Raadsbesluit 2022-100D Toelichting BP Oostzanerdijk 76
Tekst van het document
De gevolgde onderzoeksstrategie geeft in voldoende mate de situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van nader onderzoek. Aanbevelingen De onderzoeksresultaten vormen belemmeringen voor de huidige en beoogde bestemming (wonen met tuin). Om de humane risico’s weg te nemen en de bodem geschikt te maken voor de bestemming wonen met tuin, zal de bodem gesaneerd moeten worden. Dit kan conform de Nota Bodembeheer Amsterdam middels het aanbrengen van een leeflaag van 1,0 meter dikte en/of het aanbrengen van een duurzame afdeklaag. Het bouwen van een woning valt onder laatstgenoemde variant. Vrijkomende sterk met lood verontreinigde grond kan alleen op het perceel worden herschikt onder een leeflaag. Als terugsaneerwaarde dient voor lood de Lokale Maximale Waarde te worden gehanteerd (100 mg/kg). Voor de sanering dient een BUS-melding categorie immobiel ingediend te worden bij de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied. De sanering dient te worden uitgevoerd door een BRL7000 erkende aannemer, milieukundige begeleiding dient conform de BRL6000 plaats te vinden. De voorlopige veiligheidsklasse van de bodemverontreinigingen is conform de CROW-400 vastgesteld op “rood niet vluchtig”. Dit dient formeel te worden bepaald door een veiligheidskundige. Samenhang met waterkering Ontgraving/ sanering is watervergunningplichtig i.v.m.
de aanwezige waterkering. Ook andere aanvullingen in het binnentalud of de onderberm van de dijk zijn watervergunningplichtig.
27
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 9 9.1
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie
Naar aanleiding van de Modernisering van de Monumentenwet en de wijziging van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, d.d.17 juni 2011, staatsblad 5 juli 2011, nr 339) dient per 1 januari 2012 bij het maken van bestemmingsplannen een beschrijving te worden opgenomen “van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten monumenten rekening is gehouden”. In de toelichting van de Bro staat dat dit betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden en daar conclusies aan verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. Dit vermindert de noodzaak tot het aanwijzen van nieuwe beschermde monumenten omdat aan het belang van de cultuurhistorie dan waarde wordt toegekend via het proces van de ruimtelijke ordening. Voor Amsterdam komt het verankeren van de cultuurhistorie in het proces van ruimtelijke ordening en transformatieopgaven ook aan bod in de Beleidsnota ‘Ruimte voor Geschiedenis’ (vastgesteld 13 april 2005), ‘Spiegel van de Stad, visie op het erfgoed van Amsterdam’ (vastgesteld 14 november 2011) en in ‘Erfgoed voor de stad, agenda voor het erfgoed in een groeiend Amsterdam’ (vastgesteld 5 juli 2016).
De Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie van de provincie Noord-Holland is een geografische uitwerking van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie (besluit d.d.21 juni 2010). De kaart geeft in zijn algemeenheid informatie over landschapstypen, aardkundige waarden, cultuurhistorische objecten/monumenten, archeologische verwachtingen en structuurdragers als militaire structuren en historische dijken. Deze informatiekaart is voor wat betreft bovengrondse cultuurhistorische waarden vooral gericht op gemeenteoverschrijdende zaken. Het is daarom niet gericht op de specifiek Amsterdamse waarden, en het geeft daar dan ook geen beeld van. In dit geval is van belang dat het perceel deel uitmaakt van het provinciaal monument Noorder IJ- en Zeedijken en van een gebied dat is aangewezen als beschermd stadsgezicht. Daarop wordt hierna ingegaan. 9.1.1
Provinciaal monument
De Waterlandse Zeedijk, waarvan de Landsmeerderdijk en Oostzanerdijk onderdeel uit maken, is in 2002 vanwege de grote cultuurhistorische waarde aangewezen als provinciaal monument (Noorder IJ- en Zeedijken). Ook de aangrenzende Wilmkebreek en Kadoelerbreek zijn onderdeel van het provinciale monument. De aanwijzing is geschied op basis van de Omgevingsverordening NH2020. De dijk is een gebouwd object in de betekenis van een vervaardigd, een opgeworpen werk. De aanwijzing houdt in dat het dijklichaam wordt beschermd. Het dijklichaam is het grondlichaam, uitwendig gevormd door de kruin van de dijk en het binnendijks- en buitendijks talud. Ook het buitendijks talud onder de waterlijn behoort tot het provinciaal monument. Deze dijken dienden ter bescherming van de relatief laaggelegen Hollandse veenweidegebieden tegen het water van de Zuiderzee en het IJ. De Noorder IJ- en Zeedijken lopen vanaf de Westfriese Omringdijk (bij Schardam) langs Zeevang en Waterland door naar het zuiden van Oost- en Westzaan, Assendelft richting Noord-Kennemerland. In de redengevende omschrijving van de Noorder IJ- en Zeedijken staat dat de Noorder IJ- en Zeedijken cultuurhistorisch van betekenis zijn, omdat zij de Zeevang en Waterland door de eeuwen heen beschermd hebben tegen het water van de voormalige Zuiderzee. Het tracé van de dijk is historisch bepaald.
Men kan daarin de sporen waarnemen van de strijd tegen het water in de loop der eeuwen. In de eerste plaats in het bochtige en hoekige tracé zelf, dat duidt op doorbraken in vervlogen tijden. Vervolgens geven de braken, zoals de wielen hier genoemd worden, een indruk van de gevolgen van de vroeger steeds terugkerende doorbraken. Tenslotte vormen de buitendijkse landen een essentieel onderdeel van de oudste vorm van een dijkverdedigingssysteem waarbij men voor de dijk voorland liet liggen om de slag van het water te breken. Historisch morfologisch zijn de dijken van betekenis, omdat zij in de loop der tijd hersteld, opgehoogd
28
Oostzanerdijk 76 en afgegraven zijn en successievelijk van aarden-, wier- en steenbekleding zijn voorzien. Belangrijk is hierbij de samenstelling van het dijklichaam en de vorm van het profiel daarvan, zoals minimum breedte, taludhelling enzovoort. In het voorwoord van de redengevende omschrijving is aangegeven dat de provinciale monumentenverordening alleen betrekking heeft op het dijklichaam: de kruin van de dijk inclusief de bestrating, de beide taluds en het tracé. Verder is in het voorwoord gesteld dat met het bestuur van HHNK is afgesproken dat te allen tijde het waterstaatsbelang voorgaat. De dijken zijn een beeldbepalend element in het Noord-Hollandse polderlandschap door de continuïteit en de hoogte van de dijken in samenhang met de openheid van het omliggende landschap. Aantasting van deze elementen van de dijk is daarom onaanvaardbaar. Tevens is beschermd de historisch-morfologische waarde, zijnde het bodemarchief dat verstopt zit in het dijklichaam. De status van provinciaal monument betekent dat voor activiteiten op of aan de dijk een vergunning van de provincie vereist is. Het voornemen bestaat uit sloop van de bestaande woning aan de voet van de dijk en nieuwe twee-onder-een kap woningen bovenaan de dijk - in de rooilijn van de naastgelegen woningen. De continuïteit en de hoogte van de dijk wordt door het plan niet aangetast.
