Raadsbesluit 2024-047D bijl. toelichting BP Zuidas Parnas Fred Roeskestraat 55 part. herz.
Tekst van het document
De planlocaties en de directe omgeving zijn daarom nauwkeurig onderzocht op de aanwezigheid van potentieel geschikte verblijfplaatsen voor vleermuizen, evenals vliegroutes en foerageergebieden. Verblijfplaatsen Vleermuizen zijn in twee groepen te verdelen; enerzijds de soorten die in gebouwen een verblijfplaats hebben en anderzijds de soorten die in bomen een verblijfplaats hebben. De kraamkolonie van de laatvlieger (Eptesicus serotinus) en de gewone dwergvleermuis (Pipistrellus pipistrellus) komen – voor zover bekend - alleen in gebouwen voor. Ze wonen in de spouwmuur, achter betimmering, onder daklijsten en dakpannen. De vaste verblijfplaatsen van de ruige dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii) en de watervleermuis (Myotis daubentonii) kunnen zowel in spleten en gaten in bomen, als in gebouwen voorkomen. Ze kiezen in de regel gebieden met een groot aanbod aan geschikte holten op een klein oppervlak. Het betreft een braakliggend perceel zonder bebouwing. Hierdoor zijn gebouw bewonende vleermuizen met absolute zekerheid uit te sluiten. Ook in de bebouwing buiten het plangebied zijn geen openingen aangetroffen die naar een verblijf kunnen leiden. . In een boom zijn een aantal ogenschijnlijk geschikte holtes voor vleermuizen aangetroffen. Dit betreft meerdere holtes in een schietwilg. Deze boom is geknot, waardoor de holtes vrij toegankelijk zijn voor vleermuizen.
In de overige bomen binnen en in de directe omgeving van de locatie zijn geen zichtbaar geschikte holtes aangetroffen.
Pagina 5
Potentiële vliegroutes en foerageergebieden De locatie valt binnen de bebouwde kom van Amsterdam. De kans op een jachtgebied in de directe omgeving is niet aanwezig. Potentiële vliegroutes in de directie omgeving zijn niet aanwezig. Vervolgstappen voor vliegroutes van vleermuizen zijn niet noodzakelijk gezien de plannen op locatie. Overig beschermde zoogdieren Binnen de planlocatie is een kleine kans op algemeen voorkomende grondgebonden zoogdieren, zoals egel (Eurinaceus europaeus), spitsmuizen en muizen. De kans op aanwezigheid van de kleine marters is niet te verwachten. Dit door het ontbreken van geschikt habitat op en in de omgeving van de locatie. Vogels Jaarrond beschermd nest Tijdens het ecologisch onderzoek is gezocht naar aanwijzingen voor het voorkomen van vogels met een vaste verblijfplaats binnen het plangebied. Gekeken is naar potentieel geschikte nestplekken voor vogels met een jaarrond beschermd nest. Er is geschikt habitat aanwezig in de omgeving voor huismussen. Binnen de planlocatie is er geen mogelijkheid voor huismussen om zich op te houden. Dit door het ontbreken van bebouwing binnen de locatie en geschikte bebouwing in de directe omgeving voor deze soort om zich te kunnen vestigen. Er is geen mogelijkheid voor gierzwaluwen om zich te vestigen binnen de locatie.
Dit door het ontbreken van bebouwing op de locatie en door het ontbreken van zichtbaar geschikte openingen in de bebouwing in de directe omgeving voor deze soort om zich te kunnen vestigen. Er zijn geen nesten van roofvogels of uilen waargenomen binnen en in de omgeving van de planlocatie. Algemene broedvogels Gezien de omgeving is de kans op algemeen voorkomende broedvogels aanwezig. Op en in de directe omgeving van de planlocatie is er mogelijkheid voor algemeen voorkomende broedvogels om te nestelen in de bomen en struiken op en rond de locatie. Ook op de platte daken van de panden in de directe omgeving is er mogelijkheid voor algemene broedvogels om te nestelen. Herpetofauna en vissen Er is geen oppervlaktewater aanwezig voor watergebonden organismen in de omgeving van de planlocatie. Aanwezigheid van watergebonden organismen binnen de planlocatie is daarom niet te verwachten. Overige soorten Er zijn, gezien de voorkomende biotopen, geen beschermde bijzondere insecten of overige soorten te verwachten binnen het perceel. Deze soorten stellen hoge eisen aan hun leefgebied; de planlocaties voldoet hier niet aan. De aanwezigheid van beschermde overige soorten worden daarom uitgesloten binnen de planlocatie.
Pagina 6
H05
Analyse: beoordeling van de effecten op de natuurwaarden Bij de analyse wordt gelet op de effecten als gevolg van het veranderde gebruik en de veranderde inrichting. Daarnaast wordt gelet op de effecten als gevolg van de werkzaamheden om de veranderingen te bereiken. Voor zover planlocaties binnen het Natuurnetwerk Nederland, Natura 2000 of andere beschermde natuurgebieden liggen, worden de effecten op deze beschermde natuurgebieden getoetst. Voor de Natura 2000 gebieden is de externe werking eveneens van belang; de belangrijkste externe effecten worden veroorzaakt door toename van depositie, geluid en licht. Daarnaast kunnen veranderde grondwaterstromen een effect veroorzaken. Wet natuurbescherming De Wet natuurbescherming kent een afdeling voor soortbescherming en een afdeling voor gebiedsbescherming. Binnen de gebiedsbescherming zijn de Natura 2000-gebieden beschermd. De bescherming geldt ook voor externe factoren; zoals grondwaterstromen en stikstofdepositie. De soortbescherming binnen de Wet natuurbescherming richt zich op de internationale afspraken, en geeft een uitbreiding van de beschermde soorten door aan de rode lijst (bedreigd en ernstig bedreigd) een beschermd status te koppelen. Binnen de bebouwde kom is de belangrijkste wijziging in de beschermde soorten het vervallen van de bescherming op muurplanten en orchideeën.
