Raadsadres impact windturbines op kwetsbare diersoorten zoekgebied 3 en 2A
Tekst van het document
Dit raadsadres wordt ondersteund door de Alliantie Noordelijke Tuinparken, Initiatiefgroep Groene Longen Amsterdam en Stichting Zosenerdam.
Uitsluitend per e-mail via: https://formulier.amsterdam.nl/mail/bestuur/raadsadres/ Gemeente Amsterdam t.a.v. de gemeenteraad afschrift per e-mail aan: raadscommissie FED
Betreft: impact komst windturbines langs de ring A10 Noord & Noorder Liplas op diverse diersoorten en ecologische verbindingen (raadsadres)
Amsterdam, 23 maart 2021
Geachte leden van de gemeenteraad, Graag vragen wij uw aandacht voor het volgende. 1. Reden voor dit raadsadres: unieke groengebieden met een grote ecologische waarde en bedreigde/kwetsbare diersoorten Amsterdam Noord komen in het gedrang door windturbines in zoekgebieden ring A10 Noord en de Noorder 1.1plas De gemeente Amsterdam heeft een aantalzoekgebieden in kaart gebracht ommogelijk windturbines te plaatsen. Een van de zoekgebieden valt in het groengebied langs de buitenkant van de ring A10 Noord (zoekgebied 3). Dit zoekgebied is ondertussen verkleind en 'voorkeursgebied' geworden. Een a nder groen zoekgebied betreft de NoorderI3plas (zoekgebied 2A). Deze brief richt zich specifiek op de zoekgebieden ring A10 Noord en de Noorder Dplas. Naast de veel gehoorde bezwaren over en zorgen om (1)de (minimale) afstand van de windturbines tot woningen in verband met mogelijke gezondheidsschade, (2) het gebrek aan draagvlak voor de windturbineplannen langs de ring A10 Noord en de Noorder Uplas, bestaan onder de inwoners van Amsterdam Noord ook serieuze zorgen over (3)de impact van windturbines op de unieke natuur en bijzondere diersoorten in deze zoekgebieden.
In het bijzonder zijn er gegronde zorgen over (i) de aantasting van de hoge natuurwaarden, (ii) barrièrevorming ten aanzien van de ecologische (hoofd)verbindingen en (iii) de impact op kwetsbare diersoorten die aanwezig zijn in en rondom ring A10 Noord (specifiek de Schellingwouderscheg en de Waterlandse scheg) en de Noorder Dplas. Daar richt deze brief zich dus in het bijzonder op. Wij zullen hieronder toelichten dat zoekgebieden 3 en 2A beslist geen geschikte (zoek)gebieden zijn voor de plaatsing van windturbines. Dat heeft, onder andere, te maken met de aanwezigheid van een substantieel aantal bedreigde en/of kwetsbare diersoorten die gevoelig zijn voor de effecten van windturbines en het belang omdeze natuurgebieden nietverderte verstoren. Wij zullen ditstandpunt nader onderbouwen aan de hand van de volgende onderwerpen: • • • • • • • • •
Hoofdgroenstructuur-gebieden Amsterdam Ecologisch onderzoek Schellingwouderscheg (oostelijk deel ring A10 Noord) Unieke diersoorten in en rondom zoekgebied 3: `De Breek', tuinpark Wijkergouw', 'tuinpark Rust en Vreugd','Ecozone'en de 'Buitenring' De Amsterdamse Natuurwaardenkaart 2016 (oostelijk deel ring A10 Noord) Bijzonder Provinciaal Landschap Waterland (oostelijk deel ring A10 Noord) Unieke diersoorten in en rondom zoekgebied 2A: Noorder Hplas De Amsterdamse Natuurwaardenkaart 2016 (Noorderflplas) Rapport Pondera Consult (achterhaald) Visie Vogelbescherming Nederland
• • • •
Effecten windturbines op land op diersoorten Rapport Vogel Onderzoek Nederland (Sovon-rapport 2021/09) Effectenindicator Natura 2000-gebieden Situatie in andere landen (Duitsland)?
Hierop vooruitlopend volgt eerst een overzicht van onze vragen aan de gemeenteraad in het kader van dit raadsadres. Daarna komen bovenstaande onderwerpen aan bod. Wij sluiten dit raadsadres af met een duidelijke conclusie ten aanzien van zoekgebied 3 alsmede zoekgebied 2A en een verzoek aan de gemeenteraad. 2.
Vragen aan de gemeenteraad
Naar aanleiding van onderstaande uiteenzetting (onder punt 3 - 15 van deze brief) hebben wij de volgende vragen aan de gemeenteraad: Vragen met betrekking tot zoekgebied 3 Vraag 1: rondom de ring A10 Noord bevindtzich een aanzienlijkaantalkwetsbare diersoorten blijkt, onder andere, uit het ecologisch rapport Schellingwouderscheg en de Nationale Databank Flora en Fauna. Hoe verhoudt de aanwezigheid van de in deze brief genoemde bedreigde diersoorten - die nota bene ook op de 'rode lijst' voorkomen - zich tot de aanwijzing van de ring A10 Noord als zoekgebied? Vraag 2: de twee nabijgelegen Natura 2000-gebieden kennen een beschermingsregime met exteme werking. Dat betekent dat ook windturbines buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de natuurlijke waarden waarvoordeze gebieden zijn aangewezen. Voor zover wij weten is nog geen onderzoek gedaan naar de effecten van windturbines op deze twee gebieden.
Om welke reden is in deze fase - mede met het oog op het zorgvuldigheidsbeginsel - nog geen nader onderzoek gedaan naar de effecten van windturbines op de nabijgelegen Natura 2000gebieden: Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld & Twiske, Markermeer en Ilmeer? Vraag 3: wij nemen aan dat de gemeenteraad kennis heeft kunnen nemen van (i) het ecologisch rapport Schellingwouderscheg van juni 2020, (ii) de visie van Vogelbescherming Nederland, (iii) de uitkomst van de effectenindicator Natura-2000 bij activiteit 'windturbines' (voor Natura-2000 gebieden nabij zoekgebied 3), (iv) de onderzoeken van het Wageningen Environmental Research Instituut over de effecten van windturbines op diersoorten van mei 2018 en maart 2020 en (v) het Sovon-rapport 2021/09 "achtergronddocument windenergie gevoeligheidskaart vogels". Indien de gemeenteraad deze stukken in acht neemt, rijst de vraag of de ring A10 Noord nog wel als (reëel) zoekgebied kan worden aangemerkt.
Hoe verantwoordt de gemeenteraad het gegeven dat bepaalde locaties in zoekgebied 3 desondanks als voorkeursgebied zijn aangewezen? Vraag 4: realiseert de gemeenteraad zich dat de - toch al verzwakte - ecologische hoofdverbinding tussen de buitenringse scheg en binnenringse scheg aan de oostzijde van de ring A10 Noord nog verder wordt verzwakt door de komst van windturbines (plus funderingen, eventuele toegangswegen etc.), met alle mogelijke gevolgen van dien voor de biodiversiteit en de klimaat buffer functie? Vraag 5: zoekgebied 3 is aangennerkt a Is Hoofdgroenstructuur-gebied metals hoofdfunctie groen. Windturbines kwalificeren niet als 'inpasbaar' in de zin van structuurvisie Amsterdam 2040 en staan daarom genoemd bij de opsomming van `niet inpasbare' activiteiten. Hoe kan het, gelet op de 'hoofdfunctie groen', dat voor bepaalde windturbines desondanks een uitzondering wordt gemaakt vanwege de windenenergie opgave? Vraag 6: zoekgebied 3 valt onder het Bijzonder Provinciaa I Landschap Waterland. Hoe verhoudt de komst van windturbines (met bijbehorende toegangswegen, kraanplaten en fundering) zich tot de provinciale kernwaarde 'openheid en ruimtebeleving'? Vraag 7: de aanwezigheid van de roofvogerwespendie heeft begin dit jaar (voorlopig) een streep gezet door de komst van windturbines op de Veluwe.
De wespendief is 'als gezien door bewoners' aangemerkt in het ecologisch onderzoek Schellingwouderscheg. Wij begrijpen dat er wespendieven
voorkomen bij de oever van een sloot bij tuinpark Rust en Vreugd. Hoe kijkt de gemeenteraad aan tegen de aanwezigheid van de wespendief in zoekgebied 3 (tegen het licht van de situatie op de Veluwe)? Vragen met betrekking tot zoekgebied 2A Vraag 8: de Noorder nplas is eveneens aangemerkt als Hoofdgroenstructuur-gebied met als hoofdfunctie groen. Hoe kan het, gelet op de duidelijk hoofdfunctie groen, dat windturbines daar 'inpasbaar' zouden zijn? Vraag 9: wij nemenaan datde gemeenteraad op de hoogte is van (i) hetecologisch rapportNoorder Uplas 2007, (ii) de visie van Vogelbescherming Nederland, (iii) de uitkomst van de effectenindicator Natura-2000 bij activiteit'windturbines'(voor Natura-2000 gebied nabij zoekgebied 2A) en (iv) de onderzoeken van het Wageningen Environmental Research Instituut over de effecten van windturbines op diersoorten van mei 2018 en maart 2020 en (v) het Sovon-rapport 2021/09 "achtergronddocument windenergie gevoelig heidskaart vogels". Indien de gemeenteraad deze stukken in acht neemt, rijst de vraag of de Noorder Dplas nog wel als (reëel) zoekgebied kan worden aangemerkt.