Op dit deel van het provinciaal monument loopt de dijk door stedelijk gebied met lintbebouwing aan de dijk, zodat er geen sprake is van openheid die wordt aangetast. De monumentale waarde van het provinciaal monument wordt dan ook niet op ontoelaatbare wijze geschaad. Op 11 november 2020 heeft de provincie kenbaar gemaakt dat ze het voornemen in principe haalbaar acht. Het betreft een wijziging aan het provinciaal monument die formeel vergunnningsplichtig is op basis Erfgoedverordening Noord-Holland 2017. Er moet een officiële procedure doorlopen worden in kader van de omgevingsvergunning voor het wijzigen van het monument (artikel 2.2 lid 1 sub b Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). De initiatiefnemer vraagt daartoe een omgevingsvergunning bij de gemeente aan om in dijk te mogen bouwen. De gemeente is bevoegd gezag en vraagt in deze advies aan het college van Gedeputeerde Staten. 9.1.2
Aanwijzing als rijksbeschermd stadsgezicht
Een gedeelte van Amsterdam Noord, waaronder de Waterlandse Zeedijk waar de Oostzanerdijk onderdeel van uitmaakt, is in 2014 aangewezen als rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. Voor aangewezen rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten geldt dat de gemeente verplicht is om een beschermend bestemmingsplan op te stellen. Het geldende bestemmingsplan heeft onder meer als doel om de in de waardestelling beschreven waardevolle elementen te beschermen. In de toelichting bij het aanwijzingsbesluit betreffende de aanwijzing als rijksbeschermd stadsgezicht worden de te beschermen waarden per deelgebied beschreven.
29
Oostzanerdijk 76
Afbeelding: rijksbeschermd stadsgezicht in Amsterdam Noord, blauw omlijnd
9.1.2.1 Nadere typering van te beschermen waarden Het beschermd stadsgezicht Amsterdam Noord, voor zover het betreft de Waterlandse Zeedijk met zijn bebouwing, is van bijzondere algemeen historische, cultuurhistorische en stedenbouwkundige waarde vanwege: de manier waarop dijk en dijkdorpen de historisch ruimtelijke ontwikkeling van het gebied zichtbaar maken, en met name het watergebonden karakter van die ontwikkeling; de typerende lintbebouwingstructuur met enkele verbindingen naar en in het benedendijkse land en de resterende oorspronkelijke gouw- en ontginningssloten, met op sommige plaatsen karakteristieke individuele bruggetjes; de karakteristieke bebouwing van de dijkdorpen, met name de talrijke huizen met houten gevels, die niet alleen visueel een bijzondere uitstraling hebben, maar ook gerelateerd zijn aan de historische fysisch-geografische omstandigheden; het individuele, diverse bebouwingskarakter, en het onderscheid van herkenbare bebouwingsperiodes, die de organische groei van de dijkdorpen weerspiegelt; de historische, kleinschalige (soms agrarische) bebouwing langs de achterpaden, waarbij het ruimtelijke karakter mede wordt bepaald door de wisselende rooilijnen; het algemene groene en waterrijke karakter dat gedragen wordt door het zicht op de water- en groenpartijen, rietland en weilandenstrook in het benedendijkse land; het karakteristieke silhouet van
kleinschalige, lage dijkwoningen met de kerktorens; de beeldbepalende havens, met woonschepen en zeilboten, en havengebonden bedrijvigheid, die het watergebonden karakter van de voormalige dorpen illustreert; de herkenbaarheid van het dijkprofiel, dankzij de hoogteverschillen met het omringende land, met de typerende doorkijkjes tussen de dijkpanden naar het benedendijkse land; de nog ongerepte ligging aan en visuele relatie met het IJ van Schellingwoude ten oosten van de Oranjesluizen en het daarmee samenhangende cluster dienstwoningen nabij de Oranjesluizen; de herkenbaarheid van het dijklichaam.
30
Oostzanerdijk 76
9.1.2.2 Vergunningvrij bouwen en bijbehorende bouwwerken Als gevolg van de aanwijzing zijn minder bouwactiviteiten vergunningsvrij, ook al gaat het niet om een monument. Slopen is altijd vergunningsplichtig. Deze sloopbescherming volgt uit de wet en houdt in dat de aanvrager aannemelijk moet maken dat op de plaats van het te slopen bouwwerk (woning) een ander bouwwerk kan of zal worden gebouwd (artikel 2.16 Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Het nieuw te bouwen bouwwerk moet voldoen de beschermde cultuurhistorische waarden die ter plaatse in de bestaande stedenbouwkundige/ architectonische structuur tot uitdrukking komen. Hierover heeft afstemming plaatsgevonden met Monumenten en Archeologie van gemeente Amsterdam, zodat aannemelijk is dat de omgevingsvergunning voor slopen zal kunnen worden verleend. Wel vergunningsvrij zijn: dakkapellen, dakramen, zonnepanelen en andere veranderingen zijn alleen in een achterdakvlak vergunningsvrij (mits niet naar openbaar gebied gekeerd). Hier gelden dezelfde maten als voor ‘normale’ situaties. wijzigingen aan achtergevels, mits niet gekeerd naar het openbaar toegankelijk gebied, zijn in principe vergunningsvrij. gewoon onderhoud inpandige veranderingen
Een bijgebouw of aanbouw is alleen vergunningsvrij als dit al in het bestemmingsplan is toegestaan. De maatvoering wordt dus bepaald door het bestemmingsplan. Voorwaarde is dat de aanbouw of het bijgebouw in de strook achter het gebouw komt te staan, én niet in een tuin gekeerd naar openbaar toegankelijk gebied (bijvoorbeeld water of een park). Het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken zoals uitbouwen geldt alleen voor de eerste bouwlaag en in dit geval is dat het souterrainniveau. Het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken voor het verblijven van personen geldt uitsluitend voor de eerste bouwlaag en niet voor het daarboven gelegen begane grondniveau. Het realiseren van uitbouwen op twee bouwlagen is vergunningvrij niet mogelijk (dit volgt uit artikel 4a lid 2 juncto artikel 3 onderdeel 1 sub c van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht).
31
Oostzanerdijk 76
Op basis van het vigerende bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III' zijn bijbehorende bouwwerken toegestaan. In het voorliggende bestemmingsplan mogen deze per perceel ten hoogste 40% bedragen van de oppervlakte van het bebouwingsgebied, met een maximum van 30 m2. DDeze zijn uitsluitend toegestaan op het erf aan de achterkant van het hoofdgebouw. Een aanbouw is uitsluitend toegestaan aan de achtergevel van de woning met een diepte van ten hoogste 2,50 meter. De maximum goot- en bouwhoogte van een bijgebouw bedraagt 3 resp. 5 meter en de maximum bouwhoogte van een aanbouw bedraagt 3 meter. Vergunningvrij bouwen nabij een waterkering is niet zonder meer toegestaan. Vanwege het bouwen in de nabijheid van de waterkering is altijd een watervergunning nodig op grond van de Keur van het hoogheemraadschap. 9.1.3
Vertaling in bestemmingsplan
Het bouwplan De nieuwbouw sluit aan op de directe omgeving. Het past binnen het gevarieerde bebouwingsbeeld. De nieuwbouw voegt zich naar de structuur van de lintbebouwing en staat in de rooilijn van de ter weerszijde bestaande bebouwing. Tussen de bestaande bebouwing en de nieuwbouw wordt enige ruimte behouden waardoor zicht blijft op het lager gelegen binnendijkse land. De bouwhoogte is overeenkomstig die van de bestaande bebouwing langs de dijk, doordat wordt gebouwd in één bouwlaag met een kap, met aan de voet van de dijk de karakteristieke benedenverdieping. De nok is evenwijdig aan de dijk. Bij de landschappelijke inpassing van de nieuwbouw is rekening gehouden met de karakteristieke kenmerken en kwaliteiten van de Oostzanerdijk in de directe omgeving van het plangebied: de typerende rooilijnen, doorkijkjes, goot-en bouwhoogtes en kapvormen. De planregeling Ter effectuering van de aanwijzing van een beschermd stads- of dorpsgezicht moet ingevolge artikel 36 van de destijds geldende Monumentenwet 1988 een bestemmingsplan worden opgesteld. De toelichting op de aanwijzing kan daarbij voor wat het beschermingsbelang betreft als uitgangspunt dienen.