Beschermde soorten Uit de resultaten van de quick scan ecologie van 27 oktober 2022 is gebleken dat in een schietwilg geschikte holten voor vleermuizen zitten. Soorten als rosse vleermuis en watervleermuis hebben een verblijfplaats in bomen. De vleermuizen zitten op plaatsen waar een breed scala aan holten beschikbaar zijn. De ruige dwergvleermuis is minder kritisch en kan zowel in bomen als gebouwen huizen. De aanwezigheid van vooral de ruige dwergvleermuis is daarom niet met absolute zekerheid uit te sluiten. in de betreffende schietwilg op locatie via de aanwezige holtes niet is uit te sluiten. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen is niet noodzakelijk. Omdat de bomen behouden blijven. De bomen mogen niet worden verlicht en de openingen mogen niet geblokkeerd worden. Zorgbeginsel Binnen de gebieden is kans op algemeen voorkomende soorten waarmee rekening moet worden gehouden. Aangetroffen dieren die niet uit zich zelf de werkgebieden kunnen verlaten, dienen – onder begeleiding van een ecoloog - in veiligheid te worden gebracht en buiten de werkgebieden te worden uitgezet. Schuilplekken zoals bladhopen, hout- en steenstapels e.d. dienen eerst te worden gecontroleerd op schuilende dieren. In zijn algemeenheid dienen geschikte schuil- en overwinteringsplekken voor dieren buiten de werkterreinen intact te worden gelaten.
Eventueel noodzakelijk kap moet buiten de kwetsbare periode (winter) worden uitgevoerd en voorafgaand aan de kap (of het anderszins vrijstellen van een werkplek) is het verstandig een ecoloog te
Pagina 7
laten beoordelen of effecten zijn te verwachten en eventueel maatregelen te (laten) nemen om die effecten te verminderen. Met de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels op en in de directe omgeving van de planlocatie. Dit is mogelijk in de aanwezige bomen en struiken. Ook op de platte daken van de woningen is er mogelijkheid voor algemene broedvogels om te nestelen. Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen voor en tijdens de werkzaamheden. In de nieuwe Omgevingswet zijn enkele wijzigingen opgenomen die zijn weerslag hebben op het ecologisch onderzoek. De belangrijkste wijziging is de doorlooptijd c.q. houdbaarheid van een rapport dat is gesteld op 2 jaar voor alle onderzoeken. Verder is de zorgplicht aangescherpt. Het zal zich nog moeten uitkristaliseren, maar het lijkt er op dat ook algemene soorten geïnventariseerd moeten worden (het simpel vaststellen dat ze niet zijn uit te sluiten is niet genoeg). Niet duidelijk is hoe intensief dat onderzoek moet zijn. Vooralsnog zullen we in een aanvullend onderzoek ook nadrukkelijk deze soorten benoemen. Natura 2000 Het beschermde Natura 2000-gebied ligt op een afstand van ongeveer 8,3km van de planlocatie. De werkzaamheden betreft ruimtelijke ontwikkeling. De kans dat er een significante wijziging in de emissie is, is aanwezig.
Een berekening van de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden is nodig gezien de aard van de werkzaamheden. Andere aantastingen van kwalificerende habitats of soorten in het Natura 2000-gebied door de werkzaamheden, kunnen worden uitgesloten. Natuurnetwerk Nederland De gebieden die onderdeel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland liggen op grote afstand van de planlocatie. Gelet op de afstand, aard en de omvang van het voornemen, wordt geen effect verwacht.
Pagina 8
H06
Conclusie, advies en gebruikte bronnen Voor locatie Fred Roekeslaan te Amsterdam wordt ruimtelijke ontwikkeling op locatie voorbereid. Voorliggend rapport betreft een onderzoek naar effecten op natuurwaarden. Door een ecoloog van bureau Els & Linde B.V. is op 27 oktober 2022 beoordeeld of er beschermde planten- en diersoorten aanwezig zijn binnen de planlocatie en of deze soorten schade ondervinden van de gewenste ontwikkelingen. Beschermde soorten In een schietwilg zijn holten aangetroffen voor de boom zijn daarom vleermuizen niet met absolute zekerheid uit te sluiten. Conform de afspraken blijven de bomen behouden. Een afdoend onderzoek is daarom niet nodig. Een ontheffing van de Wet natuurbescherming is niet nodig. De bomen mogen niet worden verlicht en de openingen mogen niet geblokkeerd worden.
– – – –
Anonymus (2017). Kennisdocument huismus, BIJ12 Anonymus (2017). Kennisdocument gierzwaluw, BIJ12 Anonymus (2017). Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 Hoogeboom, D.M., F. Visbeen, J. Wondergem, W. Ruitenbeek (2014) Atlas van de Noord-Hollandse zoogdieren. NOZOS, Landschap Noord-Holland. – Riet, B. van, H. van der Goes, Th. Baas, C. van den Tempel, W. Menkveld & F. Visbeen (2014) Atlas van de Noord-Hollandse flora. Landschap Noord-Holland. – Scharringa, C.J.G., W. Ruiterbeek & P.J. Zomerdijk (2010) Atlas van de Noord-Hollandse broedvogels 2005-2009. SVN, Landschap Noord-Holland. – – – –
provincienoordholland.nl waarneming.nl maps.amsterdam.nl quickscanhulp.nl (bevat waarnemingen uit de NDFF)
Met de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van algemene broedvogels op en in de directe omgeving van de planlocatie. Dit is mogelijk in de bomen en struiken op en rond de locatie. Ook op de platte daken van de panden in de directe omgeving is er mogelijkheid voor algemene broedvogels om te nestelen. Er moet rekening gehouden worden met het broedseizoen voor en tijdens de werkzaamheden. Geadviseerd wordt de werkzaamheden buiten het broedseizoen te starten. Natura 2000 en Natuurnetwerk Nederland De kans dat er een significante wijziging in de emissie is, is aanwezig. Een berekening van de stikstofdepositie is nodig gezien de aard van de werkzaamheden. Andere effecten op de Natura 2000-gebieden en/of het Natuurnetwerk Nederland zijn uit te sluiten.