Hoe verantwoordt de gemeenteraad het gegeven dat zoekgebied 2A desondanks als voorkeursgebied is aangewezen? Vraag 10: hoe verhoudt de ontwikkeling van de Noorder liplas tot stadspark zich tot mogelijke komst van windturbines (dat lijkt immers haaks op elkaar te staan)? Algemene (overige) vragen Vraag 11: is de gemeenteraad voornemens een ecologisch veldonderzoek - meer dan alleen een quickscan - te laten uitvoeren om de negatieve effecten van windturbines op vogels en andere diersoorten in kaart te brengen voor zoekgebied 3 en 2A? Zo nee, waarom niet? Zo ja, wanneer gaat dit ecologisch onderzoek plaatsvinden en hoe wordt de onafhankelijkheid hiervan gewaarborgd? Vraag 12: de provincie Noord-Holland heeft regels vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening waarin de begrenzing en de bescherming van de weidevogelgebieden zijn opgenomen. Hoe verhoudt de aanwijzing van de voorkeursgebieden zich tot de relevante regelgeving op grond van de Provinciale Ruimtelijke Verordening? Vraag 13: bij infrastructurele aanpassingen en ruimtelijke toevoegingen kan gebruik worden gemaakt van een 'ecologische kaart'die de voor dieren functionele natuur en routes van dieren in kaart brengen.
Is de gemeenteraad voornemens een ecologische kaart te gaan gebruiken? Zo ja, op welke manier? Zo nee, om welke reden niet? Vraag 14: Vanuit landschappelijke- en belevingswaarde geredeneerd heeft Technische adviescommissie Hoofdgroenstructuur (TAC) een voorkeur uitgesproken voor het niet inpasbaar verklaren van windturbines in de Hoofdgroenstructuur, ongeacht het groentype. Hoe verhoudt het negatieve TAC-advies van 20 september 2020 zich tot de aanwijzing van de ring A10 Noord en de Noorder Dplas als voorkeursgebieden? 3.
Hoofdgroenstructuur Amsterdam
Algemeen In de Structuurvisie Amsterdam 2040 is de zogeheten 'Hoofdgroenstructuur' opgenomen. De Hoofdgroenstructuuromvat de minimaal benodigde hoeveelheid groen die / msterdam wil borgen, bestaande uit gebieden die waardevol zijn voor de stad. Die gebieden vervullen een onmisbare functie, niet alleen voorde verbeteringvan het leefklimaat, de luchtkwaliteit en de waterhuishouding, maar ook voor de biodiversiteit, groene recreatie en de voedselproductie. Behoud van cultuurhistorische waarden en een gevarieerd totaalaanbod aan groen zijn daarnaast belangrijke aspecten. In de Hoofdgroenstructuurzijn de gebieden opgenomen waar de functies groen en gmene recreatie voorop staan. Woningbouw, werkgerelateerde functies, wegenaanleg of het vestigen van voorzieningen die verkeer aantrekken of die ten koste gaan van groen, zijn niet in
overeenstemming met de doelstellingen van de structuurvisie. Ingrepen die de recreatieve gebruikswaarde en/of de natuurwaarde of andere functies van het groen verhogen, worden juist gestimuleerd. Onderstaande kaart van de Hoofdgroenstructuur laat zien welke gebieden het betreft:
Opvallend is dat zowel zoekgebied 3 (het oostelijkdeel van de ring A10 Noord) en zoekgebied 2A onderdeel zijn van de Hoofdgroenstructuur. In deze gebieden dient de nadruk dus te liggen op 'groen'. Het plaatsen van voorzieningen zoals windturbines gaat aantoonbaar ten koste van groen en is niet in overeenstemming met de doelstellingen van de Structuurvisie Amsterdam 2040. In de Structuurvisie Amsterdam 2040 (pagina 244) staat hierover het volgende: "Ieder initiatief in de Hoofdgroenstructuur wordt beoordeeld op inpasbaarheid. Uitgangspunt daarbij is behoud van het groene karakter en typologie van het betreffende gebied. De beoordeling of nieuwe functies naar aard, omvang en locatie inpasbaar zijn vindt plaats op basis van de richtlijnen die zijn uitgewerkt per groentype (zie de tabellen op pagina 245 tot en met 248). Daarvoor geldt globaal het onderstaande: Inpasbaar: kleinschalige bebouwing en verharding die het specifieke groentype ondersteunt en die voortvloeit uit het streven naar verbetering van het functioneren van het groen. Niet inpasbaar: bebouwing en verharding die het specifieke groentype niet ondersteunt of niet voortvloeit uit het streven naar verbetering van het functioneren van het groen. • •
Bebouwing en verharding, zoals gebruik voor wonen en werken. Infrastructuur (ook bruggen), met name voor auto's, voor zover deze de groenfunctie niet ondersteunt. • Niet aan groen gerelateerde vrijetijdsvoorzieningen. • Zendmasten en reclamezuilen. • Windturbines, met uitzondering van de uitwerkings gebieden windenergie, waarbij partners uit de metropoolregio zullen worden betrokken. • Waterberging, als de noodzaak daarvoor is ontstaan door verdichtingen in het omringende stedelijke gebied. Waterbergingsopgaven mogen niet op groengebieden worden afgewenteld. • Overnachtingsmogelijkheden, op een enkele uitzondering na. Zie criteria per groentype.
•
Maximaal enkele procenten van het oppervlak van het gebied mogen bebouwd en/of verhard. Zie criteria per groentype."
Niet inpasbaar Windturbines worden uitdrukkelijk als voorbeeld genoemd van 'niet inpasbaar'. Dat is ook logisch want windturbines ondersteunen specifieke groentypen niet en brengen bovendien ook geen verbetering van het functioneren van het groen met zich. Daarop zou geen uitzondering moeten worden gemaakt; dus ook niet voor eventuele `uitwerkingsgebieden windenergie'. Met het opnemen van deze generieke - en excessieve - uitzonderingsmogelijkheid wordt de werking van de aanwijzing als 'Hoofdgroenstructuur' volledig tenietgedaan. Er bestaat wat ons betreft bovendien geen rechtvaardiging om voor bepaalde gebieden binnen de Hoofdgroenstructuur een uitzondering te maken om daar wel windturbines te mogen plaatsen. Impact op de Hoofdgroenstructuur Wij hebben begrepen dat per windturbine totwel 65 heipalen van +/- 20 meter diep nodig (kunnen) zijn plus ongeveer 6000 ton beton voor de windturbineplaat en ongeveer 50 ton staal voor het vlechtwerk. Dat is slechts voor de fundering van één windturbine. De gondel van +/- 65 ton moet vervolgens door een speciale hijskraan op de paal gehesen worden. Voor die speciale hijskraan (een 1000-tonner) moet per windturbine ook nog eens een aparte kraanafstelplek komen.
Naar verwachting zullen de kraanafstelplekken gaan bestaan uit materie die zeer waarschijnlijk opgevuld moeten worden met het veelbesproken (en onlangs bij Zembla negatief in het nieuws gekomen) granuliet. Daarnaast dient voor de windturbine in veel gevallen ook nog een weg aangelegd te worden. Kortom, de komst van één windturbine brengt ook fundering, een windturbineplaat, een kraanafstelplek en naar alle waarschijnlijkheid een weg met zich mee. Niet voor niets worden windturbines aangeduid als `zware industrie'. Het is overduidelijk dat Hoofdgroenstructuurgebieden - met als hoofdfunctie groen - niet geschikt zijn voor dergelijke industriële installaties. Windturbines kwalificeren op geen enkele manier als 'inpasbaar'. Het betreft namelijk geen: kleinschalige bebouwing en verharding die het specifieke groentype ondersteunt en die voortvloeit uit het streven naar verbetering van het functioneren van het groen. Advies TAC Hoewel in de Structuurvisie Amsterdam 2040 een 'carve out' is gemaakt ten aanzien van de windenergie opgave, is de TAC desondanks om advies gevraagd over de concept Regionale Energiestrategie NHZ. Het advies van de TAC komt op het volgende neer: •
•
•
•
•
DE TAC heeft moeten constateren dat het belang van landschap in de regionale energiestrategie kennelijk niet is meegewogen gelet op het feit dat de gepresenteerde zoeklocaties voor windenergie in Amsterdam zijn geselecteerd op basis van het ontbreken van beleidsrestricties van het Provinciaal beleid - niet eigen Amsterdamse beleid. De TAC steltvoorhetvigerende groen-en landschapsbeleid vanuit Amsterdam hierbii alsnog centraal te stellen en daarbij de schaal van het landschap en de wijze van landschappelijk inpassen te betrekken. Vanuit landschappelijke- en belevingswaarde geredeneerd gaat de voorkeur van de TAC uit naar het niet inpasbaar verklaren van deze elementen in de Hoofdoroenstructuur, ongeachte het groentype. Indien - ongeachtdit negatieve advies van de TAC -toch besloten wordtdeze elementen in het la ndschap toe te staan vanwege de RESopgave gerft de TAC er de voorkeur aan (i)deze te concentreren in 1 of 2 zoekgebieden, (ii) in te zetten op grote turbines (in plaats van kleine), (iii) niet naast hoogspanningsmasten in het landschap en (iv) een bestuurlijk heroverwegingsmoment in te bouwen. Wat betreft locaties geeft de TAC niet de voorkeur aan zoekgebied 3 maar aan bijvoorbeeld het Havengebied.
