CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2022-244E BP Middenmeer I-II herz Arch - bijage bij toelichting

RAAD 30 november 2022, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87VN2022-02989225.665 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

De belangrijkste aangewezen categorieën voor de 3 %-grens zijn de bouw van niet meer dan 1.500 woningen (of 3.000 woningen indien er twee ontsluitingswegen zijn met een gelijkmatige verkeersverdeling) en de bouw van kantoren met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 ( of 200.000 m2 indien er twee ontsluitingswegen zijn met een gelijkmatige verkeersverdeling). Verder zijn er nog drempels opgenomen voor de aanleg van gemengde woningbouw- en kantoorlocaties en voor het oprichten van landbouwinrichtingen en spoorwegemplacementen. In de toekomst zal deze lijst nog aangevuld worden met categorieën voor infrastructuur. Om versnippering van 'in betekenende mate' (ibm) projecten in meerdere nibm-projecten te voorkomen is een anticumulatie-bepaling (artikel 5 Besluit NIBM) opgenomen. Deze heeft betrekking op aan elkaar grenzende of in elkaars directe nabijheid gelegen bedrijfslocaties, kantoorlocaties, woningbouwlocaties of locaties voor inrichtingen of infrastructuur die (samengevat) worden gerealiseerd die gebruikmaken van dezelfde ontsluitingsinfrastructuur en die aan elkaar grenzen of in elkaars nabijheid zijn gelegen (tot maximum 1000 meter). In het Besluit Nibm is het bepaald dat deze locaties voor als één locatie worden gezien. Dit is om te voorkomen dat grote projecten in kleine stukjes worden opgedeeld die allemaal onder de Nibm-regeling zouden kunnen vallen.

Regeling projectsaldering luchtkwaliteit 2007 Ook in het nieuwe wettelijk stelsel voor luchtkwaliteit bestaat de mogelijkheid van projectsaldering. Saldering is de mogelijkheid om ruimtelijke plannen uit te voeren in gebieden waar te veel fijn stof en stikstofdioxide in de lucht zit. Het gaat daarbij ook om plannen die de luchtkwaliteit ter plekke iets kunnen verslechteren, maar in een groter gebied per saldo verbeteren. De saldobenadering voor projecten is vastgelegd in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 1 en 2, van de Wet milieubeheer. Projecten in gebieden waar de grenswaarden worden overschreden kunnen, evenals onder het voorheen geldende Besluit luchtkwaliteit 2005 doorgaan als de concentratie van een stof gelijk blijft of verbetert (sub 1, projectsaldering in enge zin) en ook als weliswaar de concentratie van een stof verder verslechtert, maar er per saldo, door de inzet van extra maatregelen of door het optreden van

Gemeente Amsterdam

blz. 38

gunstige effecten elders, sprake is van een verbetering van de luchtkwaliteit (sub 2, projectsaldering in ruime zin). Net zoals onder het regime van het Besluit luchtkwaliteit 2005 gelden er belangrijke wettelijke voorwaarden waaraan met name bij de projectsaldering als bedoeld in artikel 5.16, eerste lid, aanhef en onder b, sub 2, dient te worden voldaan. 8.2.4

Besluit gevoelige bestemmingen

De AMvB is in januari 2009 in werking getreden. Met deze AMvB wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Deze AMvB vormt een aanvulling op het beginsel van een goede ruimtelijke ordening zoals verankerd in de Wet ruimtelijke ordening. De AMvB heeft niet tot doel om op voorhand elk risico af te dekken, maar om de meest nijpende situaties via een dwingende regeling te voorkomen. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, zijnde kinderen, ouderen en zieken.

Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden voor zwevende deeltjes (fijn stof; PM10 ) en/of voor stikstofdioxide (NO2 ). Ook tijdens de zogenoemde derogatieperiode blijven voor de toepassing van deze AMvB de oorspronkelijke (dus niet tijdelijk verhoogde) grenswaarden gelden van 40 µg/m3 jaargemiddeld voor PM10 en voor NO2 en 50 µg/m3 etmaalgemiddeld met maximaal 35 overschrijdingsdagen per jaar voor PM10. Blijkt uit het onderzoek dat sprake is van zo'n (dreigende) overschrijding, dan mag ter plekke geen gevoelige bestemming worden gevestigd, ongeacht of het gaat om nieuwbouw ten behoeve van die gevoelige bestemming of om functiewijziging van een bestaand gebouw.

Eenmalig kan een beperkte uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming worden toegestaan die leidt tot een toename van maximaal 10% van het aantal personen dat ter plekke verblijft; hierbij is niet het feitelijk aantal verblijvende personen doorslaggevend, maar het aantal personen dat rechtens ter plaatse mag verblijven. Gezien de aanzienlijke afstand van het plangebied tot rijks- en provinciale wegen, ruimschoots meer dan 300 meter is een expliciete toets aan normen uit de AMvB niet noodzakelijk.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 39

8.2.5

Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam

Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2. bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 mvt per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd.

Van de onder 1 en 2 genoemde uitgangspunten kan gemotiveerd worden afgeweken indien (bijzondere) omstandigheden en belangen hiertoe aanleiding geven. Indien men vanuit projecten gevoelige bestemmingen langs drukke wegen wil realiseren, dan is een advies van de GGD, afdeling Milieu en Gezondheid nodig. Daarbij is van belang dat de aan de luchtkwaliteit gerelateerde gezondheidsaspecten worden beschouwd in relatie tot alle overige spelende belangen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties en bij een uitbreiding van een bestaande gevoelige bestemming, indien de toename eenmalig ten hoogste 10% van het aantal daar reeds verblijvende personen bedraagt.

8.3

Resultaten onderzoeken

Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkelingen heeft Econsultancy onderzoek verricht naar de luchtkwaliteit. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport van Econsultancy d.d. 15 juli 2021, met rapportnummer 12622.004, welke als Bijlage 3 bij deze toelichting is gevoegd. Berekening NIBM-tool Om aan te sluiten bij het Besluit NIBM wordt er een berekening uitgevoerd met de NIBM-tool. Met de rekentool wordt het effect van de toename van verkeersbewegingen ten gevolge van het voorgenomen ontwikkeling inzichtelijk gemaakt. Hierbij moet het effect van het verschil in verkeersbewegingen tussen de huidige school en de beoogde school bepaald worden. Als worstcasescenario is in het onderhavig onderzoek het effect van de verkeersbewegingen ten gevolge van de beoogde school inzichtelijk gemaakt.

