CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Onderzoeksrapport Vindplaatsen verborgen armen.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 10 september 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Bespreken van de Brede Monitor en het onderzoeksrapport Vindplaatsen verborgen armoede (VN2025-010644)12.122 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Vindplaatsen verborgen armen: naar effectievere wegen om huishoudens met een laag inkomen te ondersteunen

Auteurs: L. Desain, R. van Dam, S. Hees, M. J. Kruithof, A. L. Custers Dit onderzoek is gefinancierd door de Nederlandse Organisatie voor Wetenschappelijk Onderzoek (NWO) met betrokkenheid van het ministerie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid in het kader van de NWA ronde Schulden en Armoede. Deze publicatie weerspiegelt de mening/ onderzoeksresultaten van de publicerende partij(en). Het NWO is niet aansprakelijk voor enig gebruik dat gemaakt zou kunnen worden van de daarin opgenomen informatie. Het consortium bestond uit de volgende tien gemeenten: Almere, Amersfoort, Amsterdam, Hoekse Waard, Lelystad, Kapelle, Krimpenerwaard, Nijmegen, Schiedam en Vlaardingen, twee samenwerkingspartners te weten Overrood en stichting Lezen en Schrijven en vier kennispartners; de Universiteit van Amsterdam, het Nibud, Ink en de Hogeschool van Amsterdam. Deze laatste partij was penvoerder.

2

Voorwoord Het is niet makkelijk om over armoede te praten

Het is niet gemakkelijk om over armoede te praten. Armoede is vaak ook niet direct zichtbaar. Armoede betekent regelmatig een stapeling van problemen. Het gaat niet enkel om te weinig geld, maar ook om onzeker of geen werk, weinig toekomstperspectief, zwakke gezondheid, negatieve sociale en institutionele bejegening en kansenongelijkheid. Veel van dit alles blijft vaak verborgen. Een van de manieren waarop armoede verborgen blijft is door het niet aanvragen van inkomensondersteunende maatregelen. Het nietgebruik van deze maatregelen is geen nieuw fenomeen en was in de jaren negentig al een thema. En het blijft onverminderd relevant. In een steeds ingewikkelder stelsel aan minimavoorzieningen – in sommige gemeenten zijn het er wel meer dan 30 – is het niet vreemd dat niet iedereen gebruik maakt van alle regelingen waar men recht op heeft. In het project Vindplaatsen verborgen armen: naar effectievere wegen om huishoudens met een laag inkomen te ondersteunen is een groot consortium van tien gemeenten, twee samenwerkingspartners en vier kennispartners samengekomen om te begrijpen welke groepen burgers er in verborgen armoede leven, waarom mensen verborgen arm zijn, en wat gemeenten kunnen doen om mensen in verborgen armoede te bereiken. Dit heeft geleid tot een reeks publicaties, en voor u ligt het magazine dat dit alles overkoepelend samenvat. Een aantal punten vallen op.

Wie zijn verborgen arm? Werkenden hebben het hoogste risico om verborgen arm te zijn Uit de analyse komt naar voren dat werkenden het hoogste risico hebben om verborgen arm te zijn. Deze bevinding sluit aan bij de meest recente armoedecijfers. Een van de opvallendste uitkomsten van de nieuwe methode om armoede te meten is dat werkenden, in vergelijking met bijstandsgerechtigden, er de afgelopen jaren minder goed in geslaagd zijn om boven de armoedegrens uit te komen. Sterker nog, de armoede onder werkenden is dieper geworden: zij

Werkenden hebben het hoogste risico om verborgen arm te zijn

4

zijn gemiddeld verder onder de armoedegrens gezakt de afgelopen jaren. Een van de grootse armoedevraagstukken de komende tijd is hoe deze trend te keren, en om deze werkenden met lage inkomens wel te bereiken. Het consortium heeft hier enkele handvatten voor uitgetest en onderzocht.

Waarom zijn mensen verborgen arm? Bewust en onbewust De redenen om geen gebruik te maken van inkomensondersteunende regelingen zijn divers. De studies onder werkende armen laten een duidelijk verschil zien tussen bewust en onbewust nietgebruik. Bewuste redenen zijn bijvoorbeeld slechte ervaringen uit het verleden, niet goed passend aanbod en wisselende inkomsten. Onbewust niet-gebruik gaat o.a. om niet weten dat de gemeente ondersteuning kan bieden of denken dat regelingen enkel bedoeld zijn voor mensen met een bijstandsuitkering. Schaamte kwam nauwelijks als reden naar voren.

Vindplaatsen: bestaand en nieuw Flinke inspanning om relatief kleine aantallen te bereiken Elke gemeente kampt met specifieke uitdagingen als het gaat om niet-gebruik, afhankelijk van de samenstelling van de minimapopulatie en bestaande acties om deze doelgroep te bereiken. Het consortium heeft verschillende bestaande vindplaatsen in kaart gebracht en nieuwe gecreëerd om mensen met lage inkomens beter te bereiken. Het aanbod van gemeenten varieert van datakoppelingen tot werkgevers als vindplaats en activiteiten gericht op het kind om zo met gezinnen in contact te komen. Juist die laatste procenten niet-gebruik terugdringen zijn het moeilijkst. In de experimenten opgezet in het kader van dit onderzoek zagen we dat het mogelijk is om verborgen (werkende) armen te bereiken, zij het met aanzienlijke inspanning.

Hoe nu verder? Verborgen armoede zal er altijd zijn, alleen al omdat mensen er zelf voor kiezen om bewust geen gebruik te maken van regelingen waar ze recht op hebben. Toch blijft er ruimte om niet-gebruik te verkleinen. Hoe dat kan, laten we in dit magazine en de onderliggende publicaties zien. We hopen dat gemeenten en uitvoerders hier hun voordeel mee doen. Anna Custers Lector Armoede Interventies

5

inhoud Waarom dit project?

Wie zijn verborgen arm? Een analyse van verborgen armoede in Nederland

Waarom zijn mensen verborgen arm? Onbewust en bewust niet-gebruik De doelgroep aan het woord

6

Hoe bereik je mensen in verborgen armoede? Bestaande vindplaatsen Inleiding De praktijkbeschrijvingen

Data als vindplaats: de vereenvoudiging van armoederegelingen Inleiding Vereenvoudigen armoederegelingen: good practices Vindplaats energietoeslag De werkgever als vindplaats Een onderzoek door het Nibud naar de werkgever als vindplaats Sociaal Werkgeverschap Hoe kunnen gemeenten zelfstandigen beter bereiken?

Op zoek naar nieuwe manieren om mensen te bereiken De experimenten Opzet, uitvoering en implementatie van vier experimenten

Geleerde lessen

7

Waarom dit project? 8

Gemeentelijk minimabeleid Gemeenten voeren minimabeleid uit en hebben diverse voorzieningen voor inwoners met een laag inkomen (meestal rond de 110 tot 130 procent van het sociaal minimum). Per gemeente verschilt dit aanbod maar het gaat vaak om voorzieningen als kwijtschelding van lokale lasten, aanbod gericht op sociale participatie, tegemoetkoming in schoolkosten van kinderen en toeslagen voor huishoudens die langdurig (3 tot 5 jaar) van een laag inkomen moeten rondkomen (Nibud 2022).

Niet-gebruik regelingen In de afgelopen jaren is het steeds duidelijker geworden dat er burgers zijn met lage inkomens die geen gebruik maken van ondersteuning van het Rijk of van gemeenten hoewel ze daar wel recht op hebben. Het niet benutten van deze additionele inkomensbronnen leidt vaak tot niet goed kunnen rondkomen en tot betalingsachterstanden, en kan uiteindelijk leiden tot schulden (Nibud, 2019). Het niet-gebruik van regelingen en toeslagen wisselt sterk. Ter illustratie: op de individuele inkomenstoeslag (een aanvulling op een langdurig laag inkomen) wordt relatief minder aanspraak gemaakt dan op de zorg- en huurtoeslag (CPB, 2019). Ook is er onderzoek naar de achtergronden van niet-gebruik van gemeentelijke inkomensvoorzieningen. Redenen om geen gebruik te maken van regelingen varieert onder andere van een tekort aan kennis en basisvaardigheden en institutionele drempels tot geen hulp willen vragen (Huijzer et al., 2015; Tempelman et al., 2011; SAM&, 2020).

