CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Raadsbesluit 2021-325F BP Havenstraatterrein Toelichting

RAAD 22 december 2021, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Havenstraatterrein VN2021-02947731.398 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

blz. 59

uitzondering van plannen voor 20 of minder woningen). Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.3.5

Woningbouwplan 2018-2025

Het gemeentebestuur wil tot 2025 in totaal 52.500 woningen bouwen. Dat betekent gemiddeld 7.500 woningen per jaar, waarvan 2.500 sociale- en 1.670 middeldure huurwoningen. Het Woningbouwplan 2018-2025 bevat daartoe de volgende doelstelling en aanpak: 52.500 woningen bouwen tot 2025, gemiddeld 7.500 per jaar, waarvan: 1. 17.500 sociale huurwoningen door corporaties, gemiddeld 2.500 per jaar; 2. 11.690 middeldure huurwoningen, gemiddeld 1.670 per jaar; 3. 10.500 betaalbare woningen en kamers voor studenten en jongeren. Een groot deel van de geplande 52.500 woningen kan worden gerealiseerd binnen de bestaande plannen. Voor een ander deel zal ruimte worden gevonden in de nog vast te stellen woningbouwprogramma's voor de ontwikkelbuurten (buurten waarin we extra gaan investeren). Daarmee zijn er geen nieuwe locaties nodig. De woningbouwopgave is kwantitatief en kwalitatief. Het college wil huisvesting bieden aan alle groepen in de stad. De stad wordt duurzaam en bereikbaar voor alle groepen. De kwalitatieve ambities worden evenals de kwantitatieve programmering per project gewogen en vorm gegeven. Voor de doelgroepen jongeren en studenten, ouderen, kwetsbare groepen en zelfbouwers zijn programmateams ingesteld. De opgaves moeten een plek krijgen in de gebiedsontwikkeling als het gaat om nieuwbouw, en in de bestaande voorraad.

Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.3.6

Actieplan meer middeldure huur 2017-2025

In Amsterdam zijn relatief weinig middeldure huurwoningen (met een maandhuur van € 710 tot € 971). De vraag naar middeldure huurwoningen is de afgelopen jaren enorm toegenomen. De oorzaken hiervan zijn divers: huishoudens met een middeninkomen kunnen niet meer terecht in de sociale voorraad, de flexibilisering van de arbeidsmarkt betekent dat minder huishoudens een woning kunnen kopen en de grote prijsstijgingen in de koopsector hebben tot gevolg dat meer huishoudens zijn aangewezen op een middeldure huurwoning. De verwachting is bovendien dat de vraag naar deze huurwoningen de komende jaren verder zal toenemen. Er is daarom een inhaalslag nodig. De komende jaren moeten er meer middeldure huurwoningen in aanbouw worden genomen. In het Actieplan meer middeldure huur is dit voornemen uitgewerkt. Het is geen nieuw beleid maar het zet in op het versterken van het huidige beleid. Door voorwaarden te stellen wordt ervoor gezorgd dat de nieuwe woningen langdurig in het middeldure segment blijven, niet na de eerste mutatie verdwijnen naar het dure segment en worden toegewezen aan een omschreven doelgroep. Het vastleggen van deze voorwaarden wordt geregeld in het tenderdocument, het erfpachtcontract en de huisvestingsverordening. Marktpartijen kunnen inschrijven onder de nieuwe voorwaarden voor middeldure huur: 1. Toewijzing aan doorstromers uit de sociale sector 2.

Toewijzing aan middeninkomens Gemeente Amsterdam

blz. 60

3. 4. 5. 6.

Maximale huur en geen gekoppelde parkeerplaats Huurverhoging inflatievolgend 25 jaar verhuren als middeldure huur en 25 jaar verbod op uitponden Sturen op woninggrootte

Het woningbouwprogramma op het Havenstraatterrein voorziet in 50 procent woningen in het middensegment. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan de doelstellingen van het Actieplan meer middeldure huur. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.3.7

Short stay

In 2009 is door de gemeente beleid voor short stay opgesteld (Beleidsnotitie Short stay). Short stay is het tijdelijk wonen in een zelfstandige woning voor een periode van tenminste vijf nachten en maximaal zes maanden. Doel van dit beleid is om aan de behoefte van werknemers van internationale bedrijven aan tijdelijke woonruimte tegemoet te komen. Dit beleid is na twee jaar geëvalueerd, wat in juli 2012 geleid heeft tot een geactualiseerd beleid voor short stay. De afweging of het realiseren van nieuwe short stay wenselijk is, vindt plaats in het kader van de benodigde vergunning voor woningonttrekking (Huisvestingsverordening). Stadsdelen kunnen in het kader van het ruimtelijk beleid afwegen dat nieuwbouw ten behoeve van short stay niet of niet geheel past binnen het gewenste ruimtelijk kader. In 2014 is het short stay-beleid opnieuw geactualiseerd, op grond van een in 2013 uitgevoerde evaluatie van het beleid. Uit de inventarisatie is gebleken dat het aantal short stay-appartementen op 1 januari 2014 ongeveer 800 bedroeg, waarmee het streefgetal uit 2009 is bereikt. Naar aanleiding daarvan is de nieuwe beleidsnotitie vastgesteld, waarin is bepaald dat er 'pas op de plaats' wordt gemaakt en er geen nieuwe vergunningen voor short stay meer zullen worden verleend.

Conclusie: Het bestemmingsplan maakt geen short stay mogelijk en is daarmee in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

4.4

Bedrijven en kantoren

4.4.1

Platform Bedrijventerreinen en Kantoorlocaties (Plabeka)

Het Platform Bedrijven en Kantoren (Plabeka) richt zich op het reduceren van de structurele leegstand van werklocaties in de MRA. Binnen het platform werken gemeenten, provincies en ondernemers samen. Er vindt in dat kader regionale afstemming plaats over de kwantiteit en kwaliteit van werklocaties. Sinds de start tien jaar geleden is 75 procent van de bouwplannen voor nieuwe kantoren geschrapt of gefaseerd. Daarnaast is door sloop en herontwikkeling 1,5 miljoen m2 aan bestaande kantoorruimte verdwenen. Voor bedrijventerreinen is 30 procent van de planvoorraad geschrapt en krijgt de kwaliteitsverbetering steeds meer vorm. Ter uitvoering van de doelstelling van het Plabeka is een uitvoeringsstrategie vastgesteld die periodiek wordt bijgesteld. Op 23 juni 2017 heeft het Plabeka ingestemd met de derde Uitvoeringsstrategie Plabeka, waarin de nieuwe afspraken over de afstemming bedrijfsterreinen en kantoren in de metropoolregio Amsterdam zijn vastgelegd voor de periode 2017 tot 2030. Deze nieuwe afspraken kenmerken zich door een grote mate van flexibiliteit binnen de afgesproken kaders. Deze flexibiliteit is

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 61

nodig om goed te kunnen blijven inspelen op de economische dynamiek, terwijl de regionale kaders en regionale afstemming moeten zorgen voor een gezonde markt voor kantoren en bedrijventerreinen. Mede onder invloed van schaalverkleining in het bedrijfsleven, digitalisering en verduurzaming is er sprake van een toenemende populariteit van meer gemengde multifunctionele gebieden ontstaat. Het betreft centrumgebieden, gemengde woon-werklocaties en knooppuntlocaties en 'third places' als koffiegelegenheden en dergelijke. Deze toenemende vraag vertaalt zich in de Uitvoeringsstrategie onder meer in een aanzienlijke transformatie-opgave voor zowel kantoren als bedrijventerreinen. Het bestemmingsplan voorziet in transformatie van een bedrijventerrein naar gemengd woon-werkgebied en maakt geen nieuwe kantoorvestigingen mogelijk. Daarmee sluit het plan aan op de doelstellingen van Plabeka. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met deze regionale afspraken. 4.4.2

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Amsterdam doet zijn best om de productieve economie plaats te blijven bieden in de stad. Voldoende ruimte voor bedrijvigheid in de stad is van essentieel belang voor een inclusief, vitaal en duurzaam Amsterdam in 2050. Ambachten, maakindustrie en logistieke ondernemingen zorgen voor een divers werkaanbod voor Amsterdammers. Het is in een snelgroeiende stad als Amsterdam echter onvermijdelijk dat ruimte-extensieve functies zoals bedrijventerreinen plaatsmaken voor verstedelijking, zeker omdat we open landschap zo veel mogelijk willen sparen. Dit moet wel op een verantwoorde manier gebeuren. Verdringing van kwetsbare economische functies moet worden voorkomen. De omgevingsvisie bouwt wat dit betreft voort op bestaand beleid dat recent is ingezet met de Bedrijvenstrategie 2020-2030 om bedrijfsruimte in de stad te behouden en (her)ontwikkelen. Onderdeel hiervan zijn behoud of herontwikkeling van 500.000 m2 bedrijfsruimte in gemengde wijken, reservering van de laatste kavels voor uit transformatiegebieden verplaatsende bedrijven en een bedrijvenloods die bedrijven helpt bij het vinden van een nieuwe geschikte ruimte. Door grootschalige transformatie van bedrijventerreinen voor de ontwikkeling van woon-werkgebieden verliest Amsterdam veel van haar bedrijventerreinen.