Pagina 9
Bijlage 4 Archeologisch onderzoek
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
Archeologisch bureauonderzoek Plangebied Rechtbankgebied Z u i d a s Stadsdeel Zuid BO 10-142 Amsterdam 2011
BO 10-142 Januari 2011
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Arctieologie
Gemeente Amsterdam Bureau Ivlonumenten & Arciieoiogie
Samenvattlng
Inhoud Samenvatting
4
Inleiding
5
1 1.1
Administratieve gegevens plangebied Administratieve gegevens
6 6
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5
Wet- en regelgeving Algemeen Rijk Provincie Noord-Holland Gemeente Amsterdam Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
7 7 7 7 8 8
3 3.1 3.2 3.3 3.3.1 3.3.2 3.4
Historisch-topografische en archeologische inventarisatie Geomorfologie en bodem Historie algemeen Historisch-topografische inventarisatie van het plangebied Ontginningen Verstedelijking Archeologische inventarisatie van het plangebied
9 9 9 10 10 11 13
3.5
Conclusie: venwachtingsmodel
13
4
Archeologische verwachtingskaart
14
5
Archeologische beleidskaart
16
Conclusie
18
Bronnen
19
Appendix: beleidsvarianten, stroomschema
20
Bureau Monumenten & Archeologie (BMA) heeft in opdracht van Zuidas Amsterdam een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd voor het plangebied Rechtbankgebied Zuidas, stadsdeel Zuid. Dit is bedoeld om het cultuurhistorische verieden van het plangebied, dat gelegen is in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder, in kaart te brengen en daarmee een beeld te krijgen van de archeologische sporen die in de bodem aanwezig kunnen zijn. Een dergelijk bureauonderzoek past binnen de verplichting van gemeenten om conform de Monumentenwet beleid te ontwikkelen ten aanzien van het behoud cq documentatie van die overblijfselen bij bouwontwikkeling. Het bureauonderzoek gaat uit van een beknopt overzicht van de historisch topografische ontwikkeling van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder. Het historisch overzicht wordt aangevuld met archeologische infomiatie afkomstig van vindplaatsen in de directe omgeving van het plangebied. De historische en archeologische informatie over de ruimtelijke topografische ontwikkelingen is omgezet naar een beeld van archeologische verwachtingen. Op de archeologische verwachtingskaart (p. 15,16) wordt een zone weergegeven met een lage archeologische venwachting. Aan de hand hiervan is een archeologische beleidskaart opgesteld, waarin de beleidsregels en maatregelen voor de vereiste archeologische monumentenzorg zijn vastgelegd.
De beleidskaart toont een beleidszone (p. 17,18). Voor deze zone is gespecificeerd of en in welke mate eventueel archeologisch veldonderzoek nodig is in de bouwplanontwikkeling. Voor het gehele plangebied geldt de wettelijke meldingsplicht. Dit houdt in dat ook in geval geen archeologisch ven/olgonderzoek is vereist en toch bodemvondsten ouder dan 50 jaar worden aangetroffen dit aan Bureau Monumenten en Archeologie gemeld moet worden zodat in gezamenlijk overieg met de opdrachtgever maatregelen getroffen kunnen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
4
BO 10-142 Januari 2011
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
GemeentB Amsterdam Bureau Monumenten & Arctieologie
Inleiding
1
In opdracht van Zuidas Amsterdam heeft BMA een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd ten behoeve van het plangebied Rechtbankgebied Zuidas, Stadsdeel Zuid. Met het bureauonderzoek wordt een overzicht gegeven van bekende of venwachte archeologische waarden binnen het plangebied. Hierbij is gebruik gemaakt van historisch kaartmateriaal, relevante publicaties en archiefbronnen in samenhang met archeologische informat'e over al bekende vindplaatsen in het plangebied. Deze informatie is samengevat in een archeologisch vera/achtingsmodel waarmee tenslotte beleidsregels voor erfgoedzorg worden vastgelegd ten behoeve van het bestemmingsplan. In het bureauonderzoek komen het nationale, provinciate en gemeentelijke archeologiebeleid (hoofdstuk 2), de historische en archeologische achtergronden (hoofdstuk 3) en de archeologische vera/achting van het plangebied (hoofdstuk 4) aan de orde, gekoppeld aan een beleidskaart (hoofdstuk 5) die inzichtelljk maakt of en in welke mate archeologische maatregelen binnen (toekomstige) planontwikkeling vereist zijn.
Het plangebied Rechtbankgebied Zuidas wordt in het westen begrensd door de Rooms Katholieke Begraafplaats Buitenveldert, in het zuiden door de ringweg AIO, in het oosten door de oostzijde van de Parnassusweg en in het noorden door de Fred. Roeskestraat.
1.1
Administratieve gegevens plangebied
Administratieve gegevens
Opdrachtgever Contactpersoon Adres Postcode/ plaats
Zuidas Amsterdam Mevrouw R. van de Grondelle Postbus 79092 1070 NC Amsterdam
Plangebied Provincie Plaats ARCHIS meldingsnr. X-coordinaat NW X-co6rdinaat NO X-co6rdinaatZO X-co6rdinaat ZW
Noord-Holland Amsterdam 44525 119.378 119.664 119.673 119.384
Gemeente Kaartblad ARCHIS afmeldingsnr. Y-co6rdinaat NW Y-coSrdinaat NO Y-coordinaatZO Y-co6rdinaatZW
Amsterdam 250 34148 483.854 483.856 483.645 483.632
Locatie
Cemeente Amsterdam Bureau Meoi<in*ntan & ArchMlogU )C
Projact: KacmoanlioMIM ZUIOM TopOT«r»
1 Plangebied Rechtbanl<gebied Zuidas
5
6
BO 10-142 Januari 2011
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Arctieologie
2
2.4
Wet- en regelgeving
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
Gemeente Amsterdam
De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat archeologie vroegtijdig in ruimtelijke ordeningsprocessen wordt geintegreerd.'' Hiermee worden twee doelen gediend. Ten eerste een efficiente voortgang en kostenbeheersing van bouwprocessen. En ten tweede een kwalitatief goed en stadsbreed uniform beheer van het archeologische erfgoed.
2.1
Algemeen
Het archeologische erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die In de bodem bewaard zijn. Deze materiele overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving. Het beleid voor het archeologisch erfgoed heeft dan ook veel raakvlak met dat van de ruimtelijke ordening. Voor optimale integratie van de archeologie in de ruimtelijke ordening heeft het rijk o.a. de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening aangepast.
