Raadsbesluit 2023-040B BP Westerpark Zuid Regels
Tekst van het document
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 1 meter.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 33
7.3
Specifieke gebruiksregels
Voor de in lid 7.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels: 7.3.1
Kinderopvangvoorzieningen
a. Ten aanzien van de op grond van 7.1 toegestane maatschappelijke dienstverlening geldt een maximum aantal van één kinderopvangvoorziening per bouwblok met een maximum bruto vloeroppervlak van 250 m2 per vestiging; b. In afwijking van het bepaalde onder a zijn twee of meer kinderopvangvoorzieningen per bouwblok toegestaan indien deze rechtmatig aanwezig was op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; c. In afwijking van het bepaalde onder a is een kinderopvangvoorziening niet toegestaan als zich in hetzelfde bouwblok reeds een school bevindt waarvan de speelplaats grenst aan de binnentuin. 7.3.2
Vestigingsgrootte
a. Voor de in lid 7.1 genoemde functies geldt een maximale bruto vloeroppervlakte van 250 m2 per vestiging; b. in afwijking van het bepaalde onder a. onder a is een groter bruto vloeroppervlakte per vestiging toegestaan indien dit is gerealiseerd of kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan. 7.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
7.4.1
Vergunningvereiste
Het is verboden om orde-1 of orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Het is verboden om orde-3 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten en voor zover gecombineerd met een stedenbouwkundige zone A of B, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. 7.4.2
Uitzondering vergunningvereiste
Het in lid 7.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. die alleen inpandig worden uitgevoerd en niet van invloed zijn op het gevelbeeld; e. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud. 7.4.3
Criteria voor vergunningverlening
De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q. kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam een advies heeft uitgebracht.
Gemeente Amsterdam
blz. 34
Artikel 8 8.1
Gemengd - 5
Bestemmingsomschrijving
De voor Gemengd - 5 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
bedrijven in de categorieën A van de Staat van inrichtingen; kantoren; maatschappelijke dienstverlening inclusief bijbehorende ondergeschikte horeca; cultuur en ontspanning met bijbehorende ondergeschikte horeca;
alsmede: e. horeca van categorie 3 ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 3"; f. horeca van categorie 4 ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 4"; g. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 1" tevens voor consumentverzorgende dienstverlening; h. ter plaatse van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd - 2" gevens voor consumentverzorgende dienstverlening, publieksgerichte zakelijke dienstverlening, horeca van categorie 3 en horeca van categorie 4; i. ter plaatse van de aanduiding "wonen" tevens voor woningen al dan niet in combinatie met praktijkof vrije beroepsuitoefening aan huis / bedrijf aan huis in de tweede en hoger gelegen bouwlagen; j. woningen inclusief ruimten ten behoeve van praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis / bedrijf aan huis in de kelder, souterrain en eerste bouwlaag, waar deze ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtmatig zijn gerealiseerd; k. bijbehorende gebouwde parkeervoorzieningen in de kelder met bijbehorende in- en uitritten, bergingen en technische ruimten ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage"; met bijbehorende: l. tuinen en erven; m. groenvoorzieningen; n. speelvoorzieningen; o. verblijfsgebied; p. nutsvoorzieningen; q. parkeervoorzieningen; r. afvalinzamelingssystemen; s. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; t. bergingen en andere nevenruimten. 8.2
Bouwregels
8.2.1
Algemeen
Op en onder de in lid 8.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 8.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. maximum bebouwingspercentage bestemmingsvlak: 100%, tenzij er in het betreffende bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, dan geldt een maximum bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak; b. maximum goot- en bouwhoogte: de hoogte van (de te onderscheiden delen van) gebouwen zoals die bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 35
op grond van een omgevingsvergunning is gerealiseerd ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan of op dat moment kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, de in het voorgaande bestemmingsplan rechtens toegestane bouwhoogte; c. het kapprofiel van panden met een orde-1, een orde-2 en met een orde-3 aan hoge gewaardeerde stedenbouwkundige zones mag aan de straatzijde niet gewijzigd worden. d. ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" mogen de gronden niet worden bebouwd tot een hoogte die benodigd is voor de vrije doorgang voor het verkeer, behoudens de voor de hoger opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies; e. het bouwen van hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken is slechts toegestaan als er wordt voorzien in de aanleg van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter (dak)oppervlak (60 mm), die vertraagd wordt geleegd met een snelheid van 2,5 mm/uur (60 mm in 24 uur). 8.2.3
