CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit2021-227B. Regels en toelichting bestemmingsplan De Pijp 2018 Tweede herziening

RAAD 6 oktober 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan De Pijp 2018 Tweede herziening (2021)VN2021-01896525.660 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Uitspraak 201808944/1/R1

10

duidelijk waarom deze situatie zo bijzonder is, nu deze zich in praktisch heel Nederland voordoet. 17. De dubbelbestemming "Waarde - Landschap" is in het 6:19-besluit wat betreft de percelen van [appellant sub 5] op dezelfde wijze begrensd als in het plan "De Pijp 2018". Eveneens zijn de betrokken planregels niet gewijzigd. [appellant sub 5] heeft daarom van rechtswege een beroep tegen het 6:19 besluit. 17.1. De Afdeling stelt vast dat de raad er in de voor de binnentuinen van De Pijp vastgestelde regels voor heeft gekozen een regeling op te nemen die het bebouwen van deze binnentuinen beperkt door te bepalen dat de gronden met de dubbelbestemming niet dienen te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (hierna: het Bor). Met deze regeling heeft de raad beoogd de inrichting van het erf ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw te beperken en aldus de bepalingen die vergunningvrij bouwen in de zin van artikel 2 van bijlage II van het Bor mogelijk maken buiten werking te stellen. Wanneer met een dergelijke planregeling in zijn algemeenheid, dus zonder acht te slaan op de locatiespecifieke omstandigheden, vergunningvrij bouwen aan banden zou worden gelegd, acht de Afdeling dat niet aanvaardbaar.

Daarmee zou de uitdrukkelijk door de Amvb-regelgever in het Bor gemaakte keuze om vergunningvrij bouwen mogelijk te maken op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. De raad moet dan ook deugdelijk motiveren dat een dergelijke planregeling gelet op de locatie-specifieke omstandigheden uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk is (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:571). In de nota van uitgangspunten die onderdeel is van de plantoelichting heeft de raad gesteld dat hij een verdere verdichting van binnentuinen in De Pijp wil tegengaan. De raad wenst hiermee te bereiken dat bewoners op de hoger gelegen bouwlagen uitzicht houden op groene, rustige binnentuinen ter afwisseling van de stedelijke drukte aan de voorzijde. Ook is het de bedoeling van de raad om de waterbergende effecten van de tuinen te behouden. Om die reden is de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" aan een groot deel van de binnentuinen in De Pijp toegekend. [appellant sub 5] stelt terecht dat de raad hiermee onvoldoende aan de hand van locatiespecifieke omstandigheden heeft gemotiveerd dat een inbreuk op de wettelijke regeling van het vergunningvrij bouwen voor de binnentuinen gerechtvaardigd is.

De algemene opmerkingen in paragraaf 3.2.3 van de plantoelichting over de hydrologische situatie in De Pijp zijn onvoldoende redengevend om aan te nemen dat de beperking van de wettelijke regeling voor het vergunningvrij oprichten van bouwwerken ter plaatse van de binnentuinen noodzakelijk is voor de waterberging in het betrokken gebied. Ook is niet deugdelijk gemotiveerd dat deze planregeling noodzakelijk is voor het behoud van landschappelijke of cultuurhistorische waarden ter plaatse van de binnentuinen, waarvan de tuin van [appellant sub 5] onderdeel uitmaakt. De raad heeft evenmin inzichtelijk gemaakt dat de planregeling uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig is ter afwisseling van de stedelijke drukte in de straten voor de bewoners van de boven de benedenwoningen van onder meer [appellant sub 5] gelegen woningen en waarom het terugdringen van het vergunningvrij bouwen met 1,5 m binnen een tuin van 18 m bijdraagt aan dit doel. . Het besluit waarbij het plan "De Pijp 2018" is vastgesteld berust gelet op het voorgaande daarom in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Het betoog slaagt. Conclusie 18. Het beroep van [appellant sub 5] is niet-ontvankelijk voor zover dat is gericht tegen artikel

Uitspraak 201808944/1/R1

11

16.2.2, onder c, van de planregels. Het beroep is gegrond voor zover dat is gericht tegen de bestemming "Waarde - Landschap" die in het besluit van 19 september 2018 en het 6:19besluit is toegekend aan de percelen [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5]. Beide besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb voor zover de bestemming "Waarde - Landschap" is toegekend aan deze percelen. Het beroep van MCV en anderen 19. MCV en anderen verhuren de bebouwing op het perceel Eerste van der Helststraat 31. Aan het perceel waarop de bebouwing staat is in het plan "De Pijp 2018" de bestemming "Gemengd - 2" toegekend. Het 6:19-besluit behelst geen wijziging ten opzichte van dat plan. MCV en anderen hebben een beroep van rechtswege tegen het 6:19-besluit. 19.1. MCV en anderen kunnen zich niet verenigen met het bestemmingsplan en het 6:19besluit voor zover dat geen mogelijkheid biedt, hetzij bij recht, hetzij via een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid, om horeca-activiteiten uit te oefenen op het perceel. Volgens MCV en anderen brengt het plan voor het deel van het perceel waarop de hoofdbebouwing staat een beperking van de gebruiksmogelijkheden met zich ten opzichte van het vorige plan, omdat daarin een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid was opgenomen om horeca van het type IV mogelijk te maken.

De raad had in ieder geval de binnenplanse vrijstellingsmogelijkheid voor horeca type IV over moeten nemen. MCV en anderen stellen dat het niet ondenkbaar is dat in de toekomst twee horecabedrijven in de straat hun activiteiten beëindigen zodat zij een beroep kunnen doen op de vrijstellingsmogelijkheid. 19.2. In het plan "De Pijp 2005" was aan het perceel de bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend. Horeca van het type IV was niet bij recht toegestaan op het perceel van MCV en anderen. Artikel 4, lid 9, van de planvoorschriften bevatte een vrijstellingsbevoegdheid, waarmee horeca van het type IV in een deel van de Eerste van der Helststraat mogelijk kon worden gemaakt, met de restrictie dat maximaal 25% van de straatwand voor horeca van het type I, III en IV was toegestaan. In het plan "De Pijp 2018" is aan het perceel de bestemming "Gemengd - 2" toegekend. In dit plan is horeca van het type IV overeenkomstig het vorige plan niet bij recht toegestaan, maar anders dan in het vorige plan is er geen afwijkingsmogelijkheid meer opgenomen. 19.3. De raad heeft toegelicht dat een verleende vrijstelling als bedoeld in artikel 4, lid 9, van de planvoorschriften om een perceel voor horeca van het type IV te gebruiken niet is gebonden aan de ondernemer of de onderneming, maar aan het perceel waarop die onderneming wordt uitgeoefend. De vrijstelling is dus objectgebonden.

De Afdeling ziet geen grond voor een andere uitleg van artikel 4, lid 9, van de planvoorschriften. De raad heeft verder toegelicht dat al ten tijde van het vorige plan 25% van de straatwand was gevuld met horeca van het type IV. MCV en anderen hebben dat niet bestreden. De Afdeling overweegt gelet hierop dat de vrijstellingsbevoegdheid dus onder het vorige plan al niet meer kon worden aangewend om horeca type IV mogelijk te maken voor het perceel van MCV en anderen. Het voorliggende plan betekent daarom voor hen geen beperking ten opzichte van het vorige plan. Met betrekking tot het toestaan bij recht van horeca van het type IV heeft de raad zich, overeenkomstig pagina 37 van het "Horecabeleid stadsdeel Zuid 2011", op het standpunt gesteld dat voor de Eerste van der Helststraat de uitgangspunten van het plan "De Pijp 2005" onverkort van kracht blijven. In dat plan was horeca van het type IV niet bij recht toegestaan. In het aangevoerde ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid zijn beleid heeft kunnen hanteren en heeft kunnen afzien van het voorzien bij recht in horeca van het type IV op het perceel. Het betoog slaagt niet.