Verborgen armen Een deel van de mensen die moeten rondkomen van een laag inkomen is bekend bij gemeenten. Het gaat hier om mensen met wie gemeenten een uitkeringsrelatie hebben door middel van de participatiewetuitkering. Er zijn echter ook mensen die geen uitkeringsrelatie hebben met de gemeente maar die ook een armoede risico lopen. Het kan hier gaan om mensen die een uitkering krijgen van het UWV (WIA/Wajong) of mensen die werkend arm zijn. Deze mensen zijn voor gemeenten vaak verborgen arm. We weten nu uit onderzoek dat de grootste groep verborgen arme huishoudens vooral inkomen uit werk ontvangt (zie Hoofdstuk 2). Gemeenten gaven in aanloop naar dit project aan dat zij niet goed weten wie deze verborgen armen zijn, op welke plekken en op welke manieren deze mensen te vinden zijn en hoe gemeenten deze mensen kunnen ondersteunen.

Onderzoeks-ontwikkelproject In september 2020 is een groot consortium begonnen aan het onderzoeks- en ontwikkelproject Vindplaatsen verborgen armen: naar effectievere wegen om huishoudens met een laag inkomen te ondersteunen. Binnen dit project zijn we gezamenlijk op zoek gegaan naar antwoorden op vragen als: wie zijn verborgen armen? Welke factoren/kenmerken dragen eraan bij dat deze inwoners in armoede leven en wat maakt dat dit verborgen is voor gemeenten? Waar en hoe kunnen gemeenten met deze mensen in contact komen en hen ondersteuning bieden? 9

We hebben aan het project gewerkt tussen september 2020 en december 2024.

Voor Wat hebben we gedaan? dit magazine vindt u alle informatie en publicaties die direct gemeenten is Invoortkomen uit dit project. het belangrijk Als eerste hebben we de vraag beantwoord wie de mensen zijn die in verborgen armoede leven. In hoofdstuk 2 vindt u in de UvA de groep rapportage hierop uitgebreid antwoord. Ook hebben we nader onderzocht wat de redenen zijn dat mensen geen gebruik maken verborgen van gemeentelijke inkomensondersteuning. In hoofdstuk 3 heeft het Nibud dit beschreven in een kwalitatieve en kwantitatieve studie armen te die zij heeft uitgevoerd onder werknemers en zzp’ers met een laag inkomen. Social designbureau Ink heeft op basis van interviews pervinden, te sona’s opgesteld en dit voor een aantal doelgroepen die het meest risico lopen om in verborgen armoede te leven verder uitgewerkt. bereiken en hebben we gekeken naar de effectiviteit van bestaande ondersteunen Vervolgens beloftevolle vindplaatsen. Hiervan vindt u praktijkbeschrijvingen in hoofdstuk 4. Ook brengen we in dit hoofdstuk naar voren of en op welke manier werkgevers een vindplaats kunnen zijn om met verborgen werkende armen in contact te komen en hen toe te leiden naar gemeentelijke voorzieningen. In onze zoektocht naar nieuwe vindplaatsen hebben we op basis van de persona’s uit hoofdstuk 3 en een gekozen doelgroep samen met vijf gemeenten vier experimenten ingericht.

Over deze experimenten en hun uitkomsten leest u in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 tenslotte, brengen wij de inzichten uit het project samen in geleerde lessen.

10

Meer informatie over dit project: Doelstelling en onderzoeksvragen Definities Inhoud project en consortium

Inhoud project consortium Doelstelling Definities en en onderzoeksvragen Het project looptijd 4 jaar en bestond uit De In dit doelstelling project heeft gebruiken van een het project we de termen is gehad door verborgen devan consortiumpartners armoede enals vindplaatsen. volgt tweewordt onderzoekslijnen en twee praktijklijnen: geformuleerd: Wat hiermee bedoeld?

Praktijklijn 1 - door HvA deels implementeren en op meerwaarde Het Verborgen identificeren, armoede ontwikkelen,

Beoordeling enmogelijkheden verspreidbaar maken van bestaande vindplaatsen beoordelen Ten tijde vanvan het schrijven van het om projectvoorstel meer huishoudens kwamen waarbinnen we uit op sprake de is van verborgen volgende definitie armoede van verborgen te bereiken armoede: met materiële en immateriële vormen

Onderzoekslijn -die door UvA van Verborgen ondersteuning armen1zijn indeze strikte huishoudens zin die huishoudens uiteindelijk die in onder de gelegenheid de geldende stellen Bestandsanalyse van verborgen armen en hungebruik kenmerken hun armoedegrens materiële positie in en zo gemeente te verbeteren leven dat en die niet geen langer sprakemaken is van van armoede. een of meer aanvullende inkomensvoorzieningen. Dat betekent omgekeerd

Onderzoekslijn 2 - iet door De onderzoeksvragen dieverborgen inNibud dit project in verschillende fases van het dat een huishouden is wanneer het afhankelijk is van

Werkende armen en hun werkgevers en opdrachtgevers onderzoek centraal stonden, luiden: een P-wet-uitkering /of gebruik maakt van een van de aanvullende

Kwalitatief onderzoek werkgevers en opdrachtgevers 1. •Welke groepen burgers dieonder in armoede leven, zijn er in devalt praktijk inkomensvoorzieningen. Onder dieverborgen aanvullende inkomensvoorzieningen ook Kwantitatief werkende armen heffingen. Een en ander onderscheiden naar omvang engemeentelijke aard? de •te mogelijkheid totonderzoek kwijtschelding van

Kwalitatief werkende armen 2. •Welke institutionele, persoonsgebonden en/of andere factoren (zoals het betekent dat eenonderzoek huishouden wel vanwege een laag inkomen en/of financiële hebben van schulden enbijbeperkte basisvaardigheden) dragen eraan bij problemen bekend kan zijn de gemeente (bijvoorbeeld de uitvoering van

Praktijklijn 2 -afdeling doorinHvA deze burgers armoede leven en waarom is die situatietot niet de dat WMO of de schuldhulpverlening) maar desondanks debekend groep Opzetten, monitoren, evalueren en verspreidbaar maken vanvoor nieuwe bij gemeenten en andere relevante actoren? In hoeverre is dat verborgen armen kan behoren. vindplaatsen betrokkenen problematisch? Voor de data-analyse is uitgevoerd door de UvA, is een bredere definitie 3. Welke betekenissendie geven burgers die in verborgen armoede leven aan

Het consortium gehanteerd hun eigenomdat positiehet en niet welke mogelijk betekenis washebben om het die gebruik voor van het al aanvullende dan niet

Hetgebruik consortium uitede volgende tien gemeenten: inkomensvoorzieningen mee nemen in afbakening van de groep burgers makenbestond van aanvullende gemeentelijke inkomensvoorzieningen? Almere, Amersfoort, Amsterdam, Hoekse Waard, Lelystad, Kapelle, die in verborgen armoede leven. De definitie wordt als volgt omschreven: 4. Wat zijn vindplaatsen van burgers wier armoede verborgen is, hoe door Krimpenerwaard, Nijmegen, Schiedam endoelen Vlaardingen, twee Met burgers diezijindaar verborgen leven we contact op huishoudens wie kunnen bereiktarmoede worden, hoe ziet effectief eruit en hoe samenwerkingspartners teondersteund weten Over Rood en stichting Lezen en die geen bijstandsuitkering ontvangen van worden? de gemeente en rond moeten kunnen betrokkenen daar

Schrijven en vier kennispartners; de Universiteit van Amsterdam, komen van het wettelijk sociaal minimum (WSM). Huishoudens worden het 5. Welke rol en verantwoordelijkheid hebben werkgevers/opdrachtgevers

Nibud, Ink! en de Hogeschool van Amsterdam. Deze laatste partij was ‘bekend’ in het verondersteld vinden, bereiken bij gemeenten en ondersteunen als tenminste van mensen één persoon die in verborgen binnen penvoerder. een armoede huishouden leven? een bijstandsuitkering ontvangt. Mensen zijn in deze

6. Op welke definitie verborgen wijze kunnen voor gemeenten alle geïdentificeerde als ze bijvoorbeeld actoren een effectiever uitkering handelen van hetom UWV ontvangen(Wia/Wao/wajong of WW een ontoereikend burgers die in armoede leven beter te uitkering), vinden, teof bereiken en te inkomen ondersteunen? genereren uit werk, de werkende armen, maar geen aanvullende inkomensondersteuning vanuit de gemeente ontvangen. In een vroeg stadium is – aansluitend op de wens van de subsidiegever –

Vindplaatsen besloten om de focus te leggen op werkende armen. Dit is de groep met een Met vindplaatsen wij oparmoede. fysieke en niet-fysieke, lokale en niet lokale verhoogd risico opdoelen verborgen ‘plaatsen’ waar (werkende) armen in principe aangetroffen en dus bereikt kunnen worden. Bij fysieke, lokale vindplaatsen denken we zowel aan bestaande initiatieven om met verborgen armen in contact te komen, zoals financiële inloopspreekuren in het buurthuis, maatschappelijke spreekuren in het basisonderwijs als aan bijvoorbeeld de markt en de goedkopere supermarkt. Bij niet fysieke, niet lokale vindplaatsen doelen we op deurwaarders, boekhouders en bijvoorbeeld databestanden van ‘nieuwe’ regelingen als de TOZO en de energietoeslag.

