Raadsbesluit 2021-271A Bekendmaking Wijziging Huisvestingsverordening 2022 met Amendementen
Tekst van het document
Een woongemeenschap is een type wooncooperatie gevormd met sociale huurwoningen van woningcorporaties. Dit type wordt ook wel een beheercooperatie genoemd. Belangrijk onderdeel van een dergelijke woongemeenschap is dat nieuwe bewoners kunnen worden gekozen middels cooptatie. Cooptatie is een systeem waarbij leden van een bestaande groep, zoals een woongemeenschap, samen nieuwe leden, in dit geval nieuwe bewoners, kiezen. Voor ingebruikname van sociale huurwoningen bevat de Huisvestingsverordening uitgebreide toewijzingsregels. Om toewijzing van vrijgekomen woningen in een woongemeenschap door middel van cooptatie mogelijk te maken moeten deze woningen worden uitgezonderd van de huisvestingvergunningplicht. De reguliere woonruimteverdelingsregels uit de verordening worden namelijk niet gevolgd en de Huisvestingswet maakt het niet mogelijk om cooptatie in de huisvestingsverordening zelf vast te leggen. Overigens blijft er wel een inkomensgrens voor deze woningen gelden. Op basis van de Woningwet en het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 gelden inkomensgrenzen voor woningen van woningcorporaties. Die inkomenseisen blijven onverkort van toepassing. De uitzondering voor de aangewezen woongemeenschappen is als volgt geregeld. Bewoners kunnen zich verenigen en in overleg met woningcorporaties een woongemeenschap oprichten.
Woongemeenschappen moeten door woningcorporaties bij de gemeente worden aangemeld voor de uitzondering. Daarop worden de woongemeenschappen in een bijlage bij de Huisvestingsverordening opgenomen en uitgezonderd van de huisvestingsvergunningplicht. De aanmelding van woongemeenschappen wordt een jaarlijks terugkerende procedure. leder jaar kunnen woongemeenschappen worden toegevoegd. De Huisvestingsverordening wordt in principe eenmaal per jaar gewijzigd en met behandeling door de gemeenteraad in november of december. Woongemeenschappen zullen om hierin meegenomen te kunnen worden in augustus van ieder jaar door woningcorporaties moeten worden aangemeld bij de gemeente, dan wel afgemeld bij het opheffen van het coOptatierecht van een woongemeenschap. Nieuwe initiatieven kunnen in aanloop naar de definitieve realisatie worden aangemeld en kunnen in de bijlage worden opgenomen ook al zullen zij nog niet direct met inwerkingtreding van de wijziging (gewoonlijk 1
24
januari van ieder jaar) definitief zijn. Door zo te anticiperen kan worden voorkomen dat zij een bepaald tijdbestek niet gedekt zijn. Het is aan woningcorporaties om te beoordelen of dit nodig is, dit is afhankelijk van het verwachte moment waarop woningen in nieuwe woongemeenschappen voor het eerst worden verhuurd. Hiernaast worden zorgwoningen van woningcorporaties uitgezonderd van de huisvestingsvergunningplicht. Dit zijn ook woningen die niet volgens de reguliere woonruimteverdelingsregels in de verordening worden toegewezen. Deze woningen worden meestal door een zorginstelling van de woningcorporatie gehuurd en de zorginstelling koppelt de woning aan een zorgclient. Deze uitzondering betreft een algemene vrijstelling voor woningen van woningcorporaties die kwalificeren als zorgwoning. De zorgwoningen zijn dus automatisch uitgezonderd en worden niet afzonderlijk aangewezen in de bijlage bij de verordening. Onderdeel C In dit onderdeel wordt een verwijzing aangepast omdat artikel 2.3.7 ingevolge deze verordening komt te vervallen en de inhoud van dit artikel voortaan wordt geregeld in artikel 2.5.3. Onderdeel D Artikel 2.3.7 bevatte de voorrangregeling voor werknemers in het onderwijs en in de zorg waar een tekort aan is in Amsterdam. Dit is een vorm van lokale economische bindingsvoorrang in de zin van de Huisvestingswet.
