Raadsdares evenwichtige geschiedschrijving.pdf
Tekst van het document
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. Enkele vrouwen blijven dan ook weg, omdat zij dan wat meer aan de huishoudelijke bezigheden kunnen doen. 226. V. Maar zij verlangen daarentegen om Zondagsmorgens te kunnen werken? A. Ja, zij werken liever Zondags 's morgens dan 's Maandags middags, en de patroon is, naar zijne verklaring, niet in staat om de orde anders te handhaven. Dan willen zij weg. 227. V. Gij denkt thans voornamelijk aan de fabriek van Jonker; maar is de toestand bijvoorbeeld in het Schotsche veem of in andere fabrieken slecht? A. Neen, alleen de toestand van de fabriek ‘Insulinde’ op de Zoutkeetsgracht laat, mijns inziens, wel wat te wenschen over. Daar zitten de meisjes op den zolder, en de uitgangen laten in geval van brand over het algemeen te wenschen over; men zou door een noodraam moeten vluchten. 221. V. Hebt gij, wat het gevaar bij brand aangaat, ook het Schotscheveem in oogenschouw genomen, en zoo ja, wat was daar uwe bevinding? A. Daar heeft men een gemetselden brandgang, waardoor men van boven op een ander pand komen kon. 229. V. Vondt gij daar eene erg met stof bezwangerde atmosfeer?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
23 A. Neen, niet erger dan in andere dergelijke inrichtingen. 230. V. Zijn er koffieverlezerijen waar de atmosfeer erger is? A. In de fabriek ‘Insulinde’ heeft men een koffiepellerij en zifterij, en daar is de toestand erger, want er verspreidt zich daar veel stof. 231. V. Is de toestand van dien aard, dat hij naar uwe meening schadelijk voor de gezondheid is? A. Het koffielezen veroorzaakt natuurlijk veel stof, dat zich door het lokaal verspreidt. Wanneer nu vrouwen 10 à 12 uren dagelijks in zulk eene atmosfeer moeten werken, zal dit altijd mijns inziens eenigszins schadelijk voor de gezondheid zijn. 232. V. Gij gelooft dus dat het schadelijk is voor de gezondheid. Hebt gij ook opgemerkt dat er onder de werksters waren die er naar, ongezond, bleek uitzagen? A. Ik heb ze allen gezien. De eene zag er bleek, de andere weder blozend uit. Maar natuurlijk hangt dit van allerlei andere omstandigheden ook af. Ik ben in eene sectie geplaatst waar vele huizen van vermaak zijn. Men ziet daar allerlei meisjes, wellicht ook van de koffieverlezerijen, die daar 's avonds met hunne jongens gaan dansen en tot laat in den nacht blijven. 233. V. Het bleek zien dus kan nog andere oorzaken hebben dan de stof van het koffieverlezen? A. Zeker! 234. V. Welke fabrieken zijn u in uw werkkring opgevallen, met het oog op de veiligheid bij brand en de gezondheid, te wenschen over te laten? A.
Onder anderen de azijnmakerijen. 235. V. Welke? A. Vijf heb ik bezocht, maar de ergste was die van Hamerling in een gangetje aan de Westerstraat, die was het kleinst en het beknoptst. 236. V. Was die slecht? A. De anderen zijn ruimer. Binnenkomende heeft men de zoogenaamde zuurkamer, waar natuurlijk een zuurlucht heerscht. Het is daar zeer donker, en zoodra men binnentreedt, gevoelt men eene prikkeling op de borst, zoodat men onwillekeurig gaat hoesten. De werklieden worden als jongens langzamerhand gewend om in dat lokaal 1 à 2 uur door te brengen. 237. V. Klagen de werklieden zelf niet? A. Zij hebben er veel last van dat zij steeds verkouden zijn, dat is bij hen een doorloopende kwaal. 238. V. Gij hebt in uwe afdeeling ook couranten-drukkerijen bezocht. Welke waren dat? A. Twee, namelijk het Nieuwsblad voor Nederland en de bijzondere afdeeling der drukkerij voor de Tijd. 239. V. Vertel eens hoe het er aan de drukkerij van de Tijd uitziet? A. Dit blad wordt gezet op een gedeelte der drukkerij van Ellerman, Harms & Co., boven op den zolder gelegen, en wel op eene aparte pers. Er is maar één uitgang, maar er is een luik, dat ik niet gezien heb omdat er eene zettafel voorstond, maar dat men kan intrappen om zich te redden. Verder heeft men een plat dak, en van daar zou men kunnen komen op de belendende huizen, doch van daar zou men een sprong moeten doen, die goed zou
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
kunnen afloopen, doch ook het tegenovergestelde. Doch komt men op den zolder die daaronder ligt - ook eene zetterij - dan vindt men daar twee uitgangen. De menschen werken daar totdat de courant gezet is en gebruiken, terwijl die gezet wordt, hun stuk brood. Vooral voor de jongere menschen vind ik dat de uren werkens nogal veel zijn; door het nemen der letters uit de zetkast waaraan zij bestendig staan, verkeert het lichaam altijd in eene zenuwachtige beweging. 240 V. Hoe lang is de werktijd? A. Van 8 uur 's morgens tot 7½ uur 's avonds, dus 11½ uur. 241. Werkt men onafgebroken door tot de courant gereed is? A. Ik spreek alleen van de zetterij, en men werkt daar tot de courant gereed is. 242. V. Werken daar ook jongens? A. Ja, er zijn vier jongens van 13, 15 en 16½ jarigen leeftijd. 243. V. hoe zijn de lokalen? Zijn die goed ingericht, of zijn ze bedompt en ongeschikt? A. Men kan zich daar wel lucht ver-
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
24 schaffen, maar de lokalen zijn niet hoog en daardoor heerscht er vooral bij avond door het aantal gaslampen hitte, zoodat men alsdan wel klachten hoort over benauwdheid. 244. V. Dit geldt de bovenlokalen. Maar hoe is de toestand in de benedenlokalen, in gebruik bij Ellerman Harms en Comp.? A. Die lokalen ker ik niet; deze zijn nagegaan door den heer De Haan 245. V. Welke sigarenfabrieken zijn u het gunstigst en welke het ongunstigst voorgekomen? A. Ik heb twee kleine fabrieken bezocht, die van M. Blanes aan de Nieuwe Keizersgracht en die van Diamant in de Nieuwe Kerkstraat. Ik vond daar slechts één jongen beneden de 12 jaren. 246. V. Dus op de 94 werkplaatsen slechts een jongen beneden de 12 jaren? A. Ja. 247. V. De politie houdt immers te Amsterdam voortdurend toezicht op de naleving der wet van 1874 betreffende den kinderarbeid? A. Geen speciaal toezicht. 248. V. Weet gij zeker dat geen toezicht plaats heeft op bijzondere inrichtingen? A. Alleen bij den jaarlijkschen omgang voor de patenten, maar die geschiedt niet door de politie. 242. V. Mijne vraag is deze: heeft met uw weten een bijzonder toezicht vanwege de politie plaats op de naleving der wet op den kinderarbeid? A. Dat is er niet. 250. V. Dus het constateeren van overtredingen van de wet op den kinderarbeid geschiedt accidenteel. Voortdurend toezicht heeft er dus niet plaats? A. Neen. 251. V.