Gemeente Amsterdam

blz. 40

Uit de berekeningen blijkt dat de verkeersgeneratie van het toekomstige plan niet in betekenende mate bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen in de buitenlucht. De maximale bijdrages van 0,05 en 0,01 µg/m3 voor respectievelijk NO2 en PM10 voldoen ruim aan de NIBM grens-waarde van 1,2 µg/m3. Een nader luchtkwaliteitsonderzoek voor het plan is niet noodzakelijk. Beoordeling goede ruimtelijke ordening In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt tevens onderzocht wat de luchtkwaliteit is ter plekke van de voorgenomen ontwikkeling. In de Wet milieubeheer zijn grenswaarden opgenomen voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijnstof (jaar- en daggemiddelde) van belang. Voor de andere luchtverontreinigende stoffen wordt, met uitzonderingen daargelaten, nergens een overschrijding berekend. Met behulp van de NSL-monitoringstool is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. Hiervoor is de hoogste waarde van het meest nabijgelegen rekenpunt ten zuidoosten en ten noordwesten van de planlocatie gehanteerd3. In onderstaande tabel zijn voor de jaren 2020 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grens-waarden weergegeven.

stoffen

grenswaarde

2020

2030

NO2 concentratie

40 µg/m3

27,7 µg/m3

18,0 µg/m3

PM10 concentratie

40 µg/m3

20,2 µg/m3

17,8 µg/m3

PM10 overschrijdingsdagen

35 dagen

7,8 dagen

6,2 dagen

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 41

PM2,5 concentratie

25 µg/m3

11,7 µg/m3

9,7 µg/m3

Tabel resultaten jaren 2020 en 2030 Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren school wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Verder ligt de locatie Archimedesplantsoen 87 op een afstand van meer dan 300 meter van de rand van een snelweg en meer dan 50 meter van een rand van een provinciale weg. Ook ligt de locatie op meer dan 50 meter afstand van een stedelijke weg waarover per etmaal meer dan 10.000 motorvoertuigen rijden. Derhalve wordt voldaan aan de gemeentelijke Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam

8.4

Conclusie

Gelet op het voorgaande wordt geconcludeerd dat het aspect geen belemmering voor de nieuwbouw van de school op Archimedesplantsoen 87 te Amsterdam.

Gemeente Amsterdam

blz. 42

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 43

Hoofdstuk 9 9.1

Bodem

Algemeen

Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.

Bij eventuele toekomstige uitbreidingen of herontwikkelingen van bestaande functies zal bij de aanvraag omgevingsvergunning een bodemonderzoek moeten worden overlegd, waaruit blijkt dat de bodem geschikt is voor het beoogde doel. De Bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment.

9.2

Beleid en regelgeving

9.2.1

Wet bodembescherming

De bescherming van de bodem wordt wettelijk o.a. geregeld in de Wet bodembescherming (Wbb). De Wbb is een zogenaamde raamwet, wat betekent dat de kaders worden aangegeven maar dat de uitwerking daarvan geregeld is in verschillende besluiten en circulaires (o.a. Besluit bodemkwaliteit, Besluit Uniforme Saneringen en Circulaire bodemsanering 2009). De Wbb stelt in het bijzonder regels ter voorkoming van bodemverontreiniging en sanering van ontstane verontreiniging. De Wbb heeft betrekking op landbodems; waterbodems vallen onder de Waterwet. In de Wbb maakt grondwater wel onderdeel uit van de bodem. De wet bestaat uit een tweetal regelingen: 1. Een regeling voor de bescherming van de bodem, met daarin opgenomen de zorgplicht; 2. Een regeling voor de aanpak van overige bodemverontreiniging op land. 9.2.2

Nota Bodembeheer

De gemeenteraad heeft op 6 november 2019 de Nota Bodembeheer en de bodemkwaliteitskaart van Amsterdam vastgesteld. Deze zijn op 21 november 2019 in werking getreden. De nota is in opdracht van de gemeente Amsterdam opgesteld door de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. Deze (herziene) Nota bodembeheer biedt ruimte voor lokaal maatwerk en gebiedsspecifiek beleid. Daarin is het mogelijk regels aan te scherpen om de bodem in bepaalde situaties nog sterker te beschermen, of regels juist te versoepelen waar dat verantwoord is. Daarnaast behandelt de nota het nieuwe beleidskader voor bodemsaneringen en -onderzoek, waarbij de aanpak van diffuus bodemlood een prominente plek inneemt. Bodemkwaliteit plangebied De bodemkwaliteit in de meeste naoorlogse wijken van Amsterdam (gedefinieerd als zone 2) voldoet aan de Achtergrondwaarde (AW). Deze grond is in principe geschikt om overal zonder onderzoek te

Gemeente Amsterdam

blz. 44

hergebruiken. Daarom was het niet nodig om voor zone 1 gebiedsspecifiek beleid te ontwikkelen. In deze zone is de toepassingseis of kwaliteitseis aanvulgrond/leeflaag voor alle bodemfuncties dan ook Achtergrondwaarde, conform het generieke beleid.

9.3

Resultaten onderzoeken

Verkennend bodemonderzoek Ten einde de geschiktheid van de bodem voor beoogde ontwikkeling vast te stellen, is door Econsultancy een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd op de locatie Archimedesplantsoen 87. De rapportage van dit onderzoek d.d. 30 juli 2020 met rapportnummer 12622.001 is als Bijlage 4 opgenomen bij deze toelichting. Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem zijn tijdens de terreininspectie en bij de uitvoering van veldwerkzaamheden geen aanwijzingen gevonden die aanleiding geven een asbestverontreiniging op de locatie te verwachten. Een onderzoek asbest in bodem/puin wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. Wel wordt geadviseerd een nader onderzoek uit te voeren naar de aard en omvang van de sterke PAK-verontreiniging ter plaatse van boring 10. Op basis van de onderzoeksresultaten alsmede zintuigelijke waarnemingen en analyseresultaten van onderhavig onderzoek wordt verwacht dat sprake zal zijn van een puntverontreiniging met beperkte omvang. Nader onderzoek dient hier verder inzicht in te verschaffen. Indien sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK zijn deze verontreinigingen relatief eenvoudig te saneren conform het Besluit Uniforme Sanering door het aanbrengen van een isolatielaag (leeflaag of aaneengesloten verhardingslaag).

Gelet op het voorgaande wordt niet verwacht dat de aangetoonde verontreiniging een milieuhygiënische belemmering zal vormen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. In het kader van de realisatie van nieuwbouw dient wel rekening gehouden te worden met de aangetoonde sterke PAK-verontreiniging. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit, het “Tijdelijke handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie (d.d. 29 november 2019) of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing. Nader bodemonderzoek Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten van het verkennend bodemonderzoek is door Econsultancy en nader bodemonderzoek is uitgevoerd. De rapportage van dit nadere onderzoek d.d. 22 januari 2021 met rapportnummer 12622.009 is als Bijlage 5 opgenomen bij deze toelichting. Uit het verkennende onderzoek onderzoek blijkt onder andere, dat de ondergrond (traject: 1,00 - 1,80 m -mv) ter plaatse van voormalige boring 10 plaatselijk sterk verontreinigd is met PAK. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak tot sterk humeus. Plaatselijk bestaat de bodem uit veen of klei. De boven- en ondergrond is plaatselijk zwak tot sterk baksteenhoudend.

Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen asbestverdachte materialen aangetroffen. Hierbij wordt opgemerkt dat gelet op de doelstelling van het onderzoek de veldwerkzaamheden niet conform de NEN 5707+C1:2016/C2:2017 "Bodem - Inspectie en monsterneming van asbest in bodem en partijen grond" zijn uitgevoerd. De uitkomst van het onderzoek is met betrekking tot de parameter asbest derhalve indicatief. bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 45

Op basis van analyseresultaten en de zintuiglijke waarnemingen wordt de sterke PAK-verontreiniging in de bodem als afgeperkt tot aan de bebouwing beschouwd, aangezien er geen mogelijkheid is om inpandig te boren. Gezien de diepte van de contour van de sterke PAK-verontreiniging en de waarschijnlijke relatie met betrekking tot de bijmenging met baksteenhoudend materiaal is het onwaarschijnlijk dat de sterke PAK-verontreiniging zich nog door zet tot onder de (fundering van de) bebouwing. De sterke PAK-verontreiniging in de bodem bevindt zich in de verontreinigingskern van 1,00 1,80 m -mv. De gemiddelde dikte van deze sterke PAK-verontreiniging is derhalve 0,80 m. De sterke PAK-verontreiniging heeft een omvang van 4,0 m3 (5,0 m2 x 0,80 m). Rondom de sterke PAK verontreiniging is wel sprake van lichte tot matige verontreinigingen met PAK in de ondergrond. Volgens Econsultancy is er géén sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK (meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond). De uiteindelijke beslissing hierover ligt bij het bevoegd gezag Wet bodembescherming. In het kader van de Wet bodembescherming zijn sanerende maatregelen niet noodzakelijk. De aangetoonde bodemverontreiniging vormt dan ook geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging.

Indien hier (graaf)werkzaamheden gepland zijn, adviseert Econsultancy om de sterke PAK-verontreinigingen op basis van een door het bevoegd gezag (gemeente) goedgekeurd plan van aanpak onder milieukundige begeleiding te saneren.

9.4

Conclusie

Op de locatie Archimedesplantsoen 87 is géén sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging met PAK (meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond). In het kader van de Wet bodembescherming zijn geen sanerende maatregelen noodzakelijk. De aangetoonde bodemverontreiniging vormt dan ook geen milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging. Geconcludeerd kan worden dat de bodemgesteldheid geen belemmering vormt voor vaststelling en uitvoering van het bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 46

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 47

Hoofdstuk 10 10.1

Cultuurhistorie en archeologie

Algemeen

Het archeologisch erfgoed bestaat uit voorwerpen en structuren die in de bodem bewaard zijn. Ook landschappelijke of infrastructurele elementen kunnen een archeologische waarde hebben. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving waarvan het behoud of de ontsluiting op maat gesneden maatregelen vergt. Het archeologisch bodemarchief levert een bijdrage aan de cultuurhistorie van onze stad en maakt de beleving van het verleden bovendien tastbaar.

Vanwege het ruimtelijke karakter van het bodemarchief vertoont het archeologisch beleid raakvlakken met dat van de ruimtelijke ordening. Door de invoering van de nieuwe Monumentenwet 1988 in september 2007 is archeologische zorg formeel geïntegreerd in de ruimtelijke ordening. Een essentieel uitgangspunt van de nieuwe wet is dat het erfgoed in de bodem beter wordt beschermd. Dit betekent dat bij ruimtelijke planontwikkeling vroegtijdig rekening wordt gehouden met archeologisch erfgoed. Als behoud in de bodem geen optie is, dan is, voorafgaand aan de bodemverstoring, onderzoek nodig om archeologische overblijfselen te documenteren en de informatie en vondsten te behouden. In de dichtbebouwde stedelijke omgeving is in de praktijk doorgaans sprake van deze laatste optie.

10.2

Beleid en regelgeving

10.2.1 Besluit ruimtelijke ordening Vanaf 1 januari 2012 is in het Bro vastgelegd dat bij het maken van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan of ruimtelijke onderbouwing, rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken van deze plannen de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. De cultuurhistorische waarden kunnen bestaan uit vastgestelde, monumentale waarden en waardevolle elementen. Over het algemeen wordt bij het inventariseren van cultuurhistorische waarden onderscheid gemaakt tussen waardevaste en waardevolle elementen. Waardevaste elementen hebben een beschermde status en zijn op basis van de Monumentenwet of gemeentelijke verordening aangewezen als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument. Waardevolle elementen zijn daarentegen niet formeel beschermd, maar kunnen een bijzondere karakteristieke of geschiedkundige waarde hebben en van belang zijn als cultuurdrager. De cultuurhistorische waarde van een plangebied is zodoende niet alleen afhankelijk van beschermde monumentale waarden binnen het gebied, maar kan zeker ook bepaald worden door waardevolle structuren of objecten in de directe omgeving. Bij het inventariseren dient dan ook zowel naar het plangebied als naar de omgeving daarvan gekeken te worden.

Gemeente Amsterdam

blz. 48

10.2.2 Erfgoedwet Vanaf 1 juli 2016 zijn grote delen van de Monumentenwet overgegaan in de Erfgoedwet. Hierdoor is naast de Monumentenwet ook de Erfgoedwet van toepassing. Met de Erfgoedwet beschermt de overheid het cultureel erfgoed in Nederland. Voor 2016 waren er verschillende wetten en regels voor behoud en beheer van cultureel erfgoed. Sinds juli 2016 zijn die allemaal samengegaan in 1 wet. In de Erfgoedwet is vastgelegd hoe met erfgoed wordt omgegaan, wie welke verantwoordelijkheden daarbij heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Overbodige regels zijn geschrapt en de verantwoordelijkheid voor de bescherming van het cultureel erfgoed ligt waar mogelijk bij het erfgoedveld zelf. Daarmee spreekt de regering het vertrouwen uit dat de sector voldoende kennis, deskundigheid en betrokkenheid heeft om de zorg voor ons cultureel erfgoed in de praktijk waar te maken. In het overgangsrecht van de Erfgoedwet is in artikel 9.1 geregeld dat de onderdelen van de Monumentenwet 1998 die overgaan naar de nieuwe Omgevingswet toch van kracht blijven tot de inwerkingtreding daarvan, zodat er geen lacunes in de bescherming ontstaan. Het gaat onder meer om de bescherming van archeologie in ruimtelijke besluiten (artikelen 38 tot en met 43 van de Monumentenwet 1988).