11

Wie zijn verborgen arm? 12

Een analyse van verborgen armoede in Nederland Verborgen armoede in Nederland De UvA heeft binnen ons consortium aan de hand van microdata van het CBS onderzocht wie verborgen arm is in Nederland. Onderstaand leest u de samenvatting van de rapportage. Samenvatting rapportage Verborgen Armoede in Nederland (UvA 2023) Bevolkingsgroepen worden niet in gelijke mate getroffen door (verborgen) armoede: welke sociaaleconomische en demografische groepen lopen het meeste risico op (verborgen) armoede? En welke ontwikkelingen zijn daarin waarneembaar? Hoe heeft het aandeel huishoudens en personen met een inkomen onder verschillende armoedegrenzen (per jaar en langdurig) zich ontwikkeld tussen 2011 en 2018? En in hoeverre zijn zij verborgen voor gemeenten? In het onderzoek hebben we daarbij de focus gelegd op de beleidsmatige grens, of het sociaal minimum (101% en 120%), omdat gemeentelijk armoedebeleid veelal op het beleidsmatig of sociaal minimum geënt is. Op hoofdlijnen hebben we deze grens ook met andere armoedegrenzen vergeleken. Het beleidsmatig minimum van 101% (b)lijkt daarbij de meest ‘strikte’ opvatting van (langdurige) armoede te vormen – strikter dan de lage-inkomensgrens van het CBS en de Europese armoedegrens. Ook hebben we de focus gelegd op personen tot 65 jaar, huishoudens met een hoofdkostwinner tot 65 jaar en werkenden tussen de 15 en 65 jaar.

Basisanalyse van verborgen armoede in Nederland In 2018 heeft dan 6,9 procent van de huishoudens een inkomen op of onder het sociaal minimum van 101% (11,8 procent bij 120%). Een aandeel van 2,7 procent van de huishoudens had een inkomen op of onder het sociaal minimum van 101% én was onbekend bij gemeenten (respectievelijk 6,0 procent bij 120%). Als we de trends over de tijd bekijken tussen 2011-2018, dan valt op dat armoede de piek bereikt in 2013-2014 en daarna afneemt. Ongeacht de gekozen armoedegrens piekt verborgen armoede net iets eerder, namelijk in 2012-2013. Het langdurig armoederisico neemt in recente jaren overigens juist toe, en het langdurig verborgen armoederisico is redelijk constant. Uit de analyses naar sociaaleconomische kenmerken komt naar voren dat bijstandsontvangers het meeste risico lopen op (langdurige) armoede. Ook is dit risico gestegen voor bijstandsontvangers, maar ook voor huishoudens met uitkeringen uit overige sociale voorzieningen en arbeidsongeschiktheid. De grootste groep verborgen arme huishoudens ontvangt echter vooral inkomen uit werk.

13

Grootste groep verborgen arme huishoudens ontvangt inkomen uit werk

Gekeken naar opleiding dan is te zien dat het armoederisico relatief laag is bij huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner. Arme huishoudens met een hoogopgeleide hoofdkostwinner zijn echter wel relatief vaak verborgen. In absolute aantallen blijkt dan – opvallend genoeg - dat huishoudens met een middelbaar opgeleide hoofdkostwinner de meest omvangrijke groep verborgen armen vormen. Uit analyses naar demografische kenmerken (zoals huishoudenssamenstelling, leeftijd, migratieachtergrond) van armoede en verborgen armoede komen een aantal ‘usual suspects’ naar voren. Er komt bijvoorbeeld naar voren dat (verborgen) armoede relatief hoog is onder eenoudergezinnen met uitsluitend minderjarige kinderen en eenpersoonshuishoudens. Eenpersoonshuishoudens blijken daarbij de meest omvangrijke groep verborgen armen. Het risico op armoede blijkt het grootst voor kinderen en ouderen. Opvallend is dat tussen de 15 en 34 jaar het aandeel armen in de bevolking weliswaar relatief laag is, maar het aandeel verborgen armen in deze groep relatief groot. Als het gaat om migratieachtergrond dan valt bijvoorbeeld op dat het aandeel verborgen armen relatief groot is bij huishoudens met Oost-Europese herkomst.

Hoewel armoede relatief groot is onder huishoudens van wie de hoofdkostwinner een migratieachtergrond heeft vanuit de zogenaamde vluchtelingengroepen, zijn deze groepen in zeer geringe mate verborgen voor gemeenten. In de analyses op gemeenteniveau is te zien dat het armoederisico het hoogst is in de gemeenten Rotterdam, Groningen en Heerlen; deze drie steden maken – ongeacht de meetwijze - in de regel deel uit van de ‘top 3’. Verder komt een groot aandeel huishoudens of personen met een inkomen op of onder het beleidsmatig minimum (101% en 120%) niet alleen voor in de grote gemeenten, maar ook in kleinere gemeenten in met name het noordoosten van het land en (Zuid-)Limburg. Dit armoederisico loopt niet altijd parallel met het verborgen armoederisico. Als we het aantal verborgen armen afzetten tegen het totaal aantal armen binnen gemeenten, dan zien we dat in genoemde plaatsen als Rotterdam, Groningen en Heerlen een relatief groot deel van de armen bekend is bij de gemeente (ca. 30 procent is verborgen bij een beleidsmatig minimum van 101%). Ook armen in gemeenten in het noordoosten van het land zijn bovengemiddeld vaak bekend bij de desbetreffende gemeente. In andere plaatsen is daarentegen meer dan 70 procent van de arme huishoudens onbekend bij de gemeente.

In gemeenten waar het armoederisico relatief laag is, is soms juist een relatief groot deel verborgen (zoals bijvoorbeeld op de Waddeneilanden). Van de gemeenten waarin zich de 10 grootste steden van Nederland bevinden, lijkt vooral Utrecht een bovengemiddeld aandeel verborgen armen te hebben

14

(zowel wanneer een beleidsmatig minimum van 101% als 120% wordt gehanteerd en ongeacht het niveau van het huishouden of personen). Ook Eindhoven heeft een bovengemiddeld aandeel verborgen arme huishoudens/ personen. Tenslotte kunnen we door de koppeling van de gegevens van gemeenten over ingezetenen die gebruik maken van gemeentelijke voorzieningen voor armen vaststellen welk deel van de armen (ook) niet bekend is bij gemeenten en dus in striktere zin ‘verborgen’ is; strikter dan enkel door middel van enkel CBS gegevens kan worden vastgesteld. Uit de analyses onder deelnemende gemeenten komt naar voren dat armoederegelingen en kwijtschelding niet alleen huishoudens bereiken die al bekend zijn bij gemeenten, maar ook verborgen huishoudens. Armoederegelingen en kwijtschelding lijken vooral terecht te komen bij arme huishoudens die al een (andere) vorm van overdrachtsinkomen ontvangen. We zien dat de grootste groep verborgen arme huishoudens vooral inkomen uit werk ontvangt. Ook zien we dat de correctie voor gemeentelijke armoederegelingen en kwijtschelding dit beeld nog verder onderstreept; dergelijke regelingen komen vooral terecht bij huishoudens met een vorm van overdrachtsinkomen, en (dus) niet bij huishoudens met inkomen uit betaald werk.

