CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2022-244E BP Middenmeer I-II herz Arch - bijage bij toelichting

RAAD 30 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87VN2022-02989225.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 3

14.5

Leiding Tennet

Aan de noordoostzijde van de locatie ligt de ondergrondse 150.000 Volt-verbinding van Tennet. Deze verbinding ligt ongeveer 5 meter buiten het plangebied. Op onderstaande afbeelding is de ligging van deze verbinding weergegeven.

Ligging 150.000 Volt-verbinding Door TenneT is aangegeven dat de leiding (ook tijdens en na de inrichting van het terrein) te allen tijde bereikbaar moet blijven vanaf de openbare weg. In het kader van de technische uitvoerbaarheid omtrent de veiligheid, bereikbaarheid en leveringszekerheid van de leiding zal de initiatiefnemer in overleg treden Gemeente Amsterdam

blz. 66

met TenneT.

14.6

Conclusie

Uit het voorgaande blijkt dat het aUit het voorgaande blijkt dat het aspect milieuzonering geen belemmering vormt voor de nieuwbouw van een school op de locatie Archimedesplantsoen 87.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 67

Hoofdstuk 15 15.1

Natuur en Landschap

Algemeen

Daar waar bestemmingsplannen en inpassingsplannen ruimtelijke ontwikkelingen en projecten mogelijk maken, moet rekening worden gehouden met (beschermde) natuurwaarden in de omgeving. Het op grond van het bestemmingsplan toegelaten gebruik mag er namelijk niet toe leiden dat hierdoor te beschermen waarden van een bepaald gebied of bepaalde planten- en diersoorten worden aangetast. Het vaststellen van een bestemmingsplan kan gevolgen hebben voor natuurgebieden waarvoor op grond van nationale of internationale regelgeving of nationaal beleid een speciaal beschermingsregime geldt. Dit noemen we gebiedsbescherming. Deze gebieden hoeven overigens niet in het plangebied zelf te liggen. Activiteiten in een plangebied kunnen namelijk negatieve gevolgen op een gebied (ver) daarbuiten hebben. Dit heet externe werking. Daarnaast kunnen individuele dier-en plantensoorten bescherming genieten ongeacht waar zij voorkomen(soortenbescherming). Zowel met gebieds- als soortenbescherming moet, mede met het oog op de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan, rekening worden gehouden bij de vaststelling ervan.

15.2

Beleid en regelgeving

Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Deze vervangt drie wetten; de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en Faunawet. Vanaf 1 januari 2017 bepalen de provincies voor hun gebied wat wel en niet mag in de natuur. Zij zijn verantwoordelijk voor de vergunningen en ontheffingen. De Rijksoverheid is dan alleen nog verantwoordelijk voor de ontheffingsaanvragen en de gedragscodes. De Wet natuurbescherming bevat een algemene zorgplicht voor alle in het wild levende dieren en planten. Daarnaast voorziet de wet in strikte verboden die gelden voor aangewezen beschermde inheemse diersoorten, waaronder alle van nature in Nederland voorkomende soorten vogels. De wet werkt volgens het 'nee-tenzij' principe ten aanzien van beschermde inheemse soorten: schadelijke handelingen zijn verboden, tenzij er een uitzondering voor is gemaakt. Het is niet toegestaan om vogels te doden, vangen, verwonden, verstoren, bezitten, verhandelen, de nesten en eieren te verstoren of te vernietigen. Uitzonderingen op deze verboden zijn onder voorwaarden mogelijk, onder andere voor veiligheid, schadebestrijding of onderzoek. De wet regelt ook de jacht in ons land.

De Wet natuurbescherming bevat specifieke regels voor de aanwijzing, het beheer en de bescherming van Natura 2000-gebieden, waaronder een groot aantal gebieden die als essentieel leefgebied dienen voor vogels. De internationale verplichtingen uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn vanaf 1 januari 2017 verwerkt in de Wet Natuurbescherming. . Stikstof Het Programma Aanpak Stikstof (PAS) mag niet als basis voor toestemming voor activiteiten worden gebruikt. Dat blijkt uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 29 mei 2019. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van

Gemeente Amsterdam

blz. 68

maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo'n toestemming 'vooraf' mag niet (meer), aldus de Afdeling bestuursrechtspraak. Een vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) is nodig als op voorhand met wetenschappelijke zekerheid significante effecten op voor stikstof gevoelige habitattypes in Natura 2000-gebieden niet kunnen worden uitgesloten.

15.3

Resultaten onderzoeken

15.3.1 Quick scan Wet natuurbescherming Inleiding Econsultancy heeft een quickscan Wet natuurbescherming aan het Archimedesplantsoen 87 te Amsterdam uitgevoerd. De resultaten van het onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van Econsultancy d.d. 23 juli 2020 met rapportnummer 12622.002. Dit rapport is als Bijlage 8 bij deze toelichting gevoegd. Voor de goede orde wordt vermeld dat in de rapportage van de quick scan een afbeelding is opgenomen van eerder plan voor de ontwikkeling van de locatie. De beoogde invulling van de locatie is door het verloop van tijd veranderd. Dit heeft echter geen effect op de resultaten en conclusies van het onderzoek. Soortenbescherming Binnen het plangebied bevinden zich in de huidige bebouwing situaties die geschikt zijn als potentiële nestgelegenheden voor gierzwaluw. Nesten van de gierzwaluw zijn jaarrond beschermd. Door de planontwikkeling kunnen deze mogelijke nestlocaties verstoord en vernield worden. Door Econsultancy wordt geadviseerd om nader onderzoek uit te laten voeren naar de potentiële nestlocaties van deze soort. Door het dichte bladerdek konden de hoge bomen op en om de onderzoekslocatie niet voldoende worden geïnspecteerd om de aanwezigheid van grote nesten van ransuilen en roofvogels uit te kunnen sluiten. Een nadere winterinspectie wordt aangeraden om de aanwezigheid van nesten van deze soorten volledig uit te kunnen sluiten.