•
•
• •
•
Voor bepaalde diersoorten, zoals bijvoorbeeld de rosse vleermuis (die in ieder geval in deelgebied De Breek zit), moeten wat de TAC betreft echt stilstandvoorzieningen als mitigerende maatregel worden ingezet. De turbines moeten in het trekseizoen tijdens windluwe dagen op bepaalde momenten van de dag worden stilgezet. Zo niet, dan kan het aantal slachtoffers flink oplopen, waarbij de ontheffing in het kader van de wet Natuurbescherming niet kan worden verleend, aldus de TAC Bij kleine turbines is het probleemvoorvleermuizen overigens nog groter. Hierhelpt ookeen stilstandvoorziening niet meer is de TAC van mening. De TAC constateertverdereen gebrekaan samenhang met andere opgaven (verstedelijking, mobiliteit, klimaat) die eveneens een hoge mate van urgentie claimen in de toekomst van het landschap. Een waarschuwing lijkt de TAC daarom op ziin plaats vooreen te eenzijdige benadering. Illustratiefvoorde te eenzijdige benadering is de Noorderflplas: de wens om deze op termijn tot stadspark te ontwikkelen staat op gespannen voet met de wens om hier tegelijkertijd te voldoen aan de opgave voorwindenergie.
Wij hebben begrepen dat door de gemeenteraad niet formeel is gereageerd op dit negatieve TACadvies. Verder is niet duidelijk of — en zo ja op welke manier - de gemeenteraard dit advies heeft laten meewegen in het aanwijzen van de huidige voorkeurslocaties. Wij raden de gemeenteraad met klem aan dit TAC-advies op waarde te schatten en mee te nemen in de verdere overwegingen rondom de vaststelling van de windturbinelocaties. 4.
Ecologisch onderzoek Schellingwouderscheg
Vooreen volledig beeld overde kwetsbare diersoorten aan de binnen-en buitenkant van het oostelijk deel van het zoekgebied ring A10 Noord is het van belang eerst stil te staan bij het volgende unieke deelgebied (binnen Amsterdam Noord). De Schellingwouderscheq De Initiatiefgroep Groene Longen Amsterdam - een bewonersgroep uit Amsterdam Noord die zich inzet voor het behoud en de ontwikkeling van de Amsterdamse scheggen - heeft bij de gemeente Amsterdam bepleit dat het gebied, zoals hieronder op de kaart gearceerd wordt weergegeven, zou moeten worden aangemerkt als 'scheg' (hierna de Schellingwouderscheg):
De Schellingwouderscheg' is een van de belangrijkste groene longen van Amsterdam. Zij is ecologisch en landschappelijk onlosmakelijk verbonden met de scheggenstructuur van Amsterdam Noord, in het bijzonder met de Waterlandse scheg. De Schellingwouderscheg brengt vanuit Waterland de natuur de stad in en vice versa. Door haar verbindingen met en aanwezigheid van wateren haardiverse, gevarieerde landschapstypen (biolgpen) kent de scheg een rijke biodiversiteit. De volgende deelgebieden kunnen binnen de Schellingwouderscheg worden onderscheiden:
1 De Schellingerwouderscheg is niet als scheg benoemd in de structuurvisie van Amsterdam. Wel zijn de verschillende delen van de Schellingerwouderscheg afzonderlijk opgenomen in de `groenstructuurvisie'. In de volksmond (en in de media) wordt de term Schellingwouderscheg'gebruild.
parken buitenring Buitenz D y_oev
Schellingw
Ecozone Schellingw
AMSTERDAM
Met het oog op het zoekgebied langs de ring A10 Noord zijn met name de deelgebieden'tuinpark WijkergouwTtuinpark Rust en Vreugd','Ecozone'en '(tuinparken) Buitenring 'relevant vanwege hun Jigging in/aan het zoekgebied. Deelgebied 'De Breek' is daarnaast ook relevant omdat vanuit dat gebied, onder andere, veel vleermuizen de ring A10 Noord overvliegen naar Waterland. De overige deelgebieden zullen verder buiten beschouwing worden gelaten in deze brief. Ecologisch rapport Schellingwouderscheg juni 2020 Zoals bekend is bij de gemeenteraad, heeft op initiatief van de Groene Longen Amsterdam een ecologisch onderzoek plaatsgevonden naar de Schellingwouderscheg. Dat onderzoek is neergelegd in een uitvoerig rapport van juni 2020 (hierna: het ecologisch rapport Schellingwouderscheg). Het ecologisch rapport Schellingwouderscheg is gesubsidieerd door de gemeente Amsterdam. In het ecologisch rapport Schellingwouderscheg wordt melding gemaakt van diverse landschapstypen/biotopen die kenmerkend zijn voor de 'flora en fauna' binnen de Schellingwouderscheg: lijnvormige elementen, bosschages, volkstuinen, vochtig hooiland, droge graslanden, solitaire bomen en struiken, rietla nd/kraag. Deze biotopen trekken een verscheidenheid aan dieren aan.
Een belangrijke conclusie van het ecologisch rapport Schellingwouderscheg is dan ook dat het onterecht is dat de Schellingwouderscheg niet (meer) op de kaart staat als Amsterdamse scheg. Volgens het onderzoeksbureau geven de eenheid en de hoogwaardige natuuralle aanleiding om het gebied als `scheg' aa n te merken. In vergelijking met bijvoorbeeld de Amstel-, en Diemerscheg met voornamelijk veenweidegebied, biedt de Schellingwouderscheg zelfs meer ecologische variatie. Met name de deelgebieden aan de binnenkant en buitenkant van de ring A10 Noord zijn bijzonder 'dier- en plantrijk'. Onderstaand overzicht uit het ecologisch rapport Schellingwouderscheg toontdit ook aan: Grocipen
Total
Zentana
54h. rparli
0.1000k
Wespentala
Rietlartel
Wage.. o
Vilegeolas W
Reader-park
RI. en vreugd
Villitergat.
ilikElertring
Plant.
298
69
91
75
91
69
67
78
150
157
133
124
Batten al strulken
65
19
19
24
20
19
26
26
34
27
26
36
Mon33 en laramoss. Paddenstalan an scIW' nmall
44
E
13
10
6
8
7
5
14
B
5
4
21
0
3
3
4
5
7
6
3
4
0
0
0
Gairn
2
0
0
I
0
1
Zongdieren
31
1
3
2
1
3
2
0
2
0 2
2
4
Yowls
74
26
29
36
29
32
29
21
23
33
23
33
Blacken
104
9
17
111
25
19
16
16
23
40
23
10
~la:~ ent120~
12
0
0
4
1
4
1
1
1
6
2
3
W.,
13
1
D
0
7
1
0
4
2
2
Weekdivan
9
11
0
D
3
D
1
1
0
3
2
2
Tot aal an ar gabled
673
135
175
110
11111
106
153
156
253
283
227
226
Tuinparken Rust en Vreugd en Wijkergouw (aan de binnenzijde van het oostelijk deel van de ring A10 Noord) en het deelgebied aan Buitenring scoren hoog in aantal.
Unieke diersoorten
Volgens de Nationale databank Flora en Fauna (NDFF) komen er in de directe omgeving 31 verschillende beschermde zoogdieren voor in de betreffende biotopen. Vogels zijn ruim waargenomen in het ecologisch onderzoek. Een achttal vogels staat op de "Rode lijst" zoals gepubliceerd op de website van het Ministerie van Landbouw, Natuuren Voedselkwaliteit.2 Rode Lijst wil zeggen dat het voorkomen van de diersoort in Nederland onder druk staat. Opvallende Rode Lijstsoort is de huismus. De ransuil wordt ook gesignaleerd in het gebied. De nachtegaal en koekoek komen zeker als broedvogel voor in het gebied. Bijzonder is natuurlijk de kolonie met blauwe reigers in de Ecozone. Ook roofvogels zoals de havik, buizerd, torenvalk, sperwer, wespendief en de bosuil komen voor en/of zijn gezien in de Schellingwouderscheg. Deze toproofdieren complementeren de voedselpiramide. De wespendief wordt gemeld in de NDFF en is ook (als gezien) gemeld bij, onder andere, deelgebied tuinpark Rust en Vreugd. Navraag bij (een tuinder van) Rust en Vreugd wijstuit dat wespendieven zitten bij de oever langs de sloot van Rust en Vreugd. De aanwezigheid van deze kwetsbare roofvogelsoort gaat niet samen met de aanwezigheid/komst van windturbines.
