Onderzoek Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen.pdf
Tekst van het document
December 2021
1
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen Hoe doeltreffend is het broedplaatsenbeleid in haar doelstelling om broedplaatsen meer inclusief en divers te maken?
Team Beleidsonderzoek december 2021
2
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
December 2021
Inhoud
Colofon DMC – Interne Audit & Beleidsonderzoek Team Beleidsonderzoek December 2021
1 Managementsamenvatting
4
2 Over dit onderzoek
8
2.1 Wat is de stedelijke opgave?
8
2.2 Scope, doel, methode
8
2.3 Diversiteit en inclusie
9
2.4 Wicked theme
10
2.5 Leeswijzer
11
3 Diversiteit in Amsterdamse broedplaatsen: een eerste beeld
12
4 Hoofdboodschap onderzoek
15
4.1 Conclusie
15
4.2 Hoofdboodschap
15
5 Werk beleid nader uit met meer focus op diversiteit en inclusie in broedplaatsen
16
5.1 Waarom?
16
5.2 Aanbeveling 1: werk het broedplaatsenbeleid rondom d&i nader uit
17
5.3 Aanbeveling 2: wees helder in vereisten versus maatwerk
19
6 Faciliteer en ondersteun, met oog voor een systemische benadering
21
6.1 Waarom?
21
6.2 Aanbeveling 3: faciliteer en ondersteun met kennis en netwerk
22
6.3 Aanbeveling 4: zorg voor coördinatie en maak budget vrij voor ondersteuning
24
7 Zorg voor monitoring en evaluatie voor duurzame inbedding van d&i
26
7.1 Waarom?
26
7.2 Aanbeveling 5: monitor en evalueer de voortgang binnen broedplaatsen
26
7.3 Aanbeveling 6: evalueer het beleid
27
8 Reflectie van de onderzoekers
29
9 Bijlagen
31
3
4
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
December 2021
1 Managementsamenvatting
De stad heeft grote ambities op het gebied van inclusie, diversiteit en verbondenheid. Broedplaatsen dragen bij aan deze ambities door open, divers en inclusief te zijn. Om de doelstellingen op dit vlak in het broedplaatsenbeleid te realiseren en de beschikbare middelen effectief te besteden, is het van belang om inzicht te hebben in het huidige beleid en de effectiviteit ervan. Het doel van dit onderzoek is om concrete lessen en handelingsperspectief op te stellen waarmee de doeltreffendheid van het broedplaatsenbeleid op het gebied van diversiteit en inclusie in de volgende beleidsperiode kan worden vergroot. Hoe zorgen we ervoor dat broedplaatsen echt mee (kunnen) bewegen met de stad en open, inclusief en divers zijn? Deze vraag staat centraal in dit onderzoek. We zetten met dit onderzoek enerzijds in op een eerste beeld van diversiteit en inclusie (d&i) in Amsterdamse broedplaatsen. Anderzijds onderzoeken we het beleid: sluit het bijvoorbeeld voldoende aan bij de praktijk en in hoeverre wordt het als effectief beoordeeld door betrokkenen Broedplaatsenbeleid In het atelier- en broedplaatsenbeleid formuleert de gemeente de opgaven en doelstellingen rondom Amsterdamse broedplaatsen. Dit onderzoek richt zich specifiek op de beleidsdoelstelling om broedplaatsen op het gebied van programmering, personeel, publiek en gebruikers/huurders (4 p’s) meer divers en inclusief te maken.
Zo wordt van nieuwe broedplaatsen verwacht dat zij de Code Diversiteit & Inclusie toepassen (zie H2). Ook is het streven de toegankelijkheid van broedplaatsen voor minder validen te verbeteren en kunstenaars met een MBO-diploma toegang te geven tot het broedplaatsenbeleid. Tenslotte wordt benoemd dat bestaande en nieuwe broedplaatsen die meer divers en inclusief willen worden daarbij hulp kunnen krijgen. Methode Oog voor de complexe context is essentieel rondom het thema diversiteit en inclusie. Zeker ook met de aanwezige contextuele variatie in de broedplaatsen (iedere broedplaats heeft unieke kenmerken; dé broedplaats bestaat niet). In de uitvoering van het onderzoek heeft dit zich vertaald in een brede selectie van respondenten om zoveel mogelijk perspectieven aan het woord te laten. Het interviewpalet bestond
kloppen voor ondersteuning. Geïnterviewden geven verder aan dat het beleid nog onvoldoende focust op het belang van diversiteit en inclusie in broedplaatsen. Ook is er onvoldoende oog voor maatwerk in het beleid; niet alle beleidsmaatregelen zijn even relevant voor iedere broedplaats (dé broedplaats bestaat niet). uit vertegenwoordigers van broedplaatsen, experts op het gebied van diversiteit (in de culturele sector), medewerkers van direct en indirect betrokken directies en leden van de Commissie voor Ateliers en (Woon) Werkpanden Amsterdam (CAWA). De CAWA toetst het kunstenaarschap van kandidaathuurders voor nieuwe broedplaatsen. Ook is een enquête uitgezet onder ca 60 gesubsidieerde broedplaatsen in de stad. In het eerste deel van de enquête vroegen we de broedplaatsen te reflecteren op diversiteit en inclusie in de eigen broedplaats. De resultaten geven een eerste indruk van de stand van zaken van diversiteit in de Amsterdamse broedplaatsen (zie H3). In het tweede deel van de enquête vroegen we broedplaatsen naar hun mening over de effectiviteit van het gemeentelijk beleid, welke factoren volgens hen een belangrijke rol spelen rondom d&i in broedplaatsen en de rol die de gemeente daarin kan spelen. Deze resultaten hebben we meegenomen in de bevindingen (zie H4 e.v.). Tijdens het onderzoek is het onderzoeksteam geadviseerd door een begeleidingscommissie.
Zie bijlage 1 voor een uitgebreide onderzoeksverantwoording, incl. vragenlijsten interviews, enquête en de samenstelling van de begeleidingscommissie. Conclusies Op hoofdlijnen komen er drie conclusies uit het onderzoek, voor iedere conclusie zijn twee aanbevelingen geformuleerd. Verdiepende stap beleid noodzakelijk Uit het onderzoek blijkt allereerst dat de aandacht voor diversiteit en inclusie binnen broedplaatsen belangrijk wordt gevonden, maar dat het beleid meer richting kan bieden dan het nu doet om doelstellingen te bereiken. Het overgrote deel van de broedplaatsen dat heeft deelgenomen aan de enquête onderschrijft het belang van diversiteit en inclusie. Hetzelfde geldt voor de geïnterviewde respondenten. Hoe het in praktijk kan worden gebracht wordt vaak nog ingewikkeld gevonden. Het beleid kan hierbij ondersteunen, maar is nog te schetsmatig. Maatregelen zijn onvoldoende concreet geformuleerd en/of sluiten nog onvoldoende aan op de praktijk. Zo is één van de maatregelen dat broedplaatsen hulp kunnen krijgen om meer divers en inclusief te worden. Men weet alleen niet waar aan te
Uit de enquête blijkt dat de meningen wisselen over het gemeentelijk beleid. Iets minder dan de helft van de broedplaatsen is het (zeer) eens met de stelling dat het gemeentelijk beleid effectief is om diverse en inclusieve broedplaatsen te realiseren. Een kwart van de broedplaatsen weet niet of het beleid effectief is, nog eens een kwart oordeelt neutraal over de effectiviteit. Om de doelen rondom diversiteit en inclusie te behalen is het noodzakelijk een verdiepende stap te maken in het beleid (zie aanbeveling 1 en 2).
Figuur 1: vraag 11 enquête
5
6
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
Meer ondersteuning vanuit gemeente nodig, vooral inzet op kennis en netwerk Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat kennis en netwerk essentieel zijn in het bevorderen van diversiteit en inclusie in broedplaatsen, maar dat dit nog onvoldoende wordt ondersteund door de gemeente. Er is al veel kennis en ervaring aanwezig in de broedplaatsen en bij individuele medewerkers. Maar dit wordt onvoldoende uitgewisseld en netwerkverbindingen worden onvoldoende ondersteund. Een meer systemische benadering ontbreekt; respondenten missen ondersteuning en coördinatie rondom de opgave, waarin het juist belangrijk is van elkaar te leren. De uitrol van goede voorbeelden en initiatieven rondom diversiteit en inclusie in broedplaatsen moet worden ondersteund door de gemeente. De broedplaatsen zijn daarbij in de lead en hun creatieve context is de drijvende kracht.
