CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Overzicht inspraakreacties organisaties.pdf

Raadscommissie Woningbouw en Volkshuisvesting 15 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 en Wijziging Leegstandverordening Amsterdam 2024 (VN2023-023027)15.413 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Het College dient te onderbouwen waarom is gekozen voor het maximum aantal overnachtingen uit de huisvestingsverordening en waarom niet kan worden volstaan met een hoger maximum. Uit deze redenering volgt dat het nachtencriterium een verbod niet kan rechtvaardigen. Een dergelijke verlaging/verbod kan leiden tot een schending van de vrijheid van dienstverlening van de verhuurders, bijvoorbeeld op grond van art. 16 van de EU-Dienstenrichtlijn.

Verlaging van B&B-quota De verlaging van het aantal B&B’s is in onze ogen niet proportioneel en wordt niet voldoende onderbouwd. B&B's hebben geen invloed op de woningvoorraad en daarom kan noch het quotum noch de verlaging worden gerechtvaardigd met schaarste aan woningen. De stad verstrekt geen onderbouwde gegevens die een vermindering van dertig procent in de hele stad rechtvaardigen, zonder onderscheid per buurt. De voorgestelde verlaging is daarom in strijd met de ‘Wet toeristische verhuur van woonruimte’ en schendt de betrokken verhuurders in hun fundamentele rechten op grond van de Nederlandse wetgeving en ook in de vrijheid van dienstverlening op grond van artikel 16 van de EU-dienstenrichtlijn. Daarnaast ontbreekt een gedegen onderbouwing van de aanname uit de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting 2023 dat een beperking van het aantal B&B’s in de stad met een wijkquota zou leiden tot nieuwe permanente woonplekken. Bovendien is de beperking van B&B's, die Amsterdammers die voor hun inkomen afhankelijk zijn van hun B&B direct raakt, niet in lijn met het feit dat hotels in Amsterdam gebouwd blijven worden.

Escalatieladder “Met een escalatieladder gaan we voor de komende tijd op basis van vooraf vastgestelde objectieve cijfers duidelijk maken hoe en wanneer we nieuwe beperkende maatregelen gaan nemen binnen de daarvoor gestelde juridische kaders.” (Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting 2023. p22). In de Raadscommissie Volkshuisvesting op 5 juli jl. is door wethouder Pels aangegeven dat de uitspraak van de Raad van State gebruikt gaat worden in deze escalatieladder voor toeristische verhuur. Airbnb is voor het bepalen van toeristisch verhuurbeleid in de basis positief over de invoering van een stapsgewijze aanpak in de vorm van een escalatieladder, maar maakt zich zorgen over de proportionaliteit ervan. Om dit op een transparante en objectieve manier te laten verlopen is nodig dat de criteria vooraf helder zijn, inclusief de wijze waarop de cijfers gemeten worden. Op basis van welke criteria, onderzoek en “vooraf vastgestelde objectieve cijfers” is het College voornemens de druk op de woningmarkt en leefbaarheid te meten? En op welk moment en door wie wordt er besloten dat de druk te hoog is en welke maatregelen er vervolgens nodig zijn? Airbnb kijkt uit naar een verdere aanvulling op de criteria en het proces dat gebruikt zal gaan worden voor de escalatieladder en verzoekt het College hierbij in te zetten op een proportionele, data gedreven aanpak.

Conclusie Samenvattend is Airbnb van mening dat een verbod op vakantieverhuur en de inperking voor B&B’s ingaan tegen artikel 16 van de EU-Dienstenrichtlijn en niet voldoende is onderbouwd waarom de gemeente tot dergelijke zeer ingrijpende maatregelen over kan gaan. Airbnb hecht grote waarde aan een goede samenwerking met de gemeente om gezamenlijk te

werken aan oplossingen voor problemen. Dit willen wij onder andere doen door bij te dragen aan effectievere handhaving van regels voor toeristische verhuur en het tegengaan van overlast. Hierover maken wij graag formele werkafspraken met het College. Vanzelfsprekend is Airbnb van harte bereid deze inbreng indien gewenst verder toe te lichten en daarnaast blijven wij graag in gesprek met de gemeente om onze bijdrage te kunnen leveren aan de maatschappelijke uitdagingen waar de stad mee te maken heeft.

ZIENSWIJZE PROGRESSO AANPASSING HUISVESTINGSVERORDENING 11 juli 2023

Geachte lezer, De voorstellen voor aanpassingen Huisvestingsverordening Amsterdam 2024 liggen ter consultatie voor. Als bevoegd gezag van het Calandlyceum, Lumion en de School van de Toekomst, maakt het bestuur van de Stichting Openbaar Voortgezet Onderwijs Progresso (hierna Progresso) graag gebruik van de mogelijkheid een zienswijze in te dienen. Onze zienswijze heeft betrekking op de voorgestelde aanpassing van artikel 2.9.4: de beroepsgroepenregeling, waarbij het percentage woningen dat per beroepsgroep beschikbaar is wordt aangepast. Leraren in het speciaal onderwijs krijgen daarmee ook voorrang binnen de groep leraren met de meeste voorrang op een woning. Wij vragen middels deze zienswijze aandacht voor de groep docenten in het voortgezet onderwijs die met deze aanpassing van de regeling minder kansen krijgen op de toch al oververhitte woningmarkt in Amsterdam. Docententekort en sociaal maatschappelijke ontwikkelingen in Nieuw-West Wij vragen uw aandacht voor het onderzoek ‘Wie woont en werkt er nog in de stad’, van de Hogeschool van Amsterdam waarin wordt gesteld dat personeelstekorten het grootst zijn in de wijken met veel kinderen met leer- en ontwikkelachterstanden (Inspectie Onderwijs 2021). Met twee van onze middelbare scholen in het stadsdeel Nieuw-West met kwetsbare leerlingpopulaties is het aantrekken, en behouden, van leerkrachten juist enorm belangrijk.