2.2
Rijk
Om het bewustzijn van het Europese erfgoed te vergroten hebben de Europese ministers van Cultuur in 1992 het Verdrag van Valletta opgesteld (ook bekend als het Verdrag van Malta). Een van de voonwaarden om dit te bereiken is dat het Europese archeologische erfgoed voor toekomstige generaUes beschikbaar blijft. in Nederland wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven door behoud van archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) tijdens de planontwikkeling mee te wegen. Als behoud in de bodem (bijvoorbeeld door middel van technische maatregelen of planaanpassing) geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven (behoud ex situ). De initiatiefnemervan een ruimtelijk plan, dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en de financiele inpassing van het archeologisch onderzoek.
De bescherming van (vera/achte) archeologische waarden in een bestemmingsplan wordt geregeld met een omgevingsgunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aan een omgevingsvergunning zijn bouwregels verbonden: die bepalen dat in het beiang van de archeologische monumentenzorg de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport met selectiebesluit dient te overieggen. Daarnaast kan in het bestemmingsplan worden opgenomen dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Dit houdt in dat aan de vergunning de verplichting wordt gekoppeld om technische maatregelen tot behoud te treffen, om de archeologische resten op te graven of om de werkzaamheden te laten begeleiden door een archeoloog. De bouwregels en de omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden bevatten daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m^ of ondieper dan de 19de of 20ste eeuwse ophogingen (Appendix: beleidsvarianten). In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor.
In de Monumentenwet is een bepaling opgenomen dat in elk bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te venwachten archeologische waarden.' Ook bevat de Monumentenwet een verplichting om toevalsvondsten te melden (de zgn. meldingsplicht).^
2.3
Op basis van de resultaten uit het archeologisch bureauonderzoek wordt bepaald of in het bestemmingsplan regels met betrekking tot archeologie moeten worden opgenomen. De Monumentenwet biedt een tweetal mogelijkheden (artikelen 39-40) die BMA heeft uitgewerkt in de modelregels archeologie.
2.5
Provincie Noord-Holland
Als toetsingskader voor bestemmingsplannen en projectbesluiten gebruikt de provincie NoordHolland de structuurvisie, de leldraad landschap en Cultuurhistorie en de Cultuur Historische Waardenkaart (CHW).' Op grond van de Wro dienen gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuun/isie in acht te nemen. Op de CHW zijn o.a. archeologisch verevachtingsvolle gebieden opgenomen. De waardestellingen van de CHW zijn bedoeld als algemene indicaties die per specifiek plangebied nadere invulling en precisering nodig hebben. Naast de CHW beheert de provincie de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van het rijk. Op de AMK staan de beschermde archeologische monumenten, de terreinen van zeer hoge en hoge archeologische waarde en de gebieden met een archeologische betekenis.
Artikel 38a lid 1 van de gewijzigde t^onumentenwel schrijft iiierover dat De gemeenieraad bij vastsleiling van een bestemmingsplan als bedoeld in artit<et 3.1 van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening en bij de bestemming van de in het plan begrepen grond, rekening houdt met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten monumenten. Met 'monumenr wordt tiier een (onbesciiermd) arctieoiogisch monument bedoeld. ofwel alle terreinen welke van algemeen beiang zijn wegens hun schoonheid, hun betekenis voorde wetenschap of hun cultuurhistorische waarde (art. 1 Monumentenwet). Artikel 53 van de gewijzigde monumentenwet 1988. ' Provincie Noord-Holland, 2010.
Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie
Voor de uitvoering van archeologisch onderzoek is door het ministerie van OCW de Kwaliteitsnorm Nederiandse Archeologie (KNA) opgesteld. De KNA gaat uit van een gefaseerde aanpak. Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een Bureauonderzoek, een Inventariserend Veldonderzoek, een Archeologische Opgraving (AO) en een Archeologische Begeleiding (Appendix: stroomschema). Het inventariserend veldonderzoek is bedoeld om de resultaten van het bureauonderzoek te toetsen. Het geeft inzicht in de aanwezigheid en toestand van de archeologische overblijfselen in de bodem. Een opgraving wordt uitgevoerd wanneer er sprake is van een vindplaats met waardevolle archeologische resten. Een archeologische begeleiding houdt in dat de bouwingreep onder begeleiding van een archeoloog wordt uitgevoerd. EIke onderzoeksfase wordt afgesloten met een selectiebesluit Hierin wordt vastgesteld welke delen van een plangebied in aanmerking komen voor verder archeologisch onderzoek of voor bescherming en welke delen van het plangebied worden vrijgegeven. Voor archeologisch veldonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) vereist Hierin zijn de kwalitatieve randvoonwaarden en onderzoeksvragen voor het werk vastgelegd. Het vormt de basis voor verdere planning en kostenraming. Het laten opstellen en/an behoort tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer van het bouwplan.
" BMA. 2005.
7
8
BO 10-142 Januari 2011
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
3
3.1
3.3
Historisch-topografische en archeologische inventarisatie
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Arctieologie
Historisch-topografische inventarisatie van het plangebied
Voor de historisch topografische analyse zijn verschillende cartografische bronnen gebruikt: de kaarten van Nicolaas Visscher (ca 1700), de Topografisch Militaire Kaart (1854) en de kaart van Publieke Werken uit 1929.
Geomorfologie en bodem
Het tiuidige natuurlijke landsctiap in en om Amsterdam is in grote mate bepaald door de landschapsvorming in het Holoceen. Dat is de geologische periode na de laatste IJstijd (vanaf ca. 10.000 V . Chr.). Er heerste toen een gematigd klimaat waarin in enkele duizenden jaren grote pakketten veen groeiden in de kuststreek. Dit Hollandveen bevindt zich in de huidige ondergrond tussen gemiddeld 5 m en 2 m + NAP en loopt plaatselijk door tot 0 m NAP. Het natuurlijke landschap werd vanwege grootschalige veenontginningen vanaf de 11de eeuw omgevormd tot een veenweidegebied. Aangezien de waterhuishouding een cruciale rol speelde bij de veenontginningen, begon tegelijkertijd de aanleg van het stelsei van (zee)dijken ter bescherming van het nieuwe bouw- en akkerland. Later, in de 17de en 18de eeuw, volgden de droogmakerijen waarbij grote watergebieden in Noord-Holland werden ingepolderd.