Figuur 2: vraag 12 enquête
December 2021
Onvoldoende structurele monitoring en evaluatie Tenslotte blijkt uit het onderzoek dat er onvoldoende structurele monitoring en evaluatie plaatsvindt door de gemeente (in samenwerking met de broedplaatsen). Daardoor is onbekend, of in elk geval niet voldoende onderbouwd, hoe doeltreffend het beleid daadwerkelijk is. De doelstelling op diversiteit en inclusie is nog jong, dus de verklaring is logisch, maar door het gebrek aan monitoring en evaluatie worden lessen niet meegenomen en wordt het uitrollen van goede voorbeelden verhinderd. Voor een duurzame inbedding van diversiteit en inclusie in broedplaatsen is structurele monitoring en evaluatie essentieel (zie aanbeveling 5 en 6).
Hoofdboodschap Uit de conclusies volgt de hoofdboodschap van dit onderzoek: zet in op een duurzame inbedding van diversiteit en inclusie in broedplaatsen. Hanteer hiervoor een systemische en reflectieve benadering van het thema. Scherp het beleid aan, inclusief een duidelijke visie op het belang van diversiteit en inclusie in broedplaatsen. Geef als gemeente voldoende richting, maar behoud ruimte voor maatwerk en laat het ‘hoe’ over aan de broedplaatsen. Zet als gemeente in op ondersteuning van initiatieven, kennisdeling en netwerkverbindingen rondom diversiteit en inclusie. Houd het gesprek warm, experimenteer, reflecteer en borg monitoring en evaluatie. Daartoe zijn zes aanbevelingen geformuleerd. Zie het rapport voor nadere uitwerking.
Aanbeveling 1: werk het broedplaatsenbeleid rondom d&i nader uit • Focus in het beleid meer op het belang van diversiteit en inclusie • Ga dieper in op begrippen diversiteit, inclusie en kunst in het beleid • Werk beleid en beleidsmaatregelen nader uit Aanbeveling 2: wees helder in vereisten versus maatwerk • Vereisten: het toepassen van de Code D&I • Maatwerk: de invulling van de actieplannen en visie op d&i Aanbeveling 3: faciliteer en ondersteun met kennis en netwerk • Ondersteun met kennis over diversiteit en inclusie • Faciliteer en ondersteun kennisuitwisseling en netwerkverbindingen Aanbeveling 4: zorg voor coördinatie en maak budget vrij voor ondersteuning • Zorg voor coördinatie en een verbindingsrol voor de gemeente • Maak budget vrij om ondersteuning en coördinatie mogelijk te maken Aanbeveling 5: monitor en evalueer de voortgang binnen broedplaatsen • Voer structureel stand van zaken gesprekken • Neem in het beleid een monitoringsparagraaf op Aanbeveling 6: evalueer het beleid • Neem in het beleid een evaluatieparagraaf op • Beleg de verantwoordelijkheid voor monitoring en evaluatie
In de enquête geven nagenoeg alle broedplaatsen eveneens aan dat netwerk een belangrijke factor is in het creëren van meer diversiteit en inclusie. Ook op de vraag wat zijzelf nu nodig zouden hebben om meer divers en inclusief te worden, is netwerk het meest gekozen antwoord. Om de doelen rondom diversiteit en inclusie te behalen is ondersteuning door de gemeente met kennis en netwerkverbindingen nodig (zie aanbeveling 3 en 4).
7
8
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
December 2021
2 Over dit onderzoek
2.1 Wat is de stedelijke opgave? De druk op de beschikbare ruimte in de stad is de laatste jaren verder toegenomen. Daarnaast is de cultuursector hard geraakt door de coronapandemie en bezuinigingen. Tegelijkertijd heeft de stad grote ambities op het gebied van inclusie, diversiteit en verbondenheid. De gemeente verlangt daarom dat gesubsidieerde instellingen een afspiegeling zijn van de Amsterdamse bevolking zodat alle genres en creatieve ontwikkelingen in (sub)culturen gezien en benut worden. Dit kan leiden tot nieuwe kruisbestuivingen, nieuwe inhoudelijke thema’s en vernieuwende artistieke projecten en vormen¹. Broedplaatsen dragen bij aan deze ambities door open, inclusief en divers te zijn. Om de doelstellingen op dit vlak in het broedplaatsenbeleid te realiseren en de beschikbare middelen effectief te besteden, is het van belang om inzicht te hebben in het huidige beleid en de effectiviteit ervan. Omdat het huidige beleid afloopt in 2022, is dit een goed moment om geleerde lessen op te halen voor de volgende beleidsperiode.
2.2 Scope, doel, methode In het atelier- en broedplaatsenbeleid formuleert de gemeente de opgaven en doelstellingen als het gaat om broedplaatsen in de stad. Dit onderzoek richt zich specifiek op de beleidsdoelstelling om broedplaatsen op het gebied van programmering, personeel, publiek en gebruikers/huurders (4 p’s) meer inclusief en divers te maken.² Zo wordt van nieuwe broedplaatsen verwacht dat zij de Code Diversiteit & Inclusie toepassen (zie box 2). Ook is het streven de toegankelijkheid van broedplaatsen voor minder validen te verbeteren en kunstenaars met een MBO-diploma toegang te geven tot het broedplaatsenbeleid. Ook wordt benoemd dat bestaande en nieuwe broedplaatsen die meer inclusief en divers willen worden daarbij hulp kunnen krijgen. Hoe zorgen we ervoor dat broedplaatsen echt mee (kunnen) bewegen met de stad en open, inclusief en divers zijn? Deze vraag staat centraal in dit onderzoek.
Het doel van dit onderzoek is om concrete lessen en handelingsperspectief op te stellen waarmee de doeltreffendheid van het broedplaatsenbeleid op het gebied van inclusie en diversiteit in de volgende beleidsperiode kan worden vergroot. Het beleid op deze doelstelling is nog jong; effectiviteit van het beleid op diversiteit en inclusie in broedplaatsen is nog onvoldoende onderbouwd te meten. Dit is een goede timing voor een verdiepende stap in het beleid. We zetten met dit onderzoek dan ook enerzijds in op een eerste beeld van inclusie en diversiteit in broedplaatsen (zie H2). Anderzijds onderzoeken we de beleidsmaatregelen: hoe zit het beleid in elkaar, is het duidelijk voor betrokkenen, sluit het aan bij stedelijke doelen en de praktijk en in hoeverre wordt het als effectief beoordeeld door betrokkenen?
Box 1: Broedplaatsenbeleid Twintig jaar geleden heeft de gemeente voor het eerst beleid geformuleerd op het gebied van broedplaatsen. Aanleiding daarvoor was dat deze plekken dreigden te verdwijnen. Broedplaatsen zijn plekken in de stad waar kunstenaars en creatieven wonen en/of kunnen werken aan hun kunst. Amsterdam kent inmiddels ca 70 gesubsidieerde broedplaatsen, verspreid over de gehele stad. Daarin is plek voor ongeveer 1.200 CAWAcreatieven en ruim 100 woonwerkateliers. Een CAWA-creatieve is iemand met een positieve uitkomst van de basis- of toptoets uitgevoerd door de Commissie voor Ateliers en (Woon)Werkpanden Amsterdam (CAWA). Bureau Broedplaatsen is sinds 2000 de uitvoerende partij van het Amsterdams atelier- en broedplaatsenbeleid, en daarmee het aanspreekpunt en de helpende hand voor iedereen die een broedplaats in de gemeente wil realiseren. Kunst & Cultuur is ambtelijk opdrachtgever en verantwoordelijk voor de uitvoering van het beleid. Bron: Amsterdams atelier- en Broedplaatsenbeleid 2019-2022
¹ Amsterdams atelier- en broedplaatsenbeleid 2019-2022 ² Amsterdams atelier- en broedplaatsenbeleid 2019-2022
Ter beantwoording van deze vragen zijn, naast een documentanalyse, interviews gehouden met een brede selectie van respondenten. Oog voor de complexe context is essentieel rondom het thema diversiteit en inclusie. Zeker ook met de aanwezige contextuele variatie in de broedplaatsen (iedere broedplaats heeft unieke kenmerken; dé broedplaats bestaat niet). In de uitvoering van het onderzoek heeft dit zich vertaald in een brede selectie van respondenten om zoveel mogelijk perspectieven aan het woord te laten. Het interviewpalet bestond uit vertegenwoordigers van broedplaatsen, interne expertise op het gebied van diversiteit, externe expertise op het gebied van diversiteit in de culturele sector, leden van de CAWA en medewerkers van kunst & cultuur (incl. Bureau Broedplaatsen), Ruimte & Duurzaamheid, Wonen, Grond & Ontwikkeling, Onderwijs, Jeugd, Zorg en Diversiteit, Personeel & Organisatie en stadsdelen. Daarnaast is een enquête uitgezet onder ca 60³ gesubsidieerde broedplaatsen in Amsterdam. In het eerste deel van de enquête vroegen we de broedplaatsen te reflecteren op diversiteit en inclusie in de eigen broedplaats. De resultaten geven een eerste indruk van de stand van zaken van diversiteit in de Amsterdamse broedplaatsen (zie H3).