25,90%

29,50%

19,60%

13,30%

11,80%

Inkomen uit werk in loondienst

Inkomen uit werk als zelfstandige

Uitkering ziekte/arbeidsongeschiktheid

Uitkering overige sociale voorzieningen

Overig

Figuur 1. Kenmerken verborgen armoede (beleidsmatig minimum 101%)

15

De arbeidsmarktpositie van verborgen armen Van de werkende bevolking maakte in 2018 1,5 procent (110 duizend personen) deel uit van een huishouden met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%). Wanneer een sociaal minimum van 120% wordt aangehouden, dan is te zien dat in 2018 2,7 procent van alle werkenden tot 65 jaar deel uitmaakte van een huishouden met een inkomen onder het sociaal minimum. De analyses over de tijd voor de periode 2011-2018 tonen dat het (verborgen) armoederisico onder werkenden een piek bereikt in 2012-2013. Ook zien we dat, ongeacht de gehanteerde armoedegrens, een groot deel van de arme werkenden (84-90 procent) verborgen is voor gemeenten.

Zelfstandigen en werkenden met een vast contact zijn relatief vaker Uit de analyses naar arbeidsmarktpositie komt naar voren dat het armoederisico en verborgen armoede risico relatief hoog is onder verborgen, zelfstandigen (met name zelfstandigen zonder personeel); dit geldt ook voor langdurig (verborgen) armoede. De analyses voor de perials ze een ode 2011-2018 tonen dat het aandeel verborgen armen onder werknemers is gedaald gedurende deze periode, maar onverminderd laag inkomen hoog blijft onder zelfstandigen. Verder komt uit de analyses naar voren dat er sprake is van een grote diversiteit binnen de groep hebben werknemers en dat het (verborgen) armoederisico bijvoorbeeld relatief hoog is onder werknemers met tijdelijke contracten (tot een jaar) met vaste uren en werknemers met tijdelijke contracten en zonder vaste uren. Opvallend is dat het aandeel verborgen armen

98%

87%

73%

65%

59%

56%

54%

52%

49%

Zmp

Onbepaalde tijd/ geen vaste uren

Tijdelijk/ geen vaste uren

Zzp

Oproep-/invalkracht

Tijdelijk, < 1jaar/ vaste uren

Onbepaalde tijd/ vaste uren

Uitzendkracht

Tijdelijk, uitzicht op vast/ vaste uren Tijdelijk, >= 1 jaar/ vaste uren

Figuur 2. Aandeel verborgen armen (beleidsmatig minimum 101%) 16

41%

De meeste arme huishoudens zijn meestal of bekend, of onbekend in alle jaren dat ze arm zijn

binnen de groep armen juist relatief hoog is onder werknemers met een vast contract. Met andere woorden: werknemers met een vast contract hebben een relatief klein risico op armoede, maar als ze arm zijn, zijn ze wel vaak verborgen voor gemeenten. In absolute aantallen blijken werknemers met een vast contract overigens na de zzp’ers ook de meest omvangrijke groep verborgen armen. Ook is het (verborgen) armoederisico relatief hoog onder werkenden die meerdere banen combineren. Analyses onder werkende armen laat verder zien dat het armoederisico en het verborgen armoederisico relatief hoog is onder werkenden in de sectoren ‘Horeca’ en ‘Cultuur, recreatie en overige dienstverlening’. Dit geldt voor zowel werknemers als zelfstandigen. Onder zelfstandigen is ook het aandeel (verborgen) armen in de sectoren ‘handel en vervoer’, ‘onderwijs’, en ‘landbouw, bosbouw en visserij’ relatief hoog. Wanneer gekeken wordt naar de aantallen verborgen armen binnen de verschillende sectoren, dan verdient het aanbeveling om de aandacht ook te richten op sectoren als ‘Handel en vervoer’ en ‘Financiële en zakelijke dienstverlening’, omdat binnen deze sectoren in absolute zin veel verborgen armen voorkomen; zeker onder zelfstandigen maar ook onder werknemers.

Stabiliteit en dynamiek in verborgen armoede Als we kijken naar de dynamiek in armoede, dan zien we dat huishoudens vaak meerdere jaren onder de armoedegrens leven. Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) in 2014 had 35 procent in alle opeenvolgende jaren, dat wil zeggen tot en met 2018, een inkomen onder deze armoedegrens. Wanneer een beleidsmatig minimum van 120% wordt gehanteerd, had zelfs 52 procent van alle arme huishoudens vijf opeenvolgende jaren een inkomen onder de armoedegrens. Verder had 44 procent van de huishoudens binnen vijf jaar soms wel, en soms niet (namelijk 2 tot 4 van de 5 jaar), een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%). De meeste arme huishoudens zijn meestal óf bekend, óf onbekend in alle jaren dat ze arm zijn. Arme huishoudens hebben daarbij meestal voornamelijk inkomen uit overdrachtsinkomens in alle jaren, maar verborgen arme huishoudens hebben juist vaker inkomen uit betaald werk in één of meerdere jaren.

17

Wanneer we huishoudens selecteren met een inkomen onder de armoedegrens in 2014 en met voornamelijk inkomen uit betaald werk in tenminste één van de vijf jaar, dan zie we dat 71 procent van deze huishoudens alle jaren voornamelijk inkomen uit betaald werk heeft. Wanneer we hoofdkostwinners selecteren met voornamelijk betaald werk in 2014, dan heeft zelfs 78 procent alle jaren voornamelijk inkomen uit betaald werk. Arme huishoudens met inkomen uit betaald werk zijn echter doorgaans niet alle jaren arm. Wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 101%, dan is te zien dat 11 procent in alle jaren arm is. Opvallend is dat de verdeling wel behoorlijk schuift wanneer wordt uitgegaan van een beleidsmatig minimum van 120%. Daarmee stijgt het aandeel dat in alle jaren arm is naar 20 procent. Met andere woorden: arme huishoudens met voornamelijk inkomen uit betaald werk lijken soms net boven de strikte armoedegrens van 101% te komen, maar zijn volgens het criteria van 120% nog wel arm. Arme huishoudens met inkomen uit betaald werk die verborgen zijn, zijn dat meestal wel in alle jaren dat zij arm zijn. Van de huishoudens met een inkomen op of onder het sociaal minimum (101%) met betaald werk in tenminste één van de jaren was 74 procent in alle jaren dat zij arm waren, onbekend bij gemeenten.

Wanneer wordt uitgegaan van arme huishoudens met betaald werk in 2014, dan was een (nog) groter aandeel onbekend bij de gemeente, namelijk 82 procent.

Tot besluit De urgentie van het in beeld krijgen van verborgen armoede in Nederland lijkt tegen de achtergrond van de huidige oplopende inflatie en opkomst van het fenomeen ‘energiearmoede’ in de afgelopen periode alleen maar toegenomen. Hoewel de analyses in deze studie betrekking hebben op de voorgaande periode (tussen 2011 en 2018), kan het inzicht bieden in potentiële doelgroepen die in de regel, of in toenemende mate, relatief moeilijk door gemeenten bereikt worden. Gemeenten kunnen door de coronacrisis (TOZO) en de energietoeslag tussen 2018-2023 nieuwe groepen hebben bereikt die in 2018 nog verborgen waren. Wieteke Conen

Verborgen armoede in Nederland

Een kwantitatief onderzoek naar de omvang, kenmerken, locaties en dynamiek van verborgen armen

AIAS-HSI Working Paper Series

WP 1 1 - F e b r 2 0 2 3

Download publicatie

18

Waarom zijn mensen verborgen arm? 19

Onbewust en bewust niet-gebruik Om inzicht te krijgen in waarom werkende armen geen gebruik maken van minimaregelingen heeft het Nibud twee studies uitgevoerd onder zowel werkenden in loondienst als onder zzp’ers. Het betrof een kwantitatieve studie waarbij een enquête is uitgezet die door 1507 werkende armen is ingevuld. Daarnaast zijn 28 werkende armen geïnterviewd in een kwalitatieve studie.

Niet-gebruik regelingen

Werkenden denken dat minimaregelingen alleen bedoeld zijn voor mensen met een bijstandsuitkering

20

• 5% van de respondenten geeft aan gebruik te maken van de gemeentelijke vergoedingen tegenover 55% die aangeeft gebruik te maken van de landelijke toeslagen • Hiervan meent 56% te weten geen recht te hebben en 31% geeft aan niet te weten of er recht is • 20% van de respondenten geeft aan geen geld te willen van de gemeente. Voor de landelijke toeslagen geeft 12% dit aan. Als we kijken naar redenen van niet-gebruik, maakt het Nibud onderscheid tussen onbewust en bewust niet gebruik.