Belangrijke onderwerpen van het overgangsrecht zijn: Instandhoudingsplicht: met de invoering van de Omgevingswet wordt wettelijk verankerd dat monumenteigenaren de plicht hebben om hun monument in stand te houden. Tot de Omgevingswet wordt ingevoerd, is de instandhoudingsplicht verankerd in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. De bepalingen over archeologische monumentenzorg. Het gaat onder meer om: 1. het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; 2. de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; 3. de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toeval vondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; 4. de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen

10.2.3 Prachtlandschap Noord-Holland. Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 De Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 (leidraad) is een provinciale handreiking voor het inpassen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in het landschap, zoals bebouwing, agrarische bedrijven, infrastructuur of vormen van energieopwekking. De leidraad is op 10 april 2018 vastgesteld door Gedeputeerde Staten en is in artikel 15 van de Provinciale Ruimtelijke Verordening verankerd. De Leidraad geeft gebiedsgerichte én ontwikkelingsgerichte beschrijvingen en biedt zo toepasbare informatie over de manier waarop ruimtelijke ontwikkelingen in het landelijke gebied (het landschap) kunnen bijdragen aan de kwaliteit van de leefomgeving. De provincie beoogt met deze Leidraad om samen met bijvoorbeeld gemeenten, ontwikkelaars en initiatiefnemers te werken aan het behouden en versterken van de kwaliteit van het landschap en de cultuurhistorie. 10.2.4 Archeologiebeleid Amsterdam In aansluiting op het rijks- en provinciaal beleid besteedt de gemeente specifieke aandacht aan vroegtijdige inpassing van archeologie in de ruimtelijke ordeningsprocessen. Uitgangspunt hierbij is een kwalitatief adequaat beheer van het cultureel erfgoed met aandacht voor een efficiënte voortgang van bouwprocessen en kostenbeheersing.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 49

De nieuwe wetgeving schrijft voor dat bij vaststelling van een nieuw bestemmingsplan altijd een nadere waardestelling nodig is van de aanwezige archeologische verwachting in de vorm van een bureauonderzoek. Dit bureauonderzoek behelst een specificatie van eventuele archeologische waarden binnen een specifiek plangebied en een advies met betrekking tot het daarbij behorende beleid en/of te nemen maatregelen. Bij de formulering van het beleid staat altijd een realistische balans tussen het archeologische belang ten opzichte van de voortgang van het ruimtelijke ontwikkelingsproces in de stad centraal. Op basis van het bureauonderzoek wordt beoordeeld of een beschermende regeling in het bestemmingsplan nodig is, en zo ja, op welke wijze dat dient te gebeuren. Indien het bureauonderzoek leidt tot een bepaalde archeologische verwachting, dan kan in het bestemmingsplan een regeling worden getroffen in die zin dat in aangegeven gevallen de aanvrager om een omgevingsvergunning voor het bouwen dan wel een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van bepaalde werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden, een rapport dient te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld (archeologisch rapport).

Op grond van dat archeologisch rapport kunnen eventueel voorschriften aan de betreffende omgevingsvergunning worden gesteld. Ondanks de getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen kunnen toevalsvondsten bij bouwprojecten worden aangetroffen. Hiervoor blijft de meldingsplicht van kracht. Deze houdt in dat, ondanks getroffen maatregelen om vooraf archeologisch onderzoek in te plannen, bij toevalsvondsten Bureau Monumentenzorg en Archeologie per ommegaande dient te worden geïnformeerd door de uitvoerder of opdrachtgever.

10.3

Resultaten onderzoeken

10.3.1 Archeologie Uit contact met het Bureau Monumentenzorg en Archeologie is gebleken dat er een lage archeologische verwachtingswaarde geldt voor het onderzoeksgebied en dat hierdoor geen archeologisch onderzoek benodigd is. Bodemingrepen in dit gebied zijn vrijgesteld van archeologisch veldonderzoek. Wel geldt, conform de Erfgoedwet, een meldingsplicht. Indien tijdens de uitvoering van bouwwerkzaamheden sporen en/of vondsten ouder dan vijftig jaar worden aangetroffen, wordt dit aan Monumenten en Archeologie, Gemeente Amsterdam gemeld zodat in overleg met de opdrachtgever maatregelen getroffen worden tot documentatie en berging van de vondsten. 10.3.2 Cultuurhistorie Op navolgende afbeelding is een uitsneden van de gemeentelijke,kaart met cultuurhistorische waarden weergegeven. Op basis van deze kaart wordt geconcludeerd dat op de planlocatie geen bijzondere cultuurhistorische elementen aanwezig zijn en dat cultuurhistorie derhalve geen belemmering vormt voor voorliggend plan.

Gemeente Amsterdam

blz. 50

10.4

Conclusie

10.4.1 Archeologie Uit het overleg dat met Bureau Monumentenzorg & Archeologie is gevoerd, blijkt dat het gehele plangebied is vrijgesteld van archeologisch veldonderzoek. Wel geldt, conform de Erfgoedwet, een meldingsplicht. Dit bestemmingsplan bevat geen dubbelbestemming om mogelijke archeologische waarden te beschermen. 10.4.2 Cultuurhistorie Het plangebied heeft geen cultuurhistorische waarden.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 51

Hoofdstuk 11 11.1

Externe veiligheid

Algemeen

Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.

Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. Mogelijke risicobronnen zijn inrichtingen gericht op gebruik, opslag en productie van gevaarlijke stoffen, vervoer van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), luchthavens en windmolens.

11.2

Beleid en regelgeving

11.2.1 Beleid externe veiligheid Het doel van het beleid is: het beheersen, maar ook minimaliseren voor aanwezigen in de omgeving van risicovolle activiteiten met gevaarlijke stoffen en risico's rond luchthavens en het voorkomen van nieuwe knelpuntsituaties.

De mogelijkheden voor het beperken van risico's bestaat uit twee soorten beleid: brongericht of omgevingsgericht. Brongericht beleid is gericht op maatregelen bij de bron en het verminderen van de kans van optreden en het effect van een incident. Omgevingsgericht beleid is gericht op terughoudendheid van het bouwen van kwetsbare bestemmingen in de omgeving van risicovolle activiteiten en transportassen van gevaarlijke stoffen. Om effectief omgevingsbeleid te kunnen voeren is het noodzakelijk inzicht te krijgen in de locaties waar risicovolle objecten zijn en risicovolle activiteiten plaatsvinden. Daartoe heeft de provincie een risicokaart opgesteld. De risicokaart geeft inzicht in de risico's in woon- en werkomgevingen. Op de kaart staan meerdere typen rampen, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. Deze gegevens zijn afkomstig van gemeenten, waterschappen, provincie en de Rijksoverheid.

Gemeente Amsterdam

blz. 52

11.2.2 Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn LPG-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico's waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. In nieuwe situaties geldt voor het PR een grenswaarde van 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde van 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Dit betekent dat binnen de PR 10-6 contour van een Bevi-inrichting geen nieuwe kwetsbare objecten mogen worden opgericht. Indien binnen de contour beperkt kwetsbare objecten worden opgericht moet het bevoegd gezag motiveren waarom dat wenselijk en aanvaardbaar is. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord.