Ten behoeve van overzichtelijkheid worden alle voorrangsregelingen op grond van lokale binding met ingang van 2022 in een aparte paragraaf in de Huisvestingsverordening behandeld (paragraaf 5 van Hoofdstuk 2). Artikel 2.3.7 komt zodoende te vervallen maar de inhoud is verplaatst naar paragraaf 5 van Hoofdstuk 5. Onderdeel E Artikel la van de Huisvestingswet geeft de mogelijkheid om in een Huisvestingsverordening bepaalde typen woonruimten te koppelen aan een specifieke doelgroep (passendheidscriteria). Het gaat dan om woningzoekenden voor wie die woonruimte gelet op de aard, de grootte of de prijs daarvan, bijzonder geschikt is. In artikel 2.4.4 zijn categorieen woonruimten aangewezen die bijzonder geschikt zijn voor een bepaalde doelgroep en waarvoor aldus passendheidscriteria gelden (kolommen i en 2). De woningzoekenden die vallen binnen de doelgroep van het label krijgen voorrang indien ze reageren op de woning. In het tweede lid is een tabel opgenomen met de categorieen woonruimten en daarbij behorende doelgroep. Onderdeel E voegt twee categorieen woonruimten toe aan deze tabel, namelijk de rolstoelwoning met drie kamers en de rolstoelwoning met vier of meer kamers. In het geval van de 'drie kamer rolstoelwoning' krijgen huishoudens met een of twee minderjarige kinderen voorrang op andere huishoudens.
Op de rolstoelwoningen met vier of meer kamers krijgen huishoudens met drie of meer minderjarige kinderen voorrang. Voor beide categorieen geldt dat een lid van het huishouden in bezit moet zijn van een indicatie voor een rolstoelwoning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning. Onderdeel F Artikel 2.4.5 bevatte de limieten die vanuit de Huisvestingswet gelden voor het geven van voorrang op grond van lokale binding en de aanwijzing van sociale huurwoningen van corporaties voor de voorrangsregeling voor maatschappelijke beroepsgroepen. Ten behoeve van overzichtelijkheid worden alle bepalingen op grond van lokale binding met ingang van 2022 in een aparte paragraaf in de Huisvestingsverordening behandeld (paragraaf 5 van Hoofdstuk 2). Artikel 2.4.5 komt daarom te vervallen.
25
Onderdeel G Artikel 2.4.7 regelt in aanvulling op artikel 2.4.4 in welke volgorde woningzoekenden voor gereguleerde woningen in aanmerking komen. Onderdeel G wijzigt de volgordebepaling in artikel 2.4.7 ten aanzien van rolstoelwoningen. Het zesde lid bepaalt dat voor 'drie kamer rolstoelwoningen' huishoudens met een of twee minderjarige kinderen voorrang krijgen op andere huishoudens. Daarna komen huishoudens die enkel bestaan uit een of twee volwassenen aan de beurt. Overige woningzoekenden met een indicatie voor een rolstoelwoning komen in aanmerking na deze twee voorrangsgroepen. Het zevende lid bepaalt dat gezinnen met drie of meer kinderen als eerste in aanmerkingen komen op rolstoelwoningen met vier kamers of meer gevolgd door gezinnen met twee kinderen en gezinnen met een kind. Overige woningzoekenden met een indicatie voor een rolstoelgeschikte woning komen in aanmerking na deze twee voorrangsgroepen. In het achtste lid wordt verduidelijkt dat voorrang op basis van de grootte van het huishouden voorgaat op de indeling in acute, dringende of noodzakelijke rolstoelproblematiek. Dat betekent dat rolstoelwoningen altijd passend moeten worden bewoond naar de grootte van de woning. Daarnaast wordt verduidelijkt dat huishoudens die in het bezit zijn van een rolstoelwoning (doorstromers) pas na starters met een indicatie voor een rolstoelwoning aan de beurt komen.
In het elfde lid wordt de tekst in de verordening beter aangesloten bij de terminologie die gebruikt wordt bij de verdeling van rolstoelwoningen ('acuut' of 'dringend' in plaats van 'dringend noodzakelijk'). Tot slot worden een dertiende en veertiende lid toegevoegd die het mogelijk maken dat in het geval van woningruil, of verhuizing naar een beter passende woonruimte met gebruikmaking van de Subsidieregeling Stedelijke vernieuwing, verhuisregelingen en ouderenhuisvesting 2019 of in het kader van de regeling Van Hoog naar Laag, wordt afgeweken van de volgordebepalingen in de Huisvestingsverordening. Dit zijn namelijk situaties die worden behelst door andere regelgeving. Onderdeel H Ten behoeve van overzichtelijkheid worden alle voorrangsregelingen op grond van lokale binding in Amsterdam met ingang van 2022 in een aparte paragraaf in de Huisvestingsverordening behandeld (paragraaf 5). De stadsdeelvoorrang is geregeld in de artikelen 2.5.1 en 2.5.2. Het eerste lid van artikel 2.5.1 regelt de voorrang voor bewoners uit hetzelfde stadsdeel als waar het nieuwbouw- of transformatiecomplex is gelegen. De voorrang geldt voor 25 procent van de woningen in het complex. Dit betekent dat op het andere deel van de woningen in het complex woningzoekenden met en zonder binding met het stadsdeel een gelijke kans hebben.