Dakuitbouwen
De maximum bouwhoogte als bedoeld in 8.2.2 onder b mag worden overschreden door een uitbouw van de bovenste bouwlaag of kap, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. een dakuitbouw is niet toegestaan op orde-1 en orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidelijke welstandskaarten; b. een dakuitbouw mag uitsluitend direct aangrenzend worden gerealiseerd, uitsluitend aan de achterzijde (de van de openbare ruimte afgekeerde zijde) van het hoofdgebouw; c. de afstand tot de achtergevel of dakrand minimaal gelijk is aan de hoogte van de uitbouw. d. de dakuitbouw mag uitsluitend worden gebruikt als deel van een woning; e. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter, tenzij het direct bestaande aangrenzende deel (kap of dakopbouw) van het hoofdgebouw lager is, dan geldt de bouwhoogte van het direct aangrenzende deel van het hoofdgebouw als maximum; f. in geval het direct aangrenzende deel van het hoofdgebouw een kap is, mag de dakuitbouw uitsluitend worden gebouwd indien deze wordt gerealiseerd op minimaal 0,5 meter onder de bestaande maximale nokhoogte van het hoofdgebouw; g. op de nieuw gerealiseerde dakuitbouw is een dakterras toegestaan, met inachtneming van het bepaalde onder 8.2.4. 8.2.4
Dakterrassen
Het dak van de gebouwen mag worden ingericht en gebruikt als dakterras, waarbij de maximaal toelaatbare bouwhoogte mag worden overschreden, met dien verstande dat: a. dakterrassen niet zijn toegestaan op orde-1 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidelijke welstandskaarten; b. dakterrassen alleen zijn toegestaan op daken die plat zijn afgedekt; c. Het dakterras mag niet groter zijn dan 50% van een plat dak, met uitzondering van de eventueel aan te brengen benodigde constructie; d. de afstand tussen dakterrassen en de dakrand die grenst aan lager gelegen tuinen of gemeenschappelijke binnentuinen minimaal 1,0 meter bedraagt, met dien verstande dat dit niet geldt voor aanbouwen; e. de afstand tussen dakterrassen en de dakrand die grenst aan lager gelegen openbare ruimte minimaal 2,0 meter bedraagt, met dien verstande dat dit niet geldt voor aanbouwen; f. de totale hoogte vanaf het dakvlak tot de bovenkant van de terrasvloer maximaal 0,5 meter bedraagt; g. hekwerken zijn toegestaan van maximaal 1,20 meter, gemeten vanaf de te realiseren terrasvloer.
Gemeente Amsterdam
blz. 36
8.2.5
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 1 meter. 8.3
Specifieke gebruiksregels
Voor de in lid 8.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels: 8.3.1
Kinderopvangvoorzieningen
a. Ten aanzien van de op grond van 8.1 toegestane maatschappelijke dienstverlening geldt een maximum aantal van één kinderopvangvoorziening per bouwblok met een maximum bruto vloeroppervlak van 250 m2 per vestiging; b. In afwijking van het bepaalde onder a zijn twee of meer kinderopvangvoorzieningen per bouwblok toegestaan indien deze rechtmatig aanwezig was op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan; c. In afwijking van het bepaalde onder a is een kinderopvangvoorziening niet toegestaan als zich in hetzelfde bouwblok reeds een school bevindt waarvan de speelplaats grenst aan de binnentuin. 8.3.2
Vestigingsgrootte
Ten aanzien van de in lid 8.1 toegestane functies gelden de volgende maxima: a. bestemmingsvlakken Gemengd - 5: 1. kantoor: maximaal 500 m2 bruto vloeroppervlakte per vestiging; 2. bedrijf: maximaal 300 m2 bruto vloeroppervlakte per vestiging. 3. maatschappelijke dienstverlening niet zijnde kinderopvangvoorziening: maximaal 1.000 m2 bvo; 4. Cultuur en ontspanning: 500 m2 bruto vloeroppervlakte per vestiging; 5. kinderopvangvoorziening: maximaal 250 m2 bvo; 6. horeca van categorie 3 en horeca van categorie 4: 250 m2 bruto vloeroppervlakte per vestiging 7. horeca van categorie 3 en horeca van categorie 4 ter plaatse van de aanduiding "gemengd-2": gezamenlijk maximaal 750 m2 bvo; b. in afwijking van het bepaalde onder a is een groter bruto vloeroppervlakte per vestiging toegestaan indien dit rechtmatig is gerealiseerd op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 8.3.3
Overig
In afwijking van het bepaalde in lid 8.1 onder c zijn geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen ter plaatse van de gebiedsaanduiding milieuzone - geluidsgevoelige functie niet toegestaan. 8.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
8.4.1
Vergunningvereiste
Het is verboden om orde-1 of orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Het is verboden om orde-3 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten en voor zover gecombineerd met een stedenbouwkundige zone A of B, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 37
8.4.2
Uitzondering vergunningvereiste
Het in lid 8.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. die alleen inpandig worden uitgevoerd en niet van invloed zijn op het gevelbeeld; e. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud. 8.4.3
Criteria voor vergunningverlening
De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q. kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam een advies heeft uitgebracht.