3.2
Historie algemeen
De vroegste bewoning van Amsterdam dateert voor zover nu archeologisch bekend, uit de 12de eeuw. Rond de stad, op vooral de hoger gelegen strandwallen, zijn oudere vindplaatsen aanwezig met bewoningssporen die teruggaan tot in de Bronstijd (ca. 2.000 - 800 v. Chr.). De oudste bouwsporen, uit de 12de en 13de eeuw, zijn teruggevonden aan de Nieuwendijk / Kalverstraat en de Warmoesstraat/Nes. Met de aanleg van de (Nieuwezijds en Oudezijds) burgwallen in de 14de eeuw startte het proces van stadsvomning. De stad had eerst een aarden omwalling als verdedigingswerk die in het laatste kwart van de 15de eeuw werd ven/angen door een stenen stadsmuur. De laatmiddeleeuwse stad was omsloten door de huidige Singel aan de westkant en de Geldersekade en Kloveniersburgwal aan de Westkant In de periode 1585-1663 groeide de stad explosief door vier stadsuitbreidingen. Ten tijde van de Eerste Uitleg (1585-1586) verplaatste de stadsrand zich naar de huidige Herengracht en de Oudeschans. Bij de Tweede Uitleg (1592-1596) kwamen er vier nieuwe woon- en werkeilanden (Marken, Uilenburg, Rapenburg en VIooienburg) aan de oostkant van de stad.
In 1613 ontstond met de Derde Uitleg aan de westzijde van de stad de woonen werkbuurt de Jordaan en het eerste deel van de grachtengordel tot aan de Leidsegracht De vroeg 17de-eeuwse stad werd beschermd door een gebastioneerde aarden wal ontworpen naar de nieuvrete fortificatieplannen uit Italie, voorzien van elf bolwerken. Met de Vierde Uitleg van 1663 werd in de Gouden Eeuw het halfcirkelvormige stadsplan van Amsterdam voltooid. Het oostelijk deel van de grachtengordel werd aangelegd over de Amstel en aan het IJ werden de drie oostelijke haveneilanden Kattenburg, Wittenburg, Oostenburg gerealiseerd. De nieuwe bakstenen stadsvral (met in totaal 26 bolwerken) volgde met zijn gracht het trac6 van de huidige Singelgracht. De eerste woonwijken buiten de Singelgracht ontstonden naar aanleiding van het uitbreidingsplan Kalff in 1877, gevolgd door een tweede ring na annexafie van grote delen van de gemeenten Nieuwer-Amstel en Sloten in 1896. De 20ste-eeuwse groei van de stad valt uiteen in vier fasen; bebouwing van de Baarsjes, Zuid en West in de jaren twintig en dertig, het door nieuwbouw aaneengroeien van voormalige dijkdorpen in Amsterdam Noord, de wederopbouwwijken aan de westzijde van de stad (de Westelijke Tuinsteden) en de bebouwing van de voormalige Bijimermeer in de jaren zestig en zevenfig.
Met IJburg borduurt de stad begin 21 ste eeuw weer voort op het concept van vier eeuwen tevoren, het creeren van stedelijk areaal in en aan het IJ.
9
2 Het plangebied (rood omlijnd) op de Topografisch Militaire Kaart uit 1854
3.3.1
Ontginningen
Het plangebied Rechtbankgebied Zuidas bevindt zich in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder, gelegen ten zuiden van Amsterdam aan de westzijde van de Amstel. Deze polder maakte deel uitvan het Amstelland, het landelijke gebied van Amsterdam rond de Amstel. De ontginning van dit gebied vond in de 12de en 13de eeuw plaats, waarbij de Amstel als ontginningsas werd gebruikt. Haaks op de Amstel werden percelen uitgezet met een onderiinge afstand van 30 tot 100 m. Aan de kopse kant verrezen boerderijen op huisterpen en ontstond de voor het veenlandschap typerende lintbebouwing. De percelen werden door middel van perceleringssloten geschelden. Deze sloten dienden om het natte veengebied te ontwateren waardoor geschikt akkerland ontstond. Als bijkomend gevolg van de ontwatering daalde het maaiveld en werd de grond weer natter. Aangezien de akkers bloot kwamen te staan aan overstromingsgevaar werden ter bescherming achter- en zijkaden aangelegd. Ondanks deze maafi-egelen zette de vernatting van de percelen zich door.' Daarom bracht men nieuwe stroken veen in cultuur. Bij de verienging van de kavels schoof ook vaak de bewoning op. De achterkade werd dan als secundaire ontginningsas in gebruik genomen.' Dit zogenaamde slagenlandschap is nog duidelijk te zien op historische kaarten (afb. 2).
Door de daling van het maaiveld was men in de 14de en 15de eeuw gedwongen om maatregelen te nemen tegen de wateroveriast door middel van de aanleg van dijken, sluizen, watermolens en molenweteringen. De Amstelveenseweg, ten westen van het plangebied, vormde oorspronkelijk de achterkade van het ontginningsgebled dat bij de Amstel begon.' ' Borger 1987, 16-17 ' s t o l 1 9 9 3 , 29 ' • e Roever1999, 1.
10
BO 10-142 Januan 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Arctieologie
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
4 Het plangebied (rood omlijnd) op de kaart van Publieke Werken uit 1929
3 Het plangebied Rechtbanl<gebled Zuidas {rood omlijnd) op de kaart van Visscher uit ca. 1700.
Tussen de Amstel en de Amstelveensew/eg stroomde ten oosten van liet plangebied de Boerenvi/etering (afb. 3). Deze waterloop diende voor de afvoer van overtollig water uit de polder. Dit deel van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder was vanaf de 17de eeuw voornamelijk als land-en tulnbouwgebied in gebruik. Vanwege de economische bloei en de internationale welvaart nam de vraag naar agrarische producten toe. Hierdoor werd de directe omgeving van Amsterdam steeds belangrijker voor de groentevoorziening." Historische aanwijzingen voor deze tuinbouwactiviteiten bieden kaarten uit die periode, bijvoorbeeld die van Nicolaas Visscher uit het begin van de 18de eeuw (afb. 3). Hierop staan met name langs de Amstel en ook langs de Boerenwetering langgerekte stroken aangeduid als 'Moes thuynen'. Dergelijke groentetuinen zouden zich ook ten oosten van het plangebied langs de Boerenwetering bevinden. De bewoning in de Binnendijkse Buitenvelderse Polder concentreerde zich vooral langs de Amstelveenseweg en de Amstel. 3.3.2
Tegen 1920 werd in de strook tussen het Zandland en de dijk voor de toekomstige Ceintuurspoorbaan de Zuidelijke Wandelweg aangelegd. Deze liep van de Amstelveenseweg naar de Amstel. Aan weerszijden lagen verschillende sportvelden. De in 1835 in gebruik genomen Rooms Katholieke Begraafplaats Buitenveldert is in de jaren dertig naar het oosten uitgebreid tot aan het huidige plangebied en in de jaren vijftig naar het zuiden (vgi. afb. 4 en 5). In de tweede helft van de jaren zestig is de bebouwing Fred. Roeskestraat 55-73 in het noordwesten van het plangebied tot stand gekomen en in de eerste helft van de jaren zeventig het door Ben Loerakker' ontworpen gebouw van het Kantongerecht.
