichten met beledigende opmerkingen over moslims na de ramadan werd eveneens door de kinderen benoemd, wat zorgde voor gevoelens van uitsluiting en minderwaardigheid. Vooral als die opmerkingen afkomstig zijn van mensen uit de directe omgeving. Sommigen noemden racistische opmerkingen via sociale media en gaming platforms, via een fake account op sociale media of tijdens het gamen. Of het constant ‘getagd’ worden in beledigende berichten.

‘Ik weet van een keer dat ik met m’n vrienden buiten ging spelen en we zagen dat er bij zo’n witte mevrouw haar deur werd ingetrapt en iemand ging belletje lellen. Mijn vrienden reden op de fiets weg maar wij waren het niet. En toen zag ze ons langsrijden. Ze zei: ‘jullie waren het’ en ze 20

‘Iemand zei: zwarte aap, ga je wassen. Ik ben offline gegaan. Maar hij bleef grapjes maken, en me steeds taggen in dingen. Toen heb ik gezegd dat ik het niet fijn vond.’ (Jongen, 8-11 jr)

beleidsafdelingen. Het is een thema dat integraal, in alle domeinen, moet worden opgepakt. Hierdoor is het echter lastig te bepalen waar en bij wie de regie zou moeten liggen. Als gevolg hiervan lijken daarom beleidsmakers en uitvoerders naar elkaar te kijken en worden er geen of te weinig gerichte acties ondernomen. Juist bij dit soort complexe problematiek is het belangrijk dat beleidsmedewerkers en mensen uit de praktijk gezamenlijk op zoek gaan naar oplossingen.

Dergelijke ervaringen kunnen grote emotionele impact hebben, zoals gevoelens van verdriet, woede, en isolatie. Ze kunnen leiden tot een verminderde zelfwaardering en angst om online actief te zijn. Ook maken bepaalde uitingen in de politiek, op TV of op sociale media kinderen onrustig of angstig. Maatschappelijke en politieke ontwikkelingen beïnvloeden hun perceptie van gelijkheid en rechtvaardigheid.

Samenbrengen van leefwerelden In de gesprekken werd de noodzaak om verbinding te maken tussen de verschillende leefwerelden van kinderen benadrukt. Discriminatie vindt immers plaats in alle domeinen waar kinderen zich bevinden. Uitvoeringprofessionals gaven aan dat er geïnvesteerd moet worden in het brede pedagogische leefklimaat van kinderen. Kinderen ervaren de werelden waarin zij zich bevinden als 'te ver van elkaar verwijderd’ en te verschillend. Iemand verwoordde dat als volgt: ‘In de ene wereld kan je een discriminatie ervaring meemaken en in een andere wereld kan je doen alsof het er niet is’.

‘Ik had het op het nieuws gezien en ik kwam eigenlijk wel best geschokt en een beetje bang naar huis. Ik ging naar mijn moeder en zei, ‘is dit waar? Moeten de moskeeën echt dicht?’’ (Jongen, 8-11 jr) 3.3. Rondetafelgesprekken met stadsdelen Tijdens de rondetafelgesprekken werd gereflecteerd op de bevindingen uit het onderzoek. Wat opviel was dat de meeste aanwezigen schrokken van de uitkomsten. Tegelijkertijd lieten veel deelnemers weten de verhalen van de kinderen te herkennen. De kansenongelijkheid die kinderen en jongeren ervaren bij het zoeken van bijbaantjes, stageplekken of al dan niet worden gekozen in een sportteam, of voor een schoolproject heeft veel impact en kan ook op latere leeftijd nog sporen achterlaten.

Gezamenlijke verantwoordelijkheid Beleidsambtenaren gaven aan op zoek te zijn naar een juiste manier om anti-discriminatie een plek te geven in beleid maar dat is niet eenvoudig. Want wat ook nu weer uit dit onderzoek naar voren komt en herkenning oproept, is dat er complexiteit zit in het thema: racisme is van iedereen en van niemand. Racisme doorkruist verschillende

21

Bij verschillende naschoolse- en vrijwilligersorganisaties is behoefte aan meer kennis en ondersteuning over het thema discriminatie. Er werd naar voren gebracht dat er momenteel veel focus is op de rol van scholen. Maar er moet óók worden gewerkt aan het verschil tussen de leefwereld thuis en op school, zo werd opgemerkt. En tussen jongerenwerk, sport, naschoolse activiteiten en andere informele organisaties die werken met vrijwilligers. Zo kan het enorm helpend zijn als een jongerenwerker mee naar school gaat en samen met een jongere het gesprek met een leerkracht voert. Op die manier komen ‘twee werelden’ samen. Professionals constateren soms dat er bij de kinderen thuis een andere boodschap wordt verkondigd dan op school. Hierdoor kunnen misverstanden ontstaan. Daarom is het belangrijk dat de rol van ouders wordt versterkt zodat zij meer betrokken

worden bij het bespreekbaar maken van het thema discriminatie en racisme.