De complexen waar de stadsdeelvoorrang geldt worden aangewezen in bijlage la. Er worden voor de voorrang alleen complexen in de bijlage van de Huisvestingsverordening opgenomen die voor de eerste keer worden verhuurd (bij oplevering). Het kan hierbij gaan om nieuwbouwcomplexen, maar ook om transformatieprojecten of vernieuwbouw. Complexen staan een jaar op de lijst van de bijlage, na eerste verhuring geldt de lokale voorrang niet meer. Het tweede lid regelt bepaald welke binding met het stadsdeel nodig is om voorrang to hebben. Onder woningenzoekenden met stadsdeelbinding wordt verstaan de woningzoekende die de afgelopen zesjaar ingezetene was van het stadsdeel waar het complex is gelegen dan wel daar gedurende de afgelopen tien jaar ten minste zesjaar onafgebroken ingezetene van is geweest. Het derde lid bepaalt dat bij de stadsdeelvoorrang wordt aangesloten bij de stedelijke gebiedsindeling van de gemeente
26
Amsterdam. De gemeente Amsterdam heeft op dit moment zeven stadsdelen, namelijk de stadsdelen Centrum, Nieuw-West, West, Noord, Oost, Zuid, en Zuidoost. Artikel 2.5.2 bevat de volgordebepaling van woningzoekenden voor de woningen waar stadsdeelvoorrang geldt. De onderlinge verhouding tussen verschillende voorrangsregelingen wordt in het artikel verduidelijkt. Het eerste lid regelt de volgorde voor middeldure huurwoningen en het tweede lid regelt de volgorde voor sociale huurwoningen. Voor beide geldt de volgende volgorde: i.
woningzoekenden die voldoen aan passendheidscriteria voor de woning en stadsdeelvoorrang;
2. woningenzoekenden die voldoen aan de passendheidscriteria; 3.
woningzoekenden die voldoen aan de stadsdeelvoorrang;
4. woningzoekenden die op grond van andere regels in de huisvestingsverordening voorrang hebben; 5. overige woningzoekenden. In beide gevallen prevaleren de passendheidscriteria om te verzekeren dat schaarse grote woningen naar gezinnen gaan en de goedkopere woningen bij personen met een lager inkomen terecht komen. Het derde lid regelt de onderlinge verhouding tussen woningenzoekenden die voldoen aan de eisen van stadsdeelvoorrang. In het geval van een nieuwbouwcomplex met sociale huurwoningen van woningcorporaties gaat degene met de langste inschrijfduur voor op andere woningzoekenden. Voor andere woningen is in het geval er meerdere gegadigden zijn die voldoen, loting voorgeschreven. In de artikelen 2.5.3 tot en met 2.5.6 wordt de voorrangsregeling voor maatschappelijke beroepsgroepen waar een tekort aan is in Amsterdam ondergebracht. Sinds 2020 geldt deze voorrang voor werknemers in het onderwijs en in de zorg met functies waar het tekort het meest knelt. Vanaf 2022 wordt de beroepsgroep politie toegevoegd aan de regeling. Per 2022 wordt de regeling ook aangepast om de toewijzing van woningen op grond van deze voorrangsregeling doelmatiger te laten verlopen. De werkwijze met de kandidatenlijsten wordt aangepast om het proces van de beoordelingen soepeler te laten verlopen en er wordt een maximum aantal weigeringen vastgesteld.
Daarnaast worden doorstromers uit de sociale sector toegevoegd als voorrangscategorie voor het middeldure woningaanbod voor beroepsgroepen. In artikel 2.5.3 staan algemene pijlers van de voorrangsregeling voor beroepsgroepen. In het eerste en tweede lid zijn de woonruimten aangewezen waarop de voorrangsregeling van toepassing is. In het derde lid staat dat woningen worden toegewezen op basis van wachttijd en passendheid voor het type woning en dat via directe bemiddeling een woningaanbod wordt gedaan. Het vijfde lid omschrijft de beroepsgroepen die in aanmerking komen. In hoofdstuk ao van de Nadere regels bij de Huisvestingsverordening is voor bepaalde sectoren nader bepaald welke specifieke functies in aanmerking komen. De reden hiervoor is dat de regeling vanwege het beperkte woningaanbod moet worden toegespitst op functies waaraan het tekort het meest nijpend is. Dit wordt in samenspraak met de sector geinventariseerd. In het zesde en zevende lid staan de algemene voorwaarden die aan de werknemers worden gesteld om in aanmerking te komen voor de voorrangsregeling. Artikel 2.5.4 bevat de procedure van de beroepsgroepenvoorrang. De procedure van aanmelding tot toewijzing is in grote lijnen als volgt: 3.) inschrijving en plaatsing op de inschrijflijst, 2) 27
beoordeling van de aanvraag, 3) aanvrager krijgt plek toegewezen op de bemiddelingslijst die werkt op volgorde van aanmelding, 4) de bemiddeling aan een woning. Er is dus een inschrijflijst voor alle aanmeldingen en een bemiddelingslijst met enkel degenen die na beoordeling in aanmerking komen voor woonruimte. De bemiddelingslijst is een lijst met kandidaten die definitief beoordeeld zijn en waarvan de gegevens gecontroleerd zijn. Zij hebben een zogeheten bemiddelingsstatus en aan hen kan via directe bemiddeling een woningaanbod worden gedaan. Van deze bemiddelingslijst krijgen personen een woningaanbod op basis van volgorde van aanmelding (wachttijd). Op grond van het zevende lid kunnen burgemeester en wethouders bepalen hoeveel kandidaten beoordeeld worden voor de bemiddelingslijst met het oog op doelmatigheid van de regeling. Zodra kandidaten verdwijnen van de bemiddelingslijst vallen er plaatsen vrij en kunnen nieuwe kandidaten worden beoordeeld vanuit de inschrijflijst. De eerstvolgende op de inschrijflijst wordt op dat moment beoordeeld en bij goedkeuring op de bemiddelingslijst geplaatst. De inschrijflijst wordt ook samengesteld op volgorde van aanmelding.
