Parkeerverordening 2013 per 1 augustus 2021.docx
Tekst van het document
Artikel 36 Gegevens en voorschriften 1. Een vergunning bevat - voorzover van toepassing - in ieder geval de volgende gegevens: a. de periode waarvoor de vergunning geldt;
18
b. het gebied waarvoor de vergunning geldt; c. de tijden waarvoor de vergunning geldt; d. het kenteken of de kentekens van het motorvoertuig of van de motorvoertuigen waarvoor de vergunning is verleend. 2. Aan een vergunning worden - voor zover van toepassing - in ieder geval de volgende voorschriften verbonden: a. de vergunning is uitsluitend geldig voor het parkeren van het motorvoertuig waarvan het kenteken is vermeld op de vergunning of in het digitale parkeerbelastingbestand. b. een parkeervergunning geldt voor het parkeren van één motorvoertuig op één parkeerapparatuurplaats. 3. Aan een vergunning kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden ter bescherming van: a. het belang van een goede verdeling van de beschikbare parkeerruimte b. het belang van het voorkomen of beperken van door het verkeer veroorzaakte overlast, hinder of schade alsmede de gevolgen voor het milieu. c. overige belangen in verband met regulering van het gebruik van plaatsen. Artikel 37 Intrekken van vergunningen 1. Het college trekt een vergunning in, indien: a. de vergunninghouder daarom verzoekt; b. blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit op de aanvraag om de vergunning zou hebben geleid; c.
niet voldaan of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting; d. de vergunningverlening onjuist was en de vergunninghouder dit wist of behoorde te weten; e. de vergunning is verleend ten behoeve van een motorvoertuig dat niet meer voldoet aan de definitie van een motorvoertuig zoals vermeld in het op de Wegenverkeerswet gebaseerde Regeling voertuigen. f. een bewonersvergunning, een overloopvergunning, een bedrijfsvergunning, een hulpverlenersvergunning, een maatschappelijke vergunning of een stadsbrede autodeelvergunning is verleend ten behoeve van een motorvoertuig, dat wordt aangedreven door een kracht die wordt ontleend aan dieselolie en is gecategoriseerd in de Europese emissiestandaard voor dieselvoertuigen met een klasseaanduiding Euro 3 of lager of wordt aangedreven door benzine of andere koolstofhoudende brandstoffen en niet is gecategoriseerd in de Europese emissiestandaard voor benzinevoertuigen of een klasseaanduiding heeft lager dan Euro 1 (Euro 0), tenzij uit het kentekenregister van de Rijksdienst voor het wegverkeer blijkt dat het motorvoertuig is omgebouwd naar een elektrisch voertuig. 2. Het college kan een vergunning intrekken of wijzigen, indien: a. de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied; b.
zich een wijziging voordoet in de omstandigheden voor zover die gewijzigde omstandigheden zich verzetten tegen het in stand laten van de verleende vergunning; c. de vergunninghouder handelt in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften; d. op een adres twee of drie bewonersvergunningen zijn verleend en het vergunningenplafond binnen het desbetreffende vergunninggebied inmiddels is bereikt; e. de vergunninghouder de vergunning gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de vergunning is verleend, of f. het college, nadat de vergunning is verleend, heeft besloten het vergunningenplafond voor het vergunningengebied waarvoor de vergunning is verleend op nul vast te stellen en een
19
overgangsregeling heeft getroffen voor de reeds verleende vergunningen. g. de vergunningverlening onjuist was. 3. Het college kan een overloopvergunning intrekken indien het vergunningenplafond binnen het vergunninggebied dat als overloopgebied is aangewezen is bereikt. 4. Indien toepassing wordt gegeven aan het tweede lid, onder d, wordt de houder(s) van de vergunningen de keuze gelaten, of de eerste vergunning, de tweede vergunning dan wel de derde vergunning wordt ingetrokken. 5. Indien de houder(s) van de vergunningen zelf geen voorkeur aangeven, worden de tweede vergunning en de derde vergunning ingetrokken. Artikel 38 Vervallen van vergunningen Onverminderd artikel 27 vervalt een vergunning door het verstrijken van de geldigheidsduur. Paragraaf 7. Overige bepalingen Artikel 39 Parkeerplaatsen niet zijnde parkeerapparatuurplaatsen Een parkeerplaats geldt niet als een parkeerapparatuurplaats, indien: a. het een belanghebbendenparkeerplaats betreft; b. het een gehandicaptenparkeerplaats betreft; c. het een taxistandplaats betreft; d. het een parkeerplaats in een parkeerschijfzone betreft. Artikel 40 Hardheidsclausule Het college is bevoegd, in gevallen waarin de toepassing van deze verordening naar hun oordeel tot een bijzondere hardheid leidt, ten gunste van de aanvrager af te wijken van het bepaalde in deze verordening.