11.2.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De Wet vervoer gevaarlijke stoffen regelt de wijze van vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, per spoor en over de binnenwateren; hierin is onder andere vastgelegd welke stoffen behoren tot de categorie 'gevaarlijke stoffen' en dat het transport binnen de bebouwde kom zoveel mogelijk dient te worden vermeden. Om bij ruimtelijke ontwikkelingen het vervoer van gevaarlijke stoffen te laten voldoen aan de externe veiligheidsnormen moet het bevoegd gezag rekening houden met het PR en het GR. Voor de wijze waarop het PR en GR beoordeeld moeten worden, is de Circulaire risiconormering vervoer gevaarlijke stoffen (verder: de Circulaire) van toepassing. De Circulaire beschrijft het beleid van de overheid over de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen. De overheid vraagt gemeenten, provincies en infrabeheerders om medewerking aan dit beleid te verlenen door bij de besluitvorming die onder hun verantwoordelijkheid valt, de veiligheidsbelangen overeenkomstig deze Circulaire af te wegen. Hierbij gaat het om diverse besluiten gerelateerd aan vervoer van gevaarlijke stoffen en ruimtelijke ordening.

Op basis van de Circulaire is voor bestaande situaties de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten 10-5 per jaar en de streefwaarde 10-6 per jaar. In nieuwe situaties is de grenswaarde voor het PR ter plaatse van kwetsbare objecten 10-6 per jaar; voor beperkt kwetsbare objecten in nieuwe situaties geldt een richtwaarde van 10-6 per jaar. Voor het GR geldt op basis van de Circulaire voor het bevoegd gezag een verantwoordingsplicht in de gevallen van een overschrijding van de oriëntatiewaarde of een toename van het GR. Deze verantwoordingsplicht geldt zowel in bestaande als in nieuwe situaties. De Circulaire vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik. Desondanks kan uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening een verantwoording voor het groepsrisico ook buiten deze 200 meter op zijn plaats zijn, met eventuele beperkingen, zoals bijvoorbeeld in de sfeer van maatregelen die de zelfredzaamheid van de bevolking bevorderen.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 53

11.2.4 Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleiding, een grenswaarde van 10-6 per jaar voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien het bestemmingsplan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In onderstaande gevallen kan men volstaan met een zogenaamde lichte verantwoording, waarbij maatregelen ter beperking van het GR niet hoeven te worden onderzocht: het bestemmingsplan ligt buiten het 100%- letailiteitsgebied of bij toxische stoffen waarbij het plaatsgebonden risico kleiner dan 10-8 per jaar is of het groepsrisico is niet hoger dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde of de toename van het groepsrisico bij verwezenlijking van het bestemmingsplan is niet hoger dan 10%. Op grond van het Bevb is het tevens verplicht om in bestemmingsplannen de ligging van buisleidingen weer te geven. Hierbij wordt ook een belemmeringsstrook (strekkende tot 5 meter aan weerszijden) meegenomen, waarbinnen geen bouwwerken mogen worden opgericht.

Verder dienen bestemmingsplannen een vergunningstelsel in te stellen voor het uitwerken van werken, geen bouwwerk zijnde, of werkzaamheden binnen de belemmeringsstrook die de integriteiten en werking van de buisleiding kunnen verhinderen. 11.2.5 Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam Het Uitvoeringsbeleid Externe veiligheid Amsterdam (vastgesteld op 5 juni 2012 door burgemeester en wethouders) gaat nader in op de manier waarop Amsterdam omgaat met externe veiligheid in de besluitvorming. Het doel van Amsterdam is om risico s zoveel mogelijk te beperken. Dit kan via bronmaatregelen en ruimtelijke maatregelen.

Bronmaatregelen zijn de meest effectieve maatregelen die kunnen worden genomen om het risico te beperken. De afgelopen jaren is er veel aandacht gegaan naar de reductie van risico s aan de bronkant. Hier was namelijk de meeste veiligheidswinst te behalen. Amsterdam continueert via dit uitvoeringsbeleid het bronbeleid door in te zetten op clustering van risicobedrijven in het havengebied. Dit betekent dat in nieuwe ruimtelijke besluiten buiten het westelijk havengebied geen ruimte wordt gegeven aan nieuwe risicobedrijven. Ook wordt gekeken of er alternatieven zijn voor transport van gevaarlijke stoffen door dicht bevolkt gebied gaat. Hierbij kan gedacht worden aan vervoer per water in plaats van vervoer per spoor door de stad.

Het uitvoeringsbeleid hanteert de lijn dat nieuwe overschrijdingen van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico slechts met expliciete toestemming van burgemeester en wethouders worden toegestaan. Reeds bekende overschrijdingen langs de A10 Zuid en West worden vooralsnog verantwoord geacht omdat er met het Rijk maatregelen zijn overeengekomen ter reductie van de risico´s. Om de risico's voor kwetsbare, minder zelfredzame groepen (kinderen, ouderen, zieken) te verminderen is het niet wenselijk dat deze groepen te dichtbij risicobronnen verblijven. Deze groepen zijn minder zelfredzaam in geval van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Concreet betekent dit dat in nieuwe ruimtelijke plannen een strook langs transportassen met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (rijkswegen 80 meter, enkele spoortrajecten 100 meter, hogedruk aardgasleidingen circa 25 tot 175 Gemeente Amsterdam

blz. 54

meter) en rond risicobedrijven wordt vrijgehouden van nieuwe kwetsbare, minder zelfredzame groepen. Afwijking is mogelijk mits door burgemeester en wethouders expliciet is toegestaan.

11.3

Resultaten onderzoeken

11.3.1 Inleiding Econsultancy heeft een onderzoek naar externe veiligheid uitgevoerd naar de realisatie van een nieuw schoolgebouw aan het Archimedesplantsoen 87 te Amsterdam. Doel van het onderzoek is het identificeren van mogelijk relevante risicovolle activiteiten in de omgeving en de effecten van deze activiteiten op het plan. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage van Econsultancy d.d. 20 juli 2021 met rapportnummer 12622.007. Deze rapportage is als Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. 11.3.2 Risicovolle inrichtingen Op circa 330 meter ten zuiden van de grens van het plangebied is Jaap Eden Ijsbaan gelegen. De inrichting is op de risicokaart vermeld vanwege een installatie met 3.600 kg ammoniak. Het plaatsgebonden risicocontour van 10-6/jr ligt op 50 meter vanaf de bron. Gezien de afstand tot het plangebied gelden er geen belemmeringen. 11.3.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren De afstand vanaf het midden van het spoor Amsterdam Muiderpoort – Diemen tot de grens van het plangebied bedraagt circa 56 meter. De afstand van het spoor Duivendrecht – Amsterdam Muiderpoort tot het plangebied bedraagt circa 1,2 kilometer. Op ruim 1,1 kilometer ten oosten van het plangebied is de rijksweg A10 gelegen en circa 1,2 kilometer ten noordenoosten corridor Amsterdam–Rijn.