Voor een inclusieve Amsterdamse economie waar iedereen in een stad economisch van elkaar kan profiteren moet er voldoende ruimte blijven voor bedrijven die passen in stedelijke woon-werkgebieden. Conform de Bedrijvenstrategie Amsterdam (2020) ligt bij transformatie van bedrijventerreinen naar woonwerk een specifieke ambitie om passende bedrijvigheid te integreren in gebiedsontwikkeling. Dit leidt tot de ontwikkeling van productieve wijken, waarbij met name op de begane grond ruimte is voor ambachtelijke bedrijvigheid, en kleinschalig industriele en logistieke bedrijven die passen in de stad. Dit plan voorziet daarin. Niet alleen dragen deze wijken in de toekomst bij aan de sociaaleconomische samenhang in Amsterdam, deze kleinschalige productieruimtes dragen ook bij een de circulaire transitie waar meer producten lokaal gemaakt, hersteld, gerecycled of hergebruikt moeten worden. De GVB tramremise blijft gehandhaafd en is als zodanig bestemd. Dat geldt ook voor het Liander transformatorstation. Deze stadsverzorgende bedrijven hebben en houden een bedrijfsbestemming. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

4.4.3

Kantorenplan 2019-2026

Het doel van het kantorenplan 2019-2026, dat op 24 september 2019 door het college van B&W is vastgesteld, is een uitgebalanceerde en toekomstbestendige kantorenmarkt waarin op korte en middellange termijn voldoende kwalitatieve woonwerkmilieus beschikbaar zijn voor de uitbreidingsvraag van 125.000 m2 kantoor per jaar. Voor dit doel gelden de volgende uitgangspunten: meer en sneller kantoren ontwikkelen om te voldoen aan de marktvraag; toekomstbestendige kantoren: flexibel, efficiënt, bereikbaar en klimaatneutraal; transformatie van monofunctionele kantoorlocaties met behoud van werk; realiseren van gemengde woon-werkmilieus. De diversiteit aan bedrijven en vestigingsbehoeften vraagt om diversiteit in werk- en vestigingsmilieus. De ruimtelijk economische visie van Amsterdam (beschreven in 'Ruimte voor de economie van morgen'; zie hierna) geeft aan hoe de ontwikkeling van diverse woon-werkmilieus mogelijk is en kan bijdragen aan een flexibele, robuuste en duurzame economie. In het Kantorenplan is het Havenstraatterrein opgenomen als een locatie die zich ontwikkelt tot een stedelijk werkmilieu (creatieve en productieve wijken). Om te voorkomen dat het gebied zich ontwikkelt tot een monofunctionele woonwijk en er blijvend ruimte wordt geboden voor werkfuncties, maakt het bestemmingsplan aan huis gebonden kantoor en ondersteunende kantoorruimte mogelijk.

Nieuwe zelfstandige kantoren zijn in het plangebied echter niet toegestaan. Daarmee past het bestemmingsplan binnen de visie van het Kantorenplan. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.4.4

Ruimte voor Economie van Morgen

Ruimte voor de Economie van Morgen, vastgesteld door het college van B&W op 18 juli 2017, is de economische uitwerking van Koers 2025 – Ruimte voor de stad. Voor toekomstige gebiedsontwikkeling agendeert het college ruimte voor nieuwe werkgelegenheidsgroei in Amsterdam. Deze ruimte is nodig omdat steden als Amsterdam zich ontwikkelen als economische motoren voor een grotere stedelijke regio. Ruimte voor de Economie van Morgen biedt bouwstenen voor stedelijke menging van kantoren en bedrijven in nieuwe gebiedsontwikkeling, die nader worden uitgewerkt in ruimtelijke projecten en gronduitgifte en de nieuwe kantorenstrategie van Amsterdam. Om deze groei een plek te kunnen geven zal het vestigingsklimaat van Amsterdam de komende jaren worden versterkt door monofunctionele kantoorgebieden te veranderen tot aantrekkelijke gemengde woon-werkwijken en een deel van de Amsterdamse bedrijventerreinen te transformeren tot nieuwe woonwijken. De algemene ruimtelijk-economische opgaven daarbij zijn: 1. aansluiten bij de vestigingsbehoefte van de stedelijke kenniseconomie; 2. Amsterdam ontwikkelen als inclusieve stad van en voor iedereen en ruimte maken voor economische diversiteit; 3. rekening houden met economische dynamiek en verandering.

Om de te ontwikkelen gebieden ruimtelijk-economisch kleur te geven, zijn de economische kansen van de gebieden geïnventariseerd en op een kansenkaart getypeerd (zie figuur 4.8). Daarop wordt onderscheid gemaakt in kantoorgebieden, woon-werkmilieus en productiezones. Kantoorgebieden worden onderverdeeld in internationaal topmilieu, innovatiedistrict en multimodaal knooppunt. Binnen woon-werkmilieus wordt onderscheid gemaakt in woonwijk, creatieve wijk, productieve wijk en stadsstraten. Productiezones bestaan uit bedrijventerreinen en de haven. bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 63

Figuur 4.8 - Kansenkaart Ruimte voor de Economie van Morgen Het plangebied Havenstraatterrein is in Koers 2025 opgenomen als lopend project en om die reden ook niet opgenomen op de kansenkaart van Ruimte voor de Economie van Morgen. De locatie van de GVB tramremise Havenstraat is in Koers 2025 aangewezen als strategische ruimte ten behoeve van gebiedsontwikkeling na 2020 en in Ruimte voor de Economie van Morgen getypeerd als creatieve wijk. Creatieve wijken zijn woon-werkwijken die door menging met kleine zelfstandige kantoorruimtes voorzien in de behoefte aan nieuw stedelijk werkmilieu. Het zijn wijken die in economisch opzicht aansluiten op het bestaande Amsterdamse centrummilieu binnen de Ring A10. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.4.5

Afwegingskader voor omzetting kleinschalige bedrijfsruimten

Dit gemeentelijke afwegingskader heeft als doel het beschermen van kleinschalige bedrijvigheid in de wijken binnen de ring A10. Het behoud van kleinschalige bedrijfsruimtes is belangrijk, omdat ze bijdragen aan de leefbaarheid en de functionele diversiteit van stadswijken. De ambitie om bedrijvigheid in de stad te beschermen is overigens ook reeds vastgelegd in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. Kleinschalige bedrijfshuisvesting staat in Amsterdam onder druk. De groei van de toeristische en vrijetijdssector van de afgelopen decennia en de prijsstijgingen op de woningmarkt leiden tot een grote vraag naar omzetting van kleinschalige bedrijfsruimte. Door de relatief lage vierkante meter prijs van bedrijfsruimte is omzetting naar een andere functie met een hogere vierkante meter prijs, zoals wonen of kantoren, lucratief. Deze ontwikkeling doet zich vooral voor in het centrumgebied van de stad en binnen de ring A10. Dit wordt versterkt doordat kleinschalige bedrijfsruimten steeds meer worden verkocht door gemeente en corporaties. Daardoor is kleinschalige bedrijfsruimte steeds meer in commerciële handen en sterker onderhevig aan marktwerking. Gezien de financiële aantrekkelijkheid van omzetting is

Gemeente Amsterdam

blz. 64

bescherming vanuit het algemeen belang op zijn plaats. Conclusie: Het bestemmingsplan maakt binnen de bestemming 'Gemengd' (naast kleinschalige detailhandel, consumentverzorgende en maatschappelijke dienstverlening en horeca) kleinschalige bedrijfsvestigingen mogelijk . Nu het om een ontwikkelplan gaat, waarbij er geen bestaande bedrijfsruimte wordt omgezet is dit Afwegingskader niet van toepassing op dit bestemmingsplan.

