OIS (Februari 2021) Ontwikkeling armoede in coronatijd.pdf
Tekst van het document
In dit hoofdstuk kijken we hoe het huishoudensinkomen van verschillende groepen zich in de periode 2019-2020 ontwikkeld heeft, en in welke mate zij moeite hebben om rond te komen. Op deze manier wordt een beeld geschetst van welke groepen nu vaker een laag inkomen hebben en/of geen of onvoldoende financiële middelen. We kijken steeds naar de gemiddelde situatie over de laatste drie kwartalen van 2020, waardoor er een beeld ontstaat van de situatie tijdens de coronacrisis. Deze situatie wordt steeds vergeleken met dezelfde periode in 2019. De gegevens zijn gebaseerd op enquêtedata uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking.
Aandeel huishoudens met inkomen tot 120% sociaal minimum met drie procentpunt gestegen Het aandeel huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum ligt in 2020 drie procentpunt hoger dan in 2019 (22% t.o.v. 19%)19. Ook de groep huishoudens met een inkomen tussen 120% en 200% van het WML groeit met drie procentpunt, van 15% naar 18%. Tegelijkertijd nam de omvang van de groep die moeite heeft met rondkomen ook met drie procentpunt toe. In 2019 gaf 15% van de huishoudens aan moeilijk of zeer moeilijk te kunnen rondkomen. In 2020 is dit opgelopen tot 18% (zie figuur 7.1).
19
Op basis van de enquêtedata uit de REB is berekend hoe het zelf-gerapporteerde inkomen van huishoudens zich verhoudt tot het sociaal minimum voor huishoudens met de betreffende samenstelling. In Bijlage 1wordt uitgebreider beschreven hoe dit is gedaan en welke normbedragen er zijn gehanteerd.
35
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 6.1 Huishoudensinkomens ten opzichte van het sociaal minimum en mate waarin huishoudens rond kunnen komen, 2019-2020 (Q2 t/m 4) Huishoudinkomen
2019 (n=2.486)
19
2020 (n=3.037)
22 0
15
30 18
20
27 40
tot 120% SM
36
60
120-200% SM
%
33 80
200-300% SM
100
300% SM en meer
Rondkomen
2019 (n=2.687)
15
2020 (n=3.009)
18 0
(zeer) moeilijk
14 13 20
20
51
20
50
40 eerder moeilijk
60 eerder gemakkelijk
% 80
100
(zeer) gemakkelijk bron: REB, OIS
Zelfstandigen en uitkeringsafhankelijken gaan er in inkomen op achteruit en hebben vaker moeite om rond te komen Onder huishoudens die vooral afhankelijk zijn van een inkomen als zelfstandige is het aandeel met een laag inkomen toegenomen20. In deze groep had in de laatste drie kwartalen van 2020 20% van de huishouden een netto maandinkomen tot 120% van het sociaal minimum (t.o.v. 18% gemiddeld). In 2019 was dit nog 15%, gelijk aan het gemiddelde destijds. Ook huishoudens die een pensioen en/of AOW ontvangen en huishoudens die afhankelijk zijn van een andere uitkering (o.a. WW/WAO) hebben in 2020 vaker een laag inkomen dan in 2019. Hiervoor is nog geen eenduidige verklaring. Mogelijk zijn er in 2020 binnen de groep WW-gerechtigden meer personen met een relatief lage WW-uitkering, omdat dit jaar veel mensen met een kleinere baan hun werk verloren. Daarnaast kunnen huishoudens met een uitkering of pensioen als belangrijkste inkomstenbron een deel van hun aanvullende inkomsten (bijvoorbeeld uit (vrijwilligers)werk) zijn verloren als gevolg van de crisis. In grote lijnen is het patroon van inkomensachteruitgang terug te zien in de mate waarin verschillende groepen aangeven te kunnen rondkomen. Vooral zelfstandigen hebben daarmee in 2020 vaker moeite dan in 2019.
Vond in 2019 nog 11% van de zelfstandigen het moeilijk of zeer moeilijk om rond te kunnen komen, in 2020 is dit opgelopen tot 20%. Ook huishoudens die afhankelijk zijn van een uitkering anders dan bijstand (o.a. WW/WAO) hebben in 2020 vaker
20
In de REB werd aan respondenten de volgende vraag gesteld: ‘Wat is de voornaamste bron van inkomen van uw huishouden?’
36
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
moeite met rondkomen (van 32% naar 40% (zeer) moeilijk). Huishoudens in de bijstand hebben per definitie een laag inkomen. Zij hebben de meeste moeite om rond te komen, twee derde van deze huishoudensinkomen groep vindt dit (zeer)tot moeilijk. In 2019 lag dit aandeel hoger (72%). 120% sociaal minimum naar belangrijkste inkomensbron, 2019-2020 (Q2 t/m Q4) Figuur 6.2 Huishoudens met inkomen tot 120% van het sociaal minimum (boven) en aandeel dat (zeer) moeilijk rondkomt (onder) naar belangrijkste bron van inkomen, 2019-2020 (Q2 t/m 4)
80 70 60 50 48
40
43
30 20 10
0
27
22
20 9
22
19
15
%
8
2019 2020 2019 2020 2019 (186) 2020 2019 2020 2019 2020 (n=1598) (n=1844) (n=251) (n=237) (n=236) (n=225) (n=220) (n=2486) (n=3037) mate waarin huishoudens kunnen rondkomen nar voornaamste inkomstenbron, 2020 salaris, loon eigen bedrijf ovg. uitkering pensioen totaal
<120% SM 80
70
72
60
66
50 40 40
30
32
20
20
10 0
9 2019
10
11
2020
2019
salaris, loon
2020
eigen bedrijf
16 2019
2020
ovg. uitkering
2019
15
12 2020
pensioen
2019
2020
bijstand
2019
18 % 2020
totaal
(zeer) moeilijk bron: REB, OIS
Onder alleenwonende zelfstandigen groeit de groep met een laag huishoudensinkomen relatief hard. In 2020 gaat het om een op de vier (25%) huishoudens in deze groep, in 2019 was dit 18%. De consequenties van een inkomensachteruitgang zijn in deze groep vanzelfsprekend groter, omdat er geen andere personen met inkomen in het huishouden zijn. Ook stellen met thuiswonende kinderen met een inkomen als zelfstandige hebben in 2020 vaker een laag inkomen (van 13% naar 18%). Hetzelfde geldt voor stellen zonder kinderen, maar de toename is daar minder groot (van 11% naar 14%).