Hoofdstuk 4 Verbodsbepalingen en strafbepaling Artikel 41 1.Het is verboden, enig voorwerp, niet-zijnde een motorvoertuig, te plaatsen of te laten staan: a. op een parkeerapparatuurplaats; b. op een belanghebbendenparkeerplaats; c. op een gehandicaptenparkeerplaats. 2. Het is verboden, een fiets, een bromfiets of enig ander voorwerp op zodanige wijze tegen of bij parkeerapparatuur te plaatsen of te laten staan, dat daardoor het gebruik daarvan wordt belemmerd of verhinderd. 3. Het is verboden parkeerapparatuur met andere middelen dan die welke in de kennisgeving op of bij de parkeerapparatuur staan aangegeven, in werking te stellen. 4. Het college kan ontheffing verlenen van het bepaalde in het eerste lid van dit artikel. Artikel 42 Het is verboden, gedurende de tijden waarop het parkeren op een belanghebbendenplaats slechts aan belanghebbendenvergunninghouders is toegestaan, aldaar een motorvoertuig te parkeren of geparkeerd te houden: a. zonder belanghebbendenvergunning; b. in strijd met de aan de belanghebbendenvergunning verbonden voorschriften en beperkingen.
20
Artikel 43 Overtreding van het bepaalde in de artikelen 38, tweede lid, 41 en 42 van deze verordening, alsmede het handelen in strijd met de aan de vergunningen verbonden voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met een geldboete van de eerste categorie. Artikel 44 Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze verordening zijn de daartoe door het college aangewezen personen of categorieën van personen belast. Hoofdstuk 5 Slotbepalingen, overgangsrecht en citeertitel
Artikel 45 Experimenten Het college kan voor een gebied waar parkeerregulering op grond van deze verordening is ingevoerd voor de duur van een te houden experiment, de werking van bepaalde artikelen voor een bepaald gebied, buiten toepassing stellen
Artikel 46 Overgangsbepalingen 1. Aanvragen waarop op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze verordening nog geen beslissing is genomen, worden behandeld met inachtneming van de bepalingen van de Parkeerverordening 2009, tenzij toepassing van deze verordening voor de aanvrager gunstiger is. 2. Parkeervergunningen en bijzondere vergunningen die krachtens de Parkeerverordening 2009 zijn verleend, worden geacht te zijn verleend krachtens deze verordening. 3. Bezwaarschriften, ingediend tegen beslissingen krachtens de Parkeerverordening 2009, worden behandeld met inachtneming van de Parkeerverordening 2009, tenzij toepassing van deze verordening voor de bezwaarde gunstiger is. 4. Wachtlijsten als bedoeld in artikel 9 van de Parkeerverordening 1996, artikel 23 van de Parkeerverordening 2002, artikel 29 van de Parkeerverordening 2005, artikel 30 lid 3 van de Parkeerverordening 2007 en artikel 34, eerste lid van de Parkeerverordening 2009 gelden als wachtlijst in de zin van artikel 34, eerste lid, van de deze verordening. 5. De weigeringsgronden uit artikel 32, tweede lid, de verwijderingsgronden uit artikel 35 onder d. en de intrekkingsgronden uit artikel 37, eerste lid onder f, zijn niet van toepassing op: a. aanvragen gedaan vóór 1 april 2017 waarop nog geen beslissing is genomen; b.
aanvragers die vóór 1 april 2017 op grond van artikel 34 op de wachtlijst zijn geplaatst; c. aanvragen voor een vergunninggebied dat na 1 april 2017 voor het eerst als vergunninggebied is aangewezen en waarbij de aanvrager op het moment van aanwijzing reeds houder van het motorvoertuig was. 6. Parkeervergunningen die zijn aangevraagd en verleend vóór 1 april 2017 worden niet ingetrokken of geweigerd dan wel van de wachtlijst verwijderd op grond van artikel 32, tweede lid, tenzij het kenteken wordt gewijzigd. 7. De weigeringsgronden uit artikel 32, tweede lid, de verwijderingsgronden uit artikel 35 onder d. en de intrekkingsgronden uit artikel 37, eerste lid onder f, zijn niet van toepassing indien de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied en voldoet aan de voorwaarden uit het vijfde en zesde lid. 8. Een bewonersvergunning en een milieuparkeervergunning voor bewoners wordt niet geweigerd wegens het bereiken van het vergunningenplafond als bedoeld in artikel 32, vierde, vijfde en zevende lid wegens het bereiken van het vergunningenplafond, indien:
21
a. de aanvrager herhuisvester is, b. de aanvrager voorafgaand aan de stedelijke vernieuwing beschikte over een bewonersvergunning of een milieuparkeervergunning voor bewoners, en c. wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor een bewonersvergunning en milieuparkeervergunning voor bewoners, gesteld bij of krachtens deze verordening. Artikel 47 Inwerkingtreding 1. De Parkeerverordening 2009, vastgesteld bij raadsbesluit van 29 oktober 2008 (Gemeenteblad 2008, afd. 3A, nr. 211/515) wordt ingetrokken met ingang van de in het tweede lid genoemde datum, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op de belastbare feiten die zich voordien hebben voorgedaan. 2. Deze verordening treedt in werking per 15 april 2013. Artikel 48 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als Parkeerverordening Amsterdam 2013 .