4.5

Maatschappelijk

4.5.1

Integraal Huisvestingsplan 2016-2020 Primair onderwijs

Het doel van het gemeentelijk Integraal Huisvestingsplan (IHP) 2016-2020 Primair onderwijs is om te zorgen voor zowel kwalitatief hoogwaardig als kwantitatief voldoende onderwijsaanbod voor de kinderen in Amsterdam. Het Havenstraatterrein is een van de in Koers 2025 opgenomen ontwikkelgebieden in Amsterdam waar vanwege de groei van het aantal leerlingen tenminste een nieuwe school voor primair onderwijs nodig is. De realisatie van een nieuwe school voor primair onderwijs op het Havenstraatterrein is daarom opgenomen in het IHP met een ruimtereservering. Conclusie: Het bestemmingsplan biedt ruimte voor de ontwikkeling van een basisschool met buitenschoolse opvang en kinderdagopvang en sluit daarmee aan op dit gemeentelijk beleid. 4.5.2

Gebiedsagenda Oud-Zuid 2019-2022

In de Gebiedsagenda Oud-Zuid 2019-2022 (zie ook boven) wordt geconstateerd dat in Oud-Zuid een tekort bestaat aan geschikte woningen voor ouderen, terwijl het aantal ouderen de komende jaren flink zal toenemen. Daarnaast is gebleken dat de maatschappelijke voorzieningen die de wijken bieden niet altijd aansluiten op de vraag. Er is bijvoorbeeld behoefte aan meer ontmoetingsplekken en gezondheidsvoorzieningen, waaronder huisartsenprakijken. Bij zowel herontwikkeling van bestaande buurten als de bouw van nieuwe buurten is het realiseren van een passend voorzieningenaanbod dan ook een van de speerpunten. Conclusie: Het bestemmingsplan biedt voldoende ruimte voor de ontwikkeling van maatschappelijke functies en sluit daarmee aan op dit stadsdeelbeleid.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 65

4.6

Horeca

4.6.1

Regionale Hotelstrategie 2016-2022

De Regionale Hotelstrategie 2016-2022, vastgesteld door de Metropoolregio Amsterdam (MRA) op 27 november 2013, bevat het regionale afwegingskader voor nieuwe hotelinitiatieven. Uitgangspunt daarbij is 'het juiste hotel op de juiste plek'. De bij de strategie behorende Hotelladder MRA en Kansenkaart vormen de instrumenten om hotelontwikkeling te sturen. In de Regionale Hotelstrategie is aangegeven dat de MRA-gemeenten in afzonderlijke beleidsplannen de gemeentelijke uitgangspunten voor hotelontwikkeling kunnen vastleggen. Dit laatste heeft de gemeente Amsterdam gedaan in de Uitwerking overnachtingsbeleid, dat per 1 januari 2017 in werking is getreden. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit regionaal beleid. 4.6.2

Uitwerking overnachtingsbeleid Amsterdam

Op 14 juli 2016 heeft de gemeenteraad van Amsterdam nieuw overnachtingsbeleid vastgesteld, dat per 1 januari 2017 in werking is getreden. Het overnachtingsbeleid is een herziening van de Regionale Hotelstrategie 2016-2022 voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Het overnachtingsbeleid is een instrument om mede sturing te geven aan het type toerist dat de stad bezoekt en aan een betere spreiding van bezoekers aan Amsterdam. Het overnachtingsbeleid is van toepassing op zowel nieuw te bouwen projecten als op transformatie of uitbreiding van bestaande locaties. In het kader van het overnachtingsbeleid wordt onder 'hotel' verstaan: pension, (jeugd-)herberg of hostel, reguliere hotels en appartementenhotels met logies-en extended stay-voorzieningen voor een verblijf van maximaal 12 maanden. Het overnachtingsbeleid heeft géén betrekking op bed & breakfast, tijdelijke vakantieverhuur en kamerverhuur voor studenten, anders dan in een hotel, logies- of extended stay verblijf. Het uitgangspunt is dat vanaf 2017 geen medewerking meer wordt verleend aan hotelinitiatieven die niet meer passen in een bestemmingsplan, behalve wanneer eerder al een direct recht is toegekend. Er geldt echter een tenzij als het een initiatief betreft in een op de kaart (figuur 4.9) aangemerkt gebied waar een uitzondering op het nee-beleid mogelijk blijft.

Dan geldt een tenzij als het een bijzonder initiatief betreft, dat voldoet aan de beschreven voorwaarden en past binnen het ruimtelijk afwegingkader. Ter plaatse van het plangebied Havenstraatterrein is hotelontwikkeling niet toegestaan.

Gemeente Amsterdam

blz. 66

Figuur 4.9 - Kaart overnachtingsbeleid Conclusie: Het bestemmingsplan voorziet niet in hotels en is daarmee in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.6.3

Horecabeleid stadsdeel Zuid 2011

Op 21 december 2011 heeft de stadsdeelraad van stadsdeel Zuid het Horecabeleid Zuid 2011 vastgesteld. Het Horecabeleid Zuid 2011 is door de burgemeester vastgesteld en daarmee gemeentelijk beleid. Doelstelling van het horecabeleid is het verlevendigen en aantrekkelijker maken van het stadsdeel en het verruimen van mogelijkheden voor ondernemers, zonder dat het woon- en leefklimaat onder onevenredige druk komt te staan. Om een gericht horecabeleid te voeren, hanteert stadsdeel Zuid in nieuwe bestemmingsplannen een aantal horecacategorieën (zie figuur 4.10). Deze categorisering vindt zijn grondslag in ruimtelijk en sociaal relevante aspecten als ruimtelijke uitstraling, verkeersaantrekkende werking, invloed op directe (woon)omgeving, geluidhinder en sociale veiligheid.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 67

Figuur 4.10 - Horeca categorieën Om de lichtste categorie horeca IV nader te specificeren, is deze categorie opgesplitst in twee subcategorieën, waarbij in de regel een eetcafé meer belasting oplevert voor het woon- en leefklimaat dan een lunchroom of koffiehuis: IV A (restaurant, eetcafé); IV B (lunchroom, ijssalon, koffiehuis, theehuis, juicebar). De afgelopen jaren is onduidelijkheid ontstaan over wat de grenzen zijn tussen de horecacategorieën. Dit heeft onder andere te maken met nieuwe trends, concepten en formules waar het beleid niet in voorziet. Voorbeelden zijn onder andere dansen in een restaurant of café en uiteenlopende vormen van zaalverhuur. Deze nieuwe ontwikkelingen passen niet eenduidig binnen de bestaande horecacategorieën. In het Horecabeleid is aangegeven hoe hiermee in het bestemmingsplan wordt omgegaan: Dansen in een café of restaurant is niet verboden als dat past binnen het karakter van het café of restaurant. Zodra de zaak het karakter van een discotheek of zalenverhuur krijgt, zoals bij het heffen van entreegeld of wanneer de dansvloer groter is dan 20 procent van het brutovloeroppervlak, is er sprake van horeca II. In het kader van het bestemmingsplan is dan een zwaardere toetsing aan de orde. Getoetst wordt op mogelijke aantasting van het woon- en leefklimaat.

