Parkeerverordening 2013 per 1 augustus 2021.docx
Tekst van het document
Parkeerverordening 2013 Versie 1 augustus 2021 Hoofdstuk 1 Artikel 1 Begripsomschrijvingen In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder: a. adres: een adresseerbaar object – dat wil zeggen een zelfstandig verblijfsobject, ligplaats of standplaats – zoals opgenomen in de Basisregistratie Adressen en Gebouwen (BAG), niet zijnde een nevenadres; b. ambulante handelaar: hij die beroepsmatig ambulante handel uitoefent in de zin van de vigerende Verordening staan- en ligplaatsen buiten de markt en venten; c. bedrijf of beroep: - elk in de maatschappij als zelfstandige eenheid optredend organisatorisch verband waarin krachtens arbeidsovereenkomst of krachtens publiekrechtelijke aanstelling arbeid wordt verricht; - de zelfstandige die voor de voorziening in het bestaan is aangewezen op arbeid in het eigen bedrijf of zelfstandig beroep; - een niet-commerciële organisatie die hieraan door het college is gelijkgesteld; met dien verstande dat bedrijven en beroepen worden beschouwd als één bedrijf en één beroep indien de vestigingsadressen dezelfde zijn of het een aaneengesloten bebouwing betreft, dan wel sprake is van een (juridische) constructie waaruit moet worden geconcludeerd dat het in wezen één bedrijf of beroep betreft; d. bedrijfsvergunningenplafond: aantal bedrijfsvergunningen dat maximaal wordt verleend binnen een vergunninggebied; e.
bedrijfsvoertuig: bedrijfsvoertuig volgens het kentekenbewijs deel IA; f. bedrijventerrein: een bedrijven- of kantorenterrein zoals vermeld in de Structuurvisie Amsterdam 2040: Economisch sterk en duurzaam; g. bedrijventerrein Overamstel: het gebied waarvan de grens wordt gevormd door het midden van de Weespertrekvaart, het midden van de ringweg A10, de grens met de gemeente Ouder-Amstel, de Nieuwe Utrechtseweg tot aan de afrit naar de Joan Muyskenweg, een lijn tussen de Nieuwe Utrechtseweg ter hoogte van de afrit naar de Joan Muyskenweg en de Duivendrechtse Vaart, gaande tussen de adressen Joan Muyskenweg 2 N en Joan Muyskenweg 4, het midden van de Duivendrechtse Vaart, de zijarm van de Duivendrechtsevaart, een lijn tussen de zijarm van de Duivendrechtse Vaart en de westelijke teen van het talud van de spoorlijn / metrolijn Amsterdam Amstel - Amsterdam Bijlmer, in rechte lijn met de zijarm en de westelijke teen van het talud van de spoorlijn / metrolijn Amsterdam Amstel - Amsterdam Bijlmer, tot aan de Weespertrekvaart, met uitzondering van de Kop Weespertrekvaart dat wordt gevormd door de oostzijde van de spoorlijn, de zuidelijke rooilijn van de Lindenhoevestraat in een denkbeeldige lijn naar het midden van de Weespertrekvaart en het midden van de Weespertrekvaart in noordelijke richting tot aan de spoorbrug; h.
bedrijventerrein Schinkel: het gebied waarvan de grens wordt gevormd door de zuidelijke teen van het talud van de Henk Sneevlietweg, de zuidkant van de Rijnsburgstraat exclusief het Spijtellaantje en de woonblokken aan de Generaal Vetterstraat, het midden van de Schinkel, de noordelijke teen van het talud van de A10 zuid en de oostelijke teen van het talud van de A10 west; i. bedrijventerrein Sloterdijk I: het gebied Sloterdijk I wordt aan de noordkant begrensd door de spoorlijn gelegen langs de Generatorstraat en Accumulatorweg, aan de oostkant door de grens met het stadsdeel West (Sportpark Transformatorweg en begraafplaats Sint Barbara), aan de zuidkant door de spoorlijn gelegen langs de Condensatorweg en Sloterdijkerweg en aan de westkant door de A10-West; j. belanghebbendenparkeerplaats: parkeerplaats die is aangeduid door bord E9 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; k. bewoner: inwoner van de gemeente Amsterdam die de leeftijd van achttien jaar heeft
1
bereikt en is ingeschreven als ingezetene in de Basisregistratie Personen (BRP) van de gemeente Amsterdam op het adres dat hij bewoont of een inwoner van Amsterdam die is ingeschreven in de protocollaire basisadministratie op het adres dat hij bewoont en beschikt over een identiteitsbewijs van het Ministerie van Buitenlandse Zaken waaruit blijkt dat er sprake is van een geprivilegieerde status; l. bewonersvergunningenplafond: aantal bewonersvergunningen dat maximaal wordt verleend binnen een vergunninggebied; m. bloktijd: deel van het etmaal gedurende welke voor parkeren parkeerbelasting kan worden geheven; n. college: het college van Burgemeester en Wethouders van Amsterdam; o. deelvergunninggebied: deel van een vergunninggebied waarvoor een apart vergunningplafond is vastgesteld; p. eerste vergunning, tweede vergunning: bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners die blijkens het volgnummer respectievelijk als eerste bewonersvergunning, dan wel eerste milieuparkeervergunning voor bewoners of als tweede bewonersvergunning dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners is verleend; q.
gebied I: het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door: het midden van de vaargeul van het IJ, het midden van het verlengde van de Zoutkeetsgracht, het midden van de Zoutkeetsgracht, het midden van het Westerkanaal, het midden van de Singelgracht, het midden van het lozingskanaal, het midden van de onderdoorgang Funenkade-Zeeburgerpad, het midden van de Nieuwevaart, het midden van het Oosterdok, het midden van de Oosterdoksdoorgang, het midden van het verlengde van de Oosterdoksdoorgang en het midden van de vaargeul van het IJ; r. gebied II: het gebied waarvan de buitengrenzen worden gevormd door de ringweg met uitsluiting van gebied I, alsmede omvat gebied II IJburg en tevens het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door: het midden van de Europaboulevard tussen de A10 en de De Boelelaan, de zuidzijde van de De Boelelaan, de rijweg tot aan de gevellijn, tussen de Europaboulevard en de Asingaborg, de oostzijde van de Asingaborg tot aan de fysieke afscheiding van de Groningenstraat, de zuidzijde van de Groningenstraat tot het hart van de Buitenveldertselaan, het hart van de Buitenveldertselaan zuidelijk tot aan de noordzijde van de Arent Janszoon Ernststraat, de noordzijde van de Arent Janszoon Ernststraat met aan de noordkant als grens de terreinen van de Vrije Universiteit/het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit, het verlengde van de Overijsselweg tot aan
de Amstelveenseweg, het hart van de Amstelveenseweg tot aan de Jachthavenweg; de westzijde van de Jachthavenweg tot aan het Jollenpad en naar het westen via de zuidzijde van de Jollenpad; naar het noorden via de westzijde van het Punterspad tot aan de A10; s. gebied III: het gebied waarvan de grenzen worden gevormd door de gemeentegrenzen van Amsterdam met uitsluiting van de gebieden I en II; t. gehandicaptenparkeerplaats: parkeerplaats die is aangeduid door bord E6 van bijlage I van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990; u. houder van een motorvoertuig: degene die beschikt over een op zijn naam gesteld kentekenbewijs van het desbetreffende motorvoertuig, met dien verstande dat degene die blijkens een leaseovereenkomst gebruik maakt van een leaseauto, of degene die - gelet op de inhoud en de strekking van de arbeidsovereenkomst tussen de aanvrager en zijn werkgever, en een verklaring van de werkgever van de aanvrager, waaruit de exclusieve terbeschikkingstelling blijkt ten aanzien van het gebruik - gebruik maakt van een door de werkgever beschikbaar gestelde auto, geacht wordt over een op zijn naam gesteld kentekenbewijs te beschikken. v.
