OIS (Februari 2021) Ontwikkeling armoede in coronatijd.pdf
Tekst van het document
-
Ontwikkeling armoede in coronatijd Onderzoek, Informatie en Statistiek
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
In opdracht van: WPI Projectnummer: 20319 Auteru: Renske Hoedemaker
Marleen Rijksen
Feiko de Grip
Daan Schmitz
Idske de Jong
Bezoekadres: Weesperstraat 113-117
Telefoon 020 251 0333
Postbus 658, 1000 AR Amsterdam
data.amsterdam.nl
r.hoedemaker@amsterdam.nl
Amsterdam, februari 2021
Foto voorzijde: gesloten horeca op het Spui i.v.m. de coronamaatregelen (10-12-2020), fotograaf: Edwin van Eis
2
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Inhoud
Samenvatting en conclusie
5
Inleiding
9
1 Personen werkzaam in loondienst
11
Aantal werkenden in loondienst licht gedaald in 2020, met name binnen de flexibele schil Het aantal kleine banen daalt in 2020 Gevolgen crisis sterkst zichtbaar in horeca en sector voor reisorganisaties en uitzendwerk Minder banen met een laag maandloon Minder banen onder jongeren en eenpersoonshuishoudens Gemiddeld maandloon blijft stijgen in 2020
11 13 14 15 15 17
2 Werkloosheidswet (WW)
18
Instroom WW hoogst onder jongeren en laag- tot middelbaar opgeleiden 18 Circa 30% huidige WW’ers heeft bij afloop WW recht op bijstand; werkelijk doorstroom waarschijnlijk lager 20
3 Bijstand
22
Instroom in de bijstand toegenomen onder jongeren
22
4 Zelfstandigen
24
Zes van de tien zelfstandigen hebben zorgen over toekomst onderneming 24 Kwart zelfstandigen beoordeelt financiële situatie van bedrijf als slecht 25 Meer huishoudens van zelfstandigen afhankelijk van andere inkomensbronnen dan de onderneming 25 Toenemend aandeel zelfstandigen kan niet lang rondkomen als inkomen uit bedrijf wegvalt 26
5 Steunmaatregelen voor zelfstandigen
28
Tozo 1 36.600 keer toegekend; 20.300 gebruikers Tozo 2 Tozo 2 ontvangers vaker alleenstaand dan ontvangers Tozo 1 5.2.1 Ruim vier op de tien Tozo 2 ontvangers hebben weinig vermogen Overige steunmaatregelen zelfstandigen Klein deel zelfstandigen heeft behoefte aan ondersteuning maar is niet bekend met bepaalde ondersteuningsmaatregelen
28 29 31 32 33
6 Huishoudens met een laag inkomen en moeite met rondkomen
35
3
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Aandeel huishoudens met inkomen tot 120% sociaal minimum met drie procentpunt gestegen Zelfstandigen en uitkeringsafhankelijken gaan er in inkomen op achteruit en hebben vaker moeite om rond te komen Meer jongeren en ouderen met laag inkomen, maar 45-66-jarigen hebben het vaakst moeite om rond te komen Huurders hebben relatief vaak een laag inkomen en hebben in toenemende mate moeite met rondkomen Schulden vaker genoemd als reden voor moeite met rondkomen Situatie schuldenproblematiek stabiel in jaren voor crisis Voorlopig geen toename in het aantal huishoudens met schulden Gebruik voedselbank stijgt met 49%
35 36 38 39 41 42 42 43
7 Verwachte ontwikkeling minimapopulatie 2020 en later
45
Verwachte groei minimapopulatie in 2020 circa 10% 7.1.1 Niet alle huishoudens met recht op voorzieningen maken hier ook gebruik van Ontwikkelingen 2021 en later nog onzeker; effecten crisis deels vertraagd merkbaar 7.2.1 Vertraagde effecten van de crisis op ontwikkeling minimapopulatie 7.2.2 Groot deel nieuwe instroom minimagroep heeft relatief veel kans op (duurzame) uitstroom
45 47 48 48 49
Bijlage 1 Toelichtingen bij verwachte ontwikkeling minimapopulatie in 2020
50
Bijlage 2 Methodologische verantwoording
54
4
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Samenvatting en conclusie
De coronacrisis raakt de economie hard. Dit onderzoek brengt in kaart wat de gevolgen hiervan zijn voor de inkomenspositie van Amsterdammers. We maken daarbij een schatting van de instroom in de minimapopulatie in 2020 en blikken vooruit op de (zeer onzekere) ontwikkelingen in 2021 en later. Het onderzoek is gebaseerd op zowel registratie- als enquêtegegevens: de polisadministratie voor gegevens over Amsterdammers in loondienst, registraties van het aantal WW, bijstands- en Tozo-uitkeringen en enquêtegegevens over inkomen en rondkomen. De afgelopen jaren daalde zowel het aantal als het percentage minimahuishoudens in Amsterdam geleidelijk. Als gevolg van de coronacrisis zal de minimapopulatie in 2020 voor het eerst sinds 2014 zeer waarschijnlijk weer groeien in omvang. Op basis van het huidige onderzoek verwachten we een toename in het aantal minimahuishoudens van 10% in 2020 ten opzichte van 2019. Enerzijds raakt de crisis groepen die al kwetsbaar waren, zoals werknemers met een flexibel contract en/of kleine baan, uitkeringsgerechtigden, ouderen en laagopgeleiden. Anderzijds zijn de gevolgen van de crisis vooral merkbaar onder zelfstandig ondernemers en onder jongeren; groepen die onder normale omstandigheden minder kwetsbaar zijn voor armoede. Verwachte toename minimahuishoudens in 2020 circa 10% In 2018 telde Amsterdam circa 68.000 minimahuishoudens.
Dit zijn huishoudens met een inkomen tot 120% van het sociaal minimum (SM) en een vermogen tot de bijstandsnorm. Cijfers over minima in 2019 zijn er nog niet, maar op basis van de ontwikkeling in het aantal lage inkomens schatten we dat het aantal minimahuishoudens in 2019 daalde tot 67.100. De ontwikkelingen in 2020 en zeker ook daarna zijn onzeker. Op basis van verschillende bronnen is in dit onderzoek ingeschat hoeveel minimahuishoudens er in 2020 ongeveer waren. Aan de hand van registraties van de bijstand en de Tozo identificeren we een groep van totaal 6.600 huishoudens waarvan wordt aangenomen dat zij in 2020 waarschijnlijk zijn ingestroomd in de minimagroep. Het gaat om 1.600 huishoudens die in 2020 zijn ingestroomd in de bijstand en 5.000 huishoudens met weinig vermogen die een groot deel van 2020 gebruik maken van de Tijdelijke ondersteuning zelfstandig ondernemers (Tozo). Dit komt neer op een verwachte groei van de minimapopulatie van 10% in 2020 ten opzichte van 2019 (totaal aantal minimahuishoudens: ca. 73.700). Het aantal minimahuishoudens in 2020 is ook geschat op basis van de zelfgerapporteerde inkomens in de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB). Deze methode resulteert in vrijwel dezelfde verwachting als de schatting op basis van de instroom en de bijstand en de Tozo (totaal aantal minimahuishoudens: ca. 73.800).
Naast minimahuishoudens die gebruik maken van bijstand of Tozo zijn waarschijnlijk ook andere groepen minima geworden. Denk aan werkende armen of bijvoorbeeld WW’ers die vóór de WW al een relatief laag inkomen hadden en dus een lage WW-uitkering. De omvang van deze groepen is lastig in te schatten, maar lijkt gezien de schatting op basis van de REB vooralsnog beperkt toegenomen.