In het Activiteitenbesluit wordt geregeld dat er geen geluidsoverlast door muziek mag ontstaan, ongeacht de horecacategorie. Voor toekomstige bestemmingsplannen moeten de definities van de horecacategorieën zoals gehanteerd in dit horecabeleid worden opgenomen in de regels, zodat dergelijke concepten mogelijk worden gemaakt. Zaalverhuur komt in verschillende vormen voor, voorziet in verschillende behoeften (van vergadering tot feest), en geeft een verschillende mate van overlast. Het is wenselijk om deze verschillende Gemeente Amsterdam

blz. 68

vormen van zaalverhuur mogelijk te maken. In het Horecabeleid zijn vijf verschillende vormen van zaalverhuur beschreven, waarbij is aangegeven welke functie in het bestemmingsplan daarbij past (zie figuur 4.11).

Figuur 4.11 - Vormen zaalverhuur In het horecabeleid worden twee vormen van ondersteunende horeca onderscheiden, namelijk mengformules en additionele horeca: Bij mengformules gaat het om detailhandelsconcepten die geen planologische bestemming horeca hebben waarbij een deel van het vloeroppervlak gebruikt wordt als horeca. Een voorbeeld hiervan is een woninginrichtingzaak met een eetgelegenheid. Voor een horecadeel tussen 20 m2 en 30 m2 (30 m2 is het absolute maximum) is wel een exploitatievergunning op grond van de APV nodig. Wanneer het bestemmingsplan geen mengformule toestaat, dan is een planologische afwijkingsprocedure noodzakelijk. Hieraan wordt meegewerkt wanneer de aanvraag voor de mengformule voldoet aan de in het horecabeleid gestelde criteria. Additionele horeca is onzelfstandige horeca in onder andere sportieve voorzieningen, waarbij een deel van het vloeroppervlakte wordt gebruikt voor het tegen vergoeding schenken van dranken en/of verstrekken van spijzen voor directe consumptie. Additionele horeca is altijd ondergeschikt aan de hoofdfunctie. Additionele horeca is mogelijk onder een aantal voorschriften: 1. Het deel van het netto vloeroppervlak dat in gebruik is als additionele horeca mag ten hoogste 20 procent van dat netto vloeroppervlak zijn; 2.

Horeca op basis van de additionele horecaregeling mag geen terras exploiteren omdat zij niet functioneert als zelfstandige horeca (hiervoor ontbreekt de noodzakelijke planologische bestemming horeca). Bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijfsverzamelgebouwen speelt vaak ook de vraag of het mogelijk is om een horecavoorziening in te passen. Horeca in bedrijfsverzamelgebouwen heeft enerzijds het doel als voorziening en verzamelpunt voor de ondernemers, maar horeca maakt het bedrijfsverzamelgebouw ook toegankelijk en transparant voor buurt en omgeving. Daarnaast ondersteunt horeca de exploitatie van het bedrijfsverzamelgebouw. Het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid wil de ontwikkeling van bedrijfsverzamelruimte stimuleren bij onder andere leegstaande kantoorgebouwen door mee te werken aan een gedeeltelijke bestemmingswijziging, indien aan een aantal criteria wordt voldaan: Het pand een kantoor- of een bedrijfsmatige bestemming in het bestemmingplan heeft;

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 69

De inkomsten van de horeca-exploitatie aantoonbaar ten goede komen aan de exploitatie van het bedrijfsverzamelgebouw; De horeca fysiek losgekoppeld kan worden van de kantoor- of bedrijfsfunctie (bijvoorbeeld een kantine of een foyer); Maximaal 20 procent van het vloeroppervlak van het bedrijfsverzamelgebouw mag worden omgezet tot zelfstandige horeca om te voorkomen dat deze verzelfstandiging van de horecafunctie leidt tot te grote horecazaken. Het stadsdeel wil, in het kader van het gemeentelijke initiatief 'Ondertussen', op daarvoor geschikte locaties mogelijkheden creëren voor tijdelijke horeca. Geen definitieve functie, maar een tijdelijke en experimentele functie. Horeca in leegstaande bedrijfsruimte / op braakliggende terreinen en ondersteunend aan de omliggende functies en activiteiten behoort tot de mogelijkheden. Het horecabeleid bevat tevens gebiedsgericht horecabeleid. Voor het Havenstraatterrein, benoemd als gebied in ontwikkeling (zie figuur 4.12), is bepaald dat ter ondersteuning van de functie van het gebied horeca wenselijk is. Totdat de realisatie start, kan het gebied benut worden voor tijdelijke horeca-concepten. In het bestemmingsplan wordt ruimte geboden voor horeca van categorie 3 en 4. Het gaat om vestigingen van maximaal 300 m2 bvo en een totaal maximum van 1.500 m2.

In lijn met de ruimte die het horecabeleid biedt, wordt in het bestemmingsplan ook ondersteunende horeca mogelijk gemaakt. Voor een bedrijfslocatie, die direct grenst aan het Havenstraatterrein, is in het desbetreffende bestemmingsplan een wijzigingsbevoegdheid opgenomen op grond waarvan horeca van categorie 4 mogelijk is. Deze locatie, gelegen aan het beoogde openbare plein, is uitermate geschikt voor bijvoorbeeld een brasserie, eetcafé of restaurant. Door voor te sorteren op een dergelijke functiewijziging kan in functioneel opzicht aansluiting worden gezocht bij de ontwikkeling van het Havenstraatterrein.

Gemeente Amsterdam

blz. 70

Figuur 4.12 - Uitsnede kaart horecabeleid Zuid Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit stadsdeelbeleid.

4.7

Detailhandel

4.7.1

Provinciaal detailhandelsbeleid

Op 15 december 2014 hebben Provinciale Staten van Noord-Holland het detailhandelsbeleid 2015-2020 vastgesteld. De missie van de provincie is 'het versterken van de detailhandelstructuur in Noord-Holland'. Daarbij behoren de volgende drie hoofddoelstellingen: Een detailhandelstructuur die uitgaat van duurzaam ruimtegebruik; Een detailhandelstructuur die bijdraagt aan een vitale regionale economie; Een detailhandelstructuur die bijdraagt aan een aantrekkelijke woon- en leefomgeving. De hoofddoelstellingen zijn uitgewerkt in zes beleidsdoelen: 1. 2. 3. 4. 5. 6.

Prioriteit geven aan hoofdwinkelgebieden; Voorkómen van extra leegstand; Internet-afhaalpunten bij voorkeur situeren in bestaande winkelcentra; Een vitale, dynamische en concurrerende detailhandelstructuur, ruimte geven aan kwaliteit; Primaire detailhandel bereikbaar op een aanvaardbare afstand; Detailhandel die bijdraagt aan aantrekkelijke binnensteden.

De doelstellingen in het Provinciaal detailhandelsbeleid zijn verder uitgewerkt in het Regionaal detailhandelsbeleid en het Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het provinciale detailhandelsbeleid. 4.7.2

Regionaal detailhandelsbeleid

In het Regionaal detailhandelsbeleid Stadsregio Amsterdam 2016-2020, dat is vastgesteld door de Regioraad van de Stadsregio Amsterdam op 15 maart 2016, zijn afspraken gemaakt over de gewenste ontwikkeling van de detailhandel op regionaal niveau. In het beleid benoemt de Stadsregio drie speerpunten en zijn beleidsuitgangspunten geformuleerd. De speerpunten zijn: fijnmazige detailhandelsstructuur: inwoners van de Stadsregio Amsterdam moeten op aanvaardbare afstand hun (dagelijkse) boodschappen kunnen doen; 'nieuw voor oud': waar mogelijk dienen gemeenten als voorwaarde voor de (her)ontwikkeling van nieuwe winkelmeters te stellen dat elders oude vierkante meters op minder kansrijke locaties uit de markt gehaald worden; daartoe dient kritisch te worden gekeken in hoeverre vastgehouden moet worden aan ruime, flexibele bestemmingen in bestemmingsplannen; toekomst perifere locaties: nieuwe perifere locaties (PDV) worden niet ontwikkeld en onderzocht wordt hoe PDV- en GDV-locaties kunnen worden geherstructureerd. Uitgangspunt is dat iedere gemeente de lokale detailhandelsstructuur in ruimtelijke termen vastlegt in de gemeentelijke structuurvisie of in een gemeentelijke detailhandelsvisie, die past binnen het regionaal detailhandelsbeleid en binnen het kader dat is vastgesteld in het provinciaal detailhandelsbeleid uit 2014.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 71

Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met het regionale detailhandelsbeleid. 4.7.3

Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022

Het Detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022: sterke winkelgebieden in een groeiende stad, dat op 20 december 2017 door de gemeenteraad is vastgesteld en dient mede ter vervanging van eerder vastgesteld detailhandelsbeleid op stadsdeelniveau dat per 19 maart 2016 is komen te vervallen. Met het nieuwe beleid wordt ingespeeld op het veranderde consumentengedrag, waardoor er minder behoefte aan winkels is en de tegelijkertijd plaatsvindende groei van het aantal inwoners en bezoekers. Het nieuwe detailhandelsbeleid houdt rekening met diverse nieuwe ontwikkelingen in het consumentengedrag en het winkelaanbod. Het detailhandelsbeleid kent twee algemene doelstellingen: Boodschappen dichtbij voor bewoners: bewoners moeten op redelijke afstand van de woning (750 meter loopafstand) dagelijkse boodschappen kunnen doen; Meerdere aantrekkelijke winkelgebieden, ook buiten de binnenstad: het betreft hier het echte 'winkelen' voor producten die niet elke dag worden gekocht. Voor de verschillende in het beleid onderscheiden typen winkelgebieden gelden in heel Amsterdam algemene uitgangspunten. Een van de belangrijkste daarvan is dat het winkelaanbod in Amsterdam geclusterd wordt in winkelgebieden en dat nieuwe losse winkelvestigingen in beginsel zijn uitgesloten. Hieraan ligt een aantal redenen te grondslag.

In de eerste plaats heeft clustering van winkels voordelen voor ondernemers én consumenten: alle benodigde boodschappen zijn vlakbij elkaar verkrijgbaar. In de tweede plaats profiteren ondernemers in winkelconcentraties van elkaars bezoekersstromen. Verder is het voor de overheid efficiënter en duurzamer om een concentratie van winkels te faciliteren met bijvoorbeeld laad- en losplekken voor bevoorrading, voorzieningen voor fietsen et cetera.

Figuur 4.13 - Winkelzones detailhandelsbeleid

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Amsterdam is onderverdeeld in drie zones: een kernzone, een centrumzone en een stadszone (zie figuur 4.13). De zones verschillen in het al aanwezige winkelaanbod, de stedenbouwkundige structuur en het verzorgingsgebied. Naast de stadsbrede beleidslijnen is voor elk van de drie zones een specifieke koers ingezet. De bij de zones behorende opgaven zijn: Kernzone: geleiding en spreiding van drukte, aanpak diversiteit, meer belevenis, beperkt nieuwe grootschalige winkels en aandacht voor borging dagelijks aanbod; in de centrumzone: borging boodschappen in stadsstraten en ruimte voor nieuwe formules en concepten; Stadszone: uitrol centrummilieu/transformatie van functies, toekomstbestendig maken van de stadsdeelcentra en aanpak leegstand. Het plangebied Havenstraatterrein is gelegen in de centrumzone. Voor de centrumzone zijn de volgende gebiedsgerichte uitgangspunten geformuleerd. Dagelijkse boodschappen zijn op redelijke afstand van de woning verkrijgbaar: 1. de boodschappenfunctie borgen in clusterpunten van detailhandel in gemengde stadsstraten; 2. in kansrijke winkelgebieden is uitbreiding van supermarkten mogelijk; 3. een beperkt aantal nieuwe versmarkten krijgt de ruimte. Amsterdam heeft verschillende aantrekkelijke winkelgebieden: 1. het stimuleren van meer 'winkelbeleving' in winkelgebieden en -straten; 2. in winkelgebieden experimenteren met mengformules.

Om kleinschalige ondernemers kansen te bieden op meer betaalbare winkelruimte, de winkeldiversiteit te stimuleren of om buurten te verlevendigen, is het onder voorwaarden mogelijk dat kleinschalige verspreide winkels zich in bedrijfspanden vestigen buiten de aangegeven (geclusterde winkels in) winkelgebieden. Daarvoor gelden de volgende voorwaarden: De winkel bestaat uit een maximale winkelvloeroppervlakte van 300 m2; Vestiging van supermarkten/dagelijks aanbod buiten de winkelgebieden is uitgesloten, tenzij er in een straal van 750 loopafstand geen supermarkt aanwezig is. In dat geval kan een gemaks- (of convenience) supermarkt van maximaal 300 m2 winkelvloeroppervlak worden toegestaan; De kleine winkels bevinden zich in een winkelkwartier binnen een nader af te bakenen geografisch gebied; Binnen het winkelkwartier is er een evenwichtige balans tussen ruimte voor kleinschalige (ambachtelijke) bedrijvigheid en het winkelaanbod. Deze voorwaarden worden gesteld omdat uitbreiding van het aantal winkelmeters en versplintering van het winkelaanbod een risico is voor een goed functionerende winkelstructuur in de stad. Het beperkt ook de vestigingsmogelijkheden van andere functies in de buurten en het kan een onevenredige belasting van het woon- en leefklimaat betekenen.

Ondergeschikte detailhandel binnen een andere functie zoals een bedrijf, ambacht, dienstverlening of cultuur wordt in het detailhandelsbeleid buiten de winkelgebieden wel mogelijk gemaakt. De ondergeschikte detailhandel mag maximaal 20 procent van het netto oppervlak beslaan, met een absoluut maximum van 50 m2. Het bestemmingsplan biedt ruimte voor enkele kleinschalige detailhandelsvestigingen (maximaal 300 m2), met een totaal maximum van 1.500 m2. Supermarkten zijn niet toegestaan, gezien de nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat en de verkeersaantrekkende werking. Het uitsluiten van supermarkten voorkomt een duurzame ontwrichting van het voorzieningenniveau. Immers in een straal van 750 meter van het plangebied zijn reeds meerdere supermarkten aanwezig, zodat bewoners op loopafstand hun dagelijkse boodschappen kunnen doen.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 73

Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

4.8

Groen

4.8.1

Structuurvisie Amsterdam 2040

Op 8 juli 2021 is de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 'Een menselijke metropool' vastgesteld door de gemeenteraad van Amsterdam. Hierbij is besloten dat de Omgevingsvisie de Structuurvisie Amsterdam 2040 vervangt als beleidskader voor ruimtelijke plannen, behoudens hetgeen in de Structuurvisie als kaderstellend is opgenomen voor de Hoofdgroenstructuur, totdat hiervoor nieuwe kaders zijn vastgesteld. De Structuurvisie Amsterdam 2040 is daarmee nog kaderstellend voor de hoofdgroenstructuur. In de hoofdgroenstructuur zijn die gebieden opgenomen waar de functies groen en groene recreatie voorop staan. Woningbouw, werkgerelateerde functies, wegenaanleg of het vestigen van voorzieningen die verkeer aantrekken of die ten koste gaan van groen zijn niet in overeenstemming met de doelstellingen. Ingrepen die de recreatieve gebruikswaarde en/of de natuurwaarde of andere functies van het groen verhogen worden juist gestimuleerd. Ingrepen in de hoofdgroenstructuur worden op inpasbaarheid beoordeeld. De Technische Advies Commissie (TAC) Hoofdgroenstructuur speelt een belangrijke rol in de beoordeling van zowel de regelingen in de bestemmingsplannen als de concrete ontwikkeling van initiatieven in de Hoofdgroenstructuur. Amsterdamse Bosscheg Park Schinkeleilanden maakt deel uit van de hoofdgroenstructuur, te weten de Amsterdamse Bosscheg (zie figuur 4.14).