Hier is goed onderwijs van extra belang en tegelijkertijd het vinden én behouden van genoeg leerkrachten het moeilijkst. Het Nationaal Programma Samen Nieuw-West vraagt aandacht voor de jongeren uit het stadsdeel Nieuw-West en stelt dat jongeren hier vaker opgroeien in een omgeving met armoede, criminaliteit, discriminatie en kansenongelijkheid dan jongeren uit de rest van Amsterdam. Om gelijke kansen te bieden aan deze groep leerlingen is het van belang om de beschikbare middelen ongelijk te verdelen. Zo dragen we als school bij aan een sterke basis met het beste onderwijs en uiteindelijk een goed diploma. Als Progresso zien wij het als onze maatschappelijke opgave om vanuit de besturen, in nauwe samenwerking met de gemeente, juist hier te investeren in een toekomstbestendig en robuust onderwijsveld met goede docenten. En om goede docenten aan te trekken en te behouden zijn voldoende betaalbare woningen een absolute noodzaak. Huidige knelpunten woningschaarste en voorrangsregeling We onderschrijven de toelichting op artikel 4.4 waarin staat dat onderzoek in de sectoren onderwijs, zorg en politie heeft aangetoond dat de woningschaarste in Amsterdam invloed heeft op de keuzes die werknemers maken om in de stad te gaan werken.

Uit eigen onderzoek onder onze werknemers blijkt dat docenten vertrekken op onze scholen doordat zij niet in staat zijn een woning te bemachtigen in de stad. Daarbij biedt de huidige voorrangsregeling al geen soelaas: vaak leidt de regeling tot een afwijzing omdat docenten in het voortgezet onderwijs niet voldoen aan de vastgestelde criteria zoals het aantal uren, het hebben van een vaste aanstelling, of de reisafstand van meer dan 20 km buiten de stad. Dit schooljaar hebben ruim 30 van onze docenten aangegeven dat indien zij geen woning kunnen bemachtigen in de stad zij zullen vertrekken van onze scholen en een baan buiten de stad zullen zoeken. Daarmee raken we niet alleen kennis en kunde kwijt op onze scholen, maar verliest de stad Amsterdam ook een groep mensen die gezien worden als sleutelberoepen voor de stad.

Belang van een evenwichtige regeling De voorgestelde aanpassing op de Huisvestingsverordening draagt daar niet aan bij, en zou wat ons betreft herzien moeten worden tot een meer evenwichtige weging van de beroepsgroep primair en voortgezet onderwijs. Waarbij ook rekening wordt gehouden met de uitdagingen die er in het stadsdeel Nieuw-West zijn op sociaal maatschappelijk gebied en waar de noodzaak voor goede docenten buiten kijf staat. Onze docenten in het voortgezet onderwijs verdienen een stad waarin ook zij kunnen wonen en werken. En daarmee een belangrijke bijdrage kunnen leveren aan het bevorderen van kansen voor de generatie van morgen. Sterker nog, als wij niet daadwerkelijk in staat zijn om goede docenten vast te houden wordt kansengelijkheid een inhoudsloze kreet. Wij roepen u dan ook op om deze voorgestelde wijziging niet op te nemen in de nieuwe verordening van 2024, en juist te kiezen voor een evenwichtige voorrangsregeling waarbij ook docenten uit het voortgezet onderwijs perspectief wordt geboden.

Namens Progresso, Judith van Biemen Voorzitter College van Bestuur

2

Zienswijze nieuwe huisvestingsverordening/Wooncafe020 Wij begrijpen dat de gemeente voor een duivels dilemma staat als het gaat om de verdeling van het schaarse aanbod betaalbare woningen in de stad. Wij begrijpen dat deze huisvestingsverordening niet over het aanbod gaat maar wij willen toch aandacht vragen voor het gebrek aan betaalbare woonruimte. Zoals bekend zijn wij van mening dat de maatschappelijke taakstelling breder moet worden gedragen dan het corporatiebezit - eigenaren, projectontwikkelaars en andere stakeholders moeten ook een bijdrage leveren. Wij zouden er voor pleiten dat de huisvestingsverordening van toepassing is op alle zelfstandige woonruimte met een huurprijs onder de liberalisatiegrens van zowel corporaties als particuliere verhuurders. De gemeenteraad in Alkmaar heeft onlangs een nieuwe huisvestingsverordening aangenomen met deze strekking. Heeft de gemeente Amsterdam inzicht in het aanbod van particuliere verhuurders? Op welke wijze worden deze woningen betrokken en aangeboden? Gezien de explosieve stijging van de huren vragen wij ons af of er überhaupt nog particulier bezit wordt toegevoegd aan de sociale voorraad? In het verleden waren eigenaren verplicht een bijdrage te leveren aan de volkshuisvestelijke taakstelling. B&B In de reacties op de huisvestingsverordening hebben vooral eigenaren gelieerd aan Amsterdam Gastvrij van zich laten horen.

Ook wij begrijpen dat B&B voor sommige eigenaren een noodzakelijke aanvulling op hun inkomen is en bestaansonzekerheid is vervelend. De andere kant van het verhaal is dat door Buy to let en Airbnb verhuur de prijzen van onroerend goed explosief zijn gestegen en schaarse woonruimte aan de voorraad is onttrokken. In sommige wijken heeft dit gevolgen voor de en sociale cohesie. Alhoewel wij wel denken dat B&B niet de grootste spelbreker is. Wij ondersteunen de plannen van de gemeente. B&B Zolderruimte Wij horen regelmatig dat ook corporaties - bij splitsing en verkoop - zolderkamers worden onttrokken aan huurcontracten. De huurders in deze complexen geven aan dat deze vervolgens vaak tijdelijk worden verhuurd met als gevolg overlast. UItbreiding beroepsgroepen/voorrangregels Wat de uitbreiding van de beroepsgroepen betreft. Wij begrijpen dat de gemeente voor uitvoering van het gemeentelijk beleid kiest voor uitbreiding van de beroepsgroepen en wij zijn ons bewust van het krachtenveld en de concurrentiepositie ten opzichte van andere gemeenten. Wij gaan ervan uit dat de gemeente inzichtelijk heeft waar qua huisvesting van personeel de grootste knelpunten liggen. Ons bezwaar is van principiële aard - de maatschappelijke taakstelling wordt eenzijdig afgewenteld op de meest kwetsbare burgers nl. zij die aangewezen zijn op een betaalbare huurwoning.