In het tweede deel van de enquête vroegen we broedplaatsen naar hun mening over de effectiviteit van het gemeentelijk beleid, welke factoren volgens hen een belangrijke rol spelen rondom d&i in broedplaatsen en de rol die de gemeente daarin kan spelen. Deze resultaten hebben we meegenomen in de bevindingen (zie H4 e.v.). Ter validatie en ter aanvulling van de bevindingen zijn twee panelsessies gehouden met een mix van betrokkenen. Voor advies over de opzet en uitvoering van het onderzoek is een begeleidingscommissie samengesteld. Zie bijlage 1 voor een uitgebreide onderzoeksverantwoording, incl. aanpak, vragenlijsten interviews en enquête en de samenstelling van de begeleidingscommissie.
Box 2: Code Diversiteit & Inclusie De Code D&I biedt concrete handreikingen om diversiteit en inclusie structureel in culturele instellingen te verankeren. De Code D&I is een gedragscode van, voor en door de Nederlandse culturele en creatieve sector over diversiteit en inclusie. De code is een instrument van zelfregulering. Het doel van de code is dat de culturele en creatieve sector de brede diversiteit van de Nederlandse samenleving representeert. De 4 p’s zijn de kern van deze code. Een basisvereiste is dat de sector gelijkwaardig toegankelijk is voor iedereen: als maker, producent, werkende en publiek. Van nieuwe broedplaatsen in Amsterdam wordt verwacht dat zij de Code D&I toepassen. 4 p’s Programma: producten en diensten van de instelling Publiek: afnemers van de producten en diensten Personeel: alle medewerkers, dus vrijwilligers, stagiairs, bestuursleden, raad van toezicht Partners: externe instellingen/personen waarmee wordt samengewerkt. Gebruikers/huurders van de broedplaatsen worden ook onder de 4p’s geschaard. Bron: Code Diversiteit & Inclusie, https://codedi.nl/
2.3 Diversiteit en inclusie Diversiteit wordt in de Code D&I gedefinieerd als de mate waarin in een organisatie het gegeven van een diverse samenleving gerepresenteerd wordt in alle aspecten van de organisatie (de 4 p’s). Inclusie heeft betrekking op de manier waarop er wordt omgegaan met verschillen en overeenkomsten. Het gaat om de mate waarin makers, producenten, werkenden en publiek van alle identiteit zichzelf kunnen zijn en zich veilig en gerespecteerd voelen. “Diversity is being invited to the party. Inclusion is being asked to dance.” - Verna Myers Het thema diversiteit en inclusie (in het vervolg van dit rapport: d&i) is een urgent thema voor de stad en ook steeds meer onderwerp in het bredere maatschappelijke debat. Echter, de bewerkstelliging daarvan in verschillende domeinen van de samenleving is niet zo simpel. Bovenstaande quote geeft de verschillen tussen de gelaagdheid en het multidimensionale karakter van de twee begrippen weer. Een vervolg op de op het eerste gezicht zo rake quote van Myers luidt:
³ Inmiddels kent A’dam ca 70 gesubs. broedplaatsen, tijdens het onderzoek ca 60 bij ons bekend.
9
10
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
“If diversity is being invited to the party, and inclusion means being asked to dance, then belonging is being asked for input into the playlist for the dance music and feeling free to ask anyone you want to dance with you. And even more importantly, that next step to belonging is not just a nice thing to have, it’s where you start to get real benefit when it comes to team and performance. – Michael Seitchik Dit geeft weer dat we er nog niet zijn met de inzet van diverse vormen van diversiteit en het voeren van een inclusief beleid, maar dat er meer voor nodig is om contexten te creëren die ook echt ruimte bieden aan eenieder, waar een systemische benadering een vereiste is. Een dergelijk complex vraagstuk, met vooralsnog geen ultieme oplossing wordt ook wel een wicked problem genoemd, wij noemen het overigens liever wicked ‘theme’.
Box 3: Definities diversiteit en inclusie Van de Ven, Groot en De Vries (2004, pag. 2) geven een handzame definitie, namelijk dat het bij diversiteit gaat om “alle aspecten waarop mensen van elkaar verschillen”. Daarbij gaat het om zowel zichtbare aspecten als geslacht, etniciteit en leeftijd, als om nietzichtbare kenmerken, zoals eigenschappen, kwaliteiten en manier van werken. Feitse Boerwinkel introduceerde in 1966 het concept van inclusief denken en handelen, waarmee het wij/zijdenken doorbroken kan worden en waarbij het gaat om een wij-denken waarin er ruimte is voor verschillen (Hoffman, 2013). Hoffman geeft aan dat inclusief handelen bewerkstelligd kan worden door de principes van erkende gelijkheid en erkende verscheidenheid toe te passen. Bij het eerste gaat het om wat mensen in de eerste plaats verbindt en bij het tweede om het erkennen van verschillen. Bij inclusie in organisaties gaat het om twee componenten, namelijk een klimaat waarin iedereen zich gewaardeerd en gerespecteerd voelt en toegang heeft tot dezelfde mogelijkheden. (Diversiteit in Bedrijf, 2020). Inclusie gaat over het vermogen van een organisatie een cultuur te scheppen waarin elke werknemer zich thuis voelt. Otten, Jansen en De Vroome (2013) menen dat het bij inclusie gaat om de mate waarin een individu waarneemt dat de groep iemand een gevoel van toebehoren en ruimte voor authenticiteit geeft.
December 2021
2.4 Wicked theme
2.5 Leeswijzer
De impact van maatregelen op een wicked theme zijn mede door allerlei wederzijdse afhankelijkheden lastig te voorspellen. Ook omdat dé ultieme oplossing er (nog) niet is. De gemeente is afhankelijk van het gedrag en de mogelijkheden bij andere partijen en van maatschappelijke ontwikkelingen. In deze context past een meer systemische benadering (zie box 4). Het is daarbij essentieel dat kleine stappen worden gezet, individuele initiatieven worden ondersteund, hierop wordt gereflecteerd en gaandeweg steeds meer inzicht wordt verworven in wat wel en niet werkt. Monitoring en evaluatie (en dus verbeteringen en stappen maken) is daarop gericht. Deze benadering is een belangrijke notie en insteek voor dit onderzoek.
Dit rapport kent een piramidale opbouw. Na een eerste indruk van de stand van zaken van diversiteit en inclusie binnen Amsterdamse broedplaatsen (eerste deel van de enquête), volgt direct de hoofdboodschap van het onderzoek.
Box 4: systemische aanpak en wicked themes Het woord systemisch doet soms formalistischer vermoeden dan de daadwerkelijke betekenis. Deze benadering betekent dat verschijnselen gezien worden binnen de context waarin ze zich tonen en in relatie tot de geschiedenis waarmee ze samenhangen. Het houdt zich bezig met wederzijdse beïnvloedingen en niet met rechtlijnig oorzaak-gevolg denken. Deze aanpak houdt rekening met het geheel en met de verschillen en overeenkomsten in het geheel, een eenzijdige aanpak is veelal niet effectief. Juist een systemische benadering met oog voor de context is essentieel in een wicked theme als diversiteit en inclusie en zeker ook met de aanwezige contextuele variatie in de broedplaatsen (dé broedplaats bestaat niet). In de uitvoering van het onderzoek heeft dit zich vertaald in een brede selectie van respondenten (intern en extern, direct en indirect betrokkenen) om zoveel mogelijk perspectieven aan het woord te laten (zie pag. 8 en onderzoeksverantwoording in bijlage 1).