Uitspraak 201808944/1/R1

12

Toegestane bedrijven 20. MCV en anderen betogen dat op grond van het plan "De Pijp 2005" meer soorten bedrijven waren toegestaan. Zo was onder andere een broodbakkerij zonder verkooppunt mogelijk. Zij stellen dat voor het beperken van de mogelijkheden in het voorliggende plan geen motivering is gegeven. Verder betogen zij dat het voorliggende plan een kleine bakkerij mogelijk maakt op het perceel, maar dat onduidelijk is wat daarmee bedoeld is. 21. Op grond van artikel 6, lid 1, onder c en d, in samenhang met artikel 27.2 van de planregels van het plan "De Pijp 2018" zijn (ambachtelijke) bedrijven toegestaan, voor zover die op de Staat van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten en - deels - op de Staat van bedrijfsactiviteiten voorkomen. 21.1. De Afdeling stelt voorop dat in het algemeen aan een geldend bestemmingsplan geen blijvende rechten kunnen worden ontleend. De raad kan op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De Afdeling stelt vast dat ten opzichte van het plan "De Pijp 2005" minder soorten bedrijven mogelijk zijn op het perceel. Zo is, zoals MCV en anderen bij wijze van voorbeeld hebben genoemd, een broodbakkerij gelet op artikel 27.2, onder c1, in samenhang met de Staat van Bedrijfsactiviteiten niet mogelijk.

Onder het vorige plan was een broodbakkerij kleiner dan 150 m2 gelet op artikel 4, eerste lid, onder c, 14, eerste lid, onder a, en de Staat van Inrichtingen van de planvoorschriften, wel toegestaan. De raad heeft gesteld dat dit het gevolg is geweest van de toepassing van een geactualiseerde Staat van Bedrijfsactiviteiten die een andere systematiek hanteert dan de Staat van Inrichtingen behorende bij het plan "De Pijp 2005". Er blijven volgens de raad voldoende gebruiksmogelijkheden over en het was niet noodzakelijk om alle in het plan "De Pijp 2005" mogelijk gemaakte bedrijven opnieuw mogelijk te maken in dit plan. MCV en anderen hebben ter zitting beaamd dat de planregels van beide nu voorliggende plannen voldoende mogelijkheden bieden om het perceel te verhuren aan bedrijven. Verder hebben zij niet inzichtelijk gemaakt welke concrete bedrijven specifiek mogelijk gemaakt zouden moeten worden in het plan. In het aangevoerde ziet de Afdeling daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bedrijfsmogelijkheden op het perceel heeft kunnen beperken aan de hand van de Staat van Bedrijfsactiviteiten. Over de uitleg van het begrip "kleine bakkerij" heeft de raad ter zitting toegelicht dat hiermee ambachtelijke eenmanszaken zijn bedoeld.

Deze eenmanszaken mogen geen onderdeel zijn van meerdere vestigingen of ketens waar het brood niet op ambachtelijke wijze wordt gemaakt. De Afdeling ziet, mede gelet op deze toelichting, in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat het begrip "kleine bakkerij" onduidelijk is. Dit betoog slaagt niet. Ondergeschikte dienstverlening en kantoren 22. MCV en anderen betogen dat het plan ten onrechte een beperking van de mogelijkheid tot dienstverlening oplevert ten opzichte van het vorige plan. Zij stellen dat enkel nog is voorzien in ondergeschikte dienstverlening bij de hoofdfuncties detailhandel en/of ambachtelijke bedrijven. Daardoor zijn functies zoals een kapper, reisbureau of kinderopvang niet langer toegestaan. Zij betogen verder dat onduidelijk is wat in artikel 6 van de planregels met de term "ondergeschikt" wordt bedoeld. Volgens hen had voor de duidelijkheid een maximale oppervlakte moeten worden opgenomen. MCV en anderen stellen verder dat ten onrechte niet is voorzien in kantoren. Aan hen zijn daarmee in strijd met de nota van uitgangspunten die aan het plan ten grondslag ligt, gebruiksrechten ontnomen. Zij betogen tot slot dat het niet begrijpelijk is waarom de bestemming "Gemengd - 2" aan het perceel is

Uitspraak 201808944/1/R1

13

toegekend en niet de ruimere bestemming "Gemengd - 1". 22.1. De Afdeling overweegt dat in paragraaf 2.1.1 van de nota van uitgangspunten, onder I, is vermeld dat het plan voorziet in behoud van bestaande rechten. Verder is vermeld dat in een aantal gevallen aanleiding bestaat om de huidige gebruiksmogelijkheden nog eens te beoordelen en dat voornamelijk melding wordt gemaakt van onderwerpen waarbij gemotiveerd afgeweken zal gaan worden van het algemene uitgangspunt dat bestaande gebruiksrechten gehandhaafd blijven. Zoals onder 21.1 is overwogen kan de raad op grond van gewijzigde planologische inzichten en na afweging van alle betrokken belangen andere bestemmingen en regels voor gronden vaststellen. De raad heeft verklaard dat het perceel ligt in een dwarsstraat van een winkelstraat, te weten de Albert Cuypstraat, en dat hij inmiddels in dergelijke straten alleen detailhandel, inpandige fietsstallingen en ambachtelijke bedrijven nog wenselijk acht om het karakter van zogeheten "stadsstraten" en marktgebieden te behouden. Met deze verklaring heeft de raad evenwel niet duidelijk gemaakt waarom na afweging van de betrokken belangen dienstverlening en een kantoorfunctie voor het pand van MCV en anderen nog wel in ondergeschikte vorm, maar niet meer als hoofdfunctie planologisch aanvaardbaar is.

Niet valt in te zien dat de door MCV en anderen genoemde vormen van dienstverlening niet zouden passen in de door de raad gewenste, niet nader omschreven functie van "stadsstraten" en marktgebied en ook verder is niet duidelijk gemaakt waarom dienstverlening en een kantoorfunctie in het pand van MCV en anderen onaanvaardbaar afbreuk zullen doen aan de door de raad gewenste functie van de Albert Cuypstraat. Het 6:19-besluit en het besluit waarbij het plan "De Pijp 2018" is vastgesteld zijn op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd. Het betoog slaagt. Het betoog dat onduidelijk is wat wordt bedoeld met "ondergeschikt", behoeft om die reden geen bespreking. Conclusie 23. Het beroep van MCV en anderen is gegrond. Het 6:19-besluit en het besluit waarbij het plan "De Pijp 2018" zijn vastgesteld dienen wegens strijd met artikel 3:46 van de Awb te worden vernietigd, voor zover daarbij niet is voorzien in dienstverlening en kantoren, ter plaatse van het perceel Eerste van der Helststraat 31 te Amsterdam. Het beroep van het Bisdom 24. Het Bisdom is eigenaar van het Afrikahuis aan de Van Ostadestraat 270 te Amsterdam. Het complex bestaat uit een pastorie, een kerk en het kostershuis. Niet in geschil is dat het complex al jaren niet meer voor deze functies wordt gebruikt. Maatschappelijke bestemming 25.