Toelichting Parkeerverordening 2013 Op basis van de Gemeentewet worden de kaders voor fiscaal parkeren door de gemeenteraad vastgesteld in de Verordening parkeerbelastingen en de Parkeerverordening. Parkeerbelasting kan worden voldaan door middel van het betalen voor een parkeervergunning, een tijdgebonden parkeerrecht en/of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur. Bij wijze van uitzondering kan, ten behoeve van maatwerk en onder voorwaarden, een aantal bijzondere regelingen worden toegepast. Dit betreft de zogenoemde bijzondere vergunningen. De tarieven van de parkeervergunningen en tijdgebonden parkeerrechten worden onder meer geregeld in de Verordening parkeerbelastingen. In de Parkeerverordening worden de kaders voor het parkeerbeleid gegeven, zoals de verschillende soorten parkeervergunningen en bijzondere vergunningen. Deze kaders worden door het college en de dagelijks besturen van de stadsdelen nader ingevuld in nadere regelingen. De onderwerpen die in de nadere regelingen dienen te worden geregeld of kunnen worden geregeld, zijn genoemd in hoofdstuk 2 van de Parkeerverordening. Per 1 juli 2013 is de verlening en registratie van de parkeervergunningen en andere parkeerrechten gedigitaliseerd. Daardoor hoeft de parkeervergunning of het parkeerkaartje niet fysiek in het voertuig aanwezig te zijn.
In plaats daarvan wordt gecontroleerd of parkeerbelasting is voldaan door het kenteken van een geparkeerd voertuig te vergelijken met kentekens die zijn geregistreerd in een digitaal parkeerbelastingbestand. Daarin is vermeld voor welke kentekens voor welke plaatsen en periode de verschuldigde parkeerbelasting is voldaan.
Artikelsgewijze toelichting Parkeerverordening 2013 Hoofdstuk 1 Artikel 1 onder a: Het is mogelijk dat aan éénzelfde adresseerbaar object meer dan één nummeraanduiding wordt toegekend. Deze worden dan onderscheiden in hoofdadres en nevenadres. Een nevenadres kan worden toegekend als dit in het dagelijkse verkeer wenselijk is om een andere ontsluiting te kunnen vinden, zoals een aparte leveranciersingang. Omdat een nevenadres niet wordt toegekend aan een apart adresseerbaar object, kan op een nevenadres geen parkeervergunningen worden verleend.
22
Artikel 1 onder p. Vanwege de mogelijkheid van het intrekken van één van de twee verleende bewonersvergunningen bij het ontstaan van een wachtlijst is het onderscheid tussen eerste en tweede vergunningen ingevoerd. Artikel 1 onder u. Houder van een motorvoertuig is degene op wiens naam een kenteken van een motorvoertuig is geregistreerd in het kentekenregister als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994. Bedrijfsauto's die incidenteel mee naar huis genomen worden, vallen niet onder de regeling. Als kentekenbewijs wordt mede aangemerkt: een op naam afgegeven verzekeringsbewijs van een niet-kentekenplichtig motorvoertuig. Artikel 1 onder w. ‘Met regelmaat' betekent dat de zorg vrijwel dagelijks en in ieder geval wekelijks wordt verleend. Artikel 1 onder y. Aangesloten is bij de definitie van het Reglement voor verkeersregels en verkeerstekens 1990 (RVV). Voor deze verordening is daar de brommobiel aan toegevoegd. Ook gehandicaptenvoertuigen (zoals gedefinieerd in het RVV) mogen op fiscale plaatsen staan. Artikel 1 onder ee. Deze parkeerrechten zijn de digitale opvolgers van de parkeerkaarten. Met ‘tijdgebonden' wordt het onderscheid met parkeervergunningen aangeduid. Artikel 1 onder hh. Voor een parkeerplaats op eigen terrein die niet voor openbaar verkeer toegankelijk is, wordt de term ‘stallingsplaats' gebruikt.
De woorden "planologisch bestemd" verwijzen naar het vigerende bestemmingsplan of een legale afwijking van het bestemmingsplan. Artikel 1 onder oo. Dit is de digitale opvolger van de parkeervergunningen op code. De vergunninghouder kan zelf via internet het kenteken van het voertuig waarvoor de vergunning wordt gebruikt, wijzigen. Zo kan de vergunning afwisselend voor verschillende auto's worden gebruikt. Artikel 1 onder rr. Met de minimale maatvoering voor solitaire inpandige stallingsplaatsen en garageboxen geldt dat tenminste relatief courante A-klasse auto’s geparkeerd moeten kunnen worden. Het gaat hierbij om volwaardige motorvoertuigen die ongelimiteerd aan het verkeer kunnen deelnemen. Daarnaast geldt als uitgangspunt dat de bestuurder in staat moet zijn om inen uit het voertuig te stappen. Dit laatste geldt niet voor een eventuele passagier. Een passagier kan ook in- en uitstappen buiten de garage. In NEN-2443, Parkeren en stallen van personenauto’s op terreinen en in garages is aangegeven dat voor niet-openbare parkeergarages en stallingsgarages de parkeervakbreedte ten minste 2,30 m moet bedragen, ‘dit is de netto maat gemeten tussen de constructiedelen’ (p57). Met een minimale breedte van 2,35 meter wordt hieraan ruimschoots voldaan. Is de stallingsplaats kleiner dan de minimale maatvoering dan wordt deze niet als stallingsplaats gezien, maar als bergruimte.