Ook betekent het dat andere professionals met een smalle beurs in het geheel geen kans maken op een betaalbare woning in Amsterdam. Door alle voorrangsregelingen en de opdracht van het rijk om statushouders te huisvesten komt de regulier woningzoekende nauwelijks nog in aanmerking voor betaalbare huisvesting. Ook niet met de invoering van het nieuwe puntensysteem. https://www.parool.nl/nieuws/slechts-22-mensen-zonder-voorrangsregeling-kregen-in-2022-een-so ciale-huurwoning-in-amsterdam~b60c69f7/ Wij begrijpen dat de gemeente ook zoekt naar een oplossing voor de meest schrijnende gevallen, maar het blijft dweilen met de kraan open als het aanbod betaalbare woonruimte niet toeneemt. De

maatschappelijke taakstelling om politie, onderwijzers, zorgpersoneel te huisvesten moet breed worden gedragen. In het verleden waren de ziekenhuizen- zusterflats, scholen- AcobAmsterdamsche Coöperatieve Onderwijzers- Bouwvereeniging en politie zelf mede verantwoordelijk voor de huisvesting van hun personeel. Pensioenfondsen van de betreffende beroepsgroepen kunnen investeren in de huisvesting van hun achterban. Ook besturen zouden creatief kunnen nadenken en bijdragen aan het huisvestingsprobleem waarbij wij meer aan structurele coöperatieve oplossingen zoals de Acob denken dan privatisering. Er wordt nu veel geld besteed aan het inhuren van uitzendkrachten -zzp-ers misschien kan een deel van deze middelen worden ingezet voor huisvesting. Misschien moet de gemeente extra belasting heffen bijvoorbeeld op de meerwaarde van onroerend goed zodat ook eigenaren bijdragen aan de maatschappelijke taakstelling -vanuit deze opbrengsten kan betaalbare woonruimte voor onderwijzers worden gefinancierd voor beroepsgroepen die cruciaal zijn voor het vervullen van publieke taken. De rijksoverheid parkeert steeds meer taken bij de gemeente zonder de benodigde financiële ruimte.

https://www.trouw.nl/nieuws/gemeenten-willen-meer-eigen-belasting-heffen~ba1d645f/ Economisch daklozen met een beperkte zorgvraag Economisch daklozen met een beperkte zorgvraag- Wat zijn economisch daklozen? Mensen met een baan die onvoldoende verdienen om de exorbitante huren te kunnen betalen of slachtoffers van de winnaars op de huizenmarkt. In het Parool stond onlangs een artikel waar sprake was van winnaars en verliezers op de woningmarkt- de Volkskrant gebruikte deze onderverdeling al in eerder stadiumhttps://www.volkskrant.nl/columns-opinie/sport-verdeelt-de-wereld-in-winnaars-en-verliezers-de-w oningmarkt-inmiddels-ook~bbac77ba/. Het probleem is te weinig betaalbare woonruimte. Het merendeel van de daklozen heeft geen zorgvraag maar zijn op zoek naar woonruimte. Vervolgens is het zorgcircuit de enige mogelijkheid om voor een voorrangsregeling in aanmerking te komen. Het toevoegen van de categorie economisch daklozen met een beperkte zorgvraag is onduidelijk en zal de toeloop op de hulpverlening en de gemeente alleen doen toenemen. Wij begrijpen dat de gemeente een mogelijkheid wil creëren voor schrijnende gevallen, maar bestaat deze mogelijkheid niet binnen het huidige systeem? Het toevoegen van nog meer categorieën aan de voorrangsregels lost het probleem niet op.

Wij pleiten voor een campagne waarbij het belang van inschrijving bij Woningnet breed wordt gecommuniceerd. Mensen die volgens hun eigen standaard goed wonen kunnen door zoals dat door professionals wordt genoemd een life changing event op straat komen te staan en zonder inschrijfduur sta je ook in het puntensysteem achter in de rij. Woningweigering De corporaties geven vaak aan dat woningzoekenden te kieskeurig zijn bij het accepteren van het aanbod om er vervolgens aan toe te voegen dat er geen sprake is van een noodsituatie. Je kunt het ook omkeren, misschien is het aanbod onvoldoende en worden de winkeldochters ingezet voor huurders die aangewezen zijn op de voorrangsregels. Wij hebben van ouders van zorgverleners geboren en getogen in Amsterdam gehoord dat hun dochter, verpleegster, uiteindelijk via de voorrangsregeling een woning aangeboden kreeg die op geen enkele wijze aan de minimale standaard voldeed. Voor doorstromers uit de maatschappelijke opvang is het belangrijk dat zij in een goede woonomgeving terechtkomen en dit ook zelf kunnen aangeven zonder dat hier gelijk een sanctie op staat. https://www.parool.nl/amsterdam/nieuwe-ontwikkeling-huis-te-huur-in-bos-en-lommer-inclusief-be wonersproblemen~b5e08db8/ Wij zijn dan ook geen voorstander van deze wijziging.