De scheggen worden in de structuurvisie aangeduid als onderdelen van het metropolitane landschap rondom de stad. Deze scheggen steken tot in de stad en worden - onder andere vanwege de rust, ruimte en schaal - gebruikt voor recreatie vanuit de stad. Park Schinkeleilanden vormt de verbinding tussen het Vondelpark en het Amsterdamse Bos. Natuur- en Parkeiland - de beide meest noordelijke eilanden in de Schinkel - hebben in 2011 de prestigieuze Groene Stad Award gekregen.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

Figuur 4.14 - Uitsnede kaart Hoofdgroenstructuur De meest zuidelijke punt van het plangebied en het gedeelte direct ten zuiden van het plangebied zijn aangewezen als stadspark. In de structuurvisie worden in het deel instrumentarium uitgangspunten ten aanzien van ontwikkelingen binnen het stadspark gegeven. In figuur 4.15 staat het volledige instrumentarium uit de structuurvisie weergegeven.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 75

Figuur 4.15 - Instrumentarium voor de ontwikkeling van stadsparken De gewenste beleving van het stadspark is een groene, park- tot tuinachtige omgeving in een stedelijke context, waarbij specifieke voorzieningen voor diverse doelgroepen aanwezig zijn en natuurlijke kwaliteiten en tuin- en landschapsarchitectuur een attractie vormen. De gewenste zonering bestaat uit een entreezone, een parkzone en een parkzone met intensief en extensief gebruikte delen. De beleidsintentie bij stadsparken is gericht op hoge bezoekersaantallen en een hoge gebruiksintensiteit. Voorzieningen en ontsluiting moeten erop afgestemd zijn zoveel mogelijk mensen te bedienen, zonder dat het groene karakter verloren gaat. Technische adviescommissie (TAC) Een belangrijke ambitie van het onderhavige plan is om de hoofdgroenstructuur te versterken. Dit gebeurt door het zuidelijk deel van het plangebied een groene invulling te geven evenals de kop van het plangebied rondom het Haarlemmermeerstation. In het kader daarvan is de TAC om advies gevraagd (zie bijlage 25 bij plantoelichting). De TAC is van mening dat in het plan zorgvuldig met de hoofdgroenstructuur is omgegaan en stelt dat juist hier, bij de overgang van stad naar groen, zorgvuldigheid cruciaal is. Onwenselijke ontwikkelingen in de hoofdgroenstructuur dienen daarom onmogelijk te worden gemaakt door deze in de planregels uit te sluiten.

Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 76

4.8.2

Groenvisie 2020-2050

Op 21 december 2020 heeft de gemeenteraad de 'Groenvisie 2020-2050, Een leefbare stad voor mens en dier' vastgesteld. De Groenvisie schetst een beeld van Amsterdam als groene stad en hoe dit zich tot 2050 verder kan ontwikkelen. Groen in de stad levert een essentiële bijdrage aan de gezondheid en het sociale welzijn van de bewoners. In de visie van Amsterdam wordt daarom gestreefd naar verbinding en verbetering van het groen in de stad, met als doel een sterke groene structuur. De groenstructuur moet bestaan uit een gevarieerd palet van bloemen tot bomen, van rustige tot drukkere gebieden, van ecologisch groen tot speelgroen. In de publieke en in de private buitenruimte moet geleidelijk een samenhangend groen netwerk ontstaan waarin en waarlangs men kan bewegen en elkaar kan ontmoeten. Die groene structuur wordt gerealiseerd door waardevol groen te behouden, groen toe te voegen waar dat kan, en groen zo aan te leggen dat het meer waarde heeft voor mens en dier. Groen draagt ook bij aan de opgave om hitte te dempen en om het toenemende regenwater als gevolg van de verandering van het klimaat op te vangen. En groen draagt bij aan een grotere biodiversiteit. De Groenvisie streeft daarmee naar het beter maken van de stad: een prettiger plek om te leven, gezonder, socialer, ecologisch sterker en duurzamer.

De hoofdlijnen van de Groenvisie zijn verbeeld op een schetskaart met de ambities voor 2050. De schetskaart vormt een bouwsteen voor de Omgevingsvisie en de herziening van de Hoofdgroenstructuur, en vormt het bovenwijkse kader voor uitwerkingen op gebiedsniveau.

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 77

Figuur 4.16 - Toekomstperpectief op de groene structuur van Amsterdam De uitwerking op gebiedsniveau is maatwerk en is afhankelijk van wat gewenst en mogelijk is op een specifieke plek in de stad. De Groenvisie wordt daarom vertaald naar de praktijk van stadsdelen, gebieden en buurten. Per stadsdeel wordt een kaart gemaakt met daarop de kansen voor groen. Projecten die veel kunnen bijdragen aan de ambities van de Groenvisie worden eerder uitgevoerd. De uitwerking per gebied gebeurt in het kader van het Uitvoeringsprogramma Groen. Hiermee is in 2020 een start gemaakt. Bij de gebiedsuitwerkingen worden de volgende vier principes gehanteerd: 1. Zorgen voor genoeg gevarieerd groen voor iedereen: Parken en landschappen zijn goed bereikbaar via groene routes. 2. Zorgen voor groen dat bijdraagt aan verschillende opgaven: Een goed ingericht en beheerd park kan een prettige plek zijn voor veel bezoekers en tegelijk waardevol zijn voor de natuur. 3. De stad wordt natuurinclusief aangelegd en beheerd: Amsterdam als natuurgebied zorgt voor een toename van wilde planten en dieren in de stad. 4. Aan groen wordt samengewerk t: Bewoners, bedrijven en organisaties worden aangemoedigd om (binnen)tuinen, gevels en daken groener te maken en ecologisch te beheren. Dit levert tevens een bijdrage aan het klimaatbestendig maken van de stad.

Daarnaast wordt de huidige Hoofdgroenstructuur (HGS), zoals die is opgenomen in de Structuurvisie 2040, geactualiseerd. Met de nieuwe HGS wordt gestreefd naar een aaneengesloten netwerk. Waar mogelijk worden de Ecologische structuur, de Hoofdbomenstructuur, het Groennet en de Groene straten- en padenkaart in de nieuwe HGS geïntegreerd. Het bestemmingsplan voorziet in een toevoeging van groenvoorzieningen: kop Schinkeleilanden, park rondom villa Amstelveenseweg, het plantsoen tussen bouwblok 2 en 3, collectieve binnentuinen in de bouwblokken en bomen langs de straten. Conclusie: Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.8.3

Bomenverordening

In een duurzame stad is een gezond bomenbestand belangrijk. Naast een prettig leefklimaat, zorgen bomen ook voor verkoeling en wateropname. Met behulp van de bomenverordening zorgt de gemeente ervoor dat het volume van het bomenbestand in de stad behouden blijft en dat er zorgvuldig wordt omgesprongen met de bomen. Sinds 1 oktober 2016 geldt er één stedelijke bomenverordening in Amsterdam, waarmee voor alle bedrijven en inwoners in de stad dezelfde regels gelden voor de Amsterdamse bomen ten aanzien van het kappen, het behouden en het beschermen van bomen en de handhaving. Hierbij geldt ook de verplichting om te herplanten of compenseren bij kap en is het mogelijk om een zogenoemde jaarvergunning aan te vragen. Uitgangspunt van de bomenverordening is 'Kap mits herplant'. Met andere woorden, voor elke gekapte boom moet er een boom terug worden geplant. Als opnieuw planten van een boom bij kap niet mogelijk is of niet gewenst is op de betreffende plek, dan is het mogelijk om ergens anders in de stad te herplanten of de waarde van de gekapte boom wordt in euro's uitgerekend en gestort in het gemeentelijk herplantfonds. Het geld uit het fonds wordt gebruikt voor nieuwe aanplant van bomen. Jaarlijks wordt gerapporteerd aan het stadsbestuur over kap en bijbehorende aanplant en compensatie.

Gemeente Amsterdam

blz. 78

Conclusie: De resultaten van de bomentoets zijn beschreven in paragraaf 9.5 van deze plantoelichting.