Vervolgens geven we aanbevelingen. Bij iedere aanbeveling wordt eerst samenvattend weergegeven waarom dit belangrijk is aan de hand van de belangrijkste bevindingen. Vervolgens is iedere aanbeveling opgebouwd uit drie niveaus. 1. De hoofdaanbeveling; daar moet de gemeente écht iets mee. 2. Sub aanbevelingen: concretere uitwerking en adviezen voor het opvolgen van die aanbeveling. 3. Voorbeelden en handvatten: biedt inspiratie voor de invulling en uitvoering van de aanbeveling, veelal in boxen of bijlagen. In dit rapport is zo voor dezelfde benadering gekozen als die we voorstaan voor de weg naar meer diversiteit en inclusie in broedplaatsen: de drie hoofdaanbevelingen zijn wat ons betreft een vereiste en hangen nauw met elkaar samen. Het precieze hoe is voor eigen invulling van direct betrokkenen.
11
12
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
December 2021
3 Diversiteit in Amsterdamse broedplaatsen: een eerste beeld
Inleiding Voor dit onderzoek verstuurden we digitale enquêtes aan ca 60 broedplaatsen die met behulp van Bureau Broedplaatsen gerealiseerd zijn. Uiteindelijk werd de enquête 17 keer volledig ingevuld. Soms is de vragenlijst voor meerdere broedplaatsen gezamenlijk ingevuld, bijvoorbeeld wanneer zij onder hetzelfde management en/of dezelfde broedplaatsontwikkelaar vallen. De resultaten van de enquête vertegenwoordigen daarom in totaal 28 individuele broedplaatsen. Een representatie van bijna 50% van de Amsterdamse gesubsidieerde broedplaatsen. De meeste broedplaatsen die de enquête invulden zijn tussen de 5 en 15 jaar oud. Qua omvang verschillen ze sterk, in de kleinste wonen en/ of werken zes kunstenaars en creatieven, in de grootste 275. In het eerste deel stelden we vragen over het belang en de rol van d&i in de broedplaats, het toepassen van de Code D&I op de p’s en de verbinding met de wijk van de broedplaats. De resultaten op deze vragen vormen samen een eerste indruk van de stand van zaken van diversiteit in de Amsterdamse broedplaatsen. In het tweede deel van de enquête vroegen we broedplaatsen naar hun mening over het gemeentelijk beleid, welke factoren volgens hen een belangrijke rol spelen rondom d&i in broedplaatsen en de rol die de gemeente daarin kan spelen. Deze resultaten hebben we meegenomen in de bevindingen (zie H4 e.v.).
Rol van diversiteit en inclusie in broedplaatsen • In bijna alle broedplaatsen die de enquête invulden worden d&i beschouwd als relevante onderwerpen. Driekwart is het “zeer eens” met de stelling dat d&i binnen de broedplaats belangrijk gevonden wordt. Dit vertaalt zich niet een-op-een naar de aandacht die daadwerkelijk aan het onderwerp gegeven wordt: de helft is het “zeer eens” met de stelling dat er binnen de broedplaats aandacht is voor d&i.
• Personeel. Voor diversiteit onder het personeel zijn het vaakst doelstellingen vastgelegd. Voor de betrokken broedplaatsen geldt echter dat diversiteit op deze P in de praktijk het lastigst te realiseren valt. Met de stelling “Het personeel van de broedplaats is divers in de verschillende lagen van de organisatie” is iets meer dan de helft het (zeer) eens. Een broedplaats beschrijft dat het als kleine organisatie lastig is om op dit gebied snel stappen te zetten. • Gebruikers/huurders. Van de broedplaatsen geeft zeventig procent aan dat er doelstellingen geformuleerd zijn op het gebied van inclusie en diversiteit ten aanzien van de huurders en gebruikers. In een aantal gevallen wordt nadrukkelijk kunstenaars gehuisvest of gesteund die in hun werk aandacht besteden aan inclusie en diversiteit.
Weet niet / n.v.t. Geheel oneens Oneens Neutraal Eens Geheel eens
In de broedp laats vind en we divers iteit en inclusie belan grijk.
Binn en de broedplaats is er aandacht voor diversiteit en inclus ie.
Weet niet / n.v.t. Geheel oneens
De broedplaats trekt een divers samengesteld publiek.
Diversiteit en inclusie spelen een rol in de programmering.
Het pers oneel van de Bij h broedplaats is divers in de samenw vers chillende lagen van de spelen organisatie. incl
Oneens Neutraal
Sinds wanneer bestaat de broedplaats? In de broedp laats vind en we divers iteit en inclusie belan grijk.
De Code Diversiteit en Inclusie • In twee derde van de broedplaatsen die de enquête invulden, wordt de Code Diversiteit en Inclusie toegepast. In de overige broedplaatsen weet de invuller niet of dat gebeurt. Van de p’s zijn op vlak van personeel en gebruikers/huurders het vaakst doelstellingen geformuleerd ten aanzien van d&i, op het vlak van partners het minst. Op een paar gevallen na is binnen elke broedplaats voor minimaal een van de p’s doelstellingen geformuleerd.
Eens Geheel eens
Binn en de broedplaats is er aandacht 2000 - 2004voor diversiteit en inclus ie. 2005 - 2009 2010 - 2014 2015 of later
Hoeveel kunstenaars en creatieven wonen en werken er? 0 - 20 20 - 50 50 - 100 100 - 150 > 150
13
Weet niet / n.v.t.
• In de toelichting noemen broedplaatsen vele verschillende dimensies van d&i: gender(identiteit), leeftijd en culturele achtergrond komen het meest terug, maar ook diversiteit op het vlak van artistieke disciplines, nationaliteiten en sociaaleconomische kenmerken worden genoemd. • Aandacht die broedplaatsen geven aan d&i vertaalt zich vooral in het feit dat bij de werving en selectie van kunstenaars en creatieven rekening wordt gehouden met de hierboven genoemde aspecten. • Sommige broedplaatsen geven aan op het gebied van taal en communicatie rekening te houden met inclusie. Ook fysieke aanpassingen aan panden om de toegankelijkheid voor mindervaliden te vergroten worden genoemd.
Geheel oneens Oneens Neutraal Eens Geheel eens
• Programmering en publiek. Twee derde van de broedplaatsen is van mening dat zij een divers samengesteld publiek trekt. Meer dan driekwart geeft aan dat diversiteit entrekt inclusie rol spelen De broedplaats een een Diversiteit en inclusie Het pers oneel van de Bij het kiezen van divers samengesteld spelen een rol in de broedplaats is divers in de samenwerkin gs partners in de (totstandkoming) van de programmering. publiek. vers chillende lagen van de spelen diversiteit en Een aantal keer wordt aangegeven datprogrammering. diversiteit organisatie. inclus ie een rol. onder huurders ervoor zorgt dat er een diverse programmering tot stand komt, wat vervolgens een divers publiek aantrekt. Diversiteit in de • Een aantal broedplaatsen geeft aan geen programmering bestaat soms uit het (expliciet) programmering en/of publieksfunctie te hebben, bedienen van verschillende doelgroepen. Soms bijvoorbeeld omdat zij alleen atelierruimtes verhuren. maken diversiteit en inclusie als maatschappelijk thema’s inhoudelijk deel uit van het programma.
14
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
December 2021
4 Hoofdboodschap onderzoek
Verbinding met de buurt • Ruim twee derde van de broedplaatsen die de vragen beantwoordde, vindt dat zij in verbinding staat met de buurt. Uit de toelichting komt een gemengd beeld naar voren: sommige broedplaatsen liggen niet in woonbuurten en/of hebben geen buurtfunctie. Aan de andere kant van het spectrum zijn er broedplaatsen die aangeven dat interactie met de buurt deel van hun “fundament” en bestaansrecht vormt. Daar tussenin liggen broedplaatsen die op verschillende manieren invulling proberen te geven aan de verbinding met de buurt, bijvoorbeeld door gratis ruimtes ter beschikking te stellen aan buurtinitiatieven of door projecten te ontplooien die gericht zijn op buurtbewoners.
Als broedplaats zijn we in verbinding met de buurt.
Geheel eens Eens Neutraal On een s Geheel oneens Weet niet / n.v.t.