In dit verband wijzen wij de gemeenteraad op het feit dat dat de wespendief (begin dit jaar) reden is geweest om voorlopig een streep te zetten door diverse windmolenplannen op de Veluwe.3 Een andere opvallende Rode Lijstsoort is de rugstreeppad die wordt gemeld in de NDFF. De rugstreeppad komt voor in open landschapzoals het grasland van Waterland (de 'Buitenring'). De rugstreeppad staat op de rode lijst en is streng beschermd middels de Europese Habitatrichtlijn en de Conventie van Bern. Met name op Europees niveau gaat de soort sterk achteruit. Ook komt de noordse woelmuis voor in het zoekgebied, onder a ndere, in de Buitenring. De noordse woelmuis staat op de Rode Lijst van bedreigde en kwetsbare zoogdieren in Nederland en komt voor op de lijst van beschermde diersoorten behorend bij de Conventie van Bern. Bovendien is de noordse woelmuis als enige prioritaire soort van ons land genoemd in de Europese Habitatrichtlijn. Hiernaast zit er een unieke meervleermuizen kraamkolonie aan de rand van De Breek (Waterlandpleinbuurt).4 Wij hebben begrepen dat deze kolonie afhankelijk is van de mannen meervleermuizen kolonie aan de andere kant van de ring A10 Noord (in Zunderdorp) en dat beide kolonies veelvuldig heen en weer vliegen over de ring en daarmee dwars door zoekgebied 3.
De meervleermuis wordt genoemd in (bijlage II van) de Europese Habitatrichtlijn en hiervoor moet Nederland dus beschermde (leef)gebieden aanwijzen. Overigens zijn tijdens het ecologisch onderzoeknaarde Schellingwouderscheg met een batdetector- in een tijdsspanne van nog geenuur - vijf vleermuizensoorten waargenomen bij De Breek, namelijk de meervleermuis, watervleermuis, ruige en gewone vleermuis, rosse vleermuis en mogelijk ook een laatvlieger. Het vermoeden bestaat dat de overige deelgebieden ook rijk zijn aan vleermuizen.
• 0 Waarnemi.gen • —• rA looptraject in park. riétsvajeo.n • 0 BAtlogg. kua.;k• • 0 VelbliiSplaa.r. I
opsoolt
De aanwezigheid van de rosse vleermuis en de laatvlieger staat ook vermeld op de `Amste rdamse vleermuizenkaart' bij deelgebied de Breek en langs de ring A10 Noord. De printscreen (figuur links) van de 'Amsterdamse vleermuizenkaart' (waarin is geselecteerd op laatvlieger' en 'rosse vleermuis') laat dat ook zien.
FV,,ge FA le•tv,e.g.,
Kortom, er bevindt zich een groot aantal Rode Lijst-soorten en/of Europees beschermde diersoorten in zoekgebied 3. Van deze soorten wordt een aantal aantoonbaar bedreigd door de komst van windturbines (waarover hieronder onder punt 5, 8, 11, 12, 13 en 14 meer). Reden genoeg om zuinig te zijn op dit unieke groene gebied. lksw 0 WatorOarrns Meev'eeem,is Ge,m, Trot.,,terr,ib
2 httos://mininv.nederlandsesoorten.nlicontent/rode-histen 3 https://fd.nl/weekend/1374550/nooit-maq-een-wespendief-tecien-een-windturbine-aanvlieqen 4 https://www.amsterdam.nl/proiecten/waterlandrileinbuurtinieuws/vIeerrnuistoren-waterlandpleinbuurti
Voornaamste knelpunt: kwetsbaarheid Schellingwouderscheg Verder is het volgende van belang. Het voornaamste ecologische knelpuntvoor het hele gebied is de gronddruk en de recreatiedruk. In ogenschouw moet worden blijven genomen dat het gaat om landelijk gebied in een stedelijke omgeving; de kerngedachte achter de groene scheggen van Amsterdam. De ecologie van het buitengebied dringt door de scheg/groenverbindingen diep door tot in de kern van de stad. De gronddruk vormt een regelrechte bedreiging voor heel het gebied; oppervlakken verkleinen en gebieden versnipperen. De druk op de Schellingwouderscheg is volgens het ecologisch rapport Schellingwouderscheg nu al groot. De Schellingwouderscheg is in wezen een uitvloeisel van de kop van de Waterlandse scheg en is in grote mate afhankelijk van een sterke 'ecologie' in Waterland/Landelijk Noord en vice versa. Sterke ecologie bevordert bovendien weer optimaal ecologisch verkeer tussen de scheggen. Met de mogelijke komst van één of meer windturbines zouden de ecologische verbindingen zowel binnen de scheg maar met name ook met de natuur om de scheg heen versnipperd en/of verzwakt raken. Indien een deel/schakel van de scheg wordt verzwakt dan heeft dat logischerwijs gevolgen voor andere delen/schakels in de scheg (en scheggenverbinding in zijn algemeenheid). Dat is wat ons betreft niet wenselijk.
We zouden dit - toch al kwetsbare gebied - niet aan nog meer barrières en knelpunten bloot moeten stellen. Ecologische verbindingen / ecologische hoofdstructuur Overigens wordt het belang van het behoud van de ecologische structuur en verbindingen ook onderkend in de Structuurvisie Amsterdam 2040. Het oostelijk deel van zoekgebied 3 is een cruciale ecologische verbindingsweg (zie pag. 138 van de Structuurvisie Amsterdam 2040):
Ecologische structuur 1g1 $1 a op te heffen knelpunt
ecologische hoofdstructuur
hoofdgroenstructuur
(groter leus betekent hogere prioriteit) <=5 gereahseerde verbinding of wordt gerealiseerd
- —
secundaire verbindng ecohnt
MI groen buiten hoofdgmenstructuur • econet
Stnsctutevriste Amsterdam 2040: Economisch stedr err duurzaam
Het oostelijkdeel van de ring A10 Noord is een zogeheten 'ecologische hoofdstructuur'. Het betreft een cruciaal ecologisch verbindingsgebied dat juist versterkt in plaats van aan verdere barrières onderworpen dient te worden. De komst van windturbines met bijkomende infrastructuur valt niet te rijmen met de aanwijzing als 'ecologische hoofdstructuur'.
Natuur Netwerk Nederland gebied Deze conclusie geldt eveneensvoor de delen van zoekgebied 3 die als Natuur Netwerk Nederland (NNN)-gebied of NNN-verbinding zijn aangewezen en dus onderdat regime vallen. Het oostelijkdeel van zoekgebied 3 behelst NNN-gebied en NNN-verbindingen (zie omcirkeld gebied op de NNN-kaart):
NeHi
Provincie Noord-Holland Sect« Oneerzciik 011 14,111.1111e
5. Unieke diersoorten `De Breek', 'tuinpark Wijkergouw', 'tuinpark Rust en Vreugd', 'Ecozone' en de 'Buitenring' (Rode Lijst) Aan de hand van het ecologisch onderzoek naar de Schellingwouderscheg hebben wij in kaart gebracht welke diersoorten (in ieder geval) aanwezig zijn in de deelgebieden `De Breek', 'tuinpark Wijkergouw', `tuinpark Rust en Vreugd', 'Ecozone' en de 'Buitenring'. Deze deelgebieden maken onderdeel uit van zoekgebied 3 of liggen daar dicht tegenaan. Rode Lijst-status aantroffen diersoorten Hieronder twee overzichten van de diersoorten die (i) op de Rode Lijst staan en (ii) zich bevinden binnen de deelgebieden rondom de ring A10 Noord:
Aantal van Aanwezig Soorten .1.Amliblen en reptielen Ringslag elnsetten Grote vos
Buitenring
1
Ecozone Tuinpark Rust en Vreugd Wijkergouw De Breek Eindtotaal 1
1
1
1
1 1
Kroelkarper
1
e Vogel
1
Kleine zilverreiger Koekoek Ransull
1 1
Visdief Konijn Eindtotaal
1 1 8
1 31 1 1
1
1 1 1
1 1 1
Wielewaal c.Zoogdler
1 12
2
1
Keep Kerkuil
3
1
1
oVissen
Huismus
3
1
1
1
3
1
1 1
1
3
18
1 3
Aantal aanwezige dieren op rode lijst G
4 3 2
Iter,
1
5
Id:noáratiliCd1 V,d
1
2
Wijkc tga into
1
ffi 0 4:ten r:ihs I] Latele
De B.reek
2 1
2
Het feit dat een diersoort op de Rode Lijst staat, levert een sterke aanwijzing op dat zorgvuldig met deze soorten en hun leefgebied om moet worden gegaan (d.w.z. zonder onnodige verstoringen), maar het zegt an sich niet direct iets over de gevoeligheid van deze diersoorten ten opzichte van windturbines. Daar komt bij dat niet Rode Lijst-diersoorten, zoals bijvoorbeeld de buizerd (die zijn territorium/nest in zoekgebied 3 heeft), wel degelijk bedreigd kunnen worden door de komst van windturbines omdat dergelijke diersoorten 'windturbine gevoelig' zijn. De gevoeligheid van diersoorten is daarom met name maatgevend bij het bepalen van de impact van windturbines op afzonderlijke soorten. De afgelopen jaren wordt steeds meeronderzoekgedaan naar de gevoeligheid van met name vogels, vleermuizen, vissen en bepaalde zoogdieren ten opzichte van windturbines. Gevoeligheid aangetroffen diersoorten Wij hebben de meest gevoelige diersoorten in kaart gebracht die in de deelgebieden 'De Breek', 'tuinpark Wijkergouw', 'tuinpark Rust en Vreugd', 'Ecozone' en `(tuinparken) Buitenring' zijn aangetroffen. Dat laat zich vertalen in onderstaand overzicht (zie volgende pagina).