37
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
Alleen werkenden, huishoudensinkomen tot 120% sociaal minimum naar werksituatie, 2019-2020 (Q2 t/m Q4)
Figuur 6.3 Huishoudens met inkomen tot 120% van het sociaal minimum naar huishoudenstype en werkend in loondienst of als zelfstandige, 2019-2020 (Q2 t/m 4)
50 40 30 25
20 10 0
18 4
5
2019
2020
loondienst
2019
2020
zelfstandige
alleenstaand
4
4
2019
2020
loondienst
11 2019
14
2020
zelfstandige
paar zonder thuiswonende kinderen
18 11
10
2019
2020
loondienst
13 2019
2020
% 11
10
2019
2020
zelfstandige
loondienst
paar met thuiswonende kinderen
met huisgenoot*
<120% SM
* het aantal respondenten dat met een huisgenoot woont en zelfstandige is, is te klein om
bron: REB, OIS
over te rapporteren (n<50).
Meer jongeren en ouderen met laag inkomen, maar 45-66-jarigen hebben het vaakst moeite om rond te komen Het aandeel inkomens onder het sociaal minimum is het hoogst onder jongeren (32%). Zij zijn er ook het meest op achteruit gegaan ten opzichte van 2019, toen had nog 27% van de jongeren een laag inkomen. Ook de huishoudens van 45 tot 66-jarigen en van 67-75 jarigen hebben relatief vaak een laag inkomen (25%). In deze groepen nam dit aandeel respectievelijk met drie en vier procentpunt toe. Waar onder jongeren en 67-75 jarigen de groei van het aandeel lage inkomens het grootst is, heeft de leeftijdsgroep tussen de 44 en 66 jaar het vaakst moeite met rondkomen. In deze groep vindt 25% dit (zeer) moeilijk. Deze groep heeft mogelijk hogere vaste lasten waardoor een inkomensachteruitgang moeilijk op te vangen is. Zo hebben 45-66-jarigen vaker dan jongeren en 67-75 jarigen thuiswonende kinderen.
38
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
huishoudens met inkomen tot 120% sociaal minimum naar leeftijdsgroep, 20192020 (Q2 t/m Q4) Figuur 6.4 Aandeel huishoudens met inkomen tot 120% van het sociaal minimum en aandeel dat (zeer) moeilijk rondkomt, naar leeftijdsgroep van de respondent*, 2019-2020 (Q2 t/m 4)
50 40
30 20
32 27
25
22
10
25 21
14
13
mate waarin huishoudens kunnen rondkomen naar hh type, 2020
0
2019 (n=486)
2020 (n=560)
%
2019 2020 2019 2020 2019 (n=981) (n=1157) (n=939) (n=1162) (n=160)
18-27
27-45
45-67
2020 (n=158)
67-75
<120% SM
50 40 30 25
20 20 10 0
14
13 2019 (n=484)
16
13
12
11
2020 2019 2020 2019 2020 2019 (n=450) (n=1049) (n=1181) (n=1043) (n=1263) (n=170)
18-27
27-45
45-67
%
2020 (n=161)
67-75
(zeer) moeilijk *Vragen over het huishoudensinkomen zijn niet gesteld aan thuiswonende kinderen. In de leeftijdsverdeling komen daarom alleen zelfstandig wonende personen terug.
bron: REB, OIS
Huurders hebben relatief vaak een laag inkomen en hebben in toenemende mate moeite met rondkomen Van de bewoners van een sociale huurwoning21 heeft in de laatste drie kwartalen van 2020 ruim een op de drie (37%) een inkomen tot 120% van het wettelijk minimum. In het eerste kwartaal was dit nog 32%22. Daarmee is het aandeel lage inkomens in deze groep relatief hard gestegen. Maar ook huurders van een vrije sector huurwoning (huurprijs hoger dan €720) gaan er op achteruit. In Q2 t/m Q4 heeft 10% van deze groep een laag inkomen, in Q1 was dit nog 6%. Daarmee is de inkomenssituatie van huurders in de vrije sector in de laatste drie kwartalen minder goed dan die van woningeigenaren, terwijl deze in het eerste kwartaal nog ongeveer hetzelfde was. Eigenaren van een koopwoning met bruto woonlasten tot €644 hebben in 6% van 21
Sociale huurwoningen hebben een begrensde huurprijs, die in 2020 €720 kale huur per maand bedroeg. Dit woningaanbod is in principe bedoeld voor huishoudens met een lager inkomen. 22 Een vergelijking met 2019 is hier niet mogelijk, omdat vragen over de woonsituatie van huishoudens in 2020 voor het eerst gesteld zijn. Het eerste kwartaal van 2020 vertegenwoordigt daarom de situatie voor de coronacrisis.