Het Bisdom kan zich niet verenigen met de bestemming "Maatschappelijk" die aan het perceel Van Ostadestraat 270 is toegekend, omdat volgens het Bisdom het Afrikahuis niet rendabel voor maatschappelijke doeleinden kan worden gebruikt. Dit betekent dat het plan niet uitvoerbaar is. Het Bisdom voert aan dat het complex grotendeels leegstaat en in slechte staat verkeert, waardoor het visueel misstaat in de omgeving en vandalisme en hanggroepen aantrekt. Het pand is volgens het Bisdom daardoor onverkoopbaar en kan hooguit tegen een minimale prijs verhuurd worden. Het Bisdom betoogt verder dat de raad niet is ingegaan op de argumenten die het in zijn zienswijze naar voren heeft gebracht en op de overgelegde rapporten en adviezen over de haalbaarheid van het toekennen van de maatschappelijke bestemming. Het Bisdom wijst er op dat de raad zijn keuze voor de bestemming heeft onderbouwd met het rapport "Haalbaarheidsonderzoek herbestemming van het "Afrikahuis" te Amsterdam", gedateerd 2 juli 2015 en opgesteld door Herbestem B.V. In dit rapport is weliswaar vermeld dat het middelste deel van het gebouw de bestemming "Maatschappelijk"

Uitspraak 201808944/1/R1

14

moet behouden, maar die stelling is niet onderbouwd. Verder is in het rapport ook vermeld dat de welstandscommissie heeft geadviseerd dat een herbestemming naar "Wonen" met behoud van de belangrijkste waarden van het gebouw mogelijk is. Op dat advies is de raad ten onrechte niet ingegaan. Het Bisdom betoogt voorts dat de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom de cultuurhistorische waarde en de ligging in De Pijp zouden moeten betekenen dat de bestemming "Maatschappelijk" moet worden gehandhaafd. De cultuurhistorische waarde kan immers ook met een andere bestemming worden geborgd. Verder bestrijdt het Bisdom de stelling van de raad dat in De Pijp een tekort zou ontstaan aan maatschappelijke voorzieningen. 25.1. De raad stelt dat in De Pijp veel panden met een maatschappelijke bestemming zijn getransformeerd en een andere bestemming hebben gekregen. Er zijn daardoor weinig plekken behouden gebleven met een maatschappelijke functie. De plekken die er nog zijn, wenst hij te behouden. Verder stelt de raad dat het niet vinden van een geschikte huurder of koper niet ligt aan de bestemming, maar aan het nalaten van het uitvoeren van onderhoud. Het enkele financiële belang van het Bisdom is voor hem geen reden de woonbestemming toe te kennen. Verder stelt de raad dat in 2015 eenzelfde verzoek om wijziging is ingediend en dat dat verzoek is afgewezen.

De verwijzing naar het haalbaarheidsonderzoek, dat ten behoeve van dat verzoek is opgesteld, ziet daarop. De raad stelt dat hij op dit moment geen reden ziet om de situatie anders te beoordelen. Verder stelt de raad dat de omstandigheid dat de welstandscommissie positief is over het initiatief, niet betekent dat de bestemming moet worden gewijzigd in "Wonen". Over de uitvoerbaarheid stelt de raad dat in het voorliggende geval het Afrikahuis is bestemd overeenkomstig de bestaande situatie. Het pand had onder het vorige planologische regime een maatschappelijke bestemming en die is met dit plan behouden. Tot slot stelt de raad dat religieuze organisaties en onderwijs-, zorgen sportinstellingen belangstelling hebben getoond voor het gebruik van het gebouw voor maatschappelijke doeleinden. 25.2. Aan het perceel Van Ostadestraat 270 is in het plan "De Pijp 2018" de bestemming "Maatschappelijk" toegekend. Deze bestemming is behouden in het plan dat bij het 6:19besluit is vastgesteld. In het 6:19-besluit is verder de dubbelbestemming "Waarde Cultuurhistorie 1" aan het perceel toegekend. 25.3. Tussen partijen is niet in geschil dat de bebouwing al sinds 2010 niet meer als kerkgebouw wordt gebruikt en in slechte staat verkeert. In geschil is of de bestemming "Maatschappelijk" voor het complex nog steeds passend en uitvoerbaar is.

Het Bisdom heeft de stelling van de raad dat maatschappelijke instanties gebruik kunnen maken van het pand, gemotiveerd bestreden. Zo heeft het Bisdom er op gewezen dat de belangstelling van de door de raad genoemde culturele of religieuze instellingen dateert van 2012 en 2013 dan wel dat deze instellingen veel minder vierkante meters zoeken. Deze instellingen zullen niet de investeringen kunnen doen om het pand bruikbaar te maken voor hun activiteiten. Verder heeft het Bisdom gesteld dat interesse bestaat om het pand voor medische zorg of woonzorg te gebruiken, maar dat ook in dat geval geldt dat een deel van de ruimte een commerciële functie zou moeten hebben om het pand rendabel te exploiteren. De raad heeft dit ter zitting niet gemotiveerd bestreden. Onder deze omstandigheden heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling met de hiervoor gegeven motivering niet inzichtelijk gemaakt waarom het, mede gelet op de gerechtvaardigde belangen van het Bisdom als eigenaresse van het complex, uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig is dat het gehele complex een maatschappelijke bestemming behoudt en dat het niet gewenst is om te voorzien in een andere bestemming om een rendabele exploitatie mogelijk te maken om het complex - een gemeentelijk monument- op deze wijze geheel of gedeeltelijk te behouden.

Uitspraak 201808944/1/R1

15

Het besluit waarbij het plan "De Pijp 2018" is vastgesteld, is in zoverre onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Het betoog slaagt. Beroep tegen het 6:19-besluit. 26. Het Bisdom kan zich niet verenigen met de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie 1" die bij het 6:19-besluit aan het perceel is toegekend. Volgens hem is geen motivering gegeven om die bestemming voor dit concrete perceel toe te kennen. Ook is de bestemming niet nodig gelet op de afwijkende architectuur van het gebouw ten opzichte van de dakconstructies in de omgeving, die de raad kennelijk met de dubbelbestemming wenst te beschermen. Verder wijst het Bisdom er op dat uit de "Waarderingskaart stedenbouwkundige en architectonische kwaliteit" blijkt dat het Afrikahuis zich deels langs de stedenbouwkundige zone C en deels langs de Basiszone bevindt, en dus niet langs zone A en B. Gelet op wat in paragraaf 3.2.1 van de toelichting is uiteengezet over de ratio en het toepassingsbereik van de cultuurhistorische bescherming is ten onrechte de dubbelbestemming opgenomen. 27. Aan de percelen waarop het Afrikahuis staat, is bij het 6:19-besluit de bestemming "Waarde - Cultuurhistorie -1 " toegekend. 27.1. De raad stelt dat het Afrikahuis al in het plan "De Pijp 2018" de dubbelbestemming had moeten krijgen.

Hij wijst er op dat voor de panden die zijn aangewezen als Orde 1 en Orde 2 op de waarderingskaart van de welstandsnota, de dubbelbestemming 'Waarde cultuurhistorie 1' is opgenomen. Het Afrikahuis is verder bij besluit van 11 juni 2009 door het dagelijks bestuur aangewezen tot gemeentelijk monument, en ook op de ordewaarderingskaarten van Amsterdam weergegeven. 27.2. De Afdeling stelt op basis van de Waarderingskaart architectonische en stedenbouwkundige kwaliteit, opgesteld door de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit van Amsterdam, vast dat het Afrikahuis langs de zogeheten Stedenbouwkundige Zones "Basiszone" en "Zone C" ligt, maar dat het Afrikahuis zelf als een zogeheten "Orde 1"-gebouw is aangewezen. Volgens het welstandsbeleid van de commissie zijn Orde 1-gebouwen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten en panden met een vergelijkbare cultuurhistorische waarde. Voor geregistreerde rijksmonumenten en gemeentelijke monumenten geldt dat die worden behandeld gelijk aan de bescherming volgens de voormalige Monumentenwet 1988 dan wel Verordening tot behoud van monumenten in de stadsdelen van de 19de-eeuwse Ring. Voor het casco geldt een restauratieve aanpak.