De minimale dimensionering geldt alleen voor inpandige en solitaire stallingsplaatsen. Hiermee wordt bedoeld: een stallingsplaats die in de lengte en breedte constructief is ingekaderd door een muur en/of een (garage)deur. Voor buitenpandige stallingsplaatsen op eigen terrein (opritten en carports) of parkeervoorzieningen waarin meerdere voertuigen kunnen worden geparkeerd, geldt geen minimale maatvoering; dit omdat meer (manoeuvreer)ruimte beschikbaar is voor het openen van de portieren. Artikel 1 onder ss. en tt. Het verhoogde tarief van 150% voor de tweede en volgende bewonersvergunningen is vastgesteld in de Verordening Parkeerbelastingen 2017. Het verhoogde tarief geldt ook voor bewoners die voor hun eerste auto een stallingsplaats gebruiken en voor hun tweede auto over een (eerste) bewonersvergunning beschikken. In dit geval wordt de ‘eerste bewonersvergunning’ als een ‘tweede bewonersvergunning’ gezien. Artikel 3 Alleen indien op basis van artikel 31 een parkeerduurbeperking geldt, kan worden afgeweken worden van de bloktijden.
23
Hoofdstuk 2 Artikel 4 Lid 2. De 10% noodzakelijke leegstand is nodig voor de doorstroming en het tegengaan van rondrijden om een parkeerplaats te vinden. Het gaat om minimaal 10% van het aantal bruikbare parkeerplaatsen overdag op de openbare weg. Stadsdelen kunnen ervoor kiezen om ook ’s avonds en ’s nachts uit te gaan van 10% leegstand. Het is mogelijk het vergunningenplafond op 0 te stellen. In dat geval kan de parkeerbelasting slechts worden voldaan met minuten-, dag-, dagdeel-, avond-, nacht-, week- of maandparkeerrechten, parkeer & bel, kentekeninvoer op de automaat, parkeerrechten op basis van de kraskaart- of bezoekersvergunning, hulpverlenervergunningen, GA-parkeervergunningen en de stadsbrede autodeelvergunning. Hoofdstuk 3 Artikel 7 Lid 1. De parkeervergunningen betreffen de fiscale vergunningen. De parkeerbelasting wordt voldaan door periodiek te betalen voor de vergunning. Lid 2. De bijzondere vergunningen zijn geen fiscale vergunningen. De kraskaart en de bezoekersvergunning geven de vergunninghouder een recht om bezoek tegen een gereduceerd tarief te laten parkeren. Een belanghebbendenvergunning geeft een recht om op een belanghebbendenparkeerplaats te parkeren.
Artikel 8 Lid 1. De volgorde van binnenkomst wordt vastgelegd door middel van het toekennen van een volgnummer. Artikel 9 Lid 1. Bij de beoordeling van de vraag of een bewoner over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats beschikt of kan beschikken, wordt op grond van de jurisprudentie uitgegaan van een ruime interpretatie. Onder ‘kan beschikken' wordt dus ook verstaan dat de aanvrager een stallingsplaats kan kopen of huren in de garage die hoort bij het blok(deel) waar hij gevestigd is. Het gaat daarbij niet om de vraag of men financieel in staat is een stallingsplaats te kopen of huren, maar om de vraag of er een stallingsplaats te koop of te huur is. In een vergunninggebied waarin het parkeren inpandig is georganiseerd en geen parkeervergunningen worden verstrekt, worden opvolgende kopers of huurders van eerste kopers of huurders zonder stallingplaats, geacht bekend te zijn met het gegeven dat er voor dat adres geen aanspraak bestaat op een parkeervergunning. Indien een bewoner een stallingsplaats niet als zodanig gebruikt of heeft gerealiseerd, komt dit voor risico van de bewoner. Gedacht kan worden aan de situatie dat een woning beschikt of behoort te beschikken over een garage of een parkeerplek maar dat deze voor andere doeleinden wordt gebruikt.
Indien, voordat een beleidsvoornemen tot invoering van betaald parkeren is vrijgegeven, stallingplaatsen aard- en nagelvast zijn verbouwd en qua maatvoering niet meer als stallingplaats bruikbaar zijn, worden deze stallingsplaatsen niet afgetrokken van het recht op parkeervergunningen. Lid 2, 3, 4 en 5. Het maximum aantal te verlenen vergunningen is afhankelijk van het totaal aantal motorvoertuigen van de bewoners. Het aantal stallingsplaatsen en belanghebbendenparkeerplaatsen wordt van dit maximum afgetrokken. Er wordt bijvoorbeeld geen bewonersvergunning verleend als bewoners in totaal houder zijn van één motorvoertuig en over een stallingsplaats of belanghebbendenplaats beschikken of kunnen beschikken. Lid 7. Met dit lid wordt beoogd bewoners tegemoet te komen als zij als gevolg van wegwerkzaamheden van de gemeente tijdelijk geen gebruik kunnen maken van hun stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats. Normaliter wordt een stallingsplaats en/of
24
belanghebbendenparkeerplaats afgetrokken van het aantal te verlenen vergunningen. De einddatum van de tijdelijke vergunning wordt vastgesteld in overleg met de projectleider, verantwoordelijk voor de wegwerkzaamheden. Lid 8. De vergunning kan alleen worden overgedragen als het maximum aantal te verlenen vergunning per adres, zoals bepaald op grond van het tweede lid van dit artikel, niet wordt overschreden. Artikel 10 Lid 1. Bij de beoordeling of een bedrijf gelegen is binnen een vergunninggebied wordt in eerste instantie uitgegaan van de vestiging volgens de inschrijving bij de Kamer van Koophandel. Voor bedrijven waarvoor dit niet mogelijk is, bijvoorbeeld ambulante handel, kan op andere wijze worden aangetoond dat er binnen het vergunninggebied sprake is van daadwerkelijke uitoefening van het bedrijf. Lid 2. In de krachtens hoofdstuk 2 gegeven nadere regels kan een lager maximum aantal te verlenen vergunningen per bedrijf worden vastgesteld. Uitgegaan wordt van daadwerkelijke gestationeerde werknemers in een bedrijf. Er zijn immers bedrijven (bijvoorbeeld uitzendbureaus) die veel mensen in dienst hebben die hun werkelijke werkplek op een geheel andere locatie hebben. Lid 3. Het locatiebeleid is vastgelegd in het Structuurplan Amsterdam, getiteld: Kiezen voor stedelijkheid 2003-2010.