Verstedelijking
Tot de 20ste eeuw bleef de Binnendijkse Buitenvelderse Polder landelijk gebied. Als gevolg van de bevolkingsgroei en de toenemende behoefte aan bouwgrond werden delen v a n d e polder in 1896 door Amsterdam geannexeerd. In 1917 ontwikkelde Berlage zijn stedenbouwkundig plan, het PlanZuid. Zijn uitbreidingsplan strekte zich vanuit de toenmalige gemeente Amsterdam uit tot in de aangrenzende randgemeenten, die in 1921 grotendeels door Amsterdam werden geannexeerd. In de jaren twintig en dertig werd ten noorden van het Zuider Amstelkanaal het Plan Zuid gerealiseerd. Het gebied tussen het Zuider Amstelkanaal en de sloot ten noorden van de Rooms Katholieke Begraafplaats Buitenveldert werd met het oog op toekomstige bebouwing reeds met zand opgespoten: tot de feitelijke woningbouw vanaf eind jaren vijftig stond dit gebied bekend als het Zandland (afb. 4). Hoek Ostende 1936, 21.
5 Het plangebied (rood omlijnd) vanuit het zuidoosten met de nieuwe bebouwing Fred. Roeskestraat 55-71 ten westen van het nog te bouwen gerechtsgebouw aan de Parnassusweg (foto SAA, juni 1970).
Schiit 1996
11
12
BO 10-142 Januari 2011
BO 10-142 Januan 2011
Gemeente Amsterdam Bureau [Monumenten & Arctieoiogie
3.4
A r c h e o l o g i s c h e inventarisatie van het plangebied
4
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
Archeologische verwachtingskaart
Binnen het plangebied is geen wettelijk beschermd archeologische monument aangewezen. Het vera/achtingsbeeld van de AMK is algemeen van aard en dient in het kader van de planvorming nader te worden uitgewerkt. Een inhoudelijke en ruimtelijke specificatie van de archeologische verwachtingen volgt uit de historisch topografische analyse hierboven. Op basis van de historisch-topografische inventarisatie (hoofdstuk 3) zijn binnen het plangebied Rechtbankgebied Zuidas voornamelijk materiele overblijfselen te venrachten die samenhangen met de ontginnings- en gebruiksgeschiedenis van de 11de/12de tot in de 20ste eeuw. Dit leidt tot een vera/achtingskaart van archeologische materiSle neerslag voor het plangebied. Archeologische verwachtinqszones op basis van cultuurhistorische informatie Het plangebied kent een venvachtingszone: l~~l 1
Begrenzing plangebied 1
Zone A: Binnendijkse Buitenvelderse Polder Archeologische venA/achting: laag/geen. Hier kunnen sporen voorkomen die verband houden met bewoning en landgebruik van de ontginning tot de 20ste eeuw. Dergelijke overblijfselen hebben weinig tot geen samenhang en een wijde verspreiding. De archeologische vera/achting is daarom laag. Vanwege de grootschalige bodemverstoring bij de recente bebouwing wordt de lage vera/achting voor het grootste deel van het gebied bijgesteld naar een negatieve vera/achting.
6 Het plangebied Rechtbankgebied Zuidas {rood omlijnd) op de Archeologische [vlonumenten Kaart (AMK). De Cultuurhistorische waardenkaart van de Provincie Noord-Holland (CHW) komt overeen met het AMK-kaartbeeld
Binnen of in de nabije omgeving van het plangebied is geen archeologisch veldonderzoek uitgevoerd. De kwaliteit van eventuele archeologische resten is vastgesteld op basis van de bovenstaande inventarisatie van historisch topografische bronnen. Wat de bodemopbouwvan het plangebied betreft bevindt het huidige maaiveld zich op 0,5 m + NAP, minimaal 2 m boven het oorspronkelijke polderpeil (2 a 2,5 m + NAP) van de Binnendijkse Buitenvelderse Polder. Op basis hien/an kan er vanuit gegaan worden dat eventuele archeologische sporen of vondsten op minimaal 2,5 m onder het huidige maaiveld liggen.
3.5
C o n c l u s i e : verwachtingsmodel
Op basis van bovenstaande inventarisatie zijn binnen het plangebied Rechtbankgebied Zuidas materiele overblijfselen te vera/achten die samenhangen met de ontginnings- en gebruiksgeschiedenis van de t i d e tot in de 20ste eeuw. Er kunnen in het gebied verkavelingsloten of losse vondsten vera/acht worden. De archeologische sporen van landgebruik en losse vondsten vertonen in de regel een wijde verspreiding en een lage trefkans. Ten aanzien van de archeologische kwaliteit van de ondergrond van het plangebied moet worden opgemerkt dat de recente bebouwing eventuele archeologische sporen kan hebben aangetast. 13
14
BO 10-142 Januari 2011
5
BO 10-142 Jonunri 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
Archeologische beleidskaart
De archeologische beleidskaart van het plangebied Rechtbankgebied Zuidas is bedoeld als een ruimtelijk schema van de maatregelen die nodig zijn voor de zorg voor het archeologische erfgoed binnen bepaalde zones of locaties in het plangebied. De venwachtingen worden gekoppeld aan de huidige toestand van het terrein en mogelijk opgetreden bodemverstoringen. De clustering van de verarachtingszones resuiteert in een beleidskaart met daarop zones met bijbehorende specifieke beleidsmaatregelen (appendix: beleidsvarianten)
Gemoonlo Artiaiefdcim BuroQU Monumenlen i ArcheolDglo
Archeologische Beleidszones op basis van de archeologische verwachtinqszones I 1 ^ 1
I
Begrenzing plangebied Beleidsvariant 11: (verwachtingszone A) Voor het plangebied geldt een negatieve venA/achting vanwege de hoge mate van verstoring. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt daarom bij alle bodemingrepen.