hulpverlener: hij die, anders dan bij wijze van woon-werkverkeer, beroepsmatig gebruik maakt van een motorvoertuig vanwege werkzaamheden vanuit een professionele zorg- of hulpverleningsinstelling, als bedoeld in artikel 15, en in overwegende mate zorg of hulp verleent in delen van de stad waar betaald parkeren is ingevoerd; w. mantelzorg: niet-beroepsmatige zorg die met regelmaat wordt verleend door familie, vrienden of kennissen van de persoon die de zorg krijgt;
2
x. milieuparkeervergunningenplafond: aantal milieuparkeervergunningen voor bewoners en bedrijven dat maximaal wordt verleend binnen een vergunninggebied; y. motorvoertuigen: alle gemotoriseerde voertuigen behalve bromfietsen en fietsen met trapondersteuning, bestemd om anders dan langs rails te worden voortbewogen, doch met inbegrip van brommobielen; z. overloopgebied: vergunninggebied of een deel van een vergunninggebied dat als zodanig is aangewezen voor aanvragers van een bewonersvergunning of een bedrijfsvergunning die voor hun eigen vergunninggebied op de wachtlijst staan; aa. overloopvergunning: een bewoners- of bedrijfsvergunning krachtens welke het is toegestaan om in een overloopgebied te parkeren gedurende de tijd dat de vergunninghouder op de wachtlijst staat voor een bewoners- of bedrijfsvergunning in het vergunninggebied waar de bewoner woont of het bedrijf is gevestigd; bb. parkeerplaats: plaats op binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop parkeren niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; cc. parkeerapparatuur: parkeermeters, mobiele telefoons, parkeerautomaten, met inbegrip van verzamelparkeermeters, websites, centrale computers en hetgeen naar maatschappelijke opvatting onder parkeerapparatuur wordt verstaan; dd.
parkeerapparatuurplaats: parkeerplaats, behorende bij de parkeerapparatuur, waarvoor parkeerbelasting wordt geheven; ee. parkeerrecht: kentekenregistratie in het digitale parkeerbelastingbestand waarbij is voldaan aan parkeerbelastingplicht voor het gebruik van parkeerapparatuurplaatsen op basis van of krachtens deze verordening door middel van parkeervergunningen, bijzondere vergunningen, tijdgebonden parkeerrechten en/of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur; ff. parkeervergunning: vergunning als bedoeld in artikel 7, eerste lid, waarvoor parkeerbelasting wordt geheven, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig te parkeren op een parkeerapparatuurplaats; gg. parkeren: gedurende een aaneengesloten periode doen of laten staan van een motorvoertuig, anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden en lossen van zaken, op de binnen de gemeente gelegen voor het openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten waarop dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift is verboden; hh.
stallingsplaats: plaats, juridisch, feitelijk of planologisch bestemd of bedoeld om motorvoertuigen te stallen, gelegen buiten de openbare weg en niet voor het openbaar verkeer openstaand of toegankelijk, waarbij voor een solitaire inpandige stallingsplaats of garagebox geldt dat deze ten minste 2,35 meter breed en ten minste 4,00 meter lang is, en een toegangsdeur heeft van tenminste 2,00 meter breed; ii. tariefgebied: gebied waar krachtens de vigerende Verordening Parkeerbelastingen voor het parkeren van een voertuig parkeerbelasting wordt geheven; jj. tijdgebonden parkeerrecht: registratie van het kenteken van een motorvoertuig met behulp van parkeerapparatuur waarbij parkeerbelasting is voldaan, krachtens welke het is toegestaan het motorvoertuig gedurende een bepaalde tijd te parkeren op een parkeerapparatuurplaats; kk. vergunning: een parkeervergunning of een bijzondere vergunning als bedoeld in artikel 7; ll. vergunningenplafond: aantal bewoners- en bedrijfsvergunningen dat maximaal wordt verleend binnen een vergunninggebied en het aantal stadsbrede autodeelvergunningen dat maximaal wordt verleend; mm. vergunninggebied: gebied waarbinnen parkeervergunningen kunnen worden verleend indien en voor zover in dat gebied voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven; daar waar vergunninggebied wordt genoemd, wordt ook gelezen deelvergunninggebied; nn.
vergunninghouder: natuurlijke of rechtspersoon aan wie een vergunning is verleend; oo. vergunning met wisselend kenteken: parkeervergunning waar de vergunninghouder zelf wisselende kentekens aan kan verbinden;
3
pp. volcontinu bedrijfsproces: proces waarin 24 uur per dag en zeven dagen per week op basis van arbeidsregelingen, werkzaamheden in ploegen-, wissel- en/of nachtdiensten worden verricht; qq. werknemer: persoon, werkzaam in een bedrijf voor minimaal 36 uur per week; werknemers in deeltijd worden herleid tot voltijdse equivalenten; rr. zorginstelling: instelling in de curatieve zorg welke op basis van de Wet toelating zorginstellingen (Wtz) is toegelaten tot het leveren van zorg die valt binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en de Zorgverzekeringswet (Zvw); ss. eerste vergunning: bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners die blijkens het volgnummer respectievelijk als eerste bewonersvergunning, dan wel eerste milieuparkeervergunning voor bewoners is verleend, met uitzondering van de eerste bewonersvergunning of milieuparkeervergunning die is verstrekt aan een bewoner die over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken; tt.
tweede en volgende vergunning: bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners die blijkens het volgnummer respectievelijk als tweede of volgende bewonersvergunning, dan wel als tweede of volgende milieuparkeervergunning voor bewoners is verleend alsmede de bewonersvergunning of milieuparkeervergunning die blijkens het volgnummer als eerste bewonersvergunning is verleend aan een bewoner die over een stallingsplaats beschikt of kan beschikken. uu. herhuisvester: de bewoner die vanwege een project tot stedelijke vernieuwing terugkeert in de gerenoveerde of nieuwbouwwoning van dat project.
Artikel 2 Regulering parkeren 1. Regulering van het gebruik van parkeerplaatsen geschiedt op basis van of krachtens deze verordening door middel van parkeervergunningen, bijzondere vergunningen, tijdgebonden parkeerrechten en/of door middel van het in werking stellen van de parkeerapparatuur; 2. Indien tot enige vorm van regulering van het gebruik van parkeerplaatsen wordt besloten, geschiedt dit met inachtneming van het bepaalde in deze verordening en de krachtens deze verordening vastgestelde regelingen. Artikel 3 Bloktijden 1. Indien voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven, geschiedt dit voor de gebieden binnen de ring A10, exclusief stadsdeel Noord en de bedrijventerreinen Overamstel, Schinkel en Sloterdijk I in ieder geval voor de periode van maandag tot en met zaterdag van 09.00 uur tot 21.00 uur. 2. Indien voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven, geschiedt dit voor de gebieden buiten de ring A10, inclusief stadsdeel Noord en de bedrijventerreinen Overamstel, Schinkel en Sloterdijk I in ieder geval voor de periode van maandag tot en met vrijdag van 09.00 uur tot 19.00 uur. 3. De bloktijden zijn van 9.00 tot 12.00 uur, van 12.00 tot 16.00 uur, van 16.00 tot 19.00 uur, van 19.00 tot 21.00 uur, van 21.00 tot 24.00 uur, van 0.00 tot 02.00 uur en van 02.00 tot 09.00 uur. 4.
Gedurende de bloktijd van 19.00 tot 21.00, de bloktijd van 21.00 tot 24.00 uur en de bloktijd van 00.00 tot 02.00 uur en van 02.00 tot 09.00 uur kan ook voor een gedeelte van de bloktijd parkeerbelasting worden geheven, mits het desbetreffende aan te wijzen gedeelte aansluit aan een voorafgaand of daaropvolgend blok.