Via deze transportroutes, die onderdeel uitmaken van het Basisnet, worden gevaarlijke stoffen vervoerd. In de onderstaande tabel zijn per bron de invloedsgebieden en aantallen transporten per stofcategorie weergegeven. Het plangebied is alleen gelegen binnen 200 meter van het spoor Amsterdam Muiderpoort - Diemen en bevindt zich binnen het invloedsgebied van de stofcategorie D4. Een kwantitatieve risicoanalyse en een verantwoording van het groepsrisico is derhalve noodzakelijk. Uit de berekeningen blijkt dat het transport niet leidt tot een groepsrisico. Voor het traject ter hoogte van het plangebied wordt uitsluitend stofcategorie C3 vervoerd. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van 35 meter. Omdat in de huidige en toekomstige situatie geen groepsrisico is berekend, is een verantwoording van het groepsrisico niet noodzakelijk. De spoorlijn Duivendrecht-Muiderpoort, waar D4 (toxische vloeistoffen) over heen gaan ligt op circa 1,2 kilomerter afstand van de projectlocatie. Gezien de afstand tussen deze spoorlijn weg en de projectlocatie is deze spporlijn vanuit het oogpunt van externe veiligheid niet relevant voor de beoogde ontwikkeling op Archimedesplantsoen 87.

11.3.4 Buisleidingen Op circa 300 meter ten zuiden van het plangebied is een hogedruk aardgastransportleiding gelegen.In de onderstaande tabel is de buisleiding met de bijbehorende inventarisatieafstand weergegeven. Omdat het plangebied geheel buiten de inventarisatieafstand van deze leiding is gelegen, is een kwantitatieve risicoanalyse niet nodig. Er worden geen belemmeringen verwacht.

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 55

11.4

Verantwoording

Analyse scenario Door een ongeval met een tankwagen op de spoorlijn Duivendrecht – Amsterdam Muiderpoort kunnen giftige gassen (D4) vrijkomen. De toxische wolk kan zich snel ontwikkelen en verplaatsen. Afhankelijk van het type stof, windrichting en plaats van de calamiteit kunnen hoge concentraties optreden. In de onderstaande paragrafen wordt aangegeven welke maatregelen in geval van een calamiteit getroffen kunnen worden. De verantwoording zal gericht zijn op mogelijkheden ter bestrijding van calamiteiten, bereikbaarheid en zelfredzaamheid. De inhoud van deze paragraaf dient te worden beschouwd als de beperkte verantwoording zoals bedoeld in artikel 7 Bevt. Zelfredzaamheid Via waarschuwings- en alarmeringssysteem (WAS) en NL-Alert worden personen in de omgeving gewaarschuwd. Bij een calamiteit met giftige gassen is het handelingsperspectief binnen blijven en schuilen. Ventilatievoorzieningen moeten eenvoudig centraal uitgeschakeld en/of dichtgezet kunnen worden. Ramen en deuren moeten worden gesloten en aanwezigen moeten inpandig schuilen tot het gevaar is geweken. Bestrijdbaarheid en bereikbaarheid Bij een calamiteit zal de brandweer zich inzetten om effecten als gevolg van het incident te beperken. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer kan door middel van waterscherm verspreiding van een gifwolk vertragen.

Advisering Veiligheidsrisico In verband met het beoogde bouwplan is aan Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland advies gevraagd. Op 18 janauri 2022 heeft de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland advies over het beoogde bouwplan uitgebracht.

11.5

Conclusie

Uit de kwantitatieve risicoanalyse volgt dat in zowel de bestaande als de toekomstige situatie geen groepsrisico is berekend. Het plaatsgebonden risico als gevolg van de spoorlijn ter hoogte van het plangebied is lager dan 10-6/jaar en voldoet daarmee aan de grenswaarde. Gezien het zeer lage groepsrisico en de zeer kleine kans dat een calamiteit optreedt, wordt geadviseerd geen verdere veiligheidsmaatregelen te nemen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

Gemeente Amsterdam

blz. 56

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 57

Hoofdstuk 12 12.1

Hoogbouwaspecten

Beleid en regelgeving

12.1.1 Hoogbouw, Beleid en Instrument De nota Hoogbouw, Beleid en Instrument uit 2005 is naar aanleiding van de vaststelling van de Omgevingsvisie Amsterdam 2040 in 2011 geactualiseerd als aanvullend toetsingskader. Het belangrijkste doel van het Amsterdamse hoogbouwbeleid is een zorgvuldige inpassing van hoogbouwinitiatieven in de bestaande structuren van de stad. Daarbij is de landschappelijke inpassing een aspect wat, zodra er sprake is van een zekere impact op het stadslandschap, een stedelijke afweging behoeft. In de Nota wordt aangegeven voor welke hoogbouwplannen dit geldt. De hoogbouweffecctrapportage (HER) is een rapportage waarin alle relevante effecten van hoogbouw, zoals windhinder en schaduwwerking, toetsing aan hindernisbeperkingen als straalpaden en beperkingen rond Schiphol worden onderzocht, maar die vooral is bedoeld om de effecten van een plan op het stedelijk landschap in beeld te brengen. Het uitvoeren van een HER wordt in het beleid aanbevolen en is in bepaalde gevallen verplicht. Dat doet zich voor in situaties waarin terughoudendheid met hoogbouw wordt beoogd; in deze situaties wil het college van B&W mee kunnen beoordelen wat de effecten zijn van hoogbouw.

Een rapportage over landschappelijke effecten is onder meer verplicht gesteld bij hoogbouwinitiatieven vanaf 22,5 meter of hoger in het UNESCO-gebied (gebied binnen Singelgracht), hoogbouwinitiatieven vanaf 30 meter in de 2 km-zone rondom het UNESCO-gebied, in 'gebieden van bijzondere waarden', of in de randen van de groene scheggen. Voor overige gebieden geldt de ondergrens van 60 meter, met uitzondering van een aantal in de Structuurvisie aangegeven hoogbouwstimuleringsgebieden (zones langs infrastructuur bundel) waarvoor deze verplichting niet geldt.