5
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Meer minimahuishoudens betekent ook een grotere doelgroep voor de minimavoorzieningen. Echter, niet alle huishoudens die in 2020 instromen in de minimagroep zullen in 2021 (al) gebruik maken van de minimavoorzieningen waar zij recht op hebben. Een groot deel van de nieuwe instroom zal bestaan uit zelfstandigen; onder hen was het voorzieningenbereik vóór de crisis laag. Hier staat tegenover dat veel zelfstandigen door het aanvragen van de Tozo-regeling beter op de hoogte zijn van gemeentelijke voorzieningen en drempel tot het aanvragen ervan mogelijk lager is. Gelet op de groei van de doelgroep van de regelingen, het grote bereik van de Tozo en wat bekend is over de dynamiek van het voorzieningengebruik verwachten we dat het bereik op zijn best stabiel blijft, maar waarschijnlijker is dat het (licht) zal dalen. Aantal minimahuishoudens in Amsterdam 2011-2018* en verwachte ontwikkeling 2019-2020 90.000 80.000
66.500 69.200
70.000
72.900 73.900 70.700 70.100 68.400 68.000 67.100
+10% (73.800) +10% (73.700)
60.000 50.000 40.000 30.000 20.000 10.000 0 2011
2012
2013
2014
2015
2016
2017
2018
2019
2020
minimahuishoudens verwachting ontwikkeling 2018-2019 schatting op basis van instroom bijstand en Tozo schatting op basis van zelfgerapporteerd inkomen
*met een heel jaar inkomen, exclusief studenten en instituten
Daling aantal werkenden in loondienst betreft vooral flexibele contracten De verschillende gebruikte bronnen geven inzicht in welke groepen Amsterdammers in 2020 wat betreft hun inkomen meest geraakt worden door de crisis. Zo zien we op basis van de polisadministratie een daling in het aantal werkenden in loondienst. Dit betreft met name personen met een flexibel contract, jongeren en mensen met een kleine baan; kenmerken die elkaar waarschijnlijk vaak overlappen. In september 2020 ligt het totale aantal Amsterdammers met werk in loondienst 1,4% lager dan dezelfde maand een jaar eerder. De afname in het aantal werkenden is ook terug te zien in de werkloosheidscijfers. In 2020 steeg de werkloosheid onder de Amsterdamse beroepsbevolking van 3,7% (eerste kwartaal) naar 6,5% (vierde kwartaal).1 Verhoogde instroom WW en bijstand, met name onder jongeren en laag- tot middelbaaropgeleiden De afname van het aantal werknemers in loondienst en stijgende werkloosheid gaan gepaard met een verhoogde instroom in de WW. In oktober 2020 ligt het aantal personen met WW 52% hoger dan in januari van dat jaar, een verschil van ca. 7.000 personen. De eerste maanden van de crisis groeit de instroom het sterkst onder jongeren, maar na een piek in juni 2020 stroomt een
1
Bron: CBS Statline
6
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
deel van deze groep relatief snel weer uit. Dit komt waarschijnlijk doordat jongeren nog weinig WW-rechten hebben opgebouwd. Hoewel de groep WW’ers voor een groot deel bestaat uit hoogopgeleiden groeit de instroom in 2020 het sterkst onder middelbaar- en laagopgeleide Amsterdammers. Tussen eind 2019 en eind 2020 is het aantal bijstandsuitkeringen met ca 1.600 gestegen van 38.800 naar 40.400, een toename van 4,2%. Net zoals bij de WW zien we in 2020 met name onder jongeren een verhoogde instroom ten opzichte van 2019. Het volledige effect van de coronacrisis op de bijstand wordt waarschijnlijk pas later merkbaar, onder andere doordat een deel van de werklozen eerst aanspraak maken op de WW. Vóór de crisis stroomde 7,1% van de Amsterdammers vanuit WW door naar de bijstand.2 Bij een verslechterde arbeidsmarkt ligt dit percentage mogelijk hoger. Daarbij komt dat de groep die in 2020 instroomde in de WW voor een groot deel bestaat uit jongeren. Deze groep heeft vaker een laag vermogen, waardoor een groter aandeel in aanmerking komt voor bijstand. Tegelijkertijd zijn, wanneer de economie weer aantrekt, de kansen op de arbeidsmarkt voor jongeren juist relatief gunstig, zeker als het gaat om hoogopgeleiden. Het is moeilijk te zeggen wanneer de vertraagde groei van de bijstand plaats zal vinden.
De duur van de WW-uitkering hangt samen met het arbeidsverleden en varieert van drie maanden tot twee jaar. Financiële situatie zelfstandigen verslechterd; ruim 20.000 huishoudens gebruiken Tozo 2 Ongeveer een kwart van de werkzame beroepsbevolking van Amsterdam is zelfstandige. De coronacrisis is voor veel van hen reden tot financiële zorgen. In de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB) beoordeelt in 2020 bijna een kwart van Amsterdamse ondernemers de financiële situatie van hun bedrijf als slecht. Een groeiende groep is (deels) afhankelijk is van andere inkomensbronnen binnen het huishouden, zoals het inkomen van een partner. Veel zelfstandigen maken in 2020 gebruik van overheidssteun. De uitkering Tijdelijke ondersteuning zelfstandig ondernemers (Tozo) vult de maandelijkse inkomsten aan tot het sociaal minimum. In periode maart-mei 2020 maakte 36.620 zelfstandigen gebruik van Tozo 1. Van Tozo 2 hebben 20.330 zelfstandigen gebruik gemaakt, zoals verwacht is als gevolg van de partnertoets het aandeel alleenstaanden onder hen groter dan onder de Tozo 1 groep. Tozo 3 loopt nog tot en met maart 2021 en is eind december 2020 inmiddels 17.240 keer toegekend. Van de huishoudens die gebruik maken van Tozo 2 heeft ruim vier op de tien een vermogen onder de bijstandsnorm.
Voor huishoudens met een laag vermogen die een groot deel van 2020 gebruik maken van Tozo is de kans groot dat zij dit jaar tot de minima behoren. Aandeel lage inkomens stijgt sterkst onder zelfstandigen, uitkeringsafhankelijken, jongeren en 66-plussers In 2019 rapporteerde 19% van de Amsterdamse huishoudens een inkomen dat overeenkomt met een bedrag tot 120% van het sociaal minimum (SM), de gemeentelijke lage inkomensgrens (bron: REB). In 2020 ligt dit aandeel op 22%. Ook het aandeel mensen dat aangeeft (zeer) moeilijk te kunnen rondkomen nam in deze periode toe van 15% in 2019 naar 18% in 2020. Een laag inkomen wordt het vaakst genoemd als reden dat men moeilijk rondkomt, gevolgd door hoge woonlasten. Huishoudens die om die reden moeilijk rondkomen hebben niet altijd een laag inkomen, maar lopen op termijn wel risico’s op (problematische) schulden. 2
Bron: onderzoek UWV (mei 2019).
7
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Het aandeel huishoudens met een laag inkomen groeit vooral onder zelfstandigen, huishoudens met een uitkering anders dan bijstand3 en Amsterdammers die leven van een pensioen. Dit zijn, na bijstandsgerechtigden, ook de groepen dit het vaakst aangeven dat zij moeite hebben met rondkomen. De sterkste stijging in het aandeel huishoudens dat moeite heeft met rondkomen zien we onder huishoudens die leven van een eigen bedrijf. Wat betreft leeftijd neemt het aandeel Amsterdammers met een laag inkomen vooral toe onder jongeren tot 27 jaar en Amsterdammers van 67 jaar en ouder. Het zijn daarentegen vooral Amsterdammers van middelbare leeftijd (45-66 jaar) die het vaakst aangeven moeilijk rond te komen. Bij 11% van de Amsterdammers is sprake van (problematische) schulden. Dit percentage is de laatste jaren stabiel en ook in 2020 zien we geen veranderingen. De groeiende van de groep Amsterdammers met een laag inkomen en/of moeite met rondkomen heeft zich dus nog niet vertaald in toenemende (zelfgerapporteerde) schuldenproblematiek. Wel noemen in 2020 meer huishoudens die moeite hebben met rondkomen schulden hiervoor als (mede)oorzaak. Naar verwachting zal het aandeel huishoudens met schulden op termijn wel toenemen als gevolg van de coronacrisis. De toename van het aantal huishoudens met (ernstige) financiële problemen zien we al wel in het gebruik van de Voedselbank.
Eind december 2020 lag het aantal huishoudens dat voedselpakketten ontvangen 49% hoger dan eind februari van dat jaar, een toename van circa 650 huishoudens. Economische ontwikkeling na 2020 onzeker, deel effecten crisis op omvang minimapopulatie waarschijnlijk vertraagd merkbaar Een deel van het effect van de coronacrisis op wordt waarschijnlijk pas in 2021 of later merkbaar. De financiële gevolgen worden momenteel ten dele opgevangen door corona-specifieke overheidssteun, maar ook door bestaande voorzieningen zoals de WW en, voor sommige huishoudens, vermogen. Hoe langer de huidige omstandigheden aanhouden, hoe onzekerder het verloop van het economisch herstel en de daarmee gepaard gaande gevolgen voor de minimapopulatie. Jongeren worden in 2020 hard geraakt door de gevolgen van de crisis, maar deze groep stroomde in het verleden ook relatief vaak duurzaam uit de armoede. Daar komt bij dat mensen die kort tot de minima behoren meer kans hebben op duurzame uitstroom dan mensen die langer in armoede leven. Hoe sneller de economie herstelt, hoe groter de kans dat de mensen, die tijdens de crisis instroomden snel weer uitstromen. Vooral voor jongeren die eerder hebben gewerkt zijn de vooruitzichten dan relatief gunstig.