Meetellen 18-23 jarigen stadsvernieuwingsurgent Juichen deze aanpassing toe met de opmerking deze uit te breiden tot 27 jaar parallel met het optrekken van de kostendelersnorm. Wel moeten de inwonenden jongeren zelf de keuze kunnen maken voor welke regeling zij in aanmerking willen komen. Ook willen wij meegeven dat veel jongeren ook na beëindiging van het jongerencontract weer hun toevlucht moeten nemen bij hun ouders. Een ander punt is dat de gezinscultuur niet altijd aansluit bij de Nederlandse regelgeving. Jongeren/familieleden kunnen in de verschillende levensfases ook voor elkaar willen zorgen. Jongerenvoorrang Regeling voorrang Amsterdamse jongeren is net in werking getreden. Effecten zijn nog onvoldoende bekend. Ook buurgemeenten hanteren voorrangsregelingen voor eigen ingezetenen. Waar kunnen de Amsterdamse jongeren dan terecht? De regeling geeft ook jongeren die tijdelijk buiten Amsterdam gehuisvest zijn 6 in 10 voldoende gelegenheid om in aanmerking te komen voor deze voorrangsregeling. Uitzondering Amstelveen en Diemen niet opportuun- uitstekend ov en fietsafstand is niet veel groter dan vanuit de verschillende stadsdelen. Jongeren van buiten Amsterdam die in Amsterdam komen studeren - komen in aanmerking voor een campuscontract. Wij zijn daarom geen voorstander om het percentage aan te passen ten nadele van de ‘Amsterdammers’.

Wij hebben wel vragen bij de procedures waarbij jongeren moeten solliciteren om deel uit te maken van een community. In feite bepaalt de corporatie dan buiten Woningnet en het puntenstelsel om wie in aanmerking komt voor de woning. Is er onderzoek gedaan over de consequenties van dit beleid. Antikraak niet uitzonderen Door een wijziging in de huisvestingsverordening is er per 1 januari 2021 geen strijdigheid meer met de regelgeving voor de inzet van GBO’s. In de omschrijving van het werkingsgebied van de regels over woonruimteverdeling in Hoofdstuk 2 staat bij artikel 2.1.1. onder uitzonderingen onder lid 3g een nieuwe uitzondering voor “woonruimten die om niet in gebruik worden gegeven”. In de toelichting bij deze wijziging staat het volgende: “Ten vierde worden woonruimten die antikraak worden verhuurd, uitgezonderd van de huisvestingsvergunningplicht. Antikraakwoningen worden niet verhuurd met behulp van een huurovereenkomst, maar worden middels het sluiten van een bruikleenovereenkomst in gebruik gegeven ‘om niet’. Op grond van artikel 2.1.1, eerste lid, Huisvestingsverordening vallen in beginsel alle zelfstandige woonruimten met een rekenhuur of huurwaarde tot de liberalisatiegrens onder de reikwijdte van de woonruimteverdelingsregels in de Huisvestingsverordening. In praktijk worden antikraakwoningen echter niet verdeeld volgens de woonruimteverdelingsregels.

Het voorstel zondert daarom antikraakwoningen uit van de woonruimteverdelingsregels om bij de geldende praktijk aan te sluiten.” Bovenstaande toelichting is onnavolgbaar, de reden waarom antikraak(=GBO) woningen vóór 2021 niet volgens de verdeling van woonruimte bewoond werden is omdát dit zo geregeld was in de verordening. Dat wil zeggen; als de woningen voldeden aan de regels die gesteld werden voor bewoning met GBO (zoals een maximale periode van een half jaar tot uitvoering van sloop of renovatie) hoeven ze niet aangeboden te worden aan een reguliere woningzoekende. Wat met de ‘geldende praktijk’ in de laatste zin bedoeld is kan op meerdere manieren uitgelegd worden, maar sloot blijkbaar niet aan bij de bestaande regelgeving. De wijziging per 1 januari 2021 heeft als consequentie dat corporaties bij al hun huurwoningen in de stad naar eigen inzicht, en zonder meldingsplicht of welke andere verantwoording dan ook naar gemeente of huurders, kunnen besluiten om woningen na mutatie niet langer te verhuren

maar deze (om niet) in gebruik te geven. Wij vragen ons af of de gemeente zich, bij de legalisering van de geldende praktijk, voldoende de consequentie van deze aanpassing in de regelgeving heeft gerealiseerd. De wijziging heeft gevolgen op de grip van de gemeente op de woonruimteverdeling in het algemeen en op de positie van de betrokken huurders bij participatie rond renovatie, sloop en nieuwbouw in het bijzonder. Wij begrijpen dat dit ook ruimte geeft om ‘economisch’ en andere spoedzoekers te huisvesten maar het geeft veel wrijving binnen complexen en lost uiteindelijk het probleem voor de ‘gebruiker’niet op - voorbeeld Rivierenhuis. Tijdelijke verhuur, gebruikersovereenkomsten zouden ook onder de Huisvestingsverordening 2024 moeten vallen of in elk geval zouden hier regels voor moeten worden opgesteld zodat het duidelijk wordt hoeveel woningen aan het reguliere aanbod worden onttrokken - zeker met oog op een beleid dat op doorstromen is gericht. Aanpassingregeling opkoopbescherming Voorstel jaarlijks aangepassen aan de ontwikkelingen op de markt.

ZIENSWIJZE HUISVESTINGSVERORDENING 2024

Vereniging Amsterdam Gastvrij Westerstraat 69A 1015 LW Amsterdam 14-07-2023

Geachte Heer/Mevrouw, Hierbij geeft de Vereniging Amsterdam Gastvrij haar zienswijze op de voorstellen in de Huisvestingsverordening 2024. Wij zullen ons begrijpelijkerwijs richten op Afdeling III de regulering van toeristische verhuur (vakantieverhuur en B&B). 1.

Inleidende opmerkingen 1.1.