Indien potentiële roofvogelbroedlocaties aangetroffen worden zullen deze onderzocht moeten worden naar de daadwerkelijke functie. Op basis van onderhavige quickscan dient voor de uitvoering van de plannen middels aanvullend onderzoek tevens meer duidelijkheid te worden verkregen omtrent de aan- of afwezigheid van ver-blijfplaatsen van vleermuizen. Geadviseerd wordt nader onderzoek uit te laten voeren naar de functie van het plangebied voor de vleermuissoorten gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger, meervleermuis, tweekleurige vleermuis en rosse vleermuis. De volgende verblijfsfuncties moeten worden onderzocht: zomerverblijf, kraamverblijf, paarverblijf en massawinterverblijf. Nader onderzoek naar ringslang, alpenwatersalamander en vinpootsalamander wordt aangeraden door Econsultancy. Op de onderzoekslocatie bevindt zich minder geschikt leefgebied voor deze soorten, maar incidentele aanwezigheid kan niet worden uitgesloten op basis van de geschiktheid van de naastgelegen tuin en waterweg in combinatie met geregistreerde waarnemingen in de omgeving. Gebiedsbescherming bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 69

De onderzoekslocatie is volgens het verrichte onderzoek niet gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Indien er sprake zou zijn van een effect, betreft dit een extern effect. Externe effecten zoals toenamen van geluid, trilling en licht zijn door de afstand tot de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied (3,0 km) in combinatie met de aard van de plannen niet te verwachten. Externe effecten betreffende depositie van stikstof als gevolg van de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie zijn, gezien de afstand (± 8 km) tot de meest nabijgelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden in combinatie met de aard van de plannen (sloop en nieuwbouw), niet te verwachten. Vervolgonderzoek in het kader van de gebiedsbeschermingsparagrafen uit de Wet natuurbescherming wordt niet noodzakelijk geacht. De onderzoekslocatie maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk. De onderzoekslocatie ligt ook niet in de directe nabijheid van een gebied, behorend tot het Natuurnetwerk Nederland. Het meest nabij-gelegen gebied bevindt zich circa 2,6 kilometer ten zuidoosten van de onderzoekslocatie. Het betreft de Diemerpolder. In figuur 27 is de ligging van de onderzoekslocatie ten opzichte van het Natuurnet-werk Nederland weergegeven. In de provincie Noord-Holland wordt externe werking op het natuurnetwerk niet getoetst.

Door de voorgenomen plannen op de onderzoekslocatie in combinatie met de afstand, zullen de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland niet worden aangetast. Vervolgonderzoek in het kader van het Natuurnetwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden De bomen op de onderzoekslocatie vallen niet onder de definitie houtopstanden, als bedoeld in de Wet natuurbescherming. De mogelijk te vellen bomen op de onderzoekslocatie betreft een houtopstand op erven of in tuinen. Voor deze houtopstand geldt geen meldingsplicht en herplantplicht.

15.3.2 Aanvullend natuuronderzoek Op basis van de resultaten van de quick scan Wet natuurbeschermng kon de aanwezigheid van nestlocaties van ransuil, buizerd, havik en de gierzwaluw, verblijfplaatsen van vleermuizen, voortplantingswater van de Alpenwatersalamander en vinpootsalamander en functioneel leefgebied van de ringslang niet uitgesloten worden. Om vast te stellen of de woning daadwerkelijk een functie hebben voor vorengenoemde soorten was aanvullend onderzoek noodzakelijk. Dit aanvullend onderzoek is uitgevoerd voor Blom Ecologie en de resultaten van dit onderzoek zijn vervat in de rapportage d.d. 27 september 2021 met nummer BE/2020/670. Uit het aanvullende onderzoek blijkt het navolgende.

Ransuil, buizerd en havik In de periode februari – juni 2021 is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van de ransuil, buizerd en havik. Tevens is er onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van nesten, waarbij voornamelijk gelet wordt op nesten van voorgenoemde soorten. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de planlocatie geen functie biedt voor uilen- en roofvogelsoorten. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op de ransuil, buizerd en havik.

Gierzwaluw In de periode mei – juli 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van nesten van de gierzwaluw in de bebouwing op de planlocatie. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in Gemeente Amsterdam

blz. 70

het Kennisdocument gierzwaluw (BIJ12, 2017b). Tijdens het onderzoek zijn geen nesten van de gierzwaluw vastgesteld. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.1, lid 2 (wegnemen gierzwaluw nesten).

Vleermuizen In de periode mei – september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen in de woningen aan het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn twee paarverblijfplaatsen van ruige dwergvleermuis vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de woningen buiten de planlocatie (Archimedesplantsoen 63 en Johannes van der Waalsstraat 109) een functie hebben voor de ruige dwergvleermuis als vaste rust- en verblijfplaats (paarverblijf). Als gevolg van de beoogde werkzaamheden gaan deze verblijfplaatsen niet verloren. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 2 en 4.

Alpenwatersalamander en vinpootsalamander In de periode juni – begin september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van de alpenwatersalamander ne vinpootsalamander middels schepnetbemonstering. Hieruit bleek dat de planlocatie geen deel uit maakt van het voortplantingsgebied of functioneel leefgebied van de Alpenwatersalamander en vinpootsalamander. Negatieve effecten op de soorten zijn uitgesloten.

Ringslang In de periode juni – begin september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar aanwezigheid van de ringslang middels het plaatsen en keren van reptielenplaten. Tijdens het onderzoek is aanwezigheid van de ringslang niet vastgesteld. Er is derhalve geen sprake van negatieve effecten op de ringslang naar aanleiding van de beoogde ontwikkeling.

Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van ransuil, buizerd, havik, gierzwaluw, vleermuizen, Alpenwatersalamander, vinpootsalamander en ringslang. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn in totaal 3 nesten van algemene vogelsoorten aangetroffen de planlocatie. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen (indicatief betreft dit de periode 15 maart t/m 15 juli). Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden die mogelijk leiden tot verstoring of aantasting van nesten buiten het broedseizoen uitgevoerd te worden. Conclusie Ten gevolge van de beoogde ontwikkeling is er, mits de Algemene zorgplicht in acht wordt genomen, geen sprake van een overtreding Wet natuurbescherming. Voor de beoogde ontwikkeling uitgevoerd kan worden hoeft geen ontheffing Wet natuurbescherming voorhanden te zijn.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 71

15.3.3 Stikstofberekening In het kader van de voorgenomen herontwikkeling op Archimedesplantsoen 87 is een onderzoek noodzakelijk naar de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden. Dit onderzoek is uitgevoerd door Econsultancy. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van Econsultancy d.d. 8 juli 2021 met rapportnummer 12622.003. Dit rapport met bijbehorende AERIUS-berekening zijn als Bijlage 10 en Bijlage 11 opgenomen bij deze toelichting. De berekening van het projecteffect van de gebruiksfase is verricht met behulp van het programma AERIUS Calculator (versie 2020). Het projecteffect op de Natura 2000-gebieden ten gevolge van de gebruiksfase is kleiner dan of gelijk aan 0,00 mol/ha/jaar. Bij een dergelijke projecteffect zal het beoogde plan niet voor een significante toename in stikstofdepositie zorgen en kunnen negatieve effecten worden uitgesloten. Op basis van het onderzoek blijkt dat er geen vergunning Wet natuurbescherming (gebiedsbescherming) benodigd is voor het aspect stikstof.