Hoofdstuk 2 Nadere regels Artikel 4 Vergunninggebieden en aantal vergunningen 1. Het college kan regels vaststellen aangaande:
4
a. de indeling in vergunninggebieden en de grenzen daarvan; b. het vergunningenplafond per vergunninggebied, dan wel een bewonersvergunningenplafond en een bedrijvenvergunningenplafond per vergunninggebied, dan wel een overloopvergunningenplafond per overloopgebied; c. het milieuparkeervergunningenplafond per vergunninggebied; d. gedurende welke bloktijden er voor parkeren parkeerbelasting wordt geheven; e. het gebruik van het instrument van overloopgebieden, alsmede het aanwijzen van die gebieden; f. het maximum aantal te verlenen vergunningen op basis van artikel 9, tweede lid, artikel 10, tweede, vijfde en zesde lid en artikel 20, derde lid. 2. Bij het vaststellen van het vergunningenplafond, het bewonersvergunningenplafond, het bedrijvenvergunningenplafond en het milieuparkeervergunningenplafond wordt rekening gehouden met minimaal 10% noodzakelijke leegstand overdag per vergunninggebied. 3. Het milieuparkeervergunningenplafond voor de vergunninggebieden binnen de ring A10, exclusief stadsdeel Noord, wordt vastgesteld als een percentage van het gecombineerde aantal te verlenen vergunningen binnen het vergunningenplafond en het milieuparkeervergunningenplafond per vergunninggebied. 4. Het college kan een vergunningenplafond van nul vergunningen vaststellen voor een vergunningengebied. Artikel 5 Vergunningen 1.
Het college kan regels vaststellen aangaande het verlenen van: a. de volkstuinvergunning als bedoeld in artikel 14; b. de maatschappelijke vergunning, als bedoeld in artikel 18; c. de autodeelvergunning als bedoeld in artikel 19; d. de stadsbrede autodeelvergunning als bedoeld in artikel 20; e. de bezoekersvergunning als bedoeld in artikel 24; 2. Het college kan regels vaststellen aangaande het verlenen van de volgende vergunningen met wisselend kenteken: a. de bedrijfsvergunning als bedoeld in de artikelen 10 en 11; b. de sportverenigingvergunning, als bedoeld in artikel 13; c. de volkstuinvergunning als bedoeld in artikel 14; d. de maatschappelijke vergunning, als bedoeld in artikel 18; e. de belanghebbendenvergunning, als bedoeld in artikel 25. Artikel 6 Overige zaken 1. Het college kan regels vaststellen omtrent: a. het mogelijk maken van een uitzondering als bedoeld in artikel 10, achtste lid; b. het van toepassing zijn van de extra voorwaarde, genoemd in artikel 10, twaalfde lid; c. het maximum aantal sportverenigingvergunningen per sportorganisatie als bedoeld in artikel 13, derde lid; d. het beperken van het maximum aantal uren dat tegen gereduceerd tarief kan worden geparkeerd als bedoeld in artikel 24 derde lid; e. het beperken van de geldigheid van de bezoekersvergunning als bedoeld in artikel 24, vijfde lid voor een beperkt aantal bloktijden; f.
het beperken van de geldigheid van een parkeervergunning als bedoeld in artikel 28, vierde lid; g. de ingangsdatum van parkeervergunningen en bijzondere vergunningen indien deze anders is dan de eerste van de maand;
5
h. het instellen van een parkeerduurbeperking als bedoeld in artikel 31; i. het maken van een uitzondering als bedoeld in artikel 31, zesde lid. 2. Het college kan nadere regels vaststellen omtrent: a. het wijzigen van het kenteken waarvoor een vergunning is verleend; b. het wijzigen van het kenteken van vergunningen met wisselend kenteken als bedoeld in de artikelen 11, 13, 14, 15, 18, 19 en 25. Hoofdstuk 3 Paragraaf 1. Algemene bepalingen inzake de vergunningen Artikel 7 Soorten vergunningen 1. De op basis van deze verordening te verlenen parkeervergunningen betreffen uitsluitend: a. de bewonersvergunning als bedoeld in artikel 9; b. de bedrijfsvergunning als bedoeld in artikel 10 en 11; c. de overloopvergunning als bedoeld in artikel 12; d. de sportverenigingvergunning als bedoeld in artikel 13; e. de volkstuinvergunning als bedoeld in artikel 14; f. de hulpverlenervergunning als bedoeld in artikel 15; g. de milieuparkeervergunning voor bewoners als bedoeld in artikel 16; h. de milieuparkeervergunning voor bedrijven als bedoeld in de artikelen 17; i. de maatschappelijke vergunning als bedoeld in artikel 18; j. de autodeelvergunning als bedoeld in artikel 19; k. de stadsbrede autodeelvergunning als bedoeld in artikel 20; l. de mantelzorgvergunning, als bedoeld in artikel 21; m. de GA-parkeervergunning voor bewoners als bedoeld in artikel 22; n.
de GA-parkeervergunning voor bezoekers als bedoeld in artikel 22A; 2. De op basis van deze verordening te verlenen bijzondere vergunningen betreffen uitsluitend: a. de kraskaartvergunning als bedoeld in artikel 23 b. de bezoekersvergunning als bedoeld in artikel 24; c. de GA-bezoekerskaart als bedoeld in artikel 24A; d. de belanghebbendenvergunning als bedoeld in artikel 25. 3. Parkeervergunningen en belanghebbendenvergunningen worden verleend op kenteken, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is bepaald. Artikel 8 Aanvraag 1. Aanvragen worden behandeld in volgorde van datum van binnenkomst. 2. Het college stelt het formulier vast waarop de aanvraag voor een vergunning wordt ingediend.
Paragraaf 2. Parkeervergunningen Artikel 9 De bewonersvergunning 1. Het college kan een bewonersvergunning verlenen aan de houder van een motorvoertuig die bewoner is van een adres, gelegen in een vergunninggebied en een bewoner van dat adres niet beschikt of niet kan beschikken over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats binnen de gemeente Amsterdam.
6
2. Het college kan in nadere regels bepalen dat per adres nul, één of twee bewonersvergunningen kunnen worden verleend. Op de adressen waar twee bewonersvergunningen kunnen worden verleend, geldt als voorwaarde voor het verlenen van een tweede bewonersvergunning, dat de bewoner of bewoners van dat adres houder zijn van ten minste twee motorvoertuigen. 3. Het college kan in nadere regels bepalen dat in vergunninggebieden buiten de Ring A-10 en in de vergunninggebieden in stadsdeel Noord per adres maximaal drie parkeervergunningen kunnen worden verleend, indien de parkeerdruk het toelaat en de bewoner of bewoners van dat adres houder zijn van ten minste drie motorvoertuigen. 4. Indien binnen een vergunninggebied twee bewonersvergunningen per adres kunnen worden verleend, wordt het aantal stallingsplaatsen en belanghebbendenparkeerplaatsen waar bewoners of een bewoner van dat adres over beschikken of kunnen beschikken afgetrokken van het maximum aantal te verlenen bewonersvergunningen per adres. 5. Het college kan in nadere regels bepalen dat het maximum aantal te verlenen bewonersvergunningen wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bedrijfsvergunningen en milieuparkeervergunningen voor bedrijven. 6. Het aantal te verlenen bewonersvergunningen wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende milieuparkeervergunningen voor bewoners. 7.