4.1 Conclusie
4.2 Hoofdboodschap
Op hoofdlijnen komen er drie conclusies uit het onderzoek:
Zet in op een duurzame inbedding van diversiteit en inclusie in broedplaatsen. Kies voor een systemische en reflectieve benadering van het thema. Zorg voor aanscherping van beleid, inclusief een duidelijke visie waarom diversiteit en inclusie in broedplaatsen belangrijk is. Geef als gemeente voldoende richting, maar laat het hoe over aan de broedplaatsen en ga daarin uit van de kracht van iedere individuele broedplaats. Elke broedplaats kan divers en inclusief zijn, maar maatwerk is hierin essentieel. Dé broedplaats bestaat immers niet. Zet als gemeente daarom vooral in op ondersteuning van (kleine en grote) initiatieven en kennisdeling rondom het verbeteren van diversiteit en inclusie. Houd het gesprek warm, experimenteer, reflecteer en borg monitoring en evaluatie voor een duurzame inbedding van diversiteit en inclusie in de Amsterdamse broedplaatsen.
Uit het onderzoek blijkt allereerst dat de aandacht voor diversiteit en inclusie binnen broedplaatsen belangrijk wordt gevonden, maar dat het beleid meer richting kan bieden dan het nu doet om doelstellingen daadwerkelijk te bereiken. Het overgrote deel van de broedplaatsen dat heeft deelgenomen aan de enquête onderschrijft het belang van diversiteit en inclusie. Net als de geïnterviewde respondenten. Er wordt positief aangekeken tegen de beleidsdoelstellingen en bijbehorende maatregelen. Tegelijk wordt het thema als ingewikkeld ervaren, evenals het gesprek erover. Dit geldt zowel voor de ambtelijke organisatie als de broedplaatsen. Daarnaast blijkt uit het onderzoek dat kennis en netwerk essentieel zijn in het bevorderen van diversiteit en inclusie in broedplaatsen, maar dat dit nog onvoldoende wordt ondersteund door de gemeente. Er is al veel kennis en ervaring aanwezig in de broedplaatsen en bij individuele medewerkers. Maar dit wordt onvoldoende uitgewisseld en netwerkverbindingen worden onvoldoende ondersteund. Een meer systemische benadering ontbreekt; respondenten missen ondersteuning en coördinatie rondom de opgave, waarin het juist belangrijk is van elkaar te leren. De uitrol van goede voorbeelden en initiatieven rondom diversiteit en inclusie in broedplaatsen moet worden ondersteund door de gemeente.
De broedplaatsen zijn daarbij in de lead en hun creatieve context is de drijvende kracht. Tenslotte blijkt uit het onderzoek dat er onvoldoende structurele monitoring en evaluatie plaatsvindt. Daardoor is onbekend, of niet voldoende onderbouwd, hoe doeltreffend de maatregelen zijn. Het beleid op inclusie en diversiteit in broedplaatsen is nog jong. Er is zodoende weinig zicht op de uitvoering en/ of de bijdrage van de maatregelen aan het behalen van de doelstelling voor meer inclusieve en diverse broedplaatsen. Daardoor wordt onvoldoende geleerd wat wel en niet werkt rondom de opgave. Inzet op monitoring en evaluatie is essentieel om lessen mee te nemen en voorbeelden verder uit te kunnen rollen.
Hiertoe worden zes aanbevelingen gedaan die worden uitgewerkt langs drie lijnen: Hoofdstuk 5: Werk beleid nader uit met meer focus op d&i in broedplaatsen Hoofdstuk 6: Faciliteer en ondersteun, met oog voor een systemische benadering Hoofdstuk 7: Zorg voor monitoring en evaluatie voor duurzame inbedding van d&i In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op een nadere uitwerking van het beleid en worden aanbevelingen 1 en 2 uitgewerkt. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de rol van de gemeente in ondersteuning van de broedplaatsen om de doelstellingen te bereiken en worden aanbevelingen 3 en 4 nader uitgewerkt. In hoofdstuk 7 wordt ingegaan op het borgen van lessen door monitoring en evaluatie en worden aanbeveling 5 en 6 uitgewerkt. In elk hoofdstuk wordt eerst kort ingegaan op gesignaleerde knelpunten en bevindingen. Daarna wordt inspiratie gegeven voor nadere uitwerking van de aanbevelingen.
15
16
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
December 2021
5 Werk beleid nader uit met meer focus op diversiteit en inclusie in broedplaatsen
y
“Het is een grote groep makers [MBO’ ers] die buiten de boot valt. En die zijn juist het bindweefsel voor Amsterdam. Het zijn jonge makers die in de wijk, in de stad blijven. Het is veel lokaler dan internationale
y
5.1 Waarom? Dit zeggen de bevindingen • Uit de enquête blijkt dat de meningen wisselen over het gemeentelijk beleid. Iets minder dan de helft van de broedplaatsen is het (zeer) eens met de stelling dat het gemeentelijk beleid effectief is om diverse en inclusieve broedplaatsen te realiseren. Een kwart van de broedplaatsen weet niet of het beleid effectief is, nog eens een kwart oordeelt neutraal over de effectiviteit. Het beleid is effectief om inclusieve en diverse broedplaatsen te realiseren.
Geheel eens Eens Neutraal On een s Geheel oneens Weet niet / n.v.t.
kunstenaars. Ik vind het belangrijk voor inclusie en diversiteit in de stad.” -Geïnterviewde-
“Kunst wordt in alle culturen gemaakt. Het gaat meer om de vraag: zouden de mensen in een commissie kunst herkennen in iets wat zij normaal niet als kunst
• Het is belangrijk de autonomie van broedplaatsen te behouden en juist die autonomie en eigen signatuur als kracht te gebruiken om meer divers en inclusief te worden.
• Er is onvoldoende oog voor maatwerk in het beleid. Dé broedplaats bestaat niet, niet alle beleidsmaatregelen zijn even relevant voor iedere broedplaats. Iedere broedplaats kan divers en inclusief zijn, maar niet iedere ‘p’ is voor iedere broedplaats even relevant. Voor niet alle broedplaatsen is verbinding met de buurt mogelijk en/of even belangrijk, niet iedere broedplaats heeft een programma. Zo is niet alles uit de Code D&I toepasbaar voor iedere broedplaats, hier is onvoldoende aandacht voor.
y
“Bij ons in de broedplaats zitten heel veel plekken, en
zouden classificeren?” -Geïnterviewde-
y
“Dus niet alleen: broedplaatsen krijgen subsidie, en ze zijn creatief. Maar: ze kunnen ook oplossingen zijn voor bepaalde problemen. Ga dat contact na, zet dat in, daar waar de meerwaarde ligt.” -Geïnterviewde-
dat zijn een beetje gesloten plekken voor kunstenaars. Het zijn niet altijd open plekken voor de buurt. De mensen die er zitten, die moeten ook werken om rond te komen. En dan wordt er soms verwacht van ze dat ze ook nog iets moeten doen voor de buurt. Dat kan, soms werkt het goed als mensen er interesse voor hebben en er iets voor terug krijgen. Maar je ziet ook op
• Uit het onderzoek blijkt verder dat nagenoeg alle respondenten meer diversiteit en inclusie in broedplaatsen belangrijk vinden. Het beleid wordt deels effectief bevonden. Hoe het in praktijk kan worden gebracht wordt ingewikkeld gevonden. • In het beleid is nog onvoldoende focus op en uitwerking van het belang van diversiteit en inclusie in broedplaatsen. Door veel respondenten wordt genoemd dat het belangrijk is om verder te kijken dan het maatschappelijke. Dat diversiteit en inclusie bijvoorbeeld leidt tot betere en creatievere prestaties is nog onderbelicht. • Begrippen in het beleid zijn onvoldoende helder. Dit gaat om definities van diversiteit en inclusie, maar ook over ‘kunst’; voor welke vormen/welke gebruikers is er eigenlijk ruimte?