15.4

Ecologische hoofdgroenstructuur

Op 17 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de Structuurvisie Amsterdam 2040 vastgesteld. In de structuurvisie is de benodigde hoeveelheid groen die Amsterdam minimaal wil borgen, vastgelegd als de Hoofdgroenstructuur . Het groen in en om de stad draagt immers in hoge mate bij aan de kwaliteit van de Amsterdamse woon- en werkomgeving. Het is één van de redenen waarom Amsterdam populair is als vestigingsplaats. De Hoofdgroenstructuur omvat de gebieden die waardevol zijn voor de stad en de metropool, omdat zij een onmisbare functie vervullen voor groene recreatie, verbetering leefklimaat, waterhuishouding, hittedemping, verbetering luchtkwaliteit, biodiversiteit en voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn belangrijke aspecten. Plannen in de Hoofdgroenstructuur vragen om een afgewogen oordeel. Om dit mogelijk te maken, is een deskundigenadvies geïntroduceerd, dat specifiek betrekking heeft op de inpasbaarheid van een initiatief. Hiertoe is de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur (tac) ingesteld. De tac toetst alle plannen van de stad die aan burgemeester en wethouders ter besluitvorming of ter advisering worden voorgelegd aan de beleidsregels voor de Hoofdgroenstructuur en adviseert burgemeester en wethouders, wanneer zij dit nodig acht.

Ingrepen in de Hoofdgroenstructuur worden op inpasbaarheid beoordeeld. In de structuurvisie zijn de beoordelingscriteria opgenomen, per groentype wordt aangegeven welke ingrepen wel en niet zijn toegestaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Uitsnede kaart Ecologische Hoofdstrctuur De watergang ten zuiden en oosten van het plangebied op Archimedesplantsoen 87 is onderdeel van de huidige ecologische structuur en is aangewezen als stadsnatuurverbinding. Als gevolg van de beoogde ontwikkeling worden geen ingrepen voorzien in en langs de wartergang. De watergang en de direct aanliggende gronden zijn in voorliggend bestemmingsplan bestemd als "Groen". Daarme is geborgd dat de watergang en oevers groen behouden blijven.

15.5

Conclusie

Het aspect natuur en landschap vormt geen belemmering voor de nieuwbouw van een school op Archimedesplantsoen 87 te Amsterdam.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 73

Hoofdstuk 16 16.1

Water

Algemeen

Op grond van artikel 3.1.6 lid b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Dit is de zogenaamde waterparagraaf. Deze waterparagraaf moet inzicht geven in de wijze waarop het waterbeleid is vertaald naar de verbeelding en de regels van het bestemmingsplan. Daarbij wordt een beschrijving gegeven van de wijze waarop bij het plan rekening is gehouden met de gevolgen voor de waterhuishouding. Daarbij wordt aandacht besteed aan de volgende onderdelen: 1. 2. 3. 4. 5.

ruimtelijk relevant waterbeleid; de taken van de waterbeherende instantie; het overleg met de waterbeherende instantie; het huidige watersysteem; het toekomstige watersysteem.

De waterparagraaf geeft ook een weergave van de watertoets. Het doel van de watertoets is te waarborgen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op evenwichtige wijze in beschouwing worden genomen bij alle waterhuishoudkundig relevante ruimtelijke plannen en besluiten. De watertoets heeft betrekking op alle waterhuishoudkundige aspecten, zoals veiligheid, wateroverlast, riolering, watervoorziening, volksgezondheid, bodemdaling, grondwaterkwaliteit, verdroging en natte natuur. Hieronder wordt eerst de toepasselijke regelgeving beschreven. Naast de Europese en nationale wetgeving worden ook de toepasselijke (beleids)regels van de bevoegde lagere organen genoemd. Het hoogheemraadschap Amstel, Gooi en Vecht is water(kwaliteit- en kwantiteit-) beheerder van de Amstel. Het nautisch beheer ligt deels bij de Dienst Binnenwaterbeheer van de Gemeente Amsterdam. De bestuurscommissie is verantwoordelijk voor het beheer van water als openbare ruimte en verleent de vergunningen voor het afmeren van (woon-)schepen en het aanleggen van steigers.

16.2

Beleid en regelgeving

16.2.1 Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden, waarmee een achttal wetten is samengevoegd tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Met als resultaat één vergunning; de watervergunning. Watervergunningen kunnen betrekking hebben op bouw- of aanlegwerkzaamheden bij water en dijken; lozen en onttrekken van water; varen, aanmeren en evenementen en plannen ten behoeve van natuur en recreatie en uitbreidingsplannen. Minstens zo belangrijk is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van een vergunningenprocedure. Niet alles is in algemene regels vast te leggen en voor deze activiteiten in, op, onder of over watersystemen is er de watervergunning. Personen die een ligplaats hebben of aanvragen moeten tevens een watervergunning aanvragen bij het bevoegd gezag.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

16.2.2 Nationaal Water Programma Op grond van Europese regelgeving en de Waterwet zijn iedere 6 jaar nationale plannen voor water nodig. Voor 2009 – 2015 en 2016 – 2021 stelde de Rijksoverheid een Nationaal Water Plan én een Beheer- en ontwikkelplan voor de rijks wateren op. Voor de periode 2022 – 2027 zijn deze twee plannen samengebracht in één programma. Hiermee anticipeert de Rijksoverheid op de inwerkingtreding van de Omgevingswet.

Op 18 maart 2022 hebben de ministers van Infrastructuur en Waterstaat, voor Natuur en Stikstof en voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening het Nationaal Water Programma 2022 - 2027 (NWP) inclusief bijlagen vastgesteld en bekendgemaakt in de Staatscourant van 22 maart 2022. De bijlagen betreffen de stroomgebiedbeheerplannen, het overstromingsrisicobeheerplan en het Programma Noordzee voor de periode 2022 – 2027. Het NWP vervangt het Nationaal Waterplan 2016 2021. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en rijksvaarwegen. Nederland en water zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Water heeft invloed op waar en hoe we wonen, onze natuur, drinkwater, scheepvaart, landbouw en industrie.