In afwijking van het eerste lid kan aan een persoon die normaliter over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats in een bepaald vergunninggebied beschikt of kan beschikken als bedoeld in het eerste lid, een tijdelijke bewonersvergunning voor hetzelfde vergunninggebied worden verleend wanneer hij als gevolg van wegwerkzaamheden door of in opdracht van de gemeente tijdelijk niet over de stallingsplaats en/of de belanghebbendenparkeerplaats kan beschikken. Deze persoon hoeft niet de houder te zijn van het voertuig waarvoor de vergunning wordt aangevraagd en hoeft ook niet in het betreffende vergunninggebied woonachtig te zijn. In afwijking van het bepaalde op grond van het tweede en derde lid kan per stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats een vergunning worden verleend. 8. Een bewonersvergunning kan op aanvraag van een bewonersvergunninghouder overgaan op een andere bewoner van hetzelfde adres die op het moment van aanvraag tenminste zes maanden gezamenlijk met de bewonersvergunninghouder op hetzelfde adres woonachtig was en voldoet aan de bij of krachtens deze verordening gestelde voorwaarden. Artikel 10 De bedrijfsvergunning 1. Het college kan een bedrijfsvergunning verlenen aan een bedrijf dat gevestigd is op een adres dat gelegen is in een vergunninggebied of aan een ambulante handelaar die werkzaam is in een vergunninggebied. 2.
Het aantal vergunningen per bedrijf is afhankelijk van het aantal werknemers dat daadwerkelijk bij het bedrijf is gestationeerd op het adres waarvoor de vergunning wordt verleend en kan minimaal nul bedragen en maximaal: a. één per vijftig werknemers indien het bedrijf gelegen is in gebied I; b. één per tien werknemers indien het bedrijf gelegen is in gebied II; c. één per vijf werknemers indien het bedrijf gelegen is in gebied III; 3. Indien een bedrijf gelegen is op een bedrijventerrein, wordt het maximale aantal te verlenen vergunningen bepaald overeenkomstig de normen van het locatiebeleid. 4. Het tweede lid en derde lid zijn niet van toepassing voor bedrijven op de bedrijventerreinen Schinkel, Overamstel of Sloterdijk I. 5. Het college stelt het maximaal aantal te verlenen bedrijfsvergunningen per bedrijf vast voor bedrijven gelegen op bedrijventerrein Schinkel, Overamstel of Sloterdijk I. 6. Aan een bedrijf met 15 of minder werknemers in dienstverband kunnen additioneel maximaal drie bedrijfsvergunningen worden verleend ten behoeve van bedrijfsvoertuigen. 7. Het aantal op basis van dit artikel te verlenen vergunningen wordt verminderd met het aantal bij het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende
7
stallingsplaatsen en/of belanghebbendenparkeerplaatsen. 8. Het college kan in nadere regels bepalen dat het voorgaande lid buiten toepassing wordt gelaten indien het bedrijf voldoet aan de volgende voorwaarden: a. het bedrijf heeft een volcontinu bedrijfsproces; b. het bedrijf beschikt over congresfaciliteiten voor meer dan honderd personen; c. de bedrijfsvoering van het bedrijf is overwegend afhankelijk van de fysieke aanwezigheid van klanten, en d. de bij het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende stallingsplaatsen en/of belanghebbendenparkeerplaatsen worden uitsluitend gebruikt door klanten en personeel van het bedrijf, tenzij het college expliciet toestemming heeft gegeven om de aan het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende stallingsplaatsen en/of belanghebbendenparkeerplaatsen ter beschikking te stellen van derden. 9. Indien op een adres met een woonbestemming tevens een bedrijf is gevestigd wordt het aantal bedrijfs- en bewonersvergunningen op dat adres verminderd met de bij het bedrijf behorende of zich op het grondgebied van het bedrijf bevindende stallingsplaatsen en belanghebbendenparkeerplaatsen, en het aantal stallingsplaatsen en belanghebbendenparkeerplaatsen waarover een bewoner van het adres met een woonbestemming beschikt of kan beschikken. 10.
Het college kan in nadere regels bepalen dat het aantal op basis van dit artikel te verlenen bedrijfsvergunningen wordt verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen met wisselend kenteken, het aantal verleende hulpverlenervergunningen en het aantal verleende milieuparkeervergunningen voor bedrijven. 11. Het college kan in nadere regels bepalen dat het aantal op basis van dit artikel te verlenen bedrijfsvergunningen wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bewonersvergunningen en milieuparkeervergunningen voor bewoners. 12. Het college kan in nadere regels bepalen dat aan een ambulante handelaar als extra voorwaarde wordt gesteld dat hij een minimum aantal dagen per week werkzaam is in het betrokken vergunninggebied. 13. In afwijking van het eerste, tweede en zevende lid kan aan een bedrijf dat normaliter over een stallingsplaats en/of een belanghebbendenparkeerplaats in een bepaald vergunninggebied beschikt of kan beschikken als bedoeld in het zevende lid, een tijdelijke bedrijfsvergunning voor hetzelfde vergunninggebied worden verleend wanneer het bedrijf als gevolg van wegwerkzaamheden door of in opdracht van de gemeente tijdelijk niet over de stallingsplaats en/of de belanghebbendenparkeerplaats kan beschikken.
Het maximum aantal te verlenen vergunningen is gelijk aan het aantal stallingsplaatsen of belanghebbendenparkeerplaatsen waarover het bedrijf beschikt. 14. Een bedrijfsvergunning kan overgaan op een ander bedrijf dat gevestigd is op hetzelfde adres mits dat andere bedrijf, blijkens de inschrijving in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, dezelfde bedrijfsactiviteiten heeft en het andere bedrijf voldoet aan de bij of krachtens deze verordening gestelde voorwaarden.
Artikel 11 De bedrijfsvergunning met wisselend kenteken 1. Het college kan bij nadere regeling bepalen dat een bedrijfsvergunning op verzoek van de aanvrager met wisselend kenteken kan worden verleend aan een bedrijf dat gevestigd is op een adres dat gelegen is in een vergunninggebied indien de verlening met wisselend kenteken nodig is vanwege de bedrijfsvoering omdat: a. het bedrijf een volcontinu bedrijfsproces heeft, of b. sprake is van een voortdurend en onvermijdelijk wisselend bestand aan auto's. 2. Het aantal op basis van dit artikel te verlenen vergunningen wordt verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen op kenteken, het aantal verleende milieuparkeervergunningen voor bedrijven en het aantal verleende hulpverlenervergunningen.
8
3. De bepalingen van artikel 10, eerste tot en met zevende lid, negende tot en met elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing.
Artikel 12 De overloopvergunning 1. Het college kan een overloopvergunning verlenen, indien: a. het college een vergunninggebied of een deel van een vergunninggebied als overloopgebied heeft aangewezen; b. de aanvrager op een in artikel 34 bedoelde wachtlijst is geplaatst vanwege de weigering van een bewonersvergunning, een bedrijfsvergunning, een milieuparkeervergunning voor bewoners of een milieuparkeervergunning voor bedrijven, en c. het vergunningenplafond, bewonersvergunningenplafond dan wel bedrijfsvergunningenplafond van het (deel van het) vergunninggebied dat als overloopgebied is aangewezen nog niet is bereikt. 2. De overloopvergunningen worden verleend in de volgorde waarin de aanvragen op de wachtlijst zijn geplaatst. Artikel 13 De sportverenigingvergunning 1. Het college kan een sportverenigingvergunning verlenen aan een niet-commerciële sportorganisatie die gevestigd is op een adres dat gelegen is in een vergunninggebied en die is aangesloten bij een door het NOC*NSF erkende sportbond. 2. Het maximum aantal te verlenen vergunningen per sportorganisatie is afhankelijk van het aantal leden, te weten: a. één per vijftig leden indien de sportorganisatie gevestigd is in gebied I; b. één per tien leden indien de sportorganisatie gevestigd is in gebied II; c. één per vijf leden indien de sportorganisatie gevestigd is in gebied III. 3.