Deze gevoeligheid hebben wij gebaseerd op de bevindingen en conclusies uit diverse onderzoeken en rapporten die hieronder onder punt 12, 13 en 14 nader besproken worden (respectievelijk het onderzoeksrapport van het Wageningen Environmental Research Instituut uit 2018, het Sovonrapport uit 2021 en de effectenindicator Natura 2000). Bij de aanduidingen `zeergevoelig',`gevoelig',Iicht gevoelig' en 'neutraal' in onderstaand overzicht wordt het volgende bedoeld: • • • •
Zeer gevoelig: (soort)afname is bekend en ens effect op broed-en niet broedvogels Gevoelig: er is effect op broed en niet broedvogels Licht gevoelig: ens versnipperingseffect Neutraal: er zijn enkele dodelijke aanvaringen geweest zonder verdere algemene effecten
i• Rode lijst NL
Gevoeligheid Windmolen indien bekend Ze er gevoelig Gevoelig licht gevoelig Neutraal Eindtotaal
C. Rode lijst
1
1
1
9
12j
'D Vogel
1
1
1
9
12 1
Huismus
3 1
Keep
1
Kerkuil
1 1
1
Kleinezilverreiger
3 1
Koekoek
1
1
Ransuil
3
3
Visdief
1
1
Wielewaal e• filet op Rode Lijst oVissen Kleine modderkruiper o Vogel
43
25
1
16
138 3
3 3 39
3 54
25
16
3
Aalscholver Blauwe reiger
54
1
134 3 5
5
1
Brandgans
1
Bulzerd
2
2
Ekster
4
4 2
Fazant Fitis
1
Fuut
3
GrauweGans
3 1
1
Gierzwaluw
2 1
1
1
Groenling
2
2
Grote bontespecht
5
5
Heggem us
3 2
Houtsnip 3
Kauw Kleine karekiet
1
Kleine mantelmeeuw
1
Kokmeeuw
3 2
houtduif
2 3 1 1 2
2 5
Koolmees
2
5
Krakeend
4
4
Kulfeend
2
2
Lepelaar
2
2
Meerkoet
5
Merel
5
Nijigans
5 5 2
2 5
Pimpelmees Putter
5 1
1 1
Rietgors
1 5
Roodborst
5
Scholekster
1
1
Soepeend
4
4
Soepgans
2
2 3
Sperwer Sp reeuw
3 2
2 5
Tjiftjaf
5
Vink
5
5
Viaarnsegaai
2
2 4
Waterhoen
4 1
Wateroi.
1
Wespendief
1
1
Wildend
5
5 •
Winterkoninkje
4
Witte kwikstaart
1
Zanglijster
1
5
2
2
1
Zilvermeeuw
1
1
Zwarte kraai
5
5
Zwartkop oZoogdier Meervleermuis Eindtotaal
4 1 44
4 1
1
1 55
26
25
150
Opvallend is dat 18 diersoorten (aanwezig in zoekgebied 3) zeer gevoelig zijn voor windturbines. De betreffende diersoorten komen echter in meerdere deelgebieden (binnen het oostelijk deel van zoekgebied 3) voor hetgeen resulteert in een totaal van 44 'zeergevoelige'diersoorten. Hiernaast zijn 19 diersoorten aan te merken als gevoelig. Een aantal daarvan komen eveneens in meerdere deelgebieden voor, hetgeen resulteert in een totaal van 55 'gevoelige'diersoorten. Het is van essentieel belang genoemde - veelal unieke - bedreigde diersoorten te beschermen en hun leefgebied nietverderte verstoren en onderdrukte zetten met de komst van windturbines. Dat geldt te meer nu windturbines een aantoonbaar negatief effect hebben op een groot deel van genoemde bedreigde vogelsoorten maar bijvoorbeeld ook op de noordse woelmuis, waarover hieronder meer (zie verder punt 11,12,13 en 14 hieronder). Los hiervan is het, als gezegd, ook belangrijk oog te hebben voor de effecten van windturbines op niet bedreigde diersoorten. Denk hierbij bijvoorbeeld aan talloze soorten eenden, ganzen, knobbelzwanen en vleermuizen. Het verstoren van hun leef-/foerageer-/trekgebied en het mogelijk verdrijven van cruciale soorten tast immers de hele (voedsel)keten aan.
Tussenconclusie: De aanwezigheid van 18 zeer gevoelige en 19 gevoelige diersoorten binnen de relevante deelgebieden gaat wat ons betreft niet samen met de aanwezigheid van windturbines. Groene energie zou niet ten koste mogen gaan van unieke en bedreigde diersoorten. Voorde volledigheid -en om de ernsthiervan te onderstrepen -verwijzen wij naareen recent voorval (van eind februari jl.) waarbij een gezenderde zeearend uit de Biesbosch is geraakt door de rotor van een windturbine overde grensin Duitsland. De zeearend is doorde aanvaring metde windturbine in tweeën gesplitst.5
Ah4 41~210144.
NB: hoewel dit expliciete foto's van de zeearend in kwestie en andere roofvogels zijn, hebben wij ervoor gekozen deze foto's wel te tonen. Het geeft immers een duidelijk beeld van de mogelijke effecten van windturbines op vogels. 6.
De Amsterdamse Natuurwaardenkaart 2016 (oostelijk deel ring A10 Noord)
In het ecologisch rapport Schellingwouderscheg wordt verwezen naar de Natuurwaardenkaart 2016. Ten aanzien van de deelgebieden die vallen binnen het zoekgebied ring A10 Noord kan daarover het volgende worden opgemerkt. De Natuurwaardenkaart 2016 geeft de totale natuurwaarde weer voor de grote groengebieden binnen de gemeentegrenzen van Amsterdam en het Amsterdamse Bos. De natuurwaarden zijn bepaald op basis van biodiversiteit, natuurlijkheid, vervangbaarheid en bijdrage in de ecologische structuur. De Natuurwaardenkaart laat zien dat de natuurwaarden het grootst zijn in de stadsrand en afnemen naarmate je de stad in gaat. De stadsranden zijn de meest waardevolle gebieden uit
5 Zie: https://www.rtinieuws.nlinieuws/nederland/artikel/5217008/zeearend-biesbosch-duitsland-windturbinevogel.
oogpunt van stedelijke natuur. De natuurwaarden worden gerangschikt van 1 - 5 waarbij 5 de hoogste waarde is. In het ecologisch rapport Schellingwouderscheg zijn de natuurwaarden, die aan de afzonderlijke deelgebieden zijn toegekend, nader bestudeerd. Op de huidige Natuurwaardenkaart (2016) worclt Waterland hoog beoordeeld, maar worden de deelgebieden 'tuinpark Wijkergouw',Iuinpark Rust en Vreugd', 'Ecozone' en de 'Buitenring' opmerkelijk genoeg gewaardeerd in de categorie 2. De Breek scoort een 2. Het Schellingwouderpark en de Ecozone scoren beide een 4. Zie onderstaande selectie van de Natuurwaardenkaart 2016:
De in deze Natuurwaardenkaart weergegeven scores blijken echter achterhaald te zijn, althans niet meer up-to-date te zijn. Wanneer de nuances van het ecologisch rapport Schellingwouderscheg en de in dat verband aangetroffen diersoorten in de Natuurwaardenkaart verwerkt zouden worden (op basis van de toegepaste natuurwaardenkaart methode) dan zouden de natuurwaarden scores beduidend hoger moeten uitvallen, aldus het ecologisch rapport Schellingwouderscheg. Volgens de beoordeling uitgevoerd in het kader van het ecologisch rapport Schellingwouderscheg zouden de Volkstuinen Wijkergouw en Rust en Vreugd een 4 en de Ecozone een 5 (op een schaal van 1 - 5) moeten scoren. De Buitenring en De Breek scoren een 3, hetgeen ook bovengemiddeld is. De meeste deelgebieden van de Schellingwouderscheg kunnen volgens het ecologisch rapport Schellingwoude worden gerekend tot de subtop van de Amsterdamse natuur. Een juiste - up-to-date - Natuurwaardekaart zou ervolgens ons dus als volgt uit moeten zien:
Natuurwaarde
2 3 4 5
Tussenconclusie: Het gebied grenzend aan en in het oostelijk deel van zoekgebied ring A10 Noord behoort tot de subtop van de Amsterdamse natuur en heeft een aanzienlijk hogere (natuur)score dan de score(s) die de Natuurwaardenkaart 2016 weergeeft. 7.