Er liggen grote opgaven voor het waterdomein, waaronder: Het anticiperen op de gevolgen van klimaatverandering voor Nederland door een adequate bescherming tegen overstromingen, een water robuuste inrichting en een zoetwatervoorziening die ook bij toenemende droogte volstaat; Het blijvend werken aan de kwaliteit en kwantiteit van ons grond- en oppervlaktewater, herstel van biodiversiteit en een duurzame drinkwatervoorziening; Het met elkaar in balans brengen van de vele functies op de Noordzee, zoals windenergie, natuurontwikkeling, visserij, scheepvaart en zandwinning; Het in stand houden en, waar nodig, vervangen of renoveren van infrastructuur zoals waterkeringen, bruggen en sluizen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw en de transitie landelijk gebied, is noodzakelijk. Voor een integrale aanpak van de opgaven wordt het water- en bodemsysteem meegenomen als leidend principe. 16.2.3 Waterbesluit In het Waterbesluit zijn de regels gegeven die betrekking hebben op beheer en gebruik van watersystemen die in beheer zijn van het Rijk. Voor het gebruik maken van een waterstaatswerk (een oppervlaktewaterlichaam, waterkering of kunstwerk zoals een sluis) kan een watervergunning vereist zijn.

Voor de waterstaatswerken in beheer bij het Rijk is dat geregeld in het Waterbesluit en de Waterregeling. Voor regionale waterstaatswerken staan de regels in de keur van het waterschap. De waterbeheerders in Nederland zijn Rijkswaterstaat en de Waterschappen/ Hoogheemraadschappen. Oppervlaktewaterlichamen in rijksbeheer in de omgeving van Amsterdam zijn o.a. IJsselmeer en de daaraan verbonden wateren zoals het Markermeer en IJmeer; de Rijn en daarmee verbonden wateren zoals het Amsterdam-Rijnkanaal, Buiten IJ, Afgesloten IJ en Noordzeekanaal. Ook de zijwateren van deze oppervlaktewateren zijn in principe in beheer bij het Rijk.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 75

In onderhavig plangebied is geen oppervlaktewater en/of een waterkering of kunstwerk aanwezig. 16.2.4 Omgevingsverordening NH2020 Provincie Noord-Holland heeft haar provinciale taken op het gebied van water opgenomen in de Omgevingsverordening NH2020, die geldt vanaf 17 november 2020. Hiermee werden niet alleen alle Waterverordeningen vervangen, maar ook de Provinciale Ruimtelijke Verordening en de Provinciale Milieuverordening. De watertaken van de provincie betreffen onder andere het vaarwegbeheer en het grondwater. Het plangebied grenst niet aan een provinciaal aangemerkte vaarweg. Gedeputeerde staten houden een register bij waarin inrichtingen voor het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water worden ingeschreven met vermelding van de gegevens die op grond van artikel 6.11 van het Waterbesluit aan hen dan wel aan de dagelijkse besturen van de waterschappen worden verstrekt. Voorts worden daarin vermeld de vergunningen, krachtens welke het onttrekken van grondwater of het infiltreren van water plaatsvindt. De provincie werkt aan de opvolger van de Omgevingsverordening NH2020; de Omgevingsverordening NH2022. Deze zal tegelijk in werking treden met de Omgevingswet.

16.2.5 Waterbeheerplan en Keur Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2019 (AGV) Het Beleid van het waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV) is vertaald in het Waterbeheerplan Waterschap Amstel, Gooi en Vecht 2016-2021. In het Waterbeheersplan is uitgewerkt hoe AGV in de planperiode invulling geeft aan haar taken op het gebied van waterbeheer, zoals veiligheid, waterkwaliteit, waterkwantiteit. Bij inwerkingtreding van de Omgevingswet zal het waterbeheerplan worden aangepast in een waterbeheerprogramma. Het garanderen van waterstaatkundige veiligheid voor mensen, dieren en goederen is een taak waar AGV de hoogste prioriteit aan geeft. Hierbij gaat het met name om de bescherming tegen overstromingen en het veiligstellen van de zoetwatervoorziening. De 'Keur' is de traditionele naam die waterschappen meestal geven aan een verordening met betrekking tot de aan hen opgedragen zorg voor het watersysteem. De zorg voor het watersysteem omvat het beheer van de oppervlaktewateren, waterkeringen en bergingsgebieden, grondwater en ondersteunendewaterstaatkundige kunstwerken.

Het waterschap oefent zijn taken en bevoegdheden uit met het oog op de doelstellingen van waterbeheer, zoals verwoord in artikel 2.1 van de Waterwet: voorkoming en waar nodig beperking van overstromingen, wateroverlast en waterschaarste, in samenhang met bescherming en verbetering van de chemische en ecologische kwaliteit van watersystemen en vervulling van maatschappelijke functies door watersystemen. Met de bepalingen in deze Keur worden deze drie doelstellingen gediend. De bescherming tegen wateroverlast en overstromingen is onverminderd van belang: de Keur kent een flink aantal bepalingen die bedoeld zijn om het goed functioneren van de waterkeringen te beschermen. Ook de bepalingen die betrekking hebben op het beschermen van de aan- en afvoer van water zijn van belang om droge voeten te houden én van betekenis in tijden van waterschaarste. Maar ook de bescherming van de ecologische toestand van het watersysteem neemt een belangrijke plaats in. In de Keur zijn geen regels opgenomen voor lozingen en gebruik van stoffen die het water kunnen verontreinigen en daarmee de chemische kwaliteit verslechteren. Voor dergelijke lozingen is echter wel een watervergunning nodig. Aanvragen om te mogen lozen worden niet op basis van de Keur, maar Gemeente Amsterdam

blz. 76

rechtstreeks op grond van de Waterwet en de daarop gebaseerde regelgeving behandeld en getoetst aan de criteria die krachtens de Wet milieubeheer gelden. De Keur bevat specifieke zorgplichten voor de objecten van waterbeheer, verboden en beschrijft welke bevoegdheden het algemeen bestuur van het waterschap aan het dagelijks bestuur verleent om nadere uitvoeringsregels te stellen binnen het door het algemeen bestuur vastgestelde beleid. Het dagelijks bestuur kan vergunning of vrijstelling verlenen van de verboden in de Keur, en de werking van de specifieke zorgplichten nader invullen voor daarbij nader aan te geven activiteiten. Een vergunning is een ontheffing van de Keur in een individueel geval, een vrijstelling is een ontheffing voor een categorie van gevallen. Het dagelijks bestuur kan regels verbinden aan een vergunning, een vrijstelling en aan de specifieke zorgplichten. De regels verbonden aan de vrijstellingen en de specifieke zorgplichten zijn te vinden in het Keurbesluit Daarnaast kan in individuele gevallen een zogenaamd maatwerkvoorschrift worden gegeven op de regels uit het Keurbesluit. Voor activiteiten waarvoor regels in het Keurbesluit zijn gesteld, is geen vergunning vereist. Er zijn Beleidsregels opgesteld voor vergunningverlening en voor het geven van maatwerkvoorschriften.

