CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsdares evenwichtige geschiedschrijving.pdf

RAAD 11 juni 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Raadsadres van een burger inzake evenwichtige geschiedschrijving en de sociale werkelijkheid in Nederland tijdens de slavernijperiode (VN2026-006219)32.103 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 4 van 4

Die werklieden voeren het hoogste woord in herbergen en op vergaderingen en klagen het hardst over ellende en allerlei druk. Zooals Fortuyn ronduit erkend heeft, is het met deze werklieden het geval: zij hebben met God, of laat ik liever zeggen met alle hoogere machten, afgerekend. Zij eerbiedigen hun meerderen voor zoover als zij er niet aan kunnen ontkomen. Wanneer het geldt armverzorging, vrije scholen, vrij van dit en vrij van dat, dan voeren zij den hoogen toon. Die lieden moeten wel klagen over den druk. Immers men kan ze niet laten begaan zooals zij zouden willen, en als men hen tegengaat,

De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam

verdrukt men ze. Als zij zich niet willen schikken naar orde of regel, moet men ze echter wel wegzenden. Daar is niets aan te doen. 484. V. Gij hebt die schets van hoofdpunten, die gij in het eind van October van ons gekregen hebt, tot ons genoegen aan uwe afdeelingen rondgezonden, en uit de antwoorden, die gij van deze ontvangen hebt, een rapport opgemaakt, dat gij ons in druk hebt toegezonden en waarvan wij met belangstelling kennis hebben genomen. Over sommige punten, die in dat rapport worden behandeld, zou ik gaarne eens met u willen spreken. Gij zegt dat een van de hoofdzaken bij deze enquête in uwe schatting wel

De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam

40 is de vraag of de wet op den kinderarbeid van 1874 al of niet zou moeten worden uitgebreid; nu zou ik gaarne uwe denkbeelden over die wet van 1874 eens hooren. Gij hebt verklaard, en wel zeer stellig, zoodat wij met dit punt wel spoedig zullen hebben afgedaan, dat naar uwe meening, die natuurlijk steunt op de mededeelingen van uwe afdeelingen, aan die wet van 1874 stipt de hand wordt gehouden in ons land. Is dat zoo? A. Mijne meening is - duid mij niet ten kwade dat ik u oogenblikkelijk aanval zooals ik het straks ook heb uitgedrukt, dat vrij algemeen, aan de uitvoering de hand wordt gehouden. Indien ik gezegd had: algemeen, dan zou die meening weersproken worden door het feit dat hier en daar voor een kantongerecht wel eens iemand ter zake wordt terechtgesteld. Ik heb dus gemeend mij voorzichtig te moeten uitdrukken. 485. V. Ik bedoel dat daar, waar overtredingen plaats hebben, deze niet over het hoofd worden gezien, maar aan de wet, ook vanwege de overheid, de hand wordt gehouden. A. Ik heb met die uitdrukking willen te kennen geven, dat de patroons zelf tamelijk wel de hand aan de wet houden; ik heb mij daarvan goed kunnen overtuigen in verschillende pannenfabrieken en steenbakkerijen, alsmede aan de fabriek van de firma Van Vollenhoven, waar ik werkzaam ben geweest.

Daar is men dikwijls op zomerdag, wanneer het zeer druk is, genoodzaakt jongens in dienst te nemen, die men anders niet zou willen hebben; maar beneden den leeftijd van 12 jaren nam men ze nooit in dienst. Ook op de vele plaatsen waar Patrimonium afdeelingen heeft, heb ik een onderzoek ingesteld naar de quaestie of het werkelijk waar was, dat de kinderen in de fabrieken en werkplaatsen verwaarloosd en afgejakkerd worden, zooals men dat onder de werklieden noemt, en ach, dit heb ik altijd overdreven bevonden.... 486. V. Mag ik u even in de rede vallen. Van welken tijd spreekt gij, van vóór of van nà 1874? A. Dan mag ik wel spreken van voor 1874 tot op heden. 487. V. Wilt gij daarmede zeggen, dat vóór 1874 ook in het algemeen geen misbruik werd gemaakt van den arbeid van kinderen? A. Dat beweer ik niet. Na 1874 is men, ook sedert de oprichting van Patrimonium, meer op de zaak gaan letten. Maar ook vóór 1874 was het niet zoo erg als men wel gezegd heeft. Nu nog wordt sterk overdreven. Een tijd geleden heb ik wel gelezen van een lijnbaander te Gouda en een te Harlingen, die zich aan overtreding van de wet hebben schuldig gemaakt, ik heb dit ook gehoord ten aanzien van kinderen, die voor de opera naar Amsterdam moesten reizen - doch uit mijne persoonlijke ervaring kan ik wel zeggen dat vrij algemeen de hand wordt gehouden aan de wet van 1874. 488. V.

U voegde er bij dat langzamerhand ook de fabrikanten zich in de wet kunnen schikken? A. Ik geloof dat zij vrij algemeen het niet goed vinden dat kinderen zoo jong op het werk komen. 489. V. Gelooft gij dat het goed of niet goed is geweest, dat op die wijze de wet hare hand heeft uitgestrekt over de kinderen? A. Ik beschouw die quaestie uit tweeerlei oogpunt. Om des beginselswille keur ik de wet af. Wel had ik kunnen goedvinden, wanneer bij politie-verordening hier en daar voor de kinderen gezorgd was, vooral dat zij niet te vroeg in aanraking kwamen met de stoommachine, waarvan zij later toch het slachtoffer worden. Daarvoor is het dan nog tijd genoeg.