Gemeente Amsterdam
blz. 38
Artikel 9 9.1
Gemengd - 6
Bestemmingsomschrijving
De voor Gemengd - 6 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e.
bedrijven in de categorieën A van de Staat van inrichtingen; kantoren; maatschappelijke dienstverlening inclusief bijbehorende ondergeschikte horeca; galeriën; woningen inclusief ruimten voor praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis / bedrijf aan huis;
met bijbehorende: f. tuinen en erven; g. groenvoorzieningen; h. speelvoorzieningen; i. parkeervoorzieningen; j. verblijfsgebied; k. nutsvoorzieningen; l. afvalinzamelingssystemen; m. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; n. bergingen en andere nevenruimten. 9.2
Bouwregels
9.2.1
Algemeen
Op en onder de in lid 9.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 9.2.2
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. maximum bebouwingspercentage bestemmingsvlak: 100%, tenzij er in het betreffende bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, dan geldt een maximum bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak; b. maximum goot- en bouwhoogte: de hoogte van (de te onderscheiden delen van) gebouwen zoals die op grond van een omgevingsvergunning is gerealiseerd ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan of op dat moment kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, de in het voorgaande bestemmingsplan rechtens toegestane bouwhoogte; c. het kapprofiel van panden met een orde-1, een orde-2 en met een orde-3 aan hoge gewaardeerde stedenbouwkundige zones mag aan de straatzijde niet gewijzigd worden. d. ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" mogen de gronden niet worden bebouwd tot een hoogte die benodigd is voor de vrije doorgang voor het verkeer, behoudens de voor de hoger opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies; e.
het bouwen van hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken is slechts toegestaan als er wordt voorzien in de aanleg van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter (dak)oppervlak (60 mm), die vertraagd wordt geleegd met een snelheid van 2,5 mm/uur (60 mm in 24 uur).
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 39
9.2.3
Dakuitbouwen
De maximum bouwhoogte als bedoeld in 9.2.2 onder b mag worden overschreden door een uitbouw van de bovenste bouwlaag of kap, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. een dakuitbouw is niet toegestaan op orde-1 en orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidelijke welstandskaarten; b. een dakuitbouw mag uitsluitend direct aangrenzend worden gerealiseerd, uitsluitend aan de achterzijde (de van de openbare ruimte afgekeerde zijde) van het hoofdgebouw; c. de afstand tot de achtergevel minimaal gelijk is aan de hoogte van de uitbouw. d. de dakuitbouw mag uitsluitend worden gebruikt als deel van een woning; e. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter, tenzij het direct bestaande aangrenzende deel (kap of dakopbouw) van het hoofdgebouw lager is, dan geldt de bouwhoogte van het direct aangrenzende deel van het hoofdgebouw als maximum; f. in geval het direct aangrenzende deel van het hoofdgebouw een kap is, mag de dakuitbouw uitsluitend worden gebouwd indien deze wordt gerealiseerd op minimaal 0,5 meter onder de bestaande maximale nokhoogte van het hoofdgebouw; g. op de nieuw gerealiseerde dakuitbouw is een dakterras toegestaan, met inachtneming van het bepaalde onder 9.2.4. 9.2.4
Dakterrassen
Het dak van de gebouwen mag worden ingericht en gebruikt als dakterras, waarbij de maximaal toelaatbare bouwhoogte mag worden overschreden, met dien verstande dat: a. dakterrassen niet zijn toegestaan op orde-1 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidelijke welstandskaarten; b. dakterrassen alleen zijn toegestaan op daken die plat zijn afgedekt; c. Het dakterras mag niet groter zijn dan 50% van een plat dak, met uitzondering van de eventueel aan te brengen benodigde constructie; d. de afstand tussen dakterrassen en de dakrand die grenst aan lager gelegen tuinen of gemeenschappelijke binnentuinen minimaal 1,0 meter bedraagt, met dien verstande dat dit niet geldt voor aanbouwen; e. de afstand tussen dakterrassen en de dakrand die grenst aan lager gelegen openbare ruimte minimaal 2,0 meter bedraagt, met dien verstande dat dit niet geldt voor aanbouwen; f. de totale hoogte vanaf het dakvlak tot de bovenkant van de terrasvloer maximaal 0,5 meter bedraagt; g. hekwerken zijn toegestaan van maximaal 1,20 meter, gemeten vanaf de te realiseren terrasvloer. 9.2.5
Bouwwerken geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 1 meter. 9.3
Specifieke gebruiksregels
Voor de in lid 9.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels: 9.3.1
Kinderopvangvoorzieningen
a. Ten aanzien van de op grond van 9.1 toegestane maatschappelijke dienstverlening geldt een maximum aantal van één kinderopvangvoorziening per bouwblok met een maximum bruto vloeroppervlak van 250 m2 per vestiging; b. In afwijking van het bepaalde onder a zijn twee of meer kinderopvangvoorzieningen per bouwblok toegestaan indien deze rechtmatig aanwezig was op het tijdstip van inwerkingtreding van het
Gemeente Amsterdam
blz. 40
bestemmingsplan; c. In afwijking van het bepaalde onder a is een kinderopvangvoorziening niet toegestaan als zich in hetzelfde bouwblok reeds een school bevindt waarvan de speelplaats grenst aan de binnentuin. 9.3.2
Vestigingsgrootte
Ten aanzien van de in lid 9.1 toegestane functies gelden de volgende maxima: a. bestemmingsvlakken Gemengd - 6: 1. kantoor: maximaal 500 m2 bruto vloeroppervlakte per vestiging; 2. bedrijf: maximaal 300 m2 bruto vloeroppervlakte per vestiging. 3. maatschappelijke dienstverlening niet zijnde kinderopvangvoorziening: maximaal 1.000 m2 bvo; 4. kinderopvangvoorziening: maximaal 250 m2 bvo. b. in afwijking van het bepaalde onder a is een groter bruto vloeroppervlakte per vestiging toegestaan indien dit rechtmatig is gerealiseerd op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan. 9.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