Het college kan in nadere regels bepalen dat het maximum aantal te verlenen sportverenigingvergunningen per sportorganisatie wordt beperkt. 4. Het college kan bij nadere regeling bepalen dat een sportverenigingvergunning op verzoek van de aanvrager met wisselend kenteken kan worden verleend. 5. Het aantal op basis van dit artikel te verlenen vergunningen wordt verminderd met het aantal bij de sportvereniging behorende of zich op het grondgebied van de sportvereniging bevindende stallingsplaatsen en/of belanghebbendenparkeerplaatsen. Artikel 14 De volkstuinvergunning 1. Het college kan in nadere regels bepalen dat een volkstuinvergunning kan worden verleend aan een rechtspersoon die blijkens zijn statuten tot doel heeft een volkstuincomplex te beheren en beschikt over een volkstuincomplex in een vergunninggebied. 2. Het aantal vergunningen per volkstuin is afhankelijk van het aantal percelen grond in het volkstuincomplex en kan maximaal bedragen: a. één per vijftig percelen indien het volkstuincomplex gelegen is in gebied I; b. één per drie percelen indien het volkstuincomplex gelegen is in gebied II of gebied III. 3. Het college kan bij nadere regeling bepalen dat een volkstuinvergunning op verzoek van de aanvrager met wisselend kenteken kan worden verleend. Artikel 15 De hulpverlenervergunning 1.
Het college kan een hulpverlenervergunning verlenen aan de huisarts of verloskundige, indien: a. voor de uitoefening van de praktijk gebruik wordt gemaakt van een motorvoertuig, en b. de meerderheid van de patiënten van de praktijk woonachtig is in een gebied in Amsterdam waar betaald parkeren is ingevoerd.
9
2. Het college kan een hulpverlenervergunning verlenen aan een professionele zorg- of hulpverleningsinstelling ten behoeve van een aldaar werkzame hulpverlener indien: a. de professionele zorg- of hulpverleningsinstelling is vermeld op de in het vierde lid genoemde lijst, en b. het motorvoertuig nodig is vanwege het geregeld met spoed of met groot materieel zorg of hulp verlenen aan personen of dieren op wisselende plaatsen in een gebied waar betaald parkeren is ingevoerd. 3. Met betrekking tot de verlening van vergunningen, bedoeld in het tweede lid, wordt één hulpverlenervergunning per vijf werknemers verleend, met dien verstande dat maximaal vijftien hulpverlenervergunningen per professionele zorg- of hulpverleningsinstelling worden verleend. 4. Het college stelt een lijst vast van de professionele zorg- of hulpverleningsinstellingen die in aanmerking kunnen komen voor een hulpverlenervergunning. 5. Een hulpverlenervergunning kan op verzoek van de aanvrager met wisselend kenteken worden verleend. Artikel 16 De milieuparkeervergunning voor bewoners 1. Het college kan een milieuparkeervergunning voor bewoners verlenen aan de houder van een motorvoertuig dat voldoet aan de in het vijfde lid genoemde nadere eisen. 2. De bepalingen van artikel 9, eerste tot en met vijfde en achtste lid, zijn van overeenkomstige toepassing. 3.
Het college kan nadere regels stellen omtrent het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bewoners en de wijze van uitgifte. 4. Het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bewoners wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bewonersvergunningen. 5. Het college stelt eisen vast voor het verlenen van een milieuparkeervergunning voor bewoners. Artikel 17 De milieuparkeervergunning voor bedrijven 1. Het college kan een milieuparkeervergunning voor bedrijven verlenen aan een bedrijf, indien het motorvoertuig waarvoor de vergunning wordt verleend voldoet aan de in het vijfde lid genoemde eisen. 2. De bepalingen van artikel 10, het eerste tot en met het zevende, het negende, elfde, twaalfde en veertiende lid, zijn van overeenkomstige toepassing op de milieuparkeervergunning voor bedrijven. 3. Het college kan nadere regels stellen omtrent het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bedrijven en de wijze van uitgifte. 4. Het aantal te verlenen milieuparkeervergunningen voor bedrijven wordt verminderd met het aantal verleende bedrijfsvergunningen en het aantal hulpverlenervergunningen. 5. Het college stelt eisen vast voor het verlenen van een milieuparkeervergunning voor bedrijven. Artikel 18 De maatschappelijke vergunning 1. Het college kan in nadere regels bepalen dat een maatschappelijke vergunning kan worden verleend aan: a.
een zorginstelling of b. een onderwijsinstelling behorende tot het basisonderwijs dan wel behorende tot het voortgezet onderwijs of c. aan een bureau van de Regionale Eenheid Amsterdam. 2. De bepalingen van artikel 10 het eerste tot en met het zevende lid, het tiende tot en elfde lid zijn van overeenkomstige toepassing. 3. Het college kan bij nadere regeling bepalen dat een maatschappelijke vergunning op verzoek van de aanvrager met wisselend kenteken kan worden verleend.
10
Artikel 19 De autodeelvergunning 1. Het college kan aan een autodeelorganisatie een autodeelvergunning verlenen voor een motorvoertuig, waarvan die autodeelorganisatie de houder is. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan de autodeelorganisatie te stellen voorwaarden. Artikel 20 De stadsbrede autodeelvergunning 1. Het college kan een stadsbrede autodeelvergunning verlenen aan een autodeelorganisatie, voor een motorvoertuig waarvan die autodeelorganisatie de houder is. 2. Het college kan nadere regels vaststellen over de aan de autodeelorganisatie te stellen voorwaarden. 3. Het college verleent per autodeelorganisatie maximaal 500 stadsbrede autodeelvergunningen. 4. Het college kan nadere regels vaststellen over het verlenen van de stadsbrede autodeelvergunning. Artikel 21 De mantelzorgvergunning 1. Het college kan een mantelzorgvergunning verlenen aan een bewoner die mantelzorg behoeft, indien de noodzaak tot mantelzorg op objectieve wijze is aangetoond. 2. Het college kan tevens een mantelzorgvergunning verlenen aan de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige bewoner, indien de wettelijk vertegenwoordiger en de minderjarige bewoner op hetzelfde adres staan ingeschreven. 3.
Een mantelzorgvergunning wordt uitsluitend verleend voor een motorvoertuig van degene die mantelzorg verleent en die blijkens de gemeentelijke basisregistratie woonachtig is buiten het vergunninggebied van de bewoner die mantelzorg behoeft. 4. Per adres kan slechts één mantelzorgvergunning worden verleend, met dien verstande dat bij de vergunning drie kentekens kunnen worden vermeld. 5. De vergunning kan slechts voor één kenteken tegelijkertijd worden gebruikt. Artikel 22 De GA-parkeervergunning voor bewoners 1. Het college kan maximaal één GA-parkeervergunning voor bestuurders verlenen aan een bewoner indien: a. de bewoner in het bezit is van een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Bestuurder (B); en b. de bewoner dan wel een persoon die op hetzelfde adres is ingeschreven, houder is van een motorvoertuig. 2. Het college kan maximaal één GA-parkeervergunning voor passagiers verlenen aan een bewoner van de gemeente Amsterdam indien de bewoner in het bezit is van een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Passagier (P) of Passagier/Bestuurder (P/B). 3. In afwijking van het tweede lid kan het college een GA-parkeervergunning voor passagiers verlenen aan de wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige bewoner, indien zowel de wettelijk vertegenwoordiger als de minderjarige bewoner op hetzelfde adres staan ingeschreven 4.