Het Structuurplan verwijst voor de locatiekwalificatie naar het Regionaal Verkeers- en Vervoersplan. De norm voor het aantal te verstrekken bedrijfsparkeervergunningen is afhankelijk van de vraag of het bedrijventerrein een A-, B-, C- of R-locatie is. Voor de A-locaties geldt dat maximaal één bedrijfsparkeervergunning wordt verstrekt per tien werknemers; Voor de B-locaties geldt dat maximaal één bedrijfsparkeervergunning wordt verstrekt per vijf werknemers; Voor de C- en de R-locaties geldt geen beperkende norm in relatie tot het aantal werknemers van een specifiek bedrijf. Wel geldt dat het vergunningenplafond voor dat bedrijventerrein niet mag worden overschreden (tenzij anders bepaald in of krachtens deze verordening) en dat daarbinnen een rechtvaardige verdeling van het aantal mogelijk te verstrekken parkeervergunningen plaatsvindt. Lid 7. Zie ook de toelichting bij artikel 9, eerste lid. Met bij het bedrijf behorende parkeerplaatsen worden tevens parkeerplaatsen die conform de parkeernorm zijn toebedeeld aan het bedrijf bedoeld (zoals in parkeergarages). Lid 8. Hierbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan hotels die geregeld een piek aan klanten moet voorzien van een parkeergelegenheid waardoor personeel gedwongen is om tegen straattarief op straat dient te parkeren.
Als bedrijven de eigen parkeergelegenheid (deels) verhuren aan derden komen ze niet in aanmerking voor parkeervergunningen op straat tenzij het stadsdeel expliciet toestemming heeft gegeven voor deze verhuur. Lid 12. Ambulante handelaren (marktkooplieden e.d.) zijn soms maar één of twee dagen werkzaam in een vergunninggebied. Toch tellen deze vergunningen mee bij het bereiken van het vergunningenplafond. Om die reden is het mogelijk om aan ambulante handelaren een extra voorwaarde te stellen voor vergunningverlening. Lid 13. Dit lid beoogt de benadeelde ondernemer tegemoet te komen bij wegwerkzaamheden door de gemeente. Normaliter wordt een stallingsplaats en/of belanghebbendenparkeerplaats afgetrokken van het aantal te verlenen vergunningen. De einddatum van de tijdelijke vergunning wordt vastgesteld in overleg met de projectleider, verantwoordelijk voor de werkzaamheden.
25
Artikel 11 Een bedrijfsvergunning is bedoeld voor degenen die gerelateerd zijn aan het bedrijf zoals de werknemers. Dat de vergunning met wisselend kenteken is verleend doet daar niet aan af. Bezoekers en anderen, zoals leveranciers mogen dus geen gebruikmaken van de aan het bedrijf verleende vergunning. Lid 1 onder a. Met een volcontinu bedrijfsproces wordt bedoeld: 24 uur per dag open. Lid 1 onder b. Het onvermijdelijk wisselende bestand van auto's als bijvoorbeeld het gevolg van werken in shifts / wisseldiensten waardoor één vergunning per dag voor meerdere auto's gebruikt wordt. Artikel 12 Lid 1. Een overloopgebied kan uitkomst bieden als binnen een stadsdeel in een vergunninggebied sprake is van een wachtlijst en in een ander gebied niet. Ook kan een deel van een vergunninggebied als overloopgebied worden aangewezen om de parkeerdruk binnen één vergunninggebied te verdelen. Lid 2. Indien er een samenloop is van verschillende wachtlijsten dan is de datum van plaatsing op de wachtlijst bepalend voor de volgorde. Artikel 13 Lid 1. Om het betaald parkeren geen belemmering te laten vormen voor de sportverenigingsstructuur kunnen niet-commerciële sportverenigingen op basis van dit artikel in aanmerking komen voor een sportverenigingvergunning. Het kan zijn dat een sportvereniging niet gevestigd is in het vergunninggebied waarvoor de vergunning wordt gevraagd.