22

4. Hoe gaan kinderen en jongeren om met discriminatie en racisme? 4.1. Inleiding Kinderen en jongeren ervaren een breed scala aan emoties wanneer ze geconfronteerd worden met racisme en discriminatie, onafhankelijk of zij dit zelf meemaken, het zien gebeuren of ermee geconfronteerd worden door nieuws en/of verhalen via (online) media. Sommige kinderen worden boos, anderen zijn assertief en komen voor zichzelf op en weer anderen kruipen in hun schulp en worden onzeker en voelen zich machteloos of verdrietig. Dat laatste is vooral het geval als kinderen het gevoel hebben dat ze geen controle hebben over de situatie of wanneer zij hun ervaringen niet kunnen of durven delen. Dit hoofdstuk richt zich op de vraag hoe kinderen en jongeren omgaan met ervaringen van racisme en discriminatie en of en zo ja met wie zij deze bespreekbaar maken. 4.2. ‘Coping’ strategieën nader uitgewerkt De verschillende manieren waarop kinderen en jongeren met hun ervaringen omgaan toont de (emotionele) complexiteit van het thema. Hoe jongeren omgaan met deze emoties wordt ook wel een ‘coping‘ strategie genoemd. Het hebben van inzicht in deze emoties (en de wijze waarop die elkaar onderling beïnvloeden) is cruciaal om te kunnen begrijpen wat de impact is van discriminatie en racisme op het

(psychologisch en emotioneel) welzijn van kinderen en jongeren. Het kan helpen om manieren te vinden om hen te ondersteunen in het omgaan met deze ervaringen. Vaak zijn ‘coping‘ strategieën individueel en intern gericht. Denk aan het negeren van opmerkingen, het aanpassen van gedrag, of het steun zoeken bij vrienden en familie. Het is belangrijk dat herkend wordt welke functie verschillende ‘coping‘ strategieën vervullen: zijn het gepaste en adequate antwoorden op moeilijke situaties die helpen om te gaan met discriminatie of racisme? Of zijn de strategieën inmiddels automatismen geworden die niet meer helpend zijn en jongeren juist belemmeren in hun (sociale en/of emotionele) functioneren?

23

Dit onderzoek laat zien dat de emoties en ‘coping‘ strategieën veranderen naarmate jongeren ouder worden en zich ontwikkelen. Jongere kinderen (8-11 jaar) reageren vaak met boosheid en frustratie. Zij voelen een onmiddellijke behoefte zichzelf te verdedigen en hun emotie te uiten. Daarmee hopen zij de dader te laten zien dat zijn gedrag onacceptabel is. En zo beschermen zij zichzelf tegen verdere aanvallen. Over het algemeen ontwikkelen oudere kinderen (12-15 jaar) andere strategieën. Denk aan het bagatelliseren of negeren van opmerkingen of het maken van grappen om de pijn te verzachten.

Woede kan ook ontstaan wanneer kinderen getuige zijn van discriminatie tegen hun vrienden of familie. Dit gevoel van woede kan leiden tot directe reacties zoals confrontaties of het opkomen voor anderen.

Jongeren van 16 jaar en ouder zijn beter in staat te reflecteren op ervaringen en beseffen pas op latere leeftijd de ernst van bepaalde situaties waarin ze zich op jongere leeftijd bevonden. Zij ontwikkelen een beter begrip van de problematiek. 21

‘Ik heb wel eens meegemaakt dat er tegen een vriendin van mij tegen werd gezegd dat ze terug moest naar haar eigen land. Toen werd ik boos en ben ik voor haar opgekomen, want dat kon zij niet zelf.’ (Meisje, 8-11 jr)

Hieronder is een aantal reacties en ‘coping‘ strategieën nader uitgewerkt, waarbij moet worden opgemerkt dat scheidslijnen tussen strategieën niet altijd hard zijn en er vaak sprake is van ‘overlap’. Desondanks biedt deze grove categorisering inzicht in hoe ondersteuning op maat per levensfase kan worden geboden.

‘Ik was een keertje bij een winkel met mijn vrienden. Toen zei een man opeens… 'Ga terug naar je eigen land tegen ons… Dat maakte me heel erg boos.’ (Jongen, 8-11 jr)

4.3. Emoties en ‘coping’: woede, onrechtvaardigheid en verdriet Bij de jongste kinderen waren de emoties en ‘coping’ strategieën het meest duidelijk. Ze deelden veel van hun ervaringen en waren zichtbaar geëmotioneerd. Zij herbeleefden als het ware hun gevoel. Wanneer jonge kinderen direct geconfronteerd worden met racisme is woede gericht op de persoon die het racistische gedrag laat zien een veelvoorkomende emotie die zij beschrijven.