In artikel 2.5.5 is bepaald wanneer burgemeester en wethouders een inschrijving kunnen weigeren en intrekken, wanneer zij een kandidaat kunnen weigeren voor de bemiddelingslijst of een bemiddelingsstatus kunnen intrekken. Op grond van het derde lid vervalt een bemiddelingsstatus indien een kandidaat niet op komt dagen bij een bezichtiging na aanvaarding van een uitnodiging zonder afmelding voor het tijdstip van de bezichtiging, bij een derde weigering van een aangeboden woning, en als de kandidaat niet langer voldoet aan de voorwaarden voor de regeling. Voor de uitvoering is het noodzakelijk het aantal keer dat een woningzoekende een aangeboden woning kan weigeren te begrenzen. De gemeente bemiddelt kandidaten vanaf de bemiddelingslijst naar een woonruimte. Hierbij wordt gekeken of woonruimte passend is qua leeftijd, huurprijs en woninggrootte. Burgemeester en wethouders stellen hier op grond van het vierde lid nadere regels over vast. Op grond van artikel 2.5.6 is de standaard geldigheidsduur van de bemiddelingsstatus een jaar (eerste lid) met een verlengingsoptie van een jaar op verzoek van de kandidaat (tweede en derde lid). Woningzoekenden blijven anders op de bemiddelingslijst staan, ook al hebben ze mogelijk reeds passende woonruimte gevonden.
Het gevolg is dat daardoor kandidaten benaderd worden die niet meer gelnteresseerd zijn wat voor een te zware uitvoeringslast zorgt voor gemeente en verhuurders. In artikel 2.5.7 is vastgelegd dat de gemeente zich aan de limieten houdt die voor voorrang op grond van regionale of lokale binding gelden op grond van de Huisvestingswet en het Besluit uitvoering Crisis- en herstelwet. Onderdeel I In artikel 2.6.3 wordt mogelijk gemaakt dat burgemeester en wethouders het zoekgebied voor een urgentieverklaring kunnen bepalen. In het najaar van 2022 stapt de woningmarktregio Amsterdam over op een nieuw regionaal woonruimteverdeelsysteem. Onderdeel van deze wijziging is dat aan woningzoekenden die urgent zijn, met uitzondering van houders van een urgentie wegens stadsvernieuwing, voortaan via directe bemiddeling een woning wordt aangeboden. Door de overgang van de mogelijkheid tot het zelf zoeken naar woonruimte naar een aanbod van woonruimte via directe bemiddeling wordt de keuzevrijheid van woningzoekenden beperkt. Het kan in uitzonderlijke situaties en vanwege bijzondere persoonlijke omstandigheden nodig zijn dat de houder van een urgentieverklaring in een bepaald woongebied met bijhorend stadsdeel/stadsdelen geplaatst moet worden, of andersom dat een bepaald stadsdeel moet worden uitgesloten. Daar is deze wijziging voor nodig.
28
Onderdeel J In artikel 2.6.4 wordt in samenhang met de wijziging in onderdeel I aangepast dat voor urgentieverklaringen niet standaard meer de hele gemeente Amsterdam het zoekgebied is. Onderdeel K In dit onderdeel wordt een urgentiecategorie toegevoegd voor statushouders waarvoor de huidige woonruimte door gezinshereniging met gezinsleden uit het land van herkomst niet meer passend is. Statushouders krijgen door middel van directe bemiddeling een woning aangeboden. Deze woning is qua grootte passend voor de statushouder. Hierbij wordt geen rekening gehouden met gezinsleden uit het land van herkomst die zich later herenigen met de statushouder. In de praktijk wordt bij een gezinshereniging dan een nieuwe passende woning aangeboden. Hiervoor was nog geen urgentiecategorie opgenomen in de Huisvestingsverordening. Met de wijziging in dit onderdeel wordt deze situatie juridisch verankerd als urgentiecategorie. Onderdeel L Artikel 2.6.9 regelt de geldigheid van een urgentieverklaring. In het derde lid is op dit moment bepaald dat een urgentieverklaring na 52 weken van rechtswege vervalt. Deze wijziging houdt in dat voortaan een urgentieverklaring niet meer automatisch na 52 weken vervalt, maar afhankelijk is van de in de (verlengings)beschikking bepaalde geldigheidstermijn.