Indien de betreffende sportvereniging kan aantonen (door middel van bijvoorbeeld een contract) dat haar leden in hoofdzaak gebruik maken van een sportaccommodatie (bijvoorbeeld de Jaap Edenbaan) in een bepaald vergunninggebied mag een sportverenigingvergunning verleend worden. Artikel 14 Lid 1. De rechtspersoon kan bijvoorbeeld in een huishoudelijk reglement - zelf bepalen hoe de vergunningen binnen het volkstuincomplex worden verdeeld. Artikel 15 Lid 1. Onder huisarts of verloskundige wordt verstaan degene die op grond van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg gerechtigd is die titel te mogen voeren maar tevens ook degene die nog in opleiding is voor huisarts of verloskundige. Voorwaarde is wel dat zij zodanig gevorderd zijn in hun opleiding dat zij zelfstandig diensten draaien en daarbij gebruik maken van een eigen auto. Voorts wordt onder huisarts of verloskundige ook hun waarnemer verstaan, mits de waarnemer voor een langere periode werkzaam is in de praktijk of de waarnemer aangesloten is bij de waarnemerscentrale van Amsterdam. Lid 2. De hulpverlener die slechts incidenteel zorg of hulp aan huis verleent, komt niet voor de vergunning in aanmerking. Met wisselende plaatsen wordt bedoeld het verlenen van hulp of zorg op wisselende plaatsen op één dag of gedurende één dienst. Lid 4. De criteria voor de lijst sluiten nauw aan bij het tweede lid, onder b.
Daarbij wordt gelet op de aard van de werkzaamheden en de frequentie van de verleende zorg of hulp. Tandartspraktijken of praktijken voor fysiotherapie komen slechts in aanmerking om op de lijst te worden geplaatst, indien aangetoond is dat de patiënten uitsluitend of in overwegende mate niet op het praktijkadres komen. Artikel 16 en 17 De milieuparkeervergunning is bedoeld om bewoners en bedrijven te stimuleren schonere motorvoertuigen te kopen. De eisen voor een milieuparkeervergunning worden in een nadere regeling vastgesteld, zodat snel kan worden geanticipeerd op nieuwe ontwikkelingen. Hierbij kan onder meer worden gedacht aan eisen met betrekking tot de euronorm en energielabel.
26
Tot 1 januari 2015 waren artikel 16 lid 4 en artikel 17 lid 4 niet van toepassing op milieuparkeervergunningen voor elektrische voertuigen waarvoor voor 1 april 2011 een oplaadpunt is aangevraagd. Deze bepaling is per 1 januari 2016 geschrapt, omdat de overgangsbepaling op 1 januari 2015 is uitgewerkt. Artikel 18 Lid 1. Voor maatschappelijke vergunningen geldt geen vergunningenplafond. In de stad dienen voldoende zorginstellingen, scholen en politiebureaus aanwezig te zijn. Vanuit maatschappelijk oogpunt is het voor deze sectoren ongewenst dat een personeelstekort kan ontstaan doordat werknemers hun werkplek moeilijk kunnen bereiken vanwege een wachtlijst voor parkeervergunningen. In de nadere regels kan worden bepaald aan welke van de genoemde sectoren de maatschappelijke vergunning verleend wordt. Artikel 19 Lid 2. Het gaat in dit artikel om een parkeervergunning voor professionele autodeelorganisaties, niet om autodelen binnen de privékring van familie, kennissen of anderszins. Artikel 20 Lid 4 Met de Agenda Autodelen is bepaald dat het vergunningenplafond voor stadsbrede autodeelvergunningen 2.500 bedraagt.
Omdat hiermee schaarse vergunningen worden verleend, waarvoor een beperkt aantal aanbieders in aanmerking kunnen komen, kan het college in nadere regels bepalen dat de vergunningen die in een bepaald tijdvak zijn aangevraagd niet op volgorde van aanvraag worden verleend, maar dat in plaats daarvan door loting wordt bepaald welke aanvragers in aanmerking komen voor de vergunningen. Artikel 21 Lid 1. Objectieve wijze houdt in dat men een verklaring kan overleggen van een zorgorganisatie. In de Wet toelating zorginstellingen wordt bepaald welke organisaties gezien worden als zorginstelling. Indien men beschikt over een indicatie voor bijvoorbeeld thuiszorg of een verpleeghuis kan met overlegging van die indicatie worden volstaan. Lid 2. Ook mantelzorgers van buiten Amsterdam komen in aanmerking. Artikel 22 Lid 4. Het kenteken van het voertuig moet op naam staan van de vergunninghouder of zijn of haar huisgenoot. Artikel 22A De GA-parkeervergunning voor bezoekers is uitsluitend bedoeld voor het vervoer en parkeren van de gehandicapte die in het bezit is van de aan de vergunning verbonden GPK. Indien in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften wordt gehandeld, kan het college de vergunning intrekken.
Artikel 23 Een kraskaartvergunning geeft gehandicapten en bewoners ouder dan 65 jaar het recht om bezoek tegen een gereduceerd tarief te laten parkeren in het vergunninggebied van het adres van de vergunninghouder. Lid 1. Een medische indicatie kan bestaan uit een verklaring van het WMO-loket of uit een verklaring van een andere professionele instantie. Lid 6. Bewoners van een gebied waarvoor bezoekersvergunningen worden verleend en die in aanmerking komen voor een kraskaartvergunning kunnen kiezen of zij een kraskaart- of een bezoekersvergunning aanvragen.