Doel van de aanwijzing is de karakteristieke, met de historische ontwikkeling samenhangende structuur en ruimtelijke kwaliteit van het gebied te onderkennen als zwaarwegend belang bij de toekomstige ontwikkelingen binnen het gebied. De aanwijzing beoogt op die wijze een basis te bieden voor een ruimtelijke ontwikkeling die inspeelt op de aanwezige kwaliteiten, daarvan gebruik maakt en daarop voortbouwt. Het bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III' heeft voorzien in de bedoelde effectuering en in het voorliggende bestemmingsplan voor het perceel wordt de aanwijzing eveneens in acht genomen. Daartoe is het nieuwe bouwplan gedetailleerd vastgelegd op de verbeelding en in de regels. De regeling voor bijbehorende bouwwerken is nagenoeg gelijk gebleven aan die van bestemmingsplan Kadoelen-Oostzanerwerf III. Daarnaast is de aanwijzing als beschermd stadsgezicht vertaald in het bestemmingsplan door een beschermende regeling op te nemen. Voor het gehele als rijksbeschermd stadsgezicht aangewezen gebied is een dubbelbestemming Waarde - Cultuurhistorie, waarin een koppeling is gemaakt met de te beschermen waarden uit het aanwijzingsbesluit. Door de directe koppeling in de bouwregels van de dubbelbestemming met de te beschermen waarden
32
Oostzanerdijk 76 uit het aanwijzingsbesluit, zijn de gronden aldus mede bestemd voor het behoud, herstel en versterking van de met het beschermde stadsgezicht verbonden cultuurhistorische en architectonische waarden.
9.2
Archeologie
Door Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam is een archeologisch bureau onderzoek uitgevoerd. Zie daarvoor Bijlage 5 Archeologisch bureauonderzoek (M&A, 28 december 2020). Langs de Oostzanerdijk bestaat een algemene verwachting ten aanzien van bewoningssporen daterend vanaf de late Middeleeuwen. Er zijn echter geen historische aanwijzingen voor bewoning van het perceel vóór de 20ste eeuw. Wel was het terrein omstreeks 1832 bebouwd met een schuur, waarschijnlijk een licht gefundeerd bouwwerk dat weinig tot geen sporen in de bodem heeft achtergelaten. In het onderzoek is geconcludeerd dat nu de voorgenomen bodemingreep met een diepte van maximaal ca. 0,5 meter beperkt blijft tot de recent geroerde bovengrond, deze niet leidt tot aantasting van eventuele archeologische waarden. In het kader van de voorgenomen bouwingreep hoeft daarom geen archeologisch onderzoek plaats te vinden. Wel geldt conform de Erfgoedwet een vondstmeldingsplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Als tijdens de uitvoering van werkzaamheden vondsten worden gedaan, waarvan redelijkerwijs kan worden vermoed dat deze van archeologische waarde zijn, wordt dit aan Monumenten en Archeologie gemeld zodat in overleg maatregelen worden getroffen tot documentatie en berging van de vondsten.
Voor het plangebied blijft de geldende archeologische dubbelbestemming uit het vigerende bestemmingsplan gehandhaafd; de dubbelbestemming zoals opgenomen in het bestemmingsplan Kadoelen-Oostzanerwerf III wordt overgenomen in de planregeling van het voorliggende bestemmingsplan.
33
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 10 10.1
Externe veiligheid
Algemeen
Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen); het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen), het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. Bij externe veiligheid risico's wordt onderscheid gemaakt tussen het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grens- en richtwaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen. Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn.
Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die in het algemeen als acceptabel niveau geldt. Het bevoegd gezag dient het groepsrisico te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen.
10.2
Risicovolle inrichtingen
Het "Besluit Externe Veiligheid Inrichtingen" (Bevi) is op 27 oktober 2004 in werking getreden. Het besluit legt veiligheidsnormen op aan inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden geproduceerd of opgeslagen (waaronder LPG-tankstations), die een risico vormen voor personen buiten het bedrijfsterrein. Het Bevi schrijft voor dat bij een ruimtelijk besluit als een bestemmingsplan getoetst moet worden aan normen voor het plaatsgebonden- en het groepsrisico als gevolg van activiteiten bij risicovolle inrichtingen als LPG-tankstations. Het invloedsgebied is het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico. Dit houdt in dat onderzocht moet worden of er inrichtingen aanwezig zijn waarvan het invloedsgebied van een ongeval met gevaarlijke stoffen reikt tot in het plangebied. Het plangebied van dit bestemmingsplan valt niet binnen het invloedsgebied van een inrichting zoals bedoeld in het Bevi. Op enige afstand van het plangebied is een LPG tankstation aanwezig aan de Appelweg 46. Het plangebied ligt buiten het invloedsgebied van deze risicovolle inrichting. Nader onderzoek is daarom niet nodig
10.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) dat op 1 april 2015 in werking is getreden en de Regeling Basisnet. Het Bevt stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. In de Regeling Basisnet staat waar risicoplafonds liggen langs de transportroutes, hoe hoog ze zijn en welke regels er gelden voor ruimtelijke ontwikkelingen. Binnen de zogenaamde basisnetafstand (waar het plaatsgebonden risico maximaal 10-6 per jaar mag zijn) mogen geen nieuwe kwetsbare objecten worden toestaan. Binnen de basisnetafstand mogen in principe geen nieuwe beperkt kwetsbare objecten worden toegestaan, tenzij hiervoor zwaarwegende redenen zijn. Bij transportroutes die geen onderdeel uitmaken van het basisnet geldt een grenswaarde van PR 10-6 voor kwetsbare objecten en een richtwaarde PR 10-6 voor beperkt kwetsbare objecten. Binnen 200
34
Oostzanerdijk 76 meter van een transportroute geldt een uitgebreide verantwoordingsplicht voor het groepsrisico, zoals aangegeven in artikel 8 van het Bevt, maar buiten de 200 meter afstand geldt er een lichte verantwoordingsplicht. Hierbij dient het bevoegd gezag alleen in te gaan op de aspecten rampenbestrijding en zelfredzaamheid. Het bevoegd gezag kan ook binnen de 200 meter afstand volstaan met een lichte verantwoording in een aantal gevallen, onder meer indien het groepsrisico kleiner is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde. Door en nabij het plangebied lopen geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen. Het plangebied ligt niet binnen het invloedsgebied van de Rijksweg A10 waar gevaarlijke stoffen over worden vervoerd.
10.4
Buisleidingen
In en nabij het plangebied bevinden zich geen transportleidingen voor gevaarlijke stoffen, die vallen onder de werking van het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb).
10.5
Vuurwerk
In of nabij het plangebied bevinden zich geen verkooppunten voor vuurwerk.
10.6
Hoogspanningsverbindingen
Binnen en in de omgeving van het plangebied zijn geen hoogspanningsverbindingen aanwezig.
10.7
Conclusie
In het kader van externe veiligheid zijn geen belemmeringen te constateren voor dit bestemmingsplan.
35
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 11
Luchthavenindelingbesluit
Op 1 november 2002 heeft het kabinet zijn definitieve goedkeuring verleend aan nieuwe milieu-en veiligheidsregels voor Schiphol. De regels zijn vastgelegd in twee uitvoeringsbesluiten, behorend bij de in 2001 goedgekeurde Schipholwet: het Luchthavenindelingbesluit (LIB) en Luchthavenverkeersbesluit. Het luchthavenverkeersbesluit is gericht op de beheersing van de milieubelasting door het luchthavenluchtverkeer rondom Schiphol. In het besluit zijn regels opgenomen ten aanzien van luchtverkeerswegen, vlieghoogtes rondom de luchthaven, regels ten aanzien uitstoot van stoffen, maximale risicogewicht van vliegtuigen, maximale geluidbelasting gedurende de nacht en etmaal. Het LIB bevat (ruimtelijke) regels voor de omgeving ten behoeve van het functioneren van Schiphol. Voor ruimtelijke plannen is dus hoofdzakelijk het LIB van belang. Voor bepaalde gebieden rondom Schiphol is een "beperkingengebied" aangewezen, waar in verband met de nabijheid van luchthaven Schiphol met het oog op de veiligheid en geluidbelasting beperkingen nodig zijn ten aanzien van de bestemming of het gebruik van de grond. De Oostzanerdijk 76 ligt in het beperkingengebied voor wat betreft de maximale bouwhoogte en vogelaantrekkende functies. Het bestemmingsplan Oostzanerdijk 76 gaat over de bouw van grondgebonden woningen met een maximum bouwhoogte van 8 meter vanaf de dijk.