39
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
de gevallen een laag inkomen 23. Dat is iets vaker dan woningeigenaren met hogere woonlasten (4%), maar in die laatste groep is het aandeel wel gestegen ten opzichte van het eerste kwartaal (+3 procentpunt). Een mogelijke verklaring daarvoor is dat huishoudens met inkomen als zelfstandige, relatief vaak een woning met hogere woonlasten bezitten. Het patroon van inkomensachteruitgang is terug te zien in de mate waarin verschillende groepen aangeven te kunnen rondkomen. Huurders in de sociale en vrije huursector hebben in Q2 t/m @4 vaker moeite met rondkomen dan in Q1. In de sociale huursector lag dit aandeel al hoog, het stijgt van 25% naar 29%. In de vrije huursector stijgt het aandeel dat moeilijk rondkomt van 10% naar 13%. Huurders in de vrije sector hebben vaak hoge woonlasten. Zij geven relatief vaak aan dat woonlasten de reden zijn dat zij moeite hebben met rondkomen (in 72% van de gevallen t.o.v. 39% gemiddeld). Ook huiseigenaren met woonlasten boven de €644 per maand hebben in de laatste drie kwartalen van 2020 vaker moeite met rondkomen. Figuur 6.5 Aandeel huishoudens met inkomen tot 120% van het sociaal minimum en aandeel huishoudens dat (zeer) moeilijk rondkomt, naar woonsituatie, Q1 vs. Q2 t/m Q4 2020
50 40 30
37 32
20 10
10
5
6
0
mate waarinQ1 huishoudens kunnen rondkomen naar hh type, Q2-Q4 Q1 Q2-Q4 Q12020
(n=184)
(n=750)
sociaal
(n=144)
(n=569)
vrije sector
(n=78)
6 Q2-Q4 (n=311)
woonlasten <€644
huurwoning
1 Q1 (n=151)
4
%
Q2-Q4 (n=548)
woonlasten >€644
koopwoning
<120% SM 50 40 30
20
29
25
10 0
10 Q1 (n=194)
Q2-Q4 (n=801)
sociaal
Q1 (n=152)
13 Q2-Q4 (n=614)
vrije sector
4
5
Q1 (n=84)
Q2-Q4 (n=326)
woonlasten <€644
huurwoning
3 Q1 (n=155)
7
%
Q2-Q4 (n=567)
woonlasten >€644
koopwoning (zeer) moeilijk bron: REB, OIS
23
Woonlasten bestaande uit aflossing en rente op hypotheek, premies en eventuele erfpachtcanon.
40
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Schulden vaker genoemd als reden voor moeite met rondkomen De meeste huishoudens met moeite met rondkomen geven aan dat dit door een te laag inkomen komt (62%). Onder uitkeringsgerechtigden is dit aandeel het hoogst, het gaat om 82% van de bijstandsontvangers met moeite met rondkomen en 75% van de ontvangers van andere uitkeringen. Voor huishoudens met inkomen uit loondienst, een eigen bedrijf of pensioen ligt dit rond de 50%. Voor deze groepen spelen hoge woonlasten relatief vaak een rol, met name als men een woning met vrije sector huurprijs huurt. Schuldenproblematiek wordt in de laatste drie kwartalen iets vaker als een reden genoemd dan in het eerste kwartaal (Q1 10%; Q2 t/m Q4 15%). Tegelijkertijd zijn er niet meer huishoudens die aangeven dat schulden een probleem vormen en lijkt de omvang van de schulden ook niet te zijn toegenomen (zie paragraaf 7.7). Dit wijst erop dat voornamelijk de perceptie van de schulden is veranderd. Voor huishoudens met thuiswonende kinderen (19%), 27 tot 45-jarigen (18%) en huurders in de vrije sector (19%) vormen schulden relatief vaak een reden dat zij moeilijk kunnen rondkomen. Figuur 6.6 Reden dat men aangeeft moeite te hebben met rondkomen, Q1 vs. Q2 t/m Q4 2020
70 60
60
62
50 44 39
40 30 20
16
16
15 10
10
% 0
laag inkomen
hoge woonlasten hoge energielasten Q1 (n=252)
schulden
Q2-Q4 (n=958) bron: REB, OIS
41
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Situatie schuldenproblematiek stabiel in jaren voor crisis Op basis van CBS gegevens blijkt dat in 2018 bij 11,2% (52.540) van de Amsterdammers sprake is problematische schulden 24. Dit is een lichte afname t.o.v. 2015 toen nog bij 12,4% van de Amsterdammers sprake was van problematische schulden. Het percentage Amsterdammers ligt hoger dan het landelijke gemiddelde van 8,2%, maar lager dan in Den Haag (14,1%) en Rotterdam (15,8%). In de rapportage wordt ook beschreven welk gedeelte van de bevolking een verhoogd risico heeft op het ontwikkelen van problematische schulden. Het percentage Amsterdammers met een verhoogd risico op schulden ligt met 5,2% bijna twee keer zo hoog als het landelijke percentage (2,7%). Hoewel het percentage Amsterdammers met schulden lager ligt dan in Rotterdam in Den Haag is het percentage inwoners met een verhoogd risico met 5,2% wel gelijk in alle drie de steden. Figuur 6.8 Aantal personen met problematische schulden, 2015 – 2018
14
%
12
10 8 6
4 2 0 2015
2016
2017
Amsterdam
Nederland
2018
bron: CBS
Voorlopig geen toename in het aantal huishoudens met schulden Om de ontwikkeling van schulden bij Amsterdamse huishoudens tijdens de crisis te volgen is gebruik gemaakt van de regionale enquête beroepsbevolking (REB). Uit deze enquête blijkt dat het aandeel Amsterdamse huishoudens met schulden (anders dan studieschulden en/of normale hypotheeklasten) in de periode 2019-2020 nauwelijks verandert. In 2020 geeft in totaal 11% van de respondenten aan dat zij schulden hebben. Zes procent met schulden ervaart deze schulden niet of slechts een beetje als een probleem; 5% ervaart hun schulden als een (groot) probleem. Ook landelijk zien we nog geen sterke veranderingen als het gaat om schulden. In de periode maart-oktober 2020 was het aantal aanmeldingen voor schuldhulp bij gemeenten alleen in
24
Schuldenproblematiek in beeld, CBS
42
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
september hoger dan in dezelfde periode in 2019.25 Naar verwachting zal het aantal huishoudens met schulden op termijn wel toenemen als gevolg van de coronacrisis. Gemiddeld wachten mensen met betaalproblemen vijf jaar voordat zij hulp zoeken. 26 Waarschijnlijk wordt een verergering van schuldenproblematiek als gevolg van de coronacrisis daarom pas later zichtbaar. Figuur 6.9 Aandeel Amsterdammers met schulden*, naar de mate waarin zij deze schulden als een probleem ervaren, 2019-2020
100
%
90 80 70 60 50 40 30
20 10
0
5 8
6 8
4 6
5 6
4 6
5 6
4 7
6 6
Q1
Q2
Q3
Q4
Q1
Q2
Q3
Q4
5 6
2020 2019 (n= 4.145) (n=4.674) totaal
2020
2019 een (groot) probleem
5 7
geen of een beetje een probleem
*Normale hypotheeklasten zijn niet meegerekend; hypotheekachterstanden wel. Personen met alleen een studieschuld worden niet meegeteld in de groep mensen met schulden.