Gij hebt immers eene zakkenplakkerij onderzocht. Was dat eene zaak van eenige beteekenis? A. Neen. Het was de zakkenplakkerij van Groenewoud, Slootstraat, no. 13, die vroeger gewerkt heeft met een achttal jongens. In den laatsten tijd wordt die inrichting, ten gevolge van den slechten gang van zaken, alleen met de moeder, den zoon, eene dochter van 12 jaren en een jongen van 14 jaar gedreven. 252. V. Hebt gij met eenige zekerheid kunnen nagaan hoe lang men die aankomende jongens liet werken? A. Die zakkenplakkerijen zijn zeer achteruitgaan en werken zeer weinig. 253 V. Weet gij ook wat zij met dat zakkenplakken verdienen? A. Ik meen dat het 15 stuivers per dag was. 254. V. Hoe lang werd per dag gewerkt? A. Dat weet ik niet; als het heel druk was werd er misschien 's avonds ook gewerkt. 255. V. De zakkenplakkerijen vindt men immers meer in Zaandam, Koog a/d Zaan, Wormerveer dan in Amsterdam? A. In Amsterdam weinig. Er is mij medegedeeld dat er nog een zou zijn van Berk in de Haarlemmerhouttuinen, maar ik heb die niet kunnen vinden. 256. V. Gij zijt ook in een pettenfabriek geweest; was dat die van Philips? A. Neen, van Tas. 367. V. Het gaat tegenwoordig slecht met die industrie? A. Ja
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
258. V. Er was daar dus zeker weinig werkvolk bezig? A. Ja, ik meen acht of negen meisjes 259. V. Veel minder dan anders? A. Neen, hij klaagde wel over weinig werk, maar het kwam mij voor dat het nogal druk was. 260. V. Hoeveel meisjes waren er anders? A. Dat weet ik niet, maar zeker niet veel meer, want het lokaal was tamelijk vol. Er was nog wel ruimte over, maar veel meer konden er toch niet zitten. 261. V. Was het lokaal voldoende? A. Ja, er kan ook behoorlijk gelucht worden. 262 V. Waren dat aankomende, jonge meisjes? A. Meest van twintig, twee en twintig en vier en twintig jaren. 263. V. Dus geen kinderen? A. Neen. 264. V. Weet gij ook of in die fabrieken vele uren achter elkander gewerkt wordt, of de werkdagen daar lang duren?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
25 A. Ik meen alweêr 10 à 12 uren per dag. De heer Van Alphen: In die zakkenplakkerij, waarvan gij gesproken hebt, waren daar de jongen van 14 en het meisje van 12 jaren, eigen kinderen van die vrouw, die de zaak dreef? A. De jongen van 14 jaar is vreemd; buitendien werken er een zoon en eene dochter, de laatste van 12 jaren. 265. De Voorzitter: Gij zijt ook geweest in fabrieken van verduurzaamde levensmiddelen. Welke fabrieken hebt gij bezocht? A. Ik ben geweest bij: Gebr. Schalenkamp, Nieuwenhuis Jr. & Co., Visser, Schreuder & Co., Kölsch, Jonker en Poolman. 266. V. Viel uw bezoek van die inrichtingen niet in een ongelukkig seizoen? Ging er wel iets om? A. Bij den heer Schalenkamp stond de fabriek al eenigen tijd stil, ook een gevolg van den slechten stand in zaken. Daar die beer echter werklieden heeft die reeds 30 jaren bij hem in dienst waren, zoo houdt hij die menschen bezig met allerlei bij werkjes, als het schuren van de boel enz. Maar het eigenlijke fabriekswerk staat stil. Bij Schreuder & Co. was het echter tamelijk druk. Daar vond ik in een kelder aan de straat, niet te hoog maar toch tamelijk voldoende, vooral omdat er licht en lucht was, eenige vrouwen aan den arbeid. 267. V. Waarmede? A. Hoofdzakelijk met het schoonmaken van schorseneelen en boerenkool voor den inmaak. Bij die fabriek is tevens, wat men niet overal elders vindt, een kokerij.
De jonge meisjes die daar bezig zijn, worden vóór den aanvang van den arbeid onderzocht door eene gehuwde vrouw of zij de maandelijksche zaken hebben. 268. V. Hebt gij den indruk ontvangen dat in die fabrieken van verduurzaamde levensmiddelen overmatig hard wordt gewerkt? Worden er lange dagen gemaakt? A. Soms wel; dat is afhankelijk van den aanvoer der groenten. Komt er veel aan, dan moet er doorgewerkt worden. 272. De beer Goeman Borgesius: Is het u opgevallen bij uw bezoek, dat in die afdeeling van de fabriek van verduurzaamde levensmiddelen, waar de blikjes gemaakt worden, ongezonde werkzaamheden verricht worden? A. Bij het soldeeren gebruikt men zoogenaamden geest van zout, iedere keer, wanneer er een blikje dichtgemaakt wordt, wordt het soldeerijzer in dien geest van zout gestoken; ook naar het oordeel van de werklieden, is de inademing daarvan slecht voor de borst. Het werk wordt zittend verricht en dus zijn de werklieden verplicht gebogen te zitten over den geest van zout. 273. De Voorzitter: Is het u voorgekomen, dat in den drukken tijd, de patroons oordeelden, dat 6 à 7 uur slapen genoeg is, en dat gedurende al den overigen tijd gewerkt kan worden? A. Ja. 274. V. Leg dat eens wat nader uit. A. De werkman is in het algemeen zeer gesteld op overwerk 275. V. Omdat het beter betaald wordt? A.
Het extra-werk - dit is mijn algemeene indruk - wordt in den regel evenveel betaald als de andere uren.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
Nu spreekt het vanzelf dat iedere werkman, die een huishouden heeft, gaarne meer wil verdienen en dus liever overwerkt. 276. V. Ga nog wat door op dat punt. De werklieden zijn dus gesteld op overwerk? A Ja. 277. V. Onbeperkt? Zij zullen toch zeker niet den geheelen nacht overwerken? A. Dit gebeurt ook wel. 278. V. Dat zij den geheelen nacht overwerken? Kunt gij daar voorbeelden van bijbrengen? Die zullen wij gaarne vernemen. A. Jawel. Ik heb onder anderen het voorbeeld van de metaal-fabriek van Duport, Stroomarkt no 15. In tegenstelling der andere smeden heeft die 's zomers altijd meer werk dan 's winters, omdat daar geen kachels worden gemaakt. Bij de oprichting nu van het administratiegebouw van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij moest een zeker werk klaar gemaakt worden. Nu kwam de aannemer en zeide: Jongens, ik wil dat werk graag afhebben
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
26 en geef 25 gulden extra als het morgen gereed is. In dergelijke gevallen wordt de nachtrust opgeofferd, om de premie te krijgen. 279. V. Maar dan is dat vrije verkiezing, omdat de arbeid ruimer betaald wordt dan het gewone werk? A. Juist. 280. V. Werken die menschen dan den volgenden dag weder en hebben zij in het geheel geen nachtrust? A. Zij nemen gewoonlijk een paar uren rust. 281. V. Heeft die ondernemer u dit verteld op eene wijze waaruit gij kondet opmaken dat hij deze wijze van werken verkeerd vond? A. Neen, want de patroon is zelf werkman en werkt in dit geval mede, ook om een voorbeeld aan zijne knechts te geven. 282. V. Doch met welke bedoeling vertelde hij u dit alles? A. Ik had er bij hem naar geïnformeerd. Zooals ik echter reeds zeide, zijn de werklieden over het algemeen op zulk buitengewoon werk gesteld. Ik moet nog doen opmerken dat bij zulke gelegenheden het zoogenaamde ‘maatje’, een jongen van 17 of 18 jaren, mede moet werken, want de smid kan. wanneer hij smeden moet, moeilijk werken zonder behulp van zulk een jongen. 283. V. Komt het dikwijls of zelden voor dat men 's nachts doorwerkt? A. Het komt natuurlijk niet elk oogenblik voor. 284. V. Hebt gij ook andere fabrieken ontdekt, waarvan gij weet of vermoedt dat dikwerf nachtwerk wordt verricht? Hoe is het daarmede in de bierbrouwerijen gesteld? A. Daar wordt dag en nacht doorgewerkt.
De mouterij en brouwerij kan niet stilstaan, zelfs niet des Zondags. Andere werkzaamheden kunnen gestaakt worden, maar die niet. omdat dan volgens verklaring van den directeur het geheele brouwsel verloren zou zijn. De menschen die bij de mouterij en de brouwerij werkzaam zijn, zijn allen - hetgeen te betreuren is - Duitschers, die in de fabriek wonen, daar afzonderlijke, afgesloten kamers hebben, zoodat zij geroepen kunnen worden wanneer hunne tegenwoordigheid vereischt wordt. 285. V. Wordt er dan met twee ploegen des nachts gewerkt? A. Beurtelings worden zij opgeroepen om te zien of alles in orde is. 286. V. Hebt gij dit ook bij andere fabrieken bemerkt? A. Het is ook het geval bij de azijnmakerijen, daar wordt ook des nachts gewerkt. 287. V. Gij zeidet dit zooeven van de bierbrouwerijen, ik wilde u niet tegenspreken, maar weet gij het wel zeker dat daar des Zondags geregeld gewerkt wordt? A. Ja. zelfs door de sleepers. 288. V. Ik bedoel het werk in de fabriek. A. Ja. Mijnheer. 289. V. Gij zijt ook geweest in de likeurstokerij van den heer Wijnand Fockinck? Is het daar niet nogal bekrompen? A. Ik vond den toestand niet opperbest, vooral boven op de zolders, waar het vol ligt met spiritualiën van allerlei aard. De beveiliging tegen brandgevaar laat daar nogal wat te wenschen over, ook wat den uitgang betreft.