4.9

Sport

4.9.1

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

De bouw van 150.000 nieuwe woningen leidt naar verwachting tot de groei van de stad met 250.000 Amsterdammers, van wie bij een gelijkblijvende sportparticipatie ongeveer 150.000 actief (wekelijks) zullen sporten. De ruimtelijke sportopgave bestaat uit voldoende en aantrekkelijke (groene) openbare gebruiks- en verblijfsruimte in buurten en wijken, die uitnodigt tot sportieve activiteiten en sportief medegebruik van pleinen, plekken en routes. Daarnaast voldoende en goed gespreid aanbod aan sportterreinen voor georganiseerde buitensport. Tegelijk moet het bestaande areaal aan sportterreinen continu worden beheerd, ontwikkeld en verduurzaamd. De omgevingsvisie ziet de grenzen tussen veel stedelijke functies graag zachter worden, ook wat betreft sport en bewegen. Er kan gesport en gespeeld worden in niet daarvoor geprogrammeerd groen, en andersom moeten specifieke voorzieningen als speelplekken en sportvelden natuurinclusief en klimaatadaptief worden vormgegeven. Kortom: verschillende functies en doelen grijpen in elkaar. Zie hiervoor ook de paragraaf Groen uit de omgevingsvisie, waarin een nieuwe hoofdgroenstructuur wordt gepresenteerd. Kleinschalige sport- en speelvoorzieningen horen onderdeel te zijn van de woonomgeving, vooral voor buurtbewoners die afhankelijk zijn van de nabijheid van voorzieningen.

Parken bieden naast ruimte om te spelen en te sporten ook ruimte voor verblijfsrecreatie en natuurwaarden, terwijl de groene en actieve verkeersroutes door de stad en richting de scheggen aantrekkelijke routes vormen om te wandelen, joggen en fietsen (alle drie in de top 10 van meest beoefende sporten in Amsterdam!). De ontwikkeling van de scheggen staat vooral in het teken van landschapsontwikkeling. Op de overgang tussen stad en landschap, in de koppen van de groene scheggen, is het streven om deze poorten naar het landschap nog aantrekkelijker te maken om te sporten en bewegen. Uitgaande van dit continuüm aan vrijetijdsvoorzieningen voor spelen, sporten en recreëren, moeten we anders gaan kijken naar sportparken. Van oudsher zijn sportterreinen vooral gericht op verhuur aan sportaanbieders. Dit blijft een belangrijke functie, maar gezien de ontwikkelingen in de sportbeoefening en de toenemende gebruiksdruk op het groen in en rond de stad, willen we de grotere Amsterdamse sportparken verder ontwikkelen tot parken om in te sporten, bewegen, spelen en recreëren. Daartoe is het afgelopen decennium een belangrijke stap gezet, door niet langer sportparken integraal te verhuren, maar alleen de gebruiksuren van de velden.

Daarmee is het gebruik door andere sportaanbieders, maatschappelijke partijen en particulieren mogelijk geworden en zijn de gemeentelijke sportparken openbaar toegankelijk gemaakt voor publiek en recreatief medegebruik. De ontwikkeling en transformatie van sportparken naar parken om in te sporten, bewegen, spelen en recreëren vergt maatwerk en zal tot stand komen in samenspraak met gebruikers en omliggende buurten. Met de transformatie van het Havenstraatterrein wordt bijgedragen aan de verbinding tussen het Olympisch Stadion en het Amsterdamse Bos. Het zuidelijk deel van het plangebied krijgt een groene invulling evenals de kop van het plangebied rondom het Haarlemmermeerstation. Hiermee wordt ruimte geboden voor spelen, sporten en recreëren. Conclusie:

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 79

Het bestemmingsplan is in overeenstemming met dit gemeentelijk beleid. 4.9.2

Sportvisie Amsterdam

De sportvisie 2025 'De Sportieve Stad' beschrijft de ambities van de gemeente Amsterdam in de komende jaren. Ambities op het gebied van mogelijkheden voor Amsterdammers om te sporten en ambities voor de inrichting van de eigen interne sportorganisatie van de gemeente Amsterdam. Amsterdam is een alom erkende sportstad die uitnodigt tot (sportief) bewegen door een beweegvriendelijke en -stimulerende inrichting van de openbare ruimte, een duurzame en toegankelijke sportinfrastructuur en een rijk en divers aanbod van sport- en beweegactiviteiten voor alle Amsterdammers. De sportvisie vormt te samen met de ontwikkelagenda zowel de basis voor de doorontwikkeling van de gemeentelijke sportorganisatie als het kader voor de samen met partners en stadsdelen op te stellen uitvoeringsplannen. De vier pijlers van het sportbeleid zijn: Sportparticipatie. Alle Amsterdamse kinderen genieten van sport en bewegen. Voor Amsterdammers met een achterstand of beperking biedt het brede scala aan sportaanbieders een passend sport- en beweegaanbod. In Amsterdamse wijken en buurten brengt sport plezier in het leven van alledag. Sportieve ruimte. Amsterdam heeft een toegankelijk, aantrekkelijk en duurzaam aanbod van sportieve ruimte en (top)sportaccommodaties, die bijdragen aan de kwaliteit van de stad, wijken en buurten. Sportaanbieders.

Amsterdam kent een rijk en divers palet aan vitale en maatschappelijk actieve sportaanbieders, die actief sporten en bewegen toegankelijk maken voor alle Amsterdammers. Topsport. Amsterdam is een nationaal en internationaal erkende (top)sportstad met structurele faciliteiten voor topsporters en toptalent en aansprekende evenementen die bijdragen aan de sportieve uitstraling en maatschappelijke en economische ontwikkeling van de stad. Deze pijlers zijn uitgewerkt in negen speerpunten, waarvan in het kader van het bestemmingsplan Havenstraatterrein met name van belang is dat een beweeg- en sportvriendelijke openbare ruimte wordt gerealiseerd. De transformatie van het Havenstraatterrein voorziet in toevoeging van kwalitatief openbare ruimte en zorgt voor een fijnmazig netwerk voor voetgangers. Daarmee wordt voorzien in ruimte is voor bewegen. Naast de Sportvisie 2025 is met betrekking tot sport ook het Sportaccommodatieplan 2015-2022 van belang. In het Sportaccommodatieplan staat waar de gemeente zich in de komende jaren op wil richten als het gaat om sportaccommodaties. Het gaat daarbij over de sporthallen, zwembaden en sportparken, maar ook over de openbare ruimte. Conclusie: Het bestemmingsplan sluit aan op dit gemeentelijk beleid.

Gemeente Amsterdam

blz. 80

bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 81

Hoofdstuk 5 5.1

Archeologie en cultuurhistorie

Inleiding

Archeologie betreft het ondergrondse erfgoed: voorwerpen en structuren die in de bodem zijn bewaard. In gebieden waar archeologische waarden voorkomen, of een reële verwachting bestaat dat deze aanwezig zijn, zal hier rekening mee moeten worden gehouden in het bestemmingsplan. Cultuurhistorie omvat vele aspecten zoals bovengronds erfgoed, monumenten, landschappelijke elementen en structuren, stedenbouwbouwkundige structuren en infrastructuur. Met ingang van 1 januari 2012 zijn gemeenten verplicht om in hun bestemmingsplannen aan te geven welke cultuurhistorische waarden aanwezig zijn en op welke wijze deze worden beschermd. Bij het maken van bestemmingsplannen dient een beschrijving te worden opgenomen van de wijze waarop met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologische waarden rekening is gehouden (artikel 3.1.6 lid 5 Besluit ruimtelijke ordening). Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten verrichten van de cultuurhistorische waarden in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden die in een bestemmingsplan verankerd worden. In dit hoofdstuk worden de uitkomsten van het archeologisch bureauonderzoek en het cultuurhistorisch onderzoek beschreven. Deze rapporten zijn als bijlagen 3, 4 en 31 bij deze plantoelichting opgenomen.

5.2

Archeologie

5.2.1

Toetsingskader

Algemeen Het archeologisch erfgoed bestaat uit structuren, grondsporen en voorwerpen die in de bodem bewaard zijn gebleven. Deze materiële overblijfselen vormen een onderdeel van onze leefomgeving. Het beleid voor het archeologisch erfgoed heeft dan ook veel raakvlak met dat van de ruimtelijke ordening. Voor een optimale integratie van archeologie in de ruimtelijke ordening heeft het rijk onder andere de Monumentenwet 1988 en de Wet ruimtelijke ordening aangepast en de Erfgoedwet geïntroduceerd. De Monumentenwet is per 1 juli 2016 vervallen, maar het deel dat betrekking heeft op de fysieke leefomgeving blijft via het Overgangsrecht in de Erfgoedwet van toepassing. Rijk In 1992 hebben de Europese ministers van Cultuur het Verdrag van Valletta opgesteld (ook bekend als het Verdrag van Malta). Deze culturele overeenkomst had tot doel om meer bewustzijn van het Europese erfgoed te creëren en in het bijzonder het Europese archeologische erfgoed voor toekomstige generaties beter in stand te houden. In Nederland wordt aan dit uitgangspunt invulling gegeven door behoud van archeologisch erfgoed in de bodem (in situ) tijdens de planontwikkeling mee te wegen. Als behoud in de bodem (bijvoorbeeld door middel van technische maatregelen of planaanpassing) geen optie is, dan worden archeologische resten opgegraven (behoud ex situ).