Procedure

Voorafgaand aan de totstandkoming van deze voorgestelde Huisvestingsverordening (HVV) is de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting (AAV) nog niet bestuurlijk vastgesteld. De inspraaktermijn voor de HVV loopt echter al af voordat de AAV bestuurlijk vastgesteld kan worden. In de AAV wordt voorgesteld om een verlaging van de B&B quota te onderzoeken. In het HVV voorstel wordt echter al concreet een invulling gegeven aan een dergelijke verlaging. De wethouder heeft in de commissievergadering aangegeven dat, lopende de inspraakprocedure van de HVV, geen concrete antwoorden (meer) gegeven konden worden op raadsvragen en onderdelen van onze zienswijze die betrekking hebben op de mogelijke verlaging van de B&B quota. Dit vormt naar ons inzicht een gebrek in de besluitvormingsprocedure, veroorzaakt door een verlate behandeling van de AAV, die volgens de oorspronkelijke planning al in maart j.l. bestuurlijk vastgesteld zou worden. In het licht van deze vertraging zou het in de rede gelegen hebben om elke maatregel die een uitwerking is van de kaderstellende AAV, zoals de voorgestelde verlaging van de B&B quota, uit te stellen totdat de AAV bestuurlijk vastgesteld is. Het betekent ook dat we noodzakelijkerwijs punten uit onze zienswijze op de AAV zullen moeten herhalen. 1.2.

Participatie

We hechten eraan om te onderstrepen dat het voorstel om B&B quota voor de derde keer in een paar jaar te verlagen niet voortkomt uit het participatietraject van de AAV. De enige aanbeveling in de lijst aanbevelingen per bijeenkomst en

focusgroep die op B&B’s betrekking heeft is positief over B&B’s en luidt:

“Hotels betalen meer toeristenbelasting dan B&B’ s, beloon kwaliteits toerisme.” Ook vanuit het participatietraject van de Aanpak Binnenstad zijn ons geen aanbevelingen bekend voor het verder verlagen van de B&B quota. Tenslotte is onze vereniging op geen enkel moment geconsulteerd over het voornemen om B&B quota te verlagen. 1.3.

Recente ontwikkelingen

De afgelopen jaren zijn de regels met betrekking tot toeristische verhuur haast elk half jaar aangescherpt. Dit wordt duidelijk omschreven in paragraaf 1 van pagina 11 van de Nota Toeristenovernachtingen (“Nota”). Dankzij intensieve handhaving en toegenomen transparantie is toeristische verhuur teruggebracht tot waar het voor bedoeld was en komen “illegale hotels” niet of nauwelijks meer voor. Bovendien zullen in minder dan een jaar de laatste short-stay vergunningen aflopen. We willen benadrukken dat 99 % van de overlastmeldingen betrekking had op (illegale) permanente verhuur (zie Evaluatie Toeristische verhuur 2016, pagina 45) - niet op legale vakantieverhuur of Bed & Breakfast. De Nota stelt daarom terecht dat op grond van de huidige aanbod- en verhuurcijfers geen vergaande nieuwe regels ingevoerd hoeven worden. Het vorige college heeft bovendien bestuurlijke “rust” beloofd met betrekking tot de regelgeving voor B&B's. We zijn daarom van mening dat nieuwe inperkingen of regelgeving voor toeristische verhuur vooralsnog niet aan de orde zijn. Wij achten het verder verlagen van de quota voor B&B juridisch onmogelijk, ondoelmatig en disproportioneel.

2.

Wet Toeristische Verhuur 2.1.

Geen inbedding van bestaande regelgeving Op 1 januari 2021 is de Wet toeristische verhuur (Wtv) van woonruimte in werking getreden. Gemeenten die toeristische verhuur van woningen wensen te reguleren, zullen voortaan de nieuwe instrumenten moeten toepassen. Voor de regulering van toeristische verhuur kan niet langer gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden die artikel 21 van de Huisvestingswet bood (het reguleren van toeristische verhuur door

middel van een onttrekkingsvergunning) en die de basis vormden van de huidige vergunningstelsels voor B&B en vakantieverhuur. Zie Memorie van Toelichting (MvT) van de Wtv, pagina 6. Artikel 51, tweede lid, aanhef en onder b, van de Wtv bepaalt dat regels over de toeristische verhuur van woonruimte in bestaande huisvestingsverordeningen per 1 januari 2022 komen te vervallen. Tot dan hadden gemeenten dus de tijd om hun Huisvestingsverordening aan te passen. We merken op dat er in 2021 geen aanpassing van de Huisvestingsverordening heeft plaatsgevonden die de toeristische verhuur reguleert volgens de systematiek van de Wtv. Ook heeft de gemeente niet duidelijk gemaakt of bestaande vergunningen gelijk worden gesteld met een vergunning voor toeristische verhuur op basis van het nieuwe artikel 23c van de Wtv. 2.2.

Geen motivering voor het vasthouden aan het quotastelsel Zoals duidelijk gemaakt wordt in de MvT (e.g. pagina 19), betekent dit dat de gemeente voor elke verdergaande maatregel in de escalatieladder (registratieplicht -> nachtencriterium met eventuele meldplicht -> vergunningplicht -> vergunningplicht met quota) moet aantonen waarom er niet volstaan kan worden met een minder ingrijpende maatregel. In het bijzonder voor het instellen voor een schaars vergunningenstelsel stelt de MvT op pagina 16 (nadruk toegevoegd):

“Slechts bij ernstige problemen in bepaalde buurten kan de gemeenteraad een quotum stellen op het aantal vergunningen voor woonruimten waar toeristische verhuur mag plaatsvinden. De gemeenteraad dient dan aan te tonen waarom dit quotum noodzakelijk is en niet kan worden volstaan met een minder ingrijpend instrument zoals de registratie- of meldplicht, een nachtencriterium of andere maatregelen. Een quotum is voor degene die omwille van het ingestelde quotum geen vergunning krijgt een zware beperking op zijn eigendomsrecht, die uitsluitend in uitzonderlijke gevallen gerechtvaardigd kan zijn.” Aangezien er geen aanpassing van het beleidskader van de HVV heeft plaatsgevonden sinds de invoering van de Wtv, is niet voldaan aan de verplichting om aan te tonen dat minder ingrijpende maatregelen niet volstaan. Bovendien maakt de MvT duidelijk dat een dergelijk quotum alleen ingesteld kan worden in bepaalde buurten met ernstige problemen. Het

vasthouden aan B&B quota voor alle wijken in Amsterdam achten we daarmee strijdig met de Wtv. 2.3.