Desondanks zal de omvang van de minimagroep zelfs bij een voorspoedig economisch herstel waarschijnlijk niet direct terugkeren naar het niveau van vóór de crisis. Voor huishoudens die voor de crisis al tot de minima behoorden, maar ook voor oudere en laagopgeleide Amsterdammers die in de coronaperiode zijn ingestroomd, zal het ook na de crisis lastig blijven om uit de armoede te komen.
3
WW- en arbeidsonschiktheidsuitkeringen
8
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Inleiding
Voor een toename van armoede in Amsterdam vanwege de coronacrisis zijn al tal van aanwijzingen, waaronder de stijging van de werkloosheid en de sterke toename van voedselhulp. Toch kunnen we de stijging van de armoede nog niet kwantificeren; nog moeilijker is om te bepalen wat verwacht kan worden op korte termijn. In opdracht van WPI brengt dit onderzoek gegevens uit verschillende bronnen samen: de polisadministratie voor gegevens over Amsterdammers in loondienst, registraties van het aantal WW, bijstands- en Tozo-uitkeringen en de Regionale Enquête Beroepsbevolking (REB). Hiermee schetsen we een zo compleet mogelijk beeld van de ontwikkeling van de inkomenssituatie van Amsterdammers in 2020. Op basis van dit beeld maken we een schatting van de instroom in de minimapopulatie in 2020 en blikken vooruit op de (zeer onzekere) ontwikkelingen in 2021 en later. Uitgangspositie vóór de coronacrisis: 16,5% minimahuishoudens In 2018 behoorde ca. 68.000 van de Amsterdamse huishoudens tot de minima (16,5%). Dat wil zeggen dat zijn een jaarinkomen tot 120% van het sociaal minimum (SM) hebben en een vermogen tot de bijstandsnorm. Een groot deel van de minimahuishoudens heeft als belangrijkste inkomensbron een bijstands- (38%) of andere uitkering (16%, zie figuur).
Huishoudens die leven van een uitkering hebben ook een hoog armoedepercentage: huishoudens met bijstand zijn per definitie minimahuishoudens en van alle huishoudens met een uitkering anders dan bijstand (zoals arbeidsongeschiktheid en WW) behoort 39% tot de minima. Onder werkende Amsterdammers ligt het armoedepercentage veel lager: 10% voor huishoudens die leven van een eigen bedrijf en 3% bij werk in loondienst als belangrijkste inkomensbron zijn minimahuishoudens. Wat betreft huishoudsamenstelling is het minimapercentage met name hoog onder eenoudergezinnen (33% behoort tot de minima) en alleenstaanden (22%). Kinderen en ouderen behoren vaker tot de minima dan volwassenen tot de pensioengerechtigde leeftijd, en laagopgeleiden zijn vaker minima dan hoogopgeleiden.
9
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Samenstelling Amsterdamse minima- en boven-minimahuishoudens* naar belangrijkste bron van inkomen, 2018 (procenten)
*met een heel jaar inkomen, exclusief studenten en instituten
bron: CBS / bewerking OIS
Leeswijzer Hoofdstuk 1 bespreekt de ontwikkelingen onder Amsterdammers met werk in loondienst aan de hand van gegevens uit de polisadministratie. In hoofdstuk 2 brengen we de in- en uitstroom in de WW in kaart; de ontwikkelingen in de bijstand komen aan bod in hoofdstuk 3. De coronacrisis heeft grote consequenties voor zelfstandigen. In Hoofdstuk 4 brengen we op basis van enquêtegegevens de financiële situatie van Amsterdamse ondernemers in kaart en in hoofdstuk 5 gaan we in op het gebruik van steunmaatregelen. Het gebruik van de Tijdelijke ondersteuning zelfstandig ondernemers (Tozo) analyseren we op basis van registratiegegevens, voor de overige maatregelen gebruiken we enquêtegegevens. Hoofdstuk 6 brengt in kaart wat de ontwikkeling is van het aandeel huishoudens met een laag inkomen, huishoudens die (zeer) moeilijk rondkomen en huishoudens met schulden. Ook deze analyses zijn gebaseerd op enquêtegegevens. Verder gaan we kort in op het toenemende gebruik van de Voedselbank. In hoofdstuk 7 maken we een schatting van de instroom in de minimapopulatie in 2020 en bespreken we de verwachte ontwikkelingen in 2021 en later. Bijlage 1 bevat een toelichting bij de deze schatting; een algemene methodologische verantwoording is opgenomen in bijlage 2. De hoofdstukken in dit rapport kunnen ook los van elkaar worden gelezen.
10
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
1 Personen werkzaam in loondienst
In het eerste kwartaal van 2020 was 3,7% van de Amsterdamse beroepsbevolking werkloos; in het vierde kwartaal 6,5%. In Amsterdam nam de werkloosheid in 2020 sneller toe dan in Nederland gemiddeld. Landelijk steeg de werkloosheid in 2020 van 3,3% in het eerste kwartaal naar 4,0% in kwartaal vier. 4 In dit hoofdstuk brengen we de ontwikkelingen onder Amsterdammers werkzaam in loondienst verder in kaart op basis van gegevens uit de polisadministratie.
Aantal werkenden in loondienst licht gedaald in 2020, met name binnen de flexibele schil In september 2020 telt Amsterdam 371.600 werkenden in loondienst, in september 2019 waren dit er 376.730, een daling van 1,4%. Het aantal Amsterdammers dat werkt in loondienst daalt zowel in 2019 als in 2020 (zie figuur 1.1),5 maar de afname van januari tot september is in 2020 groter dan in 2019. In september 2019 ligt het aantal personen in loondienst 1,0% lager dan in januari 2019, een afname van circa 3.790 personen.6 In september 2020 ligt het aantal personen in loondienst 4,0% lager dan in januari 2020, een afname van circa 15.450 personen. De daling in het aantal werkenden is in 2020 dus groter dan 2019, zeer waarschijnlijk als gevolg van de coronacrisis.
4
Bron: CBS Statline In de figuren over het aantal werkenden in loondienst is een trendbreuk zichtbaar tussen december 2019 en januari 2020. Dit komt door de selectie van de populatie Amsterdammers. De gegevens over 2019 gaan over alle personen die op 1 januari 2019 in Amsterdam woonden. De gegevens over 2020 worden gepresenteerd voor alle personen die op 1 januari 2020 in Amsterdam woonden. De gegevens voor 2020 gaan dus over een (deels) andere populatie dan de gegevens voor 2019. 6 Deze daling in de loop van het jaar wordt waarschijnlijk (deels) veroorzaakt door een combinatie van seizoenseffecten en de selectie van de populatie Amsterdammers. Een deel van de personen die op 1 januari van het peiljaar in Amsterdam wonen verhuizen naar het buitenland of overlijden. Personen die in de loop van het jaar juist naar Amsterdam verhuizen worden in dat jaar niet meer meegerekend in het aantal werkenden. 5
11
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 1.1 Het totaal aantal Amsterdammers in loondienst per maand, januari 2019 – september 2020 aantal personen in loondienst 400.000 390.000
380.000 370.000 360.000 350.000 340.000
jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep 2019
2020
bron: CBS / bewerking OIS
In zowel 2019 als 2020 betreft de afname van het aantal werkenden vrijwel uitsluitend personen met een flexibel contract (zie figuur 1.2). Het aantal personen met een vast contract neemt in beide jaren juist licht toe.7 Figuur 1.2 Aantal Amsterdammers in loondienst met een vast of flexibel contract per maand, januari 2019 – september 2020* aantal 300.000
250.000
200.000 vast contract 150.000 flexibel contract
100.000
50.000
jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep 2019
2020
*door wijzingen in de brondata zijn de gegevens over vaste en flexibele contracten in de periode januarifebruari momenteel nog onvoldoende betrouwbaar bron: CBS / bewerking OIS
7
Als iemand meerdere banen heeft, is voor de gegevens over contractsoort (vast of flexibel), wekelijkse arbeidsduur en sector alleen gekeken naar de hoofdbaan. De hoofdbaan is gedefinieerd als de baan met het hoogste maandloon (loon exclusief bijzondere beloningen, toeslagen en overwerkloon). Voor personen met meerdere banen wordt per maand bepaald wat de hoofdbaan is.