27
Artikel 24 Een bezoekersvergunning geeft een bewoner het recht om bezoek tegen een gereduceerd tarief te laten parkeren in het vergunninggebied van de bewoner. Uren die niet zijn gebruikt kunnen niet worden meegenomen naar een volgende maand. Buiten de Ring A10 en in stadsdeel Noord kan het gereduceerde tarief op nihil worden vastgesteld. Artikel 24A De GA-bezoekerskaart is uitsluitend bedoeld voor het vervoer en parkeren van de gehandicapte die in het bezit is van de aan de GA-bezoekerskaart verbonden GPK. Indien in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften wordt gehandeld, kan het college de vergunning intrekken. Artikel 25 Lid 1. Een belanghebbendenvergunning is geen fiscale parkeervergunning. Het is een vergunning op grond van de verkeerswetgeving, waarvoor leges worden geheven. De vergunning kan ook voor een beperkte tijd (bijvoorbeeld alleen overdag) worden verleend. Lid 2. Door middel van het plaatsen van het bord E9 kunnen één of meer parkeerplaatsen worden toegewezen aan specifieke groepen van weggebruikers. Daarmee is tegelijkertijd een parkeerverbod van kracht voor ieder ander die niet beschikt over een vergunning voor die belanghebbendenparkeerplaats(en).
Ingevolge de Wegenverkeerswet 1994 kunnen bij het verkeersbord E9 onderborden worden aangebracht ter aanduiding van de werkingstijden, de wijze van parkeren, de dagen of uren waarop parkeren verboden is, het vergunninggebied en de vergunningcategorie waarvoor de belanghebbendenparkeerplaatsen zijn bestemd. Indien een belanghebbendenvergunning op kenteken dan wel met wisselend kenteken wordt verleend en recht geeft op het parkeren op één in de vergunning omschreven parkeerplaats, wordt onder het bij die parkeerplaats behorende verkeersbord E9 een onderbord aangebracht met vermelding van het kenteken of een code. Lid 4. De belanghebbende die in ieder geval op de lijst worden opgenomen betreffen de hulpverleners in de eerstelijns zorg (huisartsen en verloskundigen) en de autodeelorganisaties. Artikel 26 Lid 1. De minuten-, dag-, dagdeel-, avond-, nacht-, week-, of maandkaarten kunnen door iedereen worden aangeschaft.
Artikel 27 Lid 5. Maximaal elke twee jaar moet de belanghebbendenvergunning en de kraskaartvergunning voor gehandicapte bewoners opnieuw worden aangevraagd. Daarna kan de vergunning stilzwijgend worden verlengd of kan getoetst worden of nog voldaan wordt aan de voorwaarden tot afgifte van de vergunning. Lid 6. Met tijdig wordt bedoeld voor ingangsdatum van de nieuwe vergunningperiode. Indien ook op een herinnering niet wordt gereageerd, dan vervalt de vergunning zonder nader bericht Lid 7. De mantelzorgvergunning wordt verleend voor de tijd dat de mantelzorg nodig is en daadwerkelijk plaatsvindt. Daarom wordt periodiek getoetst of nog steeds aan de voorwaarden wordt voldaan. Artikel 28 Lid 4. Op basis van deze bepaling kan de geldigheid van de parkeervergunningen beperkt worden naar plaats gedurende bepaalde tijden om de bereikbaarheid te verhogen door lang parkeren met een parkeervergunning te beperken. De tijdelijke parkeerrechten genoemd in artikel 26 zijn in dat geval wel geldig.
28
Lid 6. Om uitvoering te geven aan het Parkeerplan Amsterdam kunnen de in nadere regels aangeduide vergunninghouders hun parkeervergunning gebruiken om te parkeren in parkeergarages. Artikel 29 Lid 2. Indien men bijvoorbeeld met dagparkeerrecht parkeert om 13.00 uur, dan is dat parkeerrecht maximaal geldig tot 13.00 uur de volgende dag. Er worden ook dagparkeerrechten uitgegeven die geldig zijn tot 19.00 uur en tot 21.00 uur van de dag van aanvang van het parkeren. Het dagparkeerrecht is dan niet 24 uur geldig. Bij de registratie van het dagparkeerrecht wordt de geldigheidsduur duidelijk aangegeven. Artikel 31 Het college is bevoegd om op basis van dit artikel een zogenoemde fiscale parkeerduurbeperking in te voeren. Een fiscale parkeerduurbeperking houdt in dat maar voor bepaalde blokken betaald kan worden en dat parkeervergunningen en/of -kaarten niet geldig zijn. Parkeren is dan alleen mogelijk met een tijdgebonden parkeerrecht dat in de betreffende straat of straten met behulp van de parkeerapparatuur is betaald en geregistreerd of door middel van het voldoen van het parkeertarief op een andere uitdrukkelijk genoemde betaalwijze (bijvoorbeeld belparkeren). Lid 4. De blokken kunnen afwijken van de bloktijden in artikel 3. De openingstijden van bijvoorbeeld winkels lopen immers niet synchroon met de bloktijden.