bron: Regionale Enquête Beroepsbevolking (OIS)
Gebruik voedselbank stijgt met 49% Het gebruik van de Voedselbank is een van de meest directe indicatoren van financiële problematiek. Sinds het begin van de coronacrisis is het aantal Amsterdamse huishoudens dat voedselpakketten ontvangt sterk toegenomen. Eind december 2020 waren dit er 49% meer dan eind februari van dat jaar. De Amsterdamse voedselbank heeft er in deze periode circa 650 huishoudens bij gekregen. Voor deze huishoudens zorgt de crisis direct voor ernstige financiële problemen. Een deel van hen kan dankzij hulpverlening na een paar maanden weer uitstromen bij de Voedselbank.27 Er is echter ook een groep die naar verwachting voor langere tijd zal zijn aangewezen op voedselpakketten.28
25
Bron: NVVK & Divosa (december 2020). Bron: Nibud in ESB (2019). 27 Bijvoorbeeld door het op orde brengen van uitkeringen, voorzieningen en eventueel uitgaven. 28 OIS onderzoekt momenteel de achtergrondkenmerken en het verloop van de klantenpopulatie van de Amsterdamse voedselbank. De resultaten van dit onderzoek worden in de loop van 2021 in een aparte rapportage gepubliceerd. 26
43
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 6.3 Aantal Amsterdamse huishoudens bij de Amsterdamse voedselbank (januari 2019 – december 2020) 2000 1800 1600 1400 1200 1000 800 600 400 200 0
2019
2020
bron: VBA (via coronadashboard OIS)
44
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
7 Verwachte ontwikkeling minimapopulatie 2020 en later
Als gevolg van de effecten van het coronavirus op de economie zal de armoede in Amsterdam toenemen en daarmee het aantal Amsterdammers dat aanspraak kan maken op armoedevoorzieningen (ook wel: minimavoorzieningen). De afdeling WPI heeft OIS gevraagd om een schatting te maken van het aantal Amsterdammers dat de komende jaren recht heeft op minimavoorzieningen. De belangrijkste voorwaarden om aanspraak te kunnen maken op minimavoorzieningen zijn samengevat in het onderstaande kader. Voorwaarden recht op minimavoorzieningen Gemeente Amsterdam* Jaarinkomen van het huishouden tot 120% van het Sociaal Minimum (SM); Huishoudvermogen tot de bijstandsnorm; Toetsingsinkomen is het jaarinkomen in het voorgaande jaar. * Selectie van de meest relevant voorwaarden voor dit onderzoek. Voor een volledig overzicht, zie https://www.amsterdam.nl/werk-inkomen/pak-je-kans/wat-is-een-laag-inkomen-en-weinig/
Met de Amsterdamse Armoedemonitor brengt OIS jaarlijks de omvang van de Amsterdamse minimapopulatie in kaart. Dit gebeurt op basis van integrale inkomens- en vermogensbestanden, met daarin jaarinkomens op huishoudniveau. 29 Deze bestanden zijn echter niet actueel; de gegevens over 2020 komen pas eind 2021 beschikbaar. In dit rapport maken we gebruik van een aantal verschillende databronnen waarin al wel gegevens over (het merendeel van) 2020 beschikbaar zijn. Op basis van deze gegevens maken we een schatting van de ontwikkelingen in het aantal huishoudens met recht op minimavoorzieningen in 2021 en daarna.
Verwachte groei minimapopulatie in 2020 circa 10% We bespreken de uitkomsten van de schatting van de ontwikkeling van de minimapopulatie in 2020. De onderliggende aannames en aanvullende overwegingen worden toegelicht in Bijlage 1. De situatie in 2018 (meest recent beschikbare integrale gegevens) vormt het uitgangspunt voor de schatting van het aantal huishoudens met recht op minimavoorzieningen in 2021. In 2018 telde Amsterdam ca. 84.400 huishoudens met een inkomen tot de lage inkomensgrens van 120% SM. Van deze huishoudens hadden ca. 68.000 (81%) behalve een laag inkomen ook een
29
Het Integraal Inkomens- en Vermogensbestand (IIV) van CBS.
45
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
vermogen tot de bijstandsnorm. Deze 68.000 huishoudens, met daarin circa 109.100 personen, vormen de minimapopulatie van 2018.30 In 2019 is het aantal huishoudens met een inkomen tot 120% SM in Amsterdam 82.900.31 Op basis van de aanname dat opnieuw 81% van de huishoudens met een laag inkomen ook een laag vermogen heeft, schatten we het aantal Amsterdamse minimahuishoudens in 2019 op 67.100 (figuur 7.1, paarse lijn).32 We identificeren een groep van totaal 6.600 huishoudens waarvan wordt aangenomen dat zij in 2020 zeer waarschijnlijk zijn ingestroomd in de minimagroep: 1.600 huishoudens die in 2020 zijn ingestroomd in de bijstand en 5.000 huishoudens die een groot deel van 2020 gebruik maken van Tozo en weinig vermogen hebben. Voor deze groep bijstands- en Tozo-ontvangers bieden de beschikbare registraties aanwijzingen dat zij waarschijnlijk zijn ingestroomd in de minimagroep.33 Dit komt neer op een groei van de minimapopulatie van 10% in 2020 ten opzichte van 2019. Het totale aantal minimahuishoudens in 2020 zou hiermee op 73.700 uitkomen (figuur 7.1, groene lijn). Een tweede schatting is gemaakt op basis van gegevens uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) over zelfgerapporteerde inkomens. In kwartaal twee tot en met vier van 2020 gaf 22% van de ondervraagde huishoudens aan een inkomen te hebben tot 120% van het sociaal minimum.