Onbewust niet-gebruik • Mensen weten niet dat de gemeente ondersteuning kan bieden • Mensen denken dat de regelingen alleen bedoeld zijn voor mensen met een bijstandsuitkering of een inkomen op bijstandsniveau • Mensen hebben eerder iets aangevraagd, niet gekregen, en denken nergens meer voor in aanmerking te komen (bijv kwijtschelding van lokale lasten)

Bewust niet-gebruik

Verborgen armoede op de werkvloer Kwalitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers

Corinne van Gaalen, Julia Delhaas, Cora van Horssen

Download Interviewstudie onder werknemers

Mensen geven aan te weten dat er regelingen zijn en te weten dat zij er recht op hebben maar vragen deze om de volgende redenen toch niet aan: • Slechte ervaringen uit het verleden (bejegening) • Angst om terug te moeten betalen • Wisselende inkomsten: inkomen lastig in te schatten • Het is veiliger om bij vrienden of familie aan te kloppen • We redden het zelf nog wel, anderen hebben het zwaarder • Gemeentelijke regelingen sluiten niet aan bij wat wij nodig hebben (geen behoefte aan regelingen voor sport en cultuur, liever breder inzetbare inkomensondersteuning) • Regelingen vaak gericht op (huishoudens met) kinderen • Overzicht ontbreekt/ aanvraagprocedure is lastig Aan gemeenten worden de volgende aanbevelingen gedaan: 1. stem je communicatie beter af op de leefwereld van werkenden 2. sluit je aanbod beter aan op de behoeften van werkenden 3. bied meer mogelijkheden voor inwoners met wisselende inkomsten 4. bied een helder overzicht gecombineerd met een eenvoudige aanvraagprocedure en 5. verbeter het imago van de gemeente.

Verborgen armoede op de werkvloer Kwantitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers

Corinne van Gaalen, Julia Delhaas, Cora van Horssen

Download Survey onder werknemers

21

Hoe bereik je als gemeente verborgen armen om passende inkomensondersteuning te bieden? 22

De doelgroep aan het woord We zien bij de analyse van verborgen armoede in Nederland dat er diverse doelgroepen zijn die een hoger risico lopen op (langdurige) verborgen armoede. Met deze kennis hebben we samen met de gemeenten uit het consortium een keuze gemaakt over welke groepen we nader wilden onderzoeken. Die keuze was mede gebaseerd op de bevinding vanuit de gemeenten dat zij zich (nog) niet specifiek op deze doelgroepen richten of dat dit doelgroepen zijn die ze moeilijk kunnen vinden en bereiken met passende inkomensondersteuning. De groepen zijn: • Eenpersoonshuishoudens; • Werkende jongvolwassenen, zowel in loondienst als zelfstandig; • Oudere zzp’ers en zmp’ers (tussen 55 en 68 jaar)

Diverse doelgroepen Vervolgens hebben we samen met ontwerpers van social lopen een designbureau (Ink) 29 diepte-interviews afgenomen met mensen uit deze doelgroepen om inzicht te krijgen in waar zij zoal te hoger risico op vinden zijn, hoe gemeenten hen kunnen ontmoeten en hoe zij aangesproken kunnen worden met passend aanbod. (langdurige) Op basis van deze interviews hebben ontwerpers vier persona’s verborgen opgesteld. Deze persona’s vertegenwoordigen specifieke type burgers die in verborgen armoede leven en geven inzicht in hun armoede pijnpunten en behoeften: 1. De trotse overwinnaar 2. De vrije pionier 3. De optimistische doorzetter 4. De rebelse overlever De persona’s 1 t/m 3 hebben de basis gevormd voor het opzetten van vier experimenten in de consortiumgemeenten die zich daarvoor hebben opgegeven: Almere/Lelystad, Amsterdam, Krimpenerwaard en Nijmegen. Zie daarvoor hoofdstuk 5 Op zoek naar nieuwe manieren om mensen te bereiken.

23

‘In deze onzekere tijden kan iedereen wel een meevaller gebruiken!’

Eenpersoonshuishoudens

De trotse overwinnaar Wat is mijn pijnpunt?

Hoe wil ik graag aangesproken worden?

Het niet kunnen meedoen met sociale activiteiten, en in toenemende mate ook het opvangen van concrete financiële tegenvallers. Ik wil niet aangesproken worden als arm persoon of in de trant van ‘heb je het moeilijk?’, want ik haal mijn trots uit mezelf op slimme wijze te kunnen redden.

Voor mij werkt een boodschap zoals: ‘In deze onzekere tijden kan iedereen wel een meevaller gebruiken!’

Meer weten over waar de trotse overwinnaar is te vinden en hoe deze aan te spreken? 24

Klik hier

‘Ken jij ook meer soorten plantaardige melk dan financiële tegemoetkomingen?’

Werkende jongvolwassenen

De vrije pionier Wat is mijn pijnpunt?

Hoe wil ik graag aangesproken worden?

Ik heb een onzeker inkomen en weinig inzicht in tegemoetkomingen die er voor mij zijn. Ook heb ik behoefte aan duidelijke voorwaarden. Ik ben heel digitaal vaardig, maar ik haak ook snel af als het niet meteen duidelijk is wat en hoe, dan probeer ik het vaak ook niet nog een keer. Ik ben veel onderweg (met het OV, of de auto) en ik ben vaak online.

Ik wil graag aangesproken worden vanuit duidelijkheid en vrijheid. Bijv: ‘Als zzp’er krijg ik een deel van de gemeentelijke belastingen terug. Jij ook?’ en met humor: ‘Ken jij meer soorten plantaardige melk dan financiële tegemoetkomingen?’

Meer weten over waar de vrije pionier is te vinden en hoe deze aan te spreken?

Klik hier 25

‘Ik wil dat de gemeente heel duidelijk de kleine lettertjes aan mij communiceert. ’

zzp’ers/zmp’ers 55-68: subgroep 1

De optimistische doorzetter Wat is mijn pijnpunt? Ik heb al wel wat ervaring met ondersteuning, maar ik ben inmiddels ook gestopt met proberen omdat ik vaak heb misgegrepen. Ik bel liever dan dat ik alles online regel. Ik heb veel zorgen over mijn pensioen en ik kan weinig mee doen met sociale en culturele activiteiten, wat ik wel graag zou willen. Ik heb ook zorgen over de

kleine lettertjes; dat aan tegemoetkomingen ook financiële risico’s zitten.

Hoe wil ik graag aangesproken worden? Ik wil dat de gemeente heel duidelijk de kleine lettertjes aan mij communiceert. Ook zou het voor mij fijn zijn als het aanbod via bijvoorbeeld de Stadspas wordt vergroot zodat ik erop uit kan.

Meer weten over waar de optimistische doorzetter is te vinden en hoe deze te bereiken? 26

Klik hier

‘Ik voel me niet op mijn plek in het systeem en wil eigenlijk geen tegemoetkomingen meer aanvragen.’

zzp’ers/zmp’ers 55-68: subgroep 2

De rebelse overlever Deze mensen voelen zich niet op hun plek in het systeem en willen eigenlijk geen tegemoetkomingen meer aanvragen en niet in die zin te maken hebben met de overheid. Ze willen liever niet gevonden worden.

Meer weten over waar de rebelse overlever is te vinden en hoe deze te bereiken?

Klik hier 27

Hoe bereik je mensen in verborgen armoede? 28

Bestaande vindplaatsen Inleiding Vier kansrijke praktijken om mensen in verborgen armoede te vinden, bereiken en ondersteunen Een van de doelen van het project was om gemeenten te ondersteunen bij het vinden, bereiken en ondersteunen van deze mensen die in verborgen armoede leven. We hebben samen met de gemeentelijke consortiumleden actief gezocht naar bestaande initiatieven die zich ofwel richten op mensen die in armoede leven en waarschijnlijk nog onbekend zijn bij de gemeente of waarvan eerste aanwijzingen waren dat het een initiatief betreft dat een goede vindplaats is voor een groep verborgen armen. We hebben zes initiatieven onder de loep genomen. Daarbij hebben we de werkwijze in kaart gebracht en hebben we een eerste zicht gekregen of de doelgroep voornamelijk mensen waren met een participatiewet- uitkering (bekend bij de gemeente) of dat de doelgroep (ook) bestond uit mensen die geen uitkeringsrelatie hebben met de gemeente bijvoorbeeld omdat zij werkend arm zijn. Van de zes initiatieven vielen er twee af omdat de doelgroep bestond uit mensen met een participatiewet-uitkering en dus geen goede vindplaats bleken te zijn voor mensen die in verborgen armoede leven. De overige vier praktijken hebben we als beloftevol geselecteerd en hebben we nader onderzocht omdat zij kunnen fungeren als sleutel tot het bereiken van burgers die nog niet in beeld zijn bij de gemeente.