In paragraaf 7.2.2 van de toelichting bij het plan "De Pijp 2018" is vermeld dat de raad voor de panden die zijn aangewezen als orde 1-gebouw in de welstandsnota, de dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie 1" heeft opgenomen. De regeling is er volgens de plantoelichting op gericht om bij alle ordepanden het kapprofiel te behouden. In paragraaf 3.2.1 van die plantoelichting is vermeld dat alle kappen van gebouwen in orde 1, 2 en 3 langs stedenbouwkundige zones A en B middels een dubbelbestemming "Waarde - Cultuurhistorie (1 of 2)" worden "bevroren". De Afdeling leidt uit dit aangehaalde citaat uit paragraaf 3.2.1 niet af dat een Orde 1-gebouw dat langs Zone C of Basiszone ligt niet mag worden beschermd met de dubbelbestemming. Verder heeft de raad er blijkens paragraaf 7.2.2 van de plantoelichting voor gekozen om bij panden die zijn aangewezen als Orde - 1 de dubbelbestemming toe te kennen en het kapprofiel te behouden, ongeacht langs welke zone die panden staan. In het aangevoerde en gelet op de aanwijzing van het pand als gemeentelijk monument, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat de raad niet in redelijkheid de bestemming "Waarde - Cultuurhistorie - 1" heeft mogen toekennen. Dit betoog slaagt niet.

Uitspraak 201808944/1/R1

16

Conclusie 28. Het beroep van het Bisdom is gegrond. Het besluit van 19 september 2018 en het 6:19besluit dienen te worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Awb, voor zover het de bestemming "Maatschappelijk" ter plaatse van het perceel Van Ostadestraat 270 betreft. Het beroep van Aalborg Hotel 29. Aalborg Hotel exploiteert een hotel, het Arcade Hotel , aan het Sarphatipark 104, 106 en 108 te Amsterdam. Op 12 november 2015 heeft Aalborg Hotel een vergunning aangevraagd om van de drie kleine kelders onder de percelen Sarphatipark 104, 106 en 108 één grote kelder te maken en daar negen hotelkamers in te realiseren. Verder zijn daarbij een zogeheten koekoek en wolfskuil om de kelder van licht en lucht te voorzien, aangevraagd. Deze vergunning is geweigerd. 29.1. Aalborg Hotel kan zich niet verenigen met het plan, voor zover dat in een verbod voorziet tot het aanbrengen van nieuwe kelders onder haar gebouwen. Aalborg Hotel betoogt dat het enkele feit dat de omgevingsvergunning na heroverging in bezwaar is geweigerd, niet met zich brengt dat de raad het positief bestemmen van het bouwplan niet hoeft te overwegen bij de vaststelling van het plan. Zij voert aan dat gelet op de jurisprudentie van de Afdeling voldoende concrete initiatieven die tijdig kenbaar zijn gemaakt bij de vaststelling van het plan moeten worden betrokken.

Daarbij is het niet nodig dat de besluitvorming in de vorm van een omgevingsvergunning al is afgerond. Volgens Aalborg Hotel was het bouwplan ten tijde van het vaststellen van het plan voldoende concreet, tijdig kenbaar en kon de ruimtelijke aanvaardbaarheid worden beoordeeld. Dat het dagelijks bestuur van de bestuurscommissie van Stadsdeel Zuid de omgevingsvergunning heeft geweigerd maakt dat niet anders, omdat dit een ander bevoegd gezag is dan de raad. Ook was het besluit op bezwaar nog niet onherroepelijk. Verder voert Aalborg Hotel aan dat indien de raad het voornemen inhoudelijk had beoordeeld, hij het bouwplan positief had moeten bestemmen. Aalborg Hotel betoogt daartoe dat de aanduiding "hotel toegestaan", zoals ook het dagelijks bestuur heeft erkend, abusievelijk niet was toegekend aan de percelen Sarphatipark 106 en 108 in het vorige plan en dat het herstel van die omissie een zwaarder wegend belang zou moeten zijn dan de belangen van omwonenden en de algemene belangen die in het Overnachtingsbeleid zijn genoemd. 29.2. De raad stelt dat het voornemen van Aalborg Hotel is beoordeeld bij het vaststellen van het plan, maar dat het niet heeft geleid tot het opnemen van de door Aalborg Hotel gewenste planregeling.

De raad stelt dat hij de gewenste verdere uitbreiding van het hotel ruimtelijk niet aanvaardbaar acht, mede gelet op de druk van het bestaande hotel op het woon-en leefklimaat van de direct omwonenden. De raad verwijst hiervoor naar de motivering in het besluit op bezwaar van 24 maart 2018 in de procedure over de in bezwaar geweigerde omgevingsvergunning voor hetzelfde bouwplan. 29.3. In het plan "De Pijp 2005" was aan de percelen Sarphatipark 104, 106 en 108 de bestemming "Gemengde doeleinden" toegekend. Op de plankaart behorende bij dit plan was de aanduiding "hotel toegestaan" niet toegekend aan de percelen. In het plan van 19 september 2018 is aan de percelen de bestemming "Horeca" toegekend, waarmee de gestelde omissie uit het vorige plan is hersteld. Het 6:19-besluit brengt in de voor het hotel opgenomen planregeling geen verandering. Aalborg Hotel heeft een beroep van rechtswege tegen het 6:19-besluit.

Uitspraak 201808944/1/R1

17

29.4. De raad heeft toegelicht dat hij bij het vaststellen van het plan op de hoogte was van het concrete initiatief van Aalborg Hotel voor het realiseren van de uitbreiding in de kelder. Hij was zich voorts bewust van de weigering van de omgevingsvergunning hiervoor, in bezwaar. Ter zitting heeft de raad toegelicht dat hij wat de ruimtelijke aanvaardbaarheid betreft hetzelfde standpunt hanteert als het voormalige algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid. Het besluit van dat bestuur van 24 maart 2018 bevat een inhoudelijke ruimtelijke afweging over de afwijzing van de aanvraag om de uitbreiding te realiseren. De raad heeft zich dus aangesloten bij het standpunt van het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van stadsdeel Zuid en dat tot het zijne gemaakt. Dat de raad dit standpunt heeft overgenomen maakt niet dat de raad geen eigen zelfstandige afweging heeft gemaakt over de aanvaardbaarheid van de gewenste uitbreiding. Het betoog van Aalborg Hotel slaagt daarom niet. Voorts ziet de Afdeling in het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat aan het belang van omwonenden om gevrijwaard te blijven van onder meer geluidhinder van het gebruik van de nieuwe hotelkamers meer gewicht toekomt dan aan het bedrijfsbelang van Aalborg Hotel. Ook in zoverre slaagt het betoog niet.