Geen willekeurige aanpassingen van vastgestelde quota mogelijk Voorts stelt de MvT m.b.t. de vaststelling van quota op pagina 34 (nadruk toegevoegd):

“De verdelingssystematiek bij schaarse vergunningen moet worden vastgelegd in de huisvestingsverordening om iedere vorm van willekeur te voorkomen.” Dit maakt duidelijk dat de oorspronkelijke verdelingssystematiek, waarbij de B&B quota o.a. zijn vastgelegd als percentage van de woningvoorraad in de wijk (tot maximaal 4% van het aantal particuliere huur- en koopwoningen), niet tijdens de periode van vergunningverlening losgelaten kan worden. Wij achten aanpassingen halverwege het huidige vergunningstraject bovendien strijdig met de voorwaarden die de Dienstenrichtlijn aan vergunningstelsels oplegt, waaronder objectiviteit, transparantie en toegankelijkheid.

3.

Beleidsmatige onderbouwing voor wijzigingen B&B quota 3.1.

Beleidsmatige onderbouwing van de huidige quota Het huidige vergunningstelsel is op basis van een uitgebreid beleidskader in 2020 vastgesteld. Aan de gevolgde systematiek bij het toewijzen van wijkquota zou een zorgvuldige gekozen belangenafweging ten grondslag moeten liggen. Het is niet duidelijk gemaakt waarom deze systematiek niet meer gevolgd zou kunnen worden of waarom de grondslagen voor het instellen van de hoogte van de quota niet meer juist zouden zijn. De toelichting van de Huisvestingsverordening 2020 stelt (nadruk toegevoegd):

“De wijkquota borgen een goede spreiding van deze gebruiksvormen over de wijken en voorkomen dat grote concentraties kunnen ontstaan, te meer nu de quota zijn verdeeld over 99 wijken. De wijkindeling is gebaseerd op de gebiedsindeling van Amsterdam. De relatief lage wijkquota zorgen ervoor dat de extra druk die van deze vorm van bewoning of gebruik van woonruimte uitgaat op het woon- en leefklimaat niet onevenredig zal zijn. Naast de wijkquota zijn nog andere

voorwaarden gesteld om in aanmerking te komen voor een vergunning.” In tegenstelling tot wat de Nota in hoofdstuk 3.1 stelt, was er geenszins sprake van “ruim” gedefinieerde wijkquota, maar juist van relatief lage wijkquota. De algemene verwachting was toentertijd dat er in vele wijken, met name in het Centrum, een loting plaats zou moeten vinden. Er was allerminst de verwachting dat in nagenoeg alle wijken het aantal B&B’s lager dan het quotum zou zijn, zoals in de Nota beweerd wordt. Om de gevolgen van uitloting enigszins te verzachten zijn niet de quota verhoogd, zoals de Nota ten onrechte stelt, maar is de overgangstermijn verlengd naar zes jaar. De onder punt 3.1 in de Nota gepresenteerde voorstelling van zaken is evident onjuist en verdient correctie. Het werkelijk aantal B&B’s in de stad bleek minder dan de helft van de ingeschatte 4500. Om precies te zijn, waren er slechts 2024 vergunningen te vergeven. Van een vermeende ongecontroleerde groei - de voornaamste reden tot het instellen van de quota - is nooit sprake geweest. Het huidige aantal vergunninghouders bedraagt 2103. Kortom, toen noch nu is er sprake geweest van een ongecontroleerde groei. Er is geen enkele reden om aan te nemen dat de ruimte die er nog binnen de (reeds tweemaal verlaagde) quota van de centrumwijken is, binnen afzienbare tijd gebruikt zal worden.

Maar zelfs al zou dit het geval zijn, dan zou de oorspronkelijke doelstelling om een onbeperkte groei B&B's te voorkomen, niet ondergraven worden. Sterker nog, het voor een derde keer in drie jaar willekeurig en eenzijdig verlagen van deze quota zou de oorspronkelijke motivering van het huidige stelsel ontkennen en ondergraven. 3.2.

Geen onderbouwing voor verlagen B&B quota De beleidstoelichting van de Huisvestingsverordening 2024 biedt geen concrete doelstelling voor het verder verlagen van de B&B quota. Ook wordt nergens inzichtelijk wat de kwantitatieve verwachtingen van het voorstel zijn. Er wordt gesproken van een “sterk matigend effect” in wijken waar B&B’s al veel aanwezig zijn. Het blijft echter onduidelijk waarop dit gebaseerd is, aangezien er van een aanmerkelijke groei van het aantal B&B’s geen sprake is. Met andere woorden, de vraag hoeveel minder B&B’s er met het voorstel zullen (niet: zouden kunnen) komen, blijft onbeantwoord. Zoals eerder gezegd, zorgen de huidige quota - naar de opvatting van de gemeente zelf - ervoor dat de extra druk die van deze vorm van bewoning of gebruik van woonruimte uitgaat op het woon- en leefklimaat niet onevenredig zal zijn. Een hernieuwd beroep op “negatieve effecten van toeristische verhuur op de leefbaarheid van de woonomgeving” is