• Het beleid is nog te schetsmatig, maatregelen zijn onvoldoende concreet geformuleerd en/of sluiten nog onvoldoende aan op de praktijk. Meerdere broedplaatsen benoemen dat het positief is dat meer ruimte is gekomen voor de maakindustrie, kunstenaars met een MBO-achtergrond en autodidacten. Hoe dat echt voor elkaar te krijgen, blijft onduidelijk (zie box 5). Respondenten benoemen dat het beleid niet concreet genoeg is, wat de gemeente nu precies dóet is niet altijd duidelijk. Zo is één van de maatregelen dat broedplaatsen hulp kunnen krijgen om meer divers en inclusief te worden. Ook wordt de toegankelijkheid van broedplaatsen voor minder validen gestimuleerd, onder andere door ondersteuning bij werving en selectie. Men weet alleen niet waar aan te kloppen voor hulp en ondersteuning.
sommige plekken dat er wordt gezegd dat kunstenaars iets moeten doen voor de buurt, maar er wordt niet nagedacht over hoe je dat moet gaan doen. Geen handvatten. […] Stuur [voor binding met de wijk] op broedplaatsen die ook echt open zijn voor de buurt, die bijvoorbeeld iets van horeca of een buurtkamer hebben, waar de buurt gratis gebruik van kan maken. Maak kenbaar hoe je daarbij komt, en voor broedplaatsen welke subsidie je daarvoor kan aanvragen.” -Geïnterviewde-
• Tenslotte blijkt uit het onderzoek dat diversiteit op de p van personeel in de praktijk het lastigst te realiseren valt (zie resultaten enquête pag.10). In de enquête wordt de stelling “Het personeel van de broedplaats is divers in de verschillende lagen van de organisatie” door ca iets meer dan de helft met (zeer) eens beantwoord. Daarbij noemen respondenten het belang van diversiteit onder personeel in de top van de broedplaats; de Raad van Toezicht en het bestuur. Veel gehoord is: ‘dan volgt de rest meer vanzelf’. Gedoeld wordt op meer diversiteit onder personeel in alle lagen (incl. selectiecommissies etc.) en op een meer diverse en inclusieve programmering.
5.2 Aanbeveling 1: werk het broedplaatsenbeleid rondom d&i nader uit Een verdiepende stap is nodig op de doelstelling van meer d&i in broedplaatsen. Vooral het waarom en de visie van de gemeente op d&i in broedplaatsen zijn essentieel en behoeven meer uitwerking. Ook moet meer worden ingezet op de aansluiting van het beleid bij de praktijk. We adviseren daarom het volgende: • Focus in het beleid meer op het belang van diversiteit en inclusie • Ga dieper in op begrippen diversiteit, inclusie en kunst in het beleid • Werk beleid en beleidsmaatregelen nader uit Focus in het beleid meer op het belang van diversiteit en inclusie Sluit hierbij aan bij het Kunstenplan en ga hier breder op in dan enkel het maatschappelijke perspectief. Belicht dus ook dat diversiteit en inclusie leidt tot betere en creatievere prestaties en resultaten en meer verbinding in de stad.
y
“En ik weet als geen ander hoe rijk je je daardoor voelt – de hoeveelheid inzichten waarmee je je verrijkt door andersdenkenden. Het is aan de andere kant ook soort zoekt soort – mensen die op je lijken, zoek je juist op omdat je je dan comfortabel voelt, omdat je het ‘andere’ niet kent . Terwijl nu voel ik me veel veiliger omdat ik heel veel verschillende mensen juist heb leren kennen.” -Geïnterviewde-
17
18
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
y
“[…] in het bankwezen is de stap gemaakt naar meer diverse teams omdat dit meer geld oplevert. En dat besef zit er nog niet; in de kunst en cultuursector gaat d&i meer om het ‘maatschappelijke’ doel. Terwijl ik er geen probleem mee heb als instellingen zeggen; we verdienen meer geld omdat we meer en verschillend publiek trekken.”
December 2021
Werk beleid en beleidsmaatregelen nader uit Werk het beleid rondom d&i in broedplaatsen nader uit. Neem o.a. in het beleid een visie op over de diversiteit in de besturing van broedplaatsen. Iedere broedplaats heeft een Raad van Toezicht en een bestuur. Een wisseling daarvan zorgt voor een natuurlijk moment om d&i in de top waar nodig te verbeteren. Zoek ook hier aansluiting bij de Code D&I. De actieplannen van broedplaatsen en de monitoring daarop door Bureau Broedplaatsen spelen een belangrijk rol om hier stappen te maken (zie aanbeveling 5).
Box 5: Maatregel openstelling broedplaatsenbeleid voor kunstenaars met een MBO-diploma “Het zou goed zijn om meer kunstenaars uit MBO onderwijs een plek te geven in broedplaatsen. Maar wat worden dan de kwaliteitseisen, welke Mboopleidingen? Welke zijn passend op een basistoets? De criteria toets is kwalitatief, want er is grote behoefte maar weinig plek.” - Geïnterviewde-
-Geïnterviewde“Graag meer nadruk op het waarom van diversiteit en inclusie. Het lijkt nu vaak op het met zijn allen achter een marketingterm aanrennen. Wat mij betreft graag meer duidelijk maken dat we overal een afspiegeling van de maatschappij willen, gewoon omdat we op die manier een veel fijnere maatschappij maken die slimmer is, veiliger en leuker!” -Enquête-
Ga dieper in op begrippen diversiteit, inclusie en kunst in het beleid Sluit hierbij 1 op 1 aan bij het Kunstenplan en de Code D&I. Geef in het beleid ook een visie op kunst in de broedplaatsen. Kunst is zoveel breder dan de westerse vormen van kunst. Ga hierover het gesprek met elkaar aan; hoe zorgen we ervoor dat we plek creëren (en programmeren) voor een bredere groep? Hoe zorgen we dat we geen enkele vorm van kunst uitsluiten? Kijk o.a. met dat oog naar de CAWA beroepenlijst¹. Dekt dit de lading nog wel?
Verdiep verder iedere beleidsmaatregel (op het gebied van d&i) met voorbeelden of mogelijkheden hoe dit in de praktijk bereikt kan worden en waar broedplaatsen kunnen aankloppen als ondersteuning gewenst is (zie aanbeveling 3). De doelstellingen zijn helder, maar er is meer beleidsmatige onderbouwing en ondersteuning nodig om ambities in praktijk te brengen en zo doelstellingen te behalen. Denk bijvoorbeeld aan de toegang voor kunstenaars met een MBO-diploma en autodidacten. Dit wordt breed omarmd, maar in de praktijk blijkt dit nog ingewikkeld (zie box 5).
Uit het onderzoek blijkt dat de maatregel om het broedplaatsenbeleid open te stellen voor kunstenaars met een MBO-diploma breed wordt omarmd. De praktijk blijkt echter weerbarstiger. We kunnen onvoldoende onderbouwd citeren hoe deze maatregel exact uitgewerkt moet worden. Maar respondenten opperen de CAWA toetsing te vergemakkelijken en meer ondersteuning te bieden voor MBO kunstenaars en autodidacten. Het gesprek erover voeren, experimenteren en leren is hier op zijn plek. Dé oplossing bestaat ook hier nog niet.
Pas in lijn met de aanbevelingen het ‘Loket Broedplaatsen’² aan, dit is een stappenplan voor Amsterdamse broedplaatsen om van een idee tot een broedplaats te komen. Hierin staat uitvoerig beschreven welke stappen ondernomen moeten worden, van initiatief tot realisatie.
“Als je bijv. afgestudeerd bent aan een kunstacademie zoals de Rietveld of HvA voor de kunsten. Dan kom je altijd wel door de CAWA toetsing heen […] De mensen die van de kunstacademie afkomen, dat is wel een bepaalde groep, een hoogopgeleide eentonige groep. Het is lastig voor iemand die zichzelf heeft ontwikkeld als kunstenaar om die CAWA toetsing te doen en erdoorheen te komen. Daardoor sluit je een groep uit, bijvoorbeeld iemand die zichzelf heeft geleerd om video’s te editen voor de buurt. Die kan geen ruimte huren, omdat die niet door de toetsing komt. Er zit ook wel verbetering in, dat wil ik ook wel zeggen. […] Enerzijds denk ik dat je de toetsing kan vergemakkelijken. En kunstenaars die geen kunstacademie achtergrond hebben ondersteuning bieden, workshops of hand-outs op de pagina van de gemeente aanbieden. Waardoor zij ook weten hoe je een subsidieaanvraag moet doen. Mensen van de kunstacademie weten dat heel goed, dat krijgen ze vanuit hun kunstopleiding.” - Geïnterviewde-
y
“Op dit moment geldt het dat een autodidacte kunstenaar zonder bijvoorbeeld een achtergrond op
y
de kunstacademie o.i.d. - vaak niet in aanmerking komt voor een CAWA ruimte. Terwijl voor iemand die van de kunstacademie komt dit vaak heel makkelijk wel het
“In [stadsdeel] zijn het overwegend de kinderen uit
geval is. Dan sluit je meteen een grote groep uit, en kan
gezinnen die al met de traditionele vormen van kunst
je bijvoorbeeld in een CAWA ruimte niet makkelijk een
bezig zijn, die komen [naar de broedplaatsen]. Dus, iets
divers palet aan huurders.!”