Conclusie 30. Het beroep van Aalborg Hotel is ongegrond. Het beroep van VastNed 31. VastNed is eigenaar van de percelen Ferdinand Bolstraat 47H, 47-I, 47-II, 49, 49-I, 49-II, 79HS, 79-I, 79-II, 79-III, 81HS, 81-I, 81-II, 81-III, 88HS, 88-I, 88-II, 88-III, 97H, 97-I, 97-II, 97-III, 101HS, 101-I, 101-II, 101-III, 122HS, 122-I, 122-II, 122-III, 124HS, 124-I, 124-II en 124-III. VastNed verhuurt de benedenverdiepingen van de panden op deze percelen aan uiteenlopende detailhandelsfuncties. De etages worden bewoond. 31.1. VastNed betoogt dat het plan dat bij besluit van 19 september 2018 is vastgesteld, rechtsonzeker is. Zij stelt dat niet uitdrukkelijk is bepaald dat het gebruik van bijbehorende bouwwerken op gronden met een tuinbestemming ook is toegestaan voor functies die zijn toegestaan binnen de gronden met de bestemming "Gemengd - 2". Verder stelt VastNed dat uit artikel 13 lid 13.2.1, onder b, van de planregels van het plan "De Pijp 2018" niet duidelijk blijkt of de bestaande bijgebouwen (deels) mogen worden vernieuwd. 31.2. Aan de bovengenoemde percelen, voor zover daar bebouwing op staat, is de bestemming "Gemengd - 2" toegekend. Achter de gebouwen bevinden zich bestemmingsvlakken, waaraan telkens de bestemming "Tuin" en de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" is toegekend.

Deze bestemmingen zijn gehandhaafd in het 6:19besluit, zodat VastNed hiertegen een beroep van rechtswege heeft. 31.3. De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 13 lid 13.4, onder b, van de planregels bijgebouwen ondergeschikt aan de functie in het hoofdgebouw mogen worden gebruikt. Aangezien de hoofdgebouwen op de gronden met de bestemming "Gemengd - 2" staan, mogen bestaande en vergunde bijgebouwen op de percelen dus ook worden gebruikt voor de functies die het plan ter plaatse van de bestemming "Gemengd - 2" mogelijk maakt. De raad heeft bevestigd dat dit ook zijn bedoeling is geweest. Verder mogen op grond van artikel 13 lid 13.2.1, onder b, bijgebouwen geheel worden vernieuwd. Naar het oordeel van de Afdeling betekent dit ook dat deze bijgebouwen geheel mogen worden vernieuwd. Gelet hierop heeft het toekennen van de bestemming "Tuin" op de percelen geen nadelige gevolgen voor het gebruik van deze percelen door VastNed. Het betoog dat deze planregels

Uitspraak 201808944/1/R1

18

rechtsonzeker zijn slaagt niet. 32. VastNed kan zich ook niet verenigen met de dubbelbestemming "Waarde - Landschap", omdat daardoor in de binnentuinen geen bijgebouwen kunnen worden opgericht. Zij betoogt dat deze bestemming beperkende gevolgen heeft voor de bedrijfsvoering van de bedrijven aan wie zij haar panden verhuurt. De op de percelen aanwezige gebouwen hadden volgens haar als zodanig moeten worden bestemd. VastNed voert aan dat de raad volgens de plantoelichting met de bestemming "Waarde - Landschap" heeft beoogd om verdere verdichting van binnentuinen tegen te gaan om daarmee het waterbergend vermogen van de bodem, de verhouding tussen bebouwing en groen en de cultuurhistorische waarde van binnentuinen te behouden. Daaruit blijkt niet dat de raad wenst dat bestaande bouwwerken worden gesloopt. Verder zijn de percelen van VastNed volgebouwd en zijn er dus geen groene of open binnentuinen om te beschermen. Voorts stelt VastNed dat de bebouwing niet binnen redelijke termijn zal worden verwijderd. Tot slot stelt VastNed dat de raad niet heeft gemotiveerd waarom de planregeling zou strekken tot een goede ruimtelijke ordening. De raad heeft geen tuinhistorisch of locatiespecifiek onderzoek gedaan. Ook heeft de raad geen op het plangebied toegesneden onderzoek naar de mate en wijze van waterberging, die nodig zou zijn in verband met klimaatverandering, overgelegd.

Verder stelt VastNed dat artikel 24 lid 24.2 van de planregels in strijd is met de mogelijkheden die artikel 2.1, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in samenhang met artikel 2.3 van het Bor bieden om zonder omgevingsvergunning te bouwen op het achtererfgebied. 32.1. Zoals de Afdeling eerder in haar uitspraak van 21 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:571, heeft overwogen, kan de raad er voor kiezen de inrichting van het erf ten dienste van het gebruik van het hoofdgebouw te verbieden, zodat de bepalingen die vergunningvrij bouwen in de zin van artikel 2 van bijlage II van het Bor mogelijk maken, niet van toepassing zijn. Wanneer met een dergelijke planregeling in zijn algemeenheid, dus zonder acht te slaan op de locatiespecifieke omstandigheden, vergunningvrij bouwen aan banden zou worden gelegd, acht de Afdeling dat niet aanvaardbaar. Daarmee zou de uitdrukkelijk in het Bor gemaakte keuze om vergunningvrij bouwen mogelijk te maken, op onaanvaardbare wijze worden doorkruist. De raad moet deugdelijk motiveren dat een dergelijke planregeling, gelet op de locatiespecifieke omstandigheden, strekt tot een goede ruimtelijke ordening. 32.2. In de nota van uitgangspunten, die deel uitmaakt van de plantoelichting, heeft de raad gesteld dat hij een verdere verdichting van binnentuinen wil tegengaan.

De raad wenst hiermee te bereiken dat bewoners op de hoger gelegen bouwlagen uitzicht houden op groene binnentuinen ter afwisseling van de stedelijke drukte aan de voorzijde. Verder beoogt de raad om de waterbergende effecten van de tuinen te behouden. Om die reden is de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" aan diverse binnentuinen in De Pijp toegekend. In dit geval heeft de raad evenwel niet onderbouwd dat de binnentuinen waarvan de percelen van VastNed deel uitmaken, waterbergende functies hebben en dat de regeling bijdraagt aan het voorkomen van wateroverlast in dit gebied. De Afdeling overweegt dat de raad geen locatiespecifiek onderzoek heeft gedaan naar de noodzaak om de dubbelbestemming op te nemen voor de (binnen)tuinen achter de bebouwing op de percelen van VastNed. Daarbij betrekt de Afdeling dat de raad de stelling van VastNed dat de binnentuinen van haar percelen al geheel of grotendeels zijn volgebouwd, niet heeft bestreden. Het besluit waarbij het plan "De Pijp 2018" is vastgesteld berust gelet op het voorgaande daarom in zoverre niet op een deugdelijke motivering. Conclusie 32.3. Het beroep van VastNed is gegrond voor zover dat is gericht tegen de

Uitspraak 201808944/1/R1

19

dubbelbestemming "Waarde - Landschap" die in het besluit van 19 september 2018 en het 6:19-besluit is toegekend aan de percelen Ferdinand Bolstraat 47H, 47-I, 47-II, 49, 49-I, 49-II, 79HS, 79-I, 79-II, 79-III, 81HS, 81-I, 81-II, 81-III, 88HS, 88-I, 88-II, 88-III, 97H, 97-I, 97-II, 97-III, 101HS, 101-I, 101-II, 101-III, 122HS, 122-I, 122-II, 122-III, 124HS, 124-I, 124-II en 124-III. Beide besluiten dienen te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb voor zover de bestemming "Waarde - Landschap" is toegekend aan deze percelen. Opdracht 33. De Afdeling ziet aanleiding de raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb op te dragen om voor de vernietigde planonderdelen een nieuw besluit te nemen en zal daarvoor een termijn stellen. Proceskosten 34. Ten aanzien van Comité Oude Pijp en anderen, [appellante sub 2], Caransa, [appellante sub 4] en andere, MCV en anderen, het Bisdom en VastNed dient de raad op hierna te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.