Gemeente Amsterdam

blz. 58

Hoogbouw en uitrol centrumgebied (bron: Structuurvisie Amsterdam 2040) Consequentie plangebied Vanwege de ligging van het plangebied gelden er geen nadere regels voor de maximale bouwhoogte en geldt er geen verplichting voor het opstellen van een HER. 12.1.2 Windhinder In Nederland bestaat tot op heden geen wetgeving ter voorkoming van windhinder of windgevaar. Dit betekent niet dat bij het opstellen van ruimtelijke plannen windhinder of windgevaar niet hoeft te worden meegenomen in de afwegingen. De grondslag voor de beoordeling van het aspect windhinder vindt zijn grondslag in art. 3.1 Wro (Wet ruimtelijke ordening), die zorgt voor een goede ruimtelijke ordening. Daarvoor is het in kaart brengen van mogelijke windhinder of windgevaar en deze betrekken in de beoordeling noodzakelijk. In 2006 is de NEN 8100 'Windhinder en windgevaar in de gebouwde omgeving' uitgebracht. Deze norm geeft richtlijnen (methodes) voor het uitvoeren van windtunnel- en CFD onderzoek. Daarnaast wordt een beoordelingsmethodiek van windhinder en windgevaar beschreven. Hierbij wordt gewerkt met uurgemiddeldewindsnelheden (m/s) gerelateerd aan de overschrijdingskans in percentage van uren per jaar. In een tabel is voor verschillende situaties en activiteiten (doorlopen, slenteren, langdurig zitten) een beoordeling van het windklimaat gegeven (slecht, matig, goed).

Daarnaast is een toetsingskader ten aanzien van windgevaar uitgewerkt. De NEN 8100 is een privaatrechtelijke norm en niet aangewezen in het Bouwbesluit of andere wetgeving. In Nederland is de NEN 8100 sinds het verschijnen in 2006 de meest gebruikte norm voor het onderzoeken en beoordelen van het windklimaat. Conform het beslismodel uit de NEN 8100 dient voor onbeschut liggende gebouwen hoger dan 30 meter een uitgebreid onderzoek met CFD of in de windtunnel conform de NEN 8100 uitgevoerd te worden. Met een dergelijk onderzoek kan het windklimaat ter plaatse nauwkeurig bepaald worden en kunnen ook mogelijke maatregelen ter verbetering van het windklimaat gedetailleerd onderzocht worden. Consequentie plangebied Omdat de toegestane bebouwing ten behoeve van de nieuwbouw van de school lager is dan 30 meter, is geen onderzoek naar windhinder noodzakelijk. 12.1.3 Bezonning Volgens het geldende bestemmingslan "Middenmeer I en II" is op de locatie Archimedesplantsoen 87 aan de zijde van de Jan van der Waalstraat bebouwing toegestaan met een hoogte van maximaal 15 meter. Aan de oostzijde van de locatie, aan het Archimedesplantsoen staat het geldende bestemmingspaln een hoogte toe van maximaal 9 meter. Het voorliggende bestemmingsplan staat aan de zijde van de Jan van der Waalstraat bebouwing toe die lager is dan de bebouwing die het geldende bestemmingsplan toestaat.

Concreet betreft dit een hoogte van maximaal 12 meter (in plaats van 15 meter). Voor het oostelijk gelegen bouwvlak aan het Archimedesplantsoen betreft dit 9 meter. Dit is gelijk aan de nu reeds toegestane hoogte. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat het bestemmingsplan voor de nieuwbouw van de school geen grotere effecten op de bezonning van omliggende percelen heeft dan het thans vigerende bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 59

bestemmingsplan. Nader onderzoek naar bezonning is daarom niet noodzakelijk.

12.2

Conclusie

De hoogbouwaspecten vormen voor de nieuwbouw van de school op Archimedesplantsoen geen belemmering.

Gemeente Amsterdam

blz. 60

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 61

Hoofdstuk 13

Luchthavenindelingsbesluit

Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (LIB) is een Algemene Maatregel van Bestuur, die gebaseerd is op de Wet luchtvaart. In de Wet luchtvaart is bepaald dat onder andere bij de vaststelling van een bestemmingsplan het LIB in acht moet worden genomen. In het LIB is o.a. een beperkingengebied vastgesteld waar in verband met de nabijheid van de luchthaven Schiphol met het oog op de veiligheid en de geluidbelasting beperkingen noodzakelijk zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond. Het beperkingengebied is aangegeven op kaartmateriaal dat onderdeel uitmaakt van het LIB. Het LIB bevat regels over: 1. de bestemming en het gebruik van grond in verband met het externe-veiligheidsrisico vanwege het luchthavenluchtverkeer; 2. de bestemming en het gebruik van grond in verband met de geluidbelasting vanwege het luchthavenluchtverkeer; 3. de maximale hoogte van objecten in, op of boven de grond, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer; 4. een bestemming die, of van een gebruik dat, vogels aantrekt, in verband met de veiligheid van het luchthavenluchtverkeer. Op basis van het LIB geldt voor het plangebied : dat dit buiten de 20 Ke-contour ligt.

Daarmee gelden voor het plangebied geen beperkingen voor geluid of veiligheid; een bouwhoogte van 146 meter is maximaal mogelijk om de veiligheid van het vliegverkeer te kunnen garanderen; een bouwhoogte van 69 meter is maximaal mogelijk om te voorkomen dat de radar van het vliegverkeer verstoord wordt. de maximaal toelaatbare bouwhoogte binnen het plangebied bedraagt 12 meter. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de bepalingen uit het LIB geen beperkingen vormen voor het plangebied.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 63

Hoofdstuk 14 14.1

Milieuhinder bedrijvigheid

Beleid en regelgeving

Milieuzonering betreft het hanteren van bepaalde richtafstanden tussen bedrijven en hindergevoelige functies/bestemmingen. Om in deze zonering enige eenheid te brengen heeft de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) de brochure "Bedrijven en milieuzonering" (editie 2009) uitgebracht die als richtlijn geldt. De milieubelasting wordt bepaald door verschillende milieuaspecten, zoals gevaar, stof, geur, geluid, verkeer en visueel. Voor elk milieuaspect geldt een aparte minimaal aan te houden richtafstand tussen hinderveroorzakende functie en hindergevoelige functie. Het aspect met de hoogste categorie is maatgevend voor de uiteindelijke minimaal aan te houden richtafstand. De richtafstanden variëren van 0 meter (voor categorie 1 bedrijven) tot 1000 meter (voor categorie 6 bedrijven). De gegeven afstanden zijn richtafstanden en geen harde afstandsnormen. De richtafstanden in Bedrijven en Milieuzonering gelden ten opzichte van een milieugevoelige functie, zoals bijvoorbeeld bedoeld met de omgevingstypen rustige woonwijk of rustig buitengebied. In het geval de milieugevoelige functies zijn gelokaliseerd in omgevingstype gemengd gebied kan een afwijkende systematiek worden toegepast, die meer ruimte biedt aan bedrijven.

De VNG-richtafstanden van toepassing zijn op nieuwe situaties, waarbij milieugevoelige functies (bijvoorbeeld wonen) en bedrijven in elkaars nabijheid gerealiseerd worden.