Kinderen ervaren een sterk gevoel van onrechtvaardigheid als zij (of naasten) racistisch behandeld worden. Als dit gebeurt door volwassenen of autoriteitsfiguren is dat gevoel nog sterker, wellicht vanwege de machtspositie die deze personen ten opzichte van kinderen hebben.

‘Ik was buiten aan het spelen met mijn vriendin. Er kwam een jongen uit m’n klas naar me toe en zei: je huid lijkt op poep. Daarna was ik heel erg boos. Alsof ik hier niet thuishoor.’ (Meisje, 8-11 jr)

‘Dan worden we zo maar beschuldigd terwijl ze (de leerkrachten) niet eens weten wat er precies is gebeurd.’ (Jongen, 8-11 jr)

‘Maar als iemand dat (het n-woord) zomaar gaat zeggen… En ze bedoelen het anders. Dan word ik wel boos. En dan wil ik met ze gaan vechten.’ (Jongen, 8-11 jr)

‘Ik vind het van één meester wel erg. Hij is racistisch tegen Marokkaanse kinderen. Ik vind dat gewoon echt niet leuk, hij moet alle kinderen gelijk behandelen.’ (Meisje, 8-11 jr)

21 Vermoedens over deze ontwikkeling van emoties en coping strategieën is in dit onderzoek gebaseerd op reflecties van jongeren van 16 jaar en ouder op een eerdere levensfase en op beperkte ervaringen van enkele respondenten tussen 12 en 15 jaar. Zie ook Bijlage B2 Verantwoording werkwijze, Respondenten.

24

‘Maar ik neem hem wel kwalijk dat hij iedereen over één kam scheert. Want ik was het niet. Ik was niet de persoon bij Opsporing Verzocht.’ (Jongen, 16-18 jr)

‘Ik wilde aan mijn juffrouw vertellen dat ik niet meer wil gymmen. Mijn moeder zei gewoon dat ik mijn gymkleren was vergeten. Dus ik deed alsof ik die niet mee had.’ (Jongen, 8-11 jr)

Relatief vaak zeggen kinderen dat ze zich verdrietig voelen als hen wordt gevraagd wat discriminatie en racisme met ze doet. Verdriet is een geïnternaliseerde emotie die zowel jonge kinderen als jongeren voelen en zich uit in gevoelens van gekwetstheid en onveiligheid. Kinderen beschrijven dat zij zich verdrietig voelen omdat zij constant geconfronteerd worden met discriminatie. Dat leidt tot een gedeeld gevoel van pijn met anderen die soortgelijke ervaringen hebben. Het valt op dat bij jonge kinderen het verdriet meer aan de oppervlakte ligt. In een enkele focusgroep sessie werd het verdriet herbeleefd. Een kind dat ‘zwarte aap’ werd genoemd had zichtbaar moeite met het vertellen van zijn verhaal. Hij was erg emotioneel en zei dat hij het nog niet aan iemand had verteld, zelfs niet aan zijn moeder.

Dit komt overeen met de ‘coping’ strategie dat racisme wordt gebagatelliseerd om de impact te minimaliseren. Oudere kinderen en jongeren proberen soms de pijn van racistische opmerkingen te verzachten door er grappen over te maken. Een meisje vertelde dat dit soort opmerkingen zijn genormaliseerd. Volgens haar zitten haar leeftijdgenoten in de pubertijd en vinden zij het moeilijk om erover te praten: ‘daarom lachen ze het weg, het is een afweermechanisme’. Het bagatelliseren kan helpen om de situatie minder ernstig te laten lijken en tegelijkertijd de eigen emoties te beheersen.

4.4. Emoties en ‘coping’: negeren, machteloosheid, ontkennen en vermijden Racisme negeren is een strategie die kinderen en jongeren dikwijls gebruiken en als advies geven aan anderen. Het gaat hierbij om het negeren van de opmerking of gedraging en het negeren van de personen die de uiting doen. Door racisme te negeren hopen ze de negatieve impact te minimaliseren en zichzelf te beschermen tegen verdere emotionele schade. Ze willen hiermee voorkomen dat de situatie hen raakt en proberen hun gemoedsrust te bewaren.