12
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Het aantal kleine banen daalt in 2020 In de afname van het aantal personen in loondienst zien we verschillen naar wekelijkse arbeidsduur.8 Met name het aantal personen met een wekelijkse arbeidsduur van minder dan 30 uur daalt tussen januari en september 2020 (figuur 1.3). Het aantal personen met een wekelijkse arbeidsduur onder de 12 uur is in deze periode het sterkst gedaald: met 5.290 personen, een daling van 18%. In 2019 daalde het aantal personen dat minder dan 12 uur per week werkt tussen januari en september met 3.890 personen, een daling van 13%. De daling in 2019 vindt echter geleidelijk plaats van januari tot september, terwijl de daling in 2020 vanaf maart scherp inzet. In beide jaren is er tussen augustus en september weer een lichte stijging zichtbaar in het aantal kleine banen. Figuur 1.3 Aantal Amsterdammers met deeltijd werk in loondienst uitgesplitst naar wekelijkse arbeidsduur*, januari 2019 – september 2020 aantal 34.000 32.000 30.000
25 tot 30 uur
28.000
20 tot 25 uur
26.000
12 tot 20 uur
24.000
< 12 uur
22.000 20.000
jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep 2019
2020
*wekelijkse arbeidsduur van 30-35 uur en 35+ uur zijn hier niet afgebeeld, het aantal personen in loondienst dat per week 30 uur of meer werkt is in de afgebeelde periode nauwelijks veranderd bron: CBS / bewerking OIS
Bij bovenstaande resultaten moet wel worden opgemerkt dat personen die tot 30 uur per week werken een minderheid vormen onder de groep Amsterdammers werkzaam in loondienst. In september 2020 had 72% van de personen in loondienst een wekelijkse arbeidsduur van 30 of meer uur per week. Deze verhoudingen zijn weinig veranderd ten opzichte van 2019.
8
Wekelijkse arbeidsduur is het aantal verloonde uren van een persoon per week (exclusief overwerkuren).
13
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
Gevolgen crisis sterkst zichtbaar in horeca en sector voor reisorganisaties en uitzendwerk Sinds de start van de coronacrisis is ook het aantal personen werkzaam in verschillende sectoren veranderd (figuur 1.5). De grootste daling is te zien in de sectoren “verhuur en overige zakelijke diensten” (hieronder vallen onder andere reisorganisaties, uitzendwerk, callcenters en schoonmaakwerkzaamheden) en in de horeca. Deze twee sectoren zijn gezamenlijk verantwoordelijk voor een daling in het aantal werkzame personen van 11.920 tussen januari en september 2020. Figuur 1.5 Aantal Amsterdammers in loondienst naar sector, januari 2019 – september 2020* aantal 60.000
verhuur en overige zakelijke diensten
55.000 specialistische zakelijke diensten
50.000
handel
45.000 40.000
gezondheids- en welzijnszorg
35.000 30.000
informatie en communicatie
25.000
onderwijs
20.000
jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep 2019
horeca
2020
*enkel de acht sectoren met het grootste aantal werkzame personen zijn weergegeven. In figuur 1.5 zijn de andere sectoren opgenomen in een categorie ‘overig’ bron: CBS / bewerking OIS
Ondanks de genoemde daling blijft de sector verhuur in overige zakelijke diensten vooralsnog een van de grootste sectoren onder werkzame Amsterdammers. In september 2020 werkte 13% van de Amsterdammers in loondienst in deze sector. De horeca vertegenwoordigt 7% van de Amsterdammers in loondienst. Figuur 1.6 Aantal Amsterdammers in loondienst uitgesplitst naar sector, januari en september 2020 jan 2020 (n=381.340)
14
13
12
12
8
sep 2020 (n=362.310)
13
13
12
13
7
7 8
7
27
7
28 %
0
20
40
60
80
verhuur en overige zakelijke diensten
specialistische zakelijke diensten
handel
gezondheids- en welzijnszorg
horeca
informatie en communicatie
onderwijs
overig
100
bron: CBS / bewerking OIS
14
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Minder banen met een laag maandloon In figuur 1.7 is te zien hoeveel Amsterdammers in loondienst een maandloon hebben onder of boven het bedrag dat gelijk staat aan 120% van het wettelijk minimumloon (WML). Het aantal personen met een maandloon lager dan 120% van het WML vertoont in 2019 al een daling; in de eerste helft van 2020 is deze daling wat sterker. Het aantal Amsterdammers met een maandloon boven 120% van het WML stijgt licht in 2019; in 2020 is het aantal redelijk stabiel. Aangezien het totaal aantal werkenden in 2020 gedaald is, wordt de daling in het aantal personen met een maandloon lager dan 120% van het WML waarschijnlijk grotendeels veroorzaakt door baanverlies.9 Figuur 1.7 Aantal Amsterdammers in loondienst met een bruto maandloon gelijk aan een bedrag tot 120% van het wettelijke minimumloon (WML) of boven 120% van het wettelijk minimumloon*, januari 2019 – september 2020 aantal 300.000
250.000 maandloon lager dan 120% van het WML
200.000
maandloon hoger dan 120% van het WML
150.000
100.000
50.000
jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep 2019
2020
*Voor 2019 is als normbedrag het maandelijks WML voor werknemers van 21 jaar en ouder van 1 januari 2019 aangehouden (€ 1.615,80), voor 2020 het normbedrag van 1 januari 2020 (€ 1.653,60). Voor personen met meerdere banen in een maand is het maandloon van alle banen bij elkaar opgeteld. Er is geen rekening gehouden met het aantal uren dat iemand werkt; de figuur geeft dus geen informatie over het aantal Amsterdammers met een minimumloonbaan. bron: CBS / bewerking OIS
Minder banen onder jongeren en eenpersoonshuishoudens In 2020 is het aantal personen in loondienst van 18 t/m 26 jaar oud gedaald vanaf maart (figuur 1.8). Het aantal jongeren in loondienst is afgenomen met 2.960 personen, een daling van 4%. Ook in de andere leeftijdscategorieën zijn dalingen zichtbaar, maar deze zijn minder sterk dan bij de jongeren.
9
Voor zowel 2019 als 2020 geldt dat de afname van het aantal banen met een loon tot 120% van het WML groter is dan de toename van het aantal banen met een loon hoger dan 120% van het WML.