Op deze manier kan de geldigheidstermijn van een urgentieverklaring worden verlengd zonder dat de urgentieverklaring komt te vervallen. Onderdelen M, N en 0 (vervallen) Onderdelen P en Q Uitgezonderde situaties van voorraadvergunningplichten stonden altijd in een artikel, namelijk artikel 3.1.2. Dat artikel werd door extra uitzonderingen door de jaren heen te uitgebreid en onoverzichtelijk. Er is nu voor gekozen om per voorraadvergunning aan te geven welke situaties zijn uitgezonderd van de vergunningplichten. Dit is duidelijker en overzichtelijker. Dit 'evert nieuwe artikelen op omdat de inhoud wordt verdeeld over meerdere artikelen. Artikel 3.1.2 bevat de uitzonderingen voor onttrekkingen, artikel 3.1.3 bevat de uitzonderingen voor samenvoegen, artikel 3.1.4 voor omzetten, artikel 3.1.5 voor woonruimtevorming en artikel 3.1.6 voor algemene uitzonderingen. Er bestaat sours onduidelijkheid over wanneer iets wel en wanneer iets geen onttrekking is. Dat is al jaren ongewijzigd maar met de introductie van deze nieuwe artikelen wordt dat hier volledigheidshalve nog een keer apart toegelicht. Onder "aan de bestemming onttrekken" wordt verstaan elk ander gebruik dan permanente bewoning. Met andere woorden, een woning mag niet worden gebruikt voor een ander doel dan voor permanente bewoning.
De betekenis van het begrip "bewoning" is gelijk aan de betekenis die daaraan in het normale spraakgebruik wordt gehecht. Wie een huis "bewoont" en is ingeschreven in de basisregistratie personen heeft daar— permanent—zijn hoofdverblijf. Permanent houdt in een periode van tenminste zes maanden. Sturen op het handhaven van de bestemming tot bewoning, wordt noodzakelijk geacht vanwege de grote druk op de Amsterdamse woningmarkt. Daarnaast worden enkele uitzonderingen toegevoegd. Dat betreft ten eerste de uitzondering voor het in gebruik geven van een woonruimte 'om niet' (anti-kraak) zoals beschreven in artikel 3.1.2, tweede lid, en de uitzondering in het derde lid van artikel 3.1.2 waarin wordt aangegeven dat het in
29
gebruik geven van woonruimten aan internationale studenten voor korter dan zes maanden geen onttrekkingsvergunning behoeft wanneer deze door een hoger onderwijsinstelling is gereserveerd als landingsplek. Juridisch gezien is alleen sprake van wonen wanneer de hoofdfunctie wonen is en bewoners voornemens zijn minimaal zes maanden in de woning te wonen. Bij anti-kraaksituaties en de huisvesting van internationale studenten door hoger onderwijsinstellingen kan juridisch sprake zijn van onttrekking omdat er korter wordt gewoond. Voor deze twee vormen van onttrekking zijn daarom vrijstellingen op de onttrekkingsvergunningplicht opgenomen in artikel 3.1.2. In het geval van anti-kraak moet het gaan om in gebruik geven om niet als bedoeld in artikel 1777 van Boek 7A van het Burgerlijk Wetboek en de landingsplekken voor internationale studenten moeten door instellingen voor hoger onderwijs worden verhuurd als landingsplek en voor kort verblijf. Sinds inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur per ijanuari 2021 bestaat voor gemeenten de mogelijkheid vrijstellingen te verlenen op de vergunningplicht voor vormen van woningonttrekking. Het is daarom mogelijk voor deze situaties een vrijstelling op de vergunningplicht te geven. Tot slot is er een vrijstelling voor woningvormen van kamers gegeven in artikel 3.1.5.