Er bestaat daar wel een houten ladder, waardoor men langs een luik naar beneden kan komen, doch dit laatste was door het voortdurend inloopen van stroo en nattigheid geheel bedekt. Bovendien is het daar de gewoonte om bij kaarslicht af te tappen. 290. V. Werd daar zwaar gewerkt; was er veel volk?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. Veel volk is er gewoonlijk niet, slechts een of twee man die met aftappen bezig zijn. 291. V. Gelooft gij dat er 's nachts ook gewerkt wordt? A. Dat geloof ik niet. 292. V. De biscuitfabriek behoort immers aan den heer Snoek? A. Pardon, het is eene naamlooze vennootschap, gevestigd in de Boerhavestraat, no. 64. 293. V. Gaat daar veel om? A. Ja, het is eene groote zaak. 294. V. Is de zaak op de nieuwere schaal ingericht? A. Zij is zeer ruim. goed ingericht en luchtig.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
27 295. V. Is er dus geene reden van klagen voor het werkvolk? A. Neen. De zaak is zoo ingericht, dat zij een gunstigen indruk op mij heeft gemaakt. 296. V. Heeft er ook nachtwerk plaats? A. Ik meen enkele malen. Er werken natuurlijk ook meisjes. 297. De heer Goeman Borgesius: Is er bij uwe bezoeken in fabrieken en uwe vragen aan patroons en werklieden de aandacht op gevallen, dat bij overwerk de jongens en meisjes medewerken en even lang in touw blijven als de volwassenen? A. Neen; in den regel gebeurt het dat men de jongens vroeger laatweggaan, opdat zij de avondschool of de teekenschool zouden kunnen bezoeken. 298. V. Doch in enkele gevallen gebeurt het toch zeker wel? A. Ja. 299. V. Hebt gij bij het bezoeken van fabrieken en werkplaatsen ook in vrijheid gesproken met de werklieden? En meenden zij reden tot klagen of reden tot tevredenheid te hebben? A. De geest van tevredenheid viel mij bijzonder mede. Maar de meubelmakers, vooral de kleine, klagen, en wel over den invoer van het buitenland. Tegen de gemaakte meubelen, die hier aangevoerd worden, kunnen zij niet concurreeren. 300. V. Is het bij uwe bezoeken in het oog gevallen, dat in de eene fabriek maatregelen worden genomen om te zorgen dat de machinerieën geene ongelukken veroorzaken, terwijl die in de andere fabriek verwaarloosd worden, zoodat er gevaar kan ontstaan? A.
Dit is zeer verschillend; enkele fabrieken hebben er voor gezorgd. 301. V. Kunt gij fabrieken opnoemen waar daarvoor in het geheel niet of onvoldoende is gezorgd? A. Onder anderen de koffieverlezerij ‘Insulinde’. Daar zijn de machines niet alle afgesloten; evenmin is dit het geval met de drijfriemen, welke men op meer dan ééne plaats langs een nauwen doorgang passeeren moet. 302. V. Gij hebt gesproken van fabrieken waar dag en nacht gewerkt wordt. In den regel zal dit geschieden met twee ploegen van arbeiders. Is het wel voorgekomen dat, om den overgang van den eenen tot den anderen ploeg te maken, dezelfde arbeider 24 uren achtereen werkt? A. Ik geloof niet dat dit plaats heeft. Ééne koffieverlezerij werkt met twee ploegen; de nachtploeg komt op, wanneer de tijd van den dagploeg verstreken is. 303. De heer Ruys van Beerenbroek: Komt de nachtploeg op een bepaald uur op? A. Die komt op de fabriek op het uur dat de dagploeg eindigt. 304 De Voorzitter: Gij hebt bij het verzoek om formulieren in te vullen ook de vraag ontvangen om namen van getuigen te willen opgeven. Wat was nu uw wedervaren ten aanzien van het bekomen van getuigen voor deze enquête; hebt gij onder het werkvolk weerzin ontdekt om hier te verschijnen, of vrees tegenover de patroons? A. Van vrees mag ik niet spreken.
Persoonlijk heb ik de lieden met het doel der enquête bekend gemaakt, en slechts bij één persoon heb ik weerzin ontmoet. 305. V. Hoe zijt gij gekomen aan de door u opgegeven namen der getuigen? A. Wij stelden de patroons voor dat men zeer hechtte aan de verklaringen van een paar getuigen, en verzochten hen op te geven die lieden die naar hunne meening aan
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
de Commissie voldoende inlichtingen zouden kunnen verstrekken. Daarna verzochten wij de patroons de aangewezen personen te mogen bekend maken met het doel onzer komst, en in den regel werd dit toegestaan. 306. V. Dus de door u aangegeven getuigen waren door de patroons aangewezen; maar hebt gij ons geene getuigen kunnen bezorgen buiten den patroon om? A. Dit zou mogelijk zijn geweest, als wij de resultaten van het onderzoek hadden gekend. Dán ware het wenschelijk geweest dat dit onderzoek niet door één maar door twee personen hadde plaats gehad. Een onzer had dan gelegenheid gehad om met het werkvolk te spreken, terwijl de ander met den directeur sprak. Nu bleef de directeur steeds aan onze zijde.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
28 307. V. Dus gij zijt niet in staat geweest namen te krijgen buiten den patroon om? A. Neen. 308. V. Gij draagt natuurlijk kennis van de biljetten die vanwege de Commissie in Amsterdam zijn aangeplakt om de werklieden op te roepen. Hebt gij nergens, buiten de fabriek om, eene neiging bespeurd om zich als getuige op te geven? A. Neen. Niemand heeft zich ooit aangemeld. 309. V. Heeft zich ook nooit iemand bij u vervoegd om u opmerkingen te maken, om te wijzen op het een of ander dat zijns inziens slecht was? Hebt gij nooit dergelijke ontmoetingen gehad? A. Neen, nooit heeft zich daartoe eenig werkman bij mij aangemeld. 310. V. Zijn u vertrouwelijk nooit aanvragen of informatiën in die richting gedaan? A. Neen. 311. V. Het werkvolk wist toch dat gij u met dat onderzoek bezighield en heeft zich toch nooit iemand bij u aangemeld om u op het spoor te brengen van dingen, die in het nadeel van het werkvolk waren? A. Neen. 312. V. Gij hebt dus op geenerlei wijze medewerking gehad van het werkvolk? A. In zoover dat, wanneer ik hen in kennis stelde met de taak die zij te vervullen hadden, zij mij vroegen: wat moet ik in den Haag doen? Maar ik sprak hen steeds in het bijzijn van den patroon.
Alleen in de fabriek van verduurzaamde levensmiddelen verwijderde de patroon zich, omdat hij meende, zooals hij zeide, dat zijn blijven van invloed zou kunnen zijn op de verklaringen der vrouwen met wie ik sprak. 313. V. Is dat de eenige uitzondering geweest? A. Ja. 314. V. In den regel werd gij door de patroons vergezeld en rondgeleid, en dus eigenlijk gezegd niet vrijgelaten om met het volk te spreken? A. Er was geen gelegenheid toe om met het volk afzonderlijk te spreken. 315. V. Indien het volk u later had willen opzoeken, dan had het dat toch kunnen doen; zij wisten toch wie u was? A. Allen niet, maar velen zullen mij toch gekend hebben. 316. V. Maar gij hebt van niemand een bezoek gehad? A. Neen. 317. De heer Heldt: Wanneer op de zakkenplakkerij die gij bezocht hebt, met hulp gewerkt wordt, geschiedt dat dan in gewonen werktijd of wel vóór en nà schooltijd? A. In het geval, door mij waargenomen, werd de bestelling achter elkander afgewerkt en schoot de schooltijd er natuurlijk bij in, zoowel voor den jongen als voor het meisje. 318. V. En waarom geschiedde dat? A. Om tijdig gereed te zijn. Vroeger had de eigenares een patent voor acht jongens; dat was haar te kostbaar; en nu heeft zij een patent om zelve te mogen werken met hare kinderen. 319. V. Hoe is het gesteld met die andere courantendrukkerij van het Nieuwsblad van Nederland? A.