15
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 1.8 Aantal Amsterdammers in loondienst naar leeftijdsgroep, januari 2019 – september 2020 aantal 120.000 100.000 18 - 26 jaar 80.000
27 - 34 jaar 35 - 44 jaar
60.000
45 - 54 jaar 40.000
55 - 65 jaar 66+ jaar
20.000 0
jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep 2019
2020
bron: CBS / bewerking OIS
Kijkend naar het huishoudtype van personen in loondienst zien we dat er vanaf maart 2020 een daling zichtbaar is onder alle huishoudtypes. De grootste daling (6.250 personen) is te zien bij personen uit eenpersoonshuishoudens. Het is mogelijk dat de personen uit de leeftijdscategorie 18 t/m 26 jaar relatief vaak eenpersoonshuishoudens vormen en dat dit dus dezelfde groep personen betreft. Figuur 1.9 Aantal Amsterdammers in loondienst naar huishoudtype, januari 2019 – september 2020 aantal 140.000 eenouderhuishouden
120.000 eenpersoonshuishou den
100.000 80.000
gehuwd paar zonder kinderen
60.000 40.000
niet-gehuwd paar zonder kinderen
20.000
paar met kinderen
0
jan feb mrt apr mei jun jul augsep okt novdec jan feb mrt apr mei jun jul augsep 2019
overig
2020
bron: CBS / bewerking OIS
16
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Gemiddeld maandloon blijft stijgen in 2020 Het gemiddeld maandloon voor personen in loondienst uit Amsterdam en heel Nederland neemt toe in zowel 2019 als 2020 (figuur 1.10). Te zien is dat in 2020 deze stijging iets sterker is dan in 2019, vooral in Amsterdam. Een mogelijke verklaring hiervoor zou de daling in het aantal kleinere banen met bijbehorende (lagere) maandsalarissen kunnen zijn. Ook is te zien dat het gemiddeld maandloon in Amsterdam in 2019 ca. 500 euro hoger is vergeleken met heel Nederland. Dit verschil is groter geworden in 2020, met in september 2020 een verschil van ca. 700 euro. Dit verschil wordt mogelijk verklaard doordat er in Amsterdam mogelijk relatief meer kleine banen zijn verdwenen. Figuur 1.10 Gemiddeld bruto maandloon exclusief overwerk voor personen in loondienst uit Amsterdam en Nederland*, januari 2019 – september 2020 maandloon € 3.600,00 € 3.400,00 € 3.200,00 Amsterdam
€ 3.000,00 € 2.800,00 € 2.600,00
Nederland
€ 2.400,00 € 2.200,00 € 2.000,00
jan feb mrt apr mei jun jul aug sep okt nov dec jan feb mrt apr mei jun jul aug sep 2019
2020
*voor banen met een looptijd korter dan een maand is het loon hier herberekend naar een maandloon bron: CBS / bewerking OIS
17
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
2 Werkloosheidswet (WW)
Tussen februari en juli 2020 stijgt het aantal Amsterdammers met een WW-uitkering met 58%, van ca. 13.800 WW’ers in februari naar ruim 21.700 in juli. In augustus en september daalt het aantal WW’ers, maar parallel aan de verzwaring van de coronamaatregelen zien we in oktober opnieuw een lichte stijging. Vanaf juli zien we meer uitstroom (personen wiens WW-uitkering is beëindigd) dan in de eerste helft van 2020. Echter, slechts een klein deel van de WW’ers stroomt uit vanwege werkhervatting. De hoge uitstroom in juli sluit logischerwijs aan bij de piek in de instroom in april: voor personen met de minimale WW-duur van drie maanden die in april zijn ingestroomd loopt de uitkering in juli af. In oktober 2020 ligt het aantal Amsterdammers met een WW-uitkering 52% hoger dan in januari. Figuur 2.1 Aantal Amsterdammers met een WW-uitkering en in-/uitstroom per maand, januari-oktober 2020 aantal 24.000 22.000 20.000 18.000 16.000 14.000 12.000 10.000 8.000 6.000 4.000 2.000 0 -2.000 -4.000 -6.000 jan
instroom uitstroom overig* uitstroom naar werk
totaal WW
feb
mrt
apr
mei
jun
jul
aug
sep
okt
maanden 2020
*onder overige uitstroomredenen vallen o.a. overlijden, bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en het bereiken van de maximale uitkeringsduur
bron: CBS
Instroom WW hoogst onder jongeren en laag- tot middelbaar opgeleiden De grote impact van de coronacrisis op jongeren is goed te zien in de WW-cijfers. In juni 2020 ligt het aantal 18 t/m 26-jarigen in de WW ruim vier keer zo hoog als in januari. De laatste maanden daalt het aantal jongeren in de WW weer relatief hard, waarschijnlijk doordat veel jongeren slechts weinig WW-recht hebben opgebouwd.10 Vergeleken met Amsterdammers vanaf 27 jaar (55-plussers uitgezonderd) stromen jongeren in de WW minder vaak uit naar werk. 10
Landelijk hebben 18-jarigen gemiddeld 13 weken WW-recht; 26-jarigen gemiddeld 27 weken (bron: CPB/UWV).
18
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Van de Amsterdammers met een WW-uitkering is een groot deel hoogopgeleid, in januari 2020 was dit 44%. Tijdens de coronacrisis is het aantal personen met een WW-uitkering relatief gezien het sterkst gestegen onder laag- en middelbaaropgeleiden. Vergeleken met hoogopgeleiden stromen zij minder vaak vanuit de WW terug naar werk. Figuur 2.2 Gemiddelde per maand van het aantal Amsterdammers met een WW-uitkering en aantal personen dat in- of uitstroomt naar leeftijd en opleidingsniveau, maart-oktober 2020 8.000
8.000
7.000
7.000
6.000
6.000
5.000
5.000
4.000
4.000
3.000
3.000
2.000
2.000
1.000
1.000
0
0
-1.000
-1.000
-2.000
-2.000
instroom uitstroom overig
uitstroom naar werk aantal personen WW
18-26
27-34
35-44
45-54
55-65
instroom uitstroom overig* uitstroom naar werk aantal personen WW laagopgeleid middelbaar- hoogopgeleid opgeleid
*onder overige uitstroomredenen vallen o.a. overlijden, bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd en het bereiken van de maximale uitkeringsduur bron: CBS
Als gevolg van de verschillen in de in- en uitstroom uit de WW voor diverse groepen Amsterdammers is de samenstelling van de groep WW’ers in de stad gedurende 2020 iets veranderd. Ten opzichte van januari zijn Amsterdamse WW’ers in oktober vaker jong (onder de 26 jaar) en iets minder vaak hoogopgeleid. Wat betreft huishoudtype is de samenstelling van de groep huishoudens met WW (d.w.z. huishoudens met tenminste één persoon met een WWuitkering) nauwelijks veranderd.11
11
Doordat een WW-uitkering maximaal 24 maanden duurt is er ook onder reguliere omstandigheden relatief veel doorstroom binnen de groep ontvangers. Ter illustratie: van alle Amsterdammers die in januari 2020 in WW-uitkering ontvingen zat 66% in oktober 2020 niet meer in de WW.
19
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 2.4 Samenstelling Amsterdammers met een WW-uitkering naar leeftijd, opleidingsniveau en huishoudtype, in januari 2020 en oktober 2020 jan 2020 (n=13.565) okt 2020 (n=20.580)
7
25 15
0
25 27
10
20
13
0
40
27-34
50
20 60
35-44
31 10
20
30
laagopgeleid
40
70
50
%
90
100
55-65
44
14
36
17
60
middelbaaropgeleid
15 80
45-54
28
15
20
23
30
18-26
jan 2020 (n=13.565) okt 2020 (n=20.580)
22
70
80
hoogopgeleid
%
90
100
onbekend
jan 2020 (n=13.349 huishoudens)
37
24
21
6
13
okt 2020 (n=20.100 huishoudens)
37
24
20
6
13
eenoudergezin
overig*
0
10
alleenstaande
20
30
paar zonder kinderen
40
50
60
paar met kinderen
70
80
90
*inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen **voor de samenstelling naar huishoudtype is gekeken naar huishoudens met tenminste één persoon met een WW-uitkering
%
100
bron: CBS
Circa 30% huidige WW’ers heeft bij afloop WW recht op bijstand; werkelijk doorstroom waarschijnlijk lager Naar schatting (op basis van vermogensgegevens over 2019) heeft 43% van de Amsterdammers met een WW-uitkering in oktober 2020 een vermogen boven de bijstandsnorm. Zij hebben hierdoor na het bereiken van de maximale WW-duur waarschijnlijk geen recht op een bijstandsuitkering. Een vijfde van de WW’ers heeft een vermogen onder de norm, maar wel een partner. Zij kunnen na de WW in aanmerking komen voor een bijstandsuitkering, behalve als hun huishoudinkomen boven de lage inkomensgrens (100% SM) ligt. Van de totale groep WW’ers in oktober 2020 heeft 31% geen partner én een laag vermogen. Amsterdammers in deze situatie hebben bij het aflopen van de WW, wanneer hun inkomen onder de lage inkomensgrens komt te liggen, recht op een bijstandsuitkering.12 13 In 2017 stroomde 7,1% van de Amsterdammers met een WW-uitkering door naar de bijstand, zo blijkt uit onderzoek van het UWV. Landelijk is het percentage WW’ers dat doorstroomt naar de bijstand de laatste jaren gedaald van 8,3% in 2009 naar 4,6% in 2017. De kans op doorstroom 12
Het is mogelijk om naast de WW-uitkering ook inkomen uit werk te hebben (tot 87,5% van het WW-maandloon). Het is dus mogelijk dat personen met WW tijdens en ook na afloop van hun WW-uitkering (ook) inkomen uit werk ontvangen. 13 In de fact sheet Ontwikkeling bijstand in tijden van corona heeft OIS een vergelijkbare analyse gemaakt voor huishoudens met WW in december 2019. Van deze groep had 27% geen partner en een vermogen onder de bijstandsnorm (huidige analyse: 31%).
20
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
naar bijstand verschilt per groep. Zo stromen alleenstaanden vaker van WW naar bijstand dan mensen die samenwonen met een partner en ouderen vaker dan jongeren. Daarnaast stromen mensen die vóór de WW parttime werkten vaker door naar bijstand dan mensen die fulltime werkten.14 Figuur 2.5. Samenstelling Amsterdammers met een WW-uitkering naar huishoudvermogen* en inkomenssituatie van de partner**, oktober 2020 (n=20.580)
43
9
4
7
31
7 %
0
20
40
60
80
100
vermogen boven de bijstandsnorm vermogen onder de bijstandsnorm, partner in loondienst met inkomen 120% WML of meer vermogen onder de bijstandsnorm, partner in loondienst met inkomen tot 120% WML vermogen onder de bijstandsnorm, partner werkt niet in loondienst vermogen onder de bijstandsnorm, geen partner vermogen onbekend
*op basis van gegevens over 2019 **peilmoment september 2020
Bron: CBS
Instroom in de WW betekent een vermindering van het inkomen. Personen met een laag huishoudvermogen die vóór de instroom al leefden van een relatief laag huishoudinkomen kunnen als gevolg van de instroom in de WW tot de minima gaan behoren. Welk aandeel van de nieuw-ingestroomde WW’ers in 2020 tot de minima behoort is lastig te schatten. Dit is afhankelijk van het inkomen voorafgaand aan de instroom in de WW, de hoogte van de WWuitkering (en eventueel aanvullend inkomen uit werk), de duur van de WW en het inkomen van een eventuele partner.