In dezelfde periode in 2019 was dit nog 19%. Het aandeel huishoudens met een laag inkomen is op basis van de enquêtegegevens dus met drie procentpunt gestegen. De geschatte toename van het aantal Amsterdamse huishoudens met een laag inkomen (tot 120% SM ongeacht vermogen) in 2020 ten opzichte van 2019 is hiermee 14.200. Als wordt aangenomen dat deze huishoudens even vaak als gemiddeld in Amsterdam een vermogen hebben onder de bijstandsnorm (47% van alle huishoudens), leidt dit tot een toename van in totaal ongeveer 6.700 minimahuishoudens in 2020, een groei van 10% ten opzichte van 2019 (figuur 7.1, oranje lijn). De verwachting komt hiermee uit op een totaal van 73.800 minimahuishoudens in 2020. Dit is bijna gelijk aan de verwachting op basis van de instroom in de bijstand en gebruik van de Tozo. Naast huishoudens die gebruik maken van de Tozo of bijstand is er zeer waarschijnlijk ook een groep huishoudens die in 2020 wel is ingestroomd in de minimagroep, maar geen gebruik maakt van bijstand of Tozo. Denk hierbij bijvoorbeeld aan huishoudens (met een laag vermogen) van personen die zijn ingestroomd in de WW en hierdoor een laag huishoudinkomen hebben of werkenden wiens inkomen als gevolg van de coronacrisis onder de lage inkomensgrens is gedaald. De omvang van deze groep is moeilijk te schatten.
Bovenstaande prognose op basis van de REB-enquête beslaat in principe alle Amsterdammers, niet alleen de groep die gebruik maakt van bijstand of Tozo. Desondanks valt de schatting op basis van de enquête nauwelijks hoger uit dan de schatting op basis van de bijstands- en Tozoregistraties. Dit wijst erop dat de omvang van de groep minimahuishoudens die geen gebruik maakt van bijstand of Tozo vooralsnog beperkt is 30
Bron: Amsterdamse Armoedemonitor 2019 Bron: CBS Statline. 32 In de periode 2016-2018 ligt aandeel minimahuishoudens onder alle huishoudens met een laag vermogen stabiel op 81%. 33 Voor een overzicht van de voorwaarden waaronder een huishouden met bijstand of Tozo tot de minima behoort, zie de kaders in Bijlage 1. 31
46
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
toegenomen. De enquêtegegevens op kwartaalbasis laten echter ook zien dat het aandeel huishoudens met een inkomen tot 120% SM gedurende 2020 stijgt. Huishoudens die later in het jaar een inkomensdaling meemaken hebben op jaarbasis mogelijk een inkomen boven de lage inkomensgrens van 120% SM, maar lopen wel risico op financiële problemen. Als hun inkomenssituatie niet verandert stromen deze huishoudens (bij een laag vermogen) in het volgende jaar alsnog in in de minimagroep. Figuur 7.1 Aantal minimahuishoudens in Amsterdam 2011-2018* en verwachte ontwikkeling 2019-2020 90.000 80.000
66.500 69.200
70.000
72.900 73.900 70.700 70.100 68.400 68.000 67.100
+10% (73.800) +10% (73.700)
60.000 50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
minimahuishoudens verwachting ontwikkeling 2018-2019 schatting op basis van instroom bijstand en Tozo schatting op basis van zelfgerapporteerd inkomen
*met een heel jaar inkomen, exclusief studentenhuishoudens en instituten
7.1.1 Niet alle huishoudens met recht op voorzieningen maken hier ook gebruik van Het voorzieningenbereik is het percentage huishoudens dat gebruik maakt minimavoorzieningen, ten opzichte van de totale groep huishoudens met recht op voorzieningen. In 2019 lag het totaalbereik van de minimavoorzieningen op 73% voor de hele groep minimahuishoudens.34 Het voorzieningenbereik verschilt per groep. Rechthebbende huishoudens met bijstand en huishoudens met kinderen maak relatief vaak gebruik van voorzieningen; alleenstaande en werkende minima worden minder goed bereikt. We verwachten niet dat alle huishoudens die in 2020 zijn ingestroomd in de minimagroep in 2021 ook gebruik zullen maken van de voorzieningen waar zij recht op hebben. Ten eerste bestaat een groot deel van de nieuwe instroom uit ondernemers, een groep die minder dan gemiddeld geneigd is om gebruik te maken van voorzieningen. Onder minimahuishoudens met een eigen bedrijf was het totaalbereik in 2019 slechts 14%. Ten tweede ligt het voorzieningenbereik over het algemeen lager onder huishoudens die kortdurend tot de minima behoren. Dit blijkt uit eerdere analyses van de dynamiek van het voorzieningengebruik.35 Als de economie in de loop van 2021 weer aantrekt, zullen huishoudens wiens inkomen snel weer boven de minimagrens uitstijgt minder geneigd zijn om voorzieningen aan te vragen. Hier staat 34 35
Bron: Armoedemonitor 2019 Bron: Armoedemonitor 2019
47
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
tegenover dat veel zelfstandigen door het aanvragen van de Tozo-regeling beter op de hoogte zijn van gemeentelijke voorzieningen en drempel tot het aanvragen ervan mogelijk lager is. Gelet op de groei van de doelgroep van de regelingen, het grote bereik van de Tozo en wat bekend is van de dynamiek van het voorzieningengebruik verwachten we dat het bereik op zijn best stabiel blijft, maar waarschijnlijker is dat het (licht) zal dalen.
Ontwikkelingen 2021 en later nog onzeker; effecten crisis deels vertraagd merkbaar De inschatting van de minimapopulatie in 2020 is gemaakt op basis van registraties en enquêtegegevens die over (het merendeel van) 2020 beschikbaar zijn. De ontwikkeling van de minimapopulatie in 2021 en daarna is afhankelijk van het verloop van de coronacrisis en daarmee omgeven door onzekerheden. Hoe langer de huidige omstandigheden aanhouden, hoe onzekerder het verloop van het economisch herstel en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor de minimapopulatie. Desondanks kunnen we er van uitgaan dat de effecten van de coronacrisis die we in 2020 observeren ook in 2021 en later zullen doorwerken. Het CPB raamde in november 2020 dat, wanneer de pandemie in 2021 onder controle komt, de landelijke werkloosheid oploopt van 3,4% in 2019 naar 6,1% in 2021. Op basis van gegevens over de afgelopen tien jaar is te zien dat het werkloosheidspercentage sterk verband houdt met het aandeel minimahuishoudens in de stad. In de rest van dit hoofdstuk schetsen we een aantal van de mogelijke ontwikkelingen voor de Amsterdamse minimapopulatie in 2021 en later.