De werkplaatsen zijn ook boven gelegen, maar het is een nieuw gebouw, waar licht, lucht en localiteit beter zijn dan vroeger het geval was. 320. V. Daar werken ook zeer veel jongens en zeer lang, niet waar?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. Ja. 321. V. Hebben die een voldoend geregelden rusttijd? A. Niet voordat de courant gezet is. 322. V. Gij hebt ook andere blikslagerijen bezocht; hebt gij den indruk ontvangen, dat daar ook dezelfde nadeelige dampen worden veroorzaakt? A. Ik bezocht 3 blikslagerijen, maar daar kwam het soldeeren niet zoo voor. Men hield zich daar meer bezig met het gewone werk van het ambacht. 323. De heer Beelaerts van Blokland: Volgens uwe ondervinding wordt in de bierbrouwerijen ook op den Zondag gewerkt, naar men zeide, omdat dit noodzakelijk was voor het fabrikaat. Zijn u nog andere werkplaatsen en fabrieken bekend waar op Zondag wordt gewerkt? A. Als ik het wel heb wordt in de biscuitfabriek en ook in de koffieverlezerij op Zondagmorgen gearbeid. In de mineraalwaterfabriek wordt wel niet gewerkt, maar deze laat toch op Zondagmorgen bestellingen uitvoeren.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
29 324. V. Meent gij dat ten aanzien van dat fabrikaat, Zondagsarbeid noodzakelijk is? A. Bij groote warmte is er veel verbruik en dan zijn de klanten er op gesteld om des Zondags 's morgens water te bekomen, en dan gebeurt het wel, dat er Zondags een paar uur gewerkt wordt. 325. V. De werkzaamheden geschieden dus meer ten gevolge van de drukte, dan wel uit noodzakelijkheid voor het fabrikaat? A. Neen, daarvoor is het niet noodig. 326. V. Hebt gij ervaringen omtrent den toestand van de zedelijkheid van de arbeidende bevolking? A. Dat is eene zeer moeielijke vraag. In mijne sectie zie ik nogal eens wat. De meeste werklieden gaan 's avonds met hunne meisjes naar de danszalen. Dit zijn kweekscholen voor het slechte leven. In Amsterdam moeten de tapperijen om 12 uur gesloten worden, volgens de verordening, maar velen hebben vergunning van den burgemeester om tot 2 uur open te blijven. Zondagsmorgens in den zomer gaat men veel naar de Aalmarkt De zeeaal wordt des morgens vroeg met schuiten aangebracht en men trekt, na eerst nog wat jenever medegenomen te hebben, naar de Aalmarkt, waar dikwijls zeer hooge prijzen voor dit levensmiddel betaald worden.
Ook is het meermalen voorgekomen dat gehuwde mannen, die een huishouden hadden, door het bezoeken dier gelegenheden beschonken geraakten en dan naar die aalmarkt trokken, om dan de vrouw weer in een goed humeur te brengen, door met wat aal thuis te komen. 327. V. En zouden op de fabrieken en werkplaatsen ook minder goede zaken voorvallen onder het oogpunt van zedelijkheid? A. Dat betwijfel ik zeer. 328. V. En hoe is het onderling verkeer tusschen de beide sexen? A. Dat is op de koffieverlezerijen zeer goed; het is geheel afgezonderd. 329. V. Wat bedoelt gij met afgezonderd? A. De werkzalen der verschillende seksen zijn afgezonderd. 330. V. Dus de vrouwen en mannen zijn afgezonderd? A. Ja. In sommige koffieverlezerijen is eene vrouw, in andere een man die toezicht houdt. Mij is medegedeeld dat in de koffieverlezerij van den heer Pronk, Nieuwe Vaart no. 91, vroeger op de zaal een man als chef gemaakt is voor het toezicht over de vrouwen. Die man was gehuwd en heeft zich afgegeven met twee van die meisjes. Daardoor is hij geheel verloren gegaan en zijn huishouden is ongelukkig geworden. Na dien tijd heeft de firma eene vrouw tot opzichtster genomen. Als er geen werk is, krijgt die eene zekere som in de week, opdat zij als er weer werk is, voor vast terug zal komen 330bis. V. Is dit het eenige voorbeeld dat u bekend is of vallen er meer dergelijke zaken voor? A.
Dit is het eenige mij medegedeelde geval. 331. De heer Goeman Borgesius: Hebt gij wellicht ook vernomen, of er op de zedelijkheid van de fabrieksmeisjes een schadelijke invloed wordt uitgeoefend doordien zij geen vast werk hebben en in slappen tijd op straat worden gezet? A. De invloed die hierdoor op de zedelijkheid van de meisjes kan uitgeoefend worden hangt voor een groot deel af van de huisgezinnen, waarin zij wonen. Sommige
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
ouders houden een wakend oog over hunne kinderen, terwijl andere ze aan hun lot overlaten. Het is somtijds voorgekomen dat zelfs zeer jeugdige meisjes en jongens zich aan onzedelijkheid schuldig maakten. 332. De heer Ruys van Beerenbroek: De getuige heeft gezegd dat vele meisjes die op fabrieken werken, des avonds of 's nachts dansgelegenheden bezoeken. Bestaat er in dit opzicht verschil tusschen de meisjes die in fabrieken werken, waar ook mannen zijn, en die van de fabrieken, waar alleen meisjes arbeiden? Met andere woorden, is op fabrieken met uitsluitend vrouwelijk personeel de zedelijkheid beter dan daar waar mannen en vrouwen te zamen werken? A. Ik ken geen enkele fabriek waar alleen mannen of alleen vrouwen werken. In de koffieverlezerijen werken natuurlijk veel meer vrouwen dan man-
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
30 nen. In de koffieverlezerij ‘Insulinde’ bijvoorbeeld zijn slechts 6 mannen voor de machinerie en wel 100 vrouwen. Maar mannen en vrouwen zijn steeds afgescheiden van elkander. Alleen bij noodzakelijkheid, wanneer een zak koffie moet worden aangebracht of iets dergelijks, komt een man wel eens in de vrouwen werkplaats. 333. De Voorzitter: Een aantal patroons hebben u de uren opgegeven waarop het werk begonnen en geëindigd wordt. Hebt gij ook gelegenheid kunnen vinden om bij dezen of genen na te gaan of die opgaven met de werkelijkheid overeenstemden? Of hebt gij ze eenvoudig te goeder trouw genoteerd, zonder een persoonlijk onderzoek naar de juistheid in te stellen? A. Neen, voor contrôle heb ik geene gelegenheid gehad. 334. V. Gij spraakt daar straks van het sluiten der tapperijen. Heeft ook in verband met nachtwerk en het vroegtijdig naar de fabriek gaan van het werkvolk niet eene zeer vroegtijdige opening der kroegen plaats? A. Ja, Mijnheer de Voorzitter, dat begint in de zomermaanden 's morgens om vier uren, en in de wintermaanden om vijf uren. 335. V. Staat dit in verband met het aangaan der fabrieken? A. Ja, dat is in de verordening zoo geregeld. 336. V. Dat wil zeggen dat het mag geschieden. Maar geschiedt het werkelijk, en trekt het werkvolk ook inderdaad in dat vroege uur de kroegen reeds binnen, in verband met het aangaan der fabrieken? A.
Zeer zeker, ik heb het honderden malen zelf gezien. 337. V. Wij danken u zeer voor hetgeen door u in de laatste weken ten behoeve der Commissie is gedaan, en voor hetgeen nu heden door u is medegedeeld. Uw verhoor is afgeloopen. J.B. DAMAN.
Verhoor van den heer D.J.G. Vreede, inspecteur van politie te Amsterdam, Tollenstraat 81. 338. De Voorzitter: Wilt u zoo goed zijn uw naam, voornamen, qualiteit en woonplaats op te geven? A. Dirk Jan Gidion Vreede, inspecteur van politie, wonende te Amsterdam. 339. V. Zijt gij reeds lang bij de politie in functie? A. Gedurende ruim negen jaren. 340. V. Zijt gij altijd bij denzelfden tak der politie werkzaam geweest? A. Ja, Mijnheer, en wel aan het sectie-bureau. 341. V. Bracht dat werk u in aanraking met fabrieken en werkplaatsen, of niet? A. Zelden; alleen in geval van een onderzoek. 342. V. Maar in de laatste weken daarentegen hebt gij er vol-op mede te doen gehad? A. Ja. 343. V. Wat heeft aanleiding gegeven tot die verandering van werkzaamheden? A. Het verlangen van den burgemeester, naar aanleiding van de enquête. 344. V. De burgemeester heeft al de fabrieken verdeeld over zeven heeren, en ieder heeft een zeker aantal voor zijne rekening genomen om te bezoeken. En zoo hebt gij uw deel gehad?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. Ja. 345. V. Wat zijn de voornaamste soorten van fabrieken voor u geweest? A. Hoofdzakelijk sigarenfabrieken, huidenzouterijen, meelmolens, specerijmolens. 346. V. Ik geloof niet, dat gij bijzonder opvallende fabrieken gehad hebt? A. Neen. 347. V. Ge zegt voornamelijk sigarenfabrieken te hebben bezocht. Welke daarvan heeft zoo wat het meest uwe aandacht getrokken uit het oogpunt van de meer of minder gelukkige inrichting der lokalen en van het zijn der werklieden bij elkander? A. Als een der beste heb ik gezien die van Justus van Maurik; ook van Bergman Carels, en van Alma in de Utrechtsche Dwarsstraat. Dan is er nog Roelofs; die behelpt zich tijdelijk, maar de fabriek wordt verbouwd en geheel vernieuwd. 348. V. Deel ons eens iets mede over Bergman Carels. Dat is een huis van ouden datum, stevig gebouwd. Hoe is die inrichting? A. De fabriek heeft gemeenschap met het woonhuis.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
31 349. V. Zijn dat ruime, flinke lokalen? A. Ja. De vrouwen zijn ook afgezonderd van de mannen. De werklieden hebben een vasten rusttijd buiten de fabriek. 350. V. Zijn er niet afzonderlijke lokalen waar de werklieden hun eten kunnen gebruiken? A. Ja. 351. V. En afzonderlijke lokalen voor de berging van de opperkleederen? A. Ja. 352. V. Hebben die lokalen niet een geasphalten vloer? A. Dit weet ik niet zeker. 353. V. Zijn de lokalen waar de werklieden arbeiden ruim en luchtig? A. Ja 354. V. Hebt gij ook iets opgemerkt van overwerk? A. Er wordt daar op stuk gewerkt. 355. V. Hebt gij ook gehoord dat men in de laatste weken daar harder heeft moeten werken dan vroeger? A. Neen Wel heb ik gehoord dat in den laatsten tijd de fabriek van Justus Van Maurik eene groote verzending had, waarvoor men het werkvolk heeft laten overwerken. In de eerste week werd daarvoor door het vele overwerk meer betaald, maar die betaling verminderde wekelijks, zoodat eindelijk het gewone loon werd ontvangen voor meer werkuren. 356. V. Dus ofschoon de werktijd vermeerderde keerde ten slotte het loon dat naar het stuk wordt betaald, op het oude bedrag terug? A. Ja; gelijk ik zooeven zeide. 357. V. Dat is opmerkelijk. 358. V. Zitten de vrouwen daar afzonderlijk? A. Ja. 359. V. De fabriek van Justus van Maurik werd door u als gunstig genoemd; hebt gij daar met het oog op brandgevaar opmerkingen gemaakt? A.