AGV hanteert het beleid dat bij het aanbrengen van meer dan 1.000 m2 verharding in stedelijk gebied of meer dan 5.000 m2 in landelijk gebied 10% daarvan gecompenseerd moet worden in de vorm van oppervlaktewater voor waterberging. Door compensatie wordt voorkomen dat ernstige peilstijging optreedt door afstromend regenwater met wateroverlast tot gevolg. Watergangen die gedempt worden moeten voor 100% worden gecompenseerd. 16.2.6 Amsterdam rainproof Rainproof is een initiatief van Waternet. Rainproof maakt Amsterdam, samen met bewoners, bedrijven, kennisinstellingen en overheden, bestand tegen hoosbuien. Rainproof wil het gratis regenwater niet afvoeren, maar juist gebruiken. Rainproof brengt ideeën, initiatieven en informatie samen. Iedereen kan bijdragen. Denk aan een regenton in de tuin of geveltuintjes. Andere oplossing zijn straten die water doorlaten, een groen polderdak of groenstroken die water opvangen. 16.2.7 Omgevingsprogramma Riolering 2022 - 2027 De gemeente Amsterdam heeft de wettelijke verantwoordelijkheid (zorgplicht) voor een aantal watertaken. De ambitie voor de taken op het gebied van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater is vastgelegd in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, vastgesteld op 8 juli 2021.

Deze ambitie is in het Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027 (OPR) verder uitgewerkt, dat op 15 februari 2022 door het college van burgemeester en wethouders (onder voorbehoud van wensen en bedenkingen van de gemeenteraad) is vastgesteld. Dit programma vervangt het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 (GRP). Strengere norm hemelwaterberging Conform het OPR moet de capaciteit voor hemelwaterberging op publiek terrein minimaal 70 mm/uur zijn door bijv. hergebruik van hemelwater of verwerking op de eigen kavel. De norm is daarbij in het OPR van 60 mm naar 70 mm verhoogd, op basis van het KNMI Klimaatsignaal '21.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 77

Omdat in het OPR de norm voor hemelwaterberging is verhoogd (ten opzichte van het GRP 2016-2021 en de Hemelwaterverordening Amsterdam) is nog een aanpassing van de Hemelwaterverordening Amsterdam noodzakelijk. Hiermee zal de norm voor de regenwaterbestendigheid van de particuliere ruimte bij nieuwbouw gelijk worden getrokken met de aangescherpte norm voor de regenbestendigheid van de publieke ruimte in het OPR. Ontwateringsdiepte In het OPR wordt ook ingezet op zorg dragen voor een ontwateringsdiepte die is afgestemd op de benodigde functies in het gebied, zoals wonen, transport en groen ten behoeve van een klimaatbestendige stad. Hierbij is een ontwateringdiepte van minimaal 90 cm de norm. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen het maaiveldniveau en de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Zowel het maaiveldniveau als de grondwaterstand kunnen binnen een relatief korte afstand toch variëren. Vandaar dat de ontwateringsdiepte in praktijk ook van locatie tot locatie kan verschillen. Voldoende ontwateringsdiepte is essentieel voor stedelijke functies zoals bebouwing, wegen, bomen en hemelwaterinfiltratie. Een belangrijk aspect daarbij is het voorkomen van (grond)wateroverlast, nu en in de toekomst anticiperend op klimaatverandering. Een ontwateringsdiepte van 90 cm wordt daarbij gezien als duurzame norm voor een robuuste maaiveldhoogte.

16.2.8 Hemelwaterverordening Amsterdam Op 26 april 2021 is de Hemelwaterverordening Amsterdam vastgesteld. Deze verordening regelt een verplichting voor nieuwe gebouwen en voor bestaande gebouwen die ingrijpend worden gerenoveerd, waaraan één of meer bouwlagen worden toegevoegd, of waarvan het bebouwde oppervlak wordt uitgebreid, om per m² minimaal 60 liter hemelwater te bergen en dit hemelwater over de opvolgende 60 uur af te voeren. Doel van deze verordening is om bij grote regenbuien, die steeds vaker voorkomen, waterschade in de stad zoveel mogelijk te voorkomen en daarmee een bijdrage te leveren aan een klimaatbestendige stad. In geval van uitbreiding van het bebouwd oppervlak van een bestaand gebouw dient voldoende waterberging voor de uitbreiding van het bebouwd oppervlak te worden gezorgd. De Hemelwaterverordening Amsterdam is van toepassing op het nieuw te bouwen schoolgebouw. 16.2.9 Beleidsregels Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam Op 7 september 2021 heeft het college van burgemeester en wethouders de Beleidsregel Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam vastgesteld, als vervolg op het eerder op 20 januari 2021 door de gemeenteraad vastgestelde Afwegingskader. De beleidsregels zijn vervolgens vanwege technische redenen beleidsneutraal gewijzigd op 6 juni 2022 en vervangen door de Beleidsregels Grondwaterneutrale kelders Amsterdam 2022 (in werking vanaf 18 juni 2022).

Van een grondwaterneutrale kelder is kort samengevat sprake als door de aanleg van die kelder de stand en stroming van het grondwater buiten het perceel waarop de kelder is geprojecteerd niet of nauwelijks zal veranderen, waar mogelijk zal verbeteren, en geen negatieve grondwatereffecten optreden. Tot negatieve effecten worden in ieder geval gerekend risico's op opbarsten van de deklaag, welvorming, grondwateroverlast en grondwateronderlast. Het nieuwe beleid heeft als doel te zorgen dat alle kelderbouwaanvragen in Amsterdam voldoen aan de eis van grondwaterneutraliteit, en het voorkomen van negatieve effecten van (cumulatieve) aanleg van kelders op de stand en de stroom van het grondwater. Het Afwegingskader is het resultaat geweest van onderzoek van Waternet en het Ingenieursbureau van Gemeente Amsterdam

blz. 78

Amsterdam. Hieruit bleek dat in grote delen van de stad de effecten van (met name cumulatieve) kelderbouw negatief zijn. Door de barrièrewerking van meerdere kelders naast elkaar wordt de stand en stroom van het grondwater beïnvloed. Dit leidt tot onder- en overlast van het grondwater. Per gebied en buurt is geïnventariseerd of en zo ja welke maatregelen nodig zijn om grondwaterneutrale kelders te kunnen bouwen. Uit het onderzoek bleek dat in de meeste delen van Amsterdam de bouw van een kelder met aanvullende maatregelen mogelijk is, waardoor deze grondwaterneutraal kan worden aangelegd. Alleen in diepere en deels middeldiepe polders is een algeheel kelderverbod nodig. Dit geldt in het grootste deel van Zuidoost, de Watergaafsmeer en landelijk Noord (Waterland). De deklaag is daar zo gering en/of het opbarst risico zo groot, dat het veilig bouwen van een kelder niet mogelijk is. Voor deze gebieden is een kelderverbod noodzakelijk om permanente negatieve effecten, zoals welvorming, te voorkomen. Het bovenstaande is juridisch-planologisch vastgelegd in het (paraplu) Bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders dat op 7 oktober 2021 (gewijzigd) is vastgesteld, waarbij twee zones zijn geïntroduceerd. Gebieden waar de ondergrond kwetsbaar is, zijn planologisch voorzien van de gebiedsaanduiding 'overige zone 1'. Hier geldt een kelderverbod.