Bijzonder Provinciaal Landschap Waterland
Hiernaast is zoekgebied 3, althans het oostelijk deel van de ring A10 Noord, zogeheten Bijzonder Provinciaal Landschap (BPL). Het gaat om 'BPL Waterland' zoals hieronder wordt weergegeven. Het BPL is het regime voorbescherming en waar mogelijk versterking en ontwikkeling van gebieden in Noord-Holland die landschappelijk, aardkundig, ecologisch of cultuurhistorisch van bijzondere waarde zijn. Het BPL is beschreven in kernkwaliteiten per deelgebied. In het BPL zijn ruimtelijke ontwikkelingen, met uitzondering van nieuwe stedelijke ontwikkelingen, toegestaan wanneer de beschreven kernkwaliteiten niet worden aangetast. In lijn met de provinciale Leidraad Landschap en Cultuurhistorie zijn de kernkwaliteiten beschreven aan de hand van drie provinciale kernwaarden: Aardkundla• en landichIsp. petelta lutakt•fkliák
n ulx.vd.iLevren
- landschappelijke karakteristiek
0~1
B
C
cmagreirraogestreen~....nqmow, we~derl.
- openheid en ruimtebeleving
syrnerytteische *nog. makenien
- ruimtelijke dragers 1. Landschappelhke karakteristiek: de landschapstypen en de belangrijkste kenmerken van deze landschappen. 2. Openheid en ruimtebeleving: de beleving van de ruimte, de horizon en de oriëntatiepunten. 3. Ruimteliike dragers: de driedimensionale structuren en lijnen die in het (vlakke) landschap het beeld bepalen en begrenzen. De grote openheid is met name een bijzondere waarde van BPL Waterland, zowel voor bewoners en recreanten, als voor weidevogels (aldus de provincie Noord-Holland). De omvang van het open weidegebied in het BPL Waterland is van bijzondere waarde. De openheid is kwetsbaar omdat in het vlakke land bijna elke ruimtelijke ingreep zichtbaar is. Door de verschillende verkavelingsrichtingen in het gebied is de openheid extra gevoelig voor verrommeling. Ruimtelijke ontwikkelingen in het open landschap die leiden tot (verdere) verdichting of verromnneling zijn volgens de provincie Noord-Holland een aantasting van deze kernkwaliteit. Een uitzondering vormen bijvoorbeeld fietspaden, omdat die niet van invloed zijn op de openheid.
Wat de provincie Noord-Holland betreft heeft de ideale habitat voor weidevogels een combinatie van de volgende ruimtelijke sleutelfactoren: omvangrijke aaneengesloten gebieden gekenmerkt door openheid, het ontbreken van verstoring (door opgaande elementen, zoals bebouwing, beplanting en masten en door infrastructuur en activiteiten die geluid en onrust veroorzaken), de aanwezigheid van micro-reliëf, graslandareaal en een relatief hoog waterpeil. De aanwezigheid van dezecombinatie van factoren in BPL Waterland is onvervangbaar. Kwetsbare weidevogelsoorten keren bij
verstoring doorgaans niet terug. Ruimtelijke ontwikkelingen die de habitat voor de weidevogels verkleinen zijn in beginsel een aantasting.6 Windturbines (met toegangsweg en kraanplaat) leiden wat ons betreft tot een overduidelijke aantasting van de kernkwaliteit 'openheid en ruimtebeleving'en leveren een directe inbreuk op op de - in grote getale - aanwezige weidevogels in zoekgebied 3. Volgens de provinciale kaart 'weidevogel tellingen' is het een rijk weidevogelgebied:
Weidevogels zijn bijzonder kwetsbaar voor windturbines (waarover onder punt 11 en 12 van dit raadsadres meer). Als voorbeeld verwijzen wij - in het bijzonder- naar een oerhollandse weidevogel de grutto. De grutto is, zo blijkt uit de provinciale kaart 'weidevogel tellingen' (selectie 'grutto broedparen'), aanwezig rondom de noordkantvan het deelgebied de Buitenring (en de restvan BPL Waterland) en is zeer gevoelig voor windturbines. De grutto is een soort die lastig verplaatsbaar is (d.w.z, opschuift naar een ander groengebied). Het is algemeen bekend dat grutto's namelijk altijd terugkeren naar hun geboortegrond. Al binnen een straal van 200 meter hebben grutto's last van windturbines, blijkt uit onderzoek van het Wageningen Environmental Research Instituut van 2008:7
vabbignitc1.1 nh Nederland,: itYlal
Schnhlinter
li'
eicarchappelijke ,.on,
11.......mnying rardkm. 1.Al111)AP. (nmeinven5 .
rhelainffer
-.
. 2,
imstruirign• g,roeliffinid .b.friand hmnimgar hrnnlyngrh (.)
I) WO; grin
re
v... bring,. mboclighi(d
unioring. barn.. • ahtand nim brixbdroy.n.l. brordsngich
hun,hogeh
(..)
(a)
11
+
(ij
<511-100
(.)
•Ii .;.. _ _.,_e_L_l_ 311 arn; gem. 4481141., par, 120 (Ikkii.) ,54111; gem 263 (951-i.) 116e-401, gmbra. 113
2,3.46,9,1(1 .
Yjivarnresor
Lam. ra,gemad•.:
Storrnmerimb
Lanu 4.3elo
Kleine (111MCIIIICCLW enrim manic:liner-um
1.r.12.-Per Lama sends..
Krblinecure
Lrran riedhandits
Llii,menumeinv Bonn, mrandleper Pun, strarialurcr ‘Vatermie
Rind !natant: Cn5darafiarir Cahárá read-lieu
1511.2n. + (31
72nrrod Ln.n.uhr in.., hmibia
gem. 418 21.1, 213 , Ill! ;an; (1.11. 212
+ ((.2./.1
(-Minn Wulp
Kcmphaart I Inunitip
(,)
4
0,3,111
4
‹So-11.61 11111$51h ~.111
()
I'll
brb,,
gem 4315 75.15., gamin:I
2,9 5,9
2,1,4,9,111
1
6 https://www.noordholland.nl/Onderwerpen/Ruimteliike inrichting/Bijzonder Provinciaal Landschap/Bijzonder Provinciaal Landsch an per regio/Zaanstreek Waterland. 7 https://edepot.wur.n1/2061 tabel pag. 178.
8.
Unieke diersoorten Noorder Liplas (Rode Lijst)
Ten aanzien van de kwetsbare diersoorten aanwezig in zoekgebied 2A (de Noorderflplas), hetgeen eveneens hoofdgroenstructuur-gebied is, kan het volgende worden opgemerkt. Algemeen Ook de Noorder liplas is een bijzonder groengebied met een grote ecologische diversiteit. De natuurwaarden van het gebied zijn hoog door de ruige en gevarieerde begroeiing en de matige toegankelijkheid voor mensen. Vleermuizen gebruiken de Noorder Uplas als foerageergebied. De afwisseling in natuurlijke vegetatie en de oevervegetatie zorgen ervoordaterveelinsecten aanwezig zijn waarop de verschillende vleermuissoorten jagen. Ingrepen in deze zones zullen effect hebben op de kwaliteit van het foerageergebied. De groenstrook rond de plas is voor veel vogelsoorten een ideaal broedgebied. Veranderingen aan het groen zullen effect hebben op de geschiktheid van het broedgebied voordeze soorten. De havik, buizerd en sperwer hebben er de la atste jaren regelmatig gebroed.8 Natuurwaarde onderzoek 2012 In het natuurwaarde onderzoek naar de Noorder Hplas van 2012 (uitgevoerd door de Dienst Ruimtelijke Ordening van de gemeente Amsterdam) zijn de volgende constateringen opgenomen: Zoogdieren Algemene soorten als haas, konijn, bosmuis, gewone bosspitsnnuis, veldmuis, egel en mol komen voor. Vossen worden regelmatig gezien. Hermelijn en wezel zijn ook te verwachten. Meervleermuizen jagen boven de plas.