Woningvormen werd in Amsterdam geInterpreteerd als het verbouwen van een zelfstandige woning naar meerdere zelfstandige woningen. De Raad van State heeft in een uitspraak echter geoordeeld dat wanneer in een woning met een (kleine) verbouwing een extra kamer wordt gerealiseerd voor kamerverhuur ook sprake is van woningvormen. In Amsterdam is er alleen een vergunning te krijgen voor het vormen naar zelfstandige woningen. Daarmee was het creeren van extra kamers middels een (kleine) verbouwing voor kamerverhuur in een woning de facto verboden, omdat er geen vergunning voor vormen voor kan worden vergeven. Omdat kamerverhuur al middels de omzettingsvergunning wordt gereguleerd is het doelmatiger een vrijstelling in het leven te roepen voor de vergunningplicht voor woningvormen in het geval van het vormen van kamers. Op deze manier blijven de regelgevende kaders voor kamerverhuur en woningvormen naar nieuwe zelfstandige woningen duidelijker gescheiden en wordt voorkomen dat voor een handeling twee vergunningen binnen de Huisvestingsverordening nodig zijn. De wijziging beoogt het beleid weer zo te maken zoals dat gold tot aan de uitspraak van de Raad van State, maar dan op een juridisch juiste manier. Wel is deze vrijstelling zo opgenomen dat deze alleen geldt wanneer er een omzettingsvergunning is verleend voor het totale aantal kamers, inclusief de gevormde kamer.
Dit is om te voorkomen dat de vrijstelling werking krijgt voor verhuurders die zich niet aan de plicht van de omzettingsvergunning houden. Als extra stok achter de deur is daarom bepaald dat deze vrijstelling louter geldt wanneer men een omzettingsvergunning heeft voor het totale aantal kamers, zijnde met inbegrip van de nieuw gevormde extra kamer.
Onderdeel R In dit onderdeel wordt voor het moment waarop de geldigheid van een jaar wordt gerekend niet meer vanaf het onherroepelijk worden van de vergunning geteld maar vanaf het moment dat de vergunning is afgegeven. Dat is immers een eenduidiger moment dan het onherroepelijk worden van een vergunning omdat dit laatste afhangt van mogelijk bezwaar- en beroepzaken. Het is voor de gemeente niet altijd goed in te zien altijd of bezwaar- en beroepzaken nog bij gerechtelijke instanties lopen. Door het moment van de afgifte van de vergunning te nemen ontstaat er meer duidelijkheid en gelijkheid tussen verschillende situaties. Daarnaast is wel een bevoegdheid opgenomen om uitstel te kunnen verlenen en de termijn van een jaar te verlengen in het geval van bijzondere omstandigheden.
30
Onderdeel S Met dit onderdeel wordt niet meer opgenomen dat de nieuwe vergunninghouder bij het overnemen van de vergunning de vergunning op zijn naam kan krijgen, maar louter dat deze nieuwe vergunninghouder een afschrift van de oude vergunning kan krijgen. Dat is voldoende. Het opnieuw uitvaardigen van een vergunning stuitte op logistieke en administratieve bezwaren. Onderdeel T Een oude verwijzing naar een inmiddels vervallen artikel wordt hier redactioneel verwijderd. Onderdeel U Zie toelichting onder R. Onderdeel V In dit onderdeel wordt 'adressen' veranderd in 'woningen'. Met deze wijziging van de Huisvestingsverordening is de term woning toegevoegd. De term 'adressen' had het nadeel dat hiermee ook adressen, niet zijnde woningen, werden meegeteld voor het pandquotum zoals een winkel waar dit beleidsmatig niet de bedoeling is. Met de term 'woning' wordt dit hersteld. Onderdeel W In dit onderdeel wordt een algemene bevoegdheid gecreeerd om extra bescheiden op te vragen wanneer dit nodig is voor de beoordeling van een aanvraag voor een vergunning. Dit kan nodig zijn om een vergunningaanvraag goed te kunnen beoordelen. Onderdelen X en Y Dit betreffen wijzigingen van technische aard omdat bepaalde voorwaarden die gesteld werden juridisch gezien beter vallen te kwalificeren als voorschriften. Derhalve zijn deze verplaatst. Materieel is geen wijziging beoogd.
Onderdelen Z, AA, BB en CC Zie toelichting onder R.