Het is een zeer hoog huis met houten trappen; ik meen zeven, ieder van 8 à 9 treden. 360. V. Overigens maakte die fabriek op u een goeden indruk? A. Ja. 361. V. Zijt gij geweest in de sigarenfabriek van Van den Berg op het Rapenburg? A. Ja, die is minder net; ééne vrouw werkt er in hetzelfde lokaal met de mannen? 362. V. Hoeveel mannen waren er? A. Dat weet ik niet. 363. V. Is die fabriek een der ongunstigste? A. Althans der minder gunstige; de ongunstigste is die van Handtke en Straube, vooral de tabakskerverij in de Accolyte-straat. 364. V. Uit welk oogpunt keurt gij die af? A. Het sorteeren geschiedt in de hoogste verdieping in zeer lage lokalen. 365. V. Zat daar veel volk bij elkaar? A. Neen, maar de lucht was er onaangenaam. 366. V. Er zijn onder de arbeiders van die sigarenfabrieken veel ontevredenen. Hoe ging het met het krijgen van getuigen? A. Velen hebben zich uit zich zelven opgegeven.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
367. V. Waren de patroons daarbij tegenwoordig? A. Dikwijls ja. 368. V. Kreegt gij den indruk dat dit de goedkeuring van den patroon wegdroeg? A. Ja. Een van de patroons, Van Viegen, op de Prinsengracht, heeft zich zelfs verwijderd, omdat ik het vroeg in zijne tegenwoordigheid en de werklieden aarzelden zich aan te geven. 369. V. Hoe was de toestand bij Van Viegen? A. Het lokaal is zeer hoog gelegen en minder ruim, hoewel m.i. niet onschadelijk voor de gezondheid. Doch er komt spoedig een beter lokaal. 370. V. Zitten in de sigarenfabrieken de vrouwen afgescheiden van de mannen? A. Bij Carels ja, bij Van Maurik werken geen vrouwen, er zijn weinig sigarenfabrieken waar vrouwen werkzaam zijn. Bij Van den Berg. Rapenburg, werkt eene vrouw, in de tabakskerverij in de Nes van Voorwijk eene weduwe, die daar na den dood van haar man, die daar werkzaam was, hem daar heeft opgevolgd. 371. V. Hebt gij op uw rondgang nogal vele jongens en meisjes van 12 tot 16 jaar aan het werk gevonden? A. Niet heel veel. Bij Carels wel eenigen en bij Jacobson velen.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
32 372. V. Elk sigarenmaker heeft toch in den regel een jongen naast zich? A. Ja. 373. V. Waren in de andere fabrieken vele jongens? A. Neen. Op eenige smederijen die ik bezocht, waren jongens, maar die verrichtten heel licht werk 374. V. Wordt in Amsterdam een bepaald toezicht gehouden op het naleven van de wet op den kinderarbeid. A. Dat weet ik niet bepaald te zeggen; het is echter mogelijk. 375. V. Hoort gij wel eens van het geconstateerd worden van overtredingen? A. In de sectie waarin ik ben komt dat zelden voor. 376. V. Hebt gij wel eens vermoed dat op de eene of andere fabriek jongelieden beneden de 12 jaar aan het werk waren? A. Toen ik aan de sigarenfabriek van Jacobson op de Prins-Hendrikkade een bezoek wilde brengen, maakte men be zwaar mij toe te laten, onder voorwendsel dat het volk aan het schaften was, en werd ik verzocht om den volgenden dag terug te komen. Ik heb aan dat verzoek voldaan, en het heeft toen mijne aandacht getrokken dat er vele jongens werkten. 377. V. Naar het u voorkwam waren die jongens echter niet beneden de jaren? A. Neen. 378. V. De heer Heldt: Welke is de indruk, dien gij van de werkplaatsen, van de fabriek van Jacobson gekregen hebt? Waren die niet klein, niet benauwd? A. Er werken daar zeer veel Israëlieten. Ik ben er op Zaterdag geweest, zoodat ik niet weet of er veel ruimte is, daar er toen natuurlijk velen afwezig waren. 379. V.
De Voorzitter: Wat is uwe ervaring op het stuk van misbruik van sterken drank door de arbeidersbevolking? A. De heer Jacobson klaagde daar zeer over. Hij zeide dat men kon rekenen dat het volk eigenlijk niet voor Woensdag voorgoed aan het werk ging, en dat het 's Zaterdagsavonds vroeg met werken eindigde. Maandags kwamen velen niet eens op het werk en Dinsdags hadden zij nog Katzenjammer, zoodat zij eerst Woensdags frisch waren om te werken. 380. V. Is u ook gebleken, in het sigarenvak, dat het loon per dag verdiend, toeneemt naarmate de week ten einde loopt? A. Dat niet; maar de heer Jacobson heeft mij wel inzage gegeven van een kasboek, waaruit blijkt dat de loonen der Israëlieten, die veel minder gebruik van sterken drank maken dan lui van andere geloofsbelijdenissen, veel hooger zijn. 381. V. Hebt gij die cijfers gezien? En was het verschil aanmerkelijk? A. Ja, ik heb ze gezien, en het verschil was zeer groot. Of hij nu de loonen van de slechtste werklieden heeft laten zien kan ik niet beoordeelen. 382. V. Hebt gij den indruk ontvangen, dat op die fabrieken, hoewel zij er zich minder toe leenen, veel overgewerkt wordt, en ook nachtwerk wordt geëischt? A. Neen. 383. V. Bij geen van de fabrieken? A. 's Nachts wordt er geregeld gewerkt in de meelfabrieken en rijst pelmolens, maar waar het uit den aard der zaak niet noodig is, gebeurt het niet. 384. V.