De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam

Ik herhaal, om des beginselswille keur ik het af dat van Staatswege een greep wordt gedaan in de rechten der ouders. 490. V. Verklaar eens wat nader waarom dit wel bij politie-verordening en niet bij de wet zou mogen geschieden. A. Dat is duidelijk genoeg. De wet kan de plaatselijke gelegenheden en omstandigheden niet ontzien. Zij kan eenvoudig een algemeen verbod uitvaardigen, meer niet. Bij plaatselijke verordeningen is dit geheel anders. Om een voorbeeld te noemen: ik heb een jaar of tien in de Betuwe gewoond en in het Land van Maas en Waal. Daar heb ik gezien het wieden van vlas, graan en dergelijke, het tabak wieden en top-

De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam

41 pen, enz. Nu zeg ik: als de wet dat verbiedt, gelijk zij verbiedt in werkplaatsen, dan moet men er al meer en meer toe komen om hare werking uit te breiden. De wet kan wel zeggen dat er voor een week of zes of een paar maanden uitzondering zal bestaan, maar er zijn jaren waarin het gewas zich aan de wet niet zou storen en vroeger of later opkomt, en als de tijd voorbij is, is men van den arbeid der kinderen verstoken. Nu denkt men de winzucht der fabrikanten te keer te gaan, maar dat is niet waar. Een burgemeester, die niet afgericht is, maar die een burger is van de plaats en kennis genoeg bezit, deze kan de hand houden aan de politieverordeningen en ze naar omstandigheden wijzigen. De wet, die voor het geheele land geldt, kan zoo niet gewijzigd worden. 491. V. Als ik u goed begrijp, komt uwe grief hierop neder, dat de wet door u wordt afgekeurd, omdat zij algemeen zou moeten werken, gelijk, zonder onderscheid te maken, voor alle omstandigheden. A. Ja. 492. V. Terwijl, als het een politiemaatregel is, gelijk gij het noemt, er beter rekening zou kunnen worden gehouden met de eischen van tijd en plaats. Maar als ik u goed begrijp, hebt gij, wat het beginsel betreft, geen bezwaar tegen maatregelen van overheidswege, maar gij hebt alleen bezwaar tegen maatregelen die algemeen werkend zouden worden genomen, terwijl naar goed beleid onderscheid behoort te worden gemaakt. A.

Gij gevoelt toch dat daarin een ontzettend verschil ligt. Ik erken in den burgemeester en de wethouders de overheid; ik erken die in de eerste plaats in de hoogere Regeering. Maar het is iets geheel anders of de burgervader optreedt in zijne gemeente dan wanneer de wet dit doet. Aan het handelend optreden van de wet is naar mijne overtuiging geen grens, steeds zal zij jaarlijks verder moeten gaan; er is geen grens aan die bemoeiing de wet is bureaucratisch; zij raadpleegt alleen de theorie en niet de practijk. Maar daarom betwist ik niet het recht der overheid om, waar het blijkt dat de zwakken verdrukt worden, tusschenbeide te treden en de rechten van de zwakkeren te handhaven tegenover de sterkeren. 493. V. Uw bezwaar geldt dus meer de uitvoering; naar uwe meening werkt de wet minder gelukkig, juist door hare algemeenheid. A. De wet is onrechtvaardig, omdat zij ongelijkmatig moet werken. 494. V. Gij meent dus dat een algemeene maatregel niet gelijkelijk kan worden toegepast? A. Ja. 495. V. Maar gij keurt toch goed dat het kind beschermd wordt tegen de eischen van overmatigen arbeid? A. Dat wordt weder betrekkelijk, want wat is overmatige arbeid? 496. V. Dat is eene tweede zaak; maar gij keurt het goed dat iets wordt gedaan om het kind niet geheel over te laten aan de willekeur van lieden die het zouden exploiteeren? A.

Zeer zeker, het kind mag niet zedelijk en lichamelijk vermoord worden. 497. V. In beginsel alzoo hebt gij dus tegen de bescherming van het kind geen bezwaar? A. Mits niet worde ingegrepen in de rechten der ouders. Maar nu rijst eene moeilijkheid. Ik denk mij eene steenfabriek gelijk die vóór 1874 veelvuldig werden gevonden; daar wordt een baas gevraagd, en nu is men voorzichtig genoeg dien in

De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam

eene advertentie te vragen, met bijvoeging van ‘met veel kinderen’. Nu is hij die zich aanbiedt wel vader, maar de omstandigheden nopen hem toe te geven. En nu ligt in zoodanig geval de fout niet aan de wetgeving, maar aan de geheele inrichting der maatschappij, in de ouders, en dit moet worden gekeerd. 498 V. Moet ik hieruit begrijpen dat gij bij wijze van politie-maatregel alle bescherming van het kind tegen de exploitatie, waaraan het zou worden blootgesteld van de zijde van vader of moeder, afkeurt? A. Met inachtneming hiervan: dat nooit die bescherming het karakter moet aannemen van dwang tot het goede. 499. V. Laat mij u mijne vraag duidelijk maken: keurt gij het onder alle omstandigheden af, dat het kind zal

De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/17064701/1