Voor het overige gebied geldt 'overige zone 2' waarbij met een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid onderscheid wordt gemaakt tussen bouwplannen voor: 1. kelders tot en met 300 m2 en maximaal 4 meter bouwdiepte, en 2. kelders die groter zijn dan 300 m2 of dieper dan 4 meter. Ten aanzien van de eerste categorie dient aan de hand van de beleidsregels te worden beoordeeld welke maatregelen nodig zijn om de kelder grondwaterneutraal te kunnen bouwen. Ten aanzien van de grotere en/of diepere kelders, de tweede categorie, zal uit een geohydrologisch onderzoek moeten blijken dat het bouwplan grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Het nieuwe kelderbeleid is een-op-een geïntegreerd in onderhavige bestemmingsplanregeling, waarbij er geen binnenplanse afwijkingsbepaling is opgenomen omdat het plangebied geheel valt onder 'overige zone-1'

16.3

Watertoets

Waterberging In de bestaande situatie is het terrein waarop de nieuwbouw is voorzien nagenoeg volledig verhard. Als gevolg van de beoogde nieuwbouw zal de omvang van de oppervlakte verharding daarom niet toenemen. De oppervlakte van de bestaande bebouwing op het perceel bedraagt 3.209 m2, terwijl volgens het voorliggende bestemmingsplan een oppervlakte van maximaal van 2.390 m2 aan bebouwing is toegestaan. Een en ander betekent dat het te bebouwen oppervlakte ten opzichte van de bestaande situatie afneemt. Dit betekent dat geen extra waterberging noodzakelijk is. Oppervlaktewater Binnen het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Ook worden er geen wijzigingen aan het oppervlaktewatersysteem mogelijk gemaakt. Kelders Volgens het bestemmingsplan "Grondwaterneutrale kelders" ligt de locatie Archimedesplantsoen 87 in zone 1. Dit betekent dat er beperkingen zijn voor de realisatie van kelders. Daarom is, overeenkomstig bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 79

de regels van het bestemmingsplan "Grondwaterneutrale kelders", een in de regels van voorliggend bestemmingsplan een verbod op de realisatie van kelders opgenomen. Waterkeringen Er zijn geen waterkeringen waar rekening mee gehouden moet worden. Grondwater Bij de nieuwbouw van de school is niet voorzien om een kelder onder de bebouwing te realiseren. De nieuwbouw zal daarom geen effect hebben op het grondwater. Riolering Er wordt aangesloten op de bestaande riolering, conform de aansluitverordening. De hoeveelheid afwvalwater zal daarbi niet toenemen, aangezien het aantal leerlingen en personeelsleden na realisatie van de nieuwbouw niet meer za zijn dan in de nu bestaande situatie. Materialisering Bij de bouw wordt geen gebruik gemaakt van uitloogbare materialen.

16.4

Conclusie

Op basis van het voorgaande wordt de conclusie getrokken dat de waterhuishoudkundige aspecten geen belemmering vormen voor de beoogde nieuwbouw van de school.

Gemeente Amsterdam

blz. 80

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 81

Hoofdstuk 17 17.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Waar de overige paragrafen van deze bestemmingsplantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de bestemmingsplanregels. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Het (juridisch deel van het) bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding heeft een functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende deel van het bestemmingsplan. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse regels artikelsgewijs worden besproken. De toelichting heeft geen bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van de bestemming en overige regels. In de toelichting wordt ook een relatie met het relevante beleid gelegd en een gebiedsbeschrijving gegeven.

Op basis van het beleid en de gebiedsbeschrijving zijn vervolgens de uitgangspunten voor het bestemmingsplan geformuleerd.

17.2

Artikelgewijze toelichting

In deze paragraaf worden de bestemmingsbepalingen toegelicht. HOOFDSTUK 1 - INLEIDENDE REGELS Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen die in de regels worden gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en wat niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan. Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Wijze van meten Met dit artikel wordt aangegeven op welke wijze moet worden beoordeeld in hoeverre een initiatief past binnen de minima en maxima die door de overige regels worden aangegeven. HOOFDSTUK 2 - BESTEMMINGEN Groen De gronden aan noordoost- en zuidwestzijde zijn bestemd als "Groen". Dit betreffen de bestaande groenstroken op deze delen van het plangebied. Binnen de bestemming zijn onder andere groenvoorzieningen, in- en uitritten, voorzieningen voor de waterhuishouding en voet- en fietspaden toegestaan. Maatschappelijk Binnen de bestemming "Maatschappelijk" zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan, waaronder onderwijsvoorzieningen. Gebouwen in deze bestemming zijn toegestaan binnen de op verbeelding

Gemeente Amsterdam

blz. 82

aangegeven bouwvlakken. Per bouwvlak is aangegeven wat de toegestane hoogte is en welk bebouwd oppervlak binnen een bouwvlak is toegestaan. Verder is bepaald dat gebouwen een bepaalde afstand ten opzichte van elkaar moeten hebben. Deze bepaling is opgenomen om te waarborgen dat de nieuwbouw de beoogde campusachtige setting krijgt. HOOFDSTUK 3 - ALGEMENE REGELS Anti-dubbeltelregel Dit artikel bevat een algemene regeling waarmee kan worden voorkomen dat er in feite meer wordt gebouwd dan het bestemmingsplan beoogd. Algemene bouwregels In deze regel zijn bepalingen opgenomen over ondergronds bouwen. Deze bepalingen zijn gebaseerd op het bestemmingsplan "Grondwaterneutrale kelders" zoals dat op 7 oktober 2021 is vastgesteld. Verder is een bepaling opgenomen wat toelaatbare overschrijdingen zijn van bestemmings- en bouwgrenzen. Algemene gebruiksregels In deze regel worden de algemene regels omtrent gebruik vastgelegd. Naast het algemene gebruiksverbod om de gronden en opstallen in strijd met de bestemming te gebruiken, is een aantal activiteiten uitgezonderd. Onder andere is een gebruiksregeling opgenomen teneinde juridisch te borgen dat alle huidige bebouwing wordt gesloopt vóór ingebruikname van de 3 nieuwe gebouwen. Deze regeling houdt in dat binnen 6 maanden nadat alle nieuwbouw is gerealiseerd en in gebruik is genomen, alle bestaande bebouwing moet worden gesloopt.