Dus waar het hem niet zit in doorgaande vuren? A. Juist, Mijnheer de Voorzitter. 385. V. Wat weet gij van het werken op Zondag?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. In de fabrieken waar Israëlieten werken wordt Zondags gewerkt, maar zij zijn dan des Zaterdags vrij. 386. V. Wordt er Zondags, behalve door de Israëlieten, veel gewerkt? A. Dat heb ik in mijne afdeeling niet ontdekt. 387. V. Hebt gij in de verschillende fabrieken, waar gij geweest zijt, klachten gehoord over de slechte inrichting van die fabrieken, of is u bekend dat de werklieden afgebeuld worden en dat er te veel van hen gevergd wordt? A. Volstrekt niet. 388. V. Wisten de menschen, die u op de fabriek zagen komen, ik zeg niet allen, dat gij van de politie waart? A. Op enkele fabrieken wel, bijv. op het Rapenburg. 389. V. Heeft zich niemand bij u aangeboden om te getuigen, die dit niet wilde doen in de fabriek zelve?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
33 A. Gedurende mijne afwezigheid van het bureel is een werkman van Van den Berg bij mij geweest. 390. V. Maar dat is alleen gebeurd bij Van den Berg? A. Anders niet. 391. V. Maar gij weet niet zeker dat het ook in andere fabrieken zoo is? A. Neen, dat weet ik niet. 392. V. De heer Heldt: Het is al eenigszins uitgekomen, maar ik wenschte dat nog duidelijker werd de indruk, dien de getuige heeft omtrent het drankgebruik. Bepaalt zich dit hoofdzakelijk tot de tabaks-industrie of komt dit in het algemeen voor? A. Hetgeen ik heb medegedeeld, is alleen eene opgaaf van den patroon Jacobson zelf. 393. V. Welke indruk hebt gij gekregen van de fabriek van Kirsten en Bax, Spuistraat, 161? A. Ja, dat is een van de minste, vooral met het oog op brandgevaar. Beneden is een wijnkooperij, waar spiritus wordt bewerkt, daarboven is eene timmermanswerkplaats en daarboven op de 3de verdieping is die fabriek. 394. V. En was het er bepaald bekrompen? A. Het was er niet bedompt, maar de inrichting is toch van de minste soort. 395. V. Gij hebt ook de rijstpelmolen ‘Akajab’ op de Nieuwe Achtergracht bezocht. Welken indruk hebt gij daarvan gekregen? A. Geen bepaald ongunstigen; de lokalen zijn zeer ruim. 396. V. En het brandgevaar? Hoe staat het daarmede? Als ik mij niet vergis wordt die fabriek niet met gas verlicht. A. Daarin is tamelijk goed voorzien. Ik heb dat eigenlijk verzuimd te melden.
Het was pas in aanleg; men had daar eene buis aangebracht die met de stoommachine correspondeerde, waarvan men in geval van brand kon gebruik maken om een brandkraan te openen en water in de fabriek te brengen. 397. V. De verlichting geschiedt echter met petroleum? A. Dat durf ik niet met zekerheid zeggen. 398. De heer Ruys van Beerenbroek: Gij zegt dat fabrikanten, dus meerdere personen, u medegedeeld hebben, dat er door de werklieden nogal misbruik van sterken drank gemaakt wordt? A. Eenige heeren, wier namen mij echter ontschoten zijn, hebben mij dat medegedeeld; wanneer er sprake was van de oorzaak van den kwijnenden staat of de ontevredenheid der arbeidende klasse dan schreven zij dit voornamelijk aan het misbruik van sterken drank toe. 399. V. En stond met dat misbruik ook het eerst des Woendags aan het werk gaan in verband? A. Dat is mij alleen door den heer Jacobson gezegd. 400. V. Wordt er in uwe sectie gebruik gemaakt door de werklieden van de gelegenheid om de kroegen te bezoeken, die volgens de politieverordening des zomers om 4 uur en des winters om 5 uur mogen geopend worden? A. Daarop kan ik u geen antwoord geven, omdat ik geen nachtdienst doe. 401. Voorzitter: Op de dooruovergelegde lijst komt ook eene stearinefabriek voor Is deze wel in werking? A. Ik ben daar niet geweest. Een mijner collega's was dit opgedragen in verband met de waskaarsenfabriek.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
402. V. En de zwavelzuurfabriek? A. Die firma wordt ontbonden. De Voorzitter: Dan dank ik u wel voor de gegeven inlichtingen en ook voor den arbeid, die in de laatste weken door u voor onze Commissie is gedaan. Uw verhoor is gesloten. D.J.G. VREEDE.
Verhoor van den heer J. van den Puttelaar, inspecteur van politie te Amsterdam, Tollenstraat 81. (Verkort.) 403. De Voorzitter: Welke is uw naam, voornaam en woonplaats? A. Johannes van den Puttelaar, inspecteur van politie bij het hoofdbureau te Amsterdam ..... 409. V. Wat kunt gij mij vertellen van de steenhouwerij van Schols? Ziet het er daar zoo ongelukkig uit? A. Niet ongelukkiger dan in de meeste steenhouwerijen die over het algemeen
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
34 open werkplaatsen hebben, die onmiddellijk aan de buitenlucht grenzen, hetgeen natuurlijk in dit seizoen niet prettig voor de werklieden is. 410. V. Zijn dus alle steenhouwerijen op die wijze ingericht, zoodat de werklieden van Schols geen bijzondere reden tot klagen hebben? A. Er is mij geen bijzondere reden opgevallen. 411. V. Moeten de steenhouwers dus allen steeds in weer en wind werken? Geef eens eene beschrijving. A. Niet geheel en al. De werkplaats grenst enkel aan de buitenlucht. Zij vormt, naar ik meen, een vierkant dat dus gedeeltelijk langs het veld loopt. 412. V. Dus de ééne lange zijde van de schuur is open? A. Juist; die ééne zijde is geheel open. 413. V. En dus, wat de temperatuur betreft, zitten die menschen in de buitenlucht? A. Ja. 414. V. En dat gebouw is met pannen gedekt, die niet heel dicht zijn? A. Dat is mij niet in het oog gevallen. 415. V. Maar als het nu regent of sneeuwt? A. Dan zal het misschien wel wat doorlaten. 416. V. En hoe lang is de werktijd? A. Gewoonlijk 10 tot 12 uren per dag. Des zomers wordt er gewerkt van 5½ uur 's morgens tot 7½ uur 's avonds. 417. V. Werken zij aldus aan één stuk? A. Uitgezonderd 1¾ uur rusttijd. 418. V. Eten zij op het werk? A. Enkelen, die in de nabijheid wonen, zullen wel naar huis gaan om te eten; maar die veraf wonen, moeten dat op het werk doen. 419. V.
Moeten de menschen, bij vriezend weêr, dus al de uren in de koude werken? A. Ja, in dezen tijd van het jaar van 's morgens 8 uur tot het donker wordt. 420. V. Wilde Schols niet hebben dat gij met de werklieden spraakt? A. Hij stond dit niet toe, want dit zou aanleiding geven tot opmerkingen en besprekingen met de werklieden. 421. V. Hebt gij daar soms zekeren Brusselaar gevonden? A. Die is mij opgegeven. 422. V. Door wien? A. Door den patroon zelf. 423. V. De patroon schijnt dus vertrouwen te stellen in dien Brusselaar? A. Het schijnt zoo. Ook is mij opgegeven D. Polet. 424. V. Welken indruk ontvingt gij bij uw bezoek in die werkplaats? A. Dat de werklieden het in den winter zeer hard hebben. Maar de meeste steenhouwerijen zijn open; enkele werkplaatsen, waar de fijnere steen, het marmer bijv. bewerkt wordt, zijn gesloten. Maar de bewerking van den ruwen steen schijnt in de open luchtte moeten plaats hebben, omdat anders de werklieden te veel last hebben van het stof. Als grief werd mij gezegd dat in het algemeen in de steenhouwerijen jongens beneden de 18 jaren worden gebezigd, voor het vervoer van zware vrachten. Persoonlijk heb ik dit niet gezien; een meesterknecht van de steenhouwerij aan het Oentgenspad heeft het mij verzekerd, met de mededeeling dat het geschiedt om een knecht uit te winnen, daar waar het financieele op den voorgrond staat; allicht wordt
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
daardoor een sjouwerman uitgewonnen. Die jongens moeten zwaar geladen wagens voortduwen of trekken. 425. V. Worden zij niet gebruikt voor het lichten van steenen? A. Voor zoover ik weet, neen. 426. De heer Van der Sleyden: De getuige heeft gesproken van den invloed van het weder op de werklieden in de steenhouwerijen; hij acht dien invloed nadeelig, zoodat de menschen lijden aan rheumatiek en andere zulke kwalen; maar is het stof van de steenen niet veel meer de oorzaak van hun minder gezonden toestand? Ik meen dat juist door het stof het steenhouwen minder goed voor de werklieden is, en dat zij hierdoor invalide worden? A. Mij is daaromtrent niets bekend. Wel kwam het mij voor dat zij van den invloed van het weder, ten gevolge van het werken in de open lucht, konden te lijden hebben. Ik heb dan ook gevraagd of men hun des winters niet in besloten plaatsen kon laten werken. Doch men antwoordde dat zulks niet
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
35 kon om het stof. Hadden zij behoorlijk verwarmde werkplaatsen, dan zouden zij wellicht minder te lijden hebben van rheumatisme. 426. De Voorzitter: Onder de door u geïnspecteerde fabrieken, behoort ook de Koninklijke fabriek van stoom- en andere werktuigen. Hoe zijn uwe bevindingen daar geweest? A. De meeste werkplaatsen zijn zeer groote lokalen, en naar ik meen zijn er maar twee lokalen op de bovenverdieping gelegen: de modelmakerij en de draaierij. De werkplaatsen zijn nogal groot, en de machinerieën zijn nogal tamelijk ver van elkander geplaatst. De werkplaatsen op de bovenverdieping zijn twee gebouwen, en hebben door een brug met elkander gemeenschap; er zijn bovendien twee trappen, van ruim twee M. breedte, die wel wat afgesleten, maar voldoende zijn, die naar de modelmakerij voeren. 428. V. Gij vertelt dit kennelijk met het oog op brandgevaar. Maar zijn u ook eenige zaken opgevallen, die in die fabriek schadelijk op de gezondheid der werklieden konden werken. Zijt gij bijv. op de modelmakerij geweest? Hoe zag het er daar uit? A. Dat lokaal is 250 M. hoog tegen de balken, die nogal kolossaal zijn gemeten. 429. V. Is het groot? A. Ja, het heeft naar schatting eene breedte van 6 M. en eene lengte van 30 M. ongeveer. De werklieden zijn aan verschillende banken gezeten. Er zijn er, die daar 30 en 40 jaar werkzaam zijn; o.a.