9.4.1
Vergunningvereiste
Het is verboden om orde-1 of orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Het is verboden om orde-3 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten en voor zover gecombineerd met een stedenbouwkundige zone A of B, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. 9.4.2
Uitzondering vergunningvereiste
Het in lid 9.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. die alleen inpandig worden uitgevoerd en niet van invloed zijn op het gevelbeeld; e. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud. 9.4.3
Criteria voor vergunningverlening
De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q. kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie voor Welstand en Monumenten Amsterdam een advies heeft uitgebracht.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 41
Artikel 10 10.1
Gemengd-7
Bestemmingsomschrijving
De voor Gemengd - 7 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een houtzaagmolen; b. bedrijven; c. maatschappelijke dienstverlening met uitzondering van geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen; d. cultuur en ontspanning; met bijbehorende: e. tuinen en erven; f. groenvoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. parkeervoorzieningen; i. verblijfsgebied; j. nutsvoorzieningen; k. afvalinzamelsystemen; l. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; m. bergingen en andere nevenruimten. 10.2
Bouwregels
10.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 10.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 10.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen zijn slechts toegestaan binnen de bouwvlakken; b. maximum bebouwingspercentage bouwvlak: 100%; c. maximum goot- en bouwhoogte: de hoogte van (de te onderscheiden delen van) gebouwen zoals die op grond van een omgevingsvergunning is gerealiseerd ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan of op dat moment kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, de in het voorgaande bestemmingsplan rechtens toegestane bouwhoogte; d. het bouwen van hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken is slechts toegestaan als er wordt voorzien in de aanleg van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter (dak)oppervlak (60 mm), die vertraagd wordt geleegd met een snelheid van 2,5 mm/uur (60 mm in 24 uur).
10.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 6 meter. Gemeente Amsterdam
blz. 42
10.3
Specifieke gebruiksregels
10.3.1 Bedrijven a. Ten aanzien van de in lid 10.1 onder a. genoemde bedrijven geldt dat uitsluitend bedrijven in de categorieën A en B van de Staat van inrichtingen zijn toegestaan. b. Bedrijven in de categorie C van de Staat van inrichtingen zijn toegestaan, mits de activiteiten inclusief opslag hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden. 10.3.2 Functies 10.1 b. t/m d. Voor deze functies geldt dat deze zijn toegestaan mits zij aan de gestelde parkeernormen voldoen.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 43
Artikel 11 11.1
Groen
Bestemmingsomschrijving
De voor Groen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d. e. f. g. h.
groenvoorzieningen; voet- en fietspaden; speelvoorzieningen; nutsvoorzieningen; kunstobjecten; water; waterhuishoudkundige voorzieningen; waterbouwkundige kunstwerken.
alsmede voor: i.
tuinen behorende bij woonboten, ter plaatse van de aanduiding 'tuin';
11.2
Bouwregels
11.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 11.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 11.2.2 Gebouwen Gebouwen ter plaatse van de aanduiding 'tuin' zijn alleen toegestaan met inachtneming van de volgende bepalingen: a. bergingen met een maximum bouwhoogte van 2 meter en een maximum oppervlak van 6 m² toegestaan; b. maximum bouwhoogte nutsvoorzieningen: 4 meter. 11.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte plastieken en kunstobjecten: 6 meter; b. maximum bouwhoogte speelvoorzieningen: 8 meter; c. maximum bouwhoogte overige bouwwerken geen gebouwen zijnde: 3 meter. 11.3
Specifieke gebruiksregels
De bepalingen, zoals opgenomen onder 11.2.3 zijn niet van toepassing op de gronden ter plaatse van de aanduiding 'tuin'. 11.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
11.4.1 Vergunningvereiste Het is verboden om orde-1 of orde-2 bouwwerken waaronder mede begrepen bruggen, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning.
Gemeente Amsterdam
blz. 44
Het is verboden om orde-3 bouwwerken waaronder mede begrepen bruggen, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten en voor zover op tussenwaarderingskaart C (waardering verkaveling) aangeduid als "5 punten" of "4 punten", geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. 11.4.2 Uitzondering vergunningvereiste Het in lid 11.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. die alleen inpandig worden uitgevoerd en niet van invloed zijn op het gevelbeeld; e. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud. 11.4.3 Criteria voor vergunningverlening De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q. kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam een advies heeft uitgebracht.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 45
Artikel 12 12.1
Maatschappelijk - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor Maatschappelijk - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke dienstverlening, met inbegrip van geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen; alsmede voor: b. bijbehorende gebouwde parkeervoorzieningen in de kelder met bijbehorende in- en uitritten, bergingen en technische ruimten ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage"; met bijbehorende: c. d. e. f. g. h. i. j. k. l.
tuinen en erven, zulks met uitzondering van horecaterrassen; (school)pleinen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; parkeervoorzieningen; verblijfsgebied; nutsvoorzieningen; afvalinzamelingssystemen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; bergingen en andere nevenruimten.