De maximale bouwhoogte conform het beperkingengebied van het LIB wordt niet overschreden. Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het LIB. Het plangebied ligt buiten de zone waar beperkingen worden gesteld aan vogelaantrekkende functies. Dit zijn onder andere viskwekerijen en grote open wateren. Het bestemmingsplan maakt geen vogelaantrekkende functies zoals bedoeld in het LIB mogelijk, zodat op dit punt aan het LIB wordt voldaan.
36
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 12
Natuur en landschap
Voor de bescherming van diersoorten is per 1 januari 2017 de Wet Natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. In deze wet zijn de Natuurbeschermingswet 1998, Flora- en faunawet en Boswet geïntegreerd tot één wet. De Wnb bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. Bij vrijwel alle ingrepen moet met door de Wnb beschermde soorten rekening worden gehouden. Bij de beoordeling van de toelaatbaarheid van nieuwe bouwwerken en/of andere activiteiten zal rekening moeten worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van te beschermen planten en diersoorten. Het bestemmingsplan gaat uit van de sloop van een bestaande woning en nieuwbouw van twee woningen. De gronden waar de nieuwe woningen zijn geprojecteerd, betreffen een particuliere tuin met gras zonder ogenschijnlijke natuurwaarden. Er is niettemin ecologisch onderzoek nodig om vast te stellen of in het plangebied beschermde soorten aanwezig zijn. Dit onderzoek wordt uitgevoerd voordat de bestaande woning wordt gesloopt en het terrein bouwrijp wordt gemaakt en kan tot de conclusie leiden dat een ontheffing of vergunning op grond van de Wnb nodig is.
In opdracht van de initiatiefnemer is door het ecologisch adviesbureau Bureau Aandacht Natuur een onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming uitgevoerd met betrekking tot het project. Zie daarvoor Bijlage 6 Onderzoek Wet Natuurbescherming Sloop en nieuwbouw Oostzanerdijk 76 te Amsterdam (Bureau Aandacht Natuur, 12 januari 2021). Er heeft in de ochtend van 4 mei 2020 een verkennend onderzoek (quickscan) in het kader van de Wet Natuurbescherming plaatsgevonden. Het onderzoek heeft zich met name gericht op het voorkomen of mogelijk voorkomen van beschermde planten diersoorten binnen of in de directe omgeving van het projecttracé. Aan de hand van het verkennend onderzoek is beoordeeld dat de bebouwing mogelijkheden biedt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen en nestlocaties voor de jaarrond beschermde soort huismus. In dit kader heeft, conform het kennisdocument huismus (Bij12, 2017) een gericht veldonderzoek plaatsgevonden naar het voorkomen van deze vogelsoort en is tijdens het verkennend veldonderzoek in de ochtend van 4 mei extra aandacht besteed aan het voorkomen van huismus op en in de directe omgeving van het plangebied. Tevens heeft ten behoeve van de inventarisatie van huismus op 15 mei een tweede ochtendronde plaatsgevonden. Hierbij is de projectlocatie onderzocht op zingende mannetjes of andere nest-indicerende activiteiten van huismus.
De veldbezoeken zijn uitgevoerd onder gunstige weersomstandigheden voor het inventariseren van huismussen. In verband met het mogelijk voorkomen van vleermuizen heeft in de zomer en het najaar van 2020 een vleermuisonderzoek plaatsgevonden. Het doel van het vleermuisonderzoek is om vast te stellen of de betreffende woning wordt gebruikt als vaste rust- en verblijfplaats door vleermuizen. Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd conform het ‘Protocol voor vleermuisinventarisaties’ dat maart 2017 is geactualiseerd en wordt gehanteerd door het Netwerk Groene Bureaus (waarbij Bureau Aandacht Natuur is aangesloten). Hiertoe zijn drie veldrondes uitgevoerd in de kraamperiode (15 mei tot 15 juli) en twee veldrondes in de paarperiode (15 augustus tot 1 oktober) van 2020, zie tabel 1. Aangezien het één woning betrof, welke rondom overzichtelijk is, zijn de inventarisatierondes uitgevoerd door één persoon met een ruime ervaring op het gebied van vleermuizen. Voor het vleermuisonderzoek is gebruik gemaakt van een batdetector (Pettersson D240X). Hiermee kunnen de ultrasone geluiden, die vleermuizen tijdens het vliegen uitzenden, voor het menselijk gehoor hoorbaar gemaakt worden. Indien noodzakelijk, is gebruik gemaakt van opnameapparatuur. Bij twijfel is het geluid opgenomen en geanalyseerd in het hiervoor speciaal ontworpen computerprogramma Batsound.
Verder is op basis van literatuurgegevens beoordeeld of beschermde soorten (kunnen) voorkomen.
37
Oostzanerdijk 76
12.1
Gebiedsbescherming
De woning aan de Oostzanerdijk 76 is niet gelegen in of direct aan de rand van een Natura 2000 gebied of aangewezen als (onderdeel van) Natuurnetwerk Nederland (NNN), weidevogelleefgebied of een natuurverbinding (figuur 4). Het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied betreft het Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske en ligt op een minimale afstand van 2,1 kilometer van de projectlocatie. Het projectgebied ligt in de oorspronkelijke dorpskern van Tuindorp-Oostzaan aan de Noordwestzijde van Masterdam en bevat geen elementen die de specifieke waarden van het Natura 2000 gebied versterken en hebben dan ook geen functie voor in de Natura 2000 gebied aangewezen habitatsoorten, habitattypen of vogelrichtlijnsoorten. 12.1.1 Stikstof Ook met betrekking tot externe effecten door de uitstoot van stikstof, wordt gezien de minimale afstand van 2,1 kilometer tot het dichtstbijzijnde Natura 2000 gebied en de relatief kleine omvang van het project niet verwacht dat de nieuwbouw een negatief effect heeft op in Natura 2000 gebieden aanwezige stikstofgevoelige habitattypen. Daarbij zal de nieuwbouw duurzaam worden opgeleverd, waardoor er geen sprake meer zal zijn van een stikstofuitstoot door cv-ketels.
De realisatie van een extra appartement zal een lichte toename tot gevolg hebben van het aantal (gemotoriseerde) verkeersbewegingen, maar zal gezien de situering van het plangebied en de afstand tot Natura 2000 gebieden niet leiden tot significant negatieve effecten op stikstof gevoelige habitattypen. Niettemin is een berekening ten behoeve van de stikstofuitstoot en de effecten hiervan op Natura 2000 gebieden ten behoeve van de voorgestane planontwikkeling uitgevoerd. Zie daarvoor Bijlage 7 Stikstofdepositie (Bureau Aandacht Natuur, 09 maart 2021). Daaruit blijkt dat het plan zowel tijdens de bouw- als de gebruiksfase geen negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van natuurlijke habitats en soorten. Voor deze activiteit is daarom geen vergunning op grond van de Wet Natuurbescherming nodig. Het plan is daarmee op het punt van provinciaal natuurbeleid niet in strijd met de Provinciale Omgevingsverordening. Op voorhand kan in redelijkheid worden gesteld dat natuurwet en -regelgeving de uitvoerbaarheid van het ruimtelijke plan niet in de weg staat. 12.1.2 NNN, natuurverbinding of weidevogelleefgebied De beoogde sloop en nieuwbouw vindt niet plaats in of langs terreinen die zijn aangewezen als (onderdeel van) NNN, een natuurverbinding of weidevogelleefgebied.