Voor het gehele plangebied geldt dat ook in geval geen archeologisch veldonderzoek vereist is en er toch archeologische overblijfselen ouder dan 50 jaar bij bouwwerkzaamheden aangetroffen worden, deze bij de gemeente aangemeld dienen te worden, zodat in gezamenlijk overieg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
15
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Arctieologie
Conclusie
Het voorliggende bureauonderzoek naar arctieologische waarden is uitgevoerd voor het plangebied Rechtbankgebied Zuidas. In het plangebied bestaat een archeologische beleidszone met een negatieve venrachting. Deze beleidszone wordt vrijgesteld van verder archeologisch onderzoek. 142 3011
Go moon lo Amcterdom Buroou Monumonlon & ArchDologlt,
^
G e m e e n t e Amsterdam
17
Voor het gehele plangebied geldt de wettelijke meldingsplicht. Dit houdt in dat ook in geval geen archeologisch vervolgonderzoek is vereist en toch bodemvondsten ouder dan 50 jaar worden aangetroffen dit aan Bureau Monumenten en Archeologie gemeld moet worden zodat in gezamenlijk overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten.
BO 10-142 Januari 2011
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
Gemeente Amsterdam Bureau [ylonumenten & Arciieoiogie
Bronnen
Appendix: beleidsvarianten, stroomschema
Digitale bronnen Archeologisch Informatlesysteem (ARCHIS): http://www.archis.nl/archisii/html/index.htnil Cultuur Historische Waardenkaart provincie Noord-Holland: http://chw.noord-holland.nl Stadsarchief Amsterdam (SAA): http://beeldbank.amsterdam.nl/
Het archeologisch beleid wordt als maatwerk voor een bepaald plangebied in Amsterdam vastgesteld aan de hand van elf varianten, die een afweging bieden op basis van de aard van de venwachting in combinatie met de specifieke (oppervlakte/diepte) bodemingreep.
Literatuur BMA, Ruimte voor Geschiedenis. Beleidsnota Monumenten en Archeologie Amsterdam 2005-2010. Amsterdam 2005. Borger, G.J.,'Ontgonnen, bedijkt, bebouwd. De agrarische voorgeschiedenis van het stedelijk gebied', in: Heinemeijer, W.F. & Wagenaar, M.F., Amsterdam in l<aarten. Verandering van de stad in vier eeuwen cartografie. Antwerpen 1987. Hoek Ostende, J.H.,'Overtomen in de omgeving van Amsterdam', Amstelodamum jaarboek, 78, 1986, 21-53. Provincie Noord-Holland, Leidraad landsctiap en Cultuurhistorie Noord-Holland. Ontwikkelen met Ruimtelijke Kwaliteit Haarlem 2010. Roever, M. de, 'Amsterdamse Notities: Opgravingen in Oud-Zuid', Amstelodamum 86, 1-4. Schiit, J., Ben Loerakker, architect: eerst functie dan de vorm. Rotterdam 1996 Stol, T., Wassend water, dalend land. Geschiedenis van Nederland en het water Utrecht/ Antwerpen 1993.
- 1 : Gebieden met bekende archeologische waarden. Aangezien hier met zekerheid archeologische overblijfselen aanwezig zijn, is bij eike bodemingreep ongeachte het opperelak of de diepte archeologisch onderzoek noodzakelijk. - 2: Bebouwde gebieden met een hoge archeologische verwachting binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 50 m^ of minder dan 0,5 m onder maaiveld. - 3: Gebieden met een hoge archeologische vera/achting langs nog aanwezige historisch infrastructurele assen / in een historische woonkern buiten het historische centrum van Amsterdam. Deze gebieden zijn onbebouwd of de bebouwing dateert van voor de 19de eeuw. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m^ of minder dan 0,5 m onder maaiveld. - 4: Bebouwde gebieden met een hoge archeologische vera/achting langs nog in het landschap zichtbare historisch infrastructurele assen / in historische woonkern buiten het historische centrum van Amsterdam. De bebouwing dateert uit het einde van de 19de eeuw. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m^ of ondieper dan de 19de en 20ste eeuwse ophogingen.
- 5: Bebouwde gebieden met een hoge archeologische vera/achting langs voormalige (overbouwde of opgehoogde) historisch infrastructurele assen / in een historische woonkern buiten het historische centrum van Amsterdam. De bebouwing of ophoging dateert uit de 20ste eeuw. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 500 m^ of ondieper dan de 20ste eeuwse ophogingen. - 6: Onbebouwde gebieden met een lage archeologische vera/achting in de landelijke periferie van Amsterdam. Hier liggen archeologische vondsten dicht aan het oppen/lak, zodat relevante archeologische lagen kunnen zijn opgenomen in de bouwvoor. De bouwvoor heeft gemiddeld een diepte van 0,3 - 0,5 m waaronder een eerste sporenvlak zichtbaar wordt. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m^ of minder dan 0,5 m onder maaiveld. - 7: Bebouwde gebieden met een lage archeologische vera/achting binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). De bebouwing dateert uit het einde van de 19de en de 20ste eeuw. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m^ of ondieper dan de 19de en 20ste eeuwse ophogingen.
- 8: Terreinen met een hoge archeologische vera/achting die als vaarweg in gebnjik zijn binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij ingrepen in de vraterbodem kleiner dan 500 m^ - 9: Gebieden met een lage archeologische verwachting die als vaarweg in gebruik zijn binnen en buiten het historische centrum van Amsterdam. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij ingrepen in de waterbodem binnen het historisch centrum kleiner dan 2.500 m^ en buiten het historisch centrum kleiner dan 10.000 m^.