Voor zover [appellante sub 4] en andere hebben verzocht om op grond van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht af te wijken van de op grond van het eerste lid vastgestelde bedragen en over te gaan tot een veroordeling van de zogenoemde integrale kosten, wijst de Afdeling dit verzoek af reeds omdat niet inzichtelijk is gemaakt waaruit die integrale kosten bestaan. Ten aanzien van [appellant sub 5] is niet gebleken van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van Aalborg Hotel bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State: I. verklaart het beroep van [appellant sub 5] niet-ontvankelijk, voor zover dat betrekking heeft op artikel 16 lid 16.2.2, onder c, van de planregels; II. verklaart de beroepen van Comité Oude Pijp en anderen, [appellante sub 2], Caransa Group B.V., [appellante sub 4] en andere, [appellant sub 5], voor zover ontvankelijk, Maatschap Centrum Vastgoed en anderen, Bisdom Haarlem - Amsterdam en VastNed Retail Nederland B.V. tegen het besluit van 19 september 2018, waarbij de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "De Pijp 2018" heeft vastgesteld, gegrond; III. vernietigt het besluit van 19 september 2018, voor zover: a.

de aanduiding "horeca van categorie 4" is toegekend ter plaatse van het perceel Van Woustraat 74A te Amsterdam; b. ter plaatse van de achterzijde van het perceel [locatie 1] te Amsterdam niet is voorzien in een woonbestemming; c. de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend aan de percelen Karel du Jardinstraat 61-65 en 67 te Amsterdam; d. de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" is toegekend aan het perceel op de hoek van de Ferdinand Bolstraat en de Eerste Jan Steenstraat, ter hoogte van [locatie 2] te Amsterdam en voor zover niet is voorzien in kantoren op de derde, vierde en vijfde bouwlaag op dat perceel; e. de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" is toegekend aan de percelen [locatie 3],

Uitspraak 201808944/1/R1

20

[locatie 4] en [locatie 5] te Amsterdam; f. ter plaatse van het perceel Eerste van der Helststraat 31 te Amsterdam niet is voorzien in dienstverlening en kantoren; g. de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend aan het perceel Van Ostadestraat 270 te Amsterdam; h. de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" is toegekend aan de percelen Ferdinand Bolstraat 47H, 47-I, 47-II, 49, 49-I, 49-II, 79HS, 79-I, 79-II, 79-III, 81HS, 81-I, 81-II, 81-III, 88HS, 88-I, 88-II, 88-III, 97H, 97-I, 97-II, 97-III, 101HS, 101-I, 101-II, 101-III, 122HS, 122-I, 122-II, 122III, 124HS, 124-I, 124-II en 124-III, alle te Amsterdam; IV. verklaart de beroepen van Comité Oude Pijp en anderen, [appellante sub 2], Caransa Group B.V., [appellante sub 4] en andere, [appellant sub 5], voor zover ontvankelijk, Maatschap Centrum Vastgoed en anderen, Bisdom Haarlem - Amsterdam en VastNed Retail Nederland B.V. tegen het besluit van 9 oktober 2019, waarbij de raad van de gemeente Amsterdam het bestemmingsplan "De Pijp 2018, 1e herziening" heeft vastgesteld gegrond; V. vernietigt het besluit van 9 oktober 2019, voor zover: a. de aanduiding "horeca van categorie 4" is toegekend ter plaatse van het perceel Van Woustraat 74A te Amsterdam; b. ter plaatse van de achterzijde van het perceel [locatie 1] te Amsterdam niet is voorzien in een woonbestemming; c.

de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend aan de percelen Karel du Jardinstraat 61-65 en 67; d. de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" is toegekend aan het perceel op de hoek van de Ferdinand Bolstraat en de Eerste Jan Steenstraat, ter hoogte van [locatie 2] en voor zover niet is voorzien in kantoren op de derde, vierde en vijfde bouwlaag op dat perceel; e. de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" is toegekend aan de percelen [locatie 3], [locatie 4] en [locatie 5] te Amsterdam; f. ter plaatse van het perceel Eerste van der Helststraat 31 te Amsterdam niet is voorzien in dienstverlening en kantoren; g. de bestemming "Maatschappelijk" is toegekend aan het perceel Van Ostadestraat 270 te Amsterdam; h. de dubbelbestemming "Waarde - Landschap" is toegekend aan de percelen Ferdinand Bolstraat 47H, 47-I, 47-II, 49, 49-I, 49-II, 79HS, 79-I, 79-II, 79-III, 81HS, 81-I, 81-II, 81-III, 88HS, 88-I, 88-II, 88-III, 97H, 97-I, 97-II, 97-III, 101HS, 101-I, 101-II, 101-III, 122HS, 122-I, 122-II, 122III, 124HS, 124-I, 124-II en 124-III, alle te Amsterdam; VI. verklaart het beroep van Aalborg Hotel Management B.V. ongegrond; VII.

draagt de raad op om binnen 26 weken na verzending van deze uitspraak met inachtneming daarvan een nieuw besluit te nemen voor de onderdelen genoemd onder V en dit vervolgens op de wettelijk voorgeschreven wijze en binnen de daarvoor geldende termijn bekend te maken en mede te delen; VIII. veroordeelt de raad van de gemeente Amsterdam tot vergoeding van de bij appellanten in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten als volgt:

Uitspraak 201808944/1/R1

21

a. bij Comité Oude Pijp en anderen een bedrag van € 459,61 (zegge: vierhonderdnegenenvijftig euro en eenenzestig cent), met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. bij [appellante sub 2] een bedrag van € 796,50 (zegge: zevenhonderdzesennegentig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; c. bij Caransa Group B.V. een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro en vijftig cent), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; d. bij [appellante sub 4] en andere een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; e. bij Maatschap Centrum Vastgoed en anderen een bedrag van € 1.068,00 (zegge: duizendachtenzestig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; f.

bij Bisdom Haarlem - Amsterdam een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; g. bij VastNed Retail Nederland B.V. een bedrag van € 1.335,00 (zegge: dertienhonderdvijfendertig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; IX. gelast dat de raad van de gemeente Amsterdam het door appellanten voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht als volgt vergoedt: a. voor Comité Oude Pijp en anderen een bedrag van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro), met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; b. voor [appellante sub 2] een bedrag van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro); c. voor Caransa Group B.V. een bedrag van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro); d. voor [appellante sub 4] en andere een bedrag van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro), met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; e. voor [appellant sub 5] een bedrag van € 170,00 (zegge: honderdzeventig euro); f.

voor Maatschap Centrum Vastgoed en anderen een bedrag van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro), met dien verstande dat bij betaling aan één van hen het bestuursorgaan aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan; g. voor Bisdom Haarlem - Amsterdam een bedrag van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro); h. voor VastNed Retail Nederland een bedrag van € 338,00 (zegge: driehonderdachtendertig euro).

Uitspraak 201808944/1/R1

22

Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. E.A. Minderhoud, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.S. van Helvoort, griffier. w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Van Helvoort voorzitter griffier Uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2021 361.