overdreven: de kinderen van de witte ouders met een
-Enquête-
vereisten versus maatwerk Behoud van de autonomie van broedplaatsen is goud waard. Dat is de kracht van broedplaatsen en zorgt ervoor dat juist die kracht van broedplaatsen ingezet kan worden om d&i te versterken. Aan de andere kant is inclusie en diversiteit binnen de broedplaats geen vrijblijvendheid en om die doelstellingen te bereiken mogen ook eisen worden gesteld. In het beleid moet daarom duidelijk onderscheid worden gemaakt: wat is vereist en waar is maatwerk de norm. We adviseren daartoe het volgende: • Vereisten: het toepassen van de Code D&I • Maatwerk: de invulling van de actieplannen en visie op d&i Vereisten Het toepassen van de Code D&I is verplicht voor nieuwe broedplaatsen. Leg de lat daarin hoog; een goed uitgewerkte visie op de d&i doelstelling is een vereiste. Hierbij past het uitvoeren van een nulmeting en het opstellen van een bijbehorend actieplan voor iedere broedplaats. De nulmeting zoals uitgevoerd bij de totstandkoming van het Kunstenplan 2021-2024 kan hierbij als inspiratie dienen³. Met enige aanpassing is deze goed toepasbaar voor de broedplaatsen om een eerste inzicht te krijgen waar de focus kan liggen m.b.t. diversiteit en inclusie. Broedplaatsen dienen bij de CAWA een visiedocument in, hierin moet ook duidelijk een visie op d&i in opgenomen worden.
Het actieplan is de uitwerking daarvan en bevat voorgenomen acties om daar invulling aan te geven. Het is ingewikkeld (zo niet juridisch onmogelijk) om het toepassen van de code voor bestaande broedplaatsen te verplichten. Voer het gesprek met álle broedplaatsen, ongeacht het jaar van oprichting en onderstreep het belang van een visie op d&i voor de broedplaats en de stad. Als bepaalde gewenste verandering niet lukt of nog niet lukt kan in gesprek worden toegelicht waarom dat zo is en/of nog ondersteuning nodig is om dit wel te behalen (zie aanbeveling 5 stavaza gesprekken). Zoek ook hier aansluiting bij het Kunstenplan 20212024.4 In het Kunstenplan wordt genoemd dat aan alle instellingen die in aanmerking willen komen voor een vierjarige Kunstenplansubsidie gevraagd wordt om een actieplan op te stellen over diversiteit en inclusie. De gemeente Amsterdam volgt daarbij de Code D&I. Van instellingen wordt bijvoorbeeld verwacht dat zij een realistisch actieplan opstellen met concrete doelstellingen op het gebied van de 4 p’s (zie box 6).
bakfiets. Belangrijk is wel om te bedenken: van welk cultuurbegrip gaan we uit? Het Westerse cultuurbegrip? Witte kunstorganisatie moeten niet denken dat alleen die kunst, kunst is.” -Geïnterviewde-
¹ De CAWA hanteert de beroepenlijst van Cultuur-Ondernemen voor de beoordeling van kunstenaars en creatieven. https://www. amsterdam.nl/kunst-cultuur/ateliers-broedplaatsen/beroepenlijst/ ² Gemeente Amsterdam, Loket Broedplaatsen, 2017. https://www.amsterdam.nl/kunst-cultuur/ateliers-broedplaatsen/overbroedplaatsen/loket-broedplaatsen/
5.3 Aanbeveling 2: wees helder in
³ Gemeente Amsterdam. Hoofdlijnen kunst en cultuur 2021-2024 Bijlagen (januari 2020). Nulmeting (pag. 15) Gemeente Amsterdam. Hoofdlijnen kunst en cultuur 2021-2024 Bijlagen (januari, 2020). Actieplan (pag. 11)
4
19
20
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
Maatwerk De invulling van de actieplannen en visie op d&i is maatwerk en aan de broedplaatsen zelf. Het is afhankelijk van de broedplaats op welke p of p’s de focus ligt. Dit wisselt sterk per broedplaats (contextuele variatie). Laat dus ruimte op inhoud van het actieplan en de focus van de visie. Ook de manier waarop de acties worden vormgegeven is aan de broedplaats. Ook al is dit maatwerk, dit kan wel degelijk worden ondersteund door beleid. Door te benoemen wat vereist is en waar het maatwerk is. Ga uit van de kracht en de competenties in de broedplaatsen. Zet vooral in op ondersteuning en faciliteren bij het formuleren van de d&i visie en kennisuitwisseling en wisselwerking tussen verschillende broedplaatsen (zie aanbeveling 3).
y
“Er is daar helemaal geen buurt. Het is een industrieterrein” -Enquête-
y
“Als gemeente met 17.000 medewerkers en een budget van 6 miljard euro moet je ruimer kunnen denken. Verborgen talenten op verschillende niveaus ruimte bieden en faciliteren. Broedplaatsen moeten ook hun rol kunnen vervullen. De kunstenaar moet soms ook een beetje uit het hokje komen. […] De gemeente heeft hierin een trekkersrol. Sommige kunstenaars zijn nog wel een beetje gesloten – ze kunnen wat meer doen, maar als gemeente kan je daarin ook meer doen. Onze benadering van hen, gesloten en elitair, klopt niet altijd. Hoe wil je talenten en kennis vinden van mensen, en deze op passende wijze inzetten? Wij vanuit het systeem eisen, als je steun wilt en geld, moet je dit en dat doen. Dan moet je gelijk concreet aangeven wat je levert. Kunstenaars denken niet zo. Dat systeem en die leefwereld botsen op alle fronten.” -Geïnterviewde-
December 2021
Box 6: Nulmeting, visie en actieplan Om een eigen focus en visie op d&i te bepalen kan het broedplaatsen helpen eerst een analyse te maken van de huidige situatie, kritisch naar de eigen organisatie te kijken en te beoordelen welke veranderingen en acties wenselijk zijn op het gebied van diversiteit en inclusie. Voor het kunstenplan heeft de gemeente een nulmeting ontwikkeld die instellingen online kunnen invullen. Bij de nulmeting heeft de gemeente zich gebaseerd op de Code D&I en het uitgangspunt van de vier p’s: programma, publiek, personeel en partners. De nulmeting bestaat uit 15 vragen op basis van de 4 p’s. Met enkele aanpassingen kan dit net zo goed als nulmeting dienen voor broedplaatsen. De belangrijkste aanpassing is de p’s ook aan te vullen met het onderdeel gebruikers/huurders. In het visiedocument van de broedplaats en bijbehorend actieplan formuleren broedplaatsen welke doelen zij hebben op d&i en koppelen daar acties aan. Dit is maatwerk en past bij de eigen focus en visie van de broedplaats. Het visiedocument en actieplan is vervolgens standaard input voor een stand van zaken gesprek (zie aanbeveling 5) op basis waarvan gemonitord kan worden. Beide documenten zijn geen doel op zich, maar dienen als richting om de koers aan te geven die nodig is om de broedplaats meer inclusief en divers te maken en houdt het onderwerp voortdurend op de agenda.
Ook biedt dit zowel de broedplaats als de gemeente inzicht in eventuele benodigde ondersteuning. Ook kan gedacht worden aan varianten op een ‘standaard’ actieplan. Waarom geen expositie over de visie en plannen van de broedplaats, of een act…of…. of…laat dat dan aan de broedplaats over. Bron: Nulmeting en actieplan diversiteit en inclusie Kunstenplan 2021-2024, bijlagen hoofdlijnen Kunstenplan, pag. 15-18
6 Faciliteer en ondersteun, met oog voor een systemische benadering
6.1 Waarom? Dit zeggen de bevindingen • Uit het onderzoek blijkt dat het gesprek voeren over d&i als lastig wordt ervaren. Ook is er onvoldoende ondersteuning bij het voeren van het gesprek, bij hulpvragen en/of bij initiatieven rondom d&i in broedplaatsen. Broedplaatsen geven aan dat ze soms niet weten waar ze moeten beginnen. Dit geldt voor zowel het starten van het gesprek als bijvoorbeeld het fysiek beter toegankelijk te maken van de broedplaats. • Het kennisniveau m.b.t. d&i is wisselend en we spreken niet altijd dezelfde taal (binnen gemeente en tussen gemeente en broedplaatsen). Respondenten geven aan het belangrijk te vinden ‘gezamenlijke woorden’ aan dit thema te geven. • Uit het onderzoek blijkt dat nog veel afhankelijk is van individuen en dat een meer systemische benadering ontbreekt. Uit het onderzoek blijkt dat veel kennis, expertise, ervaring, initiatieven en goede voorbeelden aanwezig zijn (zie o.a. box 7 en 8). Respondenten missen echter ondersteuning, kennisdeling en coördinatie rondom de opgave waarin het juist belangrijk is van elkaar te leren en mooie voorbeelden te verspreiden. • Uit het onderzoek blijkt dat de gemeente daar een belangrijke rol in kan spelen; ondersteunend en verbindend.