12.2
Bouwregels
12.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 12.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 12.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. maximum bebouwingspercentage bestemmingsvlak: 100%, tenzij er in het betreffende bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, dan geldt een maximum bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak; b. maximum goot- en bouwhoogte: de hoogte van (de te onderscheiden delen van) gebouwen zoals die op grond van een omgevingsvergunning is gerealiseerd ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan of op dat moment kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, de in het voorgaande bestemmingsplan rechtens toegestane bouwhoogte; c. het kapprofiel van panden met een orde-1, een orde-2 en met een orde-3 aan hoge gewaardeerde stedenbouwkundige zones mag aan de straatzijde niet gewijzigd worden. d. het bouwen van hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken is slechts toegestaan als er wordt voorzien in de aanleg van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter (dak)oppervlak (60 mm), die vertraagd wordt geleegd met een snelheid van 2,5 mm/uur (60 mm in 24 uur).
Gemeente Amsterdam
blz. 46
12.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 1 meter. 12.3
Specifieke gebruiksregels
Voor de in lid 12.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels: a. Ten aanzien van de op grond van 12.1 toegestane maatschappelijke dienstverlening geldt een maximum aantal van één kinderopvangvoorziening per bouwblok; b. In afwijking van het bepaalde onder a zijn twee of meer kinderopvangvoorzieningen per bouwblok toegestaan indien deze op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtmatig waren gerealiseerd. c. In afwijking van het bepaalde onder a is een kinderopvangvoorziening niet toegestaan als zich in hetzelfde bouwblok reeds een school bevindt waarvan de speelplaats grenst aan de binnentuin. 12.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
12.4.1 Vergunningvereiste Het is verboden om orde-1 of orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Het is verboden om orde-3 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten en voor zover op tussenwaarderingskaart C (waardering verkaveling) aangeduid als "5 punten" of "4 punten", geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. 12.4.2 Uitzondering vergunningvereiste Het in lid 12.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. die alleen inpandig worden uitgevoerd en niet van invloed zijn op het gevelbeeld; e. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud. 12.4.3 Criteria voor vergunningverlening De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q.
kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam een advies heeft uitgebracht.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 47
Artikel 13 13.1
Maatschappelijk - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor Maatschappelijk - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke dienstverlening, met uitzondering van geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen; b. geluidsgevoelige maatschappelijke voorzieningen uitsluitend waar deze ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtmatig zijn gerealiseerd; alsmede voor: c. woningen, al dan niet in combinatie met praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis / bedrijf aan huis, in tweede en hoger gelegen bouwlagen, ter plaatse van de aanduiding "wonen"; met bijbehorende: d. e. f. g. h. i. j. k. l.
tuinen en erven, zulks met uitzondering van horecaterrassen; groenvoorzieningen; speelvoorzieningen; parkeervoorzieningen; verblijfsgebied; nutsvoorzieningen; afvalinzamelingssystemen; water en waterhuishoudkundige voorzieningen; bergingen en andere nevenruimten.
13.2
Bouwregels
13.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 13.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 13.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. maximum bebouwingspercentage bestemmingsvlak: 100%, tenzij er in het betreffende bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, dan geldt een maximum bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak; b. maximum goot- en bouwhoogte: de hoogte van (de te onderscheiden delen van) gebouwen zoals die op grond van een omgevingsvergunning is gerealiseerd ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan of op dat moment kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, de in het voorgaande bestemmingsplan rechtens toegestane bouwhoogte; c. het kapprofiel van panden met een orde-1, een orde-2 en met een orde-3 aan hoge gewaardeerde stedenbouwkundige zones mag aan de straatzijde niet gewijzigd worden. d. het bouwen van hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken is slechts toegestaan als er wordt voorzien in de aanleg van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter (dak)oppervlak (60 mm), die vertraagd wordt geleegd met een snelheid van 2,5 mm/uur (60 mm in 24 uur).