7.2.1 Vertraagde effecten van de crisis op ontwikkeling minimapopulatie Niet alle effecten van corona op de inkomenssituatie van Amsterdammers zullen in 2020 al een effect hebben op de omvang van de minimapopulatie. Een deel van de huishoudens die financieel geraakt worden door de coronacrisis hebben mogelijk wel een deel van 2020 een inkomen onder de lage inkomensgrens van 120% SM, maar behoren op basis van hun jaarinkomen nog niet tot de minima in 2020. Als hun inkomenssituatie in 2021 niet verandert, of pas laat herstelt, zullen zij in 2021 wel instromen in de minimagroep. Een vertraagd effect kan ook optreden voor huishoudens met een laag inkomen die gedurende de crisis moeten interen op hun vermogen. Zij zullen pas instromen in de minimagroep op het moment dat hun vermogen onder de bijstandsnorm komt te liggen. Voor een deel van de zelfstandigen zal pas na de crisis duidelijk worden wat de toekomst van hun bedrijf is. Het aantal faillissementen was in 2020 laag, waarschijnlijk speelt het steunpakket hierbij een rol.36 Wanneer de economie weer aantrekt en de overheidssteun wordt afgebouwd, zullen sommige zelfstandigen alsnog te maken krijgen met financiële problemen, waardoor zij en hun eventuele werknemers risico lopen in te stromen in de minimagroep.
Tegelijkertijd zijn er ook ondernemers die juist kunnen inspelen op de huidige situatie, zo werden er landelijk in het derde kwartaal van 2020 in de handelssector meer nieuwe bedrijven opgericht dan een jaar eerder. Dit was met name een gevolg van een groei in het aantal webwinkels.37
36 37
Bron: CBS (https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2021/02/minder-faillissementen-in-2020) Bron: CBS (https://www.cbs.nl/nl-nl/nieuws/2020/45/16-procent-minder-bedrijven-opgericht-in-derde-kwartaal)
48
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Tot slot wordt een deel van de potentiele instroom in de minimagroep in 2020 eerst opgevangen door de WW. In 2020 is de omvang van de groep met een WW-uitkering sterk gestegen. De duur van de WW-uitkering hangt samen met het arbeidsverleden en kan variëren van drie maanden tot twee jaar. Vóór de crisis stroomde 7,1% van de Amsterdammers vanuit WW door naar de bijstand.38 Bij een verslechterde arbeidsmarkt ligt dit percentage mogelijk hoger. Hier staat tegenover dat de groep die in 2020 instroomde in de WW voor een groot deel bestaat uit jongeren. Zij zullen, zeker in een herstellende economie, waarschijnlijk makkelijk weer een baan vinden dan de groep WW’ers van vóór de crisis.
7.2.2 Groot deel nieuwe instroom minimagroep heeft relatief veel kans op (duurzame) uitstroom Eerder onderzoek ten behoeve van de Amsterdamse Armoedemonitor laat zien dat de kans op (duurzame) uitstroom uit de armoede verschilt per groep. Jongeren worden in 2020 hard geraakt door de gevolgen van de crisis, maar deze groep stroomde in het verleden ook relatief vaak duurzaam uit de minimagroep. Daar komt bij dat mensen die kort tot de minima behoren meer kans hebben op duurzame uitstroom dan mensen die langer in armoede leven. Hoe sneller de economie herstelt, hoe groter de kans dat de mensen, vooral jongeren die eerder hebben gewerkt, die in 2020 (en eventueel 2021) instroomden ook snel weer uitstromen. Desondanks zal de omvang van de minimagroep zelfs bij een voorspoedig economisch herstel waarschijnlijk niet direct terugkeren naar het niveau van vóór de crisis. In de jaren voorafgaand aan de coronacrisis daalde de jaarlijkse uitstroom uit de minimagroep en steeg het aandeel minima dat langdurig arm was. Zelfs in een periode van hoogconjunctuur was er voor een deel van de bestaande minima dus weinig perspectief op inkomensverbetering. Voor deze groep, maar ook voor oudere en laagopgeleide Amsterdammers die in de coronaperiode zijn ingestroomd, zal het ook na de crisis lastig blijven om uit de armoede te komen.
38
Bron: onderzoek UWV (mei 2019).
49
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Bijlage 1 Toelichtingen bij verwachte ontwikkeling minimapopulatie in 2020
Bijstand Huishoudens met een huishoudinkomen en vermogen onder de bijstandsnorm kunnen gebruik maken van een bijstandsuitkering. Van eind 2019 naar eind 2020 is het aantal bijstandsuitkeringen met ca 1.600 gestegen van 38.800 naar 40.400 een stijging van 4,2%. Personen met een bijstandsuitkering behoren per definitie tot een huishouden met een maandinkomen tot 100% SM en een vermogen tot de bijstandsnorm (zie kader). Hoe meer maanden van het jaar een huishouden bijstand ontvangt, hoe groter de kans dat het jaarinkomen van het huishouden onder de lage inkomensgrens van 120% SM uitkomt. Hierbij geldt dat huishoudens waarvan het inkomen voorafgaand aan de instroom in de bijstand al relatief laag is vaker uitkomen op een jaarinkomen van <120% SM dan huishoudens met vóór de bijstand relatief een relatief hoog inkomen.
Bijstandsuitkering Voorwaarden/kenmerken: Huishoudinkomen <100% SM per maand; Huishoudvermogen tot de bijstandsnorm. Wanneer minima: Huishoudens die een heel jaar gebruik maken van bijstand, behoren dat jaar altijd tot de minima (jaarinkomen maximaal 100% SM); Huishoudens die een gedeelte van het jaar gebruik maken van bijstand, behoren tot de minima als het jaarinkomen in totaal lager is dan <120% SM. Hoe langer de bijstand duurt en hoe lager het inkomen voorafgaand aan de bijstand, hoe groter de kans dat een huishouden tot de minima behoort. Voor de prognose wordt ervan uitgegaan dat de netto toename in het aantal huishoudens met een bijstandsuitkering resulteert in even grote stijging in het aantal huishoudens met een jaarinkomen onder 120% SM (en weinig vermogen). Het daadwerkelijke aantal huishoudens met een bijstandsuitkering met een jaarinkomen onder 120% SM kan echter lager liggen doordat huishoudens die slechts een gedeelte van het jaar gebruik maken van bijstand uitkomen op een jaarinkomen hoger dan 120% SM.