14
UWV (mei, 2019). Van WW naar bijstand. https://www.uwv.nl/overuwv/kennis-cijfers-enonderzoek/arbeidsmarktinformatie/van-ww-naar-bijstand.aspx
21
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
3 Bijstand
Van eind 2019 naar eind 2020 is het aantal bijstandsuitkeringen met ca 1.600 gestegen van 38.800 naar 40.400, een stijging van 4,2%. In de eerste twee maanden van 2020 zette de daling in het aantal bijstandsgerechtigden, ingezet in 2019, zich voort om vervolgens vanaf maart weer met ca. 1.800 toe te nemen. Het merendeel van de stijging in het aantal bijstandsuitkeringen (ca. 1.600) in 2020 vond plaats in de periode maart tot en met mei 2020. Net zoals bij de WWuitkeringen is er vanaf juli tot en met september weer een lichte daling zichtbaar het aantal bijstandsuitkeringen en zien we, parallel aan de verzwaring van de coronamaatregelen, in oktober weer een lichte stijging. In een eerdere prognose van OIS schatten we het aantal bijstandsuitkeringen eind 2020 tussen de 40.000 (positief scenario) en 43.000 (negatief scenario). Voor eind 2021 was de schatting 41.000-50.000 bijstandsuitkeringen.15 Het daadwerkelijke aantal ligt in december 2020 met 40.440 dichterbij het positieve scenario voor 2020; de werkloosheid steeg in de tweede helft van 2020 uiteindelijk minder snel dan in april werd verwacht. Wat de daadwerkelijke ontwikkeling in 2021 zal zijn is uiteraard afhankelijk van het verloop van de coronacrisis. Figuur 3.1 Aantal bijstandsuitkeringen in Amsterdam, 2017-2020 43000 42000 41000 40000 39000 38000 37000 36000
2017
2018
2019
2020
bron: WPI (via coronadashboard OIS)
Instroom in de bijstand toegenomen onder jongeren Uit de cijfers over de WW-uitkeringen bleek dat vooral veel jongeren en middelbaar- en hoogopgeleiden instromen. Een deel van deze groep zal na het bereiken van de maximale WWduur doorstromen naar de bijstand. In vergelijking met 2019 is in 2020 het aandeel jongeren dat instroomt in de bijstand toegenomen. Deze toename is mogelijk het gevolg van de hogere instroom van jongeren in de WW gecombineerd met relatief korte maximale WW-duur van deze groep. Wat betreft de huishoudsamenstelling verschilt de instroom in 2020 slechts minimaal van de instroom in 2019. Het opleidingsniveau van de instroom in 2020 is lastig te vergelijken met de 15
Factsheet Ontwikkeling bijstand in tijden van corona (OIS, juli 2020)
22
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
instroom in 2019, omdat het opleidingsniveau van de instroom in 2020 vaker onbekend is. Het is niet duidelijk waar dit door komt. Figuur 3.3 Leeftijd, huishoudtype en opleidingsniveau van instroom in de bijstand (op basis van de hoofdklant), maart 2020 – december 2020 2019
23
2020
26
19
28
18
29
0
20 18 - 26
2019
17
40 27 - 35
11
100
56 - 66
18
32
20
40
laagopgeleid
middelbaaropgeleid
%
80 46 - 55
38
36 0
15
60 36 - 45
42
2020
15
19 60
2
13
%
80
hoogopgeleid
100
onbekend
2019
8
17
21
50
12
2020
10
15
20
49
3 2
0 20 40 60 paar zonder kinderen paar met kinderen eenoudergezin alleenstaand
80 overig
%
100 tehuisbewoner
bron: WPI
Voorafgaand aan de coronacrisis lag het aandeel bijstandsgerechtigden het hoogst in de stadsdelen Zuidoost, Noord en Nieuw-West en West. Opvallend is dat in 2020 de toename van het aantal bijstandsgerechtigden zich sterk concentreert in een vijftal gebieden (Oud-West, De Baarsjes; Gaasperdam, Driemond; Geuzenveld, Slotermeer, Sloterdijken; Slotervaart en Osdorp). Dit zijn stuk voor stuk gebieden waar het aandeel bijstandsgerechtigden voorafgaand aan de crisis ook al hoog was. Figuur 3.2 Huishoudens met bijstandsuitkering (18 t/m 66), Toename huishoudens met bijstandsuitkering, december 2019 (procent)
december 2020 t.o.v. december 2019 (%-punt)
bron: WPI
23
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
4 Zelfstandigen
Eind 2019 telde Amsterdam circa 111.000 zelfstandigen. Deze groep bestaat voor 85% uit zzp’ers. In 2020 is het aantal zelfstandigen ongeveer gelijk gebleven. Zelfstandigen vormen in Amsterdam ongeveer 24% van de werkzame beroepsbevolking. Vergeleken met heel Nederland is het aandeel zelfstandigen in Amsterdam relatief groot. In Nederland ging het in het derde kwartaal om zeventien procent van de werkzame beroepsbevolking.16 In dit hoofdstuk brengen we in kaart hoe Amsterdammers de financiële situatie van hun bedrijf en van hun huishouden beoordelen. De gegevens zijn gebaseerd op de Regionale Enquête Beroepsbevolking van OIS.
Zes van de tien zelfstandigen hebben zorgen over toekomst onderneming Door de coronacrisis maken meer zelfstandig ondernemers zich zorgen over de toekomst van hun onderneming. In het vierde kwartaal van 2020 maakten ongeveer zes op de tien (58%) ondernemers zich vaak of soms zorgen over hun bedrijf. Voor de crisis, in het eerste kwartaal van 2020, ging het nog om ongeveer vier op de tien ondernemers (41%). De schok was het grootst aan het begin van de crisis: in het tweede kwartaal verdubbelde het percentage zelfstandigen dat zich vaak zorgen maakte (van 9% naar 20%). In het derde en vierde kwartaal bleven de zorgen ongeveer even groot.
is op dit devan financiële van uw2020, bedrijf? Figuur 4.1 Maakt uHoe zich zorgen overmoment de toekomst uw bedrijfsituatie of onderneming? per kwartaal Q1 (n=119)
9
32
59
Q2 (n=148)
20
44
36
Q3 (n=131)
22
37
40
Q4 (n=181)
18
40
42
Q2 t/m Q4 (n=460)
20
41
40
0
20 ja, vaak
40
60 ja, soms
80
% 100
nee Bron: OIS (Regionale Enquete Beroepsbevolking)
16
Bron: CBS Statline.
24
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Kwart zelfstandigen beoordeelt financiële situatie van bedrijf als slecht Ook het oordeel over de financiële situatie van bedrijven verslechterde. Vond in het eerste kwartaal nog maar een op de tien (9%) zelfstandigen dat hun bedrijf er financieel slecht voor stond, in het tweede kwartaal ging het om ongeveer een kwart (23%). In het derde kwartaal verslechterde het oordeel over de financiële situatie verder, maar in het vierde kwartaal werden ondernemers weer iets positiever. Gemiddeld over de laatste drie kwartalen beoordeelt 42% van de zelfstandigen de financiële situatie als slecht of matig. Zelfstandigen waarvan het eigen bedrijf de belangrijkste inkomstenbron in het huishouden is, beoordelen de financiële situatie iets minder slecht. Van deze ondernemers vindt 17% de financiële situatie slecht en 18% matig.
Hoe is op dit moment de financiële situatie van uw bedrijf?
