Raadsbesluit 2022-100D Toelichting BP Oostzanerdijk 76
Tekst van het document
BEHOORT BIJ BESLUIT VAN DE GEMEENTERAAD VAN AMSTERDAM NR. VAN 2--•, qvr“.• -set DE RAADSGRIFFER,
Oostzanerdijk 76 bestemmingsplan wor vaststelling gemeente Amsterdam 28 januari 2022
Oostzanerdijk 76
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Crisis en herstelwet 1.3 Leeswijzer
5 5 5 5
Hoofdstuk 2 Plankader 2.1 Ligging en begrenzing 2.2 Geldend planologisch kader 2.3 Historisch stedenbouwkundige analyse 2.4 Functionele beschrijving
7 7 7 10 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.2 Provinciaal beleid 3.3 Regionaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
13 13 14 16 16
Hoofdstuk 4 Het ruimtelijk kader 4.1 Ruimtelijk-functionele aspecten 4.2 Stedenbouwkundige aspecten
20 20 20
Hoofdstuk 5 MER / MER(beoordelings)plicht 5.1 MER beoordelingsplicht 5.2 Vormvrije MER-beoordeling
22 22 22
Hoofdstuk 6 Geluid 6.1 Verkeerslawaai 6.2 Industrielawaai 6.3 Spoorweglawaai 6.4 Onderzoek 6.5 Vast te stellen hogere waarden 6.6 Advies TAVGA
23 23 23 23 23 24 24
Hoofdstuk 7 Luchtkwaliteit 7.1 Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) 7.2 Besluit gevoelige bestemmingen 7.3 Beleid gemeente Amsterdam
25 25 25 25
Hoofdstuk 8
26
Bodem
Hoofdstuk 9 Cultuurhistorie en archeologie 9.1 Cultuurhistorie 9.2 Archeologie
28 28 33
Hoofdstuk 10 Externe veiligheid 10.1 Algemeen 10.2 Risicovolle inrichtingen 10.3 Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren 10.4 Buisleidingen 10.5 Vuurwerk 10.6 Hoogspanningsverbindingen 10.7 Conclusie
34 34 34 34 35 35 35 35
Hoofdstuk 11
36
Luchthavenindelingbesluit 2
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 12 Natuur en landschap 12.1 Gebiedsbescherming 12.2 Houtopstanden 12.3 Soortbescherming
37 38 38 38
Hoofdstuk 13 Bezonning 13.1 Toetsingskader 13.2 Omstandigheden 13.3 Methodiek 13.4 Resultaten 13.5 Beoordeling en conclusie
41 41 41 43 43 45
Hoofdstuk 14 Water 14.1 Algemeen 14.2 Beleid 14.3 Uitwerking (watertoets)
46 46 46 49
Hoofdstuk 15 Juridische planbeschrijving 15.1 Totstandkoming planregeling 15.2 Opbouw bestemmingsplan 15.3 Toelichting per bestemming
52 52 52 52
Hoofdstuk 16
54
Economische uitvoerbaarheid
Hoofdstuk 17 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 17.1 Participatie 17.2 Overleg ex artikel 3.1.1. Bro en ambtelijk overleg 17.3 Ontwerpbestemmingsplan
3
55 55 55 57
Oostzanerdijk 76
4
Oostzanerdijk 76
Toelichting Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
De bewoner van de vrijstaande woning Oostzanerdijk 76 is voornemens deze woning te slopen en nieuwbouw te realiseren op hetzelfde perceel. De huidige woning is klein en verouderd en ligt aan de voet van de Oostzanerdijk. Het bouwvoornemen voorziet in twee nieuwe twee-onder-een kap woningen bovenaan de dijk, in de rooilijn van de naastgelegen woningen. Het nu geldende bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III' is conserverend van aard en had hoofdzakelijk tot doel om te voldoen aan de destijds geldende actualiseringsplicht. In nieuwe ontwikkelingen werd alleen voorzien voor zover die op dat moment concreet waren. Het plan biedt geen flexibiliteit voor herbouwplannen zoals nu aan de orde. Om de realisatie van het bouwplan mogelijk te maken is dan ook een planologische procedure nodig. De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht maakt mogelijk dat in afwijking van het geldende bestemmingsplan een omgevingsvergunning wordt verleend, maar wanneer die procedure voor dit bouwvoornemen zou worden doorlopen blijft het geldende bestemmingsplan ongewijzigd in stand. Dat zou de ongewenste situatie opleveren dat na realisatie van het bouwplan de 'oude' bouwmogelijkheid aan de voet van de dijk blijft bestaan. Dat wordt geacht in strijd te zijn met de goede ruimtelijke ordening.
Om die reden is voor het bouwplan een nieuw (postzegel)bestemmingsplan opgesteld dat enerzijds het beoogde bouwplan mogelijk maakt en anderzijds het bouwrecht aan de voet van de dijk doet vervallen. De ontwikkeling wordt in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening geacht omdat een extra woning wordt toegevoegd (waaraan binnen de metropoolregio grote behoefte bestaat), een betere woonkwaliteit wordt gerealiseerd (moderne bouweisen) en de woning verderaf van de Stellingweg wordt gerealiseerd (geluidhinder van de weg). De Oostzanerdijk is een woonlint waarbinnen de realisatie van nieuwe woningen passend is. Stedenbouwkundig sluit het bouwplan aan op de overwegende rooilijn langs de Oostzanerdijk en de bouwhoogte is in overeenstemming met de overwegende bouwhoogte van de overige bebouwing aan de Oostzanderdijk. Het bouwvolume en de kapvorm sluit aan op het beschermd stadsgezicht doordat het bouwplan betaat uit één bouwlaag aan de Oostzanerdijk met een parallel aan de dijk geplaatste nokrichting en een passende gevelindeling.
1.2
Crisis en herstelwet
De Crisis- en herstelwet beoogt een versnelling in de ontwikkeling en verwezenlijking van ruimtelijke projecten te bewerkstelligen, om bij te dragen aan de bestrijding van de economische crisis en versnelling van de woningbouw. Hiertoe zijn tijdelijke wijzigingen in de ruimtelijke procedures (bijvoorbeeld het bestemmingsplan) van toepassing verklaard op verschillende soorten projecten. Zo zijn bijvoorbeeld de behandelingstermijnen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verkort en is het belanghebbende begrip aangepast. De projecten waarvoor dit geldt, zijn opgenomen in bijlage I en II van de Crisis- en herstelwet. Het voorliggende bestemmingsplan Oostzanerdijk 76 bevat geen ontwikkelingen of projecten als bedoeld in bijlage I en is niet opgenomen als project zoals bedoeld in bijlage II van de Crisis- en herstelwet. Op grond van het voorgaande valt het voorliggende bestemmingsplan niet onder de werking van de Crisis- en herstelwet.
1.3
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en een toelichting. Op de verbeelding zijn de bestemmingen in het plangebied weergegeven. Deze bestemmingen zijn gerelateerd aan de in de regels opgenomen juridische regeling. De verbeelding en de regels vormen samen de bestemmingsplanregeling zoals deze door de
5
Oostzanerdijk 76 gemeenteraad wordt vastgesteld. De toelichting geeft inzicht in de achtergronden en gemaakte keuzes (relevant beleid, resultaten van uitgevoerde onderzoeken) bij de bestemmingsplanregeling. De toelichting van dit bestemmingsplan bestaat uit 16 hoofdstukken. Hier wordt in het kort de inhoud van deze hoofdstukken beschreven. Na dit eerste inleidende hoofdstuk volgt in hoofdstuk 2 een beschrijving van het plankader. Er wordt onder andere ingegaan op de ontstaansgeschiedenis, beschrijving van de geldende bestemmingsplannen, het plangebied en de beschrijving van de bestaande functies. In hoofdstuk 3 volgt een beschrijving van het relevante ruimtelijk beleid afkomstig van het Rijk, de provincie, de regio en de gemeente. In hoofdstuk 4 zijn de ruimtelijk-functionele en stedenbouwkundige uitgangspunten van het bestemmingsplan beschreven. In hoofdstuk 5 tot en met 13 komen de diverse omgevingsaspecten aan bod. De uitleg over de wijze waarop dit juridisch vertaald is, staat in hoofdstuk 14. Hoofdstuk 15 gaat in op de economische uitvoerbaarheid en tot slot behandelt hoofdstuk 16 de maatschappelijke uitvoerbaarheid. Alle relevante rapporten en onderzoeken zijn als bijlagen bij deze toelichting gevoegd.
6
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 2 2.1
Plankader
Ligging en begrenzing
De planlocatie bevindt zich in het noordwestelijk gedeelte van het Stadsdeel Noord, tussen Tuindorp Oostzaan en Molenwijk. De grenzen van dit bestemmingsplan volgen de kadastrale grenzen van het eigendom van de initiatiefnemer. Dat betreft de kadastrale percelen genummerd 169 aan de dijk en 1617 aan de Stellingweg. Hieronder is dit op de luchtfoto met kadastrale grenzen en nummers weergegeven.
Afbeelding: luchtfoto met kadastrale grenzen
2.2
Geldend planologisch kader
2.2.1
Bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III'
Het nu geldende bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III' is vastgesteld op 20 juni 2013 en in werking getreden op 26 september 2013. Hieronder is een uitsnede van het bestemmingsplan getoond zoals gepubliceerd op www.ruimtelijkeplannen.nl.
7
Oostzanerdijk 76
Afbeelding: bestemmingsplan 'Kadoelen-Oostzanerwerf III'
2.2.1.1 Bestemming 'Wonen-1' De bestaande woning is bestemd als 'Wonen-1'. Er is in het bestemmingsplan onderscheid gemaakt tussen woningen met en zonder verplichte kaphelling. De woningen die zijn bestemd als 'Wonen-1' mogen alleen worden gebouwd als deze worden voorzien van een kap met een minimale hellingshoek van 30 graden en een maximale hellingshoek van 60 graden. Deze kapverplichting geldt niet voor aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen. Binnen de woonbestemming is, naast het wonen, tevens toegestaan de gronden te gebruiken voor aan-huis-gebonden-beroep en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten, short stay, parkeervoorzieningen, bergingen en andere nevenruimten, tuinen en erven, alsmede groenvoorzieningen, speelvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 2.2.1.2 Bestemming 'Tuin-1' De tuin rond de bestaande woning is bestemd als 'Tuin-1'. De tuinbestemming in het bestemmingsplan is gebaseerd op het uitgangspunt dat bijgebouwen vergunningvrij gerealiseerd mochten worden. Inmiddels is dat anders, omdat het perceel onderdeel uitmaakt van het beschermd stadsgezicht en daardoor beperkingen aan vergunningvrij bouwen zijn gesteld. De regels voor het bouwen van een bijbehorend bouwwerk in het nu geldende bestemmingsplan als volgt: a.
de gezamenlijke oppervlakte van bijbehorende bouwwerken mag per perceel ten hoogste 40% bedragen van de oppervlakte van het perceel dat bestemd is als 'Tuin-1', met een maximum van 30 m2; b. een bijgebouw mag uitsluitend worden gerealiseerd indien deze wordt opgericht op minimaal 3 meter achter de voorgevel van het hoofdgebouw of de lijn in het verlengde van de voorgevel; c. een aanbouw is uitsluitend toegestaan aan de achtergevel van de woning met een diepte van ten 8
Oostzanerdijk 76
d. e. f. g. h.
i.
hoogste 2,50 meter; maximum goothoogte bijgebouw: 3 meter; maximum bouwhoogte bijgebouw: 5 meter; maximum bouwhoogte aanbouw: 3 meter; (...) in afwijking van het bepaalde onder a t/m f zijn grotere bijbehorend bouwwerken toegestaan, indien deze op het moment van de ter visie legging van het ontwerpbestemmingsplan krachtens een omgevingsvergunning aanwezig zijn, danwel gebouwd kunnen worden; dakterrassen zijn uitsluitend toegestaan op bijbehorend bouwwerken (in de zin van uitbouwen) met een plat dak.
2.2.2
1e en 2e Partiële herziening
Op 20 april 2016 is de 1e Partiële herziening Kadoelen-Oostzanerwerf III vastgesteld. Dat bestemmingsplan heeft uitsluitend betrekking op het perceel met adres Kadoelenweg 217. Daarin is aan de bestemming 'Wonen-1' de regel toegevoegd dat elke woning dient te beschikken over een geluidluwe zijde. Een geluidsluwe zijde is gedefinieerd als "De zijde van een gebouw waar de geluidsbelasting de voorkeursgrenswaarde zoals bedoeld in de Wet geluidhinder niet overschrijdt, dan wel waar een serre of loggia wordt gerealiseerd waardoor deze voorkeurswaarde op de scheidingsconstructie van de achtergelegen verblijfsruimte wordt bereikt.". Er is tevens geregeld dat parkeren op eigen terrein dient plaats te vinden. Op 30 november 2016 is de 2e Partiële herziening Kadoelen-Oostzanerwerf III vastgesteld. Daarin is geregeld dat parkeren alleen ten behoeve van de hoofdbestemming is toegestaan en niet meer als zelfstandige functie.
2.2.3
Aanpassing geluidszones Westpoort en Hoogtij
Op 2 maart 2015 is het Provinciaal Inpassingsplan 'Aanpassing geluidszones Westpoort en Hoogtij' vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Noord-Holland. Sindsdien is de geluidzone rond Westpoort aangepast en daardoor is het perceel Oostzanerdijk niet langer binnen de geluidzone van het gezoneerde industrieterrein Westpoort gelegen. Op onderstaande afbeelding is de locatie omcirkeld en de zone aangegeven.
9
Oostzanerdijk 76
Afbeelding: begrenzing geluidzone gezoneerd industrieterrein Westpoort
2.2.4
Grondwaterneutrale Kelders
Het paraplubestemmingsplan Grondwaterneutrale Kelders is door de gemeenteraad vastgesteld op 7 oktober 2021. Ook is de 'Beleidsregel Grondwaterneutrale kelders Amsterdam' op 7 september 2021 door het college vastgesteld als samenvatting van het afwegingskader in juridisch concrete normen. Het parapluplan is een vertaling van het Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam in een juridisch planologisch kader. Het doel van het paraplubestemmingsplan is om te zorgen dat alle kelderbouwaanvragen in Amsterdam moeten voldoen aan de eis van grondwaterneutraliteit. Het doel van het Afwegingskader Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam (zie Bijlage 1 Afwegingskader grondwaterneutrale kelders) is het voorkomen van negatieve effecten van (cumulatieve) aanleg van kelders op de stand en de stroom van het grondwater. Alleen een kelder die grondwaterneutraal kan worden aangelegd komt voor vergunningverlening in aanmerking. De (algemene) regels uit het Afwegingskader hebben primair betrekking op kelders met één verdieping, een oppervlakte van maximaal 300 m² en een diepte van maximaal 4 meter onder het grondoppervlak (maaiveld) gerekend aan de straatkant.
Ten aanzien van de kelders die groter zijn dan 300 m² en/of dieper dan 4 meter wordt in het Afwegingskader bepaald dat medewerking alleen mogelijk is indien aan de hand van een geohydrologisch rapport wordt aangetoond dat de aanleg grondwaterneutraal zal plaatsvinden. De locatie Oostzanerdijk is gelegen in 'overige zone-2', standstill/kD. Op basis van het paraplubestemmingsplan is een binnenplanse afwijking is opgenomen met de eis van een geohydrologisch rapport waaruit blijkt dat er grondwaterneutraal gebouwd zal worden.
2.3
Historisch stedenbouwkundige analyse
Ontstaan van de Waterlandse Zeedijk Amsterdam-Noord is ontstaan op veengronden, die vanaf de 7e eeuw werden ontgonnen. Dat gebeurde volgens het vrije Friese systeem, door vrije dorpsgemeenschappen of bannen. Men wierp daartoe een veendijkje op (Gouwdijk) en een achtersloot voor de afwatering (Gouwsloot). De ontginning had tot gevolg dat het veen sterk inklonk: rond 1250 was het al 3 meter gezakt. De almaar toenemende dreiging van de binnen- en buitenmeren, die bij stormachtig weer grote stukken veengebied opslokten, leidde tot de aanleg van steeds meer dijken. Langs de Zuiderzee en het IJ werden ze extra verhoogd en uiteindelijk vormde dit geheel van dammen en dijken de Waterlandse Zeedijk. Rond 1300 was deze dijk gereed. In de eeuwen daarop verschoof deze dijk verder noordwaarts als gevolg van verschillende dijkdoorbraken, waarna binnendijks een nieuwe dijk werd aangelegd. Ten zuiden van de dijk lag nog de Volewijk, een natuurlijk gevormde landtong, die later apart omdijkt werd, maar als gevolg van dijkdoorbraken steeds smaller werd. Bewoning Toen akkerbouw door het dalen van de bodem steeds moeilijker werd, begon men zich meer toe te leggen op de handel en visserij en vestigde men zich steeds meer aan de dijk, waar zich lintbebouwing ontwikkelde en dijkdorpen ontstonden.
De dijk vormde tevens de belangrijkste verkeersverbinding over land, maar het meeste verkeer en vervoer ging toch over het water: enerzijds via het fijnmazige waternetwerk in het binnendijkse gebied (Waterland) en anderzijds via het IJ en de Zuiderzee. De 16e eeuw was een bloeiperiode voor de Waterlandse zeevaart (zuivel, haring en graanhandel). Zozeer dat ze door Amsterdam als een bedreiging werd gezien. De Spaanse Overheersing (1572-1578) maakte een einde aan deze bloei, die wel de Waterlandse Gouden Eeuw wordt genoemd. In de 17e eeuw profiteerden de Waterlanders echter van de nabijheid van Amsterdam, door de grote vraag naar arbeidskrachten (scheepvaart) en voedsel (zuivel, Zaanse kaas). De economie richtte zich steeds meer op de veeteelt.
10
Oostzanerdijk 76
In 1600 werd dwars door de Volewijk, van het Tolhuis aan het IJ naar Buiksloot de Buikslotertrekvaart gegraven, die in 1663 werd verlengd richting Ilpendam en Purmerend. Daarnaast ging men in de 17e eeuw over tot het droogmaken van verschillende binnenmeren, waaronder het Buikslotermeer (1623-1628). 19e eeuw: nieuwe scheepvaartkanalen en landaanwinning Onder Koning Willem I kwam in 1824 het Noord-Hollandsch Kanaal tot stand. Het kanaal liep deels via het tracé van de Buikslotertrekvaart. De opzet van het kanaal was een snellere en veiligere verbinding voor zeeschepen tussen Den Helder en Amsterdam. Het kanaal met de dubbele Willemssluizen aan het IJ werd wereldwijd als een waterbouwkundig hoogstandje beschouwd. De zeescheepvaart ontwikkelde zich echter in zo'n hoog tempo dat kanaal en sluizen al snel te klein werden. In 1870 begon men met de aanleg van het Noordzeekanaal naar IJmuiden. De afdamming van het IJ maakte deel uit van dit project. Tussen IJ en Zuiderzee werd een nieuwe dijk aangelegd met een nieuw sluizencomplex (Oranjesluizen). Hierdoor verloor de Waterlandse Zeedijk ten dele haar waterkerende functie. Een andere belangrijke ontwikkeling in de 19e eeuw was de inpoldering van de Buiksloter- en Nieuwendammmerham (vanaf 1848), die beide als baggerstortplaats in gebruik waren.
Met deze twee inplempingen veranderde het aanzien van het noordelijke IJ-front aanzienlijk en verloor de Volewijk haar karakter als landtong. In 1907 besloot Amsterdam het nieuw verworven land van de beide hammen als industriegebied te bestemmen en al in 1909 volgde de eerste woningbouw in het Spreeuwenpark, bestemd voor de in de industrie werkzame arbeiders. De directeuren van de industrieën vestigden zich in aparte, nabijgelegen villa's, zoals aan de Meeuwenlaan. In de Buiksloter- en Nieuwendammerham vestigden zich aan het eind van de 19e en in de 20e eeuw bedrijven, die zowel voor Noord als voor heel Amsterdam een grote economische betekenis zouden krijgen, zoals de Amsterdamse Droogdok Maatschappij, Fokker, Shell, De Vries Lentsch, Stork, DRAKA en Akzo Nobel. Oostzanerdijk In tegenstelling tot de andere dijkdorpen van de Waterlandse Zeedijk, heeft de Oostzanerdijk zich nooit ontwikkeld tot een eigen dorpskern met voorzieningen. De reden is dat hier minder goede landbouwgrond beschikbaar was en dat het te ver van de belangrijke vaarwegen lag om scheepvaartgebonden activiteiten aan te trekken. Wel hield men zich bezig met traan- en botverwerking van de walvisvaart. Pas met de aanleg van het Noordzeekanaal en daarmee de aanleg van de Noorder IJpolder VIII in de tweede helft van de 19e eeuw, kreeg de ontwikkeling van de Oostzanerdijk een impuls.
Als onderdeel van het Noodzeekanaal-project werd aan de oostzijde van de Noorder IJpolder Zijkanaal I vrijgehouden. Tussen dit kanaal en het achterland lag een overtoom in de dijk, waar zich diverse aan de scheepsbouw gerelateerde bedrijvigheid ontwikkelde. In de Noorder IJpolder vestigde zich in 1919 de NSM-werf (de latere NDSM-werf). Aan de zuidkant van de Oostzanerdijk werd tussen 1921 en 1924 de eerste fase van Tuindorp Oostzaan gebouwd. De ontwikkeling rond het Noordzeekanaal betekende een impuls voor de bebouwing van de Oostzanerdijk. De eerste bebouwing verscheen nabij Kadoelen, rond het knooppunt van de Oostzanerdijk met het Zuideinde en Zijkanaal I. Deze bebouwing breidde zich in het tweede kwart van de 20e eeuw uit langs de Oostzanerdijk (zowel in oostelijke als westelijke richting, aan beide zijden van de dijk, plus in het benedendijkse land van de Noorder IJpolder). Ten zuiden van de dijk en langs Zijkanaal I vestigden zich verschillende scheepsbouwgerelateerde bedrijven. Rond het genoemde knooppunt ontstond een verdichting van kleinschalige bebouwing. Ten noorden van de Oostzanerdijk verrees in de jaren zeventig de Molenwijk. Desondanks is het karakteristieke bebouwingslint van de Oostzanerdijk goed herkenbaar gebleven. Het dijklint eindigt in het westen bij de Molenaarsweg.
Hierna loopt de Waterlandse Zeedijk verder westwaarts, onderbroken door het verkeersknooppunt Coenplein.
2.4
Functionele beschrijving
Functionele opzet Kadoelen-Oostzanerwerf, waar de Oostzanerdijk doorheen loopt, heeft lange tijd zijn agrarische karakter
11
Oostzanerdijk 76 weten te behouden. Door de verdichting langs enkele begaanbare wegen in het veenweidegebied met landarbeiderswoningen, winkels en kleine niet-agrarische bedrijven ontstonden langgerekte lintdorpen met hun gevarieerde bebouwing. Met de annexatie door Amsterdam is de verstedelijking op gang gekomen. Er zijn grootschalige nieuwbouwwijken verrezen zoals de Molenwijk en later Twiske Oost, Oostzanerdijk, Molenaarsweg en Twiske West. De ringweg vormt een strakke en massieve scheiding tussen het stedelijke gebied aan de zuidkant en het landelijk gebied aan de noordkant. De meeste bebouwing van de Oostzanerdijk bestaat uit vrijstaande of korte rijtjes dijkwoningen. Niet-woonfuncties zijn selchts incidenten. Verkeer Auto De Molenaarsweg, Stellingweg, Zuideinde, Adriaan Loosjesstraat, Stentorstraat en Kadoelenweg functioneren als buurtontsluiting. De Verlengde Stellingweg, Vorticellaweg en IJdoornlaan zijn grote wijkontsluitingen. De A10-Noord ligt ten noorden van het plangebied en verzorgt de bereikbaarheid op regionaal niveau. In de werkingsduur van het bestemmingsplan worden geen veranderingen in de wegeninfrastructuur verwacht. De bewoners van de Oostzanerdijk parkeren hoofdzakelijk op straat. Soms beschikt een woning op eigen terrein over een garagebox of carport. Openbaar vervoer Lokale en regionale bussen verzorgen de ov-bereikbaarheid van het plangebied.
De ov-haltes liggen op aanvaardbare loopafstand van woningen en overige voorzieningen. Langs de Appelweg, de Stellingweg en bij Molenwijk zijn bushaltes. Fiets Bevordering van fietsgebruik is een doelstelling die in een aantal beleidsnota's op verschillende overheidsniveaus naar voren komt. Vooral ritten met een afstand van gemiddeld 5 kilometer is het fietsgebruik gewenst. In het plangebied ligt een aantal routes die deel uitmaken van het hoofdnet fiets. Als uitgangspunt voor dit netwerk van fietsroutes worden genoemd: comfortabele, verkeersveilige en sociaal veilige routes, herkenbaarheid door middel van bewegwijzering, aanleg van vrijliggende fietspaden of fietsstroken. In de nabije omgeving van het plangebied zijn fietsroutes op stadsdeel-, stedelijk en regionaal niveau. Water en groen De water- en groenstructuur in de omgeving is voornamelijk langs de wegen en binnen de tuinstedelijke opzet van Molenwijk zijn grote openbare plantsoenen aanwezig. Direct ten zuiden van de Oostzanerdijk bevinden zich sportvelden. Binnen het plangebied, op het perceel, is de woning omgeven door tuin. Het perceel is door een sloot en een groene berm afgescheiden van de Stellingweg.
12
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
Op 15 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) vastgesteld. Met de NOVI wil het Rijk een langetermijnvisie geven op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Het betreft hier een nieuwe aanpak van vraagstukken in de fysieke leefomgeving, groot en veelzijdig en vaak met elkaar verweven. Het is een nationale visie die zelfbindend is voor het Rijk. De aanpak van de NOVI gaat uit van de nationale belangen die in de leefomgeving aan de orde zijn, inclusief de opgaven die daaruit zijn afgeleid. Waar op deze opgaven een geïntegreerde aanpak noodzakelijk is, geeft de NOVI richting. Op andere onderwerpen wordt naar sectoraal beleid verwezen. De NOVI is continu aanpasbaar. Waar de opgaven vragen om een geïntegreerde benadering, komen deze samen in vier prioriteiten. Op deze prioriteiten worden beleidskeuzes gemaakt. De vier prioriteiten zijn: I. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; II. Duurzaam economisch groeipotentieel; III. Sterke en gezonde steden en regio's; IV. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Om de beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het afwegen en prioriteren van de verschillende belangen en opgaven: Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; Afwentelen wordt voorkomen. De uitvoering van de NOVI vraagt om nieuwe manieren van samenwerken met blijvende brede maatschappelijke betrokkenheid en inzet van overheden. Hierbij worden vier uitgangspunten gehanteerd: 1. 2. 3. 4.
We werken als één overheid, samen met de samenleving; We stellen de opgave(n) centraal; We werken gebiedsgericht; We werken permanent en adaptief aan de opgaven.
Planspecifiek Door de verbouw en gebruikswijziging die in voorliggend bestemmingsplan mogelijk wordt gemaakt worden geen nationale belangen geraakt. Er is geen strijd met de Nationale Omgevingsvisie. 3.1.2 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) en Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Op 14 juni 2011 heeft het kabinet het ontwerp van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) aan de Tweede Kamer gestuurd met daarbij een ontwerp Algemene maatregel van bestuur (Amvb) Ruimte (het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening: Barro). De SVIR is inmiddels vervangen door de hiervoor beschreven Nationale Omgevingsvisie. In het Barro zijn bepalingen opgenomen ter bescherming van nationale belangen die in het SVIR werden beschreven, zoals de mainportontwikkeling van Rotterdam, bescherming van de waterveiligheid in het kustfundament en in en rond de grote rivieren, de uitoefening van defensietaken en bescherming en behoud van de Waddenzee en enkele werelderfgoederen, zoals de Beemster, de nieuwe Hollandse Waterlinie en de Stelling van Amsterdam. Het Barro is ook na vervanging van de SVIR door de NOVI nog in werking. Het perceel Oostzanerdijk 76 is een binnenstedelijke locatie waarbij de in het Barro aangegeven Rijksbelangen niet in het geding zijn.
13
Oostzanerdijk 76
3.1.3
Aanwijzing als rijksbeschermd stadsgezicht
Een gedeelte van Amsterdam Noord, waaronder de Waterlandse Zeedijk waar de Oostzanerdijk onderdeel van uitmaakt, is in 2014 aangewezen als rijksbeschermd stads- en dorpsgezicht. In hoofdstuk 9 Cultuurhistorie en archeologie van deze plantoelichting wordt daarop nader ingegaan.
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Omgevingsvisie NH2050
Op 19 november 2018 heeft Provinciale Staten van Noord-Holland de Omgevingsvisie NH 2050 vastgesteld. Hierin staat de visie op de fysieke leefomgeving beschreven. De provincie wil balans tussen economische groei en leefbaarheid. Dit betekent dat in heel Noord-Holland een basiskwaliteit van de leefomgeving wordt gegarandeerd. Er zijn randvoorwaarden geformuleerd hoe om te gaan met klimaatverandering. De provincie ontwikkelt zoveel mogelijk natuurinclusief en met behoud van (karakteristieke) landschappen, clustert ruimtelijke economische ontwikkelingen rond infrastructuur en houdt rekening met de ondergrond. In de visie wordt voor het stedelijk gebied uitgegaan van zoveel mogelijk binnenstedelijk realiseren en concentreren van wonen en werken. Om de groei van het verkeer in de metropool in goede banen te leiden moet worden geïnvesteerd in alle verkeersnetwerken, het regionaal OV, fietsnetwerk en auto, waarbij de grotere behoefte aan ruimte voor regionaal verkeer boven interregionaal en doorgaand verkeer wordt gefaciliteerd. Versterken van het landschap als onderdeel van het metropolitaan systeem. Bedrijvigheid in de metropool kan zich blijven ontwikkelen binnen de beschikbare milieuruimte, waarbij op een beperkt aantal plekken nieuwe woningbouw te maken kan krijgen met een grotere mate van geluidhinder, binnen de wettelijke grenzen.
De Oostzanerdijk 76 is in de omgevingsvisie aangewezen als "stedelijk gebied". Het bestemmingsplan gaat uit van behoud van de bestaande bebouwing en stedelijke voorzieningen. Dit past binnen de kaders van de omgevingsvisie. 3.2.2
Omgevingsverordening
Op 22 oktober 2020 is de nieuwe omgevingsverordening vastgesteld door Provinciale Staten van Noord-Holland. De Omgevingsverordening is op 17 november 2020 in werking getreden. In deze verordening is het perceel aangemerkt als werkingsgebied voor diverse regels (zie onderstaande afbeelding) maar geen van deze regels heeft invloed op de realisatie van de nieuwe woningen op het perceel.
14
Oostzanerdijk 76
Afbeelding: verbeelding Omgevingsverordening
Ontwerp-omgevingsverordening NH2022 Vanaf 10 mei tot en met 18 juni 2021 lag het ontwerp van de Omgevingsverordening NH2022 ter inzage. De Omgevingsverordening NH2022 is gekoppeld aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 2.6 van de Omgevingswet bepaalt, dat Provinciale Staten één omgevingsverordening vaststellen waarin de provinciale regels over de fysieke leefomgeving zijn opgenomen. Voor de omgevingsverordening geldt bij de invoering van de Omgevingswet geen overgangsrecht, zodat de omgevingsverordening gelijktijdig met de Omgevingswet in werking moet treden. Daarnaast zijn een aantal specifieke onderwerpen toegevoegd, te weten op het terrein van natuur en milieu en de Regionale Energie strategieën 1.0 (RES’en 1.0). De RES’en 1.0 zijn leidend voor wind op land. Ook is uitvoering gegeven aan moties en toezeggingen die voortkwamen uit de behandeling van de Omgevingsverordening NH2020 in Provinciale Staten. Er heeft geen heroverweging van de Omgevingsverordening NH2020 plaats gevonden tenzij hier een directe aanleiding of noodzaak toe was. Er is dus sprake van een beleidsarme omzetting naar de systematiek en terminologie van de Omgevingswet.
15
Oostzanerdijk 76
3.2.3
Erfgoedverordening Noord-Holland 2017
Provinciale Staten van Noord-Holland heeft op 6 november 2017 de Erfgoedverordening Noord-Holland 2017 vastgesteld. In verband met de intrekking van de Monumentenwet 1988 en de inwerkingtreding van de Erfgoedwet was het wenselijk een nieuwe erfgoedverordening vast te stellen. Op grond van de voorgaande Monumentenverordening is de Waterlandse Zeedijk, waarvan de Oostzanerdijk onderdeel uitmaakt, in 2002 vanwege de grote cultuurhistorische waarde aangewezen als provinciaal monument. In hoofdstuk 9 Cultuurhistorie en archeologie van deze plantoelichting wordt daarop nader ingegaan.
3.3
Regionaal beleid
3.3.1
Metropoolregio Amsterdam
De Metropoolregio Amsterdam is het informele samenwerkingsverband van lokale en provinciale overheden in de noordvleugel van de Randstad. Belangrijk kenmerk van de metropoolsamenwerking vormt het feit dat dit gebeurt op vrijwillige basis. De democratische legitimatie van besluiten vindt plaats in de Staten en Raden van de aangesloten gemeenten en provincies. Het versterken van de concurrentiepositie, nationaal en internationaal, vormt de rode draad binnen de metropoolsamenwerking. Om in de Europese top mee te kunnen blijven spelen, is de gezamenlijke ambitie gericht op het creëren van een hoogwaardig, veilig en duurzaam leef- en woonmilieu voor bedrijven, bewoners en bezoekers, nu en straks. Door in te zetten op compacte, hoogwaardige en bereikbare steden die omringd worden door recreatief groen moet het vestigingsklimaat aantrekkelijk blijven. Rond de beleidsvelden verkeer en vervoer, economie, verstedelijking, landschap en duurzaamheid zijn drie regionale bestuurlijke overlegorganen geformeerd. De samenwerking in metropoolverband levert de regio bovendien structureel meer kracht en zeggenschap op richting het Rijk. 3.3.2
Vervoerregio Amsterdam
De Vervoerregio Amsterdam (voorheen: Stadsregio Amsterdam) is een samenwerkingsverband van zestien gemeenten. De stadsregio werkt onder meer aan verbetering van de bereikbaarheid, de leefbaarheid en de economische ontwikkeling en heeft in dat kader een aantal beleidsnota's opgesteld. Voor de nu aan de orde zijnde ontwikkeling op Oostzanerdijk 76 hebben die geen relevantie.
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Omgevingsvisie Amsterdam 2050 Ruimte voor overmorgen
Op 8 juli 2021 is de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgesteld in de gemeenteraad. Deze vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040 en is een wettelijk verplicht instrument van de nieuwe Omgevingswet. Hierop zijn twee uitzonderingen: de Hoofdgroenstructuur en het hoogbouwbeleid, die integraal opgenomen waren in de structuurvisie. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. De visie is gebaseerd op 5 strategische keuzes. 1. Meerkernige ontwikkeling: Amsterdam is uit balans met één centrum waar alles op gericht is. Een van de hoofddoelen van de visie is een stad en regio te worden met meer stedelijke kernen. Deze ingreep in de structuur van de stad is mogelijk door bedrijventerreinen te ontwikkelen tot bruisende stadsbuurten. 2. Groeien binnen grenzen: Amsterdam streeft naar minimaal 150.000 woningen erbij voor 250.000 nieuwe inwoners in 2050, plus 200.000 nieuwe arbeidsplaatsen. Deze groei mag de groei alleen plaatsvinden binnen de huidige stadsgrenzen. Op die manier wordt de kwaliteit van bestaande buurten versterkt, kunnen overal woningen en bedrijfsgebouwen worden verduurzaamd en blijven de kwetsbare landschappen open. Dit kan door bedrijventerreinen om te bouwen tot gebieden waar zowel gewoond als gewerkt wordt. Daarnaast is er ruimte voor groei in de naoorlogse wijken van Nieuw-West, Zuidoost en Noord, waar op een slimme manier verdicht kan worden.
Een goede woonkwaliteit, met leefbare straten en pleinen en veel plek voor ontmoeting, staat hierbij voorop. Hoogbouw (gebouwen hoger dan 70 meter) concentreert zich rond grotere stations als Bijlmer 16
Oostzanerdijk 76 ArenA, Amstel, Zuid en Sloterdijk en langs het IJ. De stad wordt ingericht op hergebruik van materialen en grondstoffen en op een andere, meer zelfvoorzienende energieopwekking zoals stadsverwarming en zonne- en windenergie. 3. Duurzaam en gezond bewegen: om ruimte te houden voor groen, spelen en verblijven en voor de fietser en voetganger, moet de auto een stap terug doen. Door verdichting wordt draagvlak gecreëerd voor ov in de hele stad en komen voorzieningen op loop- en fietsafstand. Buurten worden verbonden door een netwerk van veilige fietsroutes en openbaar vervoer. 4. Rigoureus vergroening: Verdichting wordt gecombineerd met vergroening van de stad. Daarbij is meer en vooral beter groen het doel, door minder verharding en meer groen aan en op gebouwen. Een ander belangrijk doel is tegengaan van hittestress en vergroten van het waterbergend vermogen van de stad. 5. Samen stadmaken: De omgevingsvisie combineert ruimtelijke inrichting met doelen op groen, wonen, werken, duurzaamheid, leefomgeving. Het stadsbestuur gaat sturen op hoofdlijnen. De principiële keuze daarbij is dat de regels zo worden dat naast de klassieke partijen als ontwikkelaars en woningcorporaties, Amsterdammers ook zelf aan de slag kunnen. De projectlocatie is aangewezen als 'luw gebied', zoals hieronder op een uitsnede van de Visiekaart Amsterdam 2050 is getoond.
Met de rode stip is het plagebied van dit postzegelbestemmingsplan weergegeven.
Afbeelding: uitsnede Visiekaart
Ten aanzien van luwe gebieden wordt in de Omgevingsvisie ingegaan op gerichte verdichting in de naoorlogse gebieden (Nieuw-West, Zuidoost, Buitenveldert en naoorlogs Noord) behoud van bestaande luwe en groene kwaliteiten in andere buurten. Over Noord is aangegeven dat het een overwegend luw en groen stadsdeel is, dat bestaat uit buurten en tuindorpen met een heel eigen karakter. De dijken, polders en het Noordhollandsch Kanaal geven Noord ook een uitgesproken landschappelijke kwaliteit. Historische landschappelijke structuren en elementen zoals waterwegen, dijken en archeologische resten in de bodem zijn waardevol. Erfgoed versterkt het imago van Amsterdam in de wereld en is daarmee een belangrijke meerwaarde voor de aantrekkelijkheid van de stad. Bovendien is het een bron van inspiratie. Amsterdam heeft een stedenbouwkundige traditie die gebruikmaakt van de historische ondergrond. De bestaande opbouw van de stad, met herkenbare groeiringen en een stevige basisstructuur van straten, lanen, water en groen, is uitgangspunt voor verdere ontwikkeling. Dit
17
Oostzanerdijk 76 zorgvuldig voortbouwen op wat er is maakt Amsterdam tot een leefbare stad. De lange lijnen van de geschiedenis zijn op verschillende schaalniveaus in de stad terug te vinden. Elke buurt, elk gebouw en elke plek, onder en boven het maaiveld, maakt deel uit van dat grotere geheel. Veel gebouwen en buurten hebben daarom een beschermde status via de Erfgoedwet of de gemeentelijke erfgoedverordening. Waar het om bovengrondse waarden gaat, zijn er belangrijke raakvlakken met het beleid voor ruimtelijke kwaliteit, onder meer vanwege de waarderingskaarten die onderdeel zijn van het welstandsbeleid. Kern van dit beleid is behoud en gebruik van erfgoedwaarden. Voorts is uitgangspunt dat erfgoed vroeg wordt betrokken bij ruimtelijke ontwikkelingen, zodat erfgoed in alle afwegingen wordt meegenomen. 3.4.2
Woonagenda 2025
De door de gemeenteraad op 19 juli 2017 vastgestelde Woonagenda 2025 heeft als uitgangspunt voor de langere termijn: voldoende, betaalbare en goede woningen in 2025. Hiertoe zijn 25 acties geformuleerd. Met de woonagenda wordt in kaart gebracht waar de huidige woningmarkt te kort schiet, wat er nu reeds aan gedaan wordt en welke aanvullende acties nodig zijn. Kern van het nieuwe Amsterdamse woonbeleid is dat het college wil blijven investeren in een stad waar voldoende woningen zijn voor alle Amsterdammers, de woningen duurzaam en van goede kwaliteit zijn en betaalbaar voor de Amsterdammers die erin wonen of gaan wonen. Het voorliggende initiatief is in lijn met deze uitgangspunten. 3.4.3
Nota Parkeernormen Auto (2017)
Op 7 juni 2017 is de Nota Parkeernormen Auto vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. In de nota zijn voor nieuwe ontwikkelingen parkeernormen opgenomen. Daarbij is Amsterdam opgedeeld in A, B en C gebieden, waarbij een A-locatie goed per openbaar vervoer bereikbaar is en een C gebied vooral goed met de auto bereikbaar is. Het gebied waarin Oostzanerdijk 76 is gelegen is op grond van het beleid een B-locatie. Voor nieuwe vrije sector woningen geldt daarbij een parkeernorm van 0,1 tot 1 parkeerplaats per woning op eigen terrein, afhankelijk van de grootte van de woning. Bij kleine projecten voor vrije sectorwoningen op B-locaties waarbij de minimumnorm op 4 parkeerplaatsen of lager uitkomt geldt een standaard vrijstelling van de parkeernorm (beleidsregel 5). Op het perceel Oostzanerdijk 76 wordt een bestaande woning vervangen door twee nieuwe, zodat de minimumnorm op minder dan 4 parkeerplaatsen uitkomt en daarom de standaard vrijstelling van de parkeernorm van toepassing is. Nieuwbouw wordt uitgesloten van parkeervergunningverlening, maar niet als er een vrijstelling van de parkeernorm op eigen terrein geldt zoals in dit geval. Het is bovendien niet mogelijk op eigen terrein te parkeren, door de ruimtelijke/fysieke beperkingen als gevolg van de lintbebouwing en de dijk.
Al met al zal dit bouwplan bij een eventuele invoering van een parkeerregime niet worden uitgesloten van parkeervergunningverlening. 3.4.4
Nota Parkeernormen Fiets en Scooter (2018)
De gemeenteraad heeft op 14 maart 2018 de "Nota Parkeernormen Fiets en Scooter" vastgesteld. De nota ’Parkeernormen Fiets en Scooter’ is het beleidskader op basis waarvan de gemeente bij ruimtelijke (her-)ontwikkelingen eisen stelt aan de parkeervoorzieningen bij niet-woonfuncties. Op het perceel Oostzanerdijk 76 wordt een bestaande woning vervangen door twee nieuwe, het betreft geen niet-woonfuncties. Het normale regime van het Bouwbesluit is daarom van toepassing. Omdat het fietsparkeren bij woningen in het Bouwbesluit 2012 geregeld is, kan de gemeente geen afwijkende of extra normen opleggen. Om bij nieuwbouw en herontwikkeling voldoende parkeerruimte voor scooters te realiseren zijn ook voor de scooter parkeernormen opgesteld: 0,13 plek per woning. De norm voor scooters is in tegenstelling tot die van fietsparkeren niet bindend. Deze norm wordt meegegeven aan initiatiefnemers als advies in de vorm van richtlijnen.
18
Oostzanerdijk 76
3.4.5 Agenda Groen, Uitvoeringsagenda mobiliteit, Agenda Duurzaamheid en Visie Openbare ruimte Deze beleidsnota's zijn in 2015 vastgesteld en verwoorden gezamenlijk het antwoord hoe vanuit de kwaliteit van de openbare ruimte en duurzaamheid de gemeente toekomstbestendig wil reageren op de groei van Amsterdam. De gemeente wil de stad aantrekkelijker maken door vergroening en tegelijk moet de stad bereikbaar blijven met een aantrekkelijke openbare ruimte om te verblijven, waarbij duurzaamheid hoog op de agenda staat. De visie Openbare Ruimte is door de gemeenteraad van Amsterdam vastgesteld op 8 juni 2017. In de nota zijn uitgangspunten geformuleerd voor het inrichten en verbeteren van de openbare ruimte in de stad. Het voorliggende bestemmingsplan heeft geen betrekking op openbare ruimte. 3.4.6
Erfgoedagenda
Amsterdam is permanent in verandering en ontwikkeling. Erfgoed is een bron van inspiratie en een drijvende kracht bij die ontwikkeling: monumentale gebouwen en archeologische vindplaatsen, maar ook tradities en verhalen bepalen de identiteit en de kwaliteit van de bestaande stad. Omgekeerd dankt erfgoed haar voortbestaan aan verandering en groei. Actuele ontwikkelingen in de economie en het verkeer, in het wonen, de culturele sector, het onderwijs en het sociale domein zijn bepalend voor de toekomst van zowel het materiële als het immateriële erfgoed. Nieuwkomers en zittende bewoners, jonge starters en gevestigde (internationale) bedrijven zoeken steeds opnieuw passende ruimte in de stad. En zorgen voor een vitale mix van wonen, werken en recreëren in de bijzondere buurten en monumentale gebouwcomplexen van Amsterdam. In de Erfgoedagenda worden de hoofdlijnen, aandachtspunten en acties voor de komende jaren uiteengezet. Rode draad is het optimaal inzetten van erfgoed bij de transformatie en groei van de stad. Het perceel maakt deel uit van het beschermd stadsgezicht en daarnaast is in het kader van het voorliggende bestemmingsplan een archeologisch bureau onderzoek uitgevoerd. Op basis van de aanwijzing en het onderzoek is in het bestemmingsplan een beschermde regeling opgenomen voor het in het plangebied aanwezige erfgoed.
Zie in dit verband 9 Cultuurhistorie en archeologie van deze plantoelichting.
19
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 4 4.1
Het ruimtelijk kader
Ruimtelijk-functionele aspecten
Het bestemmingsplan betreft de vervanging van één woning door twee nieuwe. Daarmee wordt voortgeborduurd op de bestaande functionele hoofdstructuur van de buurt, die bestaat uit een woonlint.
4.2
Stedenbouwkundige aspecten
Waterlandse Zeedijk De Waterlandse Zeedijk valt alleen binnen het beschermde gezicht voor zover gelegen binnen de dijkdorpen Schellingwoude, Nieuwendam, Buiksloot en de lintbebouwing aan de Oostzanerdijk. Het dijktracé tussen Oostzanerdijk en Buiksloot is grotendeels onbebouwd gebleven. Met name ter hoogte van Kadoelen, ten noorden van de Landsmeerderdijk, heeft de dijk nog een oorspronkelijk, landschappelijk karakter. Dit dijktracé kent een beperkte bebouwing in het dijktalud en bij het gemaal aan de Kadoelerbreek. Dit dijkgedeelte is vanwege de bijzondere ligging en de verbindende relatie met de tuindorpen, expliciet meegenomen binnen de begrenzing van het beschermde gezicht. Het tracé van de dijk is in de loop van de tijd op enkele plaatsen onderbroken door 20e-eeuwse ruimtelijke ingrepen. De Waterlandse Zeedijk is in zijn geheel door de Provincie Noord-Holland op de provinciale monumentenlijst geplaatst. Oostzanerdijk Stedenbouwkundig De structuur van de Oostzanerdijk wordt bepaald door lintbebouwing van dijkwoningen langs een licht verspringende rooilijn, aan beide zijden van de dijk. In het westelijke deel is er ook enige bebouwing aan de voet van de dijk, zodat de bebouwing van Tuindorp Oostzaan en de lintbebouwing hier in elkaar grijpen. Rond Zijkanaal I zijn aan de zuidkant wat rommelige restanten van verdwenen scheepswerven aanwezig.
Hier is nu een verscheidenheid aan bedrijfjes neergestreken. Tussen de woningen is regelmatig enige ruimte, waardoor zicht is op het lager gelegen binnendijkse land, wat het dijkkarakter versterkt. Een directe verbinding met het benedendijkse land is er alleen ter hoogte van de Kometensingel/Reizigersweg. Het knooppunt rond Zuideinde en Oostzanerdijk is door ingrepen ten behoeve van de Molenwijk (1968-1969) in schaal en karakter aangetast. Bebouwing De meeste bebouwing van de Oostzanerdijk dateert van eind 19e of begin 20e eeuw en bestaat uit vrijstaande of korte rijtjes dijkwoningen. Aan de dijk bestaan ze vrijwel zonder uitzondering uit een bouwlaag met een kap met aan de voet van de dijk de karakteristieke benedenverdieping. Enkele 20e-eeuwse panden zijn twee bouwlagen hoog en van een plat dak voorzien. De panden zijn zowel van hout als van steen of met alleen een versteende voorgevel. De opzet van de voorgevels is afwisselend symmetrisch, of asymmetrisch met de voordeur aan de zijkant. De panden met de nok evenwijdig aan de dijk, zijn vaak voorzien van een kroonlijst, die de gevel beëindigt. De meest voorkomende kleurstellingen van het houtwerk zijn grijs-, blauw- en groentinten met contrasterende witte kozijnen en ander sierwerk. De nokrichting van de met pannen gedekte kappen is afwisselend evenwijdig of haaks op de straat.
De naoorlogse bebouwing is aangepast qua maat, schaal en materiaalgebruik. Er is sprake van een gevarieerd bebouwingsbeeld. De panden zijn over het algemeen eenvoudig. Wel is er in de loop van de tijd door renovatie en verbouwingen een verdere versobering opgetreden. Tot slot staan er aan de buitendijkse zijde langs de dijk enkele grootschaliger bedrijfspanden (hallen en loodsen). Profiel en openbare ruimte De Oostzanerdijk heeft een eenvoudige indeling van een rijweg met aan weerszijden daarvan een smalle stoep. Voortuinen komen hier vrijwel niet voor en evenmin is er veel openbaar groen, waardoor de Oostzanerdijk het meest versteende karakter van alle bebouwingslinten in Noord heeft. Inpassing van het bouwplan De nieuwbouw sluit aan op de directe omgeving. Het past binnen het gevarieerde bebouwingsbeeld. De
20
Oostzanerdijk 76 nieuwbouw voegst zich naar de structuur van de lintbebouwing en staat in de rooilijn van de ter weerszijde bestande bebouwing. Tussen de bestaande bebouwing en de nieuwbouw wordt enige ruimte behouden waardoor zicht blijft op het lager gelegen binnendijkse land. De bouwhoogte is overeenkomstig die van de bestaande bebouwing langs de dijk, doordat wordt gebouwd in één bouwlaag met een kap, met aan de voet van de dijk de karakteristieke benedenverdieping. De nok is evenwijdig aan de dijk.
21
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 5 5.1
M ER / M ER(beoordelings)plicht
MER beoordelingsplicht
Op 7 juli 2017 is een wetswijziging van het Besluit milieueffectrapportage in werking getreden. Eén van de belangrijkste gevolgen van deze wetswijziging is dat vanaf 16 mei 2017 een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Dit is een extra stap in de procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het nut van deze notitie is dat al in een vroeg stadium beoordeeld wordt of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. De beslissing van het bevoegd gezag of een milieueffectrapportage moet worden opgesteld, vindt plaats op basis van deze notitie en vindt in een zo'n vroeg mogelijk stadium van besluitvorming plaats. In dit kader vindt ingevolge de gewijzigde wet- en regelgeving het besluit of een milieueffectrapportage moet worden vastgesteld plaats. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: 1. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; 2. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor m.e.r. De diepgang van de vormvrije m.e.r.-beoordeling hangt af van: a. de aard van de voorgenomen activiteit; b. de (gevoeligheid van de) omgeving waarin de activiteit is gesitueerd; c. de maatschappelijke aandacht voor de activiteit; d.
de mate van beschikbaarheid van informatie, bijvoorbeeld over de gevoeligheid van gebieden.
5.2
Vormvrije MER-beoordeling
Het bestemmingsplan is gericht op de vervanging van één woning door twee nieuwe. Dit is geen stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in het Besluit m.e.r. en leidt niet tot significante nieuwe emissies of nieuwe verkeersaantrekkende werking. Het bestemmingsplan is getoetst op eventuele effecten op alle relevante milieueffecten. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden niet verwacht. Het bestemmingsplan is daarom geen project waarvoor een (vormvrije) m.e.r.-beoordeling nodig is.
22
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 6 6.1
Geluid
Verkeerslawaai
Op grond van de Wet geluidhinder is akoestisch onderzoek verplicht voor nieuwe geluidgevoelige bestemmingen die worden gerealiseerd binnen de geluidzone van wegen die op grond van artikel 74 van de Wet geluidhinder zijn gezoneerd. Dit betreft wegen waar een maximum snelheid van meer dan 30 kilometer per uur geldt. Straten waar een maximum snelheid van 30 kilometer per uur of minder geldt zijn niet gezoneerd. De geluidbelasting ten gevolge van een zoneplichtige weg mag ter plaatse van de gevel van een woonfunctie of andere geluidgevoelige bestemmingen conform artikel 82 van de Wgh ten hoogste 48 dB bedragen (voorkeursgrenswaarde). Indien de geluidbelasting ten gevolge van één van de wegen afzonderlijk hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, kan er een hogere grenswaarde aangevraagd worden per weg. Het bestemmingsplan maakt een nieuwe geluidgevoelige bestemming mogelijk, doordat twee nieuwe woningen worden gerealiseerd.
6.2
Industrielawaai
Ten zuidwesten van het plangebied ligt de geluidscontour van het industrieterrein Westpoort. Met de vaststelling van het inpassingsplan "Aanpassen geluidzone Westpoort en Hoogtij" (2015) van de provincie is de geluidscontour verkleind. Hierdoor ligt het plangebied buiten de geluidscontour van het gezoneerde industrieterrein. Akoestisch onderzoek vanwege industrielawaai is daarmee niet nodig voor dit bestemmingsplan.
6.3
Spoorweglawaai
Het plangebied ligt volledig buiten de geluidcontour van spoorwegen. Akoestisch onderzoek vanwege spoorweglawaai is voor dit bestemmingsplan niet nodig.
6.4
Onderzoek
In opdracht van de initiatiefnemer is door Cauberg Huygen B.V. een akoestisch onderzoek uitgevoerd met betrekking tot de bouw van twee nieuwe woningen (twee-onder-een-kap) aan de Oostzanerdijk 76 in Amsterdam. Zie daarvoor Bijlage 2 Onderzoek omgevingsgeluid (Cauberg Huygen, 17 maart 2021). De nieuwe woningen bevinden zich binnen de geluidszones langs de Appelweg en de Stellingweg. Om die reden zijn de geluidbelastingen ter plaatse van de geluidgevoelige functies berekend en beoordeeld. Onderzocht is of wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde, vervolgens of hogere grenswaarden krachtens de Wet geluidhinder kunnen worden aangevraagd en waar zo nodig maatregelen moeten worden toegepast. Het project is niet gelegen binnen een zone langs een spoorweg of rond een industrieterrein. Voor de berekeningen is gebruik gemaakt van Standaardrekenmethode 2 uit bijlage III van het Reken- en meetvoorschrift geluid 2012. De geluidbelastingen zijn getoetst aan de Wet geluidhinder (meest recente wetsversie 1 mei 2017). Uit de berekeningen blijkt de volgende: De geluidbelasting Lden vanwege de Appelweg bedraagt ten hoogste 49 dB na aftrek van 5 dB. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt deels overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt nergens overschreden. De geluidbelasting Lden vanwege de Stellingweg bedraagt ten hoogste 52 dB na aftrek van 5 dB.
De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt deels overschreden. De maximale ontheffingswaarde van 63 dB wordt nergens overschreden. De geluidbelasting Lden vanwege de Oostzanerdijk bedraagt ten hoogste 48 dB na aftrek van 5 dB. De nachtelijke geluidbelasting Lnight bedraagt ten hoogste 38 dB na aftrek van 5 dB. Deze geluidbelastingen voldoen aan de in het gemeentelijk geluidbeleid gestelde grenswaarden (Lden 48 dB en Lnight 40 dB). De geluidbelastingen zijn aanvaardbaar.
23
Oostzanerdijk 76 De gecumuleerde geluidbelasting LVL,cum bedraagt ten hoogste 53 dB en voldoet overal aan de in het geluidbeleid gestelde grenswaarde van LVL,cum = 66 dB. Beide woningen beschikken over tenminste één geluidsluwe gevel. Gebleken is dat verschillende geluidreducerende maatregelen bezwaren met zich meebrengen. Om die reden wordt geadviseerd om voor de gevels, waar niet de maximale ontheffingswaarde wordt overschreden, hogere waarden aan te vragen voor de geluidbelasting ten gevolge van wegverkeerslawaai van de Appelweg 49 dB na aftrek en Stellingweg 52 dB na aftrek.
6.5
Vast te stellen hogere waarden
Op grond van het uitgevoerde akoestische onderzoek dienen, ten behoeve van het bestemmingsplan, de volgende hogere waarden te worden vastgesteld: 49 dB vanwege de Appelweg; 52 dB vanwege de Stellingweg. Het hogere waardenbesluit is opgenomen in Bijlage 3 Besluit hogere waarden Wet geluidhinder Oostzanerdijk 76.
6.6
Advies TAVGA
Het plan en het akoestisch onderzoek is op 18 februari 2021 besproken in het TAVGA. De conclusie en het advies van het TAVGA luidt: a. Het plan moet voldoen aan het Amsterdamse geluidbeleid; b. De dijkweg dient In het kader van een goede ruimtelijke ordening nader beschouwd te worden in het akoestisch rapport; er is sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat als de geluidsbelasting onder de 48 dB Lden blijft. Wanneer de geluidbelasting boven de 48 dB Lden stijgt, zullen alsnog maatregelen getroffen moeten worden om de stille zijde te bereiken overeenkomstig het Amsterdamse geluidbeleid zodat een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt bereikt; c. Het gecorrigeerde rapport toezenden aan het secretariaat van TAVGA d. Met inachtneming van het bovenstaande, is TAVGA akkoord. Naar aanleiding van het advies is het onderzoeksrapport aangevuld met een nadere beschouwing van de dijkweg. Paragraaf 6.4 van deze toelichting is daarop ook aangevuld.
24
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 7 7.1
Luchtkwaliteit
Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen)
Voor luchtkwaliteit is titel 5.2 van de Wet milieubeheer (luchtkwaliteitseisen) het kader. Daarin is bepaald dat bij het vaststellen van een bestemmingsplan moet worden voldaan aan grenswaarden voor onder andere stikstofdioxide en fijnstof. In het "Besluit niet in betekenende mate bijdragen" is bepaald dat indien een project kan worden beschouwd als "niet in betekenende mate" er geen toetsing aan de grenswaarden hoeft plaats te vinden. Deze grens is in het Besluit gesteld op 3%, wat betekent dat de concentratie stikstofdioxide of fijnstof met maximaal 3% mag toenemen als gevolg van de nieuwe ontwikkelingen die een bestemmingsplan toestaat. Als het meer is dan 3%, moet worden getoetst aan de grenswaarden. In de "Regeling niet in betekenende mate bijdragen" is voor een aantal specifieke projecten een berekening gemaakt bij welk bouwprogramma er nog sprake is van "niet in betekenende mate". Dit is als het project betrekking heeft op maximaal 1.500 woningen of 100.000 m² kantoren (bij één ontsluitingsweg) of een combinatie van beiden. Voor de laatste categorie projecten is in de regeling een verdeelsleutel woningen-kantoren opgenomen. Het bestemmingsplan maakt twee nieuwe woningen ter vervanging van één bestaande. Het betreft geen ontwikkeling die kan leiden tot een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen.
De grenswaarden uit de Wet milieubeheer zullen als gevolg van het vaststellen van dit bestemmingsplan niet worden overschreden.
7.2
Besluit gevoelige bestemmingen
Sinds 15 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen van kracht. Op grond van het Besluit is het niet toegestaan om kwetsbare functies (zoals scholen, ziekenhuizen en verzorgingshuizen) te realiseren op minder dan 300 meter van een Rijksweg en op minder dan 50 meter van een provinciale weg, als ter plaatse de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof worden overschreden. Het nu voorliggende bestemmingsplan gaat niet uit van de bouw van nieuwe in het besluit genoemde gevoelige functies, zodat wordt voldaan aan de bepalingen uit het Besluit gevoelige bestemmingen.
7.3
Beleid gemeente Amsterdam
Ten aanzien van gevoelige functies heeft de gemeenteraad van Amsterdam op 17 december 2009 een richtlijn vastgesteld. Daarbij is het uitgangspunt dat binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd. Dit is een aanvulling op het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteitseisen en geldt los van de vraag of sprake is van een (dreigende) overschrijding. Een tweede uitgangspunt is dat bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigenbewegingen per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk langs stedelijke wegen, zodat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het beleid.
25
Oostzanerdijk 76
Hoofdstuk 8
Bodem
Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Dat moet zijn uitgevoerd door een persoon of een instelling die daartoe is erkend op grond van het Besluit bodemkwaliteit. Binnen Amsterdam moet het onderzoek voldoen aan de Amsterdamse Richtlijn voor Verkennend Onderzoek (ARVO). Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. In opdracht van de initiatiefnemer is door het bodemkwaliteitsbureau Grondslag een verkennend bodemen asbestonderzoek uitgevoerd met betrekking tot het project. Zie daarvoor Bijlage 4 Verkennend bodem- en asbestonderzoek (Grondslag, 28 januari 2021).
Op basis van de beschikbare (historische) gegevens wordt verwacht dat er een diffuse bodemverontreiniging met immobiele stoffen op de locatie aanwezig is. Deze verontreiniging kan met standaard saneringsmaatregelen worden aangepakt die vallen binnen de Regeling en het Besluit Uniforme Saneringen. Dit kan door deels isoleren van de verontreiniging door de vloer van het te realiseren bouwwerk of deels door gedeeltelijk afgraven en aanbrengen leeflaagconstructie. De sanering moet zodanig worden uitgevoerd dat risico's worden weggenomen voor het toekomstige gebruik.
Afbeelding: bodemkwaliteitskaart (bron: maps.amsterdam.nl)
Conform de Bodemkwaliteitskaart (BKK) behoort de grond onder Oostzanerdijk 76 tot "Zone 3". Uit bodemonderzoek moet blijken dat de grond geschikt is voor de beoogde functie (wonen). Het bodemonderzoek zal bij de aanvraag van een omgevingsvergunning moeten worden overlegd. De Bouwverordening waarborgt de uitvoering van dat bodemonderzoek op dat moment. Chemische kwaliteit De gestelde hypothese, dat het grondwater aan de oostzijde van het perceel verontreinigd is met minerale olie, is niet bevestigd. Er is geen verhoging aan minerale olie aangetoond in het grondwater. De gestelde hypothese, dat ter plaatse van de onderzoekslocatie verhogingen aan metalen en/of PAK worden verwacht als gevolg van verhoogde achtergrond concentraties, is bevestigd. In de grond zijn
26
Oostzanerdijk 76 matige tot sterke verhogingen aan barium, lood, zink, nikkel en PAK aangetoond. Daarnaast zijn diverse lichte verhogingen aangetoond. Het grondwater is hooguit licht verontreinigd. Er is geen aanleiding tot het uitvoeren van een nader onderzoek. Op de locatie is sprake van een ‘geval van ernstige bodemverontreiniging’. De locatie is verontreinigd met zware metalen en PAK, waarbij lood het meest kritisch is. De verontreiniging is te relateren aan de ophoging van de locatie in het verleden. De verontreiniging is ontstaan voor 1987, waardoor er geen sprake is van een ‘nieuw geval van bodemverontreiniging’. In verband met de aangetoonde gehalten aan lood dient de verontreiniging als spoedeisend te worden beschouwd. De matige tot sterke verontreiniging bevindt zich in het bodemtraject van 0-1,5 m-mv. Het gemeten chloridegehalte in de grond van 0,0-1,0 m-mv is <150 mg/kg ds. In de diepere ondergrond bedraagt het gehalte maximaal 942 mg/kg ds. De gehalten aan PFAS in de bovengrond voldoen aan de klasse Niet ingedeeld-PFOS/ PFOAToepasbaar. De gehalten aan PFAS in de grond >1,0 m-mv voldoen aan de klasse Niet ingedeeld - PFOS/PFOA-Vrij toepasbaar. Asbestonderzoek De gestelde hypothese dat de bovengrond verdacht is op het voorkomen van asbest, is niet bevestigd. In de bovengrond is zowel visueel als analytisch geen asbest aangetroffen.