Gemeente Amsterdam
blz. 48
13.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 1 meter. 13.3
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
13.3.1 Vergunningvereiste Het is verboden om orde-1 of orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Het is verboden om orde-3 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten en voor zover op tussenwaarderingskaart C (waardering verkaveling) aangeduid als "5 punten" of "4 punten", geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. 13.3.2 Uitzondering vergunningvereiste Het in lid 13.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. die alleen inpandig worden uitgevoerd en niet van invloed zijn op het gevelbeeld; e. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud. 13.3.3 Criteria voor vergunningverlening De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q.
kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam een advies heeft uitgebracht.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 49
Artikel 14 14.1
Tuin
Bestemmingsomschrijving
De voor Tuin aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. tuinen; alsmede voor: b. bij de omliggende panden behorende gebouwde parkeervoorzieningen in de kelder met bijbehorende in- en uitritten, bergingen en technische ruimten ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage"; c. kelders en souterrains waar deze rechtmatig zijn gerealiseerd of kunnen worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; d. bijbehorend bouwwerken uitsluitend waar deze ten tijde van inwerkingtreding van het bestemmingsplan rechtmatig zijn gerealiseerd of waarvan de realisatie rechtmatig is aangevangen, of ter plaatse van de aanduiding "bijbehorend bouwwerk". 14.2
Bouwregels
14.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 14.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 14.2.2 Parkeergarages Voor het bouwen van een parkeergarage gelden de volgende regels: 1. maximum bouwhoogte zoals die is gerealiseerd of kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; 2. maximum bebouwingspercentage: 100% van het aanduidingsvlak. 14.2.3 Bijbehorende bouwwerken Voor een bijbehorend bouwwerk ter plaatse van de aanduiding "bijbehorend bouwwerk" gelden de volgende bepalingen: 1. maximum bouwhoogte: zoals die is gerealiseerd of kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; 2. maximum bebouwingspercentage: 100% van het aanduidingsvlak. 3. mits het bijbehorend bouwwerk naar aard en omvang niet wordt vergroot mag deze, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 14.2.4 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 1 meter. 14.3
Specifieke gebruiksregels
a. De onbebouwde gronden mogen slechts worden ingericht en gebruikt als tuin en ten behoeve de doeleinden die in de eerste bouwlaag van de direct aangrenzende hoofdbebouwing zijn toegestaan,
Gemeente Amsterdam
blz. 50
zulks met uitzondering van terrassen behorend bij horeca; b. in afwijking van het bepaalde onder a. is een terras behorend bij horeca toegestaan indien dit is gerealiseerd of kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 51
Artikel 15 15.1
Verkeer - 1
Bestemmingsomschrijving
De voor Verkeer - 1 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. verkeersareaal; b. uitwegen van parkeerplaatsen of aangrenzende gebouwde parkeervoorzieningen; c. onderdoorgangen; d. groenvoorzieningen; e. speelvoorzieningen; f. nutsvoorzieningen; g. kunstobjecten; h. voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie; i. stallingsvoorzieningen voor scootmobiels (scootsafes); j. voorzieningen ten behoeve van elektrisch vervoer; k. water; l. waterhuishoudkundige voorzieningen; m. waterbouwkundige kunstwerken; alsmede: n. voor horecaterrassen, uitsluitend waar deze op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan krachtens een vergunning zijn gerealiseerd; o. voor trambanen met bijbehorende voorzieningen uitsluitend waar deze op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan zijn gerealiseerd; p. voor kiosken ten behoeve van detailhandel en ten behoeve van horeca van categorie 4, uitsluitend waar deze op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan zijn gerealiseerd. 15.2
Bouwregels
15.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 15.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 15.2.2 Kiosken Voor het bouwen van kiosken gelden de volgende bepalingen: 1. situering: uitsluitend waar deze op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan zijn gerealiseerd; 2. maximum oppervlakte: 15 m2; 3. maximum bouwhoogte: 3 meter. 15.2.3 Gebouwen ten behoeve van nutsvoorzieningen Voor het bouwen van nutsvoorzieningen gelden de volgende regels: a. maximum bouwhoogte: 6 meter; b. maximum bruto vloeroppervlak per gebouw: 25 m2. 15.2.4 Scootsafes Voor het bouwen van scootsafes gelden de volgende regels:
Gemeente Amsterdam
blz. 52
a. maximum inhoud: 3 m3; b. scootsafes mogen uitsluitend worden gebouwd op voorwaarde dat: 1. plaatsing van de scootsafe inpandig niet mogelijk is; 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en gebouwen. 15.2.5 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte plastieken en kunstobjecten: 6 meter; b. maximum bouwhoogte speelvoorzieningen: 8 meter; c. maximum bouwhoogte overige bouwwerken geen gebouwen zijnde: 3 meter. 15.3
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
15.3.1 Vergunningvereiste Het is verboden om orde-1 of orde-2 bouwwerken waaronder mede begrepen bruggen, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Het is verboden om orde-3 bouwwerken waaronder mede begrepen bruggen, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten en voor zover op tussenwaarderingskaart C (waardering verkaveling) aangeduid als "5 punten" of "4 punten", geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. 15.3.2 Uitzondering vergunningvereiste Het in lid 15.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. die alleen inpandig worden uitgevoerd en niet van invloed zijn op het gevelbeeld; e. worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud. 15.3.3 Criteria voor vergunningverlening De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q.
kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam een advies heeft uitgebracht.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 53
Artikel 16 16.1
Verkeer - 2
Bestemmingsomschrijving
De voor Verkeer - 2 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. pleinen; b. voet- en fietspaden; c. groenvoorzieningen; d. speelvoorzieningen; e. nutsvoorzieningen; f. kunstobjecten; g. voorzieningen ten behoeve van het opwekken van duurzame energie; h. stallingsvoorzieningen voor scootmobiels (scootsafes); i. voorzieningen ten behoeve van elektrisch vervoer; j. staanplaatsen; k. water; l. waterhuishoudkundige voorzieningen; m. waterbouwkundige kunstwerken; alsmede: n. voor horecaterrassen, uitsluitend waar deze op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan krachtens een vergunning zijn gerealiseerd; o. voor kiosken ten behoeve van detailhandel en ten behoeve van horeca van categorie 5, uitsluitend waar deze op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan zijn gerealiseerd; p. gebouwde parkeervoorzieningen in de kelder met bijbehorende in- en uitritten, bergingen en technische ruimten ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage". 16.2
Bouwregels
16.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 16.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 16.2.2 Kiosken Voor het bouwen van kiosken gelden de volgende regels: a. situering: uitsluitend waar deze op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan zijn gerealiseerd; b. maximum oppervlakte: 15 m2; c. maximum bouwhoogte: 3 meter. 16.2.3 Scootsafes Voor het bouwen van scootsafes gelden de volgende regels: a. maximum inhoud: 3 m3; b. scootsafes mogen uitsluitend worden gebouwd op voorwaarde dat: 1. plaatsing van de scootsafe inpandig niet mogelijk is; 2. er geen onevenredige aantasting plaatsvindt van het straat- en bebouwingsbeeld, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden en gebouwen. Gemeente Amsterdam
blz. 54
16.2.4 Gebouwde parkeervoorzieningen Voor het bouwen ten behoeve van gebouwde parkeervoorzieningen in de kelder geldt een maximum bouwhoogte van 4 meter. 16.2.5 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte overkappingen, plastieken en kunstobjecten: 6 meter; b. maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde behorende bij de gebouwde parkeervoorzieningen: 8 meter; c. maximum bouwhoogte speelvoorzieningen: 8 meter; d. maximum bouwhoogte overige bouwwerken geen gebouwen zijnde: 3 meter.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 55
Artikel 17 17.1
Verkeer - 3
Bestemmingsomschrijving
De voor Verkeer - 3 aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. een ondergrondse parkeergarage met bovengrondse in- en uitritten, entrees, trappenhuizen en liftschachten; b. maatschappelijke voorzieningen, met uitzondering van geluidgevoelige maatschappelijke voorzieningen; c. verkeersareaal; d. groenvoorzieningen; e. speelvoorzieningen met bijbehorende beheerdersgebouwen; f. kunstuitingen; g. bergingen en andere nevenruimten alsmede voor: h. horeca van categorie 4, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding "horeca van categorie 4". 17.2
Bouwregels
17.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 17.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming. 17.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen de aangegeven bouwvlakken, één en ander met uitzondering van de ondergrondse parkeergarage, deze is ook buiten de bouwvlakken toegestaan; b. maximum bebouwingspercentage binnen de bouwvlakken: 100%; c. maximum bebouwingspercentage buiten de bouwvlakken: 5%; d. maximum maximum goot- en bouwhoogte: de hoogte van (de te onderscheiden delen van) gebouwen zoals die op grond van een omgevingsvergunning is gerealiseerd ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan of op dat moment kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is, de in het voorgaande bestemmingsplan rechtens toegestane bouwhoogte. 17.2.3 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 5 meter; b. maximum bouwhoogte bouwwerken geen gebouwen zijnde op de gebouwen als bedoeld onder 17.2.2: 4 meter, gemeten vanaf het dak van de gebouwen. 17.3
Specifieke gebruiksregels
Voor de in lid 17.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels: het maximum bruto vloeroppervlak horeca van categorie 4 bedraagt 125 m².
Gemeente Amsterdam
blz. 56
Artikel 18 18.1
Waarde - Archeologie 1
Bestemmingsomschrijving
a. De voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. b. De bestemming Waarde - Archeologie 1 is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 18.2
Bouwregels
18.2.1 Algemeen De aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient een archeologisch Programma van Eisen te overleggen indien de aanvraag leidt tot grondroerende werkzaamheden: a. van 100 m² of meer en b. dieper dan 0,5 meter onder peil. 18.2.2 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 18.2.1 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. 18.2.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nader eisen stellen aan bouwplannen die voorzien in grondroerende werkzaamheden, zijnde: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
18.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 18.3.1 Verbodsregel Op en onder de in 18.1 genoemde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen over een oppervlakte van meer dan 100 m² in combinatie met werken op een diepte van 0,5 meter of meer, waartoe onder meer wordt gerekend het egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; b. het aanbrengen van drainage op een diepte van 0,5 meter of meer; c. het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen op een diepte van 0,5 meter of meer.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 57
18.3.2 Uitzondering verbodsregel Een omgevingsvergunning als bedoeld in 18.3.1 is niet vereist voor de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale onderhoud van wegen, water, groenvoorzieningen en tuinen; b. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen uitgevoerd door een ter zake deskundige; d. indien uit archeologisch bureau-onderzoek blijkt dat er ter plaatse sprake is van een negatieve archeologische verwachting. 18.3.3 Weigeringsgrond omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien door de werken of werkzaamheden, het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad. 18.3.4 Onderzoeksplicht De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een archeologisch onderzoek naar mogelijk aanwezige archeologische waarden in de betrokken gronden heeft plaatsgevonden en waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 18.3.5 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 18.3.4 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is.