‘Ik zou vooral zeggen negeren. En gewoon niet te veel ermee zitten. Want er zijn sommige mensen die aardig zijn. En er zijn sommige mensen die gewoon gemeen zijn.’ (Jongen, 8-11 jr) 25

Wat opviel was dat jongens in de leeftijd van 12 tot en met 15 jaar weinig loslieten over hun ervaringen met discriminatie, racisme of etnisch profileren. Dit, terwijl een van de professionals die deze jongens begeleidt, vertelde dat zij er in de praktijk juist veel mee te maken hebben. Zij zouden eerder staande worden gehouden zonder dat daar een goede reden voor is, of ergens worden ‘uitgepikt’ op basis van uiterlijke kenmerken die gelinkt worden aan een bepaalde etniciteit. Het feit dat deze jongens hier liever niet over praten zegt mogelijk iets over hun gevoel van wantrouwen en hun vermoeden dat er toch niets met hun ervaringen wordt gedaan. Een professional vertelde dat een deel van de jongens in die leeftijdscategorie zich stoer voordoet, maar in de praktijk eigenlijk vastloopt. De jongeren voelen zich afgewezen en gedragen zich ernaar. Als hun (negatieve) gedrag vervolgens wordt afgestraft, dan worden zij opnieuw bevestigd in hun gevoel te worden afgewezen. Zolang er geen vertrouwen is om over die gevoelens van afwijzing te praten, zullen deze jongens dit (negatieve) gedrag blijven vertonen en er vervolgens steeds op worden afgerekend.

‘Okay, stel dat ik etnisch word geprofileerd of gediscrimineerd, wat ga jij er dan aan doen? (Jongen, 12-15 jr)

Tot slot kwam uit de gesprekken naar voren dat jongeren zich aanpassen aan de omgeving om discriminatie of racisme te vermijden. Zij gaan zich anders kleden of gedragen in situaties waarin ze risico lopen op discriminatie, zoals op de werkvloer of in contact met de politie. Door zich aan te passen hopen jongeren negatieve aandacht te vermijden en zichzelf te beschermen tegen discriminatie. Zij zien geen ruimte voor hun eigen identiteit maar hebben het gevoel dat zij zich moeten conformeren aan de norm van de meerderheid. Sommige kinderen vermijden (alledaagse) situaties.

Overigens was het niet eenvoudig om jongeren in de leeftijd van 12 tot 15 jaar te spreken. Als het al lukte om een afspraak te maken werd deze een aantal malen op het laatste moment afgezegd. Het kwam soms wel tot een gesprek maar dat ging moeizaam. De jongeren waren erg terughoudend en argwanend. Sommigen ontkenden discriminatie en racisme te ervaren. Vermoed wordt dat zij hiermee verdere confrontaties willen vermijden en zichzelf proberen te beschermen tegen het herbeleven van de pijnlijke ervaringen.

‘Ik ga niet met mijn trainingspak bij mijn nieuwe baan naar binnen lopen. En als ik een muziekje aan ga zetten doe ik niet een hele gekke rap. Ik kies dan een liedje wat iedereen leuk zal vinden.’ (Jongen 16-18 jr)

Machteloosheid is een andere geïnternaliseerde emotie die jongeren ervaren. Zij hebben het idee dat zij geen controle hebben over wat er met hen gebeurt. Dat kan leiden tot een verminderde motivatie en tot gevoelens van isolatie. Een kind vertelde in een focusgroep dat praten over racisme eigenlijk ‘energieverspilling’ is omdat het niet serieus wordt genomen. Mensen willen niet leren van hun fouten.

‘Ik ben 50 keer in mijn leven aangehouden. Sindsdien zegt (naam jongerenwerker) tegen mij: gedraag je netjes. Ik ben nu al 3 maanden niet aangehouden. Elke agent die langs mij rijdt. Ik kijk hem nu lachend aan. Dan kijkt hij zo lachend terug.’ (Jongen 16-18 jr)

‘Het (veranderen van een bevooroordeelde visie) is voor zulke oude mensen toch al te laat, bro.’ (Jongen, 12-15 jr)

‘Ze bedoelt gewoon dat mensen je raar aan kijken. Maar ja, daarom ga ik ook niet met OV.’ (Meisje, 16-18 jr)

‘Dan praat je tegen iemand maar het gaat het ene oor in en het andere oor uit. Ik merk dat ik er heel emotioneel van kan worden. (…) Die andere persoon boeit het niet. Op het gegeven moment denk je, laat maar. Dat jij zoveel moeite stopt in een situatie die de ander niks kan schelen. Tja, wat kan je dan eigenlijk nog doen?’ (Meisje, 16-18 jr.) ‘Denken, laat maar zitten, je krijgt geen motivatie meer – het lukt hun (Nederlandse jongeren) wel en mij niet, het gaat mij toch niet lukken.’ (Jongen, 12-15 jr)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15504672/1