Andere waargenomen vleermuizen zijn: gewone en ruige dwergvleermuis, watervleermuis en laatvlieger. Het is mogelijk dat er boombewonende vleermuizen (watervleermuis, ruige dwergvleermuis) verblijven in de grotere bomen aan de oost- en noordzijde van het plangebied. Broedvogels Het gebied is rijk aan broedvogels met watervogels als tafeleend, krakeend, wilde eend, waterhoen, kuifeend, en meerkoet; vogels van riet en ruigte als kleine karekiet, rietgors, rietzanger en blauwborst; soorten van bos en struweel als buizerd, havik, sperwer, grote bonte specht en groenling. In 2012 werd ook een familie grauwe ganzen gezien. Een aantal woonboten heeft pannendaken. Hier zijn geschikte biotopen voor huismussen. In 2004/2005 is erééngroep huismussen waargenomen. In 2012 zijn geen huismussen waargenomen. Het 'natuurwaarde onderzoek bezoek was destijds te kort om vast te stellen dat er geen huismussen meerverblijven. Insecten De uitgebreide oevervegetatie en het ruderale terrein maakt het gebied heel geschikt voor libellen, dagvlinders, sprinkhanen en krekels. Er zijn waarnemingen bekend van de vroege glazenmaker. Dit is een libellensoort van de Rode lijst.
Ecologisch onderzoek 2007 Aan de hand van het ecologisch onderzoek naar de Noorder Dplas uit 2007, uitgevoerd door Grontmij/AquaSense (in opdracht van de gemeente Amsterdam), is eveneens op te maken dat er diverse bijzondere diersoorten in de Noorder Hplas aanwezig zijn. In dit verband verwijzen wij naar de volgende tabellen uit voornoemd ecologisch rapport (Noorder Dplas)9:
8 Natuurwaarde onderzoek Noorder Uplas, november 2012, Dienst Ruimtelijke Ordening Gemeente Amsterdam (pag. 3 en 9). 9 Pag. 43 en 55 van het ecologisch rapport Noorder Ilplas 2007.
Tabel 20.
De in 2004 en 2005 aangetroffen zoogdieren in het ruderale terrein. Bron: Planteam Openbare Ruimte, Groen & Stadsecologie, Dienst Ruimtelijke Ordening (ongepubl.). Cursief: beschermd door Flora- en Fauna wet, vet: beschermd door Habitatrichtlijn en Flora- en Faunawet, nominal: niet beschermd. Knaagdieren Haas Konijn Veldmuis Woelrat Bosmuis Bruine rat
Vleermuizen Watervleermuis Meervleermuis Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvieermuis Laatvlieger Spitsmuizen Gewone bosspftsmuis
Tabel 14.
Roofdieren Wezel Bunzing Vos Huiskat Insecteneters Egel Mol
De aangetroffen soorten broedvogels uit de plas en het ruderale terrein volgens gegevens van SO VON (uit Pomarius 2003), Planteam Openbare Ruimte, Groen & Stadsecologie, Dienst Ruimtelijke Ordening en N. ZijImans (Bijlage 16) in de periode 2000-2006. De aantallen (?) zijn waarnemingen uit (1980-1982) en de overige aantallen tussen haakjes zijn voor de periode 1990-1997, ontleend aan Van der Hut (1998). De overige aantallen zijn uit 2006 (N. Zijlmans, ongepubl.). = opgenomen in Beschermingsplan moerasvogels (Den Boer 2000). Status Rode Lijst (2004): vet = bedreigd, onderstreept = kwetsbaar, cursief = gevoelig. De namen van weinig veeleisende soorten beginnen met een kleine letter, die van veeleisende soorten met een Hoofdletter en die van zeer veeleisende soorten met een onderstreepte Hoofdletter. De indeling in broedgebieden en naar veeleisendheid is (enigszins gewijzigd) naar Sierdsema (1995). Ondiep water 1 1-3 (1-8) 1
Open water knobbelzwaan Kuifeend meerkoet bergeend fuut
Bosranden
Open gebied
Tafeleend Krakeend wilde eend waterhoen Dodaars
Visdieije Kluut Kleine plevier Bontbekplevier Tureluur kievit scholekster Fazant Torenvalk
Groenling Putter ekster zwarte kraai Blauwe reiger
Bossen ijifijaf koolmees vlaamse gaai spreeuw pimpelmees houtduif Grote bonte specht Buizerd Havik Sperwer
(25-30)
Vochtige struwelen (5-10)
Bosnetzanger Nachteciaal
1 (60-80) 0-3
Struiken en struwelen
Waterriet Grote karekiet kleine karekiet *Snor
Rietland en natte (liet) ruigten Waterral Rielzanger Sprinkhaanzanger 'Baardmannetje 'Blainntorst rietgors
5 (35-70) 2 (0-1) 1 5-15
v.interkoning Braamsluiper Grasrnus heggemus zwartkop fitis roodborst tuinfluiter Kneu merel Zanglijster
6
(5-15)
Erven en bebouwing huismus Boerenzwaluw
Diverse gebieden Koekoek
In zijn algemeenheid volgtuit het ecologisch rapport uit 2007 dat de diversiteithoog is en het gebied een belangrijke bijdrage levert aan de ecologische hoofdgroenstructuur van Amsterdam. De bijzondere natuurwaarde van het ruderale terrein is te Janken a an meerdere factoren, te weten: 1. 2. 3. 4.
De beperkte recreatieve druk. Spontane ontwikkeling van de natuur. Geïsoleerde ligging van het gebied. Rijkdom aan gradiënten door verschillen in hoogte (nat-droog) en bodemgesteldheid.
5. De aanwezigheid van een combinatie van verschillende biotopen. De samenhang van deze gebieden is meerdan de som van de afzonderlijke delen. Door een samenspel van de plas, ruderaal terrein en het bos ontstaat een leefgebied voor veel planten en dieren. 6. De goed ontwikkelde overgangszones tussen bos en ruderaal terrein. Randzones zijn gradientrijk en waardevol voor de natuur. 7. De relatie met de omgeving als onderdeel van de stedelijke groenstructuur en ecologische structuur a Is onderdeel van de Cornelis Douwesscheg en de relatie met het Noordzeekanaal. Hierdoor is het ruderale terrein van de Noorder Hplas met het aangrenzende bos een van de hoogst scorende locaties op de natuurmeetlat van Amsterdam (de toestand van de natuur, Van Zoets e.a. 2002). Ruimteliik toetsingskader Noorder nplas 2020-2030 Overigens volgt uit, onder andere, het Ruimtelijk Toetsingskader Noorder liplas 2020-2030 dat de Noorder Dplas in de toekomst als stadspark gaat fungeren voor Haven-Stad. Dit is volgens de gemeente Amsterdam nodig om voldoende groen en open ruimte te waarborgen in een stedelijk gebied met een gestaag groeiend aantal inwoners en werknemers. Tussenconclusie zoekgebied 2A De vogels grote karekiet, snor, visdief, torenvalk, huismus, nachtegaal, kneu, boerenzwaluw en koekoek staan op de Rode Lijst en zijn aanwezig in de Noorder Dplas.
Ookde zoogdieren, konijn, laatvlieger, wezel, bunzing en egelstaan op de Rode Lijst en zijn aanwezig in de Noorder Uplas. Veel vleermuizen, waaronder de meervleermuis, vliegen en jagen boven de plas De aanwezigheid van deze gevoelige diersoorten binnen de Noorder Uplas gaat wat ons betreft niet samen met de aanwezigheid van windturbines. Groene energie zou niet ten koste mogen gaan van unieke en bedreigde diersoorten. Watons betreftgaat het waarborgen van voldoendegroen en open ruimte bovendien ooknietsamen met de plaatsing van windturbines. 9.
Natuurwaardenkaart Amsterdam 2016 (Noorder Llplas)
De NoorderHplas heefteen bijzonderhoge natuurwaardenscore hetgeen op onderstaande weergave van de Natuurwaardenkaart 2016 te zien in. De Noorderflplas behoort daarmee ook tot de subtop van de Amsterdamse natuur.
Natuurwaarde
1 2 3 %lid 4 5
Kademuren 2
3
10.
Rapport Pondera Consult (maart 2020)
De gemeente Amsterdam heeft Pondera Consult gevraagd om voor de Noorder liplas (thans zoekgebied 2A), stadsdeel Noord langs de A10 (thans zoekgebied 3) en het omliggende gebied een ruimtelijk-technische analyse uit te voeren naar mogelijkheden voor windturbines in die zoekgebieden. In het haalbaarheidsrapport van 18 ma art 2020 (hierna het Pondera rapport) heeft Pondera Consult haar bevindingen neergelegd. In het Pondera rapport wordt ten aanzien van het projectgebied opgemerkt dat er nabijgelegen Natura 2000-gebieden zijn en wordt melding gemaakt van het feit dat het zoekgebied deels een weidevogelgebied is. Wij verwijzen in dit verband naar figuur 2.12 van het Pondera rapport*: Figuur 2.12 Ecologic
0"PONDERA Windonerglo Amsterdam N.re en Neorder 143139 Legenda
EJP.,e0getred LIJ i43tura2000 Nr04
*dit betreft een weergave van het oude zoekgebied 3. Zoekgebied 3 is ondertussen verkleind en betreft nu alleen het oostelijk deel van de ring Al0 Noord. Zowel zoekgebied 2A als 3 zijn thans aangeduid als voorkeursgebieden.