Een nadere of uitgebreide toetsing ten aanzien van de gebiedsbescherming in het kader van de Wet Natuurbescherming is dan ook niet aan de orde.
12.2
Houtopstanden
De aan de plannen onderhevige beplanting maakt onderdeel uit van een erfbeplanting en liggen binnen de bebouwde kom van Amsterdam. Hiermee is er op de projectlocatie geen sprake van een beschermde houtopstand zoals bedoelt in de Wet Natuurbescherming.
12.3
Soortbescherming
Aan de hand van het verkennend onderzoek (quickscan) is beoordeeld dat de bebouwing mogelijkheden biedt als vaste rust- en verblijfplaats voor vleermuizen en nestlocaties voor de jaarrond beschermde soort huismus. Naar aanleiding daarvan heeft een vervolgonderzoek (Onderzoek Wet natuurbescherming) plaatsgevonden naar het voorkomen van vaste rust- en verblijfplaatsen van vogels (huismus) en vleermuizen. Dat veldonderzoek heeft in de periode mei t/m september 2020 plaatsgevonden.
38
Oostzanerdijk 76
12.3.1 Flora Met betrekking tot de aanwezige flora zijn geen beschermde plantensoorten aangetroffen binnen het plangebied. Aan de hand van huidige verspreidingsgegevens (FLORON/NDFF, 2017) en groeiplaatsomstandigheden van beschermde plantensoorten, is tevens het voorkomen van, binnen de Wet Natuurbescherming, beschermde plantensoorten binnen de projectlocatie niet te verwachten. Gezien de aanwezige terreintypen binnen de projectlocatie, is een nader onderzoek naar beschermde plantensoorten of een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming niet aan de orde. 12.3.2 Vogels Voor alle beschermde inheemse (ook de algemeen voorkomende) vogelsoorten geldt vanuit de Wet Natuurbescherming een verbod op handelingen die nesten of eieren beschadigen of verstoren. In de praktijk betekent dit dat storende werkzaamheden alleen buiten het broedseizoen uitgevoerd mogen worden. De voorgenomen werkzaamheden zullen in de winterperiode van 2021 en 2022 worden uitgevoerd, waarmee niet wordt verwacht dat broedende vogels of nestlocaties worden verstoord of verwijderd. Handelingen die een vaste rust- of verblijfplaats van beschermde vogels verstoren zijn eveneens niet toegestaan.
Nestlocaties van boomvalk, buizerd, gierzwaluw, grote gele kwikstaart, havik, huismus, kerkuil, oehoe, ooievaar ransuil, roek, slechtvalk, sperwer, steenuil, wespendief en zwarte wouw worden gezien als een jaarrond beschermde vaste rust- en verblijfplaats. Voor de verstoring van deze verblijfplaatsen en belangrijk leef- of foerageergebied is ook buiten het broedseizoen een ontheffing noodzakelijk. Ondanks gericht onderzoek zijn er op en rond het betreffende erf geen broedgevallen van huismus vastgesteld. Ook zijn er tijdens het verdere onderzoek geen waarnemingen gedaan van uilen of roofvogels in/bij de coniferen op de erfgrens en ontbreken sporen die wijzen op hun aanwezigheid zoals braakballen of andere uitwerpselen en sporen. Aan de hand van het nader onderzoek kunnen vogelsoorten met een jaarrond vaste rust- en verblijfplaats worden uitgesloten van de projectlocatie. Een ontheffingsaanvraag in het kader van de Wet Natuurbescherming en/of aanvullende maatregelen ten aanzien van jaarrond beschermde vogelsoorten is dan ook niet noodzakelijk. 12.3.3 Zoogdieren Met uitzondering van vleermuizen wordt niet verwacht dat andere (zwaar) beschermde zoogdieren voorkomen binnen het plangebied.
Met betrekking tot (kleine) marterachtigen zijn er geen sporen aangetroffen die wijzen op hun aanwezigheid en ontbreekt er vanwege het gebruik en functie als tuin binnen het plangebied geschikt leefgebied voor bedoelde soorten. Verder worden hoofdzakelijk algemeen voorkomende beschermde soorten verwacht, waarvoor een vrijstelling geldt met betrekking tot een ruimtelijke ingreep of bestendig beheer. Aan de hand van de (huidige) literatuurgegevens en habitatvoorkeuren, kan het voorkomen van andere beschermde (grondgebonden) zoogdiersoorten binnen de projectlocatie worden uitgesloten. Aan de hand van het vleermuisonderzoek is vastgesteld dat de te slopen bebouwing geen verblijfplaats vormt voor vleermuizen. Echter is geconstateerd dat er in de omgeving verschillende verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis aanwezig zijn; Aan de overzijde op Oostzanerdijk 71/75 een zomerverblijfplaats en vermoedelijk een paarverblijfplaats, en onder de daklijst van het aanpalende pand aan de oostzijde (Oostzanerdijk 72) een kleine kraamkolonie en een paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis. De voorgenomen sloop van het woonhuis aan de Oostzanerdijk 76 zal echter geen gevolgen hebben voor de buitenschil van aanpalende woningen en worden de vastgestelde vleermuisverblijfplaatsen niet aangetast of verwijderd door de beoogde werkzaamheden.
Ook komt de nieuwbouw niet direct langs de gevel van de Oostzanerdijk 72, en blijven de aangetroffen verblijfplaatsen aanvliegbaar voor vleermuizen en worden deze niet belemmerd door de nieuwbouw. Echter bevindt de nieuwbouw wel plaats nabij de kraam- en paarverblijfplaats van gewone dwergvleermuis en zal naar verwachting ook (deels) in de actieve periode van vleermuizen worden uitgevoerd. Voorkomen moet worden dat de aangetroffen verblijfplaats (ook niet tijdelijk) wordt verstoord door de werkzaamheden. Dit houdt in dat de met de werkzaamheden: de toegang tot de daklijst niet mag worden geblokkeerd; en dat er tijdens de bouw (gedurende de actieve periode van vleermuizen) geen felle verlichting wordt toegepast aan of nabij de betreffende gevel.
39
Oostzanerdijk 76
In dit geval is er voor de sloop en nieuwbouw van het woonhuis aan de Oostzanerdijk 76 geen ontheffing in het kader van de Wet Natuurbescherming noodzakelijk ten aanzien van de aangetroffen vleermuisverblijfplaatsen. Indien de functionaliteit van de vleermuisverblijfplaatsen, door toedoen van de sloop- en nieuwbouw (ook tijdens de werkzaamheden) niet kan worden gegarandeerd zullen voldoende mitigerende maatregelen worden genomen en is een ontheffingsaanvraag voor het verstoren of verwijderen van een vleermuisverblijfplaats wel noodzakelijk. Het is aannemelijk dat deze eventuele ontheffing verleend kan worden. Deze natuurtoestemming kan initiatiefnemer tegelijk met de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit aanvragen, het zogenoemde 'aanhaken') Op basis van het uitgevoerde onderzoek kan worden uitgesloten dat er vleermuisverblijfplaatsen aanwezig zijn in de te slopen bebouwing. Gezien de activiteit van vleermuizen op en rond het terrein kan echter wel een bijdrage worden geleverd aan de functionaliteit van de nieuwbouw voor vleermuizen, door het toepassing van “natuurinclusief bouwen”. Daarmee kunnen vleermuizen worden geholpen bij de realisatie van nieuwbouw, zonder concessies te doen aan het ontwerp of de kwaliteit van het bouwwerk. 12.3.4 Overige beschermde soorten Andere beschermde soorten dan hierboven genoemd worden niet verwacht binnen de projectlocatie.
Nader onderzoek naar het voorkomen van andere beschermde soorten is dan ook niet noodzakelijk. Echter kunnen veranderingen in de situatie binnen het plangebied of in de planvorming altijd leiden tot andere inzichten en daarmee tot wijziging van deze conclusies. Mogelijk kunnen gedurende het planproces of de werkzaamheden zich nieuwe soorten gaan vestigen. Bij constatering van een beschermde soort tijdens de voorgenomen activiteiten blijft het alsnog noodzaak om maatregelen te nemen of ontheffing aan te vragen voor deze soort(en).