19
20
BO 10-142 Januari 2011
BO 10-142 Januari 2011
Gemeente Amsterdam Bureau t^/lonumenten & Arctieologie
Gemeente Amsterdam Bureau Monumenten & Archeologie
- 1 0 : Gebieden met een lage archeologische vera/achting die onder water liggen, of die onder water gelegen hebben en ingepolderd zijn of opgespoten zijn. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij ingrepen kleiner dan 10.000 m^ of in de oorspronkelijke waterbodem of in het oorspronkelijke maaiveld. - 1 1 : Gebieden zonder archeologische overblijfselen omdat hier al archeologisch onderzoek of grootschalig grondverzet heeft plaatsgevonden voor bijv. zware funderingen, kelders, tunnels e.d. en gebieden in de voormalige landelijke periferie van Amsterdam buiten de Singelgracht met een lage archeologische vera/achting die bovendien opgehoogd, onderheid en bebouwd zijn aan het einde van de 19de en in de 20ste eeuw. Hier geldt een vrijsteiiing van archeologisch onderzoek. Gebieden waar al archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden zijn wel indirect van beiang voor archeologische planning omdat ze aanwijzingen geven voor de eventuele aanwezigheid van archeologische resten in omiiggende gebieden. Voor de beleidsvarianten, 4, 5 en 7 tot en met 10 geldt dat het dieptecriterium op de uiteindelijke beleidskaart nader wordt gespecificeerd.
Colofon Archeologisch Bureauonderzoek 10-142 Voor akkoord controle proces en waardestelling:
Hoofd afdeling Archeologie BMA Prof. dr. J.H.G. Gawronski
f i^jtmk(eNA»
Datum: Status: Redactie: Tekst: Cartografie:
\ CcIlMlto/depot (BMA)
07-01-2011 definitief prof. dr. J.H.G. Gawronski dr. J. Euwe drs. L. de Leeuw, dr. J. Euwe
A*''^'^*.?* % ^ A " ^ ^ S c ^ ^ ^ ^ ^ m o ^^^^ Ar
stroomschema archeologie BMA © Bureau Monumenten & Archeologie, Gemeente Amsterdam, 2011 Postbus 10718,1001 ES Amsterdam, 020-2514900 Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk. fotokopie, microfilm of op enigerlei andere wijze, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van BMA. BMA aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek.
21
22
Bijlage 5 Bezonningsstudie
Zuidas Parnas | C1 - C2 - C3 Bezonning
De Nieuwe Rechtbank Dok Dak Park Begraafplaats Buitenveldert
Kantongerecht (kavel C1)
Uitvaartcentrum Zuid
Levvel Jeugdhulp Fred. Roeskestraat Het Parnascomplex (kavels C2 en C3)
Strawinskylaan (opgetild)
Parnassusweg
3 september 2021
Parnas | Kavel C1 - C2 - C3 Bezonning Bezonningsstudie volgens TNO norm Data meting
Tijden meting
Coördinaten Kavel C1 - C2 - C3
21 maart 2021 21 juni 2021 23 september 2021 22 december 2021
09.00 11.00 13.00 15.00 17.00 18.00 of 19.00 (indien mogelijk)
52.3410176 N 4.8582503 E
Tijdzone 28 maart 2021 - 30 oktober 2021 31 oktober 2021 - 26 maart 2022
UTC + 2h UTC + 1h
(zomertijd) (wintertijd)
* gemeten in het platte vlak, zonder hoogtematen in ondergrond.
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
2
Stedenbouwkundig plan met proefverkaveling Kavel C1 - C2 - C3
In het kader van de nieuwe stedenbouwkunidge opzet voor de C1, C2 en C3 kavels van het plangebied van Parnas is op basis van een voorbeeldverkaveling onderzoek gedaan naar de bezonningssituatie binnen en in de omgeving van het plangebied. Hierbij wordt opgemerkt dat er geen landelijk wettelijk vastgelegde normen of eisen zijn waaraan plannen ten aanzien van de bezonning in relatie tot bestaande functies moeten voldoen. In het Bouwbesluit is wel regelgeving voor daglichttoetreding opgenomen maar dit heeft geen betrekking op schaduwwerking van het ene gebouw op het andere. Ten einde de resultaten van het bezonningsonderzoek te kunnen beoordelen kan gebruik gemaakt worden van een TNO-norm. Deze norm (of een afgeleide daarvan) wordt door verschillende gemeenten gehanteerd bij het uitvoeren van een bezonningsstudie bij een gebiedsontwikkeling. De gemeente Amsterdam hanteert als richtlijn een aan de TNO ontleend criterium dat de nieuwbouw zodanig moet zijn gesitueerd dat de zon op de eerste dag van de lente dan wel de eerste dag van de herfst tussen 10.00 uur en 18.00 uur tenminste twee mogelijke bezonningsuren per dag op één gevel van een woning moet kunnen bereiken. Bij de beoordeling van de schaduweffecten van de geplande nieuwbouw is de situatie weergegeven op 21 maart, 21 juni (hoogste zonnestand), 23 september en op 22 december (laagste zonnestand).
Op de beoogde proefverkaveling op C2 - C3 kavel voldoet deze norm van minimaal 2 zonuren op minimaal één gevel. Tevens veroorzaakt deze nieuwe bebouwing geen ernstige schaduwwerking op de omliggende omgeving. Uiterste contouren culturele bestemming C1
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
3
Bezonningstudie - voorkeurmodel
Doorsnede noord-zuid
Doorsnede oost-west
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
Uiterste contouren culturele bestemming C1
4
21 maart 2021 N
06.46
09.00
11.00
15.00
17.00
13.00
18.00
18.50
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
5
21 juni 2021 N
05.25
09.00
11.00
15.00
17.00
13.00
19.00
21.59
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
6
23 september 2021 N
07.33
09.00
11.00
15.00
17.00
13.00
19.00
19.30
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
7
22 december 2021 N
08.56
09.00
11.00
13.00
15.00
17.00
19.00
Zon onder
Zon onder
16.22
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
8
Overzicht 09.00
11.00
13.00
15.00
17.00
18.00
N
21 maart
19.00
21 juni
19.00
23 september
22 december
Zon onder
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
Zon onder
9
Zuidoost aanzicht Parnas 09.00
11.00
13.00
15.00
17.00
18.00
N
21 maart
19.00
21 juni
19.00
23 september
22 december
Zon onder
Gemeente Amsterdam, Ruimte & duurzaamheid
Zon onder
10