Algemene afwijkingsregels In dit artikel worden algemene afwijkingsregels opgesomd. Er kan voor gebouwen van nutsvoorzieningen en elektriciteitsvoorzieningen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden afgeweken van de regels. Ook kan van de regels worden afgeweken voor geringe afwijkingen en tevens mag de in de regels toegestane maximale bouwhoogte worden overschreden in bepaalde gevallen. Hetzelfde geldt voor de op de verbeelding aangegeven bestemmings- of bouwgrenzen. HOOFDSTUK 4 - OVERGANGS- EN SLOTREGELS Overgangsrecht De overgangsregel is evenals de anti-dubbeltelregel overgenomen uit de standaardregels uit het Bro. Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 83

Hoofdstuk 18 18.1

Economische uitvoerbaarheid

Grondexploitatiewet

Ruimtelijke ontwikkelingen gaan in de regel gepaard met gemeentelijke investeringen in gemeenschappelijk te gebruiken voorzieningen, zoals ontsluitingswegen, waarvan de gemeente de kosten kan en mag verhalen op de ontwikkelaar(s). Alhoewel er reeds lange tijd gemeentelijke instrumenten bestaan voor kostenverhaal, bleken deze telkens tekort te schieten, waardoor gemeenten uiteindelijk bleven zitten met gemaakte kosten die niet meer te verhalen waren. De Grondexploitatiewet (Grex) dient om het risico van grondexploitatie voor gemeenten te verkleinen. De Grex is als aparte wet tot stand gekomen, maar uiteindelijk ingepast in hoofdstuk 6 van de Wro en is daarmee sinds 1 juli 2008 van kracht. In de Grex wordt de verdeling van kosten en opbrengsten bij de ontwikkeling van een bouwlocatie geregeld, voor het geval dat de gemeente niet de ontwikkelende partij is. In de fase van de bouwplantoetsing zal de aanvraag omgevingsvergunning ook moeten worden getoetst aan een op grond van de Grex opgesteld exploitatieplan, tenminste: als het noodzakelijk was een exploitatieplan op te stellen. In artikel 6.12 lid 1 Wro is geregeld, dat bij elk voorgenomen bouwplan, zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Bro, een exploitatieplan verplicht is. Ter illustratie: dat geldt al bij de bouw van één woning.

Echter: er gelden wel uitzonderingen op de noodzaak een exploitatieplan op te stellen, zoals geregeld in artikel 6.12 lid 2 Wro. De belangrijkste uitzondering is, dat een exploitatieplan niet noodzakelijk is, als het kostenverhaal van de grondexploitatie "reeds anderszins is verzekerd". Het plan en de Grex Ingevolge artikel 6.12 Wro besluit het bevoegd gezag, of wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan. In dit geval wordt afgezien van het opstellen van een exploitatieplan omdat de gemeente Amsterdam volledig eigenaar is van de gronden waarop het bestemmingsplan van toepassing is. Het kostenverhaal, zoals bedoeld in de Wro, is verzekerd via het erfpachtstelsel. In het plangebied wordt dus voldaan aan de vereiste van "reeds anderszins verzekerd" zijn. Het toepassen van het erfpachtstelsel ten behoeve van kostenverhaal past goed binnen de Wro omdat die wet het uitgangspunt van het privaatrechtelijke spoor voorop stelt. Erfpacht is immers een privaatrechtelijk instrument waarbij de gemeente als eigenaar bepaalt tegen welke vergoeding haar gronden in gebruik mogen worden genomen door derden. Naar zijn aard biedt dit systeem de gemeente de mogelijkheid om kosten die de gemeente maakt ten behoeve van de grondexploitatie van gronden te verhalen op derden die gebruik maken van die gronden. Opgemerkt zij nog dat de gemeente telkens eigenaar is en blijft van die gronden.

Kostenverhaal met behulp van erfpacht past daarom binnen het wettelijk voorzien systeem voor het verhaal van de kosten van de grondexploitatie. De gemeente ontvangt immers een vergoeding voor het gebruik van de gronden. Uit deze vergoeding kunnen de kosten van de grondexploitatie worden bekostigd. Het is daarom niet noodzakelijk een exploitatieplan vast te stellen.

Gemeente Amsterdam

blz. 84

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 85

Hoofdstuk 19 19.1

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Overleg met betrokken overheden (art. 3.1.1. Bro)

In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept ontwerpbestemmingsplan verzonden aan: Provincie Noord-Holland; Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland | Brandweer; Waterschap Amstel, Gooi en Vecht | Waternet TenneT Liander Gasunie Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE); ProRail NS Stations GGD Tevens is geadviseerd door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) en de adviescommissie Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluidhinder Amsterdam (TAVGA). Enkele vooroverlegreacties hebben geleid tot aanpassingen in deze toelichting. Het verslag van het vooroverleg is als Bijlage 12 bij deze toelichting gevoegd.

19.2

Maatschappelijk overleg

Vooraank ondiging Op grond van artikel 1.3.1 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient voorafgaand aan een bestemmingsplanprocedure, een vooraankondiging te worden gepubliceerd waarin de gemeente aangeeft een bestemmingsplan voor te bereiden. Op 22 december 2021 heeft het dagelijks bestuur van Stadsdeel Oost een kennisgeving als bedoeld in artikel 1.3.1 van het Bro gepubliceerd in het Gemeenteblad Amsterdam (Gmb. 2021-467215).

Ontwerp Bij besluit van 24 mei 2022 is namens het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam het ontwerpbestemmingsplan met de daarop betrekking hebbende stukken, vrijgegeven voor terinzagelegging. Op 15 juni 2022 hebben burgemeester en wethouders van Amsterdam ingevolge artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 3:12 van de Algemene wet bestuursrecht, een kennisgeving van de start van de terinzagelegging gepubliceerd in het Gemeenteblad Amsterdam (Gmb. 2022-256933). In de periode van 16 juni 2022 t/m 27 juli 2022 hebben de stukken ter inzage gelegen teneinde eenieder de mogelijkheid te geven een zienswijze in te dienen.