Het college kan een GA-parkeervergunning voor instellingen verlenen aan een instelling indien: a. de instelling in het bezit is van een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart met Kaarttype Instelling (I); en b. de instelling is gevestigd in de gemeente Amsterdam, met dien verstande dat per Europese gehandicaptenparkeerkaart met kaarttype Instelling(I) maximaal één GA-parkeervergunning voor
11
instellingen wordt verleend. 5. Een GA-parkeervergunning voor passagiers en instellingen kan voor maximaal drie kentekens worden verleend. 6. De vergunning kan slechts voor één kenteken tegelijkertijd worden gebruikt. Artikel 22A De GA-parkeervergunning voor bezoekers 1. Het college kan maximaal één GA-parkeervergunning voor bezoekers verlenen aan een bezoeker, niet zijnde een bewoner, indien de bezoeker: a. in het bezit is van een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) met kaarttype Bestuurder (B), b. houder is van een motorvoertuig, en c. niet beschikt over een GA-bezoekerskaart. 2. In afwijking van het eerste lid kan het college maximaal één GA-parkeervergunning voor bezoekers verlenen aan een wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige bezoeker of anderszins handelingsonbekwame bezoeker, indien: a. de minderjarige gehandicapte bezoeker dan wel de anderszins handelingsonbekwame bezoeker in het bezit is van een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) b. de minderjarige, dan wel de anderszins handelingsonbekwame bezoeker geen bewoners is; c. de wettelijke vertegenwoordiger houder is van een motorvoertuig; d. de wettelijk vertegenwoordiger op hetzelfde adres staat ingeschreven als de minderjarige of anderszins handelingsonbekwame bezoeker, en e. niet wordt beschikt over een GA-bezoekerskaart.
Paragraaf 3. Bijzondere vergunningen Artikel 23 De kraskaartvergunning 1. Het college kan een kraskaartvergunning verlenen aan een gehandicapte bewoner van een adres, gelegen in een vergunninggebied, die blijkens een medische indicatie aangewezen is op vervoer door derden. 2. Een kraskaartvergunning kan worden verleend aan een bewoner van 65 jaar of ouder. 3. De kraskaartvergunning geeft recht om maximaal 120 uur per kwartaal te parkeren tegen gereduceerd tarief in het vergunninggebied van de zelfstandige woning van de vergunninghouder. 4. Indien in een kwartaal minder dan 120 uur op basis van de kraskaartvergunning tegen gereduceerd tarief is geparkeerd, kan de vergunninghouder de overige uren meenemen naar een volgend kwartaal. 5. Per bewoner kan maximaal één kraskaartvergunning worden verleend. 6. Het op basis van dit artikel te verlenen kraskaartvergunningen wordt verminderd met het aantal op hetzelfde adres verleende bezoekersvergunningen. Artikel 24 De bezoekersvergunning 1. Het college kan in nadere regels bepalen dat een bezoekersvergunning kan worden verleend aan een bewoner van een adres, gelegen in een vergunninggebied. 2. Per adres kan maximaal één bezoekersvergunning worden verleend. 3.
De bezoekersvergunning geeft een bewoner recht om diens bezoek een door het college bepaald maximum aantal uur per kwartaal tegen een gereduceerd tarief te laten parkeren in het vergunninggebied van het adres van de vergunninghouder. 4. Het college kan voor gebieden buiten de Ring A10, inclusief stadsdeel Noord, een
12
gereduceerd tarief van nihil vaststellen. 5. Het college kan in nadere regels bepalen dat de bezoekersvergunning slechts geldig is op bepaalde bloktijden als bedoeld in artikel 3, derde lid. Artikel 24A De GA-bezoekerskaart 1. Het college kan maximaal één GA-bezoekerskaart verlenen aan een bezoeker, niet zijnde een bewoner, indien de bezoeker: a. in het bezit is van een geldige Europese gehandicaptenparkeerkaart (GPK) met kaarttype Bestuurder (B) of Passagier (P), en b. geen houder is van een GA-parkeervergunning voor bezoekers. 2. De GA-bezoekerskaart geeft recht om op de door de bezoeker aangegeven uren te parkeren. Artikel 25 De belanghebbendenvergunning 1. Het college kan een belanghebbendenvergunning verlenen aan de belanghebbende, vermeld op de in het vierde lid genoemde lijst. 2. Een belanghebbendenvergunning geeft recht op het parkeren op de in de vergunning omschreven belanghebbendenparkeerplaats of belanghebbendenparkeerplaatsen. 3. Het college kan bij nadere regeling bepalen dat een belanghebbendenvergunning op verzoek van de aanvrager met wisselend kenteken kan worden verleend. 4. Het college stelt een lijst vast van de houders van motorvoertuigen en bedrijven en categorieën van houders van motorvoertuigen en categorieën bedrijven die belanghebbende zijn in de zin van deze verordening. 5.
Voor één belanghebbendenparkeerplaats kan meer dan één belanghebbendenvergunning worden verleend.
Paragraaf 4. Parkeerkaarten Artikel 26 Soorten tijdgebonden parkeerrechten 1. De tijdgebonden parkeerrechten kunnen betreffen: a. minuten-, dag-, dagdeel-, avond-, nacht-, week- of maandparkeerrechten; b. parkeerrechten op basis van een kraskaartvergunning of een bezoekersvergunning; c. parkeerrechten op basis van een GA-bezoekerskaart. 2. Parkeerrechten als bedoeld in het eerste lid onder b worden slechts uitgegeven ten behoeve van het bezoek van de houders van deze vergunningen.
Paragraaf 5. Geldigheid vergunningen en tijdgebonden parkeerrechten Artikel 27 Geldigheidsduur vergunningen 1. De geldigheid van parkeervergunningen en bijzondere vergunningen gaat in op de eerste dag van de maand, tenzij het college de ingang van de geldigheid bij nadere regeling anders heeft geregeld. 2. De parkeervergunningen vermeld in artikel 7, eerste lid, onder a tot en met l, zijn steeds geldig voor een periode van zes maanden, met dien verstande dat de geldigheid van de overloopvergunning onmiddellijk eindigt indien de houder niet langer op de in artikel 34 bedoelde wachtlijst staat. 3. In afwijking van het tweede lid kan de geldigheid van de parkeervergunningen, vermeld in artikel 7, eerste lid, onder a tot en met l, korter zijn dan zes maanden, indien: a. dat nodig is om de afloop aan te sluiten aan de periodieke verlenging als bedoeld in het zevende lid; b. de vergunninghouder verhuist naar een ander vergunninggebied;
13
c. de vergunninghouder niet meer voldoet aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening of de vigerende Verordening Parkeerbelasting d. het college voor stadsbrede autodeelvergunningen in een nadere regeling een datum heeft vastgesteld waarop de geldigheid van alle stadsbrede autodeelvergunningen eindigt. 4. In afwijking van het tweede lid, wordt een vergunning die is verleend op grond van artikel 9, zevende lid of artikel 10, dertiende lid, verleend voor de periode waarin de stallingsplaats of belanghebbendenparkeerplaats ten gevolge van wegwerkzaamheden niet beschikbaar is. 5. De belanghebbendenvergunning, de bezoekersvergunning en de kraskaartvergunning, zijn geldig voor een periode van twee jaar, tenzij anders is vermeld op de in artikel 25, vierde lid, genoemde lijst of het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. 6. De GA-parkeervergunning voor bewoners en de GA-parkeervergunning voor bezoekers zijn maximaal geldig voor een periode van vijf jaar, tenzij het recht op de vergunning eerder komt te vervallen. 7.
Behoudens het bepaalde in het achtste lid wordt de geldigheid van de in het tweede lid bedoelde parkeervergunningen en de kraskaartvergunning, verleend op basis van artikel 23, tweede lid, steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van zes maanden, zolang is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan. 8. a. De geldigheid van de mantelzorgvergunning wordt eenmalig stilzwijgend verlengd, mits is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan. b. In afwijking van sub a wordt de geldigheid van de mantelzorgvergunning stilzwijgend verlengd, indien een indicatie mantelzorgverklaring is overlegd die voor een bepaalde en langere periode is afgegeven, mits is voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening en de verschuldigde parkeerbelasting tijdig is voldaan, met dien verstande dat de mantelzorgvergunning niet meer stilzwijgend wordt verlengd indien de indicatie mantelzorgverklaring is verlopen dan wel vijf jaar zijn verstreken sinds de indicatie mantelzorgverklaring is overlegd. 9. De geldigheid van de in het vijfde lid bedoelde vergunningen wordt steeds stilzwijgend verlengd voor een periode van twee jaar, zolang voldaan is aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening.