BIJLAGE Planregels van het bestemmingsplan "De Pijp 2018, 1e herziening" Artikel 11 lid 11.1 luidt: "De voor 'Waarde - Cultuurhistorie 1' aangewezen gronden zijn, naast de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud, herstel en de uitbouw van de cultuurhistorische en ruimtelijke waarden van het gebied en zijn bebouwing." Artikel 11 lid 11.2 luidt: "Op en onder de in 11.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd in aanvulling op het bepaalde bij de andere daar voorkomende bestemming(en), met inachtneming van de volgende regels: a. de hoofdvorm van bouwwerken, bepaald door het kapprofiel, zoals aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan en zoals die is gebouwd, dan wel mag worden gerealiseerd krachtens een voor dat tijdstip verleende omgevingsvergunning dient gehandhaafd te worden; b. in afwijking van het bepaalde onder a, mag een dakuitbouw gerealiseerd worden mits er voldaan wordt aan de volgende voorwaarden: 1. de hoogte van de dakuitbouw moet minimaal 0,3 meter minder zijn dan de bestaande bouwhoogte van het betreffende hoofdgebouw; 2. de afstand tot de zijdelingse perceelsgrenzen dient groter dan 0,5 meter te zijn; 3. de dakuitbouw dient in de dakvoet geplaatst te worden; 4.

indien binnen het betreffende bouwblok reeds dakuitbouwen aanwezig zijn, dient de dakuitbouw in de maatvoering en positionering in het dakvlak aan te sluiten bij de al aanwezige dakuitbouwen; 5. indien binnen het betreffende bouwblok nog geen dakuitbouwen aanwezig zijn, mag de eerste dakuitbouw, en dakuitbouwen die daaropvolgend op grond van het bepaalde onder 4 gerealiseerd kunnen worden, geen onevenredige aantasting van het daklandschap tot gevolg hebben; 6. indien de dakuitbouw zichtbaar is vanaf de openbare ruimte, mag geen sprake zijn van een onevenredige aantasting van de cultuurhistorische waarde; 7. door het bouwen van de dakuitbouw mag het aantal woningen of zelfstandige nietwoonfuncties niet toenemen;

Uitspraak 201808944/1/R1

23

8. over de dakuitbouw dient geadviseerd te zijn door Monumenten en Archeologie.; c. in afwijking van het bepaalde onder a zijn ondergeschikte overschrijdingen van het kapprofiel ten behoeve van ornamenten, dakkapellen en daklijsten toegestaan." Planregels van het bestemmingplan "De Pijp 2018" In artikel 1 lid 1.17 zijn bestaande kelders of souterrains omschreven als: "Kelders en/of souterrains, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning." In artikel 1 lid 1.18 zijn bestaande bijbehorende bouwwerken omschreven als: "Legale bijbehorende bouwwerken, zoals aanwezig op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, dan wel zoals die mogen worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde of verleende vergunning." In artikel 1 lid 1.21 is een 'bijbehorend bouwwerk’ omschreven als: "Uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak." In artikel 1, lid 1.37, is detailhandel omschreven als: "Het anders dan voor directe consumptie bedrijfsmatig te koop aanbieden, waaronder begrepen de uitstalling ten verkoop, het verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die deze goederen

kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit." In artikel 1 lid 1.52 is horeca van categorie 4 omschreven als: "Een inrichting die geheel gericht is op het voor directe consumptie verstrekken van maaltijden, (kleine) etenswaren, dan wel van alcoholvrije dranken, die uitsluitend ter plaatse aan tafel genuttigd worden, eventueel aangevuld met een afhaalfunctie, en in zoverre deze inrichting niet valt onder horeca van categorie 1 en horeca van categorie 3, daaronder worden in elk geval begrepen: restaurant, eetcafé, lunchroom, koffie-/theehuizen, juicebars en ijssalons. Het bieden van de gelegenheid om te dansen is toegestaan op voorwaarde dat er geen entreegeld wordt geheven en de dansvloer niet groter is dan 20% van de bruto vloeroppervlakte van de horecazaak." In artikel 1 lid 1.81 is een straatwand gedefinieerd als: "Aan een straat gelegen zijde van een aaneengesloten bouwblok, welke aan weerszijden begrensd wordt door openbare ruimte en/of begrensd wordt door verandering van straatnaam." Artikel 5, lid 5.1, luidt: "De voor 'Gemengd - 1' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen inclusief huisgebonden beroep of huisgebonden bedrijf en bed & breakfast; b.

detailhandel, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder, met dien verstande dat supermarkten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding 'supermarkt'; c. dienstverlening, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder; d. bedrijf, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder met inachtneming van artikel 27.2;

Uitspraak 201808944/1/R1

24

e. ambachtelijk bedrijf, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder met inachtneming van artikel 27.2; f. kantoor, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder; g. casino, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'casino'; h. horeca van categorie 1, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca van categorie 1'; i. horeca van categorie 3, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de functieaanduidingen 'horeca van categorie 1' en 'horeca van categorie 3'; j. horeca van categorie 4, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de functieaanduidingen 'horeca van categorie 1', 'horeca van categorie 3' en 'horeca van categorie 4'; k. hotel, uitsluitend in de derde bouwlaag en hoger ter plaatse van de functieaanduiding 'hotel'; met daaraan ondergeschikt: l. ondersteunende horeca, uitsluitend binnen detailhandel, dienstverlening, (ambachtelijk) bedrijf, kantoor, hotel en casino; m. parkeervoorzieningen ten behoeve van het in artikel 5.1 onder a t/m j genoemde gebruik in kelder en/of souterrain; n. parkeervoorzieningen ten behoeve van het in artikel 5.1 onder a t/m j genoemde gebruik in de eerste bouwlaag, uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage'; o.

nutsvoorzieningen; p. tuinen." Artikel 6, lid 6.1, luidt: "De voor 'Gemengd - 2' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen inclusief huisgebonden beroep of huisgebonden bedrijf en bed & breakfast, uitsluitend in de tweede bouwlaag en hoger en uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'wonen' tevens in de eerste bouwlaag, souterrain en/of de kelder; b. detailhandel, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder, met dien verstande dat supermarkten uitsluitend zijn toegestaan ter plaatse van de functieaanduiding 'supermarkt; c. bedrijf, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder, met inachtneming van artikel 27.2; d. ambachtelijk bedrijf, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder met inachtneming van artikel 27.2; e. dienstverlening, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de functieaanduiding 'dienstverlening'; f. kantoor, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de functieaanduiding 'kantoor' en ter plaatse van de functieaanduiding 'specifieke vorm van

Uitspraak 201808944/1/R1

25

gemengd - 3'. uitsluitend in de tweede bouwlaag; g. horeca van categorie 1, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de functieaanduiding 'horeca van categorie 1''; h. horeca van categorie 3, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de functieaanduidingen 'horeca van categorie 1' en 'horeca van categorie 3'; i. horeca van categorie 4, uitsluitend in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder ter plaatse van de functieaanduidingen 'horeca van categorie 1', 'horeca van categorie 3' en 'horeca van categorie 4'; met daaraan ondergeschikt: j. ondersteunende horeca, uitsluitend binnen detailhandel, (ambachtelijk) bedrijf, dienstverlening en kantoor; k. parkeervoorzieningen ten behoeve van het in artikel 6.1 onder a t/m i genoemde gebruik in kelder en/of souterrain; l. parkeervoorzieningen ten behoeve van het in artikel 6.1 onder a t/m i genoemde gebruik in de eerste bouwlaag uitsluitend ter plaatse van de functieaanduiding 'parkeergarage'; m. nutsvoorzieningen; n. tuinen." Artikel 6 lid 6.3.2, luidt: "Voor de in 6.1 genoemde gronden gelden de volgende regels: a. voor onder meer kantoren een maximum bruto vloeroppervlak geldt van 300 m2 per vestiging." Artikel 6 lid 6.3.5 luidt: "a.