Tozo Ondernemers wiens inkomen als gevolg van de coronacrisis onder de bijstandsnorm raakt kunnen gebruik maken van de Tijdelijke ondersteuning zelfstandig ondernemers (Tozo). Deze
50
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
uitkering vult het maandinkomen aan tot het bijstandsniveau. Voor het recht op Tozo 1 (maart t/m mei 2020) werd alleen gekeken naar het inkomen van de ondernemer zelf. Vanaf Tozo 2 telt zowel het inkomen van de ondernemer als dat van een eventuele partner. Het aantal Tozouitkeringen loopt van 36.620 (Tozo 1, maart t/m mei 2020) terug naar 20.330 (Tozo 2, juni t/m september 2020) en 17.240 (Tozo 3, oktober 2020 t/m maart 2021, peildatum eind december 2020) uitkeringen.39 Van alle huishoudens met een Tozo 2 uitkering maakte 90% ook gebruik van Tozo 1. In totaal voldoet 29% aan de volgende drie voorwaarden: ze maakten ook gebruik van Tozo 1, hebben een vermogen onder de bijstandsnorm (schatting op basis van gegevens over 2018) en ze behoorden in 2018 nog niet tot de Amsterdamse minima. Als dezelfde verhoudingen gelden voor de groep van 17.240 huishoudens met Tozo 3 betekent dit dat circa 15.450 Tozo 3 gebruikers ook gebruik maakten van Tozo 2 (en dus gedurende het merendeel van 2020 een inkomen rond het sociaal minimum hebben), waarvan 5.000 huishoudens met een laag vermogen die eerder nog niet tot de minima behoorden. Deze huishoudens hebben in 2021 zeer waarschijnlijk recht op minimavoorzieningen. Voor deze schatting maken we gebruik van minima- en vermogensgegevens over 2018 (peildatum 1 januari). Uiteraard kan de vermogenssituatie in 2020 anders zijn.
Daarnaast heeft mogelijk een deel van de ondernemers in 2020 (een deel van) hun vermogen ingezet om de terugval in inkomen als gevolg van de coronacrisis op te vangen. Tozo 1 Voorwaarden/kenmerken Ondernemer met persoonlijk inkomen <100% SM; Geen voorwaarden huishoudinkomen; Geen voorwaarden vermogen. Wanneer minima: Bij huishoudinkomen <120% SM, EN Inkomenssituatie houdt lang genoeg aan zodat jaarinkomen lager is dan <120% SM; EN Vermogen tot de bijstandsnorm.
Tozo 2 en Tozo 3 Voorwaarden/kenmerken Ondernemer met huishoudinkomen <100% SM; Geen voorwaarden vermogen. Wanneer minima: Inkomenssituatie houdt lang genoeg aan zodat jaarinkomen lager is dan <120% SM (kans is groter voor ondernemers die van meerdere Tozo regelingen gebruik hebben gemaakt); EN Vermogen tot de bijstandsnorm. 39
Gegevens over Tozo 3 gaan over het aantal voorschotten, het aantal toekenningen is nog niet bekend.
51
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Schatting minimagroep op basis van Regionale Enquête Beroepsbevolking De Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) is een doorlopende enquête waarin kenmerken van personen in verband gebracht worden met hun positie op de arbeidsmarkt. In de enquête wordt de respondenten o.a. gevraagd naar hun netto huishoudinkomen op basis van negen categorieën (lopend van ‘minder dan €1000’ tot ‘meer dan €6001). Voor elke respondent is vastgesteld hoe het huishoudinkomen, op basis van de bovengrens van de inkomenscategorie, zich verhoudt tot het sociaal minimum. Hierbij is rekening gehouden met de verschillende normbedragen afhankelijk van het huishoudtype. Op basis van de enquête ligt het aandeel huishoudens met een inkomen tot 120% SM in de laatste drie kwartalen van 2020 3%-punt hoger dan in dezelfde periode in 2019. Op basis van gegevens over inkomen uit de REB is het aantal huishoudens met een laag inkomen (tot 120% SM, ongeacht vermogen) in 2020 naar schatting 14.200 hoger dan in 2019. Op basis van de aanname dat 47% van deze huishoudens ook weinig vermogen heeft (dit is het gemiddelde onder alle Amsterdamse huishoudens), leidt dit tot een toename van totaal 6.680 minimahuishoudens in 2020. Tabel B1 Gebruikte normbedragen per huishoudtype bij de indeling van REB-inkomens ten opzichte van het sociaal minimum huishoudentype
18-21 jarigen
21-66 jarigen
66 jaar en ouder
1 alleenstaand
€
260
€
1.052
€
1.176
2 (echt)paar zonder (thuiswonende) kind(eren)
€
520
€
1.503
€
1.594
3 (echt)paar met thuiswonend(e) kind(eren)
€
820
€
1.503
€
1.594
4 één-ouder met thuiswonend(e) kind(eren)
€
260
€
1.052
€
1.176
5 anders, met thuiswonend(e) kind(eren)
€
820
€
1.503
€
1.594
6 anders, zonder thuiswonend(e) kind(eren)
€
520
€
1.503
€
1.594
7 studentenhuis
€
260
€
1.052
€
1.176
8 met huisgenoot, geen studentenwoning
€
260
€
1.052
€
1.176
9 geen antwoord
€
260
€
1.052
€
1.176 bron: Rijksoverheid
Werkzaam in loondienst Voorwaarden/kenmerken Geen. Wanneer minima: Bij huishoudinkomen (inkomen uit loon + eventueel inkomen partner) <120% SM per maand; EN Inkomenssituatie houdt lang genoeg aan zodat jaarinkomen lager is dan <120% SM; EN Vermogen tot de bijstandsnorm.