Figuur 4.2. Hoe is op dit moment de financiële situatie van uw bedrijf? 2020, per kwartaal Q1 (n=121)
9
20
Q2 (n=148)
23
Q3 (n=129)
27
20
40
17
28 19
12
25 29
7 22
3
Q4 (n=178)
20
21
26
26
7
Q2-Q4 (n=455)
23
19
28
24
6
bedrijf belangrijkste inkomen Q2-Q4 (n=223)
17 0
18 20
slecht
30 40
26 60
8
80
% 100
Bron: OISredelijk (Regionale Enquete matig goed Beroepsbevolking) zeer goed
Meer huishoudens van zelfstandigen afhankelijk van andere inkomensbronnen dan de onderneming De genoemde groep zelfstandigen waarvan het eigen bedrijf de belangrijkste inkomensbron in het huishouden is, vormt in 2020 net als in 2019 ongeveer de helft (47%) van de totale groep zelfstandigen. Als het inkomen uit deze ondernemingen afneemt, is de financiële impact op de betrokken huishoudens waarschijnlijk relatief groot. De groep zelfstandigen waarvan het huishouden het meest afhankelijk is van het inkomen van de partner is in 2020 gegroeid ten opzichte van 2019 (van 11% naar 15%). Tegelijkertijd nam het aandeel zelfstandigen waarbij het eigen inkomen en dat van de partner van even groot belang zijn af. Het lijkt er dus op dat een deel van de zelfstandigen door afnemende bedrijfsinkomsten meer afhankelijk werden van het inkomen van anderen binnen het huishouden.
25
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
belangrijkste inkomstenbron zelfstandigen, Q2 t/m Q4 Figuur 4.3. Van welke inkomensbron is uw huishouden op dit moment het meest afhankelijk? Q2 t/m Q4 2019/2020 2019 (n=393)
46
12
11
31
2020 (n=420)
47
12
15
26
0
20
40
60
80
%
100
de inkomsten van mij als zelfstandige de inkomsten van mijn betrekking in loondienst het inkomen van mijn partner zowel van mijn inkomen als dat van mijn partner (anderen binnen het huishouden) Bron: OIS (Regionale Enquete Beroepsbevolking)
Toenemend aandeel zelfstandigen kan niet lang rondkomen als inkomen uit bedrijf wegvalt Het percentage zelfstandigen dat aangeeft nog minder dan drie maanden te kunnen rondkomen als het inkomen uit hun onderneming zou wegvallen, is sinds de coronacrisis sterk toegenomen. In het eerste kwartaal ging het om vijftien procent van de zelfstandigen, in het tweede kwartaal was dit aandeel verdubbeld (31%). Gemiddeld geeft over de laatste drie kwartalen ongeveer een op de vier zelfstandigen aan nog maar drie maanden te kunnen rondkomen als de bedrijfsinkomsten wegvallen. Voor de daling van het aantal maanden dat zelfstandigen denken nog rond te kunnen komen zijn verschillende verklaringen mogelijk. Voor een deel van de zelfstandigen geldt mogelijk dat de partner zijn of haar baan in loondienst is kwijtgeraakt, waardoor het huishouden nu meer afhankelijk is van het inkomen uit het eigen bedrijf. Een andere factor die mee kan spelen is dat respondenten de vraag door de hevigheid van de crisis pessimistischer zijn gaan interpreteren en de toegenomen bezorgdheid in de beantwoording tot uitdrukking komt. Ook is het mogelijk dat zelfstandigen snel door hun reserves heen zijn gegaan. Ook dit zal vooral gelden voor zelfstandigen waarvan het inkomen uit de onderneming de belangrijkste inkomstenbron was.
26
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
Hoe lang zou u nog kunnen rondkomen als het inkomen uit uw onderneming helemaal weg zou vallen? Figuur 4.5. Hoe lang zou u nog kunnen rondkomen als het inkomen uit uw onderneming helemaal weg zou Alle zelfstandigen vallen? Alle zelfstandigen, 2020 (procenten) Q1 (n=118)
15
16
Q2 (n=147)
31
Q3 (n=128)
28
Q4 (n=173)
23
Q2 t/m Q4 (n=448)
27 0
minder dan 3 maanden 1 tot 2 jaar weet niet
17
12
17
7
25
13
5
9
13
10
10
16
9
12
10
15 20
7
9 40
3 tot 6 maanden 2 tot 5 jaar
12 60
8
8
14
13
18
11
16
14
16
13
80
% 100
6 maanden tot één jaar 5 jaar of langer
Bron: OIS (Regionale Enquete Beroepsbevolking)
27
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
5 Steunmaatregelen voor zelfstandigen
Vanaf het begin van de coronacrisis zijn er door de overheid verschillende regelingen in het leven geroepen om zelfstandigen en hun bedrijven financieel te ondersteunen. In dit hoofdstuk brengen we het gebruik van de Tijdelijke ondersteuning zelfstandig ondernemers (Tozo) regeling in kaart aan de hand van registratiegegevens. Om een beeld te geven van het gebruik van overige regelingen maken we gebruik van gegevens uit de Regionale Enquête Beroepsbevolking.
Tozo 1 36.600 keer toegekend; 20.300 gebruikers Tozo 2 Ondernemers, waaronder zzp’ers, die financieel geraakt worden door de coronacrisis kunnen gebruik maken van de Tijdelijke overbruggingsregeling zelfstandig ondernemers (Tozo). De Tozo uitkering levensonderhoud vult het inkomen van ondernemers aan tot het sociaal minimum. Daarnaast is er een Tozo lening bedrijfskapitaal beschikbaar voor ondernemers die zakelijke rekeningen en/of vaste bedrijfslasten niet meer kunnen betalen. Tenzij anders vermeld gaan de gegevens in dit hoofdstuk over de Tozo uitkering levensonderhoud en niet over de Tozo lening bedrijfskapitaal. Tabel 5.1 Looptijd en voorwaarden Tozo 1, 2 en 3
Looptijd Toets inkomen partner Toets vermogen Selectie algemene voorwaarden Tozo uitkering levensonderhoud*
Tozo 1 1 maart t/m 31 mei 2020 nee
Tozo 2 1 juni t/m 30 september 2020 ja
Tozo 3 1 oktober 2020 t/m 31 maart 2021 ja
nee
nee
nee
Inkomen zelfstandige onder het sociaal minimum; Leeftijd 18 t/m AOW-gerechtigde leeftijd; Niet beschikbaar voor studenten jonger dan 27 jaar die aanspraak kunnen maken op studiefinanciering;
Als beide partners zelfstandige zijn kan slechts één partner de Tozo
uitkering levensonderhoud aanvragen; *Voor een volledig overzicht van de voorwaarden zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-financiele-regelingen/overzichtfinanciele-regelingen/tozo/wat-en-voor-wie bron: Rijksoverheid
De Tozo 1 regeling is toegekend aan ruim 36.600 Amsterdammers; de Tozo 2 regeling aan circa 20.300. Het kleinere aantal Tozo 2 toekenningen heeft voor een waarschijnlijk groot deel te maken met de invoering van de partnertoets. Voor Tozo 1 bepaalde alleen het inkomen van de ondernemer zelf of deze recht had op de uitkering. Vanaf Tozo 2 worden de inkomens van de ondernemer zelf en van een eventuele partner bij elkaar opgeteld. Van alle Tozo 1 ontvangers maakte de helft ook gebruik van de Tozo 2 uitkering. De groep Tozo 2 ontvangers bestaat bijna volledig uit personen die eerder de Tozo 1 ontvingen, slechts 10% ontvangt met Tozo 2 voor het eerst een Tozo uitkering.
28
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Op het moment dat deze analyse is uitgevoerd kan de Tozo 3 uitkering nog worden aangevraagd. Eind december 2020 maken 17.240 Amsterdamse ondernemers gebruik van Tozo 3.17 Een actuele stand van het aantal Tozo 3 aanvragen is beschikbaar in het coronadashboard op data.amsterdam.nl. Als we er van uitgaan dat Amsterdam 111.000 ondernemers telt (zie p.24), betekent dit dat 33% van de Amsterdamse ondernemers gebruik maakt van Tozo 1, 18% van Tozo 2 en, tot nu toe, 16% van Tozo 3. Figuur 5.2 Aantal personen met een toekenning Tozo levensonderhoud, Tozo 1, 2 en 3
40.000 35.000 30.000 25.000 20.000 36.620 15.000 20.330
10.000
17.240
5.000 0
Tozo 1
Tozo 2
Tozo 3*
*stand eind december 2020, Tozo 3 kan nog tot en met maart 2021 worden aangevraagd
Bron: WPI afd. Tozo / bewerking OIS
Tozo 2 ontvangers vaker alleenstaand dan ontvangers Tozo 1 Onder Amsterdammers die gebruik maken van Tozo 2 zijn naar verhouding meer alleenstaanden dan onder de groep Tozo 1 ontvangers. Een deel van de Tozo 1 ontvangers met een partner zal als gevolg van de invoering van de partnertoets geen recht op Tozo 2 meer hebben gehad. Desondanks heeft 34% van de Tozo 2 ontvangers wel een partner, voor hen ligt het gezamenlijke inkomen dus onder het sociaal minimum. Vergeleken met de Tozo 1 groep zijn onder de Tozo 2 groep iets meer jongeren tot 26 jaar. Waarschijnlijk hebben personen in deze leeftijdscategorie ook minder vaak een partner. Tot slot zijn de Tozo 2 ontvangers iets minder vaak hoogopgeleid dan de totale groep Tozo 1 ontvangers.