Box 7: pilot ‘divers en inclusief aan de top’ in broedplaatsen Met het programma Divers en Inclusief aan de Top bieden culturele instellingen, gefaciliteerd door Binoq Atana, gedurende een jaar een leerplek aan jong, divers talent. Dit kan zijn binnen het bestuur, of de Raad van Toezicht. Instellingen werken zo aan het inclusief en divers maken van de eigen organisatie, terwijl tegelijkertijd jong, divers talent de kans krijgt zich te ontplooien tot bestuurders en toezichthouders van de toekomst. Binnen enkele Amsterdamse broedplaatsen is een pilot van het programma uitgevoerd. Bron: Divers en Inclusief aan de Top, https://www.binoq. nl/projecten/divers-en-inclusief-aan-de-top/
• Nagenoeg alle broedplaatsen geven aan dat netwerk een belangrijke factor is in het creëren van meer inclusie en diversiteit. Ook op de vraag wat zijzelf nu nodig zouden hebben om meer inclusief en divers te worden, is netwerk het meest gekozen antwoord in de enquête. • Middelen, kennis, locatie en beleid worden ongeveer even vaak gekozen als factoren die in het algemeen een rol spelen. Als het gaat om de behoeften van broedplaatsen zelf, worden middelen vaker genoemd dan kennis en (ander) beleid. De helft van de broedplaatsen geeft aan extra middelen nodig te hebben om meer inclusief en divers te worden, bijvoorbeeld voor het opzetten van specifieke projecten en programmering. • Andere factoren die genoemd worden zijn bewustwording en motivatie om iets met dit onderwerp te doen en tijd die het kost om hierin iets op te bouwen.
21
22
Team Beleidsonderzoek
|
Diversiteit en Inclusie in broedplaatsen
• Breder dan d&i, maar een vaker gehoord geluid tijdens het onderzoek is dat de aansluiting van de gemeente bij de wereld van de broedplaatsen nog verbeterd kan worden, zo wordt de communicatie tussen kunstenaar en ambtenaar als verbeterpunt genoemd.
y
“De ambtenaren die de stad maken, voor hen is het belangrijk om de taal van de stad te leren spreken, op alle niveaus.” -Geïnterviewde-
December 2021
6.2 Aanbeveling 3: faciliteer en ondersteun met kennis en netwerk Voor deze aanbeveling geldt dat de gemeente dit niet allemaal zelf hoeft uit te voeren, de gemeente is faciliterend. Er is al veel kennis binnen de broedplaatsen en de gemeente, er zijn trainingen, mooie voorbeelden, in te zetten netwerken en er gebeurt een hoop binnen de broedplaatsen. De gemeente kan hierin als een belangrijke ‘spin in het web’ fungeren. Hiertoe doen we de volgende aanbevelingen: • Ondersteun met kennis over diversiteit en inclusie • Faciliteer en ondersteun kennisuitwisseling en netwerkverbindingen
veel tools en trainingen beschikbaar. Gebruik hierbij bijvoorbeeld het stappenplan van de Code D&I.
vooral wanneer er vacatures vrijkomen. Bij nieuwe
y
medewerkers wordt ook niet altijd gekozen voor iemand van kleur of specifieke expertise. Het is niet
“We doen ook aan inclusie en diversiteit in de
• Ook blijkt uit het onderzoek dat d&i in de gemeente nog onvoldoende onder de aandacht is en dat dit noodzakelijk is om een goede rol te kunnen spelen rondom de opgave. Ook wordt het gesprek in de gemeente nog onvoldoende structureel gevoerd.
y
Als je wil dat broedplaatsen en organisaties inclusief en divers worden, kan dat alleen als de mensen die erin zitten, hierin geloven. Je kan hard zeggen: als je het niet over
y
haalt krijg je geen subsidie. Met dit onderwerp kan dat niet, je hebt er niks aan om het op die manier te doen.
dat je met iemand werkt die niet met hij/zij wordt
Je maakt de organisatie niet anders, maar je krijgt
aangesproken. Een pdf ’je over hoe je hiermee omgaat,
weerstand. Het gaat om gesprekken voeren, blijven
kan al helpen. En ook bij bijvoorbeeld divers en inclusief
agenderen, en met stand van zaken gesprekken moet
aan de top, daarvoor loopt nu een trainee mee. Ik zou
het standaard op de agenda staan
wel wat advies willen over hoe ik met de trainee een -Geïnterviewde-
ook
aanspreekvormen.
Bijvoorbeeld
gesprek aan ga over of die zich comfortabel voelt bij ons. En gisteren had ik een video overleg. Was één man bij, en die maakte een opmerking die ik niet prettig vond, in bijzijn van 2 collega’s. Ik vind het moeilijk om dat gesprek te starten, had ik meteen moeten zeggen tegen hem, ‘sorry zo’n uitspraak is niet prettig’. Ik ben daar niet zo bedreven in, en wij als organisatie ook niet. Handvatten hoe je dat kan oppakken, helpt.” -Geïnterviewde-
een buurtbewoner iets met muziek wil doen, kan je bij ons terecht voor kennis, maar ook apparatuur. Wij hebben microfoons etc. uitgeleend voor een muziekshow op het plein. […] Wat ik heel goed vond via Bureau Broedplaatsen gedaan. En we hebben net een workshop gehad van IZI Solutions. Zij zijn heel goed op het gebied van bewustwording van d&i. Zou vet zijn als Bureau Broedplaatsen of de gemeente Amsterdam kan regelen dat zij bij elke broedplaats langsgaan. Dat werkt het beste. Dat hebben we met het hele team gedaan. Deze workshop was ook met de huistechnicus, chef, zakelijk directeur. Iedereen kwam op een gelijk niveau met betrekking tot d&i.”
Vergeet ook niet te investeren en kritisch te kijken naar de gemeentelijke organisatie. Organiseer ook trainingen voor interne stakeholders. Zoek ook hier de aansluiting en samenwerking met k&c. Zorg voor een betere aansluiting bij de wereld van de broedplaatsen. Dit zit ‘m vaak in communicatie van gemeente naar broedplaatsen, een uniforme terminologie en eenduidige taal (gelijk aan k&c) van de gemeente naar de sector lijkt verstandig. Ook is het essentieel om kritisch te kijken naar de diversiteit van de eigen organisatie. Door al deze aspecten tegen het licht te houden wordt het gesprek in de gemeente en ook tussen gemeente en broedplaatsen rondom d&i gemakkelijker, vanzelfsprekender en effectiever.
Ondersteun en faciliteer kennisuitwisseling en netwerkverbindingen Zet in op kennisuitwisseling en uitwisseling van goede voorbeelden. En zet in op (ondersteuning van) netwerkverbindingen die zorgen voor kennisdeling op het thema d&i in broedplaatsen. Daarbij gaat het om het leggen van verbindingen en kennisdeling tussen broedplaatsen onderling en tussen broedplaatsen en expertise op het gebied van inclusie en diversiteit. En zoek juist de verbinding met externe en ‘andere’, bijvoorbeeld meer cultureel diverse netwerken, dan de al bestaande verbindingen. Faciliteer daarin en ondersteun broedplaatsen die hier behoefte aan hebben, ook bijvoorbeeld met binding met de wijk. De gemeente heeft zicht op welke organisaties gevestigd zijn in de stadsdelen en buurten, en waar deze organisaties naar op zoek zijn. Zet in op en stimuleer kennisuitwisseling tussen broedplaatsen onderling. Er gebeuren zoveel goede en interessante dingen in broedplaatsen, waar andere broedplaatsen geïnspireerd door kunnen raken. Belangrijk is om in te zetten op verbinding van kennis en voorbeelden en deze te ontsluiten.