40
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 13 13.1
Bezonning
Toetsingskader
Er bestaan geen wettelijke normen die zien op een minimum aantal zonuren per dag in een woning. De wetgever heeft ervoor gekozen regulering hiervan over te laten aan bestuursorganen. Dit betekent dat bestuursorganen op dit onderwerp beleidsruimte hebben. De gemeente Amsterdam heeft op dit aspect geen beleid vastgesteld. Om die reden moet gewicht worden toegekend aan de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRS). Daarop wordt hierna ingegaan. Dat neemt echter niet weg dat in het kader van de vaststelling van een bestemmingsplan een afweging dient plaats te vinden van alle bij het gebruik van de gronden betrokken belangen, waaronder het belang van omwonenden bij een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Veel gemeenten hanteren voor bezonning een richtlijn die in 1962 door TNO is opgesteld: a. De 'lichte' TNO-norm voor voldoende bezonning in de woonkamer: ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari - 21 oktober (gedurende 8 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam. b. De 'strenge' TNO-norm voor goede bezonning in de woonkamer: ten minste 3 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode 21 januari - 22 november (gedurende 10 maanden) in midden vensterbank binnenkant raam.
De ABRS neemt in haar uitspraken regelmatig het standpunt in dat het bevoegd gezag zich in redelijkheid op het standpunt kan stellen dat de gevolgen van een plan voor niet onaanvaardbaar zijn in de omstandigheid dat de woning van een belanghebbende zal blijven voldoen aan de lichte TNO-norm (uitspraak ABRS 202006127/1/R1, 27 oktober 2021 en 202000464/1/R1, 18 november 2020 en 201806401/1/R2, 18 december 2019 et cetera). Deze normen zijn opgesteld voor woonkamers en niet voor andere ruimten. Bovendien hoeft bevoegd gezag de normen niet te hanteren (uitspraak ABRS 201206051/1/R1, 28 augustus 2013). In het kader van de belangenafweging kan geen doorslaggevende betekenis toekomen aan het antwoord op de vraag of wordt voldaan aan de zogeheten TNO-norm (uitspraak ABRS 201307050/1/R4 en 201403325/2/R4, 3 december 2014). De uitkomst van deze belangenafweging is afhankelijk van de omstandigheden van het geval (uitspraak ABRS 201709450/1/R6, 18 april 2018). Zo mag bevoegd gezag in aanmerking nemen dat in een stedelijke omgeving andere eisen mogen worden gesteld aan lichtinval en bezonning dan in een minder bebouwde omgeving (uitspraak 201802576/1/R6, 12 december 2018).
13.2
Omstandigheden
In de westgevel van de woning Oostzanerdijk 72 bevinden zich ramen op de perceelgrens. Deze ramen hebben direct zicht op de tuin van Oostzanerdijk 76, ondanks dat het Burgerlijk Wetboek dit in een zone van 2 meter vanaf de perceelgrens verbiedt. Deze ramen zijn er al van oudsher. De rechterfoto toont de gevel in 1984 (bron: Beeldbank).
Afbeelding: westgevel 2020 (links, Google Streenview) en 1984 (rechts, Beeldbank)
41
Oostzanerdijk 76
Afbeelding: westgevel november 2021
De woonkamer van de woning bevindt zich in het souterrain in het achterhuis, daar zijn twee ramen in de westgevel waarvan één beperkt zicht biedt wegens bestaande begroeiing voor het raam. De woonkamer heeft ook ramen aan de noord- en oostgevel van het achterhuis.
Afbeelding: noord- en oostgevel 2020 (Google Streenview)
De overige ruimten met ramen aan de westgevel betreffen slaapvertrekken, keuken en bijkeuken.
42
Oostzanerdijk 76
13.3
Methodiek
Naar aanleiding van de zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan is door planologisch adviesbureau Van Riezen & Partners een bezonningsstudie uitgevoerd (22 november 2021). Deze is als Bijlage 8 aan deze plantoelichting gevoegd. Deze bezonningsstudie is tot stand gekomen door middel van een computersimulatie. Het computerprogramma voorziet in de verschillende zonstanden die gedurende het jaar en gedurende de dag aan de orde zijn. Door de gebouwen in de juiste coördinaten te plaatsen is het mogelijk een waarheidsgetrouwe weergave te geven van de bezonning en bijbehorende schaduwwerking op verschillende tijdstippen van een jaar en op een dag. Op 21 december staat de zon het laagst en is de dag het kortst. De zon staat dan boven de zuidelijke keerkring. Op 21 juni staat de zon boven de noordelijke keerkring, hierdoor worden lange dagen en hoge zonnestanden bereikt. Ook draait de zon dan ver door; in de avond schijnt de zon zelfs vanuit noordwestelijke richting. De zonstand is op 21 maart en 21 september ongeveer gelijk en dus worden dezelfde schaduweffecten bereikt. Op die data staat de zon boven de evenaar. In de bezonningsstudie is op genoemde data een vergelijking gemaakt van de bestaande en de nieuwe situatie, zoals illustratief hieronder is weergegeven voor datum 21 maart/september om 16:00 uur.
Afbeelding: vergelijking bestaande en nieuwe situatie 21 maart/september om 16:00 uur
13.4
Resultaten
13.4.1 Bezonning westgevel en zonnepanelen van Oostzanerdijk 72 De resultaten van de bezonningsstudie zijn als volgt. Gehele jaar, ochtend gedurende het hele jaar in de ochtenden is er in zowel de bestaande als de nieuwe situatie geen schaduw van Oostzanerdijk 76 op het perceel, de gevel van de woning of de zonnepanelen van Oostzanerdijk 72 21 maart/september, middag de nieuwe bebouwing leidt om 14:00 uur en 16:00 uur tot een toename van schaduw op de zijgevel van Oostzanerdijk 72
43
Oostzanerdijk 76 om 18:00 uur is er ook in de bestaande situatie ook al schaduw op de gevel van die woning de nieuwbouw heeft geen invloed op de bezonning van de zonnepanelen 21 juni, middag/avond de nieuwe bebouwing leidt om 16:00 uur, 18:00 uur en 20:00 uur tot enige toename van schaduw op de zijgevel van Oostzanerdijk 72 de nieuwbouw heeft geen invloed op de bezonning van de zonnepanelen 21 december, middag de nieuwe bebouwing leidt om 14:00 uur en 16:00 uur tot enige toename van schaduw op de zijgevel van Oostzanerdijk 72 de nieuwe bebouwing leidt om 14:00 uur en 16:00 uur tot enige nieuwe schaduw op de zonnepanelen van Oostzanerdijk 72 13.4.2 Bezonning ramen woonkamer Oostzanerdijk 72 De schaduw op de ramen van de woonkamer wijzigt op sommige momenten in gunstige zin en op andere momenten in ongunstige zin: 21 maart/september, middag om 14:00 uur zijn beide ramen in de bestaande situatie vrij van schaduw, in de nieuwe situatie valt op het rechterraam nieuwe schaduw om 16:00 uur zijn beide ramen in de bestaande situatie in de schaduw, in de nieuwe situatie valt op het linkerraam geen schaduw meer om 18:00 uur zijn beide ramen in de bestaande situatie in de schaduw, in de nieuwe situatie zijn beide ramen vrij van schaduw 21 juni, middag/avond om 14:00 uur zijn beide ramen in de bestaande situatie vrij van schaduw, in de nieuwe situatie ook om 16:00 uur zijn beide ramen in
de bestaande situatie vrij van schaduw, in de nieuwe situatie ook om 18:00 uur is het rechterraam in de schaduw, in de nieuwe situatie zijn beide ramen vrij van schaduw om 20:00 uur is het rechterraam deels in de schaduw, in de nieuwe situatie zijn beide ramen vrij van schaduw 21 december, middag om 14:00 uur zijn beide ramen in de bestaande situatie in de schaduw, in de nieuwe situatie ook om 16:00 uur zijn beide ramen in de bestaande situatie in de schaduw, in de nieuwe situatie ook Onderstaande schema maakt per raam van de woonkamer inzichtelijk op welke momenten de situatie in ongunstige zin verandert (rood) en op welke momenten in gunstige zin (groen) of wanneer geen verandering optreedt (blanco).