17
Dit is het aantal voorschotten dat is toegekend, het aantal toekenningen is nog niet bekend.
29
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 5.4 Samenstelling ontvangers Tozo 1 en 2 naar leeftijd, opleidingsniveau en plaats in het huishouden Tozo 1 (n = 36.620)
11
Tozo 2 (n = 20.330)
13
28 28
0
20
10
Tozo 2 (n = 20.330)
12 0
Tozo 1 (n = 36.620)
22
14
23
21
13
40
18-26 Tozo 1 (n = 36.620)
26
27-34
60
35-44
45-54
26
20
40
laag
middelbaar
35
Tozo 2 (n = 20.330) 0 20 alleenstaande ouder in eenouderhuishouden* onbekend
55-65
100
onbekend 24
36
25 60
100
onbekend
26 17
40 60 partner in paar zonder kindern thuiswonend kind
%
80
hoog
23 45
80
40 28
%
17
6 7
7 9
3 4
%
80 100 partner in paar met kinderen* overig**
*inclusief huishoudens met uitsluitend meerderjarige kinderen **inclusief institutionele huishoudens
Bron: WPI afd. Tozo / bewerking OIS
Het grootste aandeel huishoudens18 met een toekenning Tozo 2 zien we in Centrum-West (6,1%), gevolgd door Geuzenveld, Slotermeer, Sloterdijken (5,2%) en Westerpark (5,1%). In absolute zin telt Oud-West, De Baarsjes het hoogste aantal Tozo 2 ontvangers.
18
De Tozo uitkering levensonderhoud wordt één keer per huishouden toegekend, ook wanneer beide partners als zelfstandige werken. Daarom gaan wij ervan uit dat elke Tozo-toekenning gelijk staat aan een huishouden met Tozo. Het is wel mogelijk dat de huishoudindeling op het moment van de Tozo-aanvraag verschilt van de indeling in de Basisregistratie Personen (BRP) op het peilmoment van deze analyse (1 januari 2020).
30
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 5.5. Aandeel huishoudens* met een toekenning Tozo 2
*aantal toekenningen afgezet tegen het aantal huishoudens in het gebied
Bron: WPI afd. Tozo / bewerking OIS
5.2.1 Ruim vier op de tien Tozo 2 ontvangers hebben weinig vermogen Anders dan de bijstand kent de Tozo 2 uitkering geen vermogenstoets. Naar schatting (op basis van vermogensgegevens over 2019) heeft 42% van de Tozo 2 ontvangers een huishoudvermogen onder de bijstandsnorm. Als zij hun onderneming niet kunnen voortzetten op het moment dat de steunmaatregelen worden afgebouwd zou deze groep door kunnen stromen naar de bijstand. Figuur 5.6. Ontvangers Tozo 2 (juni-september 2020) naar vermogenssituatie (schatting o.b.v vermogensgegevens over 2019), n = 20.330, % 42
0
20 vermogen onder bijstandsnorm
47
40
60
vermogen boven bijstandsnorm
11
%
80
100
vermogen niet bekend
Bron: WPI afd. Tozo / bewerking OIS
Jongere Tozo 2 ontvangers hebben vaker een laag vermogen dan oudere. Van de groep 18 t/m 26-jarigen met een Tozo 2 uitkering heeft naar schatting 56% een vermogen tot bijstandsnorm, onder 55 t/m 65-jarigen is dit 30%. Hierbij geldt wel dat het vermogen van jongeren relatief gezien vaker onbekend is, mogelijk is het verschil naar leeftijd dus nog groter. In absolute zin is
31
|
Onderzoek, Informatie en Statistiek
Ontwikkeling armoede corona
de groep met weinig vermogen het grootst onder 27 t/m 34-jarigen, circa 2.860 Tozo 2 ontvangers in deze leeftijdscategorie hebben een vermogen tot de bijstandsnorm. Figuur 5.7. Ontvangers Tozo 2 (juni-september 2020) naar vermogenssituatie (schatting o.b.v vermogensgegevens over 2019) en leeftijdscategorie, % 18-26 (n=2.700)
56
27-34 (n=5.650)
28
51
35-44 (n=4.750)
35
40
45-54 (n=4.350)
30 0
14
50
34
55-65 (n=2.720)
15
20
40
vermogen onder bijstandsnorm
10
61
5
65
5
60
80
vemogen boven bijstandsnorm
%
100
vermogen onbekend
Bron: WPI afd. Tozo / bewerking OIS
Hoogopgeleiden met een Tozo 2 uitkering hebben minder vaak een vermogen onder de bijstandsnorm dan laag- en middelbaaropgeleiden. Het risico op doorstroom naar de bijstand is voor hoogopgeleiden dus kleiner. In absolute zin zijn de groepen middelbaar- en hoogopgeleide Tozo 2 ontvangers met weinig vermogen ongeveer even groot: ca. 2.700 per opleidingsniveau. Figuur 5.8. Ontvangers Tozo 2 (juni-september 2020) naar vermogenssituatie (schatting o.b.v vermogensgegevens over 2019) en opleidingsniveau, % laag (n=2.430)
56
middelbaar (n=5.590)
35
48
hoog (n=7.300)
37
onbekend (n=5.10)
36 0
20
vermogen onder bijstandsnorm
9
42
10
55
8
47 40
17
60
80
vemogen boven bijstandsnorm
% 100
vermogen onbekend
Bron: WPI afd. Tozo / bewerking OIS
Overige steunmaatregelen zelfstandigen Vanaf het tweede kwartaal van 2020 is in de REB-enquête aan zelfstandigen gevraagd of zij van de door de coronacrisis in het leven geroepen ondersteuningsregelingen gebruik hebben gemaakt. De resultaten zijn weergegeven in figuur 5.9.
32
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 5.9 Percentage zelfstandigen dat van regelingen** gebruik maakt, per regeling, Q2 t/m Q4, 2020
uitstel landelijke belastingen (n=437)
9
Tegemoetkoming Vaste Lasten (n=295)
8 2
7
uitstel gemeentelijke belastingen (n=436) 4 5 krediet (n=435) 4 4 NOW* (n=51)
47 0
20 ja
4 40
% 60
80
100
nog niet, wel van plan
* NOW is alleen beschikbaar voor zelfstandigen met personeel. ** voor meer informatie over deze regelingen, zie https://www.rijksoverheid.nl/onderwerpen/coronavirus-financieleregelingen/overzicht-financiele-regelingen Bron: OIS (Regionale Enquete Beroepsbevolking
Klein deel zelfstandigen heeft behoefte aan ondersteuning maar is niet bekend met bepaalde ondersteuningsmaatregelen Aan zelfstandigen die van een bepaalde regeling geen gebruik hebben gemaakt, is in het vierde kwartaal ook gevraagd waarom zij dit niet deden. Voor de verschillende regelingen geldt dat er steeds een groep van ongeveer tien procent is die de regeling niet kent of niet weet hoe deze aangevraagd kan worden. Bij de zelfstandigen die geen Tozo 3 hebben aangevraagd valt op dat ongeveer een op de vijf aangeeft wel behoefte te hebben aan ondersteuning maar voor deze regeling niet in aanmerking te komen. Voor al deze zelfstandigen geldt echter dat zij wel van andere regelingen gebruik hebben gemaakt. Per regeling geeft telkens ongeveer twee derde aan dat men de betreffende regeling niet nodig heeft.
33
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
Figuur 5.10 Kunt u aangeven waarom u deze regeling niet heeft aangevraagd? Per regeling weergegeven voor de zelfstandigen die regeling niet hebben aangevraagd, 4e kwartaal 2020
Tozo 3 (n=123)
19
uitstel gemeentelijke belastingen (n=146)
2 7
9 1 9
uitstel landelijke belastingen (n=140)
6 1 7
Tegemoetkoming Vaste Lasten (n=139)
8 1
krediet (n=145)
8 1 7 0
7
65
12
68
16 13
69 14
64
13 20
71 40
60
% 80
100
wel ondersteuning nodig maar kom voor deze regeling niet in aanmerking weet niet hoe ik de regeling aan moet vragen ken regeling niet weet ik niet deze regeling niet nodig Bron: OIS (Regionale Enquete Beroepsbevolking)
34
Onderzoek, Informatie en Statistiek
|
Ontwikkeling armoede corona
6 Huishoudens met een laag inkomen en moeite met rondkomen