14.2

Toetsing richtafstanden

Typering plangebied en omgeving Gezien de ligging van de locatie in het stedelijke gebied van Amsterdam, in combinatie met de nabijheid van het rangeerterrein van de schoollocatie, kan het plangebied en zijn omgeving volgens de VNG-Brochure worden gekwalificeerd als een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden uit de brochure met één afstandstap kunnen worden verlaagd. Afstand school-omliggende woningen Op grond van de bedrijvenlijst van de VNG-Brochure is een school voor beroepsonderwijs een voorziening in milieucategorie 2. Voor een dergelijke milieucategorie geldt in een rustige woonwijk een richtafstand van 30 meter. In een gemengd gebied geldt voor een onderwijsinstelling een richtafstand van 10 meter. De omliggende woningen staan allen op een afstand van meer dan 10 meter van de beoogde bestemming voor de locatie Archimedesplantsoen 87. Dit betekent dat aan de genoemde richtafstand wordt voldaan en als gevolg van de bedrijfsvoering van de school het woon- en leefklimaat ter plaatse van omliggende woningen niet onevenredig wordt aangetast. Afstand school-rangeerterrein Ten noorden van het plangebied ligt een rangeerterrein. Dit betreft het emplacement Watergraafsmeer. De bedrijvenlijst van de eerdergenoemde VNG-Brochure geeft aan een rangeerterrein een activiteit is in milieucategorie 4.2.

waarvoor in geval van een rustige woonwijk een richtafstand geldt van 300 meter. In een gemengd gebied geldt voor een rangeerterrein een richtafstand van 200 meter. Omdat het rangeerterrein op een afstand van 50 meter van het plangebied ligt, wordt aan deze richtafstand niet voldaan. Daarom is nader onderzoek nodig om te bezien of het rangeerterrein geen belemmeringen opwerpt voor de beoogde nieuwbouw van de school en op de schoollocatie een acceptavel verblijfsklimaat is.

Gemeente Amsterdam

blz. 64

14.3

Resultaten onderzoeken

14.3.1 Inleiding Uit de bedrijvenlijst blijkt dat voor een rangeerterrein de aspecten "geluid" en "gevaar" de bepalende aspecten zijn. Daarom is naar deze aspecten nader onderzoek gedaan. 14.3.2 Geluid Door Cauberg Huygen een een akoestisch onderzoek uitgevoerd in verband met de aanwezigheid van het rangeerterrein in de nabijheid van het plangebied. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage d.d. 24 augustus 2021 met refernetienummer 07129-53754-01. De rapportage is opgenomen als Bijlage 2 bij deze toelichting. Voor de berekening van het industrielawaai ten gevolge van het spooremplacement Watergraafsmeer is voor het equivalente geluidniveau gebruik gemaakt van het geluidmodel dat is gebruikt voor de aanvraag van de thans vigerende Wet milieubeheer vergunning van het emplacement Watergraafsmeer. Dit geluidmodel is ons door Prorail ter beschikking gesteld op 3 juni 2010. In de dag-, avond- en nachtperiode wordt respectievelijk een geluidbelasting ten gevolge van het spooremplacement berekend van maximaal 41, 44 en 43 dB(A). Dit betekent dat: aan een te stellen toetswaarde voor de dagperiode van 50 dB(A) wordt voldaan. aan een te stellen toetswaarde voor de avondperiode van 45 dB(A) wordt voldaan. aan een te stellen toetswaarde voor de nachtperiode van 40 dB(A) wordt niet voldaan. Wat betreft de nachtperiode wordt het volgende opgemerkt.

De nachtperiode strekt zich uit van 23.00 uur tot 7.00 uur. In deze periode is de school niet in bedrijf en worden in het gebouw geen onderwijs gegeven. In verband daarmee is in de regels een gebruiksbepaling opgenomen dat in de periode tussen 23.00 en 7.00 uur geen onderwijsactiviteiten zijn toegestaan. Derhalve vormt de overschrijding van de toetswaarde in de nachtperiode geen beletsel voor de nieuwbouw van de school. 14.3.3 Gevaar In verband met de nieuwbouw van de school is onderzoek gedaan naar externe veiligheid. De uitkomsten van dit onderzoek zijn opgenomen in het rapport van Econsultancy d.d. 20 juli 2021 met rapportnummer 12622.007. Deze rapportage is als Bijlage 6 bij deze toelichting gevoegd. Uit dit onderzoek blijkt dat de activiteiten op het rangeerterrein vanuit het oogpunt van externe veiligheid geen belemmering vormen voor de nieuwbouw van de school.

14.4

Trillingen

Gelet op de relatief korte afstand van het nieuwe schoolgebouw tot het spoor en rangeerterrein is toetsing aan de richtlijn volgens SBR B 'hinder voor personen in gebouwen' relevant. Om een goed beeld te krijgen van de te verwachten trillingshinder in het toekomstige schoolgebouw is door AGEL Adviseurs een trillingstechnisch onderzoek uitgevoerd. De resultaten van dit onderzoek zijn opgenomen in de rapportage d.d. 9 december 2021 met projectnummer 20210361. Dit rapport als Bijlage 7 bij deze toelichting gevoegd. Doel van het onderzoek is het prognosticeren van de trillingsniveaus in de toekomstige gevoelige ruimten van het vmbo. Het nieuwe bijgebouw van de school is op circa 60 meter van spoorbaan 374 geprojecteerd. De trillingsniveaus worden geprognosticeerd op basis van de resultaten van de gemeten

bestemmingsplan_Middenmeer I en II, herziening Archimedesplantsoen 87 (vastgesteld)

blz. 65

vloertrillingen in het huidige schoolgebouw. Aanleiding voor het onderzoek is de wens van de opdrachtgever om mogelijke toekomstige trillingshinder in de gevoelige ruimten van de nieuwbouw ten gevolge van het railverkeer te voorkomen, één en ander in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Ten behoeve van het onderzoek zijn trillingsmetingen op een positie op de vloer van de 1e verdieping verricht zoveel als mogelijk conform de voorschriften uit de SBR richtlijn B: Hinder voor personen in gebouwen; meet- en beoordelingsrichtlijn augustus 2002. Gedurende 1 representatieve week zijn de trillingsniveaus gemeten. Voor de overdracht van bodem naar gebouw en van gebouw naar verdiepingsvloer zijn frequentie afhankelijke overdrachtsfuncties gebruikt ten behoeve van de trillingsprognose in de toekomstige school. Uit de resultaten van het voorliggend onderzoek kan het volgende worden geconcludeerd. Bij situering van het bijgebouw van de school op circa 60 meter van de spoorbaan wordt geprognosticeerd dat voldaan wordt aan de richtlijnen conform SBR B relaterend aan nieuwe situaties. Uitgangspunt hierbij is dat de school op palen gefundeerd wordt.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12129926/1