In afwijking van het bepaalde in 6.3.2 zijn de, op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan, bestaande vestigingen met een groter bruto vloeroppervlak en/of winkelvloeroppervlak toegestaan. Een verdere vergroting is niet toegestaan; b. in afwijking van het bepaalde in 6.1 zijn in de vestigingen als bedoeld in artikel 6.3.5 onder a alleen de niet-woonfuncties toegestaan, die op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig waren;" Artikel 6 lid 6.4.2 van de planregels luidt: "Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van het bepaalde in artikel 6.1 onder g en i, ten behoeve van horeca van categorieën 1 en 4 in de eerste bouwlaag, het souterrain en/of de kelder van de panden aan de Ceintuurbaan, de Ferdinand Bolstraat (uitsluitend ten zuiden van de Lutmastraat) en de Van Woustraat (ten zuiden van de Tolstraat), met dien verstande dat: a. het percentage van de straatwand dat voor horeca wordt toegestaan maximaal 25% is; [...]". Artikel 9 lid 9.1 van de planregels luidt: "De voor "Horeca" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. hotels met bijbehorende horeca;

Uitspraak 201808944/1/R1

26

[...]" Artikel 9 lid 9.2.2 van de planregels luidt: "Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: [...] c. uitsluitend bestaande kelders en souterrains zijn toegestaan." Artikel 28, onder a, van de planregels luidt: "Indien niet met toepassing van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden, is het College van Burgemeester en Wethouders bevoegd overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening een omgevingsvergunning te verlenen in afwijking van de desbetreffende regels van dit bestemmingsplan, ten behoeve van: [...] 8. het bouwen van kelders en souterrains en het vergroten van bestaande kelders en souterrains onder voorwaarden dat: - het gebruik ten dienste is van de functie in het hoofdgebouw; - de technische haalbaarheid is aangetoond; - de diensten, die belast zijn met de zorg op het terrein van milieu- en bouwtoezicht, het (grond)waterbeheer en de bescherming van monumenten en archeologie, geen bezwaar hebben tegen de ontwikkeling; - de bovenzijde van het dak van het deel van de kelder dat zich niet onder een toegestaan bovengronds bijbehorend bouwwerk bevindt, tenminste 0,80 meter is gelegen onder de gemiddelde hoogte van het bestaande aansluitende afgewerkte maaiveld van de (binnen)tuin en op dit deel van de kelder een grondpakket wordt gerealiseerd van minimaal 0,80 meter; - aangetoond is dat de

ontwikkeling in de tuin niet ten koste gaat van (waardevolle) bomen in de (binnen-)tuin." Artikel 13 lid 13.1 van de planregels luidt: "De voor "Tuin" aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; b. bijbehorende bouwwerken; [...] e. groenvoorzieningen." Artikel 13 lid 13.2.1 luidt: "a. Op de in 13.1 genoemde gronden zijn uitsluitend de op het moment van inwerkingtreding van het bestemmingsplan bestaande bijbehorende bouwwerken toegestaan. b. Bestaande bijbehorende bouwwerken als bedoeld onder a mogen gesloopt en opnieuw opgericht worden, mits deze maximaal dezelfde omvang en locatie hebben als het gesloopte bijbehorende bouwwerk. c. Uitsluitend bestaande kelders en souterrains zijn toegestaan."

Uitspraak 201808944/1/R1

27

Artikel 13 lid 13.2.2 luidt: "a. Het bouwen van bijbehorende bouwwerken op een afstand van niet meer dan 2,5 meter van het hoofdgebouw is op grond van dit bestemmingsplan toegestaan, mits het bijbehorende bouwwerk voldoet aan de volgende eisen: 1. Het bijbehorende bouwwerk mag niet hoger zijn dan: - 5 m; - 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw, en - het hoofdgebouw; 2 . Het bouwen van het bijbehorende bouwwerk op grond van dit artikel mag niet leiden tot meer dan 50% bebouwing van het perceel binnen deze bestemming; 3. Het bijbehorende bouwwerk dient te worden voorzien van een groen dak; 4. Het waterbergend vermogen van het bouwwerk bedraagt minstens 60 millimeter per uur; b. op de gronden als bedoeld in 13.1 onder c mag op het perceel binnen deze bestemming maximaal 15% worden bebouwd ten behoeve van fietsenstallingen en bergingen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2,5 meter." Artikel 13 lid 13.4 luidt: "Voor bijbehorende bouwwerken geldt dat: a. aan- en uitbouwen gebruikt worden ten behoeve van de functie in het hoofdgebouw; b. bijgebouwen ondergeschikt aan de functie in het hoofdgebouw worden gebruikt, dan wel ten behoeve van de bestemming." Artikel 16 lid 16.2.2., luidt: "Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: [...] c.

uitsluitend bestaande kelders en souterrains zijn toegestaan;". Artikel 24 lid 24.1 van de planregels luidt: "a. De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor uitsluitend instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarde. b. De dubbelbestemming Waarde - Landschap is primair ten opzichte van de andere aan deze gronden toegekende bestemmingen." Artikel24 lid 24.2 luidt: "Op en onder de in artikel 24.1 genoemde gronden mogen geen gebouwen worden opgericht, anders dan de gebouwen die op grond van artikel 13.2.1 onder b en artikel 13.3 zijn toegestaan. Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan." Artikel 27, lid 27.2, luidt: "Voor bedrijven geldt:

Uitspraak 201808944/1/R1

28

a. Voor zover op grond van deze regels ambachtelijke bedrijven zijn toegestaan, zijn uitsluitend ambachtelijke bedrijven toegestaan: 1. die in de Staat van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten voorkomen; 2. die niet in de Staat van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten voorkomen, maar wel aanwezig waren ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; b. de ambachtelijke bedrijven als bedoeld in 27.2 onder a onder 2 worden geacht onderdeel uit te maken van de Staat van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten; c. voor zover op grond van deze regels bedrijven zijn toegestaan anders dan ambachtelijke bedrijven als bedoeld in 27.2 onder a, zijn uitsluitend: 1. de bedrijven toegestaan die in de Staat van bedrijfsactiviteiten onder categorie A vallen; 2. inpandige fietsenstallingen toegestaan. d.

Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd in afwijking van het bepaalde in a een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een ambachtelijk bedrijf dat niet in de Staat van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten voorkomt en dat ook niet aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan onder de voorwaarde dat het ambachtelijke bedrijf vergelijkbare of minder nadelige ruimtelijke gevolgen heeft voor het aanwezige woon- leefklimaat als een bedrijf dat wel op de Staat van ambachtelijke bedrijfsactiviteiten voorkomt; e. Het College van Burgemeester en Wethouders is bevoegd in afwijking van het bepaalde in c een omgevingsvergunning te verlenen voor het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een bedrijf dat niet aanwezig was ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, onder de voorwaarde dat dit bedrijf vergelijkbare of minder nadelige ruimtelijke gevolgen heeft voor het aanwezige woon- leefklimaat als een bedrijf dat wel op de Staat van bedrijfsactiviteiten voorkomt." Planvoorschriften bestemmingsplan "De Pijp 2005" Artikel 4, lid 1, luidt: "De gronden, op de plankaart bestemd voor "Gemengde doeleinden" (GD), zijn aangewezen voor: [...] c.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10671555/1