Als resultaat presenteren we vier praktijkbeschrijvingen.

De praktijkbeschrijvingen De gemeenten en projecten delen graag hun kennis en ervaringen. De praktijkbeschrijvingen zijn bedoeld om andere gemeenten te helpen vergelijkbare initiatieven te starten, die burgers effectief bereiken en begeleiden naar minimavoorzieningen, zonder het wiel opnieuw uit te vinden. Van de bestaande praktijken beschrijven we de werkwijze en hoe deze initiatieven erin slagen om mensen in verborgen armoede te identificeren, te bereiken en te ondersteunen. Bovendien bieden we inzicht in hoe deze praktijken kunnen worden geïmplementeerd in andere gemeenten.

29

De vier praktijkbeschrijvingen Geldcheck033 in gemeente Amersfoort Praktijkbeschrijving Geldcheck033 in Amersfoort

Geldcheck033

Een online tool dat mensen helpt om hun financiële situatie te controleren en toegang te krijgen tot beschikbare ondersteuningsmaatregelen. Geldcheck speelt in op een versimpeling van het aanvragen van armoederegelingen namelijk door deze laagdrempelig en op één plaats aan te bieden waarbij men indien mogelijk direct een aanvraag krijgt toegekend.

Lectoraat Armoede Interventies, Kenniscentrum Maatschappij en Recht (KMR), 2022-2023

Download publicatie

Het Zelfstandigenloket Flevoland in gemeente Almere/Lelystad Aanpak Flevoland ter ondersteuning voor het vinden van ondernemers die verborgen arm zijn

Zelfstandigenloket Flevoland

Een loket dat zelfstandigen ondersteunt bij financiële uitdagingen en begeleiding en advies geeft. Gemeenten in Flevoland bieden ondersteuning aan zelfstandigen in hun regio door middel van het Zelfstandigenloket Flevoland (ZLF). Als éénloketsysteem biedt het ZLF financiële hulp, begeleiding, en advies aan (startende) ondernemers in de regio.

Lectoraat Armoede Interventies, Kenniscentrum Maatschappij en Recht (KMR). 2022 – 2023

Download publicatie

30

Als ik later groot ben in gemeente Almere Praktijkbeschrijving Almeerse aanpak

‘Als ik later groot ben’

Een programma gericht op kinderen in armoedesituaties om te helpen hun dromen waar te maken en toekomstperspectieven te verbeteren. In 2017 opgericht en gesteund door de gemeente Almere, heeft ‘Als ik later groot ben’ als missie om kinderen en gezinnen in armoede op een positieve manier te bereiken en te ondersteunen, met als uiteindelijk doel armoede in de stad te bestrijden.

Lectoraat Armoede Interventies, Kenniscentrum Maatschappij en Recht (KMR). 2022 – 2023

Download publicatie

Datakoppeling in gemeente Amsterdam Praktijkbeschrijving Amsterdamse aanpak

Datakoppeling

Datakoppeling van bestanden waardoor kan worden nagegaan of Amsterdammers al gebruik maken van de regelingen waar zij recht op hebben. Op basis van interne datakoppeling worden Amsterdammmers in een persoonlijke brief gewezen op de regelingen waar zij (mogelijk) recht op hebben. Waar mogelijk worden de regelingen automatisch toegekend.

Lectoraat Armoede Interventies, Kenniscentrum Maatschappij en Recht (KMR), 2022-2023

Download publicatie

31

Data als vindplaats: de vereenvoudiging van armoederegelingen Inleiding

Amsterdammers worden in een persoonlijke brief gewezen op de regelingen waar zij recht op hebben

Lees hier meer over de praktijkbeschrijving van Datakoppeling

32

Gemeenten hebben geen toegang tot de inkomensgegevens van al hun inwoners. Dit is bedoeld om ieders privacy te beschermen. Het nadeel is dat gemeenten daardoor ook niet zomaar alle rechthebbenden van de armoederegelingen kunnen benaderen, want daar hebben ze dus geen volledig beeld van. Bovendien moeten ze zelfs aan de mensen die ze wel in beeld hebben vaak een aanvraagformulier sturen dat diegene alsnog zelf moet invullen en terugsturen, in plaats van dat ze die automatisch kunnen toekennen. De Participatiewet, waar veel armoederegelingen op gebaseerd zijn, vereist namelijk een actieve aanvraag op initiatief van de burger. Als het doel is om zo veel mogelijk mensen te bereiken met de regelingen waar zij recht op hebben, zijn de bovenstaande factoren belemmeringen. Er lopen verschillende initiatieven om die belemmeringen te overwinnen.

Vereenvoudigen armoederegelingen: good practices Datakoppeling gemeente Amsterdam Zoals beschreven heeft de gemeente Amsterdam een werkwijze met interne datakoppelingen om een bestand op te bouwen van rechthebbenden die wél in beeld zijn. Zo kan de gemeente in ieder geval zien of iemand al gebruikmaakt van één of meerdere regelingen, maar nog niet van alle. Amsterdammers worden vervolgens in een persoonlijke brief gewezen op de regelingen waar zij (waarschijnlijk) ook recht op hebben. Als dat mogelijk is, wordt er een al zo veel mogelijk vooringevuld aanvraagformulier meegestuurd, of krijgen zij zelfs een ambtshalve toekenning zonder dat zij daar zelf iets voor hoeven te doen. Dat laatste kan bijvoorbeeld met de Stadspas, omdat die niet op de Participatiewet is gebaseerd maar op de Gemeentewet. Ook als een regeling in een volgend jaar opnieuw moet worden aangevraagd, regelt de gemeente dat zoveel mogelijk geautomatiseerd wordt voor de rechthebbenden die al bekend zijn.

Wens voor de toekomst: benutten gegevens externe instanties zoals UWV, SVB en Belastingdienst Andere instanties hebben via de regelingen die zij verstrekken ook weer een (gedeeltelijk) beeld van mensen die een laag inkomen hebben. Bijvoorbeeld het UWV, de SVB en de Belastingdienst. Als een vergelijking met de bestanden van deze instanties wettelijk mogelijk wordt gemaakt, kunnen de rechthebbenden die iedere instantie afzonderlijk in beeld heeft bij elkaar worden gevoegd zodat een completer beeld ontstaat van de gehele doelgroep. Zo veel mogelijk mensen van wie al ergens bekend is dat zij (waarschijnlijk) recht hebben op inkomensondersteuning kunnen dan persoonlijk benaderd worden met gerichte informatie daarover. Zo kan deze interventie bijdragen aan het bereiken van mensen in verborgen armoede.

Andere ontwikkelingen die hiermee samenhangen Vereenvoudiging armoederegelingen Er zijn nu erg veel verschillende landelijke en lokale armoederegelingen die vaak ook allemaal weer net iets andere inkomensgrenzen, aanvraagtermijnen en extra voorwaarden kennen. Dit is een belemmering waardoor verschillende bestanden in de praktijk helaas niet 1-op-1 met elkaar vergeleken kunnen worden. Laat staan te worden samengevoegd om alle rechthebbenden te benaderen. Of om een overzichtelijk portal of check te maken die de toegang kan zijn voor alle regelingen tegelijk. Een vereenvoudiging van dit stelsel van armoederegelingen zou het koppelen van data gemakkelijker maken én tegelijkertijd mogelijk zelfs ook weer deels overbodig kunnen maken.

33

Ontwikkeling digital twin Het lectoraat Legal Management & Technology van de HvA werkt samen met het Lectoraat Armoede Interventies en de gemeenten Amsterdam, Utrecht en Amersfoort om via de methode Wetsanalyse de (digitale) uitvoering en proactieve dienstverlening te verbeteren. De Wetsanalyse-methode werkt vanuit een goed gedocumenteerde analyse toe naar gedetailleerde specificaties voor (digitale) uitvoering, in de vorm van gespecificeerde beslisregels en een gegevensmodel. Hierdoor ontstaat een gedocumenteerde verbinding tussen de specificaties voor de uitvoering en de onderliggende regelgeving – iets wat er momenteel niet is. Met het project wordt geanticipeerd op dat de mogelijkheid om met andere overheidsorganisaties gegevens te delen de komende jaren wordt verruimd. Bij dit toekomstplan hoort ook het verkennen van het ontwikkelen van een digital twin van sociale regelingen, waarmee simulaties (bijv op het gebied van regelgeving) mogelijk zouden worden.