Artikel 28 Plaats van geldigheid van de vergunningen 1. De bewonersvergunning, de bedrijfsvergunning, de overloopvergunning, de sportverenigingvergunning, de volkstuinvergunning, de maatschappelijke vergunning, de milieuparkeervergunning voor bewoners, de milieuparkeervergunning voor bedrijven, de autodeelvergunning, de mantelzorgvergunning, de kraskaartvergunning en de bezoekersvergunning zijn geldig in het vergunninggebied waarvoor ze zijn verleend, tenzij de geldigheid is beperkt ingevolge het vierde lid van dit artikel of ingevolge artikel 31, vijfde lid. 2. De belanghebbendenvergunning is geldig op de in de vergunning aangegeven plaats of plaatsen. 3. De hulpverlenervergunning, de GA-parkeervergunning voor bewoners, de GAparkeervergunning voor bezoekers en de stadsbrede autodeelvergunning zijn geldig in alle vergunninggebieden. 4. Het college kan bepalen dat de geldigheid van de parkeervergunningen binnen een vergunninggebied naar plaats gedurende bepaalde tijden wordt beperkt. Het college kan nadere regels over dit onderwerp stellen. 5. Het vierde lid is niet van toepassing op de hulpverlenervergunning, de GA-parkeervergunning en de stadsbrede autodeelvergunning. 6. Het college kan bepalen dat een parkeervergunning geldig is in een parkeergarage. Het college kan nadere regels over dit onderwerp stellen.
14
Artikel 29 Geldigheidsduur tijdgebonden parkeerrechten 1. Een minutenparkeerrecht is geldig op de geregistreerde datum en tijd. 2. Een dagparkeerrecht is geldig voor maximaal 24 uur gedurende de geregistreerde datum dan wel data en bloktijden. 3. Een avondparkeerrecht is geldig voor één avond gedurende de geregistreerde datum en bloktijden. 4. Een nachtparkeerrecht is geldig voor één avond en een aansluitend deel van de nacht gedurende de geregistreerde data en bloktijden. 5. Een weekparkeerrecht is geldig voor één week gedurende de geregistreerde data en bloktijden. 6. Een maandparkeerrecht is geldig voor één maand gedurende de geregistreerde data en bloktijden. 7. Een GA-bezoekerskaart is geldig gedurende één jaar. Artikel 30 Plaats van geldigheid van tijdgebonden parkeerrechten 1. Een minuten-, dag-, dagdeel-, avond-, nacht-, week- of maandparkeerrecht is geldig in het tariefgebied dat overeenkomt met de geregistreerde tariefaanduiding, tenzij de geldigheid is beperkt ingevolge artikel 31, vijfde lid. 2. Een parkeerrecht op basis van een kraskaartvergunning of bezoekersvergunning is geldig in het vergunninggebied waarvoor de vergunning is verleend, tenzij de geldigheid is beperkt ingevolge artikel 31, vijfde lid. 3. Een parkeerrecht op basis van een GA-bezoekerskaart is geldig in alle vergunninggebieden. Artikel 31 Parkeerduurbeperking 1.
Het college kan bij nadere regeling binnen een vergunninggebied een gebied aanwijzen waar parkeerduurbeperking is ingesteld. 2. Een parkeerduurbeperking kan slechts worden ingesteld: a. in een winkelstraat; b. bij een begraafplaats; c. bij een sportvoorziening; d. in een woonbuurt. 3. Een parkeerduurbeperking betreft per etmaal: a. maximaal de openingstijden van de winkels in een winkelstraat; b. maximaal de openingstijden van de begraafplaats; c. maximaal de openingstijden van de sportvoorziening; d. maximaal de tijden van betaald parkeren in de woonbuurt. 4. Gedurende een parkeerduurbeperking wordt slechts parkeerbelasting geheven voor blokken van: a. 60 minuten; b. 120 minuten; c. 180 minuten, of d. 240 minuten met dien verstande dat in een winkelstraat gedurende de parkeerduurbeperking alleen parkeerbelasting wordt geheven voor blokken van 60 minuten. 5. Indien het college toepassing heeft gegeven aan het eerste lid in een winkelstraat, bij een begraafplaats of een sportvoorziening dan is, in afwijking van artikel 28, eerste lid en artikel 30, een parkeervergunning vermeld in artikel 7, eerste lid, onder a tot en met e en g tot en met l, respectievelijk een parkeerkaart bedoeld in artikel 26, eerste lid, onder a en b, niet geldig. 6. Het college kan in nadere regels bepalen dat het vijfde lid niet van toepassing is voor een
15
sportverenigingsvergunning als bedoeld in artikel 13. 7. Het is in een winkelstraat, bij een begraafplaats of een sportvoorziening niet toegestaan om te parkeren in hetzelfde gebied waar parkeerduurbeperking is ingesteld: a. binnen 60 minuten na afloop van de periode als bedoeld in het vierde lid onder a en b; b. binnen 120 minuten na afloop van de periode als bedoeld in het vierde lid onder c en d. 8. Het is in een woonbuurt niet toegestaan om te parkeren in hetzelfde gebied waar een parkeerduurbeperking is ingesteld binnen 120 minuten na afloop van een periode als bedoeld in het vierde lid onder a, b, c en d.
Paragraaf 6. Overige regelingen ten aanzien van vergunningen voor parkeerplaatsen Artikel 32 Weigeringsgronden 1. Een vergunning wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden, gesteld bij of krachtens deze verordening. 2. Een bewonersvergunning, een overloopvergunning, een bedrijfsvergunning, een hulpverlenervergunning en een maatschappelijke vergunning wordt tevens geweigerd indien deze wordt aangevraagd voor: a. een motorvoertuig dat wordt aangedreven door een kracht die wordt ontleend aan dieselolie en is gecategoriseerd in de Europese emissiestandaard voor dieselvoertuigen met een klasseaanduiding Euro 3 of lager. b. een motorvoertuig dat wordt aangedreven door benzine of andere koolstofhoudende brandstoffen en niet is gecategoriseerd in de Europese emissiestandaard voor benzinevoertuigen of een klasse aanduiding heeft lager dan Euro 1 (Euro 0). tenzij uit het kentekenregister van de Rijksdienst voor het wegverkeer blijkt dat het motorvoertuig is omgebouwd naar een elektrisch voertuig 3. Een stadsbrede autodeelvergunning wordt geweigerd indien deze wordt aangevraagd voor een motorvoertuig dat: a. niet volledig elektrisch is aangedreven; b. niet volledig emissievrij en uitstootvrij is; c. geen voertuigclassificatie M1 zoals bedoeld in de Regeling voertuigen heeft; d.
een gehandicaptenvoertuig of een motorrijtuig met beperkte snelheid zoals bedoeld in de Regeling voertuigen is; 4. Een bewonersvergunning, een overloopvergunning, een bedrijfsvergunning, en een volkstuinvergunning wordt tevens geweigerd indien het vergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt. 5. Een bewonersvergunning en een overloopvergunning wordt tevens geweigerd indien het bewonersvergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt. 6. Een bedrijfsvergunning, een volkstuinvergunning en een overloopvergunning wordt tevens geweigerd indien het bedrijfsvergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt. 7. Een milieuparkeervergunning voor bewoners en een milieuparkeervergunning voor bedrijven wordt tevens geweigerd indien het milieuparkeervergunningenplafond van het desbetreffende vergunninggebied is bereikt. 8. Een overloopvergunning wordt tevens geweigerd als het overloopvergunningenplafond voor het betreffende overloopgebied is bereikt. 9. Een stadsbrede autodeelvergunning wordt tevens geweigerd indien het vergunningenplafond voor stadsbrede autodeelvergunningen is bereikt. 10. Het college kan, in navolging van het zevende lid, nadere weigeringsgronden vaststellen voor een milieuparkeervergunning voor bewoners en een milieuparkeervergunning voor bedrijven. 11.