In dit figuur is te zien dat er verschillende weidevogelgebieden liggen binnen het oorspronkelijke zoekgebied, waarbij opgemerkt wordt dat (i) er sprake is van een afname van weidevogels in Nederland en (ii) weidevogels kwetsbaar zijn voor windmolens. De provincie Noord-Holland heeft regels vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening, waarin de begrenzing en de bescherming van de weidevogelgebieden zijn opgenomen. In het Pondera rapport wordt daar verder niet inhoudelijk op ingegaan. In het figuur is eveneens te zien dat Natura 2000-gebieden in de nabijheid van zoekgebied 2A en 3 liggen. Het gaat om de volgende tweegebieden: (1) Ilperveld, Varkensland, Oostzanerveld &Twiske, Markermeer en (2) Iimeer. Het Pondera rapport vermeldt daarbij dat Natura 2000-gebieden een beschermingsregime kennen met een externe werking. Dat betekent dat ook windturbines buiten deze gebieden van invloed kunnen zijn op de natuurlijke waarden waarvoor deze Natura 2000gebieden zijn aangewezen. Daarzou volgens het Pondera rapport in een vervolgfase naderonderzoek naar moeten worden gedaan. Ten aanzien van zoekqebied 3 In (het oostelijk deel van het) zoekgebied 3 wordt de 'kansrijkheid' om windturbines te kunnen plaatsen ingeschat op een combinatie van 'rood' (d.w.z. zeer veel aandachtspunten, mitigatie complex (juridisch, in tijd en/of geld)) en 'oranje' (d.w.z.
veel aandachtspunten aanwezig, mitigatie (waarschijnlijk) mogelijk).10 Mede gelet op het belang van behoud van de weidevogelgebieden, de
10 Zie Pondera rapport pag. 33 en 34.
bescherming van de nabijgelegen Natura 2000-gebieden en de aanduiding als BPL (en deels NNN) gebied, zou de kansrijkheid wat ons betreft echter op 'rood' moeten worden ingeschat. Van belang is verder dat het ecologisch rapport Schellingwouderscheg van een latere datum is dan het onderzoeksrapport van Pondera. De bevindingen en conclusies uit het ecologisch rapport Schellingwouderscheg, met name wat betreft bedreigde diersoorten,zijn derhalve niet meegenomen door het onderzoeksbureau Pondera. Datzelfde geldt voor het feit dat de betreffende deelgebieden aan de binnen- en buitenkant van de ring A10 Noord aanzienlijk hoger scoren op basis van de Natuurwaardenkaartmethode dan voorheen gedacht. Om deze redenen is het Pondera rapport - wat betreft het in kaart brengen van de 'kansrijkheid'- dus achterhaald, althans niet volledig. Het ligt beslist voor de hand dat als Pondera Consult kennis zou hebben genomen van het ecologisch rapport Schellingwouderscheg (van een latere datum), de uitkomst van het Pondera rapport anders zou zijn geweest, namelijk dat - in ieder geval - het oostelijk deel van zoekgebied 3 (d.w.z. windturbines positie 1 t/m 6 in het rapport) wat betreft kansrijkheid geheel 'rood' (in plaats van deels oranje) zou moeten zijn aangemerkt. Deze omstandigheid zet zoekgebied 3 wat ons betreft in een ander licht.
Ten aanzien van zoekgebied 2A: Rond de Noorder nplas (zoekgebied 2A) wordt de kansrijkheid om windturbines te kunnen plaatsen ingeschat op 'oranje' (d.w.z. veel aandachtspunten aanwezig, mitig atie (waarschijnlijk) mogelijk)." Mede gelet op het belang van behoud van de nabijgelegen weidevogelgebieden en bescherming van Natura 2000-gebieden, zou de kansrijkheid wat ons betreft eveneens op 'rood' moeten worden vastgesteld. Visie Vogelbescherming Nederland op windturbines (geen windturbines nabij 11. Natura 2000-gebieden) Dat brengt ons bij het volgende punt. Vogelbescherming Nederland heeft haarvisie op windturbines in Nederland neergelegd in `de nationale windmolenrisicokaart'.12 De visie van Vogelbescherming Nederland is als volgt sa men te vatten. Windturbines worden per definitie geplaatst in gebieden met veel wind. Open en dus windrijke gebieden zijn echtervaakookvogelrijke gebieden. Dat betekentdat belangen van vogelbescherming en windenergie regelmatig op gespannen voet met elkaar staan. Volgens Vogelbescherming Nederland hebben windturbines verschillende effecten op vogels, waaronder - maar niet uitsluitenddirecte sterfte, leefgebied verlies en barrièrevorming.
Vogelbescherming Nederland vindt daarom dat windturbines uit voorzorg niet geplaatst mogen worden in de belangrijkste vogelgebieden en hun directe omgeving, zoals (i) Natura 2000-gebieden die zijn aangewezen voor vogels en (ii) bepaalde weide- en akkervogelgebieden van Nederland. In a ndere/overgebleven gebieden zouden windturbines geplaatst kunnen worden wat de Vogelbescherming betreft, mits er geen belangrijke negatieve effecten op vogelpopulaties te verwachten zijn. De Vogelbescherming heeft onderstaande kaart gepubliceerd in haarsnationale windmolenrisicokaart'waarbij het hoogste risicogebied wat betreft vogelsterfte in paars weergegeven wordt. Volgens Vogelbescherming Nederland zouden de paars aangeduide gebieden windmolenvrij (windtubinevrij) moeten blijven. Nadere bestudering van onderstaande kaart wijst uit dat het gehele zoekgebied langs de ring A10 Noord in het hoogste risicogebied ligt (met kleurcode 'paars' aangeduid). Dat past ook bij de gedachtegang dat windturbines niet a Ileen in Natura 2000 gebieden zelf - maar ook in de directe omgeving daarvan - uit den boze zijn. Het zoekgebied ring A10 Noord ligt pal naast Natura 2000gebied 'Oostzanerveld &Twiske' en Natura 2000-gebied Umeer.
Zie Pondera rapport pag. 33 en 34. httqs://www.vonelbescherminq.nl/docs/e3b4524d-5cc2-4565-a65e3226a124837e.pdf? qa=2.228044573.1065006379.1612858624-1093712409.1611419482 12
Nationale windrnolenrisicokaart voor vogels
" Cnritra v.,. rm. M1ebgahmichartazg ~mind rreaálalleknt ~den ot
elo ~at
Tussenconclusie: Het zoekgebied ligt wat Vogelbescherming Nederland betreft in het hoogste risicogebied. Het advies van Vogelbescherming Nederland is duidelijk: dat gebied dient windmolenvrij te blijven. 12.
Effecten windturbines op land op diersoorten
Algemeen In algemene zin kan over de effecten van windturbines op land -op kwetsbare diersoorten (in grote lijnen) het volgende worden opgemerkt. De aanwezigheid van windturbines heeft vooral effect op stand-en trekvogels door verstoring en sterfte en verlies van leefg.lied. Verstoring treedt op door geluid en de beweging van de wieken. Voortrekkende vogels en vleermuizen kunnen windturbines een barrièrevormen tussen bijvoorbeeld slaap- en foerageergebied of broed- en overwinteringsleefgebied. Zo leidt plaatsing ook tot versnippering van leefgebied. In gebieden met geconcentreerde vogelbewegingen levert plaatsing een substantieel aanvaringsrisico op. Lokale vogels kunnen hun koers waarschijnlijk leren aanpassen» De aanwezigheid van windturbines kan hiernaast ook effect hebben op andere 13
Zie toelichting op activiteit'windturbines' bij de effectenindicator Natura 2000.
diersoorten zoals vissen en zoogdieren, onder andere, door verstoring van het leefgebied (versnippering en storing door knippering, trilling en/of geluid). In dit verband kan bijvoorbeeld gedacht worden aan de noordse woelmuis en de kleine modderkruiper die in het bijzondergevoelig zijn voor windturbines. Ook op insectenpopulaties kunnen windturbines effect hebben. Migrerende vliegende insecten zoeken in grote zwermen hoge en snelle luchtstromen en laten zich zo naarandere (broed)plaatsen vervoeren. In deze tocht blijken ze door de rotorbladen in grote aantallen geraakt te worden. Het Wageningen Environmental Research Instituut (van de Universiteit Wageningen) heeft op verzoek van het ministerie van Economische Zaken en het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (en andere instanties) onderzoek gedaan naar de effecten van, onder andere, windturbines op de kwetsbaarste soorten vogels, vleermuizen, zeezoogdieren en vissen. In het rapport van Buil et al. van mei 2018 (genaamd "Kwetsbare soorten voor energie-infrastructuur in Nederland") wordt aandacht besteed aan de cumulatieve impact van energie -infrastructuur (zoals windturbines) en de rol daarvan op de populatieontwikkeling van kwetsbare soorten doorsterfte en ha bitatverlies als gevolg van aanvaringen met die energie-infrastructuur of het verstorende effect van dergelijke infrastructuur.