werkt de baas Koffieberg, mij persoonlijk bekend, er reeds bijna 50 jaren. 430. V. Uwe meening berust dus op een feit, dat, afgescheiden van dit onderzoek, door u uit eigen ondervinding opgemerkt is? Is die Koffieberg iemand dien gij af en toe spreekt? A. Neen, ik ken hem alleen uit mijne jeugd. Wij beiden woonden toen op de Eilanden. 431. V. Hebt gij er nooit iets van gehoord dat die werklieden op de modelmakerij het niet lang uithielden? A. Neen, bij den heer Van der Made heb ik geïnformeerd of ook hem iets van dat gerucht ter oore was gekomen. Hij zeide mij dat in den tijd van zijn beheer zich slechts twee sterfgevallen hadden voorgedaan, dat een man van 70 jaren wegens totale lichaamsverzwakking ontslagen was, en dat men in het algemeen gedurende 40 of 50 jaren arbeidde. Die Koffieberg is een man, die er tamelijk gezond en welgedaan uitziet. 432. V. En is die daar de chef? A. Ja. Hij is daar als jongen gekomen en heeft achtereenvolgens alle rangen doorloopen. 433. V. Gij gelooft dus niet aan het zeggen, dat op die modelmakerij de menschen niet ouder zouden worden dan 40 of 45 jaren? A. Neen. 434. V. Zijt gij ook bij Rinkel geweest? A. Ja. Dat is eene metaalgieterij. 435. V. Die was niet zeer welwillend om u toe te laten? A. Dat ging aanvankelijk schoorvoetend. 436. V. Het was daar niet mooi, wel?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. Neen. De firma bestaat uit vier broeders. Op mijne vraag om de fabriek eens te mogen zien kreeg ik ten antwoord, dat dit niet noodig was. Indien burgemeester en wethouders wat weten wilden moesten zij zich maar schriftelijk tot de firma wenden; als deze wat weten wilde, moest zij dat ook doen. Toen ik er echter op wees dat ik van een en ander rapport moest maken en dat eene weigering om de fabriek te zien toch een vreemd figuur zou maken tegenover de houding van andere fabrikanten, die mij allen welwillend ontvangen hadden, gaf hij ten slotte toe dat ik de fabriek mocht zien op een tijd, dat de vier firmanten aanwezig waren. Tot het beantwoorden der vragen achtte hij alléén zich niet gerechtigd. Zij zouden dan wel eens beraadslagen over de wijze waarop zij de vragen zouden beantwoorden. 437. V. Hoe zagen de lokalen er uit? A. Niet netjes. Het is wel eene gieterij, maar ik heb andere gieterijen gezien waar het niet zoo vuil was. 438. V. Het zijn een soort van kelderachtige gewelven, niet waar? A. Ja. 439. V. Werken er veel menschen? A. Ik ben niet bekend met het getal zijner werklieden.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
36 440. V. Wat is in het algemeen de indruk van hetgeen gij in de laatste weken gezien hebt? Werd er te veel van de menschen gevergd, werd er te zwaar en te lang gewerkt? A. Wanneer de werklieden te lang moeten werken, is het hoofdzakelijk hun eigen schuld. De werkdagen worden tegenwoordig zoo min mogelijk gesteld. Wanneer er drukte is, wordt er natuurlijk gevraagd om te mogen overwerken. 441. V. De werklieden doen dit dus op eigen verlangen? A. Ja, maar de patroons laten zoo min mogelijk overwerken, omdat dan het werk den volgenden dag veel minder goed is. 442. V. Het overwerken wreekt zich dus op het werk van den volgenden dag? A. Ja, de patroons laten liever niet overwerken, omdat het product minder goed wordt den volgenden dag. In de fabriek van Belder heb ik gemerkt, dat er een ketel stond voor kopergieten. Die ketel stond in de smederij; dit is zeer ongezond, dit is mij gebleken, hoewel er niet gesmolten werd, toen ik er mij bevond. 443. V. Zijt gij in de lettergieterij van Tetterode geweest? A. Ik heb er een loodaschbranderij gevonden, maar die was niet meer in werking. 444. V. Hebt gij de lettergieterij niet gezien? A. Die heb ik niet gezien. 445. V. Hebt gij verder ook den indruk gekregen, dat veel aankomende jongens en meisjes en jonge vrouwen worden gebezigd? A. Neen, die fabrieken heb ik niet in hoofdzaak bezocht. 446. V. Die vielen niet in uw werkkring? A.
Neen, alleen de stoomwerktuigenfabriek en enkele andere. 447. V. Maar, niet veel? A. Neen, de sterkte-staten heb ik reeds ingezonden, onder anderen van de Koninklijke Fabriek. 448. V. Maar bij de andere door u bezochte fabrieken en werkplaatsen hebt gij dat niet aangetroffen? A. Neen, wel bij enkele kleine patroons, meubelmakerijen, enz. Daar heb ik toestanden aangetroffen die verbetering behoefden. 449. V. De meubelmakerijen op den Zeedijk behoorden niet onder uw ressort? A. Neen, maar ik heb onder anderen op de Lindengracht eene werkplaats bezocht waar het allerakeligst riekte. 450. V. Maar dat was een eigen zaak, niet waar? A. Ja, maar ik zag ook die van Siebenlist. 451. V. Daarover wenschte ik u eens te spreken. Die patroon werkt voor eigen rekening? A. Ja, met 3 of 4 knechts. 452. V. Daar is het naar uw oordeel niet te best? A. Neen, het is een laag zoldertje. De beide trappen die toegang geven zijn allerellendigst, bijna niet begaanbaar. De ventilatie laat veel te wenschen over; 's zomers wordt die verkregen door het uitnemen van een paar pannen. 453. De heer Heldt: Houdt de man daar nog niet vee ook? A. Ja, kippen, duiven en dergelijke. 454. De Voorzitter: Hebt gij bij uwe inspectie kunnen bemerken dat er veel misbruik van sterken drank gemaakt wordt?
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
A. Neen, dat heb ik niet bemerkt. Slechts in een geval heb ik daarvan iets gehoord. Toen ik de spiegelfabriek van Vorstenberg bezocht was het toevallig Maandag en de eigenaar verzekerde mij dat vele werklieden hun toestand zeer konden verbeteren door minder sterken drank te gebruiken. Van hem vernam ik dat er werklieden zijn die ƒ 18 à ƒ 20 per week verdienen, waarvan ƒ 6 à ƒ 8 naar de kroeg gaan. Het misbruik schijnt voornamelijk onder de spiegelmakers te heerschen. 455. V. Gij zeidet dat de dag waarop gij die fabriek bezocht een Maandag was, Hoeveel werklieden waren er toen tegenwoordig en hoeveel ontbraken er? A. Zijne geheele sterkte bedraagt veertig boven de 18 en tien daar beneden. Daaraan ontbraken zeker een tiental des Maandags. Naar mij werd verzekerd, moet dit ook het geval zijn op andere spiegelfabrieken. Een groot gedeelte der werklieden maakt misbruik van sterken drank. Door een der patroons werd mij een strafmiddel mede-
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
37 gedeeld, dat hij daartegen toepast. Hij zorgt steeds een voldoend getal werklieden voorhanden te hebben, om niet den indruk te geven dat hij om werkvolk verlegen is. De werkman die zich schuldig maakt aan misbruik van sterken drank straft hij dan met twee of drie weken naar huis te sturen. 456. De heer Heldt: Mag ik vragen van welke tweede fabriek hier sprake is? A. Het is de lijstenfabriek op de Teertuinen, van denheer Barwegen en Co. 457. De Voorzitter: Vertel mij eens in verband juist met uw laatste gezegde of gij ook gelooft dat er jenever op de fabriek zelf toegelaten wordt? A. Ik geloof dat die zooveel mogelijk geweerd wordt. 458. V. Is u ook iets bekend van het zeer vroeg geopend worden der kroegen, in verband met het vroeg beginnen van het werk in Amsterdam? A. Dat is bij de politieverordening geregeld. 459. V. Daarbij is de vrijheid gegeven om op zeker uur te openen; maar ik wenschte te weten of daarvan ook gebruik gemaakt wordt? A. Dat is mij niet bekend. 460. V. Hoe is het u gegaan in de fabrieken? Beviel het onderzoek aan de patroons? A. De meesten hadden er geen bezwaar tegen. Een enkele zeide dat hij het liever niet had, zooals in de rijtuigmakerij van Gebroeders Spijker en in de steenhouwerij van Schols. Maar over het algemeen werd het welwillend toegestaan.