Gemeente Amsterdam

blz. 86

Het ontwerpbestemmingsplan was tevens beschikbaar gesteld op het landelijke portaal: ruimtelijkeplannen.nl (NL.IMRO.0363.M2107BPSTD-OW01). Op 29 juni 2022 is daarnaast een informatieavond georganiseerd voor belangstellenden. Tijdens bovengenoemde periode heeft eenieder een mondelinge of schriftelijke zienswijze kunnen indienen op het ontwerpbestemmingsplan. Er zijn 2 schriftelijke zienswijzen ingekomen bij de gemeenteraad. In de Nota van beantwoording zienswijzen, tevens houdende een Nota van wijzigingen, zijn de zienswijzen – samengevat – weergegeven en voorzien van een reactie namens de gemeente. Tevens is per zienswijze aangegeven wat de consequenties zijn voor het vast te stellen bestemmingsplan. In de Nota van wijzigingen is aangegeven welke wijzigingen ten gevolge van zienswijzen dan wel ambtshalve, zijn doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan zoals dat ter visie heeft gelegen. De zienswijzen hebben deels geleid tot aanpassingen op het ontwerpbestemmingsplan. Daarnaast is de Toelichting op enkele onderdelen ambtshalve geactualiseerd. De Nota van beantwoording zienswijzen, tevens houdende Nota van wijzigingen, is bijgevoegd onder Bijlage 14 van deze Toelichting.

19.3

Participatie

Ten behoeve van deze ontwikkeling heeft Yuverta tweemaal overleg gevoerd met direct omwonenden en vrijwilligers van de naastgelegen kinderboerderij. Deze overleggen hebben plaatsgevonden op 17 juni en 23 augustus 2021. Op 30 september 2021 is het plan gepresenteerd tijdens een gemeentelijke informatiemark voor Middenmeer Zuid. De informatiemarkt is bezocht door ruim 100 belangstellenden. Belangrijke vraag- en bespreekpunten tijdens het overleg met omwonenden en de informatiemarkt waren o.a. de ligging van de parkeerplaatsen voor auto's, de positionering van entrees van de school en het plein, de afsluiting van het plein, de aantasting van groen en de positionering van het onderwijsgebouw in relatie tot de privacy van de bewoners aan de Johannes van der Waalstraat. De gevoerde gesprekken hebben tot aanpassingen in het plan geleid. De ligging van de parkeerplaatsen zal nagenoeg gelijk blijven aan de huidige ligging. Dit geldt ook voor de entree van het plein. Omdat er nu 3 losstaande gebouwen worden ontwikkeld, zullen er ook 3 hoofdentrees van de gebouwen zijn. Deze worden zo optimaal mogelijk ten opzichte van elkaar en de hoofdentree van het plein gepositioneerd. De entrees komen hiermee niet aan de straatzijden, maar aan de pleinzijden in het plangebied.

Net als in de huidige situatie wordt het plein afgesloten door een hekwerk welke in de avonduren gesloten zal zijn en er tevens voor zorgdraagt dat er geen informele opgangen ontstaan naar het schoolplein. Bestaand en waardevol groen wordt zo veel mogelijk behouden. De groenstructuur gelegen aan het water aan het Archimedesplantsoen (zuidwestzijde) blijft intact. Ook wordt er gekeken of waardevolle bomen buiten deze structuur behouden kunnen worden. Het bouwvlak aan de noordwestzijde in de verbeelding is hiervoor aangepast waardoor de kap van bomen ten gevolge van dit plan hier niet noodzakelijk is. Ten behoeve van de privacy van de bewoners aan de Johannes van der Waalstraat is er een groenrand opgenomen in het bestemmingsplan tussen het onderwijsgebouw en de straat. Het bouwvlak voor het onderwijsgebouw ligt iets verder van de kavelgrens dan de huidige bebouwing. Tevens is hier uitgelegd aan omwonenden dat binnen de bestaande planologische mogelijkheden Yuverta hier ook een onderwijsgebouw zou mogen plaatsen in plaats van de bestaande gymzaal.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 87

Gemeente Amsterdam

blz. 96

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 97

Bijlage 2

Akoestisch onderzoek

Gemeente Amsterdam

Bezoekadres: Gatwickstraat 11 1043 GL Amsterdam Postadres: Hoofdweg 76 3067 GH Rotterdam T +31 (0)88-5152505 E info@cauberghuygen.nl W http://www.cauberghuygen.nl K.V.K. 58792562 IBAN NL71RABO0112075584

Nieuw schoolgebouw Het Wellantcollege in Amsterdam; onderzoek omgevingsgeluid Datum Referentie

24 februari 2022 07129-53754-03

Referentie Rapporttitel

07129-53754-03 Nieuw schoolgebouw Het Wellantcollege in Amsterdam; onderzoek omgevingsgeluid

Datum

24 februari 2022

Opdrachtgever

Van den Berg Ruimtelijke Ordening 't Rond 9 4285 DE WOUDRICHEM De heer J. van den Berg

Contactpersoon

Behandeld door

Mevrouw ing. S.A.J. van den Dungen De heer ing. F.P. van Dorresteijn Cauberg Huygen B.V. Bezoekadres: Gatwickstraat 11 1043 GL Amsterdam Postadres: Hoofdweg 76 3067 GH Rotterdam Telefoon 088-5152505

Nieuw schoolgebouw Het Wellantcollege in Amsterdam; onderzoek omgevingsgeluid

07129-53754-03 24 februari 2022 Pagina 2

Inhoudsopgave 1

Inleiding

5

1.1 1.2

Aanleiding onderzoek Leeswijzer

5 5

2

Toetskader

6

2.1 2.1.1 2.1.2 2.1.3 2.1.4 2.1.5 2.2 2.3

Wet geluidhinder Geluidgevoelige functies Systematiek grenswaarden en verzoek tot hogere grenswaarden Wegverkeerslawaai Spoorweglawaai Industrielawaai Gemeentelijk geluidbeleid Grenswaarden geluidbelasting ten gevolge van spoorwegemplacement

6 6 6 6 7 7 7 8

3

Invoergegevens onderzoek

9

3.1 3.2 3.1

Wegverkeersgegevens stedelijke wegen Spoorgegevens Geluidinvoermodel emplacement

9 9 9

4

Rekenmethoden geluidbelastingen

10

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Algemeen Wegverkeerslawaai Spoorweglawaai Nadere toelichting invoergegevens akoestisch rekenmodel Cumulatie geluidbelastingen L (VL,cum) Geluid emplacement

10 10 11 11 11 11

5

Berekeningsresultaten

12

5.1 5.1.1 5.1.2 5.2

Geluidbelastingen per geluidbron Kruislaan Hoofdspoorweg Amsterdam Centraal-Weesp Gecumuleerde geluidbelastingen L(VL,cum)

12 12 12 12

6

Afweging maatregelen en aanvraag hogere waarden

13

6.2.1 6.2.2 6.2.3 6.3

Maatregelen aan de bron Maatregelen in het overdrachtsgebied Maatregelen aan de ontvangzijde Conclusie en advies aanvraag hogere waarden

13 13 14 14

7

Samenvatting en conclusies

15

Nieuw schoolgebouw Het Wellantcollege in Amsterdam; onderzoek omgevingsgeluid

07129-53754-03 24 februari 2022 Pagina 3

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12129926/1