Onderdeel DD Onderdeel DD betreft het toevoegen van een nieuwe paragraaf voor de invoering van verplichtingen voor platforms die met de nieuwe Wet toeristische verhuur mogelijk zijn. De afdeling wordt hieronder integraal artikelsgewijs toegelicht. De belangrijkste redenen voor het reguleren van de toeristische verhuur van woonruimte zijn het tegengaan van het oneigenlijk gebruik van woonruimten, de impact op de leefbaarheid van de woonomgeving, de veiligheid van woonruimten die voor toeristische verhuur worden aangeboden en een gelijk speelveld voor aanbieders van accommodatie voor toeristen. Het veelvuldig toeristisch verhuren van een woonruimte heeft tot gevolg dat de woonfunctie niet meer overheersend is en er sprake kan zijn van oneigenlijk gebruik van de woningvoorraad. Dit is onwenselijk in gemeenten waar schaarste aan woonruimte is, zoals in Amsterdam. Indien een woonruimte toeristisch wordt verhuurd, is zij niet beschikbaar voor de woonfunctie wat ten koste kan gaan van de woningvoorraad en mogelijk effect heeft op de koop- en huurprijzen. Ook kunnen speculatieve vastgoedbedrijven hierop inspelen door woonruimten uitsluitend toeristisch te verhuren, waardoor het aanbod van woonruimte verder afneemt. Toeristische verhuur van woonruimte kan daarnaast ook de leefbaarheid in de woonomgeving aantasten. Dit is
31
voornamelijk het geval in gebieden waar een concentratie van toeristische verhuur plaatsvindt. Toeristische verhuur van woonruimte heeft ook invloed op de leefbaarheid van woningen. Het veelvuldig gebruik van meerdere woonruimten voor toeristische verhuur in dezelfde buurt invloed op het karakter en de sociale cohesie van de buurt. Daarnaast heeft toeristische verhuur van woonruimte overlasteffecten. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan het houden van feesten in de woonruimte, luide muziek op nachtelijke uren, rollende koffers in trappenhallen, extra verkeer (aan- en afrijdende taxi's) en andere vormen van overlast. In sommige gevallen kan het zelfs invloed hebben op de openbare orde en veiligheid in de buurt. Amsterdam heeft sinds 203.4 verschillende maatregelen genomen om toeristische verhuur te reguleren. In 2020 heeft Amsterdam een vergunningplicht ingevoerd voor vakantieverhuur en sinds i april 2021 ook een registratieplicht voor toeristische verhuur. De registratieplicht is een van de nieuwe maatregelen die de Wet toeristische verhuur mogelijk heeft gemaakt. Artikel 3.10.1 Publicatieverbod aanbiedingen 1.
Het is voor degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur verboden om een aanbod tot het in gebruik geven van een woonruimte voor toeristische verhuur te publiceren zonder dat daarbij een registratienummer is vermeld.
Platforms voor toeristische verhuur van woonruimten zijn verplicht om bij elke advertentie van een woonruimte een registratienummer te vermelden. Het aanbieden van advertenties zonder registratienummer wordt daarmee onmogelijk gemaakt. 2.
Het is voor degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur verboden aanbiedingen van een woonruimte gedurende de rest van het kalenderjaar te tonen, indien diegene door burgemeester en wethouders ervan in kennis is gesteld dat die specifieke woonruimte reeds voor het maximum aantal nachten als bedoeld in artikel3.7.3 in dat kalenderjaar in gebruik is gegeven voor toeristische verhuur.
3.
Burgemeester en wethouders kunnen een aanwijzing geven aan degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur om de aanbieding voor toeristische verhuur van de aanbieder, aan wie een verbod tot het in gebruik geven van een woning voor toeristische verhuur als bedoeld artikel 4.2.2 is opgelegd, te blokkeren.
Wanneer de gemeente een platform op de hoogte stelt van het feit dat een specifieke woonruimte reeds voor het maximum aantal nachten is verhuurd moet het platform de advertentie voor de rest van het kalenderjaar blokkeren. Er mag immers niet meer verhuurd worden in dat jaar. Ook kan de gemeente bij meerdere geconstateerde overtredingen de betreffende advertentie op een platform laten blokkeren voor de duur van een jaar, zoals in het derde lid is beschreven. Artikel 3.10.2 Informatieplicht Degene die een dienst verleent gericht op het publiceren van aanbiedingen voor toeristische verhuur van woonruimten, informeert degene die een woonruimte aanbiedt voor toeristische verhuur over de registratieplicht als bedoeld in artikel3.7.2 en het nachtencriterium en de meldplicht als bedoeld in artikel 3.7.3. Platforms voor toeristische verhuur van woonruimten zijn verplicht om verhuurders op de hoogte te brengen en houden van de geldende regels in de stad. Hiermee kunnen overtredingen worden voorkomen en worden burgers ook door platforms actief gewezen op de geldende wet- en regelgeving.
32
Onderdeel EE Met dit artikel kan een recidivist, iemand aan wie in de afgelopen vijf jaar ten minste twee maal een bestuurlijke boete is opgelegd voor overtreding van de regels voor toeristische verhuur, een verbod worden opgelegd om te verhuren. Op deze manier kunnen verdere overtredingen worden voorkomen voor de toekomst. Onderdeel FF In artikel 5.1, derde lid, is per ijanuari 2021 bepaald dat aanvragen van vergunningen, urgentieverklaringen en andere besluiten worden getoetst aan de Huisvestingsverordening zoals deze geldt op het moment van de aanvraag met uitzondering van artikel 3.1.1. De uitzondering op artikel 3.1.1 is gemaakt omdat per ljanuari 2021 in dat artikel het werkingsgebied van de voorraadvergunningplichten is aangepast. Op aanvragen voor ljanuari 2021 is dit aangepaste werkingsgebied aldus wel van toepassing. Er is door de formulering van artikel 5.1, derde lid, onduidelijkheid ontstaan of het derde lid uberhaupt wel van toepassing is op de voorraadsvergunningen genoemd in artikel 3.1.1. Dat is altijd wel de bedoeling geweest. De uitzondering van artikel 3.1.1 in artikel 5.1, derde lid, regelde dat voorraadvergunningen wel exnunc getoetst worden aan de meest recente tekst van artikel 3.1.1 zodat het actuele werkingsgebied in het eerste lid van artikel 3.1.1 ook op oude aanvragen van toepassing is.