Eerst werd door de patroons opgave gedaan en dan vroeg ik of het mij vergund was in de werkplaats te komen tot nader onderzoek. 461. V. Ging dat buiten den patroon om? A. Neen; eens maar is het gebeurd dat de patroon door ziekte mij niet kon vergezellen, en toen heb ik daar een man aangetroffen die mij wees op de kopersmelterij. In de timmerfabriek van Staal en Haalmeijer vroeg ik den patroon om inlichtingen, en deze zeide toen: om de onpartijdigheid, ga zelf zien in de werkplaats. Over het geheel waren de patroons nogal welwillend. 462. V. Was het werkvolk genegen om hier te komen of niet? A. De meesten begrepen het niet. Zij hadden er wel iets over in de couranten gelezen, maar bij de meesten stond de geldelijke quaestie op den voorgrond. 464. V. Welke geldelijke quaestie? A. Of zij vergoeding zouden krijgen voor hunne moeite. 463. V. Hebt gij ook iets bemerkt van eene vrees bij de werklieden dat wanneer zij gingen getuigen de patroon hen zou ontslaan? A. Neen, zij verklaarden zich bereid als getuigen te verschijnen, mits de patroon het wilde vergunnen. 465. V. Wordt te Amsterdam op de naleving der wet op den kinderarbeid een speciaal toezicht uitgeoefend? Zijn bepaalde personen van de politie met het houden van dat toezicht belast? A. Dit is mij niet bekend. 466. V.
Ik bedank u voor de moeite die gij in den laatsten tijd voor het werk van onze Commissie gehad hebt en voor uwe opkomst heden. J. V.D. PUTTELAAR.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
38
Zitting van woensdag 5 januari 1887. Tegenwoordig de heeren: VERNIERS VAN DER LOEFF, Voorzitter. GOEMAN BORGESIUS, Onder- Voorzitter. BEELAERTS VAN BLOKLAND. RUYS VAN BEERENBROEK. HELDT. SMIT. VAN ALPHEN. VAN DER SLEYDEN. J.D. VEEGENS, Griffier.
Verhoor van den heer K. Kater. 467. De Voorzitter: Wees zoo goed uw naam en voornaam, uwe betrekking en woonplaats op te geven? A. Klaas Kater, voorzitter van den Nederlandschen Werkliedenbond en redacteur van het blad Patrimonium, oud 53 jaren en wonende te Amsterdam. 468. V. Zijt gij altijd in het vak der journalistiek geweest? A. Vroeger was ik metselaar. 469 V. Voor eigen rekening of in dienst van anderen? A. Ik was metselaar bij de firma Van Vollenhoven, bierbrouwers. 470. V. Is dat de eenige patroon waar gij werkzaam waart? A. Neen; ik was ook bij de firma Staal en Haalmeijer, en werkzaam bij het maken van sluizen, enz. 471. V. Maar toch altijd in ondergeschikte betrekking? A. Min of meer, de patroon was natuurlijk chef, maar ik was metselaarsbaas, ploegbaas. 472. V. Gij verkeerdet en leefdetdus onder het volk? A. Ja. 473. V. Hoe lang zijt gij van de heeren Van Vollenhoven vandaan? A. Sinds 16 October 1886. 474. V. Daar zijt gij 13 jaar geweest? A. Ja. 475. V. Zijt gij voorzitter van Patrimonium? A. Ja, van de oprichting, 19 Maart 1877, af. 476. V. Wat is de werkkring en het doel dezer Vereeniging? A. Het zedelijk en stoffelijk belang der werklieden te verbeteren, doch zóó, dat het zedelijke daarbij deugdelijk op den voorgrond staat. 477. V. Is die Vereeniging ingericht met afdeelingen over het geheeleland? A. Ja, zij bestaat uit 55 afdeelingen, met ruim 6000 leden. 478.
V. In alle provinciën? A. In alle, behalve in Noordbrabant en Limburg; doch in Noordbrabant zullen wij ook binnenkort vasten voet zetten.
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
479. V. Zijn al de leden menschen uit den werkenden stand? A. Nu, ten volle niet. Men is wel eens gewoon het volk te verdeelen in werklieden en niet-werklieden, en dan behooren de leden niet allen tot den werkenden stand. Maar er zijn ook hooger geplaatsten, die wij eveneens beschouwen als werklieden. Wij gelooven zoozeer niet aan doodeters, wij kunnen niet inzien, gelijk vroeger de richting was die door den Nederlandschen Werkliedenbond werd aangegeven, dat ieder die boven den werkenden stand staat is kapitalist, couponknipper; wij gelooven dat die menschen ook werken, en ik heb er voorbeelden van gezien dat zij hard werkten. 480. V. De leden behooren dus niet uitsluitend tot hen die met handenarbeid hun kost verdienen? A. Men kan de leden onderscheiden in gewone en buitengewone leden. Onder de eerste categorie worden opgenomen allen die werklieden zijn in den eigenlijken zin des woords, die met de handen of geestelijken arbeid verrichten, ook onderwijzers en dergelijken, van wie men niet kan zeggen dat zij zijn hooger
De arbeidsenquête van 1887. Deel 1: Amsterdam
39 geplaatst op de ladder van het maatschappelijk leven. Maar gepatenteerden, grootere neringdoenden, handeldrijvenden worden als buitengewone leden beschouwd. Een juiste grens valt natuurlijk niet aan te geven. 481. V. Gij hebt dus vroeger verkeerd onder de zoogenaamde arbeidende klasse, en nu hebt gij als voorzitter der vereeniging Patrimonium er nog voortdurend voeling mede? H. Mijn levensloop is al heel zonling geweest. Alle wegen, die ik heb doorgeloopen, zal ik hier niet opdisschen, want ik zou toch niet verstaan worden. Maar ik heb het voorrecht gehad te ondervinden dat men door oppassen en volharden zeer veel kanleeren en nogal vooruit kan komen, wanneer God onze pogingen zegent. Ik heb ondervonden dat er, wanneer men zijn tijd niet vermorst, voor den werkman in Nederland, die God vreest, over het geheel genomen, wel brood te verdienen is. Ik ben eigenlijk eerst begonnen, toen ik 32 jaar was. Binnen het jaar had ik het volle geld en binnen 3 jaren was ik ploegbaas. 482. V. Wat noemt gij het volle geld? A. Standaardloon. In 1872 ben ik de eerste geweest, dien het gelukt is de loonsverhooging er door te krijgen; wel te verstaan: in overeenstemming met de patroons. Toen werd het standaardloon 18 cents. Op de groote werken betaalde men 20 cents. Ik zelf heb altijd gewerkt voor 22 cents en hooger.
Dit is, dunkt mij, wel een bewijs dat de ontredderde toestand, waarin onze werklieden verkeeren, niet enkel is te wijten aan onze maatschappelijke inrichting, nog veel minder aan de hooger geplaatsten, maar veel meer aan een samenloop van allerlei omstandigheden, dien de werklieden wel noodeloos, maar niet schuldeloos verzwaard hebben. Werklieden die anderen ter verantwoording roepen omtrent het loon waar die voor werken, mogen eerst wel eens beginnen met zich zelf te verantwoorden tegenover hun gezin. En dat wordt wat te veel uit het oog verloren. Niet allen die werkman heeten zijn werklui. 483. V. Er zijn misschien meer halve werklui? A. Neen, ik meen zoo: een goed werkman werkt niet alleen met den mond, maar met de daad; die werkt zijn tijd vol, niet voor een dag, maar van Maandag tot Zaterdag, altijd even frisch; een goed werkman moet 's Maandags niet wat zij noemen: de hondenziekte hebben. En die zich de ‘beste’ noemen, moet men juist niet hebben. Als ploegbaas had ik dikwijls 100 en meer menschen in mijn dienst, doch die zoogenaamde uitstekende lui, die alles weten zonder iets goed te weten, staken het eerst den arbeid en worden het eerst armlastig. Als ploegbaas is men altijd meer verantwoordelijk, want dan beschikt men over eens andersmans geld. Die beste werklieden nu zijn nimmer op hun plaats te krijgen, en van doorwerken is natuurlijk geen spraak.