52
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
WW-uitkering Voorwaarden/kenmerken De uitkering is 70-75% van het inkomen voorafgaand aan de WW*; Geen voorwaarden huishoudinkomen; Geen voorwaarden vermogen. Wanneer minima: Bij huishoudinkomen (WW + eventueel inkomen partner) <120% SM per maand; EN Inkomenssituatie houdt lang genoeg aan zodat jaarinkomen lager is dan <120% SM; EN Vermogen tot de bijstandsnorm. *Gemaximeerd op dagloon van 219,28 en hoger dan 70-75% bij werk naast WW (toegestaan tot inkomen van maximaal 87,5% van de WW-uitkering)
53
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Bijlage 2 Methodologische verantwoording
Polisadministratie (werkenden in loondienst) Inkomensgegevens van personen die werken in loondienst zijn gebaseerd op bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden met daarin gegevens over banen en lonen van werknemers bij Nederlandse bedrijven. De analyses zijn uitgevoerd voor de populatie Amsterdammers van 18 jaar en ouder op 1 januari van het verslagjaar. Per maand is het aantal personen dat in de betreffende maand werk in loondienst heeft berekend, met uitsplitsingen naar contractsoort, wekelijkse arbeidsduur, sector, maandloon, leeftijd en huishoudtype. Als iemand meerdere banen heeft, is voor de gegevens over contractsoort, wekelijkse arbeidsduur en sector alleen gekeken naar de hoofdbaan. De hoofdbaan is gedefinieerd als de baan met het hoogste maandloon (loon exclusief bijzondere beloningen, toeslagen en overwerkloon). Voor personen met meerdere banen wordt per maand bepaald wat de hoofdbaan is. Het Nederlands gemiddeld bruto maandloon exclusief overwerk voor personen met werk in is afkomstig van CBS statline.
WW De gegevens over de WW zijn gebaseerd op bij het CBS beschikbaar gestelde microdatabestanden met daarin lopende werkloosheidsuitkeringen aan personen per maand. De analyses zijn uitgevoerd voor de populatie Amsterdammers van 18 tot en met 65 jaar oud op 1 januari van het verslagjaar. Om het aantal personen met een WW-uitkering per maand te bepalen is gekeken naar het aantal Amsterdammers met een lopende WW-uitkering op de laatste dag van de betreffende maand. Personen worden beschouwd als uitgestroomd uit de WW als zij in de voorgaande maand een WW-uitkering hebben en in de huidige maand niet. De reden van uitstroom is gebaseerd op de registratiegegevens van het CBS.
Tozo Informatie over welke Amsterdammers een toekenning Tozo 1 en/of Tozo 2 hebben gekregen zijn afkomstig van de afdeling Tozo van WPI. Deze gegevens zijn in de beveiligde analyseomgeving van het CBS gekoppeld aan CBS microdatabestanden met achtergrondkenmerken van personen afkomstig uit de BRP en gegevens over opleidingsniveau en huishoudvermogen. Het aantal Tozo 3 toekenningen is afkomstig uit het coronadashboard van OIS.
54
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Regionale Enquête Beroepsbevolking De enquêtedata uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) 2019 en 2020 vormen de basis van de analyses in hoofdstuk 4 (situatie zelfstandigen) en 6 (aandeel huishoudens met een laag inkomen). De REB wordt uitgevoerd door OIS en verstrekt informatie over de arbeidsmarktsituatie van Amsterdammers. De REB wordt elk kwartaal uitgezet onder personen in de leeftijd 15 tot 75 jaar (de potentiële beroepsbevolking). Personen woonachtig in inrichtingen, instellingen en tehuizen worden niet meegenomen. Om een representatieve groep inwoners te bereiken wordt er een gestratificeerde steekproef getrokken uit de Basisregistratie Personen. Stratificatie vindt plaats op basis van woongebied, leeftijdsgroep en migratieachtergrond. In dit onderzoek zijn alleen respondenten van 18 jaar en ouder meegenomen. In 2020 bedroeg de respons van volwassen respondenten 4.416. In 2019 was dit 3.932. Het huidige onderzoek richt zich op de inkomenssituatie van alle huishoudens in Amsterdam; de de REB-data bevatten alleen informatie over huishoudens van respondenten tot 75 jaar oud. Voor ouderen kan op basis van deze bron daardoor geen volledig beeld van de inkomenssituatie worden gegeven. Tabel B3 geeft de respons voor enkele belangrijke achtergrondkenmerken in 2019 en 2020 weer, samen met de feitelijke verdeling in Amsterdam op basis van registraties.
Naast ouderen en daarmee gepensioneerden, zijn lager en middelbaar opgeleiden ondervertegenwoordigd in de REB-data. De verdeling naar deze kenmerken is in 2020 redelijk stabiel ten opzichte van 2019. Tabel B3 Respons REB 2019 en 2020 naar opleiding, leeftijd en voornaamste inkomensbron, vergeleken met registraties variabele
opleidingsniveau (15-74 jaar) (2) leeftijdsgroep
voornaamste bron van inkomen van het huishouden
categorie
laag opgeleid midden opgeleid hoog opgeleid 18-22 jaar 23-26 jaar 27-44 jaar 45-65 jaar 66-74 jaar 75 jaar en ouder loon, salaris eigen bedrijf bijstand, WWB, IOAW, BBZ, participatiewet uitkering andere uitkering pensioen anders
2019 % 18 22 60 6 9 38 40 7 65 12 5 9 9 1
registraties (1) REB 2020 % % 19 23 24 31 57 46 8 7 10 10 36 40 41 29 6 8 6 66 55 10 13 7 7 9 7 8 18 0 1
(1) Gebruikte bronnen – Opleiding: CBS (2018); Leeftijd: OIS Basisinformatie (2020); Voornaamste inkomensbron: Armoedemonitor (2018) (2) Het opleidingsniveau is hier weergegeven voor alle inwoners van 15 t/m 74 jaar. In de analyses in dit onderzoek zijn enkel volwassenen (18 t/m 74) meegenomen.
55