Gemeenten zagen bij de energietoeslag een (veel) Nieuwe regeling als vindplaats: hoger bereik de energietoeslag dan bij andere In de herfst van 2022 stegen plotseling de energieprijzen, als direct gevolg van de inval van Rusland in Oekraïne. Om mensen met een minimalaag inkomen te helpen bij het betalen van hun energierekening riep het Rijk de energietoeslag in het leven. Gemeenten kregen de regelingen opdracht om deze regeling uit te voeren. Op deze manier kwamen mensen in beeld die eerder nog niet bij hen bekend waren, en dus in verborgen armoede leefden. Zo werd de energietoeslag een vindplaats.

Hoog bereik energietoeslag Gemeenten zagen bij de energietoeslag een (veel) hoger bereik dan bij andere minimaregelingen1. Zij vermoedden dat dat onder andere te maken heeft met:​ • Dat er landelijk veel aandacht voor is geweest, ook in de media;​ • Dat de gestegen energieprijzen meer worden gezien als een externe omstandigheid die iedereen kan overkomen, waardoor er minder taboe rust op de energietoeslag dan normaliter op armoederegelingen;​

1

34

Bron: belronde van HvA-onderzoekers onder 16 gemeenten binnen en buiten het consortium

• Dat het een substantieel geldbedrag is dat de aanvrager direct op de eigen rekening krijgt in plaats van bijvoorbeeld een meer indirecte vergoeding via korting op activiteiten of aankopen, zoals vaak bij andere minimaregelingen. Het ging, afhankelijk van de gemeente en het moment, om €500, €800 of €1.300; • Dat er in vergelijking met andere minimaregelingen weinig voorwaarden aan verbonden waren, bijvoorbeeld geen vermogensgrens.​

Amsterdamse energietoeslag-campagne Lees hier meer over het experiment van de Amsterdamse energietoeslag-campagne

De gemeente Amsterdam ontwikkelde in het kader van dit project ‘Vindplaatsen verborgen armoede’ een energietoeslag-campagne waarbij men ook werd geïnformeerd over de Amsterdamse Stadspas.

Nieuwe doelgroepen Via de energietoeslag kwamen mensen bij gemeenten in beeld die anders in verborgen armoede zouden leven. Gemeenten vermoedden dat het onder andere ging om:​ • Werkenden met een laag inkomen uit loondienst;​ • AOW-gerechtigden met een klein pensioen.​ Bepaalde andere groepen die altijd al meer risico liepen om verborgen te blijven, bleven dat deels nu nog steeds:​ • Anderstaligen of laaggeletterden, met name degenen die weinig netwerk hebben en de (media)aandacht niet hebben meegekregen;​ • ZZP’ers met wisselende inkomsten die er niet zeker van zijn dat ze uiteindelijk qua inkomen wel recht hebben.​

35

Praktische belemmeringen in de uitvoering Hoewel er via de energietoeslag een kans lag om met verborgen rechthebbenden in contact te komen voor andere armoederegelingen, lukte het gemeenten niet altijd om die kans ook te pakken. Dit had onder andere te maken met:​ • Gemeenten kregen plotseling te horen dat ze de energietoeslag moesten gaan uitvoeren en kregen in korte tijd veel aanvragen binnen, waar veel capaciteit naartoe ging. Soms ook in een apart team los van de afdeling van de minimaregelingen. Er was niet veel tijd om de werkprocessen ook nog zo in te richten dat die aanvragen voor de energietoeslag later bruikbaar waren als vindplaats;​ • De voorwaarden voor de energietoeslag konden anders zijn dan voor de andere minimaregelingen, bijvoorbeeld qua percentage van het sociaal minimum of qua vermogensgrens. Rechthebbenden van de energietoeslag hadden dus niet ook automatisch ook recht op andere regelingen.

36

De werkgever als vindplaats Een onderzoek door het Nibud naar de werkgever als vindplaats In het onderzoek van de UvA zien we dat de grootste groep verborgen arme huishoudens vooral inkomen uit werk ontvangt. Daarbij zagen we ook dat het (langdurig) verborgen armoederisico relatief hoog is onder zelfstandigen; dit geldt in het bijzonder voor startende zelfstandigen (25-34 jaar) en ouderen voorafgaand aan de pensioenleeftijd (60-64 jaar).

Werkgevers blijken over het algemeen niet (goed) op de hoogte van inkomensondersteuning, maar willen werknemers hier zeker op wijzen

Het achterliggende doel van de Nibud studies was om na te gaan of, en zo ja in welke mate werkgevers een goede ingang zijn om werkenden die in verborgen armoede leven te bereiken. Hieronder beschrijven we kort de deelonderzoeken en de belangrijkste bevindingen.

1. K  walitatief onderzoek onder werkgevers en opdrachtgevers: Dit onderzoek geeft inzicht in de rol en verantwoordelijkheid die werkgevers en opdrachtgevers voor zichzelf zien ten opzichte van medewerkers die te maken hebben met verborgen armoede. Er zijn twintig interviews gehouden met werkgevers, arbeidsmarktintermediairs en opdrachtgevers.

In het kort Werkgevers blijken over het algemeen niet (goed) op de hoogte van inkomensondersteuning maar willen, eenmaal op de hoogte, hun medewerkers daar zeker op wijzen. Een deel doet dat het liefst algemeen en een ander deel juist gericht per werknemer. Bij de gemeente wensen werkgevers één vast loket of vaste contactpersoon.

37

2. Kwantitatief onderzoek onder werkende armen

76 procent gaf aan geen contact te hebben met de werkgever bij financiele zorgen

Deze rapportage beschrijft de resultaten van een kwantitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers met een inkomen tot 2.000 euro naar verborgen armoede op de werkvloer. 1.507 respondenten hebben voor dit onderzoek een vragenlijst ingevuld. De meerderheid (76%) gaf aan geen contact te hebben met de werkgever bij financiële zorgen. Als men wel hulp ontvangt dan is dat in de vorm van meer uren werk of een voorschot op het vakantiegeld.

3. Kwalitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers Dit onderzoek geeft inzicht in verborgen armoede onder werkenden. Voor dit kwalitatieve onderzoek zijn 28 werknemers en zzp’ers gevraagd naar hun financiële situatie, de bekendheid en het gebruik van inkomensondersteunende regelingen en de rol die zij weggelegd zien voor hun werkgever of opdrachtgever. Uit deze studie komt naar voren dat de meeste geïnterviewden geen rol zien weggelegd voor de werkgever in tijden dat het financieel wat moeilijker gaat. Mensen geven aan hun geldzaken graag privé te houden. Vooral zzp’ers vinden het niet professioneel om met financiële problemen bij hun opdrachtgever aan te kloppen. Als mensen al bij hun werkgever/ opdrachtgever aankloppen, dan vragen zij meestal om meer uren werk of meer opdrachten.