strijdig met de onderbouwing van het huidige stelsel. Tenslotte blijft onduidelijk waarom deze maatregel door het college gezien wordt als doelmatig om de toegenomen schaarste aan woningen te bestrijden. De woning van de B&B houder is en blijft bewoond. Als zodanig kan de maatregel niet gezien worden als een die betrekking heeft op de woonruimtevoorraad. Gezien de onzelfstandige aard van de ruimte, kan het voorstel ook niet leiden tot een toename van de woningvoorraad. Schaarste aan woningen kan niet opgelost worden door van woningen woningen te maken. Vanwege het gedeeltelijke zelfgebruik van de meeste B&B's (een B&B kamer wordt gemiddeld 46 % van het jaar verhuurd , zie OIS, Toerisme MRA 2019-2020, pagina 38, 39) en/of de ongeschiktheid voor permanente verhuur (bv afwezigheid keuken) is het ook niet aannemelijk dat het inperken van het aantal B&B's tot meer “woonplekken” zal leiden. Ook hiervoor geeft de beleidstoelichting geen enkele concrete verwachting. We vragen u om in overweging mee te nemen dat van de circa 10 miljoen euro door Amsterdamse B&B-houders afgedragen toeristenbelasting jaarlijks een aanzienlijk studentencomplex gerealiseerd zou kunnen worden. Aangezien de beleidstoelichting geen concrete doelstelling of kwantitatieve onderbouwing geeft, is de maatregel op voorhand niet te toetsen op doelmatigheid, evenredigheid of subsidiariteit. 3.3.

Geen integrale visie In beleidsvorming m.b.t. tot toeristische verhuur ontbreekt wat ons betreft een integrale visie over de rol van toeristische verhuur in de toekomst van het stedelijk toerisme. Het zou naar ons inzicht beter zijn om maatregelen over toeristische verhuur niet alleen af te wegen binnen de kaders van huisvesting. Economische aspecten, duurzaamheid, en mogelijke sturing op een gewenste bezoekerseconomie die bewoners en lokale ondernemers te goede komt (“community wealth building”) in een meerkernige stad, mogen in een overkoepelende en op feiten gebaseerde afweging niet ontbreken. De resultaten van het recentelijk toegezegde onderzoek naar het verband tussen accommodatievormen en het type bezoeker zouden hierin meegewogen moeten worden. Een verdere inperking van B&B quota achten we alleen al daarom ontijdig. In een integrale afweging zou meegenomen moeten worden dat gasten van een B&B veel beter dan gemiddeld voldoen aan het profiel van de gezochte “kwaliteitstoerist”. Ze verblijven gemiddeld bijna 2 keer zo lang in de stad (3,5 dagen i.p.v. 2) en geven gemiddeld 25% meer uit,

voornamelijk in de buurt van de B&B die beter dan hotels verspreid over de stad gelegen zijn. 75 % van deze gasten reist met partner of gezin en de gemiddelde leeftijd is 36 jaar. Ze worden zorgvuldig gescreend en krijgen van hun gastvrouw/heer adviezen over de “do’s and don’ts” van hun verblijf. Uit gemeentelijke rapporten blijkt dat er over B&B's geen klachten van overlast binnen komen. B&B's verzorgen minder dan 4% van de overnachtingen in de stad en maar zo’n 2,5 % van de overnachtingen in de 3 drukke wijken van het centrum. Zelfs al zouden de quota in de centrumwijken in de komende jaren gevuld worden, dan zou dit nauwelijks effect hebben op het aantal overnachtingen in de stad. 4.

Artikelsgewijze bezwaren Gezien het bovenstaande achten we diverse artikelen en nadere regels niet onderbouwd, strijdig met de Wtv of onevenredig. We zullen ons in het bijzonder richten op de meest bezwaarlijke artikelen (in willekeurige volgorde). 4.1.

Artikel 3.7.4: Vergunningplicht vakantieverhuur De vergunningplicht voor vakantieverhuur was een reparatiemaatregel die ingevoerd was nadat de Raad van State op 29 januari 2020 geoordeeld had dat de Huisvestingswet 2014 geen ruimte bood voor een vrijstellingsmogelijkheid (ECLI:NL:RVS:2020:261). Die noodzaak is echter met het ingaan van de Wtv komen te vervallen, temeer omdat er geen inhoudelijke toetsing vooraf plaatsvindt of nodig is en de registratieverplichting de gemeente dezelfde gegevens verschaft. De wethouder motiveerde in de Commissievergadering WB van 9-12-2020 het besluit om als enige stad in Nederland aan deze “meest vergaande” maatregel vast te houden met de mededeling: “Als we het [vergunningstelsel] niet al hadden opgetuigd, had ik hem waarschijnlijk ook nu niet voorgesteld, zeg ik er maar eerlijk bij, want we willen inderdaad zien wat de effecten zijn van die nieuwe wet.”. Met het onnodig vasthouden aan de vergunningplicht heeft het college het echter onmogelijk gemaakt om aan te tonen of hetzelfde doel (wat dat dan ook concreet moge zijn) niet met minder ingrijpende maatregelen (zoals een registratieplicht) bereikt had kunnen worden, zoals de Wtv en de Dienstenrichtlijn vereist.

De administratieve lasten en kosten voor zowel de gemeente als voor de vakantieverhuurder wegen naar onze mening niet op tegen welke voordelen het instandhouden van het vergunningstelsel voor

vakantieverhuur ook mogen bieden. Zoals de Mvt op pagina 9 terecht stelt, is een vergunningsplicht effectiever bij andere vormen, zoals B&B. 4.2.

Artikel 3.9.5.1d: Vergunningsduur vakantieverhuur De vergunningsduur van slechts 1 jaar en 3 maanden voor vakantieverhuur achten wij niet noodzakelijk, geschikt en proportioneel. Het leidt tot verdere onnodige kosten en administratieve lasten voor gemeente en verhuurder, met mogelijk onbedoelde administratieve vergissingen tot gevolg. Volgens artikel 11 van de Dienstenrichtlijn en artikel 33 van de Dienstenwet moeten vergunningen die vallen onder de Dienstenrichtlijn in principe voor onbepaalde tijd worden verstrekt.