De initiatiefnemer van een ruimtelijk plan dat bodemverstoring tot gevolg heeft, is verantwoordelijk voor de planologische en de financiële inpassing van het archeologisch onderzoek.

Gemeente Amsterdam

blz. 82

In de Monumentenwet is een bepaling opgenomen dat in elk bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met de in de grond aanwezige, dan wel te verwachten archeologische waarden. De Erfgoedwet bevat een verplichting om toevalsvondsten te melden (de zogenaamde meldingsplicht). Provincie Noord-Holland Als toetsingskader voor bestemmingsplannen en omgevingsvergunningen gebruikt de provincie Noord-Holland de omgevingsvisie, de leidraad Landschap en Cultuurhistorie en de Informatiekaart Landschap en Cultuurhistorie (ILC). Op grond van de Wro dienen gemeenten bij de vaststelling van bestemmingsplannen, projectbesluiten en beheersverordeningen de provinciale omgevingsverordening in acht te nemen. Op de ILC zijn o.a. archeologisch verwachtingsvolle gebieden opgenomen. Naast de ILC beheert de provincie de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van het rijk. Op de AMK staan de beschermde archeologische monumenten, de terreinen van zeer hoge en hoge archeologische waarde en de gebieden met een archeologische betekenis. De waardestellingen van de ILC en AMK zijn bedoeld als algemene indicaties die per specifiek plangebied nadere invulling en precisering nodig hebben. Gemeente Amsterdam De gemeente Amsterdam vindt het belangrijk dat archeologie vroegtijdig in ruimtelijke ordeningsprocessen wordt geïntegreerd. Hiermee worden twee doelen gediend.

Ten eerste een efficiënte voortgang en kostenbeheersing van bouwprocessen. En ten tweede een kwalitatief goed en stadsbreed uniform beheer van het archeologische erfgoed. Op basis van de resultaten uit het archeologisch bureauonderzoek wordt bepaald of in het bestemmingsplan regels met betrekking tot archeologie moeten worden opgenomen. De Monumentenwet biedt een tweetal mogelijkheden (artikelen 39-40) die Monumenten en Archeologie heeft uitgewerkt in de modelregels archeologie. De bescherming van (verwachte) archeologische waarden in een bestemmingsplan wordt geregeld met een omgevingsgunning als bedoeld in artikel 2.1 lid 1 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Aan een omgevingsvergunning zijn bouwregels verbonden: die bepalen dat in het belang van de archeologische monumentenzorg de aanvrager van een omgevingsvergunning een archeologisch rapport met selectiebesluit dient te overleggen. Daarnaast kan in het bestemmingsplan worden opgenomen dat een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd voor het uitvoeren van aanlegwerkzaamheden. Aan een omgevingsvergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Dit houdt in dat aan de vergunning de verplichting wordt gekoppeld om technische maatregelen tot behoud te treffen, om de archeologische resten op te graven of om de werkzaamheden te laten begeleiden door een archeoloog.

De bouwregels en de omgevingsvergunning voor aanlegwerkzaamheden bevatten daarnaast uitzonderingen die duidelijk maken in welke gevallen archeologisch onderzoek niet nodig is. In Amsterdam gelden elf beleidsvarianten, zoals de uitzondering van archeologisch onderzoek bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de- of 20ste-eeuwse ophogingen (Appendix: Beleidsvarianten). In de praktijk komen per plangebied meestal twee tot zes varianten voor. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie De uitvoering van archeologisch onderzoek is gebonden aan de Beoordelingsrichtlijn Archeologie (BRL SIKB 4000) en daarmee samenhangend de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA). De KNA gaat uit van een gefaseerde aanpak. Er wordt onder meer onderscheid gemaakt tussen Bureauonderzoek, een Inventariserend Veldonderzoek en het doen van Opgravingen (Appendix: bestemmingsplan_Havenstraatterrein (vastgesteld)

blz. 83

stroomschema). Het inventariserend veldonderzoek is bedoeld om de resultaten van het bureauonderzoek te toetsen. Het geeft inzicht in de aanwezigheid en toestand van de archeologische overblijfselen in de bodem. Een opgraving wordt uitgevoerd wanneer er sprake is van een vindplaats met waardevolle archeologische resten. Archeologisch veldonderzoek wordt, afhankelijk van de bodemingreep en de verwachting, voorafgaand aan of tijdens de civieltechnische werkzaamheden (variant archeologische begeleiding) uitgevoerd. Elke onderzoeksfase wordt afgesloten met een selectiebesluit. Hierin wordt vastgesteld welke delen van een plangebied in aanmerking komen voor verder archeologisch onderzoek of voor bescherming en welke delen van het plangebied worden vrijgegeven. Voor archeologisch veldonderzoek is een Programma van Eisen (PvE) vereist. Hierin zijn de kwalitatieve randvoorwaarden en onderzoeksvragen voor het werk vastgelegd. Het vormt de basis voor verdere planning en kostenraming. Het laten opstellen ervan behoort tot de verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer van het bouwplan. Beleidsvarianten en stroomschema Het archeologisch beleid wordt als maatwerk voor een bepaald plangebied in Amsterdam vastgesteld aan de hand van elf varianten, die een afweging bieden op basis van de aard van de verwachting in combinatie met de specifieke (oppervlakte/diepte) bodemingreep. 1.

Gebieden met bekende archeologische waarden. Aangezien hier met zekerheid archeologische overblijfselen aanwezig zijn, is bij elke ingreep in de (water)bodem, ongeacht het oppervlak of de diepte, archeologisch onderzoek noodzakelijk. 2. Bebouwde gebieden met een hoge archeologische verwachting binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 50 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. 3. Gebieden met een hoge archeologische verwachting langs nog aanwezige historisch infrastructurele assen / in een historische woonkern buiten het historische centrum van Amsterdam. Deze gebieden zijn onbebouwd of de bebouwing dateert van vóór de 19de eeuw. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. 4. Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten het historische centrum van Amsterdam, waarvan de huidige bebouwing dateert uit de late 19de eeuw. De verwachte resten hebben een dichte spreiding. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 100 m2 of ondieper dan de 19de-eeuwse ophogingen. 5.

Gebieden met een hoge archeologische verwachting buiten het historische centrum van Amsterdam, waarvan de huidige bebouwing dateert uit de late 19de of 20ste eeuw. Indien de bebouwing dateert uit de 19de eeuw hebben de verwachte resten een wijdere spreiding. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 500 m2 of ondieper dan de 19de- en 20ste-eeuwse ophogingen. 6. Onbebouwde gebieden met een lage archeologische verwachting in de landelijke periferie van Amsterdam. Hier liggen archeologische vondsten dicht aan het oppervlak, zodat relevante archeologische lagen kunnen zijn opgenomen in de bouwvoor. De bouwvoor heeft gemiddeld een diepte van 0,3 - 0,5 m waaronder een eerste sporenvlak zichtbaar wordt. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of minder dan 0,5 m onder maaiveld. 7. Bebouwde gebieden met een lage archeologische verwachting binnen het historische centrum van Amsterdam (tot en met de Vierde Uitleg: binnen de Singelgracht). De bebouwing dateert uit het einde van de 19de en de 20ste eeuw. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij bodemingrepen kleiner dan 10.000 m2 of ondieper dan de 19de en 20ste eeuwse ophogingen. 8. Terreinen met een hoge archeologische verwachting die als vaarweg in gebruik zijn binnen het

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10976610/1