Verborgen armoede op de werkvloer

Verborgen armoede op de werkvloer

Verborgen armoede op de werkvloer

Kwalitatief onderzoek onder werkgevers en opdrachtgevers

Kwantitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers

Kwalitatief onderzoek onder werknemers en zzp’ers

Corinne van Gaalen, Julia Delhaas

Corinne van Gaalen, Julia Delhaas, Cora van Horssen

Corinne van Gaalen, Julia Delhaas, Cora van Horssen

Download Survey onder werknemers en opdrachtgevers

38

Download Survey onder werknemers

Download Interviewstudie onder werknemers

Sociaal Werkgeverschap Case study

Sociaal Werkgeverschap

Lectoraat Armoede Interventies, Kenniscentrum Maatschappij en Recht, 2024

Download publicatie

Werkgevers kunnen met wat hulp van de gemeente op individueel niveau een groot verschil maken

Samenvatting case study Sociaal Werkgeverschap Het consortium identificeerde werkgevers als een mogelijke vindplaats voor verborgen armen, mede naar aanleiding van het onderzoek dat de Universiteit van Amsterdam en het Nibud in dit verband deden. In deze case study bouwen we voort op de voorgenoemde onderzoeken door via de aanpak Sociaal Werkgeverschap van consortiumlid de gemeente Amsterdam te kijken hoe een aantal werkgevers in de praktijk hun werknemers nu ondersteunen bij geldzorgen, hoe de gemeente hen daar nog beter in kan faciliteren en in hoeverre dit soort ondersteuning van werkgevers kan leiden tot een hoger gebruik van (minima) regelingen en dus het tegengaan van verborgen armoede. Hieruit blijkt dat werkgevers met wat hulp van de gemeente op individueel niveau op een cruciaal moment zeker een groot verschil kunnen maken in het leven van een werknemer met geldzorgen. Ook kunnen werkgevers een vindplaats zijn voor werkenden die in verborgen armoede leven en soms nog helemaal niet in contact zijn met de hulpstructuur in de stad, zeker als ‘verborgen armoede’ wat breder wordt opgevat dan alleen als ondergebruik van minimaregelingen. Want hoewel de inzet van werkgevers in sommige gevallen wel leidt tot meer voorzieningengebruik, blijken werknemers niet altijd tot de rechthebbenden van de regelingen te behoren.

Toch zaten zij in financiële nood en zijn zij geholpen met de betalingsregelingen, budgettips, brieven- en formulierenhulp, taallessen en doorverwijzingen naar buurtteams en schuldhulpverlening die zij nodig hadden. Wat er nodig is om deze hulp goed te kunnen bieden kan behoorlijk verschillen per werkgever, bijvoorbeeld afhankelijk van de aard van het werk en de cultuur, grootte en inrichting van de organisatie. Gemeenten die met werkgevers willen samenwerken op het gebied van geld- (en taal-)ondersteuning voor hun werknemers of zo’n samenwerking verder willen uitbreiden kunnen er dus goed aan doen om maatwerk te leveren: met werkgevers persoonlijk in gesprek te gaan over wat er allemaal mogelijk is qua ondersteuning vanuit de gemeente, wat wel en niet past bij die specifieke werkgever en daar af en toe contact over te blijven houden.

39

Hoe kunnen gemeenten zelfstandigen beter bereiken? De groep zelfstandigen loopt een verhoogd risico op verborgen armoede. Het aanbod van gemeenten sluit onvoldoende aan bij de ondersteuningsvraag van zelfstandigen. Hieronder enkele aanbevelingen van domeinexperts op het gebied van ondernemerschap1. Welke uitdagingen zien deze experts en, belangrijker, welke mogelijke kansen formuleren zij om de mismatch tussen aanbod en ondersteuningsvraag te beslechten?

Uitdaging Onbekendheid én ontoereikend aanbod voor ondernemers Hoewel er de afgelopen jaren bij gemeenten ontwikkelingen zijn op het gebied van minima-aanbod gericht op ondernemers, met name de Bbz-uitkering, valt op dat het aanbod nog weinig bekend is bij ondernemers. Zij vrezen toch vaak dat aankloppen bij de gemeente betekent dat zij hun bedrijf moeten stoppen. Daarbij kent de Bbz-uitkering complexe voorwaarden, komt niet elke ondernemer hiervoor in aanmerking, en kent deze uitkering geen geoormerkt budget waardoor er nog steeds (kleinere) gemeenten zijn die deze vorm van ondersteuning niet aanbieden. Ook hebben ondernemers behoefte aan aanbod dat (nog) niet in elke gemeente aanwezig is; het gaat hierbij dan vooral om hulp bij de boekhouding, bedrijfscoaching en/ of contact met andere (ex-)ondernemers met ervaring op het gebied van financiële problematiek.

Kansen • Breng het bestaande aanbod voor ondernemers onder de aandacht op plekken waar zij vaak komen. Denk bijvoorbeeld aan een campagne in de nieuwsbrief van groothandels. Ondernemers in bijvoorbeeld de bouw zijn hier dikwijls op geabonneerd. Ga hiertoe ook het gesprek aan met de KvK, mogelijk kan de KvK een rol spelen in de doorverwijzing naar gemeenten. • Kies er als gemeente voor om de Bbz aan te bieden; reserveer hier middelen voor. • Verruim het ondersteuningsaanbod voor ondernemers. Denk daarbij bijvoorbeeld aan financiële ondersteuning bij de boekhouding. Denk ook aan bedrijfscoaching en/of het inrichten van ondernemersplatforms waarbij ondernemers elkaar kunnen ontmoeten en ondersteunen.

1

40

We hebben met 7 experts gesproken: directeur Over Rood; boekhouder te Amsterdam; directeur Zuidweg & Partners; directeur PZO; Senior casemanager regionaal bureau Fryslan; Senior accountmanager W&I gemeente Rotterdam; medewerker afdeling Ondersteuning Ondernemers gemeente Amsterdam

Uitdaging Te weinig (specialistische) kennis van en zicht op ondernemers in de eigen gemeente Gemeenten overzien de complexiteit van het ondernemerslandschap niet goed. Gemeenten zijn geneigd loketten in te richten, maar vaak blijkt in de praktijk dat ondernemers zich daar niet melden. Er is ook niet altijd sprake van een integrale houding t.o.v. de ondernemer én er wordt intern binnen gemeenten te weinig samengewerkt. Bijvoorbeeld: de afdeling Bbz heeft enkel expertise over de uitvoering hiervan, of deze wordt uitgevoerd door participatiewetmedewerkers zonder specialistische kennis. Daarnaast: de afdeling armoedebestrijding wil ondernemers met financiële problemen met het aanbod bereiken maar hebben veelal geen toegang tot ondernemers, ook omdat ondernemers geneigd zijn geen hulp te zoeken bij de gemeente. De afdeling armoedebestrijding en de afdeling economische zaken kent haar ondernemers, vanuit platforms en verenigingen, en de ambtenaren zijn proactief en outreachend. Echter werken deze afdelingen in de praktijk weinig samen. Experts merken op dat de ongelijkwaardige relatie tussen ondernemers en ambtenaren van de afdeling armoedebestrijding ondersteuning in de weg kan zitten. Zij geven aan dat er op deze afdeling vaak te weinig aandacht is voor versterking van het ondernemersschap en enkel focus op de levensvatbaarheid van een bedrijf.

Kansen • Organiseer je als kleinere gemeente regionaal om de kennis over ondernemerschap te verbreden. Bijvoorbeeld door een ondernemersloket in te richten die de hele regio bedient. • Zoek ondernemers op waar ze toch al moeten zijn. Netwerk tijdens bijeenkomsten van bijvoorbeeld winkeliersverenigingen, dat spreekt ondernemers aan. In het geval dat gemeenten het bereik van ondernemers willen vergroten, dan kunnen zij verder denken aan de volgende vindplaatsen: — Energiebedrijven — Woningcorporaties — Buurtteams — Zorgverzekeraars — Accountants/ boekhouders: een kanttekening bij deze ‘vindplaats’ is wel dat boekhouders vaak een boekjaar achter lopen wat de signalering helaas niet ten goede komt. Zij kunnen wel wijzen op voorzieningen vanuit de gemeente, bijvoorbeeld door algemene mailings aan klanten over de energietoeslag en andere regelingen. — Ondernemersverenigingen — Beroepsverenigingen — Winkelstraatverenigingen — VNO/NCW, MKB Nederland — Economische afdelingen van gemeenten — Database KvK: Vanuit de KvK kan er meer aandacht worden besteed aan het verstrekken van informatie over inkomensondersteuning vanuit gemeenten. Dit is immers het eerste loket waar ondernemers langs komen. 41

Op zoek naar nieuwe manieren om mensen te bereiken 42

De experimenten Vier experimenten om mensen in verborgen armoede te vinden, bereiken en ondersteunen In onze zoektocht naar nieuwe vindplaatsen om mensen in verborgen armoede te bereiken, hebben we samen met vijf gemeenten vier experimenten ingericht. We hebben met deze gemeenten gezocht naar innovatieve wijzen om burgers in verborgen armoede te bereiken en waar mogelijk naar gemeentelijke voorzieningen toe te leiden. Per gemeente hebben we bepaald op welke doelgroep we ons wilden richten, op basis van de analyse van de UvA en gemeentelijke cijfers over welke burgers er potentieel gebruik zouden kunnen maken van minimavoorzieningen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15896899/1