Hieruit is te concluderen dat de bezonning van de ramen van de woonkamer verbetert door de gewijzigde positie van het bouwvolume.
44
Oostzanerdijk 76
13.4.3 Lichte TNO-norm De lichte TNO-norm vereist een minimale bezonningsduur van 2 uur per dag, gedurende de periode 19 februari tot en met 21 oktober. In de bezonningsstudie zijn de maanden februari, maart, september en oktober in beeld gebracht omdat deze maatgevend blijken te zijn. De toetsdata voor de TNO-norm zijn 19 februari en 21 oktober, maar de bezonningsstudie toont het gemiddelde van de hele maand februari en oktober. Daardoor weegt de periode 1 t/m 18 februari en 22 t/m 31 oktober ook mee in de berekening van de gemiddelde bezonning, wat leidt tot een meer nadelige weergave. Dit is een beperking van de software waarmee de bezonningsstudie is uitgevoerd: deze kan alleen een maand-weergave produceren en niet op de dag nauwkeurig. Daarom kan niet met zekerheid worden gesteld of in de voor die maanden maatgevende perioden 19 t/m 28 februari en 1 t/m 21 oktober wordt voldaan aan de norm. Uit het feit dat in de maart-september wel wordt voldaan aan de lichte norm kan worden geconcludeerd dat - voor zover in februari en oktober niet zou worden voldaan - de afwijking van de norm slechts gering is. Uit de studie blijkt voorts dat over het gehele jaar genomen het aantal bezonningsuren op de twee woonkamerramen toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en gemiddeld genomen 3 tot 4 uur zal zijn in de nieuwe situatie.
13.5
Beoordeling en conclusie
De zonnepanelen op het dak van het achterhuis worden in de bestaande en in de nieuwe situatie niet door schaduw vanaf het perceel Oostzanerdijk 76 beïnvloed. In de ochtend, gedurende het gehele jaar, wijzigt de bezonning van de westelijke gevel van Oostzanerdijk 72 niet. 's Middag neemt op een aantal momenten van het jaar / de dag de schaduw op de westelijke gevel toe door de nieuwbouw. De bezonning van de ramen van de woonkamer zijn maatgevend voor de beoordeling van de aanvaardbaarheid van de nieuwe schaduweffecten. Of in de randen van de toetsperiode voor de lichte TNO-norm (19 t/m 28 februari en 1 t/m 21 oktober) wordt voldaan aan de norm is niet met zekerheid te zeggen, maar uit het feit dat in de maart-september wel wordt voldaan kan worden geconcludeerd dat voor zover in februari en oktober niet zou worden voldaan - de afwijking van de norm slechts gering is. Doorslaggevend in de beoordeling van de aanvaardbaarheid voor de nieuwe situatie is dat over het gehele jaar genomen het aantal bezonningsuren op de twee woonkamerramen in de nieuwe situatie toeneemt ten opzichte van de bestaande situatie en gemiddeld genomen 3 tot 4 uur zal zijn de bezonning van de ramen van de woonkamer in de periode 21 maart t/m 21 september per overwegend verbetert door de gewijzigde positie van het bouwvolume.
45
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 14 14.1
Water
Algemeen
Het Rijk, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen hebben in februari 2001 de "Startovereenkomst Waterbeheer 21ste eeuw" ondertekend. Deze startovereenkomst is in 2003 omgezet in het Nationaal Bestuursakkoord Water dat is geactualiseerd in juni 2008. Hiermee hebben deze partijen elkaar gecommitteerd om een watertoets toe te passen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. De watertoets is wettelijk verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), waarin is bepaald dat de betrokken waterbeheerders moeten worden geraadpleegd bij het opstellen van bestemmingsplannen en bij de voorbereiding van een omgevingsvergunning die in strijd is met het bestemmingsplan. De watertoets is een instrument om dergelijke ruimtelijke plannen te toetsen op de mate waarin rekening wordt gehouden met waterhuishoudkundige aspecten. Het gaat daarbij onder meer om aspecten als waterkwaliteit en waterkwantiteit (ruimte voor water) en veiligheid (bescherming tegen overstroming). Het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) is water(kwaliteit- en kwantiteit)beheerder van het Twiske en verantwoordelijk voor het peilbeheer in het plangebied. Het stadsdeel Noord is verantwoordelijk voor het beheer van water als openbare ruimte; het stadsdeel verleent de vergunningen voor het afmeren van (woon)schepen en het aanleggen van steigers.
14.2
Beleid
Europees beleid Omdat water zich weinig aantrekt van landsgrenzen, zijn internationale afspraken nodig. Sinds eind 2000 is daarom de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) van kracht. Deze moet ervoor zorgen dat de kwaliteit van het oppervlakte- en grondwater in Europa in 2015 op orde is. Om dit te bereiken moeten de landen van de Europese Unie een groot aantal maatregelen nemen. Enerzijds om de kwaliteit van de 'eigen' wateren op peil te brengen, anderzijds om ervoor te zorgen dat andere landen geen last meer hebben van de verontreinigingen die hun buurlanden veroorzaken. Waterwet Op 22 december 2009 is de Waterwet in werking getreden, waarmee een achttal wetten is samengevoegd tot één wet. De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. De Waterwet richt zich op de zorg voor waterkeringen, waterkwantiteit, waterkwaliteit en waterfuncties (zoals de drinkwatervoorziening). De wet biedt de basis voor het stellen van normen ten aanzien van deze onderwerpen. Verder bevat de wet regelingen voor het beheer van water. Een belangrijk gevolg van de Waterwet is dat de huidige vergunningstelsels uit de afzonderlijke waterbeheerwetten worden gebundeld. Met als resultaat één vergunning; de watervergunning.
Watervergunningen kunnen betrekking hebben op bouw- of aanlegwerkzaamheden bij water en dijken; lozen en onttrekken van water; varen, aanmeren en evenementen en plannen ten behoeve van natuur en recreatie en uitbreidingsplannen. Minstens zo belangrijk is dat zoveel mogelijk activiteiten onder algemene regels vallen. In de regel komt dit neer op een meldingsplicht in plaats van een vergunningenprocedure. Niet alles is in algemene regels vast te leggen en voor deze activiteiten in, op, onder of over watersystemen is er de watervergunning. Personen die een ligplaats hebben of aanvragen moeten tevens een watervergunning aanvragen bij het bevoegd gezag. Nationaal Waterplan 2016-2021 Op 10 december 2015 hebben de minister van Infrastructuur en Milieu en de staatssecretaris van Economische Zaken het Nationaal Waterplan 2016 – 2021 vastgesteld. In het Nationaal Waterplan 2016-2021 staan de volgende ambities centraal: a. Nederland blijft de veiligste delta in de wereld b. Nederlandse wateren zijn schoon en gezond en er is genoeg zoetwater
46
Oostzanerdijk 76 c. Nederland is klimaatbestendig en waterrobuust ingericht d. Nederland is en blijft een gidsland voor watermanagement e. Nederlanders leven waterbewust. Gelijktijdig met de vaststelling van het definitieve Nationaal Waterplan 2016-2021 is ook het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren 2016-2021 vastgesteld. Het Beheer- en ontwikkelplan voor de rijkswateren beschrijft hoe grote rivieren en kanalen, het IJsselmeergebied, de Zuidwestelijke Delta, de Noordzee en de Waddenzee beheerd moeten worden. Rijkswaterstaat is verantwoordelijk voor het beheer. In het plangebied van voorliggend bestemmingsplan zijn geen wateren waar nationale belangen een rol spelen. Provinciale watervisie 2021 De Watervisie 2021 'Buiten de oevers' is op 16 november 2015 door Provinciale Staten vastgesteld. De Watervisie 2021 is de opvolger van het Waterplan 2010-2015 en geeft aan waar voor de periode 2016-2021 de prioriteiten liggen voor waterveiligheid en schoon en voldoende drinkwater. Met de Watervisie 2021 sluit de provincie Noord-Holland aan op het Bestuursakkoord Water en anticipeert op de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 van kracht zal worden. De Omgevingswet beoogt minder planvorming en besluiten, een meer integrale afweging op gebiedsniveau en meer doelmatige procedures.
De Watervisie 2021 vormt derhalve meer dan voorheen een integraal onderdeel van het strategische omgevingsbeleid. Dit vraagt om een doelgericht instrumenteel samenspel tussen de Watervisie 2021, de provinciale structuurvisie en overige beleidsvisies. De Watervisie 2021 is een zelfbindend, strategisch beleidsdocument en geeft kaders voor de waterschappen. De provincie beschrijft in de Watervisie 2021 de ambitie en kaders voor het regionale waterbeheer in Noord-Holland richting 2021 en biedt een doorkijk naar 2040. De Watervisie 2021 dient bovenal werkbaar te zijn voor zowel de provincie als haar (water) partners, zijnde de waterschappen, Rijkswaterstaat, gemeenten en andere relevante partijen. De provincie wil vanuit de wateropgaven een positieve bijdrage leveren aan het bewerkstelligen van een samenhangende benadering van de leefomgeving, onder meer voor ruimtelijke ordening, economie, natuur en milieu Waterprogramma 2016-2021 In het Waterprogramma 2016-2021 (voorheen waterbeheersplan) beschrijft het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier de doelstellingen voor de periode 2016-2021 voor de drie kerntaken: veiligheid tegen overstromingen, droge voeten en schoon water. Deze taken worden de komende periode sterk beïnvloed door de klimaatverandering en de uitgangspunten van de Europese Kaderrichtlijn Water.
De komende jaren is de opgave om het beheergebied klimaatbestendig te maken, toegespitst op de thema's waterveiligheid, wateroverlast, watertekort en schoon water. Dat gebeurt vooral preventief door de uitvoering van programma's en dagelijks beheer, maar ook door het onderhouden van een goede crisisorganisatie. Keur Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier 2016 In 2016 heeft het algemeen bestuur van het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier (HHNK) een nieuwe Keur vastgesteld. In de Keur staan de regels die het HHNK hanteert bij de bescherming van waterkeringen, watergangen en bijbehorende kunstwerken. Samen met de Waterwet, nationale en Europese wetgeving en beleidsregels van HHNK vormt dit de basis voor de watervergunning. Nota waterkeringen In deze beleidsnota wordt het beleid en de uitgangspunten voor het beheer en medegebruik van de waterkeringen van HHNK beschreven. De Beleidsnota Waterkeringen geeft helderheid over: het doelmatig beheren, het waarborgen van de waterkerende functie, het afstemmen van de belangen, het vergunningen- en ontheffingenbeleid. Watervisie Amsterdam 2040 Op 14 september 2016 heeft de gemeenteraad van Amsterdam de Watervisie Amsterdam 2040 vastgesteld. De visie geeft een ruimtelijk-economisch perspectief op het gebruik van water en oevers in Amsterdam op de lange termijn (2040) met een aantal speerpunten voor de korte termijn (2018).
De Watervisie Amsterdam 2040 is een structuurvisie-uitwerking. Dat betekent dat de Watervisie na
47
Oostzanerdijk 76 vaststelling door de gemeenteraad als een onderdeel van de Structuurvisie Amsterdam 2040 (een strategisch beleidsdocument voor de ruimtelijke ontwikkeling van de stad) wordt beschouwd. De visie is daarmee zowel een beleidsvisie als een planologisch-juridisch toetsinstrument. Ze wordt als planologisch-juridisch toetsingsdocument ingezet bij ruimtelijke plannen en initiatieven om watergerelateerde ontwikkelingen in balans met elkaar en integraal te laten plaatsvinden. Met de Watervisie willen we bewoners, ondernemers, bedrijven, verenigingen en bezoekers tevens stimuleren en inspireren om -in lijn met de Watervisie- nieuwe initiatieven te ontplooien en te realiseren. Voor nieuwe ruimtelijke initiatieven dienen de gebruikelijke (planologisch-juridische) procedures te worden gevolgd. De Watervisie is planologisch-juridisch alleen bindend voor het gebied binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam. Programma Rainproof Waternet heeft het initiatief genomen het programma Amsterdam Rainproof op te zetten, als start van een maatschappelijke beweging om de stad en de stedelingen regenbestendiger te maken. Grondslag voor het initiatief is de gemeentelijke zorgplicht voor doelmatig en doeltreffend afvoeren van hemelwater welke Waternet namens de gemeente Amsterdam uitvoert.
In Amsterdam Rainproof wordt dit ingevuld door het faciliteren van de beweging, die na de looptijd van het programma op eigen kracht verder gaat. Amsterdam Rainproof wil met doelgroepen als huishoudens, bedrijven, instellingen en overheid een platform bouwen om alle Amsterdammers te verleiden tot regenbestendig handelen. Amsterdam Rainproof staat daarmee niet alleen voor het fysiek veranderen van de stad, maar juist ook voor een mentale verandering in het denken en doen (of juist laten) van haar inwoners, haar ondernemers en haar instellingen. Je bent regenbestendig als je bewust bent van de gevolgen, bewust bent van de mogelijkheden en kansen om nuttig met regenwater om te gaan en er naar handelt of juist niet. In het laatste geval accepteer je dan de gevolgen. Het programma richt zich primair op de opgave van (zeer) hevige regenbuien. Raakvlakken met andere water- en milieuthema’s als klimaatadaptatie, grondwateroverlast en –onderlast, waterkwaliteit, waterbestendig maken van de stad, hittebestendigheid en duurzame energie worden alleen benut als er een zinvolle relatie is tussen de processen (bijvoorbeeld communicatie uitingen en of gezamenlijke bijeenkomsten) en doelstellingen en de oplossingen van de andere thema’s. Amsterdam Rainproof richt zich in eerste instantie tot het stedelijk grondgebied van de gemeente Amsterdam.
Het past in de 800 jaar lange traditie waarin Amsterdam als verantwoordelijke hoofdstad van Nederland Waterland functioneert: ondernemend en pro-actief. Voor het behoud van deze vooraanstaande positie is een succesvol Amsterdam Rainproof van groot belang. De aanpak van Rainproof is kopieerbaar naar andere steden in Nederland en daarbuiten. Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 - 2021 Op 17 december 2015 is het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 - 2021 (GRPA)vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Het gemeentelijk rioleringsplan vervangt het beleid "Breed Water, plan gemeentelijke watertaken Amsterdam 2010 - 2015". De gemeente Amsterdam heeft de wettelijke verantwoordelijkheid (zorgplicht) voor een aantal watertaken. Drie van deze watertaken betreffen: 1. Inzamelen en transporteren van stedelijk afvalwater; 2. Inzamelen en verwerken van afvloeiend hemelwater; 3. Nemen van grondwatermaatregelen in openbaar gebied. In het Gemeentelijk Rioleringsplan Amsterdam 2016 - 2021 staat hoe deze drie zorgplichten de komende periode door de gemeente Amsterdam worden ingevuld, mede in het licht van de te verwachten klimaatverandering. Doel van het plan is om aan het bevoegd gezag te verantwoorden op welke wijze de gemeente Amsterdam deze watertaken uitvoert en in hoeverre zij afdoende middelen heeft om dit in de toekomst te blijven doen.