4.3.

Artikel 3.7.3.3 en Artikel 3.9.5.1b: Gedelegeerde bevoegdheid tot het instellen van verbodswijken. In tegenstelling tot de Huisvestingswet 2014 biedt de Wtv de gemeente niet de bevoegdheid tot het instellen van een totaalverbod op vakantieverhuur in bepaalde wijken. De meest vergaande maatregel binnen de “escalatieladder” van de Wtv is een schaars vergunningstelsel. De Europese Commissie adviseerde (COM2016, 356, p. 5.):

“Zo is een verbod niet te rechtvaardigen wanneer de toeristische verhuur van woonruimte ook tot een maximaal aantal nachten per jaar kan worden beperkt” (zie ook Mvt pagina 19) Om deze redenen is een verbod niet opgenomen als mogelijke maatregel in de Wtv. Dit wordt ook duidelijk bevestigd in de Handreiking toeristische verhuur van woonruimte van de VNG op pagina 8 (“Geen totaalverbod"). 4.4.

Artikel 3.9.3.4: Willekeurige intrekking van vergunning Artikel 3.9.3.4 biedt het college een willekeurige bevoegdheid om verleende vergunningen te wijzigen of in te trekken“indien veranderde omstandigheden of gewijzigde inzichten wijziging of intrekking nodig maken.” De vaag geformuleerde en breed te interpreteren frase“veranderde omstandigheden en gewijzigde inzichten” zet de deur open naar bestuurlijke willekeur. Een vergunning die zo willekeurig in te trekken is, kan nauwelijks een vergunning heten. We merken op dat dit artikel geen deel uitmaakte van de oorspronkelijke

HVV2020, maar pas in een latere versie van de HVV2020 ingevoerd was, zonder dat er een duidelijke toelichting bijgevoegd werd. Ook is ons geen aankondiging van deze wijziging bekend, zodat we ook niet eerder op de hoogte waren van dit artikel. We achten dit artikel strijdig met de Wtv, die een uitputtende lijst geeft van intrekkingsgronden. Zie Art. 26 van de Huisvestingswet en Mvt, pagina 36. 4.5.

Artikel 3.9.4: Quotastelsel B&B vergunningen en Art. 5 van Hoofdstuk 4 van de Nadere Regels: Vaststelling wijkquota Zoals boven uitgebreid besproken, achten we het quotastelsel voor B&B vergunningen strijdig met de Wtv en niet voldoende onderbouwd. Aangezien zelfs in de centrumwijken de gestelde quota niet bereikt zijn, is duidelijk geworden dat de gestelde doelen ook met slechts een vergunningplicht gehaald zijn. Het vasthouden aan het quotastelsel is daarmee strijdig met de Dienstenrichtlijn, omdat het gestelde doel al is bereikt met minder beperkende maatregelen. Bovendien maakt de MvT duidelijk dat een dergelijk quotum alleen ingesteld kan worden in bepaalde buurten met ernstige problemen en voldoet de verdelingssystematiek niet aan de vereisten van de Wtv om iedere vorm van willekeur uit te sluiten. Dit wordt ook bevestigd door de Handreiking van de VNG op pagina 8 (nadruk toegevoegd):

“Wel kan in de Huisvestingsverordening, indien dat op basis van de lokale omstandigheden noodzakelijk is, een maximum worden gesteld aan het aantal vergunningen dat voor een bepaald gebied kan worden afgegeven: een quotum. Als daartoe wordt overgegaan, is het noodzakelijk dat een onderbouwing wordt gegeven waarom hier een maximum moet worden gesteld, en waarop de hoogte van dit maximum gebaseerd is.” 4.6.

Art. 1.2 van Hoofdstuk 4 van de Nadere Regels Het is te rechtvaardigen dat de ruimte die de B&B beslaat, ondergeschikt is aan de woonruimte van de hoofdbewoner(s). Daarom heeft de gemeente Amsterdam reeds lange tijd voor de invoering van het huidige stelsel een norm van 40 % gesteld. De uitvoeringsregel waarbij gedeelde ruimtes, waaronder verkeersruimtes zoals gedeelde trappenhuizen en gangen, maar ook een te doorlopen woonkamer, voor de helft meetellen in de oppervlakteberekening, leidt er echter toe dat gelijksoortige B&B-ruimtes verschillend beoordeeld

worden, afhankelijk van de locatie van de voordeur.

4.7.

Boetetabellen 4, 5 en 6 Zoals eerder aangegeven, zijn wij van mening dat het college geen invulling heeft gegeven aan de aanbevelingen van de ombudsman om voor eerste administratieve overtredingen een waarschuwende boete te geven. We verzoeken u de boetetabel te herzien in het licht van deze aanbeveling en daarin ook eventuele recente gerechtelijke uitspraken in mee te nemen. We zien momenteel nog onvoldoende invulling van de vereiste differentiatie naar aard, ernst en verwijtbaarheid van de overtreding (Mvt, pagina 13). In tabel 6 staat bovendien de onbegrijpelijke tekst “Eerste keer € 11.600 + € 1.000 per administratieve overtreding tot maximaal € 3.000”. Het is ook gewenst de bestuurlijke praktijk te expliciteren om aan het begrip “eerste keer” een verjaringstermijn te verbinden.

We hopen van harte dat u onze zienswijze ter harte neemt. De voorgestelde quotabeperking zal weinig meer opleveren dan de zoveelste juridische procedure" Hoogachtend, Maarten Bruinsma Vereniging Amsterdam Gastvrij bestuur@amsterdamgastvrij.nl

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13432366/1