18.3.6 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische waarden de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Gemeente Amsterdam
blz. 58
Artikel 19 19.1
Waarde - Archeologie 2
Bestemmingsomschrijving
a. De voor Waarde - Archeologie 2 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. b. De bestemming Waarde - Archeologie 2 is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 19.2
Bouwregels
19.2.1 Algemeen De aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient een archeologisch Programma van Eisen te overleggen indien de aanvraag leidt tot grondroerende werkzaamheden: a. van 100 m² of meer en b. dieper dan 1 meter onder peil. 19.2.2 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 19.2.1 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. 19.2.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nader eisen stellen aan bouwplannen die voorzien in grondroerende werkzaamheden, zijnde: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
19.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 19.3.1 Verbodsregel Op en onder de in 19.1 genoemde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen over een oppervlakte van meer dan 100 m² in combinatie met werken op een diepte van 1 meter of meer, waartoe onder meer wordt gerekend het egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; b. het aanbrengen van drainage op een diepte van 1 meter of meer; c. het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen op een diepte van 1 meter of meer.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 59
19.3.2 Uitzondering verbodsregel Een omgevingsvergunning als bedoeld in 19.3.1 is niet vereist voor de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale onderhoud van wegen, water, groenvoorzieningen en tuinen; b. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen uitgevoerd door een ter zake deskundige; d. indien uit archeologisch bureau-onderzoek blijkt dat er ter plaatse sprake is van een negatieve archeologische verwachting. 19.3.3 Weigeringsgrond omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien door de werken of werkzaamheden, het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad. 19.3.4 Onderzoeksplicht De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een archeologisch onderzoek naar mogelijk aanwezige archeologische waarden in de betrokken gronden heeft plaatsgevonden en waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 19.3.5 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 19.3.4 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is.
19.3.6 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische waarden de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Gemeente Amsterdam
blz. 60
Artikel 20 20.1
Waarde - Archeologie 3
Bestemmingsomschrijving
a. De voor Waarde - Archeologie 3 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. b. De bestemming Waarde - Archeologie 3 is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 20.2
Bouwregels
20.2.1 Algemeen De aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient een archeologisch Programma van Eisen te overleggen indien de aanvraag leidt tot grondroerende werkzaamheden: a. van 100 m² of meer en b. dieper dan 2,5 meter onder peil. 20.2.2 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 20.2.1 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. 20.2.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nader eisen stellen aan bouwplannen die voorzien in grondroerende werkzaamheden, zijnde: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
20.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 20.3.1 Verbodsregel Op en onder de in 20.1 genoemde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen over een oppervlakte van meer dan 100 m² in combinatie met werken op een diepte van 2,5 meter of meer, waartoe onder meer wordt gerekend het egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; b. het aanbrengen van drainage op een diepte van 2,5 meter of meer; c. het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen op een diepte van 2,5 meter of meer.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 61
20.3.2 Uitzondering verbodsregel Een omgevingsvergunning als bedoeld in 20.3.1 is niet vereist voor de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale onderhoud van wegen, water, groenvoorzieningen en tuinen; b. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen uitgevoerd door een ter zake deskundige; d. indien uit archeologisch bureau-onderzoek blijkt dat er ter plaatse sprake is van een negatieve archeologische verwachting. 20.3.3 Weigeringsgrond omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien door de werken of werkzaamheden, het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad. 20.3.4 Onderzoeksplicht De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een archeologisch onderzoek naar mogelijk aanwezige archeologische waarden in de betrokken gronden heeft plaatsgevonden en waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 20.3.5 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 20.3.4 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is.
20.3.6 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische waarden de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Gemeente Amsterdam
blz. 62
Artikel 21 21.1
Waarde - Archeologie 4
Bestemmingsomschrijving
a. De voor Waarde - Archeologie 4 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. b. De bestemming Waarde - Archeologie 4 is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 21.2
Bouwregels
21.2.1 Algemeen De aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient een archeologisch Programma van Eisen te overleggen indien de aanvraag leidt tot grondroerende werkzaamheden: a. van 10.000 m² of meer in de waterbodem. 21.2.2 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 21.2.1 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. 21.2.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nader eisen stellen aan bouwplannen die voorzien in grondroerende werkzaamheden, zijnde: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
21.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 21.3.1 Verbodsregel Op en onder de in 21.1 genoemde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen over een oppervlakte van meer dan 10.000 m², waartoe onder meer wordt gerekend het egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; 21.3.2 Uitzondering verbodsregel Een omgevingsvergunning als bedoeld in 21.3.1 is niet vereist voor de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale onderhoud van wegen, water, groenvoorzieningen en tuinen; b. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan;