Raadsbesluit 2022-053F bijlage Nota van beantwoording zienswijzen bp Hamerkwartier
Tekst van het document
Hiertoe dient voor gebouwen met een hoogte van meer dan 20 meter door aanvrager een windonderzoek te worden overlegd waarin inzicht wordt geboden in de mogelijke gevolgen van windhinder op de gebouwen (gevels, daktuinen) en in de omgeving van het gebouw (inclusief eventueel aangrenzende pocketpark) en de wijze waarop in de eventueel daaruit voortvloeiende te nemen maatregelen en/of aan te leggen voorzieningen zal worden voorzien; 2. de borging van een goed woon- en leefklimaat door voldoende bezonning van het gebouw en vanwege het gebouw. Hiertoe dient voor gebouwen met een hoogte van meer dan 20 meter door aanvrager een bezonningsonderzoek te worden overlegd waarin inzicht wordt geboden in de bezonning op de gebouwen (gevels, daktuinen) en in de omgeving van het gebouw en de wijze waarop in de eventueel daaruit voortvloeiende te nemen maatregelen en/of aan te leggen voorzieningen zal worden voorzien;
97
3. de borging van een goede landschappelijke inpassing van gebouwen in de omgeving. Hiertoe dient voor gebouwen met een hoogte van meer dan 30 meter door aanvrager een studie naar de landschappelijke inpassing te worden overlegd waarin inzicht wordt geboden in de effecten van de zichtbaarheid van de bebouwing vanuit de relevante gezichtspunten zoals ook in de Hoogbouweffectrapportage (HER) bij het Investeringsbesluit Hamerkwartier aangegeven. 4. een goede borging van de waterhuishoudkundige aspecten, waarbij wordt voldaan aan de gemeentelijke grondwaternormen. Indien een ondergrondse parkeerkelder groter dan 300 m2 of dieper dan 4 m wordt aangelegd dient vooraf een geohydrologisch onderzoek te worden verricht waarin inzicht wordt geboden in de effecten op de ontwatering en de eventueel daaruit voortvloeiende maatregelen die genomen moeten worden om de effecten te mitigeren. 3.6
Afwijken van de bouwregels
Het bevoegd gezag is bevoegd om omgevingsvergunning te verlenen voor; a. het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 onder j voor het toestaan van een geluidsluwe gevel met een geluidsniveau van 3dB(A) hoger dan de voorkeursgrenswaarde, indien: 1. met akoestisch onderzoek is aangetoond dat het voldoen aan de voorkeursgrenswaarde, ondanks technische maatregelen, niet doelmatig is, dan wel onwenselijk om stedebouwkundige en architectonische redenen; 2. slaapkamers worden gesitueerd aan de meest geluidsluwe kant van de woning; 3. extra geluidisolerende maatregelen worden getroffen. b. het afwijken van de maximale m 2 bvo per bouwlaag zoals bedoeld in artikel 3.2.2 onder b en c voor de schil van het gebouw, ten behoeve van privé-buitenruimte, balkons en zonnepanelen, mits geen sprake is van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. c. het toelaten van gevelbebouwing achter de voorgeschreven rooilijn zoals bedoeld in artikel 3.2.2. onder i, mits geen sprake is van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. d. het toelaten van constructies voor delen van de bedrijfsvloer in afwijking van het bepaalde in artikel 3.2.2. onder e sub 2 en 3, indien dit om technische overwegingen noodzakelijk is, en het flexibele gebruik van de bedrijfsruimten, het realiseren en gebruik van groene daken niet onevenredig schaadt. e.
het afwijken van het bepaalde in lid 3.2.2 onder k, indien is aangetoond dat als gevolg van gewijzigde omstandigheden wordt voldaan aan maximaal toelaatbare geluidsnormen zoals deze zijn vastgesteld bij het ten behoeve van dit bestemmingsplan op grond van de Wet geluidhinder vastgestelde besluit hogere waarden industrielawaai of de voorkeursgrenswaarden van de Wet geluidhinder.
3.8
Afwijken van de gebruiksregels
a. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning van het bepaalde in 3.3 onder j afwijken ten einde een woonruimte om te zetten naar een of meer onzelfstandige woonruimten. De omgevingsvergunning wordt verleend indien de daarvoor benodigde vergunning op grond van de Huisvestingswet en/of –verordening is verleend. b. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 3.3, onder k. De omgevingsvergunning wordt verleend indien de daarvoor benodigde vergunning op grond van de Huisvestingswet en/of –verordening is verleend. c. De onder a of b bedoelde omgevingsvergunning dient als ingetrokken te worden beschouwd indien en zodra de onder a respectievelijk b bedoelde vergunning op grond van de Huisvestingswet en/of –verordening is komen te vervallen. d. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning van het bepaalde in 3.1.1. onder d tot en met i afwijken en de functies op hogere bouwlagen toestaan. e. Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning van het bepaalde in 3.2.2. onder d afwijken en een lagere verdiepingshoogte toestaan mits geen sprake is van overwegende bezwaren van stedenbouwkundige aard. f.
Burgemeester en wethouders kunnen bij omgevingsvergunning in geringe mate afwijken van de begrenzing van de aanduidingen 'maatschappelijk' als bedoeld in artikel 3.1 onder b en 'specifieke vorm van gemengd-1' als bedoeld in artikel 3.3 onder i, indien dit noodzakelijk is voor een goede inpassing van de functies en er geen bezwaren zijn van stedenbouwkundige aard. De minimale omvang van de aanduiding 'specifieke vorm van gemengd-1' en de minimale omvang van de aanduiding "specifieke vorm van gemengd-2' dient daarbij gehandhaafd te blijven. 98
Artikel 4 4.1
Verkeer
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. b. c. d.
verkeersareaal voor langzaam verkeer; verkeersvoorzieningen; waterhuishoudkundige voorzieningen; ter plaatse van de aanduiding 'groen', hoofdzakelijk voor een pocketpark met groen- en speelvoorzieningen al dan niet behorende bij nabij gelegen maatschappelijke voorzieningen; e. ter plaatse van de aanduiding 'gemaal', voor het bestaande gemaal; alsmede voor bijbehorende: f. groenvoorzieningen; g. speelvoorzieningen; h. parkeervoorzieningen; i. in- en uitritten; j. laad- en losvoorzieningen; k. waterberging; l. geluidswerende voorzieningen; m. nutsvoorzieningen; n. water en waterhuishoudkundige voorzieningen; o. voorwerpen van beeldende kunst of kunstuitingen en gedenktekens; p. voorzieningen ten behoeve van energie opwekking en energie opslag; q. voorzieningen ten behoeve van electrisch vervoer; r. uitsluitend ondergrondse afvalinzamelingssystemen; s. overige voorzieningen ten behoeve van deze functie.
Artikel 5 5.1
Waarde - Archeologie
Bestemmingsomschrijving
a. De op de verbeelding voor Waarde-Archeologie aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: doeleinden ter bescherming en behoud van archeologische waarden. b. De bestemming "Waarde-Archeologie" is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 5.2
Bouwregels
Op de in lid 1 genoemde gronden mag worden gebouwd met in achtneming van de volgende bepalingen: a. voor zover met betrekking tot de in lid 11.1 genoemde gronden sprake is van bodemverstoring, dient de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport te overleggen; b. aan de onder a, genoemde vergunning kunnen de volgende voorschriften worden verbonden: 1. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; 2. de verplichting tot het doen van opgravingen; 3. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het dagelijks bestuur bij de vergunning te stellen kwalificaties; c. het bepaalde onder a en b, is niet van toepassing op een bodemverstoring: 1. die betrekking heeft op een gebied met een kleiner oppervlak dan 10.000 m 2 of een kleinere diepte dan 4,00 meter onder maaiveld NAP; 2. die het normale onderhoud betreft; 3. die reeds in uitvoering is op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.
99
5.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a. Op en onder de in lid 5.1 genoemde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van dagelijks bestuur de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: 1. het uitvoeren van grondbewerkingen op een grotere diepte dan 4,00 meter onder maaiveld of indien het water betreft dieper dan de waterbodem, waartoe onder meer wordt gerekend het ophogen, egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; 2. het uitvoeren van heiwerkzaamheden of het op andere wijze indrijven van objecten in de bodem; 3. het aanleggen en verbreden van wateren; 4. het verlagen of verhogen van het waterpeil; 5. het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen; 6. het aanbrengen van drainage; b. Het bepaalde onder a, is niet van toepassing op een bodemverstoring: die betrekking heeft op een gebied met een kleiner oppervlak dan 10.000 m 2 of een kleinere diepte dan 4,00 meter onder maaiveld;NAP
Artikel 8 8.3
Algemene gebruiksregels
Toegelaten bedrijven
De in lid 3.1 genoemde functies anders dan wonen zijn uitsluitend toegestaan voor zover deze in de van deze regels deel uitmakende "Staat van Inrichtingen" vallen in milieuhindercategorie 1 en 2.
8.4
Afwijken van regels toegelaten bedrijven
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepaling 8.3 voor het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van: a. Functies uit een hogere milieuhindercategorie dan 2 voor zover: 1. de betreffende functie op grond van milieuhinderaspecten gevaar, geur en stof niet hoger scoort dan categorie 2; 2. de activiteiten hoofdzakelijk inpandig plaatsvinden; 3. bedrijven gebruik maken van de Best Beschikbare Technieken (BBT) om hinder tegen te gaan; 4. de activiteiten niet tijdens de nachtperiode plaatsvinden;
Het bevoegd gezag kan bij een omgevingsvergunning afwijken van de bepaling 8.3 voor het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een functie die: 1. niet in de 'Staat van Inrichtingen' voorkomt en niet meer milieuhinder veroorzaakt dan functies die vallen onder de toegestane categorieën; 2. al dan niet na uitbreiding of wijziging valt onder één of meer categorieën hoger in de 'Staat van Inrichtingen' dan toegestaan, mits de desbetreffende functie niet meer milieuhinder veroorzaakt dan functies die vallen onder de toegestane categorieën.
8.5
Wijzigingsregel
Het bevoegd gezag is bevoegd, overeenkomstig het bepaalde in artikel 3.6, lid 1, onder a, van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen, in die zin, dat: a. aan de Staat van Inrichtingen bedrijven en/of bedrijfsvormen kunnen worden toegevoegd of geschrapt; b. de in de Staat van Inrichtingen opgenomen bedrijven en bedrijfssoorten kunnen worden ingedeeld bij een andere categorie.
100