Het college kan ontheffing verlenen van het vierde tot en met het zevende lid van dit artikel
16
indien dit naar het oordeel van burgemeester en wethouders nodig is voor een overgangsregeling voor de milieuparkeervergunning voor bewoners en de milieuparkeervergunning voor bedrijven. 12. Een vergunning kan worden geweigerd indien een vergunning van dezelfde aanvrager is ingetrokken op grond van artikel 37, tweede lid onder b, c of e. 13. Een vergunning als bedoeld in artikel 9, zevende lid, of artikel 10, dertiende lid, wordt niet geweigerd op basis van het tweede en het vierde tot en met het zevende lid.
Artikel 33 Voormalige houders van een bewonersvergunning Een bewonersvergunning en een milieuparkeervergunning voor bewoners wordt niet geweigerd wegens het bereiken van het vergunningenplafond als bedoeld in artikel 32, vierde, vijfde en zevende lid, indien: a. de aanvrager in de drie jaar voorafgaand aan de aanvraag, houder was van een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, voor hetzelfde adres; b. de onder a genoemde vergunning is ingetrokken op verzoek van de vergunninghouder; c. de aanvraag niet eerder is ontvangen dan zes maanden na intrekking van de onder a genoemde vergunning; d. het adres waarvoor de vergunning wordt aangevraagd niet is gelegen in een vergunninggebied met een vergunningenplafond van nul, bewonersvergunningenplafond van nul dan wel milieuparkeervergunningenplafond van nul, en e. wordt voldaan aan de overige voorwaarden voor een bewonersvergunning en milieuparkeervergunning voor bewoners, gesteld bij of krachtens deze verordening. Artikel 34 Plaatsing wachtlijst 1.
De aanvrager wordt op een wachtlijst geplaatst, indien zijn aanvraag voor een bewonersvergunning, een bedrijfsvergunning of een volkstuinvergunning is geweigerd op grond van het feit dat het adres waarvoor de vergunning is aangevraagd is gelegen in een vergunninggebied waarvan het vergunningenplafond, het bewonersvergunningenplafond of het bedrijvenvergunningenplafond is bereikt, behoudens het derde en het achtste lid. 2. De aanvrager wordt op een wachtlijst geplaatst, indien een milieuparkeervergunning voor bewoners of een milieuparkeervergunning voor bedrijven is geweigerd op grond van het feit dat het milieuparkeervergunningenplafond is bereikt, behoudens het derde en het negende lid. 3. De aanvrager wordt op een wachtlijst geplaats, indien zijn aanvraag voor een overloopvergunning is geweigerd op grond van het feit dat het overloopvergunningenplafond, dan wel het vergunningenplafond, het bewonersvergunningenplafond of het bedrijvenvergunningenplafond voor het overloopgebied waarvoor de vergunning is aangevraagd is bereikt. 4. Een aanvrager wordt in afwijking van het eerste en tweede lid niet op een wachtlijst geplaatst indien het vergunningenplafond is vastgesteld op nul. 5. De volgorde waarin de aanvragers op een wachtlijst worden geplaatst, is de volgorde van ontvangst van de volledige aanvraag. 6.
Indien een bewoner verhuist naar een ander vergunninggebied en direct voorafgaand aan de verhuizing over een bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, beschikte of daarvoor op een wachtlijst stond, is voor de volgorde tevens bepalend de datum waarop de vorige bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, is verleend of de datum van eerdere plaatsing op de wachtlijst, met dien verstande dat indien de periode tussen de genoemde datum en de datum van aanvraag van de nieuwe bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, langer is dan de wachttijd van de bovenste aanvrager, de vergunning terstond verleend wordt. 7. Indien de aanvrager voor het verkrijgen van de vorige bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, op een wachtlijst heeft gestaan, moet de totale tijd die de aanvrager op de betreffende wachtlijst heeft gestaan plus de tijd dat hij een
17
bewonersvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners, heeft gehad, worden meegenomen. 8. Het vijfde en zesde lid zijn van overeenkomstige toepassing in het geval een bedrijf verhuist. 9. Aanvragers voor een tweede bewonersvergunning worden niet op de wachtlijst geplaatst. 10. Aanvragers voor een tweede milieuparkeervergunning voor bewoners worden niet op de wachtlijst geplaatst. 11. Aanvragers voor een stadsbrede autodeelvergunning worden niet op de wachtlijst geplaatst. 12. Indien een houder van een bewonersvergunning een milieuparkeervergunning voor bewoners aanvraagt, geldt als ingangsdatum van de milieuparkeervergunning voor bewoners de datum van ontvangst van de eerste aanvraag voor een bewonersvergunning. 13. Indien een houder van een bedrijfsvergunning een milieuparkeervergunning voor bedrijven aanvraagt, geldt als ingangsdatum van de milieuparkeervergunning voor bedrijven de datum van ontvangst van de eerste aanvraag voor een bedrijfsvergunning. 14. Indien een houder van een milieuparkeervergunning voor bewoners een bewonersvergunning aanvraagt, geldt als ingangsdatum van de bewonersvergunning de datum van ontvangst van de eventuele eerste aanvraag voor een bewonersvergunning, dan wel een milieuparkeervergunning voor bewoners. 15.
Indien een houder van een milieuparkeervergunning voor bedrijven een bedrijfsvergunning aanvraagt, geldt als ingangsdatum van de bedrijfsvergunning de datum van ontvangst van de eventuele eerste aanvraag voor een bedrijfsvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bedrijven. Artikel 35 Verwijdering wachtlijst 1. De aanvrager wordt van de wachtlijst verwijderd, indien: a. de aanvrager daarom verzoekt; b. blijkt dat bij de aanvraag om de vergunning onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens niet tot plaatsing op de wachtlijst zou hebben geleid; c. niet meer wordt voldaan aan de voorwaarden voor de aangevraagde vergunning, gesteld bij of krachtens deze verordening; d. het motorvoertuig, waarvoor de vergunning is aangevraagd dan wel waarvoor de aanvrager op de wachtlijst staat, wordt aangedreven door een kracht die wordt ontleend aan dieselolie en is gecategoriseerd in de Europese emissiestandaard voor dieselvoertuigen met een klasse aanduiding Euro 3 of lager of wordt aangedreven door benzine of andere koolstofhoudende brandstoffen en niet is gecategoriseerd in de Europese emissiestandaard voor benzinevoertuigen of een klasseaanduiding heeft lager dan Euro 1 (Euro 0), tenzij uit het kentekenregister van de Rijksdienst voor het wegverkeer blijkt dat het motorvoertuig is omgebouwd naar een elektrisch voertuig. 2.
Onverminderd het bepaalde in lid 1 van dit artikel wordt de aanvrager van de wachtlijst voor het eigen vergunninggebied verwijderd wanneer de aanvrager een bewoners- of bedrijfsvergunning, dan wel milieuparkeervergunning voor bewoners of milieuparkeervergunning voor bedrijven is verleend in het eigen vergunninggebied; 3. Onverminderd het bepaalde in de leden 1 en 2 van dit artikel wordt de aanvrager van de wachtlijst voor overloopvergunningen verwijderd wanneer de aanvrager een overloopvergunning is verleend in het aangevraagde overloopgebied, dan wel een bewonersvergunning, een bedrijfsvergunning, een milieuparkeervergunning voor bewoners of een milieuparkeervergunning voor bedrijven is verleend in het eigen vergunninggebied.