Lid 5 en 6 zijn toegevoegd om het mogelijk te maken een overgangsregeling in te stellen bij de introductie van de milieuparkeervergunning, dan wel indien het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen wordt verhoogd. Zonder een dergelijke overgangsregeling zou de wachtlijst voor bewoners- en bedrijfsvergunningen (indien aanwezig) wellicht lange tijd niet door kunnen stromen. Artikel 32 Lid 2. In dit artikel zijn de milieueisen aan motorvoertuigen opgenomen voortvloeiend uit het maatregelenpakket ‘Schone lucht voor Amsterdam: op weg naar uitstootvrij 2025’. Raadsbesluit 22 juni 2016 (Gemeenteblad 2016 nr. 117373). In navolging van de regelgeving omtrent milieuzones zijn in dit artikel de toetsingscriteria van de ‘schoner parkeren regeling’ voor het verkrijgen van een parkeervergunning gelijkgesteld aan de criteria voor de milieuzone. In plaats van de DET-regel (Datum Eerste Toelating) wordt de Europese emissiestandaard en klasseaanduiding gehanteerd. Zie tevens de toelichting op artikel 46. Artikel 33 In dit artikel is de zogenoemde spijtoptantenregeling opgenomen. Artikel 34 Indien iemand al een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners heeft en naar een ander vergunninggebied verhuist, kan de vergunning niet "meeverhuizen".
Een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners is immers op grond van artikel 28 alleen geldig in het vergunninggebied waarvoor ze is verleend. Op basis van het vijfde lid wordt rekening gehouden met de tijd waarover de bewoner voorafgaande aan zijn verhuizing reeds over een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners beschikte of reeds op de wachtlijst heeft gestaan voor een bewonersvergunning. In een dergelijk geval is niet alleen de datum van ontvangst van de volledige aanvraag bepalend voor de plaats op de wachtlijst, doch tevens de datum waarop de bewoner een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners is verleend voor het vergunninggebied waar hij eerst woonde of de datum waarop de aanvrager op de wachtlijst is geplaatst voor een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners in het vergunninggebied waar hij vandaan komt. Met "de vorige bewonersvergunning" wordt ook bedoeld de bewonersvergunning die de bewoner direct voorafgaande zijn verhuizing bezat en met "de datum van eerdere plaatsing op de wachtlijst" is bedoeld de datum van plaatsing op de wachtlijst voor een bewonersvergunning in het vorige woongebied.
29
Iemand die wachttijd meeverhuist en daardoor bovenaan de wachtlijst terecht komt, krijgt terstond een vergunning. Artikel 36 Lid 2 onder b. Er kunnen zich in de praktijk situaties voordoen dat een motorrijtuig groter is dan de omvang van één parkeerapparatuurplaats. In dat geval is het toegestaan meer dan één parkeerplaats in beslag te nemen zonder dat daarvoor extra parkeerbelasting voldaan hoeft te worden. Artikel 37 Lid 2 onder f. Een nulplafond wordt ingesteld met het oogmerk om geen parkeervergunningen te verlenen voor parkeren op straat. Parkeervergunningen die zijn verleend voordat het nulplafond werd ingesteld, moeten daarom kunnen worden ingetrokken. Daarvoor wordt een overgangsregeling getroffen waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de vergunninghouders en specifieke omstandigheden met betrekking tot het betreffende vergunningengebied. Artikel 38 Doordat de vergunning vervalt na het verstrijken van de geldigheidsduur, hoeft geen besluit tot intrekking van de vergunning te worden genomen.
Artikel 39 Voor parkeren op de in dit artikel genoemde categorieën parkeerplaatsen wordt geen parkeerbelasting geheven. Artikel 40 Dit artikel maakt het mogelijk om, in gevallen waarin toepassing van deze verordening (gegeven het doel en de strekking van deze verordening) een onbillijkheid van overwegende aard zou opleveren, een onderdeel van deze verordening buiten toepassing te laten of daarvan af te wijken. Hoofdstuk 5 Artikel 45 Het is denkbaar, dat onder bepaalde condities experimenten op het gebied van parkeren kunnen plaatsvinden. Soms is het daarvoor nodig om de werking van bepalingen van de verordening buiten werking te stellen. In dat geval kan het college daartoe besluiten voor de duur van het experiment. Artikel 46 Bedrijfsvergunningen verleend krachtens de Parkeerverordening 1996 zijn krachtens deze verordening slechts geldig in één gebied, namelijk het vergunninggebied waarin het bedrijf is gesitueerd. Lid 5, 6 en 7. ‘Schone lucht voor Amsterdam: op weg naar uitstootvrij 2025’. De milieueisen gelden voor alle nieuwe vergunningaanvragen na 1 april 2017. Voor alle uitgegeven vergunningen of aanvragen die op de wachtlijst zijn geplaatst, gelden de milieueisen pas bij een kentekenwijziging.
Bewoners van gebieden waar pas na 1 april 2017 betaald parkeren wordt ingevoerd, vallen ook niet onder de milieueisen als zij kunnen aantonen dat zij op het moment van het invoeren van betaald parkeren al over het motorvoertuig beschikten dat niet aan de milieueisen voldoet. Per 2020 wordt toegang tot milieuzones op grond van landelijke regelgeving gebaseerd op de Europese emissiestandaard EUROnorm. De milieueisen worden geformuleerd op deze EUROnorm. Lid 8. ‘Nota Parkeernormen Auto’, vastgesteld op 8 juni 2017. Met deze bepaling wordt uitvoering gegeven aan het amendement herhuisvesters. Het betreft een regeling voor houders van een
30
parkeervergunning die vanwege stedelijke vernieuwing (sloop- nieuwbouw / renovatie) gedwongen moeten verhuizen en bij terugkeer niet meer in aanmerking komen voor een parkeervergunning vanwege de invoering van een nulplafond maar ook niet kunnen beschikken over een stallingsplaats.
31