Dit valt ook of te leiden uit de toelichting bij de introductie van artikel 5.1, derde lid in 2021. Met de wijziging in het eerste subonderdeel van onderdeel FF van deze wijzigingsverordening wordt dit extra verduidelijkt door de uitzondering toe te spitsen op artikel 3.1.1, eerste lid. Op die manier kan er geen onduidelijkheid meer bestaan of het derde lid uberhaupt wel van toepassing is op de voorraadvergunningen genoemd in artikel 3.1.1. Alleen ten aanzien van het werkingsgebied geregeld in artikel 3.1.1, eerste lid geldt de ex-tunc toetsing op grond van artikel 5.1, derde lid niet, en is sprake van een ex nunc-toetsing met betrekking tot aanvragen van vergunningen en andere besluiten. Hetgeen altijd al de werking van dit lid was maar met deze wijziging wordt beoogd extra te verduidelijken. Daarnaast wordt in onderdeel FF overgangsrecht geactualiseerd. Het overgangsrecht voor B&B's wordt verlengd met een half jaar omdat beoogd was zes jaar overgangsrecht te bieden maar doordat de vergunningverlening vertraging heeft opgelopen dit niet gehaald werd. Onderdeel GG Dit onderdeel betreft de lijst met adressen van Amsterdamse beheercooperaties die zijn vrijgesteld van de huisvestingsvergunningplicht en daarmee van de woonruimteverdelingsregels in deze verordening.
Onderdeel HH Voor de invoering van de Wet toeristische verhuur viel toeristische verhuur onder het woningonttrekkingsverbod als bedoeld in artikel 21 Huisvestingswet. Met de inwerkingtreding van de Wet toeristische verhuur op ljanuari 2021 is de wettelijke grondslag voor toeristische verhuurregels artikel 23a tot en met 23h Huisvestingswet. Met dit onderdeel komt daarom artikel 21 Huisvestingswet als wettelijke grondslag voor de boetes voor overtredingen van toeristische
verhuurregels te vervallen. Onderdeel II Met dit onderdeel worden nieuwe boetes geIntroduceerd horende bij de nieuwe paragraaf met verplichtingen voor platforms. In onderdeel DD worden de verplichtingen apart toegelicht. Met dit onderdeel worden de boetes vastgesteld in een aparte boetetabel. Voor alle overtredingen met
33
betrekking tot verplichtingen voor platforms geldt de hoogste boete van de derde categorie, zijnde thans 8.700 euro. Dit bedrag wordt vastgesteld in lijn met het lik-op-stuk-beleid dat Amsterdam hanteert ten aanzien van uitwassen op de woningmarkt en illegaal gebruik. Met toeristische verhuur wordt veel geld verdient door professionele platforms. Effectieve handhaving is in Amsterdam, waar de prijzen per nacht zeer hoog liggen (en dus veel geld wordt verdiend, ook door platforms), louter mogelijk met hoge boetes om zodoende een voldoende afschrikwekkend effect te kunnen hebben. Artikel 11 In het najaar van 2022 wijzigt de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020 naar aanleiding van de nieuwe regionale woonruimteverdeling. In dit artikel worden technische wijzigingen aangebracht om de materiele wijzigingen die in deze wijzigingsverordening worden gemaakt goed in te passen op de in het najaar van 2022 geldende Huisvestingsverordening. Artikel 111 Op 3o november 2017 zijn de takenlijst en het bevoegdhedenregister vastgesteld, die als bijlagen 2 en 3 bij de Verordening op het lokaal bestuur zijn opgenomen, waarin de taken en bevoegdheden staan die het college en de burgemeester aan de voorzitter en het dagelijks bestuur van de stadsdelen heeft toegekend.
De raad heeft in de Voorjaarsnota van 2021 bepaald dat de uitvoering van de eenzame uitvaarten, als neergelegd in artikel 22 Wet op de lijkbezorging en voorheen uitgevoerd door de Directie Wonen, voortaan wordt belegd bij het Dagelijks Bestuur van Stadsdeel Oost. Met de toevoeging van dit mandaat in de Verordening op het lokaal bestuur wordt dit besluit bekrachtigd.
34